Overzicht technische vragen en antwoorden + bijlagen
Tekst van het document
Het uitkopen van inwoners is iets wat we op voorhand zoveel mogelijk proberen te voorkomen. Vraag 6 In hoeverre is bekend of er eventuele burgers / ondernemers zijn die uitgekocht zouden willen worden? Antwoord 6 Venlo heeft een uitkoopmogelijkheid aangeboden aan inwoners van Heierhoeve. Wij hebben in Horst aan de Maas nu geen uitkoopregeling voorzien. We zullen in de omgevingsdialoog onderzoeken of er 19
aanleiding en ruimte is om dit te overwegen. Vooralsnog zien wij daarvoor geen aanleiding omdat plaatsing mogelijk is zonder de normen te overschrijden. Vraag 7 Zijn er nog andere locaties (met andere instrumenten, zoals uitkopen) voorstelbaar of bijvoorbeeld met andere windmolens (molens zonder wieken)? Antwoord 7 Neen, er zijn nu geen andere locaties aan de orde nu de raad met KODE en de windverkenning het keuzeproces heeft doorlopen en de ontwikkelgebieden Witveld en Hoogheide (en Klaver 11) als meest kansrijke gebieden heeft aangewezen. We wekken in 2030 energie op met bewezen technieken: zon en windmolens. Wiekloze molens zijn experimenteel en wekken bij verre niet de energie op die we nodig hebben. Vraag 8
Mogen we ook inkopen in andere projecten om zo te voldoen aan de 'lokale opwek'?
Antwoord 8 Neen, dat mag niet. Dat is niet in overeenstemming KODE. Daarin is namelijk vastgelegd dat we 30% van onze energiebehoefte willen invullen met elektriciteit die lokaal (in eigen gemeente) duurzaam is opgewekt. Ook in het klimaatakkoord is afgesproken dat regio’s werken aan het opwekken binnen de eigen regio. Het afwentelen van de opgave naar anderen is dus niet mogelijk. Vraag 9
Op welke manier verminderen 7 windmolens de klimaatstress in onze gemeente?
Antwoord 9 De winning en verbruik van fossiele brandstoffen veroorzaakt productie van CO2 en dit leidt tot klimaatverandering. Door energie duurzaam op te wekken met zon en wind dragen we allemaal tezamen bij aan een vermindering van CO2-uitstoot. Daarmee gaan we klimaatverandering tegen en wordt ook de klimaatstress verminderd. We merken klimaatstress nu ook al in onze gemeente, door periodes van extreme hitte, droogte of juist excessieve buien, maar ook door veranderingen in de biodiversiteit. Als we door wereldwijze actie de klimaatverandering tegengaan, zullen we dat dus ook lokaal merken. Voor het tegengaan van klimaatverandering rust een bijzondere verantwoordelijkheid op ons rijke deel van de wereld. We zijn immers al het langst verantwoordelijk voor de uitstoot van broeikasgassen en we zijn het best in staat om te investeren in maatregelen. De armere landen lijden het meest onder klimaatverandering, zijn er het minst schuld aan en zijn het minst in staat om de gevolgen op te vangen.
Binnen Nederland behoort Horst aan de Maas tot de 10% meest broeikasgas uitstotende gemeenten (relatief; per inwoner, bron: CBS) Vraag 10 Waarom zijn de wettelijke kaders over afstand in ieder land anders, terwijl er wel wetenschappelijke overeenstemming over is? Antwoord 10 Dat heeft enerzijds te maken met de geografische en demografische verschillen tussen landen en anderzijds met de mate van geluidsbelasting die ieder land voor zijn burger bereid is te accepteren. Er is daarbij altijd sprake van een belangenafweging tussen het bieden van ruimte aan ontwikkeling en het beschermen van inwoners. De verschillen zijn overigens veel minder groot dan vaak wordt beweerd. Verwarrend is dat ieder land een eigen meetmethode hanteert. Verschillende wetenschappers hebben al geprobeerd een vergelijking te trekken tussen landen. Dat leidt niet tot eenduidige uitkomsten. Onderstaande grafiek geeft een indicatie
Vraag 11 Hoe duur worden obligaties bij Reindonk? Is dit voor iedere inwoner haalbaar om te kopen, zodat het ook echt coöperatief is? Antwoord 11 Dat is nog niet bekend. Dat is ook pas duidelijk als de businesscase verder is uitgewerkt en kosten en opbrengsten beter kunnen worden ingeschat. Gebruikelijk is bij lokale energie coöperaties dat 20
participaties breed worden uitgezet zodat zo veel mogelijk inwoners deel kunnen nemen. Participaties zijn ook klein van omvang, zodat ook mensen met een minder gevulde beurs kunnen instappen. Uiteindelijk bepalen de leden van de coöperatieve vereniging de exacte details. We hopen en verwachten dat veel inwoners lid van de coöperatieve vereniging zullen worden en hun stem zullen laten horen. Wij zullen onze wensen over brede en laagdrempelige toegang ook kenbaar maken aan de lokale energie coöperatie. Vraag 12 Er wordt gezegd dat er een omgevingsdialoog gaat plaatsvinden. Wat als omwonenden / bedrijven hier aangeven dat ze geen windmolens willen? Antwoord 12 Windturbines zijn noodzakelijk om de klimaatcrisis te keren, maar zij zijn tegelijk een belasting voor de directe omgeving. Het draagvlak in Nederland voor windenergie is groot en de tegenstand bij concrete projecten is eveneens hevig. Hier botst het algemeen en het lokale belang. En die botsing is ook te horen in onze gemeenschap. Een breed draagvlak binnen een plangebied is gegeven de belasting voor de omgeving illusoir. Maar naarmate planvorming voortschrijdt gaat de vraag óf molens worden geplaatst over in de vraag hóé molens worden ingepast en hoe de effecten kunnen worden geminimaliseerd.
Daarom is het van belang om voorbij wel/niet te komen en te praten over hóé windmolens worden ingepast en niet óf ze worden ingepast. Acceptatie o.a. door de lusten daadwerkelijk aan het plangebied toe te laten komen, om zo veel mogelijk gebiedsbelangen en koppelkansen te honoreren, en ook door een luisterend oor te hebben voor de reële zorgen over gezondheid en overlast die bij de inwoners leven. Lokaal draagvlak kan geen absolute randvoorwaarde zijn. Het belang van de energietransitie is daarvoor te groot en het kan niet zijn dat de energietransitie, waarvoor maatschappelijk draagvlak bestaat in algemeenheid, niet door zou kunnen gaan louter op het ontbreken van lokaal draagvlak. Vraag 13 Er wordt gezegd dat de gemeenteraad het laatste woord heeft over de plaatsing van windmolens. Gaat dat alleen over dit project of over de vergunning van alle windmolens? Dus: als er een individuele aanvraag voor een windmolen komt die voldoet aan afstandseisen etc, kan deze dan wettelijk worden geweigerd? Antwoord 13 De gemeenteraad is als hoogste orgaan altijd het orgaan dat het beslissende woord heeft over het plaatsen van windmolens. Onder de huidige wet kan immers geen vergunning worden verleend zonder verklaring van geen bedenking van de raad. In de komende omgevingswet heeft het bindend advies van de raad dezelfde functie.
Maar zoals elk overheidsbesluit moet dit besluit wel zijn gebaseerd op een goede motivering. Bij bestemmingsplannen/omgevingsplannen is er weinig ruimte: als iets eenmaal past, in het plan bepaalt het “imperatief-limitatieve stelsel” dat vergunning moet worden verleend, want het is in het plan toegestaan Voor de windmolens is nog geen omgevingsplan gemaakt. Dan is de beslissingsruimte voor de gemeenteraad groot: de raad kan vrijelijk afwegen - mits goed gemotiveerd - of er al dan niet medewerking wordt verleend aan ofwel het wijzigen van het omgevingsplan ofwel aan een ‘Bopa’ (buitenplanse omgevingsplanactiviteit). De situatie zal dus - mits goed gemotiveerd - zo zijn dat de gemeenteraad niet gedwongen wordt om ongewild vergunning te verlenen. Vraag 14 Hangt ons, bij instemmen met dit RV, boven het hoofd dat we over 2 jaar te horen krijgen: 'als u nu niet instemt, is er 1 miljoen verloren gegaan wat anders terug was verdiend aan de ontwikkelaar'?
21
Antwoord 14 Neen dat is niet zo. Ook nu is na KODE (november 2021) al heel veel werk verzet om tot dit besluit te komen. Maar ook nu is het argument dat er al veel gedaan en uitgegeven is niet aan de orde. Dat zal straks wat het college betreft hetzelfde zijn: de raad moet in alle vrijheid tot zijn eindoordeel kunnen komen. Vraag 15 Beslispunt 2: Voorstel is om de Raad in 2025 definitief een besluit te laten namen over de vergunning. In hoeverre is de Raad dan nog aan zet om buiten een ruimtelijke gronden, een eventuele vergunning te weigeren? Immers een vergunning is op basis van ruimtelijke onderbouwing. Antwoord 15
Zie vraag 13
Vraag 16 Beslispunt 3: Er worden drie varianten genoemd die ten minste worden uitgewerkt (gesocialiseerde grondvergoeding, omwonenderegeling en omgevingsfonds). In hoeverre heeft het College al beeld bij de invulling van deze eerlijkere verdeling van de opbrengsten? Antwoord 16 De eerlijke verdeling van lusten en lasten gaat over meer dan alleen mede-eigendom. Het gaat ook over een gesocialiseerde grondvergoeding én een goede omwonendenregeling én het vormen van een omgevingsfonds (er is dus eigenlijk geen sprake van drie varianten maar van instrumenten die tegelijkertijd worden ingezet). Een gesocialiseerde grondvergoeding betekent dat de grondeigenaren (en ook pachters) binnen het gebied waarin de bouw van windmolens volgens de normen mogelijk is (het ontwikkelgebied), samen de vergoeding voor het opstalrecht - volgens een gezamenlijk af te spreken sleutel - delen. Dat betekent dus dat vermeden wordt dat de opbrengst enkel toevloeit naar de toevallige eigenaar van het perceel waar de molens op komen te staan. Terwijl de buurman waar de molens óók had kunnen staan, niets krijgt. Een omwonendenregeling is een afspraak - niet gebaseerd op de wet, maar op een onderlinge overeenkomst waarbij is geregeld dat een deel van de grondopbrengst van de molens wordt bestemd voor de meest nabije omwonenden. Deze regeling komt in de gebiedsdialoog tot stand.
Bij een omgevingsfonds wordt meestal aangesloten bij de vrijwillige afspraken die landelijk gemaakt zijn om tenminste € 0,50 per opgewekt MWh te storten in een fonds dat aan de gehele gemeenschap ten goede kan komen. Het beheer van een dergelijk fonds kan in handen van een stichting of van dorpsraden worden gelegd. Indien de gemeente als mede-ontwikkelaar optreedt, ontstaat financiële ruimte voor een mogelijke additionele omwonendenvergoeding, zoals in het raadsvoorstel is opgenomen. Vraag 17 Argument 1.1 en argument 1.7: Het gezag is van de provincie overgedragen naar de gemeente Horst aan de Maas. Wanneer de raad niet in zou stemmen: hoe worden dan Venlose taferelen voorkomen? Wat is het risico dat we als gemeente Horst aan de Maas met de rug tegen de muur staan? Antwoord 17 Normaal moet de provincie besluiten op een aanvraag voor windmolens (tussen 5 en 100 MW). Door de overdracht mag de gemeente nu zelf beslissen en randvoorwaarden stellen. Als de raad besluit tot een no-go, dan valt de bevoegdheid op grond van de wet terug naar de provincie. Dat betekent dat de provincie een besluit moet nemen indien aldaar een aanvraag voor een windpark in Horst wordt ingediend. Welk besluit de provincie dan neemt, is aan de provincie. Wij zouden dat een onwenselijke situatie vinden en geven de voorkeur aan een lokaal besluit.
Vraag 18 Argument 1.2: Het kan zijn dat blijkt dat een of enkele windmolens vervallen. Wat is het minimale aantal voor het College om het realiseerbaar te maken (i.v.m. het uitgangspunt van clustering). 22
Antwoord 18 Het is inderdaad mogelijk dat uit de MER blijkt dat niet het aantal molens dat Arcadis in de maximale verkenning noemt, kan worden gerealiseerd. Arcadis geeft in zijn rapport al aan dat er een aantal knelpunten zijn die mogelijk door het schrappen van molens kunnen worden opgelost. Het is te vroeg om daar nu al conclusies over te trekken. Uitgangspunt is clustering. Dat betekent dat we de opgave voor wind uit KODE bij voorkeur in één cluster realiseren. Hoogheide/Witveld blijft het meest kansrijke gebied. Vraag 19 Argument 1.2: De opgave kan gehaald worden met de molens die geplaatst zouden kunnen worden. Is dat de gehele opgave voor KODE of alleen de opgave voor wind? En wat betekent dit voor het aantal te plaatsen ha PV? Antwoord 19 In KODE zijn vier sporen gedefinieerd waarlangs we meer duurzame elektriciteit gaan opwekken tot 2030. Het derde van de vier sporen is het opwekken van energie in energielandschappen via windmolens en grootschalige zonneweides. Met spoor 3 willen we 713 TJ opwekken. Uitgaande van 7 molens is dat 223 TJ aan windenergie en 275 hectare zonnepanelen. Vraag 20 Argument 1.2: Op genomen is dat Klaver 11 ‘nu’ niet verder onderzocht wordt. Er lijkt ruimte geformuleerd in deze zin.
Is Klaver 11 in de toekomst wel onderzoekswaardig en waarom dan? Antwoord 20 De doelen voor het opwekken van duurzame energie van KODE moeten worden gerealiseerd voor 2030. Wind in Klaver 11 is door de aanwezigheid van een aantal geluidgevoelige objecten niet realiseerbaar voor 2030. Indien blijkt dat deze geluidgevoelige objecten om welke reden dan ook vervallen, kan Klaver 11 opnieuw worden bekeken. Wij achten de haalbaarheid voor 2030 echter gering. Vraag 21 Argument 1.2 en kanttekening 4.1: Welk voordeel wordt er concreet behaald om nu aan de slag te gaan met de MER, in plaats van te wachten op de nieuwe normen? Antwoord 21 Het inventariseren en bestuderen van milieueffecten staat los van de wettelijke norm die deze zomer wordt verwacht. Als de norm over rond de zomer van 2023 bekend wordt, wordt deze in het MER rapport verwerkt. Het MER rapport is pas na de zomer 2024 gereed. Als we zouden stoppen, valt het hele proces van planvorming stil. En dat is niet nodig. Ook de regering dringt aan om de planprocessen niet stil te leggen in afwachting van de nieuwe normen. We werken toe naar besluitvorming in de gemeenteraad in het voorjaar 2025. Het stilzetten van het planproces betekent evenveel vertraging van dit besluit.
Met besluitvorming in het voorjaar van 2025 lukt het - rekening houden met Raad van State procedure, bouwvoorbereiding, aansluiting, bestellen en bouwen van molens - nipt om conform 2030 de opwek gerealiseerd te hebben. Ook is het wat ons betreft wenselijk om de omgevingsdialoog onverwijld voort te zetten en te intensiveren. De boomtelers hebben bijvoorbeeld aangegeven het gesprek enkel voor te willen zetten ná een besluit van de raad op 11 juli. Vraag 22 Argument 1.3: We spreken regelmatig over koppelkansen. Kan het College een doorkijk geven welke koppelkansen er voor de gebieden zouden kunnen ontstaan? Antwoord 22 Koppelkansen worden niet alleen door de overheid bepaald, maar zijn ook de resultante van de omgevingsdialoog. In de dialoog kunnen belangen naar voren komen die als koppelkans kunnen worden gehonoreerd. Voorbeeld is - op verzoek van de pachters - de kans om de pachtrelatie met de pachters te moderniseren en voor de pachters passender te maken. Een ander voorbeeld is aanpak van de geuroverlast die vaak ter sprake wordt gebracht. De inkomsten van de molens kunnen ook de agrarische structuur versterken, maar evengoed de inrichting van het landschap verbeteren. Impulsen in natuur zijn ook denkbaar. 23
Maar een koppelkans is ook om met het omgevingsfonds extra steun te geven aan lokale culturele of sportactiviteiten. Vraag 23 Argument 1.3: De omgevingsdialogen worden bij een positief besluit voorgezet. Hoe gaat het College deze gesprekken vormgeven? Wanneer is er sprake van draagvlak volgens het College? Antwoord 23 De dialoog met omwonenden, bedrijven, grondeigenaren en pachters en met de brede gemeenschap loopt al een tijd en zal ook verder worden doorgezet. Bijeenkomsten met bewoners en bedrijven hebben plaatsgevonden in september/oktober 2022 en wederom in februari en april 2023. Grondeigenaren en pachters in het ontwikkelgebied en bewoners tot 1000 meter van het ontwikkelgebied, zijn persoonlijk per brief uitgenodigd. Ook de dorpsraden zijn voor alle bijeenkomsten uitgenodigd. Daarnaast is via de Hallo, de website en sociale media, aandacht gevraagd voor de bijeenkomsten. Verder zijn er nog aparte gesprekken geweest met grondeigenaren in Witveld en met pachters in Hoogheide. De opkomst had groter kunnen zijn. Het is zeker niet zo dat er gebrek is geweest aan communicatie en het is onjuist dat de informatie eenzijdig is geweest. We hebben steeds aansluiting gezocht bij de wetenschappelijke informatie en afstand gehouden van tendentieuze berichten. Op de avonden in april hebben we zelfs Tegenwind uitgenodigd om ook een stand te bemensen.
Indien de raad op 11 juli aanstaande besluit tot een go, zullen we aan de slag gaan met een verdere omgevingsdialoog en met MER-onderzoek. Beide lopen parallel aan elkaar. We denken nu om in drie kringen omgevingsdialogen te organiseren: de kleine kring van grondeigenaren en pachters in het ontwikkelgebied waar de molens zouden kunnen komen, de iets bredere kring van omwonenden tot een zekere afstand van de molens en een derde kring van de wijdere omgeving. De voortgang van de MER wordt ook in de drie omgevingsdialogen besproken. En de omgevingsdialogen kunnen ook onderzoeksvragen en suggesties meegeven aan de MER-onderzoekers. We vinden dit participatieproces van groot belang. De resultaten van MER en omgevingsdialogen leggen we najaar 2024 aan u voor. Op dat moment kunt u besluiten om de vergunningprocedure voor de windmolens in gang te zetten of besluiten om dat niet te doen. Dat is dus een tweede go-no go besluit van uw raad. Er is dus geen automatisch groen licht na het afronden van de MER. Vraag 24 Argument 1.4: 50% lokaal eigendom. Hoe wordt lokaal eigendom in het vervolg gedefinieerd? Antwoord 24 Eigendom van een windturbine op coöperatieve basis via een lokale coöperatieve, democratisch georganiseerde vereniging waarvan iedere inwoner van de gemeente lid kan worden en via een participatie aan het project kan deelnemen. Vraag 25
Argument 1.4: Wanneer spreekt men van consensus over de grondvergoeding?
Antwoord 25 Dat betekent in de praktijk dat grondeigenaren overeenstemming hebben over een verdeelsleutel. Die overeenstemming wordt bereikt in een omgevingsdialoog waaraan alle grondeigenaren en mogelijk pachters in een ontwikkelgebied deelnemen. Iedere eigenaar - en pachter - wordt uitgenodigd. Het gebeurt in de praktijk dat eigenaren in een gebied principieel niet mee willen doen, zij blijven dan vrijwillig buiten de overeenkomst en delen vrijwillig niet mee in de gesocialiseerde grondvergoeding. Pas na het afspreken van de verdeelsleutel worden de exacte plekken van de molens bepaald. Vraag 26 Argument 1.4: Per MWh wordt 50 cent in een Omgevingsfonds gestopt. Waarop is dit bedrag gebaseerd?
24
Antwoord 26 De bijdrage aan het fonds is tenminste € 0,50 euro per opgewekte MWh per jaar. Dit bedrag komt uit de Gedragscode Wind op Land en is als richtlijn opgenomen in het landelijke Klimaatakkoord. Vraag 27 Argument 1.5: Bij een positief resultaat worden vier doelen genoemd om als optie in te zetten. Dit wordt voor een groot deel bepaald uit de omgevingsdialoog. Zijn er buiten deze opties nog andere doelen denkbaar, wellicht om in te zetten voor de volledige gemeenten of versterking van MFA’s, leefbaarheid in de kernen etc.? Antwoord 27
Ja, dit kunnen we met behulp van de resultaten uit de omgevingsdialoog nader bepalen.
Vraag 28 Argument 4.1: de kosten worden uiteindelijk verhaald op de initiatiefnemers. Betreft dit de volledige €960.000 .-? De gemeente is mogelijk zelf ook initiatiefnemer, waardoor het zelf ook moet afdragen? Antwoord 28 Ja dat klopt. De gemeente treedt in twee hoedanigheden op. Ten eerste als hoeder van een goede ruimtelijke ordening en een goed leefmilieu. Uit dien hoofde ontwikkelt de gemeente de plannen voor duurzame energie. Ten tweede als eigenaar van gronden en als investeerder, die zorgt voor een rendabele en nuttige inzet daarvan. Als de gemeente als ontwikkelaar en eigenaar/exploitant van een aantal windmolens zou gaan optreden, zal zij een proportioneel deel van de kosten moeten dragen. Dit is onderdeel van de businesscase bij een eventuele investeringsbeslissing. Overigens blijkt uit recente VNG-informatie over de verdeling van aanvullende rijksmiddelen voor het tegengaan van klimaatverandering, dat het dat gemeenten die zich inspannen voor de realiseren van windmolens of zonneweides een aanvullende vergoeding ontvangen. De regeling is nog niet definitief. Uit concept-berekeningen volgt een vergoeding van een kleine €500.000 voor Horst aan de Maas. Vraag 29 Kanttekening 1.4: er wordt gesproken over een actualisatie van KODE. Hoe en gaat deze plaatsvinden? Antwoord 29 In eerder gesprek met de raad is geopperd om KODE te actualiseren.
Daarbij kan enerzijds in beeld gebracht worden wat de voortgang is van de realisatie van de ambities. Anderzijds kan de ambitie (35% energiebesparing en 30% lokale opwek) worden herijkt aan de hand van de aanscherpte EU- en kabinetsambities. De EU en het kabinet hebben immers besloten om de CO2-reductieambitie aanzienlijk aan te scherpen. Vraag 30 Vanuit RES is de opgave om tot 2030 van het energiegebruik 2017, van de bebouwde omgeving; 35% besparen en 30% lokaal op te wekken. De RES noemt de bebouwde omgeving (is 23% van het totale verbruik) en niet het totaal verbruik. De ambitie in KODE lijkt hiermee hoger geformuleerd. Is de wethouder hiervan op de hoogte? Antwoord 30 De energieambities van onze gemeente, zoals die in KODE zijn vastgelegd, zijn gebaseerd op het totale energiegebruik in de gehele gemeente. KODE beperkt zich dus niet tot het energieverbruik in de gebouwde omgeving. De ambitie is om 30% van het totale energieverbruik in 2030 (dus na 35% besparing) duurzaam op te wekken. De suggestie dat de RES zich enkel richt op het opwekken van elektriciteit voor de gebouwde omgeving is onjuist. Het klimaatakkoord bevat, via de tafel Elektriciteit/Energiesysteem, een aantal opdrachten voor het realiseren van duurzame opwek (m.n. klein zon op dak, groot zon op dak, zon op land, wind op land, wind op zee).
Deze opgewekte elektriciteit is bedoeld voor de andere 4 tafels (afnemers/sectoren) te weten gebouwde omgeving, landbouw, industrie en mobiliteit. 25
Vraag 31 gehaald is?
In hoeverre is het mogelijk om hieruit te concluderen dat de lokale opwek voor na 2030 al
Antwoord 31 Omdat het doel is gerelateerd aan het totale energieverbruik in 2030 hebben we dat doel nog lang niet bereikt. In vraag 2 is ook al aangegeven dat we inschatten dat van het doel van 30% lokaal op te wekken duurzame energie nu ongeveer 12% is gerealiseerd. Let op: als we 12% van ons doel van 30% hebben gerealiseerd, wekken we ca 4% van onze energiebehoefte lokaal duurzaam op.
Vraag 32 stellen?
In hoeverre is de Raad aan zet – om bij nieuwe inzichten – de ambitie in KODE bij te
Antwoord 32
Het evalueren en bijstellen van beleid is een bevoegdheid van de raad.
Vraag 33 Het gebied Hoog-Heide is door de gemeente aangewezen als boom- en sierteelt locatie. Hier hebben bedrijven zich volgens de gestelde visie gevestigd en zijn een unieke samenwerking aangegaan welke elkaar en het gebied versterken. Van hieruit vindt handel en export plaats over heel Europa. In hoeverre kan de overheid als betrouwbare overheid worden gezien, als de door de komst van windturbines de arbeidsomstandigheden van werknemers mogelijk onder druk komen te staan? Antwoord 33 Wij zijn ervan overtuigd dat de windmolens goed te combineren zijn met de activiteiten van boom- en sierteelt. Dat stemt overeen met de wens uit KODE om dubbelgebruik mogelijk te maken: opwek en agrarischt gebruik tegelijkertijd. Uit de eerste onderzoeken door een geluidsdeskundige blijkt dat medewerkers, die recht onder de windmolen staan, te maken krijgen met een geluidsbelasting van 50 tot 55 dB(A). Dat is minder dan het geluid in een kantoorruimte. Er is dus geen sprake van arbeidsomstandigheden die onder druk staan. We zullen in de MER verder ingaan op dit punt en zullen dan ook locatiespecifieke berekeningen maken. Vraag 34
Op welke manier kan het College enige vorm van garantie geven aan deze sector?
Antwoord 34 Als de sector aantoonbaar schade zou leiden, is deze schade verhaalbaar op de gemeente (planschade) en op de initiatiefnemer (overige schade). De gemeente zal vooraf in de anterieure overeenkomst regelen dat de planschade door de initiatiefnemer gedragen wordt. De garantie is dus dat schade verhaalbaar is. Wij kunnen ons ook geen andere vorm van garantie voorstellen die maatschappelijk aanvaardbaar is. Vraag 35 Er heeft een onderzoek plaatsgevonden van CE Delft voor het halen van de klimaat doelstelling. In de bevindingen hiervan wordt geconcludeerd dat we voor het behalen van de klimaat doelstelling 2030 niet afhankelijk zijn van wind op land, maar wind op zee i.c.m. zon op daken. In hoeverre is dit meegenomen in de bevindingen? Antwoord 35 Gedoeld wordt op een rapport van CE Delft dat is geschreven op verzoek van de antiwindlobby. Dit rapport focust op de vraag of de energieambities ná 2030 richting 2050 (klimaatneutraal) kunnen worden gehaald zonder extra windmolens op land. Dit laat onverlet dat richting de doelstelling voor 2030 (49% CO2reductie) nog veel windmolens op land moeten worden gerealiseerd.
Overigens concludeert CE Delft dat we na 2030 geen extra windmolens op land hoeven te plaatsen, mits we accepteren dat we sterk geopolitiek afhankelijk worden van waterstofimport, meer kerncentrales bouwen én het energiegebruik van de industrie zeer fors reduceren. Vraag 36 Is er navraag gedaan hoe we als lokale overheid / regio zelf strikte voorwaarden kunnen stellen voor een veilige werk omgeving onder en direct nabij de windturbines? 26
Antwoord 36 Dit is een Rijksverantwoordelijkheid die wordt ingevuld in de Arbo-wet. De gemeente heeft hierin geen bevoegdheid. Vraag 37 Hoe kunnen toekomstige nadelige effecten op de teelt, ten gevolgen van extreme temperatuurschommelingen door de turbines, voor de kweker vergoed worden? Antwoord 37 Het is correct dat windmolens een geringe turbulentie en menging van luchtlagen kunnen veroorzaken en daarmee in theorie een zeer beperkt effect op het lokale microklimaat kunnen hebben. Wij zullen dit aspect meenemen in de milieu-effect rapportage. Anderzijds is het bewezen dat klimaatverandering door het gebruik van fossiele brandstoffen zal zorgen voor een forse toename van de perioden met zeer warm en zeer droog weer, met watertekorten voor o.a. de landbouw tot gevolg en een vermindering van de biodiversiteit. De energietransitie is de beste aanpak om deze effecten tegen te gaan. Vraag 38 Wordt er rekening gehouden met een mogelijke toename van energieverbruik in de zomer door het toegenomen gebruik van airco's? Is het een mogelijkheid om ook vergroening en verblauwing mee te nemen als onderdeel van de mogelijkheden tot energiebesparing? Antwoord 38 In de prognose voor toekomstig energieverbruik is de groei van het energieverbruik ten behoeve van koeling meegenomen. Door de klimaatverandering zullen we minder energie nodig hebben om te verwarmen, maar meer om te koelen.
Vergroening en verblauwing leidt, als we uw vraag goed begrijpen, niet direct tot reductie van het energieverbruik.
06. Windturbines Hoogheide en Witveld 66. D66 Groen Links technisch Vragen en antwoorden D66 – Groen Links Vraag 1 We zien op dit moment dat er door sommige wordt getwijfeld aan adviesbureaus die rapporten schrijven. Hoe gaan we de onafhankelijkheid van de MER waarborgen. Heeft het college al een standpunt met betrekking tot de opsteller van de MER en eventuele deelname bij de verdere mogelijke ontwikkelingen? Antwoord 1 Wij vinden dat onze adviseurs deskundig moeten zijn en in staat moeten zijn om te adviseren en te handelen in het belang van de opdrachtgever, in casu de gemeente Horst aan de Maas. Dat houdt in dat een adviseur of adviesbureau niet tegelijkertijd een ander belang dat direct of indirect speelt in deze gemeente mag dienen. Nu niet, en evenmin in de toekomst van dit project. Wij vinden het van belang dat een adviseur een eigen integriteits- of gedragscode heeft vastgelegd en deze actief toepast. Wij zullen een MER bureau kiezen dat aan deze randvoorwaarde voldoet. Daarbij waarborgt de wettelijke Commissie m.e.r. als onafhankelijke beoordelaar, de kwaliteit van de inhoud van milieueffectrapporten. Vraag 2 Kunt u nogmaals het proces schetsen? In onze ogen is een positieve MER niet automatisch groen licht voor de rest van het proces. Het college zal altijd terug moeten komen bij de raad voor verdere besluitvorming.
De MER biedt daar op dat moment wel hulp bij omdat het een objectief en onafhankelijk onderzoek is naar de milieu-effecten in de breedste zin van het woord. Is dit correct? Antwoord 2 Indien de raad op 11 juli aanstaande besluit tot een go, zullen we aan de slag gaan met het MER-onderzoek en met een verdere omgevingsdialoog. Beide lopen parallel aan elkaar. We denken nu om in drie kringen omgevingsdialogen te organiseren: de kleine kring van grondeigenaren en pachters in het 27
ontwikkelgebied waar de molens zouden kunnen komen, de iets bredere kring van omwonenden tot een zekere afstand van de molens en een derde kring van de wijdere omgeving. De voortgang van de MER wordt ook in de drie omgevingsdialogen besproken. En de omgevingsdialogen kunnen ook onderzoeksvragen en suggesties meegeven aan de MER-onderzoekers. We vinden dit participatieproces van groot belang. De resultaten van MER en omgevingsdialogen leggen we najaar 2024 aan u voor. Op dat moment kunt u besluiten om de vergunningprocedure voor de windmolens in gang te zetten of besluiten om dat niet te doen. Dat is dus een tweede go-no go besluit van uw raad. Er is dus geen automatisch groen licht na het afronden van de MER. Vraag 3 Op welke manier gaat u de raad meenemen na 11 juli 2023 richting oktober/november 2024? Worden er aparte bijeenkomsten georganiseerd of kunnen raadsleden aansluiten bij de omgevingsdialogen? Antwoord 3 We willen uw raad regelmatig tussentijds informeren over de voortgang, zodat u niet pas in het najaar van 2024 bekend wordt met de resultaten van het milieueffectonderzoek en van de omgevingsdialogen. Dat kan per RIB, maar ook met informatieve sessies voor raadsleden. Het proces tot najaar 2024 staat globaal beschreven in het raadsvoorstel. We gaan dit proces na 11 juli verder detailleren en ook met de omgevingsdialoogtafels bespreken.
De omgevingsdialoogtafels kunnen in principe openbaar zijn, maar een dialoogtafel kan ook besluiten dat -bij uitzondering- persoonlijke- of bedrijfsbelangen vertrouwelijkheid nodig maken. Toehoorders kunnen in principe meeluisteren.
06. Windturbines Hoogheide en Witveld 67 BVNL politiek Vragen en antwoorden BvNL Vraag 1 Er is heel veel bekend over windturbines en waarom deze niet geplaatst moeten worden. Wij willen graag van iedere wethouder en de burgemeester individueel weten wat hun visie is en waarom zij nog achter het voorstel staan en/of zij gezondheidsrisicos zien. Antwoord 1 In ons staatsbestel is gekozen voor het principe van collegiaal bestuur. Staatsrechtelijk doet het standpunt van afzonderlijke leden van het college er dan ook niet toe. Wij kunnen u vraag daarom ook niet goed plaatsen. Het besluit om het voorstel aan de raad aan te bieden, is door het college als gremium genomen. Het is juist het principe van een collegiaal bestuur dat zij in gezamenlijkheid een besluit nemen. Dit besluit was overigens nadrukkelijk unaniem. Bovendien heeft de gemeenteraad, als hoogste orgaan binnen de gemeente, met KODE het college opdracht heeft gegeven om plannen uit te werken. Het college voelt zich aan die uitspraak gebonden. Op grond daarvan zou uw vraag veeleer door de gemeenteraad moeten worden beantwoord.
06. Windturbines Hoogheide en Witveld 63. Perspectief technisch Vragen en antwoorden 1. Horst aan de Maas hoort bij de 10% meest broeikasgas uitstotende gemeenten van Nederland. Waar komt deze uitstoot vandaan, wat zijn de doelen van de gemeente hierin dit flink te verminderen voor 2030, en hoe wordt dit op dit moment al aangepakt?
28
Antwoord vraag 1. De beschrijving van de herkomst van de broeikasgasemissies (voor zover deze het gevolg zijn van het gebruik van fossiele energie) is opgenomen in het programma Energiebesparing dat ook als raadsvoorstel voor 11 juli op de agenda staat. Het energiegebruik vindt plaats in de gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie en landbouw (o.a. glastuinbouw). In KODE is opgenomen dat de ambitie is om het energiegebruik met 35% te verminderen. Dit is o.a. geoperationaliseerd in het programma Energiebesparing. Naast emissies ten gevolge van energie, zijn er emissies vanuit de landbouw (met name CO2 en methaan uit veehouderij). De reductie van deze emissies vormen onderdeel van het rijksbeleid emissiereductie in het landelijk gebied (NPLG/stikstof).
2. Gelden de doelen in KODE ook voor de energie van de glastuinbouw of heeft deze sector een eigen energieopgave? Antwoord vraag 2. De doelen gelden voor het gehele energieverbruik van de gemeente. In KODE heeft de glastuinbouw geen eigen afgezonderd doel.
3. Waarom is gekozen voor Arcadis om het milieuonderzoek te doen, en betekent dit dat de eventuele windturbines niet door Etriplus gebouwd mogen gaan worden? Antwoord vraag 3. Arcadis is gekozen vanwege de deskundigheid van het bureau. Arcadis fungeerde als deskundig adviseur van de gemeente. Arcadis is elders, op uitnodiging van de overheid, betrokken geweest als medeontwikkelaar bij een energieproject en heeft daarbij niet als adviseur opgetreden. Rolvermenging heeft dus niet plaatsgevonden. Arcadis zal in Horst aan de Maas op geen enkele wijze financieel deelnemen in de ontwikkeling van het windmolenpark in onze gemeente.
4. Klaver 11 is volgens het voorstel *voorlopig* geen optie vanwege de afstand tot woningen. Gezien deze formulering, wat is het college van plan met dit gebied en de inwoners, gezien deze locatie niet definitief is afgevallen? Antwoord vraag 4. Klaver 11 is aangewezen als ontwikkelgebied voor bedrijven. In het gebied bevinden zich van oudsher woningen en bedrijfswoningen. Deze woningen zijn geluidgevoelige objecten waardoor, door de geringe afstand tot windmolens, hier nu geen windmolens geclusterd kunnen worden geplaatst. Mochten hier in de toekomst, om welke reden dan ook, woningen vervallen, dan is het plaatsen van windmolens dan wellicht haalbaar.
5. Waarom wordt niet gewacht op de vaststelling van de normen en wat betekent het voor het proces, tijdpad en kosten als de normen straks flink blijken af te wijken? Antwoord vraag 5. Het besluit over het plaatsen van windmolens valt in het voorjaar 2025. Dan zijn de nieuwe normen bekend en van kracht. Die nieuwe normen zullen ook worden toegepast. Dus de gemeente voldoet aan uw vraag om te wachten. In het rapport naar de technische haalbaarheid van windmolens is al rekening gehouden met het feit dat door het rijk nieuwe/andere - en wellicht ook aangescherpte normen - worden vastgesteld. We verwachten niet dat de nieuwe landelijke normen fundamenteel zullen afwijken van de bestaande normen. Daarvoor hebben we meerdere redenen. De ‘oude’ landelijke normen zijn in 2021 buiten werking gesteld 29
vanwege een ‘vormfout’, niet vanwege inhoudelijke ondeugdelijkheid van deze normen. De normen waren immers resultante van uitgebreid wetenschappelijk onderzoek en de wetenschappelijke inzichten over de effecten van geluid van windturbines zijn de laatste jaren niet fundamenteel gewijzigd. Verder heeft de rechtbank recentelijk in een aantal gevallen positief geoordeeld over de lokale normen die door enkele gemeenten en provincies zijn gesteld en die gelijk waren aan de ‘oude' landelijke normen.
De verwachting is dat ook met aangescherpte normen het realiseren van windmolens in de gebieden Witveld en Hoogheide mogelijk blijft. In die zin zijn de risico’s acceptabel.
6. Wij zijn benieuwd naar de mening van een ecoloog over het wel of niet plaatsen van windmolens. Kan dit in de MER meegenomen worden? Antwoord vraag 6. Jazeker. Dit is een van de hoofdvragen voor de MER-onderzoekers.
7. Waarom wordt er gekeken naar de Nederlandse normen voor en niet naar de WHO norm van 45 dB of een veel strengere lokale norm gezien er geen contouren voor velden en het werken op velden in de directe nabijheid van windmolens zijn en het hier gaat om grond waarop het hele jaar door buiten wordt gewerkt? Antwoord vraag 7. In Nederland geldt de Nederlandse wet. De norm van de WHO is ook een adviesnorm. In Nederland heeft de wetgever een afweging gemaakt, die rekening houdt met het karakter van ons land. Wij verwachten niet dat bij toepassing van de Nederlandse normen situaties zullen ontstaan die voor werknemers op het veld ongewenst of onacceptabel zullen zijn.
8. Is het mogelijk om te zorgen voor een tussentijds evaluatiemoment van het MER- proces? Antwoord vraag 8. We zullen de raad tussentijds informeren over de voortgang van het proces. De raad mag het college te allen tijde vragen verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid.
9. De windturbines bij Greenport draaien volgens de krant de afgelopen 2 jaar niet op volle capaciteit maar slechts 60%. Wordt bij de doelen met dit soort opbrengsten rekening gehouden? Antwoord vraag 9. Bij de turbines in Greenport speelt een specifiek technisch probleem dat waarschijnlijk op afzienbare termijn opgelost wordt. Daardoor draaien de turbines nog niet op vol vermogen. Bij de planning van de energieopbrengst wordt ervan uitgegaan dat deze beperkingen niet of niet meer gelden; het is immers een afwijking van het normale: een anomalie. Anderzijds wordt wel vooraf rekening gehouden met de mogelijkheid van technische problemen. Daarom vinden er na de oplevering controlemetingen plaats en wordt gecheckt of aan de voorschriften wordt voldaan.
10. Gezien een capaciteit van 60% is het nu niet mogelijk te kijken of de turbines voor overlast gaan zorgen, maar toch moet de buurt nu al aangeven of het geluid ok is of dat men deel wil nemen aan de uitkoopregeling. Klopt deze informatie en hoe gaat dit proces straks in Horst aan de Maas verlopen? 30
Antwoord vraag 10. De vragen gaan over specifieke problemen in Venlo. Venlo heeft een uitkoopmogelijkheid aangeboden aan inwoners van Heierhoeve. Wij hebben nu geen uitkoopregeling voorzien. We zullen in de omgevingsdialoog onderzoeken of er aanleiding en ruimte is om dit te overwegen.
11. Er wordt in het raadsvoorstel gesproken over het starten cq verder gaan met de omgevingsdialoog. Er is vanuit inwoners veel ontevredenheid over de informatiebijeenkomsten, het serieus beantwoorden van vragen en dialoog met omwonenden. Is de dialoog al begonnen en zo ja, hoe zag deze er uit? Hoe kijkt de gemeente naar de kritiek van omwonenden wat betreft communicatie, gebrek aan dialoog, eenzijdige informatievoorziening en slechte beantwoording van vragen? Antwoord vraag 11. De dialoog met omwonenden, bedrijven, grondeigenaren en pachters en met de brede gemeenschap loopt al een tijd en zal ook verder worden doorgezet. Bijeenkomsten met bewoners en bedrijven hebben plaatsgevonden in september/oktober 2022 en wederom in februari en april 2023. Grondeigenaren en pachters in het ontwikkelgebied en bewoners tot 1000 meter van het ontwikkelgebied, zijn persoonlijk per brief uitgenodigd. Ook de dorpsraden zijn voor alle bijeenkomsten uitgenodigd. Daarnaast is via de Hallo, de website en sociale media, aandacht gevraagd voor de bijeenkomsten. Verder zijn er nog aparte gesprekken geweest met grondeigenaren in Witveld en met pachters in Hoogheide. De opkomst had groter kunnen zijn. Het is zeker niet zo dat er gebrek is geweest aan communicatie en het is onjuist dat de informatie eenzijdig is geweest.
We hebben steeds aansluiting gezocht bij de wetenschappelijke informatie en afstand gehouden van tendentieuze berichten. Op de avonden in april hebben we zelfs Tegenwind uitgenodigd om ook een stand te bemensen. Het is jammer dat nu vooral commentaar wordt geleverd door degenen die de mogelijkheden voor communicatie en dialoog niet ten volle hebben benut. Het feit dat men het met antwoorden niet eens is, maakt de antwoorden nog niet slecht. Na het besluit van 11 juli zal de omgevingsdialoog nadrukkelijk en stevig worden doorgezet. Het college is ervan overtuigd dat participatie essentieel is. Het college onderkent dat er spanning is tussen het algemene belang van het aanpakken van de klimaatproblematiek en verantwoordelijkheid nemen voor de energietransitie enerzijds en de lokale belangen die door de maatregelen worden geraakt, anderzijds. Daarom werken wij aan acceptatie voor de noodzakelijke maatregelen, vanuit het besef dat weerstand daarbij tot de maatschappelijke realiteit behoort, maar dat anderzijds voldoende inwoners besef hebben dat we in het belang van de generaties na ons, lastige besluiten moeten nemen. 12.
Waarom is gekozen voor 'streven' naar slechts minimaal 50% lokaal mede-eigendom en wat houdt 'mede' -eigendom in? Waarom is "minimaal 50%" geen harde voorwaarde en is het mogelijk dit percentage flink omhoog te krijgen? Waarom vindt de gemeente dit percentage een eerlijke verdeling lusten en lasten? Antwoord vraag 12. Het streven naar minimaal 50% lokaal mede-eigendom is vastgelegd in het landelijk Klimaatakkoord (2019) om lokale betrokkenheid en lokaal profijt te krijgen. En dus om te voorkomen dat de lasten lokaal neerslaan en de lusten elders landen. Het staat gemeenten vrij om te streven naar een hoger percentage, 50% is het minimum. In KODE is dit nader gespecificeerd naar 50% lokaal coöperatief eigendom. Die mogelijkheid om te sturen op zo veel mogelijk lokaal en al dan niet coöperatief eigendom bestaat in Horst aan de Maas ook, zeker nu de gemeente in Hoogheide daar als eigenaar op kan sturen. Sterker nog, de ontwikkeling van molens op Witveld en Hoogheid kan (afhankelijk van aantal molens en precieze omstandigheden) tot meer dan 80% lokaal eigendom leiden.
31
De eerlijke verdeling van lusten en lasten gaat overigens over meer dan alleen mede-eigendom, maar ook over een gesocialiseerde grondvergoeding, een goede omwonendenregeling en het vormen van een omgevingsfonds. Een gesocialiseerde grondvergoeding betekent dat de grondeigenaren (en ook pachters) binnen het gebied waarin de bouw van windmolens volgens de normen mogelijk is (het ontwikkelgebied), samen de vergoeding voor het opstalrecht - volgens een gezamenlijk af te spreken sleutel - delen. Dat betekent dus dat vermeden wordt dat de opbrengst enkel toevloeit naar de toevallige eigenaar van het perceel waar de molens op komen te staan. Terwijl de buurman waar de molens óók had kunnen staan, niets krijgt. Een omwonendenregeling is een afspraak - niet gebaseerd op de wet, maar op een onderlinge overeenkomst waarbij is geregeld dat een deel van de grondopbrengst van de molens wordt bestemd voor de meest nabije omwonenden. Deze regeling komt in de gebiedsdialoog tot stand. Bij een omgevingsfonds wordt meestal aangesloten bij de vrijwillige afspraken die landelijk gemaakt zijn om tenminste € 0,50 per opgewekt MWh te storten in een fonds dat aan de gehele gemeenschap ten goede kan komen. Het beheer van een dergelijk fonds kan in handen van een stichting of van dorpsraden worden gelegd.
Indien de gemeente als mede-ontwikkelaar optreedt, ontstaat financiële ruimte voor een mogelijke additionele omwonendenvergoeding, zoals in het raadsvoorstel is opgenomen.
13. Kunnen alleen inwoners van onze gemeente beleggen in Reindonk Energie of ook mensen/bedrijven van buiten de gemeente? Antwoord vraag 13. Reindonk Energie is een coöperatieve vereniging. Wie lid kan worden, wordt door de leden zelf bepaald. Het lijkt ons een goed idee als het lidmaatschap - en daarmee de mogelijkheid om te participeren in de windmolens - bij voorrang beschikbaar is voor inwoners van de eigen gemeente. Lidmaatschap kan open staan voor natuurlijke en rechtspersonen (bedrijven). De inleg per participant wordt overigens gemaximeerd om te verzekeren dat alle inwoners van de gemeente die dat willen, ook kunnen participeren.
14. Waarom is gekozen minstens één turbine te verkopen aan een ontwikkelaar? Antwoord vraag 14. In het gebied Witveld heeft een ontwikkelaar ontwikkelrechten afgesproken met enkele grondeigenaren in de vorm van een optieovereenkomst voor een opstalrecht. Dat is een gegeven. In de dialoog over de sociale haalbaarheid die de afgelopen maanden in het gebied met grondeigenaren is gevoerd, is onderling afgesproken dat de ontwikkelaar afziet van het grootste deel van de ontwikkelrechten. Gedacht wordt dat aan een formule waarbij één molen door de ontwikkelaar wordt geëxploiteerd, één molen door de energie coöperatie (waarin eenieder kan deelnemen) en mogelijk één molen door de gezamenlijk grondeigenaren. Dit is ook gerapporteerd op de avond voor inwoners in februari en in de technische toelichting voor de gemeenteraad op 31 mei jl.
15. Ondernemers zijn bang voor beëindiging pachtovereenkomsten waarop de gemeente hulp aan heeft geboden. Zijn er voorwaarden verbonden aan de collectieve overeenkomst voor pachters, bijvoorbeeld door alleen ondernemers die positief zijn over windturbines te belonen? Antwoord vraag 15. De gemeente heeft geen oogmerk om pachtovereenkomsten te beëindigen. Integendeel, het college benadrukt het belang van het voortbestaan en de verdere ontwikkeling van de boom- en sierteelt 32
voor onze gemeenschap. Een collectieve regeling zal voor iedereen gelden - voor zover men wil meedoen ongeacht de meningen over windmolens. Het is wel zo dat het aanbod om de pacht voor alle pachters collectief en beter te regelen, onderdeel is van een gebiedsafspraak over het ontwikkelen van windenergie.
16. Waarom geeft het raadsvoorstel nog geen duidelijkheid wie de eigenaar wordt van de molens op Hoogheide? Gezien het streven van slechts (min) 50% lokaal, wie zijn in de running voor die andere (max) 50%? Antwoord vraag 16. In het raadsvoorstel staat: “In het gebied Hoogheide is een groot deel van de grond in eigendom bij de gemeente. De gemeente wil de kans benutten om zoveel mogelijk ruimte te geven aan lokaal initiatief en daarmee ook maximaal rendement voor de gemeenschap. Mogelijk worden de molens hier gerealiseerd zonder commercieel ontwikkelaar en komen de molens in eigendom bij een lokale coöperatie, pachters/grondeigenaren en/of bij de gemeente zelf.”.
17. Zijn er naast lokale inwoners en de gemeente nog andere grondeigenaren in het ontwikkelgebied en is de mogelijkheid er dat bijv. investeerders de grond kopen waar windmolens geplaatst worden? Antwoord vraag 17. Het ontwikkelgebied Witveld is geheel in particuliere handen. In het ontwikkelgebied Hoogheide is een klein deel in particulier eigendom; het grootste deel is in eigendom bij de gemeente. Het is mogelijk dat ontwikkelaars zich in Hoogheide inkopen bij de particuliere eigenaren. De grondpositie van de gemeente is echter zodanig dat ontwikkelaars geen sleutelposities kunnen innemen.
18. Welke opties voor energieopslag heeft onze gemeente en waarom is dit niet net zo'n groot thema als opwekking en besparing? Antwoord vraag 18. De verwachting is dat het elektriciteitsnet ten tijde van het operationeel worden van de windmolens geschikt is om het aanbod aan elektriciteit in te kunnen voeden op het netwerk. Als alternatief zijn er contacten met meerdere bedrijven die aangeven mogelijkheden te hebben om de opgewekte energie te bufferen op het eigen bedrijf, om de energie rechtsreeks te gebruiken in het bedrijf of via de bestaande netaansluiting op het elektriciteitsnet in te voeden. Een derde optie is conversie naar andere energiedragers zoals bijvoorbeeld waterstof. Deze laatste optie is zowel financieel als qua duurzaamheid waarschijnlijk minder aantrekkelijk.
19. Wie gaat de MER opstellen? Antwoord vraag 19. Daarover moet het college nog een besluit nemen. Wij zoeken een deskundige partij die nog niet eerder betrokken is bij de planontwikkeling en derhalve onafhankelijk kan adviseren. De kwaliteit van een MER wordt overigens ook beoordeeld door de wettelijke commissie m.e.r.
20. Waarom mogen windmolens niet in natuurgebieden geplaatst worden? Antwoord vraag 20. Dat mag soms wel. De provincie kán uitzonderingen maken voor plaatsing in Natuur Netwerk Nederland (in Limburg bekend als goudgroene natuur). Het Rijk kan uitzonderingen maken bij Natura 2000 gebieden. Overigens is de bewijslast dat dit geen ongewenste gevolgen heeft voor flora en fauna hoog; dat is gebleken op de Veluwe waar het bouwen van windmolens onmogelijk bleek vanwege de wespendief. 33
07. voorstel tot het vaststellen van het programma Energiebesparing Horst aan de Maas 2023-2026 37. CDA technisch Vragen: 1. In stuk staat: Zo is het bijvoorbeeld niet de bedoeling om energiebesparende maatregelen te financieren voor inwoners die deze zelf kunnen betalen. Wie gaat bepalen wie dit wel en wie dit niet kan betalen ? 2. Totale kosten zijn 8,2 miljoen en we weten niet wat het rijk gaat dekken Als we in Q3 in 2024 bijdrage minderen heeft het dan gevolgen voor lopende projecten, moeten we projecten dan stoppen/aanpassen? Maw kunnen we dan nog wel bijstellen ? 3. Bij 1.7 liggen we op koers, Hier staan tegenstrijdigheden in mbt verbruik Glastuinbouw. Een keer zeggen we “verbruik telt niet mee” en bij cijfers van het daadwerkelijk verbruik tellen we het weer wel mee. Waarom focus op energiebesparing in de gebouwde omgeving? Ondanks het feit dat de landbouw, en daarbinnen de glastuinbouw, de grootste verbruiker is en ook verkeer en vervoer een forse bijdrage heeft, gaan we met dit programma alleen in op de gebouwde omgeving en op bestaande bebouwing. Onder gebouwde omgeving verstaan we alle woningen en alle bedrijven in Horst aan de Maas, met uitzondering van de glastuinbouw. Want de glastuinbouw maakt al vele jaren rechtstreeks afspraken met het rijk over de energietransitie, met de ambitie om in 2040 economisch rendabel én klimaatneutraal te produceren.
Stukje verderop staat: In de periode 2017-2019 lagen we goed op koers, maar in 2020 was er een toename in het energieverbruik, met name bij de sector glastuinbouw vanwege overstap van geothermie naar aardgas. We verwachten dat het energieverbruik sinds 2022 weer verder afneemt, onder meer door de hoge energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. 4. Er is sprake van gemeentelijke inkoop: Gaan we als gemeente ook primair lokaal inkopen, zeker bij kleinere projecten? 5. Zijn de cijfers over de energie labels, bij zeker de koopwoningen, wel actueel ? (Van verschillende inwoners is het label bijv. al ouder. Er zijn inmiddels veel duurzaamheidsmaatregelen genomen maar nog geen nieuw energielabel aangevraagd). 6. We gaan bij de lage inkomens als gemeente het isoleren van woningen betalen ( 1.460,- euro en max 4.000 euro) ? Wat is een laag inkomen? (Er is tegenwoordig ook sprake van armoede onder werkenden vandaar de vraag). 7. Waarom tzt inzetten op handhaving bij bedrijven mbt energiebesparing waarom bijv. geen meldplicht en/of bewijslast bij de bedrijven neerleggen? 8. We hebben na het lezen tenminste de indruk dat heel veel geld van het totale budget naar advies/ondersteuning gaat. Dan lijkt ons 8,2 miljoen wel een erg fors bedrag.
Is het dan niet verstandig dat we dan alleen dat geld uit moeten willen uitgeven wat we vanuit de rijksoverheid terugkrijgen en dit niet uit onze reserves bekostigen? Je kunt nog denken aan uitzinderingen voor panden in eigendom van de gemeente want die leveren ook een besparing op in energiegebruik. (Zie bijv. het opstellen van een soortenmanagementplan voor de 16 kernen van Horst aan de Maas kost circa € 500.000). 34
9. Gemeentelijk vastgoed is in 2025 energieneutraal, hoe realistisch is dit? In programma energiebesparing staat 2030 energieneutraal. Welk jaartal klopt nou? 10.
Bedrijven worden verplicht om energielabel C te halen. Wat als bedrijven dit niet kunnen betalen?
Antwoord: Beantwoording raadsvragen CDA – Programma energiebesparing In stuk staat:Zo is het bijvoorbeeld niet de bedoeling om energiebesparende maatregelen te financieren voor inwoners die deze zelf kunnen betalen. Wie gaat bepalen wie dit wel en wie dit niet kan betalen ? Antwoord: wij maken onderscheid tussen twee soorten energiebesparende maatregelen die door de gemeente worden betaald: (1) kleine, eenvoudige maatregelen die door energiecoaches (‘Warmmakers’) worden aangebracht. En (2) isolatiemaatregelen aan de woning, zoals spouwmuurisolatie. Kleine maatregelen Warmmakers die aan huis komen om energiebesparingsadvies te geven, hebben materiaal bij zich om direct kleine maatregelen uit te voeren. Zoals radiatorfolie, tochtstrippen en waterbesparende douches. De Warmmakers richten hun advies vooral op inwoners van slecht geïsoleerde koop- en huurwoningen. Kleine maatregelen zijn gratis voor inwoners met een laag inkomen. Dit zijn bijvoorbeeld inwoners die energietoeslag hebben ontvangen, en/of door consulenten Werk en Inkomen en Schuldhulpverlening worden doorverwezen. Er wordt een zachte grens gesteld van 150% van de bijstandsnorm waarbij de Warmmakers naar eigen inzicht maatwerk kunnen leveren.
Isolatiemaatregelen Inwoners waar de gemeenten grotere isolatiemaatregelen aan het huis voor betaalt, moeten voldoen aan deze 3 criteria: (1) Het huishouden (=alleenstaande, samenwonenden of gezin dat de woning bewoont) heeft een laag inkomen. Dat wil zeggen dat gedurende de referentieperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 150% van de toepasselijke bijstandsnorm. Het inkomen wordt berekend volgens de bepalingen van de Participatiewet. (2) De woning is in eigen bezit. (3) De woning heeft een energielabel van E, F of G, waarbij de G-labels als eerste aan de beurt komen. Bij het uitwerken van het uitvoeringsplan wordt bepaald hoe we omgaan met woningen die ondertussen beter geïsoleerd zijn, dan verwacht werd op basis van het energielabel dat bekend is. 2. Totale kosten zijn 8,2 miljoen en we weten niet wat het rijk gaat dekken Als we in Q3 in 2024 bijdrage minderen heeft het dan gevolgen voor lopende projecten, moeten we projecten dan stoppen/aanpassen? Maw kunnen we dan nog wel bijstellen ? Antwoord: Bij de afweging in Q3 2024 is er beter zicht op de budgetten die de gemeente extra krijgt en voor welke taken. Want sommige budgetten zijn gelabeld voor een specifiek doel. Op dat moment kunnen we ook aangeven wat de werkelijke gevolgen zijn van een lagere bijdrage dan geraamd voor 2025 en 2026.
Dit zijn de mogelijke consequenties: • De werkzaamheden van de ‘Warmmakers’ worden afgebouwd. Er is dan minder budget om de energiecoaches een vrijwilligersvergoeding uit te betalen. • Er is mogelijk geen budget meer voor het gratis verstrekken van kleine energiebesparende maatregelen aan inwoners met een laag inkomen. 35
• • •
•
De regeling voor gratis technisch advies over woningverduurzaming wordt mogelijk beëindigd. Er is minder budget voor het ondersteunen van inwonerinitiatieven op het gebied van energie. Het uitvoeren van de subsidieregeling verduurzaming maatschappelijk vastgoed kan vertraging oplopen, door gebrek aan personeel. Dit betekent dat er geen of minder begeleiding kan worden geboden en dat procedures langer duren. Het beheer van het nog op te stellen soortenmanagementplan is het enige project dat niet stopgezet kan worden. Wel kunnen we medio 2024 waarschijnlijk nauwkeuriger inschatten wat de jaarlijkse beheerkosten zijn.
3. Bij 1.7 liggen we op koers, Hier staan tegenstrijdigheden in mbt verbruik Glastuinbouw. Een keer zeggen we “verbruik telt niet mee” en bij cijfers van het daadwerkelijk verbruik tellen we het weer wel mee. Waarom focus op energiebesparing in de gebouwde omgeving? Ondanks het feit dat de landbouw, en daarbinnen de glastuinbouw, de grootste verbruiker is en ook verkeer en vervoer een forse bijdrage heeft, gaan we met dit programma alleen in op de gebouwde omgeving en op bestaande bebouwing. Onder gebouwde omgeving verstaan we alle woningen en alle bedrijven in Horst aan de Maas, met uitzondering van de glastuinbouw. Want de glastuinbouw maakt al vele jaren rechtstreeks afspraken met het rijk over de energietransitie, met de ambitie om in 2040 economisch rendabel én klimaatneutraal te produceren. Stukje verderop staat: In de periode 2017-2019 lagen we goed op koers, maar in 2020 was er een toename in het energieverbruik, met name bij de sector glastuinbouw vanwege overstap van geothermie naar aardgas. We verwachten dat het energieverbruik sinds 2022 weer verder afneemt, onder meer door de hoge energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Antwoord: Het energiebespaardoel van de gemeente (35% reductie in 2030 tov 2017) geldt inderdaad voor het totale energiegebruik in de gemeente.
Het totaalverbruik is relevant omdat de gemeentelijke doelstelling voor duurzame opwek daaraan gerelateerd is (=in 2030 wordt 30% van de resterende energie die we nodig hebben duurzaam en lokaal opgewekt). Dit programma energiebesparing richt zich primair op de gebouwde omgeving, omdat de gemeente daar op basis van het landelijke Klimaatakkoord én op basis van de landelijke aanpak van energie-armoede de regierol heeft. Voor andere sectoren zoals de agrarische sector en mobiliteit ligt er ook een belangrijke rol voor (vooral landelijke) partijen. De gemeente heeft bij bedrijven in de landbouw (zowel glastuinbouw als andere agrarische bedrijven) echter wel degelijk een belangrijke rol. Zo zijn bedrijven verplicht maatregelen te nemen die zich binnen 5 (straks 7) jaar terugverdienen en dient de gemeente hier toezicht op te houden. De gemeente zal, binnen dit energiebespaarprogramma, bedrijven – waaronder dus ook agrarische bedrijven – adviseren en ondersteunen bij energiebesparing (zie paragraaf 4.1). De warmtetransitie, waaronder ondersteuning van de lobby voor veilige en duurzame geothermie, valt strikt genomen buiten de scope van dit programma, maar blijven we onverminderd doorzetten. 4.
Er is sprake van gemeentelijke inkoop: Gaan we als gemeente ook primair lokaal inkopen, zeker bij kleinere projecten? Antwoord: het is niet duidelijk op welk soort inkoop deze vraag betrekking heeft. Gaat het om de inkoop van isolatiemaatregelen voor woningen of om de inkoop van energie door de gemeente als organisatie? Voor beide geldt dat deze Europees aanbesteed moeten worden en dat we daarbij samenwerken met regiogemeenten. In de periode 2020-2021, bij de voorbereiding voor de aanbesteding van het huidige gemeentelijke energiecontract, is de mogelijkheid om lokaal opgewekte duurzame energie in te kopen onderzocht. De conclusie was dat dat op dat moment om meerdere redenen niet haalbaar was. Bij een volgende aanbesteding 36
zal deze mogelijkheid opnieuw worden onderzocht. 5. Zijn de cijfers over de energie labels, bij zeker de koopwoningen, wel actueel ? (Van verschillende inwoners is het label bijv. al ouder. Er zijn inmiddels veel duurzaamheidsmaatregelen genomen maar nog geen nieuw energielabel aangevraagd). Antwoord: Nee de cijfers over de energielabels van koopwoningen zijn niet actueel. Maar om de reden die in de vraag staat aangegeven, zijn er geen accuratere cijfers beschikbaar. 6. We gaan bij de lage inkomens als gemeente het isoleren van woningen betalen (1.460,- euro en max 4.000 euro) ? Wat is een laag inkomen? (Er is tegenwoordig ook sprake van armoede onder werkenden vandaar de vraag). Antwoord: Een laag inkomen is minder dan 150% van de bijstandsnorm: • alleenstaand 21 jaar tot AOW-leeftijd: € 1.703,82 • alleenstaand vanaf AOW-leeftijd: € 1.896,21 • met partner 21 jaar tot AOW-leeftijd: € 2.434,02 • met partner vanaf AOW-leeftijd: € 2.575,26 7. Waarom tzt inzetten op handhaving bij bedrijven mbt energiebesparing waarom bijv. geen meldplicht en/of bewijslast bij de bedrijven neerleggen? Antwoord: Handhaving is nodig als bedrijven niet uit zichzelf aan de meldplicht en de bewijslast voldoen. Bijvoorbeeld: vanaf 1 juli 2019 geldt voor bedrijven die veel energie gebruiken een ‘Informatieplicht Energiebesparing’.
Deze bedrijven moeten een rapportage moeten indienen bij een digitaal loket van RVO over de energiebesparende maatregelen die zij hebben uitgevoerd. Er zijn nog steeds bedrijven die dit niet gedaan hebben. Daarom is toezicht en handhaving nodig. 8. We hebben na het lezen tenminste de indruk dat heel veel geld van het totale budget naar advies/ondersteuning gaat. Dan lijkt ons 8,2 miljoen wel een erg fors bedrag. Is het dan niet verstandig dat we dan alleen dat geld uit moeten willen uitgeven wat we vanuit de rijksoverheid terugkrijgen en dit niet uit onze reserves bekostigen? Je kunt nog denken aan uitzinderingen voor panden in eigendom van de gemeente want die leveren ook een besparing op in energiegebruik. (Zie bijv. het opstellen van een soortenmanagementplan voor de 16 kernen van Horst aan de Maas kost circa € 500.000). Antwoord: Veel energiebesparingsmaatregelen voor woningen verdienen zichzelf uiteindelijk terug. Ook zijn verschillende landelijke subsidies beschikbaar en kan via banken of het warmtefonds de voorfinanciering wordt geregeld. De inwoners betalen dus overwegend hun eigen isolatiemaatregelen (m.u.v. beperkte investeringen bij de laagste inkomens).