Overzicht technische vragen en antwoorden + bijlagen
Tekst van het document
03. Klooster Griendtsveen 52. VVD - technisch Vraag: 1. Scheppen we hiermee geen precedenten? 2. Waarom gekozen voor een volledige schenking en niet een lening of andere variant? 3. Is er ook overwogen om gedeeltelijk vrije verkoop toe te passen en niet alleen sociale huur om het rendabeler te maken? Antwoord: 1. Nee. We kennen een subsidie toe waarbij Er sprake is van de restauratie van een Rijksmonument (ca. 50% van de totale kosten) De uitvoering door een woningcorporatie gebeurt waarmee we prestatieafspraken hebben Deze corporatie (Woonwenz) uitsluitend sociale huurwoningen bouwt dat past bij het dorpsplan wonen In een dorp waar door het beschermde dorpsgezicht nauwelijks locaties voor handen zijn 2. Woonwenz was bereid om bovenop de normale onrendabele top een extra deel van het tekort op zich te nemen (€ 200.000) vanwege het unieke karakter van het project. Daarna resteerde nog een tekort. Dat heeft zij als bijdrage aan de gemeente gevraagd. Een lening was geen oplossing omdat Woonwenz in dat geval het volledige kort zou financieren. Daartoe was zij niet bereid. 3. Dat is overwogen en besproken met Woonwenz. Het aanpassen van enkele van de woningen naar koopwoningen, maakt de ontwikkeling voor Woonwenz en de businesscase echter niet per definitie aantrekkelijker en past niet bij de vraag van het dorp.
03. Klooster Griendtsveen 47.PvdA – Technisch Vraag: 1. Worden de woningen BENG/ENG? 2. Blijven deze woningen sociale huur of stijgen de huurprijzen naar vrijesector als een bewoner verhuist? 3. Wat zijn de financiële gevolgen voor de gemeente als het subsidieplafond of als om andere redenen geen subsidie wordt toegekend door de provincie? 4. In hoeverre speelt deze ontwikkeling in op een woonbehoefte vanuit huidige of voormalige inwoners uit Griendtsveen of de directe omgeving van Griedtsveen? Antwoord: 1. De woningen worden BENG. 2. De woningen blijven sociale huur. 3. Op basis van vooroverleggen van Woonwenz met de provincie achten we de kans groot dat de subsidie wordt toegekend. Als dit niet gebeurt treden gemeente en Woonwenz in overleg over de mogelijke gevolgen voor dit project. 4. Bij de totstandkoming van het Dorpsplan Wonen is hier uitvoerig bij stilgestaan. Een werkgroep is vanuit de lokale behoefte aan sociale huurwoningen voor jongeren al geruime tijd bezig met een plan om het klooster te herontwikkelen. Het plan is dan ook geïnitieerd door de inwoners zelf. Omdat ze de businesscase niet rond kregen is Woonwenz gevraagd om het op te pakken.
03. Klooster Griendtsveen 57. Hart voor Horst aan de Maas – Technisch Vraag: Bij punt 1.6 over passage staatssteun en 500.000 euro subsidie: 1)wanneer zou er wel sprake zijn van staatssteun? 2) is er een minimum aantal woningen gesteld per project bij 500.000 euro? 3) of kan dit bedrag bijvoorbeeld ook project van 1-3 woningen gegeven worden? 4) waarom wordt hier gekozen voor een subsidie en niet bijvoorbeeld een een vorm van lening 5) we zijn door de accountant gewezen op het feit dat we de komende jaren, gezien de verwachte financiële onzekerheid, voorzichtig moeten zijn met geld uit de algemene reserve uitgeven. Waarom is het nu volgens het college wel verantwoord om dit bedrag uit te geven? Antwoord 1 De bouw en verhuur van sociale woningbouw en maatschappelijk vastgoed door woningcorporaties is door de Europese Commissie als DAEB (Dienst van Algemeen Economisch Belang) goedgekeurd. In de Woningwet worden DAEB-activiteiten omschreven als kerntaken van woningcorporaties, bijvoorbeeld de realisatie van woningen t.b.v. de sociale huur. De DAEB de-minimisverordening bepaalt dat compensatie voor het verrichten van een DAEB (zoals de bouw van sociale woningbouw) geen staatssteun oplevert, wanneer het totale bedrag aan steun niet hoger is dan € 500.000,-.
Als sprake zou zijn van een hoger bedrag (hetgeen in deze casus niet aan de orde is), dan kan geen gebruik worden gemaakt van de DAEB-deminisverordening. 2 Nee. Het bedrag van € 500.000 staat los van de inhoud van een project maar moet wel een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) zijn. 3 Zie vorige antwoord. De beoordeling of de financiële bijdrage door de gemeente staatssteunproof verleend kan worden staat los van de inhoud van het project met dien verstande dat de bijdrage het bedrag van € 500.000,- niet mag overschrijden. Tevens moet de financiële bijdrage gericht zijn op een specifiek project van een woningcorporatie dat valt onder de DAEB. Steun voor (deels) commerciële functies of de realisatie van koopwoningen is dus niet mogelijk. 4 Woonwenz was bereid om bovenop de normale onrendabele top een extra deel van het tekort op zich te nemen (€ 200.000) vanwege het unieke karakter van het project. Daarna resteerde nog een tekort. Dat heeft zij als bijdrage aan de gemeente gevraagd. Een lening was geen oplossing omdat Woonwenz in dat geval het volledige kort zou financieren. Daartoe was zij niet bereid. 5. Politieke vraag
03. Klooster Griendtsveen 61. Perspectief – Technisch Vraag: 1. De financiële bijdrage is aanzienlijk gelet op het aantal te realiseren woningen. Heeft de gemeente nog bijzondere eisen gesteld voor deze overeenkomst? 2. Zijn er vergelijkbare projecten binnen Horst aan de Maas waaraan de gemeente ook een bijdrage heeft gedaan of gaat doen? 3. Wat zijn de gevolgen voor de precedentwerking voor andere projecten binnen Horst aan de Maas? 4. Welke huurders komen in aanmerking en welke affiniteit dient men als huurder te hebben met Griendsveen? Antwoord: 1. De bijdrage van € 340.000 is maximaal. Meerkosten dient Woonwenz zelf binnen het project op te vangen. Er worden uitsluitend sociale huurwoningen gerealiseerd die langere tijd op de markt moeten blijven. Dit is geborgd omdat de woningen door een woningcorporatie (toegelaten instelling) worden verhuurd. In prestatieafspraken maken we afspraken over het onttrekken van woningen uit de sociale huurvoorraad. 2
2. Nee, de combinatie van een project waarbij a. Er sprake is van de restauratie van een Rijksmonument (ca. 50% van de totale kosten) b. De uitvoering door een woningcorporatie gebeurt waarmee we prestatieafspraken hebben c. Deze corporatie (Woonwenz) uitsluitend sociale huurwoningen bouwt dat past bij het dorpsplan wonen d. Dit gebeurt in een dorp waar door het beschermde dorpsgezicht nauwelijks locaties voor handen zijn is niet eerder voorgekomen in deze gemeente en is ook de directe aanleiding en onderbouwing voor de gemeentelijke bijdrage voor dit unieke project 3. Geen. We kennen een subsidie toe waarbij Er sprake is van de restauratie van een Rijksmonument (ca. 50% van de totale kosten) De uitvoering door een woningcorporatie gebeurt waarmee we prestatieafspraken hebben Deze corporatie (Woonwenz) uitsluitend sociale huurwoningen bouwt dat past bij het dorpsplan wonen In een dorp waar door het beschermde dorpsgezicht nauwelijks locaties voor handen zijn 4. De woningen worden aangeboden via Thuis in Limburg. Woonwenz zal afspraken maken met de Dorpsraad van Griendtsveen over de wijze waarop de woningen worden toegewezen.
03. Klooster Griendtsveen 48. CDA technisch 1. Waarom wordt de bijdrage ad 340.000 euro onttrokken uit de Algemene Reserve en niet uit de Arge? 2. Na aankoop wordt bij de provincie een subsidie aangevraagd die binnen de subsidieregeling Monumenten past á 205.000euro. Als deze subsidie niet wordt toegekend, voor wie is dan het risico? Antwoord: 1 De ARGE is bedoeld voor gemeentelijke grondexploitaties Dit is geen gemeentelijke grondexploitatie. 2. Op basis van vooroverleggen van Woonwenz met de provincie achten we de kans groot dat de subsidie wordt toegekend. Als dit niet gebeurt treden gemeente en Woonwenz in overleg over de mogelijke gevolgen voor dit project.
04. Nota kostenverhaal en financiële bijdrage 53. CDA politiek Vragen (ter beantwoording voor of tijdens de raadsavond van 27 juni 2023): 1. Heeft het college kennis genomen van de brandbrief van vijf ontwikkelaars (d.d. 21 juni 2023), en zo ja; wat is de reactie van het college op de situatie die geschetst wordt in de brief? 2. In hoeverre acht het college het realistisch dat projecten de komende maanden en jaren stil komen te liggen door financiële problemen? 3. In hoeverre is er in dat geval sturing mogelijk? Met andere woorden: in hoeverre is flexibiliteit geborgd in de nota kostenverhaal? 4. Hoe verhouden de aan ontwikkelaars doorberekende kosten die voortvloeien uit de nota kostenverhaal zich tot de kosten die in omliggende gemeenten in rekening worden gebracht? 5. De projectontwikkelaars geven aan dat ze te weinig marge hebben in Horst over toekomstige ontwikkelingen. Hebben we zicht op de opbrengsten van de ontwikkelaars? M.a.w. is er transparantie waardoor er een dialoog mogelijk is om indien nodig bij te stellen? Antwoord: politieke vraag 3
04. Nota kostenverhaal en financiële bijdrage 58. Hart voor HadM Technisch Vragen: 1) Raadsvoorstel pagina 1: Waarom worden de betreffende kosten die betrekking hebben op de openbare ruimte etc. Niet betaald uit de gemeentelijke belastingopbrengsten die daarvoor gebruikt dienen te worden? 2) Is deze nieuwe opzet geen (verkapte of extra) belastingheffing? 3) Klopt het dat er in de Nota weliswaar een uitzondering is voor woningen in de kern, maar dat de betreffende kosten hiervan via een andere manier alsnog door de initiatiefnemer worden betaald? Pagina 2 1) Waarom is er bij tussentijdse aanpassingen nooit een duidelijk verzicht gemaakt van het vigerende beleid? 2) Hoe is dit beleid tot op heden dan toegepast/uitgevoerd als het niet (voldoende) duidelijk is? 3)Hoeveel jaar is op deze wijze gewerkt? 4)Wat is de reden dat de nieuwe Nota kostenverhaal is losgeknipt van de Structuurvisie en daar niet langer in kan worden opgenomen? 6)Waarom was dit eerder wel onderdeel van de Structuurvisie en wat is er zodanig veranderd om dit nu los te knippen? Pagina 3 Punt 1.3 'op een moment is besloten .... plaatsvinden'. Wanneer is dit besloten en door wie is dit besloten? Punt 1.4 onder a: 1) de reden om de kostensoorten niet te stapelen is gelegen in het feit dat initiatieven anders financieel onhaalbaar kunnen worden. Deze drempel wordt nu verwijderd.
Is het een wenselijk gevolg om initiatieven wegens te hoge kosten nu soms wel niet haalbaar te laten zijn? 2) hoe voorkom je dat met het weghalen van deze drempel dit geen verkapt sturingsinstrument gaat worden, waarmee je bijvoorbeeld onwenselijke initiatieven kan tegenhouden? Of is dit juist de bedoeling hiervan? Onder b: 1) waarom wil de gemeente/overheid zoveel bemoeienis om te kunnen sturen bij alle vormen van ruimtelijke initiatieven? 2) Op basis waarvan (wetten/regelgeving) vindt de overheid dat zij het recht hebben om deze steeds verdergaande bemoeienis en inperking op de vrijheid van initiatiefnemers d.m.v. Regels te kunnen invoeren? Pagina 4 bij Kanttekeningen 1) 1.1 Wat zijn de voor- en nadelen zoals deze in juni 2022 op een rij gezet zijn voor het college? 2) 1.8 Waarom wil het college deze strikte bevoegdheid (zelf)? 3) Komt die bevoegdheid eigenlijk toe aan de raad? 4) Zo ja, wordt met het instemmen met dit Raadsvoorstel een mandaat van de raad aan het college verleend? Nota kostenverhaal Pagina 5 laatste alinea: Het vaststellen van een nota kostenverhaal is wettelijk niet verplicht als een gemeente enkel kosten verhaalt. Hier ligt nu wel een Nota kostenverhaal.
1) Waarom zou de gemeente meer dan alleen de kosten willen verhalen bij initiatiefnemers? Je zou toch ook kunnen kiezen voor een systeem met vrij ruime richtbedragen en het te veel of te weinig gerekende bedrag achteraf verrekenen zodat enkel de werkelijke kosten worden verhaald en niets meer of minder?
4
Bijlage 04e:staat bij het voorbeeld van de solitaire woning dat in de huidige situatie de aanvullende bijdrage 'overig' geen juridische basis heeft. Op basis waarvan vindt de verantwoording van het moeten betalen van deze kosten in de huidige situatie dan wel plaats? 04f Brandbrief 1) Waarom was er eerder wel overleg met de betreffende bedrijven? 2) Waarom is dat een aantal jaren geleden gestopt? 3) Wat is de visie van het college op hetgeen in de brief wordt gesteld door de indieners? Antwoorden: 1. Raadsvoorstel pagina 1: Waarom worden de betreffende kosten die betrekking hebben op de openbare ruimte etc. Niet betaald uit de gemeentelijke belastingopbrengsten die daarvoor gebruikt dienen te worden? Er is een verhoudingsgewijze toerekening van deze kosten aan de hand van toekomstige uitbreidingen (lees: plannen) qua oppervlakte. De verhouding is 90/10. Dat betekent dat 10% wordt verhaald via de Nota Kostenverhaal. De overige 90% wordt bekostigd uit de gemeentelijke middelen, bv. belastinggelden. 2.
Is deze nieuwe opzet geen (verkapte of extra) belastingheffing?
Nee. De nieuwe ontwikkelingen geven ook druk op de bestaande voorzieningen én vragen om extra maatregelen en compensatie om de leefbaarheid en kwaliteit van groen/water/recreatieve voorzieningen e.d. te versterken/behouden. Bovendien is kostenverhaal een wettelijke verplichting. 3. Klopt het dat er in de Nota weliswaar een uitzondering is voor woningen in de kern, maar dat de betreffende kosten hiervan via een andere manier alsnog door de initiatiefnemer worden betaald? De vraag is niet geheel duidelijk. Voor de beantwoording hebben we het als volgt geïnterpreteerd: Voor wonen in de kern is geen GKM afdracht meer verschuldigd? Dat is correct. In het nieuwe beleid is voor wonen in de kern geen GKM afdracht meer verschuldigd. Een beleidskeuze die passend is bij de doelstellingen die de provincie destijds via het LKM beoogde. De gemeente sluit daar nu opnieuw bij aan. De overige categorieën van kostenverhaal zijn wel van toepassing voor woningen in de kern. 4. Pagina 2: Waarom is er bij tussentijdse aanpassingen nooit een duidelijk overzicht gemaakt van het vigerende beleid? De vraag is niet geheel duidelijk. Naar welke tussentijdse aanpassingen wordt gevraagd? Wijzigingen in de Structuurvisie zijn steeds toegankelijk en inzichtelijk gemaakt bij de respectievelijke raadsvoorstellen. Dat geldt ook voor kostenverhaal. 5.
Hoe is dit beleid tot op heden dan toegepast/uitgevoerd als het niet (voldoende) duidelijk is?
Ook deze vraag is niet geheel duidelijk. Naar welke uitvoering wordt gevraagd? Het beleid zoals vastgesteld is toegepast. In de toepassing vraagt dit om relatief veel interne afstemming. Vandaar ook de bestuurlijke wens om het beleid aan te passen en te vereenvoudigen. 6.
Hoeveel jaar is op deze wijze gewerkt?
Het is niet helemaal duidelijk naar welke wijze wordt gevraagd. We gaan er vanuit dat naar de Structuurvisie wordt gevraagd. 5
Na iedere herziening van de Structuurvisie zijn aanpassingen in de werkwijze doorgevoerd. De laatste herziening dateert uit 2019. 7. Wat is de reden dat de nieuwe Nota kostenverhaal is losgeknipt van de Structuurvisie en daar niet langer in kan worden opgenomen? Daarvoor zijn 2 redenen: • Gelet op de invoering van de Omgevingswet is het niet logisch om veel energie en tijd te steken in het samenvoegen tot één document waarvan de looptijd ca. anderhalf jaar zou zijn. • Maar zeker zo belangrijk is de wens om de ruimtelijke afweging beleidsmatig te scheiden van de financiële bijdrage die het gevolg is van het ruimtelijk besluit en dit ook transparant te maken. 8. Waarom was dit eerder wel onderdeel van de Structuurvisie en wat is er zodanig veranderd om dit nu los te knippen? Vanuit de provincie diende het GKM vastgelegd te worden door gemeentes. Onder de Wro werd dat in een Structuurvisie gedaan. Bovenwijkse voorzieningen waren via een eigen beleidsnota vastgelegd. De veranderingen zijn met name de naderende invoering van de Omgevingsvisie en de daarbij behorende voorwaarden. 9. Pagina 3: Punt 1.3 'op een moment is besloten .... plaatsvinden'. Wanneer is dit besloten en door wie is dit besloten? In juni 2022 heeft het College besloten over de aanpak van de nieuwe nota Kostenverhaal. 10.
Punt 1.4 onder a: 1) de reden om de kostensoorten niet te stapelen is gelegen in het feit dat initiatieven anders financieel onhaalbaar kunnen worden. Deze drempel wordt nu verwijderd. Is het een wenselijk gevolg om initiatieven wegens te hoge kosten nu soms wel niet haalbaar te laten zijn? Dit betrof het uitsluiten van stapeling van GKM modules. Dat is ook in de nieuwe nota Kostenverhaal niet mogelijk. Het niet stapelen is in het verleden juridisch uit te leggen geweest als: er kan niet zowel een bijdrage bovenwijks als GKM gevraagd worden. Dat is echter wettelijk wel mogelijk en was ook de intentie. De afweging of een initiatief door kan gaan, is allereerst een inhoudelijke (ruimtelijke) afweging. Daarop volgt bepaling van de financiële bijdrage. Indien dat een initiatief onhaalbaar zou maken, kan er een beroep op de hardheidsclausule worden gedaan. 11. hoe voorkom je dat met het weghalen van deze drempel dit geen verkapt sturingsinstrument gaat worden, waarmee je bijvoorbeeld onwenselijke initiatieven kan tegenhouden? Of is dit juist de bedoeling hiervan? Nee, dat ik juist niet de bedoeling. De inhoudelijke wenselijkheid (= ruimtelijke afweging) is een eigen besluit. Bij een positief ruimtelijk besluit wordt dat gevolgd door een verplichting tot een financiële bijdrage. Zie ook antwoord op vraag 10. 12.
Onder b: 1) waarom wil de gemeente/overheid zoveel bemoeienis om te kunnen sturen bij alle vormen van ruimtelijke initiatieven?
6
Deze vraag is nu niet relevant want de Nota Kostenverhaal staat los van de afwegingen ten aanzien van de ruimtelijke ordening. De Structuurvisie, die toeziet op de ruimtelijke ordening, wijzigt niet op inhoudelijke overwegingen met deze nota..
13. Op basis waarvan (wetten/regelgeving) vindt de overheid dat zij het recht hebben om deze steeds verdergaande bemoeienis en inperking op de vrijheid van initiatiefnemers d.m.v. Regels te kunnen invoeren? Dat heeft de Rijksoverheid vastgelegd in diverse wetten en regelgeving, waaronder in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet Milieubeheer, Natuurbeschermingswet en straks in de Omgevingswet. 14. Pagina 4 bij Kanttekeningen: 1.1 Wat zijn de voor- en nadelen zoals deze in juni 2022 op een rij gezet zijn voor het college? Om te komen tot een goed werkend kostenverhaal voor de gemeente, zijn er een drietal opties. Deze mogelijke opties/scenario’s zijn: A. Repareren van de huidige kostenverhaalsystematiek onder de Wro en vervolgens deze nota Kostenverhaal geheel herzien in het traject Omgevingsvisie onder de Omgevingswet. B. Een nieuwe nota Kostenverhaal opstellen die vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet al ‘omgevingsproof’ is. C. Niets doen totdat de Omgevingsvisie is opgesteld en dan een nota Kostenverhaal gaan maken. Voor- en nadelen van elk scenario Scenario A
Scenario B
Scenario C
•
Op korte termijn (binnen 1 jaar) een werkbare nota Kostenverhaal waarmee bestaande problemen worden opgelost Nota sluit aan bij geldende wetgeving en blijft daarmee actueel
•
Veel tijd (2-3 jaar) nodig om volgens de nieuwe wetgeving en omgevingsvisie een nota op te stellen
•
In komende jaren geen actie nodig
•
•
Nota Kostenverhaal sluit aan bij nieuwe wetgeving en de vertaling in de Omgevingsvisie
•
Reparatie van fouten waardoor meer en passende verhaalsmogelijkheden ontstaan op korte termijn en heldere uitleg aan externe partijen mogelijk is
•
•
Verhaalsmogelijkheden blijven tot de nieuwe nota op huidige niveau, dus geen reparatie van fouten. Bestaande problemen blijven tot die tijd bestaan.
•
Binnen een periode van 3 jaar wordt de nota tweemaal aangepast.
•
Aansluiting tussen nog op te stellen strategische Omgevingsvisie en uitvoerend beleidsnota Kostenverhaal kan niet gewaarborgd worden Tot die nieuwe nota Kostenverhaal is het kostenverhaal niet stevig verankerd en zijn de verhaalsmogelijkheden niet optimaal. Bestaande problemen blijven tot die tijd bestaan Mogelijk extra herstelronde nodig als aansluiting niet volledig is
•
Nota is direct gelinkt aan de strategische Omgevingsvisie en behoeft geen herstelronde meer
•
7
15.
1.8 Waarom wil het college deze strikte bevoegdheid (zelf)?
Dit is gebaseerd op de algemene rolverdeling tussen raad en college is van toepassing. De raad heeft een kaderstellende en toetsende rol. Het college gaat over de uitvoering van vastgesteld beleid. 16.
Komt die bevoegdheid eigenlijk toe aan de raad?
Nee, zie antwoord op vraag 15. 17. Zo ja, wordt met het instemmen met dit Raadsvoorstel een mandaat van de raad aan het college verleend? Nee, dat was er al, zie ook antwoord op vraag 15. 18. Nota kostenverhaal Pagina 5 laatste alinea: Het vaststellen van een nota kostenverhaal is wettelijk niet verplicht als een gemeente enkel kosten verhaalt. Hier ligt nu wel een Nota kostenverhaal. Waarom zou de gemeente meer dan alleen de kosten willen verhalen bij initiatiefnemers? Je zou toch ook kunnen kiezen voor een systeem met vrij ruime richtbedragen en het te veel of te weinig gerekende bedrag achteraf verrekenen zodat enkel de werkelijke kosten worden verhaald en niets meer of minder? Ook zo’n systeem moet verankerd worden in een beleidsnota. Deze voorgestelde werkwijze zou voor veel administratieve handelingen zorgen die een extra druk leggen op de personele capaciteit. Die werkwijze zou voor veel toetsing en discussie achteraf kunnen zorgen, terwijl nu de duidelijkheid vooraf wordt verstrekt en eveneens op basis van werkelijkheid (d.w.z. via tarief per m² uitgeefbaar) is. Bovendien is er vaak sprake van een behoorlijk verschil in uitvoeringstijd van een ontwikkeling t.o.v. de uitvoering van de maatschappelijke voorziening waaraan bijgedragen wordt. 19.
Bijlage 04e:staat bij het voorbeeld van de solitaire woning dat in de huidige situatie de aanvullende bijdrage 'overig' geen juridische basis heeft. Op basis waarvan vindt de verantwoording van het moeten betalen van deze kosten in de huidige situatie dan wel plaats? Op basis van het raadsbesluit Herziening Structuurvisie 2016. 20.
04f Brandbrief: Waarom was er eerder wel overleg met de betreffende bedrijven?
Dit was een overleg gerelateerd aan een specifiek project danwel om maatregelen samen te nemen om de economische recessie te doorstaan. Over algemeen belang is dit eveneens geprobeerd op te starten, maar het eigenbelang van de gesprekspartners had de bovenhand in die overleggen. 21.
Waarom is dat een aantal jaren geleden gestopt?
Vanwege bestuurlijke en ambtelijke wijzigingen, naast de punten zoals genoemd bij vraag 20 (maatregel/projectspecifiek en strijdige belangen). Bovendien blijven de gesprekken op projectniveau voortduren. 22.
Wat is de visie van het college op hetgeen in de brief wordt gesteld door de indieners?
Het college begrijpt dat nieuw beleid tot vragen kan leiden bij partijen. 8
De raad heeft het college de opdracht gegeven om het beleid kostenverhaal aan te passen met daaraan gekoppeld een ambitieus tijdpad. Ambtelijk is de tijd hard nodig geweest om de nota op te stellen. De communicatie met partijen is gezien als fase 2 ‘uitvoering’, voor de komende periode. Het is dus altijd de intentie geweest om met de partijen te communiceren. In het traject van opstellen heeft afstemming plaatsgevonden met een aantal vergelijkbare gemeenten. De conclusie is dat onze nieuwe tarieven in lijn liggen met deze gemeenten. Tevens is, met het oog op de naderende Omgevingswet, voorzien dat de nota Kostenverhaal na het vaststellen van de Omgevingsvisie, nogmaals wordt aangepast. Eventuele hiaten kunnen dan gerepareerd worden.
04. Nota kostenverhaal en financiële bijdrage 51 VVD technisch Vraag: 1. We ontvangen graag een overzicht van de toevoegingen en de onttrekkingen van het GKM van de laatste 5 jaar 2. Waar zijn de onttrekkingen aan besteed de laatste 5 jaar, financieel onderbouwd. 3. Worden bij gemeentelijke projecten ook GMK/bovenwijkse afdrachten gedaan/berekend? 4. Het budget is aanzienlijk verhoogt op basis van welke conclusies en voorwaarden dit is verhoogd? 5. Hoe is het kostenverhaal in omliggende gemeenten ten opzichte van onze gemeente? Vernomen dat we als HadM hier dusdanig hoger uitkomen. Klopt dit en vanwaar deze verschillen? 6. Projecten die ingediend worden voor 1-1-24 worden nog meegenomen in de oude tarieven toch? 7. Is er in dit voorstel rekening gehouden met de integraliteit van alle beleidsstukken en hoe deze invloed hebben op elkaar? Is dit extern getoetst om te kijken of dit in de praktijk een haalbaar en betaalbaar scenario is? Beantwoording: 1. We ontvangen graag een overzicht van de toevoegingen en de onttrekkingen van het GKM van de laatste 5 jaar. De GKM inkomsten bestaan uit financiële afdrachten die worden gevraagd voor ruimtelijke ontwikkelingen vanuit de structuurvisie. Deze gelden worden besteed aan de kwaliteitsverbeterende projecten zoals vermeld op de projectenlijst die is opgenomen in de structuurvisie.
Alle GKM afdrachten zijn en/of worden voorgelegd aan de Raad.
2. Waar zijn de onttrekkingen aan besteed de laatste 5 jaar, financieel onderbouwd. Algemeen: De onttrekkingen zijn besteed aan de kwaliteitsverbeterende projecten zoals vermeld op de projectenlijst die is opgenomen in de structuurvisie. De onttrekking van 2018 heeft betrekking op het wegnemen van hinder tbv kwaliteit buitengebied. De onttrekking van 2019 betreft een bijdrage aan het Grote Molenbeek project. De onttrekking van 2021 waren een bijdrage aan de recreatieve verbinding Meterik-Horst en kosten voor het herstel groen/blauw structuur in Melderslo. 9
3. Worden bij gemeentelijke projecten ook GKM/ bovenwijkse afdrachten gedaan/berekend? Ja, de afdrachten gelden voor ontwikkelaars en gemeente in dezelfde mate. 4. Het budget is aanzienlijk verhoogd. Op basis van welke conclusies en voorwaarden is dit verhoogd? De gemeente heeft altijd de intentie gehad om zowel het beleid voor Bovenwijkse voorzieningen als het beleid van GKM toe te passen. Door een omissie bleek op enig moment dat dat juridisch aanvechtbaar was. Derhalve is besloten om een nieuwe nota Kostenverhaal op te stellen waarin die omissie werd weggenomen en beide afdrachten gevraagd konden worden. Een en ander conform wetgeving. In de Omgevingswet (zoals ook in de Wro) is het verplicht om kostenverhaal toe te passen en dienen nieuwe ontwikkelingen mee te betalen aan de maatschappelijke investeringen omdat ook die daar profijt van hebben. In de themaraad van 23 mei jl. is dit toegelicht. 5. Hoe is het kostenverhaal in de omliggende gemeente ten opzichte van onze gemeente? Vernomen dat we als HadM hier dusdanig hoger uitkomen. Klopt dit en vanwaar deze verschillen? De gemeente heeft niet van alle gemeenten de door te berekenen kosten in beeld. Wel is van de gemeente Peel en Maas bekend dat ze voor een project, zoals in het voorbeeld van ontwikkelaars, een iets hogere bijdrage vragen.
Voor een woningbouwproject berekenen zij voor Bovenwijkse voorzieningen € 13,- per m², voor de Herstructureringsreserve € 5,- per m² en voor GKM € 5,- per m². In totaal gaat het dan om € 23,- per m². De gemeente Horst aan de Maas komt op basis van het nieuwe beleid in dit voorbeeld op € 22,- per m² uit. Voor de nieuwe nota was Peel en Maas overigens voornemens om nog een nieuw fonds toe te voegen. Ook van de gemeente Venray zijn de te verhalen bijdragen bekend. Zij brengen voor Bovenwijkse voorzieningen en het GKM in totaliteit een bijdrage van € 5.000,- per woning in rekening. Voor woningen op percelen tot 227 m² ligt de bijdrage in Venray dus hoger en voor percelen vanaf 227 m² ligt de bijdrage in Horst aan de Maas hoger. Verschillen ontstaan o.a. als gevolg van ambitieniveau voor de diverse maatschappelijk benodigde investeringen, oppervlakte van gemeente, verhouding platteland/stedelijk gebied etc. Dat moet ook de grondslag zijn. 6. Projecten die ingediend worden voor 1-1-24 worden nog meegenomen in de oude tarieven toch? In de nota Kostenverhaal is een overgangsperiode opgenomen. Voor initiatieven waar op 11 juli (als zijnde de datum van vaststelling) nog geen principebesluit genomen is en waar nog geen financiële afdrachten zijn afgesproken, zullen vanaf dan onder het nieuwe beleid vallen.
Voor die initiatieven waar wel een principebesluit genomen is en financiële afdrachten zijn afgesproken, is er de tijd tot 31 december 2023 om een anterieure overeenkomst met de gemeente te sluiten onder het oude beleid. Daarna gaat ook voor die initiatieven het nieuwe beleid gelden. 05. Voorstel tot het instemmen met de nota Uitgangspunten Omgevingsvisie. 64. Perspectief Technisch Vraag In het document staan spelfouten en andere fouten. Zo wordt op pagina 23 in een tabel bijvoorbeeld Broekhuizenvorst vergeten. Hoe kan dit gebeuren en wordt dit document nog grondig doorgelopen en aangepast? Antwoord Het document wordt nog extra gescreend op dergelijke onzorgvuldigheden en aangepast. 10
06. Windturbines Hoogheide en Witveld 54 CDA politiek Vragen en antwoorden CDA Horst aan de Maas tbv 27-6-2023 Vraag 1 De in het raadsvoorstel genoemde budgetten lijken elkaar te overlappen (Projectleiding en ondersteuning, communicatie en participatie, website). Hier staat gezamenlijk €500.000,- voor. Waarom zijn deze overlappende posten uitgesplitst? Antwoord 1 De werkzaamheden overlappen elkaar niet. De projectleider met projectondersteuning organiseren het proces, zorgen voor besluitvorming, het uitzetten en begeleiden van opdrachten zoals bv de MER en leveren de stukken voor college en raad. De gespecialiseerde medewerkers die worden belast met communicatie en participatie hebben specifieke taken en kennis op dat gebied; we willen serieus werk maken van een goed proces van participatie door middel van de gebiedsdialogen. De kosten voor de website zijn voor gespecialiseerde kennis en faciliteiten om een projectwebsite in de lucht te houden. Overigens blijkt uit recente VNG-informatie, over de verdeling van aanvullende rijksmiddelen voor het tegengaan van klimaatverandering, dat gemeenten die zich inspannen voor het realiseren van windmolens of zonneweides, een aanvullende vergoeding ontvangen. Deze regeling is nog niet definitief. Uit conceptberekeningen volgt een vergoeding van een kleine € 500.000 voor Horst aan de Maas.
Vraag 2 Een dialoog tussen gemeente en tegenstanders lijkt uit het zicht geraakt. In de beantwoording op vraag 1 van onze raadsvragen d.d. 31-05-23 wordt gesproken over het verder aangaan van de dialoog en het zoeken van oplossingen. Hoe denkt de gemeente deze dialoog te gaan voeren? Aan welke oplossingen denkt de gemeente? Antwoord 2 Wij vinden het belangrijk om zoveel mogelijk in gesprek te blijven met alle betrokkenen. Dat geldt zowel voor voorstander als tegenstanders, maar ook voor de mensen die hun mening nog moeten vormen. De gemeente heeft vele activiteiten georganiseerd om te informeren en in gesprek te zijn en blijven. In de aanloop naar het tussenbesluit merken we dat standpunten verharden en communicatie daardoor lastiger wordt. Na het tussenbesluit van 11 juli zullen we de dialogen voortzetten, zoals ook in het raadsvoorstel staat beschreven, in de vorm van een drietal gebiedsdialogen (zie raadsvoorstel pagina 9). De MER zal daarbij helpen om eventuele specifieke effecten concreter in beeld te brengen en bespreekbaar te maken, waardoor een deel van de zorgen mogelijk vermindert. Vraag 3 Uit de beantwoording (vraag 2) blijkt dat er over een groot aantal zaken ‘beslist gelijkluidend’ gedacht wordt. Verschillende ondernemers in het gebied geven aan na te denken over bedrijfsverplaatsing of bedrijfsbeëindiging.
Daarnaast krijgen we veel signalen over grote onvrede bij verschillende ondernemers over de manier waarop de dialoog tot op heden gevoerd is. Hoe kijkt de gemeente naar deze signalen? Antwoord 3 De gesprekken met de boomtelers waren intensief, kritisch, maar ook oplossingsgericht met erkenning van het probleem van klimaatverandering en herkenning voor de opgave waarvoor de gemeente staat. Aan de ondernemers geuite zorgen wordt ook in het vervolgproces aandacht gegeven, deze nemen we serieus. We zijn het met elkaar eens dat het belang van de boomteeltsector voor de gemeente heel groot is en dat we deze sector ruim voldoende kansen voor de toekomst moeten geven. We hebben serieus moeite gedaan om een goede dialoog te voeren met alle betrokkenen, waarbij we zowel positieve als negatieve reacties kregen. Die positieve reacties zijn nu echter minder goed hoorbaar geworden. Het feit dat een aantal deelnemers het inhoudelijk oneens is met het voorstel, is niet hetzelfde als het voeren van een slecht proces. We zien geen reden waarom de windmolens een aanmerkelijk negatief effect hebben op de bedrijfsvoering van boomtelers.
We hebben aan de boomtelers voorstellen gedaan voor een versterking van de boomteeltsector (versterking pachtpositie, uitbreiding areaal, strategische samenwerking, verder stimuleren innovatie en natuurinclusiviteit) die we in samenspraak met ondernemers zouden willen uitwerken. 11
Vraag 4 In de beantwoording van onze eerdere vragen wordt de verwachting uitgesproken dat er een gangbare werksituatie ontstaat onder de molens. Waar is deze verwachting op gebaseerd? Liggen hier onderzoeken aan ten grondslag; en zo ja, welke onderzoeken? Antwoord 4 Uit de eerste onderzoeken door een geluidsdeskundige blijkt dat medewerkers, die recht onder de windmolen staan, te maken krijgen met een geluidsbelasting van 50 tot 55 dB(A). Dat is minder dan het geluid in een kantoorruimte. We zullen in de MER verder ingaan op dit punt en zullen dan ook locatiespecifieke berekeningen maken. Vraag 5 In de beantwoording van onze eerdere vragen lezen we dat het ruimtebeslag <1% bedraagt. Op basis van welke cijfers komt dat percentage tot stand? Is hierin rekening gehouden met de (betonnen) funderingen, toevoerwegen en technische ruimtes etc.? Antwoord 5 We weten hoeveel ruimte nodig is om een molen op te richten en te onderhouden. Voor de voet van de windmolen is slechts 150 m² nodig. Voor de ontsluiting en de opstelplaats is globaal samen 1000 m² nodig. Het doel van de door u aangehaalde passage is om aan te geven dat het ruimtebeslag zeer beperkt is vergelijking met de ontwikkelgebieden Witveld/Hoogheide die samen meer dan 100 ha groot zijns. Daarnaast kan het beperkte verlies van ruimte voor de windmolens waarschijnlijk worden gecompenseerd.
Dientengevolge zien wij geen nadelen van het plaatsen van windmolens voor de continuïteit van de boomteeltsector of individuele bedrijven in dit gebied. Vraag 6 Uit de eerdere beantwoording blijkt dat de gemeente de sector ruim voldoende kansen voor de toekomst moet geven. Wat verstaat de gemeente hieronder? In hoeverre vergroten we de kwetsbaarheid van de sector door de eventuele plaatsing van windturbines (gelet op m.n. effecten op arbeidsmarktpositie, arbeidsomstandigheden, beschikbaarheid areaal nu en in de toekomst, en teeltklimaat). Antwoord 6 De gemeenteraad heeft in KODE aangegeven de voorkeur te geven aan dubbel ruimtegebruik. Dat is zeer goed te verwezenlijken door windmolens op agrarische grond te plaatsen. In tegenstelling tot zonneweides gaat er nauwelijks landbouwgrond verloren. De combinatie van boom- en sierteelt met windmolens is kansrijk en zal in de MER op alle details worden onderzocht. Daarbij horen ook de omstandigheden voor werknemers nabij de molens. De indicaties over de geluidsbelasting voor werknemers geven geenszins aan dat er een slecht werkklimaat zou ontstaan. We zien geen reden waarom de windmolens een aanmerkelijk negatief effect hebben op de bedrijfsvoering van boomtelers.
We hebben aan de boomtelers voorstellen gedaan voor een versterking van het boomteeltcluster (versterking pachtpositie, uitbreiding areaal, strategische samenwerking, verder stimuleren innovatie en natuurinclusiviteit) die we in samenspraak met ondernemers zouden willen uitwerken. Vraag 7 Uit de eerdere beantwoording blijkt dat de gemeente het aannemelijk acht dat acceptatie toeneemt naar mate het ‘aannemelijker wordt’ dat de plannen gerealiseerd worden. Waar is deze aanname op gebaseerd? Antwoord 7 Naarmate de kans groter wordt dat een plan daadwerkelijk wordt gerealiseerd, wordt door een deel van de betrokkenen gekozen om dan mee te werken aan de meest acceptabele oplossing. Omdat men zo invloed heeft op het resultaat. Dit is gebruikelijke dynamiek die ook in veel andere ruimtelijke ontwikkelingen en in andere gemeenten voorkomt. Vraag 8 Uit de eerder beantwoording blijkt dat lokaal draagvlak volgens de gemeente geen absolute randvoorwaarde is. Als zowel bewoners als gebruikers binnen een gebied aan de handrem trekken vergt dit volgens het CDA extra zorgvuldigheid en inspanning. Dit kan bijvoorbeeld een reden zijn om ambities te heroverwegen en voor minimale impact te kiezen. Hoe ziet de wethouder dit? Antwoord 8 Wij onderschrijven dat in – op iedere wijze - zorgvuldigheid in de communicatie en de planvorming nodig is.
Hoe dan ook is betrokkenheid nodig en moet men in een dialoog mee kunnen blijven 12
doen én inbreng hebben in de uiteindelijke planvorm. In het MER onderzoeken we daarom alternatieven en varianten zodat we samen - op basis van de omgevingsdialoog - kunnen werken naar een plan dat aan de doelstellingen voldoet, maar ook met de minste impact. Het belang en tegelijkertijd de relativiteit van lokaal draagvlak in het licht van het algemeen belang van de energietransitie, volgt niet alleen uit de beantwoording maar ook uit de motie van uw raad en het hoofdlijnenakkoord. Vraag 9 De beantwoording van vraag 6 van de eerder door CDA gestelde vragen is ‘hoog over’ en loopt weg van de vraag. Om die reden probeert CDA de vraag scherper te stellen. Heeft de gemeente in beeld wat effecten zijn op ontwikkelkansen in het gebied op het gebied van bedrijvigheid, landbouw, wonen (ook in relatie tot de ontwikkeling van dorpskernen) toerisme en recreatie? Zo ja, in hoeverre zijn deze effecten van invloed op de genoemde thema’s? Antwoord 9 De vraag naar algemene effecten is ook alleen algemeen te beantwoorden. We zien geen negatieve effecten op de ontwikkelmogelijkheden voor de landbouw; voor de betrokken agrariërs kan de opbrengst van de windmolens een extra inkomstenbron voor hun bedrijf vormen. Enkele agrariërs hebben aandacht gevraagd voor het feit dat uitbreiding van bedrijfsgebouwen niet mag conflicteren met eventuele externe veiligheidscirkels.
Vooralsnog zien we hier conflicterende belangen. De afstand tot de dorpskernen (> 1km) is zodanig dat daar in het geheel geen sprake is van enig effect op ontwikkelmogelijkheden. De effecten op recreatie moeten nader in beeld worden gebracht. Vraag 10 Ter aanvulling op de beantwoording van vraag 9: kan de gemeente garanderen dat bij de ontwikkeling van windturbines op gemeentelijk eigendom één op één aanbesteden geen juridische bezwaren of risico’s oplevert? Waarom speelt, bijvoorbeeld, het Didam arrest hierin geen rol? Op grond van voorlopige uitspraken van deskundigen van het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NP RES) zien we hier geen bezwaren en risico’s. We kunnen deze vraag echter nog niet definitief beantwoorden. De vraag speelt in veel gemeenten waar windmolens en zonnevelden ontwikkeld worden door een lokale energie coöperatie op gemeentegrond. In het Klimaatakkoord is door alle overheden afgesproken dat gewerkt moet worden naar 50% lokaal eigendom. Dat lijkt in strijd met een aanbestedingsverplichting. Anderzijds wijst het Didam arrest op een aanbestedingsplicht voor het verlenen van zakelijk rechten op gemeentegrond ten behoeve van een commerciële bestemming. Het NPRES heeft op zich genomen om deze vraag door een juridisch expert uitgebreider te laten beantwoorden.
Wij zullen de uitkomst daarvan vertalen naar de situatie in Horst aan de Maas zodat we “Didam-proof” zijn. Vraag 11 In hoeverre is de samenwerking tussen de gemeente en energiecoöperatie Reindonk geformaliseerd? Zijn er al overeenkomsten gesloten? En zo ja: wat is het doel en de reikwijdte/impact van deze overeenkomsten en is de gemeenteraad hierover geïnformeerd? Er is opdracht verleend aan Reindonk om een verkenning te doen naar de sociale haalbaarheid. De gemeenteraad heeft in KODE wel de wens vastgelegd om 50% lokaal eigendom te realiseren, conform het Klimaatakkoord. Samenwerking met een lokale coöperatie is daarvoor de meest voor de hand liggende toekomstige vorm. De gemeente en Reindonk hebben daarvoor een intentieovereenkomst gesloten. Er zijn geen realiseringsovereenkomsten gesloten tussen de gemeente en Reindonk. Vraag 12 In de beantwoording op vraag 14 van de eerder door het CDA gestelde vragen is te lezen dat Arcadis in verschillende entiteiten optreedt als adviseur en ontwikkelaar. Waarom is er niet voor gekozen om dit te vermijden door een adviserende partij in te schakelen die niet op twee fronten actief is? In Horst aan de maas treedt Arcadis slechts op in de rol van deskundig adviseur. Arcadis zal geen enkele andere rol in het project vervullen.
13
Vraag 13 In de beantwoording op vraag 15 van de eerder door het CDA gestelde vragen wordt aangegeven dat de glastuinbouw nog geen oplossingen gevonden lijkt te hebben voor hun eigen opgave, daarom is deze opgave meegenomen in de totale opgave van onze gemeente. Waarom vertrouwen we de tuinbouwsector niet in het vinden van oplossingen? Als zij niet meegaan met de energietransitie worden ze hier immers zelf de dupe van. Is het college bereid om de dialoog aan te gaan met de sector om te komen tot afspraken op dit thema? Antwoord 13 Het idee dat de verschillende tafels of sectoren los van elkaar kunnen worden gezien, is onjuist. In het Klimaatakkoord is gewerkt met vijf verschillende ‘tafels’ (Elektriciteit, industrie, landbouw, gebouwde omgeving en mobiliteit). De tafel Elektriciteit had de opgave om windenergie en zonne-energie te realiseren waarmee álle andere tafels van duurzame elektriciteit zouden kunnen worden voorzien. De tafel ‘mobiliteit’ zorgt bijvoorbeeld voor elektrische auto’s en laadpalen, maar de duurzame energie komt van zonnepanelen en windmolens (en in de toekomst eventueel andere opwektechnieken). Horst aan de Maas heeft, in die lijn, net als veel andere gemeenten een eigen ambitie geformuleerd in de vorm van een percentage van de totale energiebehoefte die we in 2030 lokaal duurzaam willen opwekken.
Dan kan er lokaal ook een samenhangende oplossing worden gekozen. Als elke sector zijn eigen oplossingen zou moeten genereren, zou dat tot versplintering leiden. De lokale glastuinbouw zou dan voor het opwekken van de eigen energie in de eigen gemeente eigen molens moeten gaan plaatsen, of eigen zonnevelden moeten realiseren. Dit is in strijd met de opzet van het klimaatakkoord en feitelijk onwerkbaar. Voor de sector glastuinbouw geldt inderdaad dat er een hoge noodzaak is om energetisch te verduurzamen. Juist daarom is er in KODE een relatief hoge energiebespaar-ambitie opgenomen (-35%), die hoger is dan in veel andere gemeenten en juist daarom ondersteunt de gemeente de sector ook met de lobby voor geothermie. Vraag 14 In de beantwoording op vraag 16 van de eerder door het CDA gestelde vragen leest het CDA dat we de ambitie hebben om in 2030 voldoende duurzame energie lokaal op te wekken. In hoeverre kan deze tijdsgevoelige ambitie een zorgvuldig en integer proces onder druk zetten? Antwoord 14 De klimaatcrisis wacht niet op ons, het zou immoreel zijn om de oplossing van het klimaataanpak nodeloos voor ons uit te schuiven. En uiteraard moeten de urgente oplossingen die we kiezen zorgvuldig tot stand komen. Het doel om in 2030 een aantal windturbines gerealiseerd te hebben, kan zeker op een zorgvuldige wijze worden bereikt.
Er is tijd genoeg om dat proces overwogen en met een zorgvuldige dialoog met alle betrokkenen, te doorlopen. In die zin is er geen tegenspraak tussen noodzaak en zorgvuldigheid.
06. Windturbines Hoogheide en Witveld 59. Hart voor HadM technisch Vragen en antwoorden Hart voor Horst aan de Maas Vraag 1 Wat kost de verzekering en het onderhoud per windturbine per jaar en wie gaat dat betalen? Antwoord 1 Dat is ons niet bekend. De exploitatiekosten van de windmolen, waaronder de verzekering en het onderhoud, zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Vraag 2 Wie is verantwoordelijk voor eventuele gezondheidsrisico's, gezondheidsschade en hieruit voortvloeiende kosten die windturbines veroorzaken voor de betreffende inwoners en ondernemers en hun werknemers, hun dieren, hun planten/bomen etc.? Antwoord 2 De normen voor wat op grond van gezondheidsoverwegingen acceptabel en aanvaardbaar is, worden in Nederland door de Rijksoverheid vastgesteld en zijn algemeen geldig. Mochten plannen van de lokale overheden, die aanvaardbaar zijn vanuit gezondheidsoogpunt, toch schade veroorzaken, dan is de gemeente -en via de anterieure overeenkomst de initiatiefnemer- gehouden de schade te vergoeden. Daarvoor 14
bestaat onder meer de planschaderegeling. Deze kan, bij een verschil van inzicht, uiteindelijk ook aan de burgerlijk rechter ter toetsing worden voorgelegd. Uiteraard is het streven om schade of negatieve effecten te voorkomen of in elk geval zoveel mogelijk te beperken. Wij verwachten ook niet dat schade zal optreden voor ondernemers, werknemers en flora en fauna. In de MER zullen diverse varianten en alternatieven met hun effecten op de omgeving worden onderzocht, waarbij gezocht zal worden naar minimalisatie van de impact op de omgeving. Vraag 3 Wie is verantwoordelijk voor het betalen van mogelijk verwachte schadeclaims op divers gebied door de plaatsing en het in bedrijf zijn van windturbines? (O.a. waardedaling woningen, onverkoopbaar worden van bedrijven en gronden, schade aan omringende natuur/landschap etc. etc?) Antwoord 3 Als burgers of bedrijven menen schade te lijden als gevolg van een planologische maatregel, kunnen zij een planschadeclaim indienen. Die wordt ingediend bij het bevoegd gezag dat de planologische maatregel heeft genomen, in dit geval de gemeenteraad. Om te voorkomen dat de kosten als gevolg van eventueel toegekende claim daadwerkelijk bij de gemeente komen, sluiten wij een planschadeverhaalsovereenkomst met de initiatiefnemer. Daarin wordt vastgelegd dat toegekende schadeclaims worden doorgelegd naar de initiatiefnemer.
Op die manier loopt de gemeente financieel geen risico. Dit is de gebruikelijke werkwijze bij ruimtelijke ontwikkelingen. Vraag 4 Wie betaalt schade als bedrijven failliet gaan door weglopen/ziek worden van het personeel? Antwoord 4 In lijn met het antwoord op vraag 3, kan een bedrijf ook een planschadeclaim indienen. Voor het overige zullen de belangen van het bedrijf en hun medewerkers worden meegewogen in de MER en uiteindelijk in de afweging van de raad. Uit de eerste onderzoeken blijkt dat medewerkers, die recht onder de windmolen staan, te maken krijgen met een geluidsbelasting van 50 tot 55 dB. Dat is vergelijkbaar met het geluid in een kantoorruimte. Wij verwachten dan ook niet dat bedrijven schade ondervinden of zelfs failliet gaan door de bouw van windmolens. Vraag 5 Wie gaat de ontmanteling van de turbines doen en betalen en wat is daarvoor al vastgelegd? Antwoord 5 De initiatiefnemer heeft de verplichting om de molens na afloop van de exploitatieperiode/vergunningperiode op te ruimen. De kosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Vraag 6 Wat gebeurt er na ontmanteling met het gebied en met de turbines? Ligt dat al vast? Antwoord 6 Mochten de windmolens in de toekomst verwijderd worden, dan heeft dat geen blijvend effecten op het gebied.
Het gebied kan tijdens en na de periode waarin de windmolens worden geëxploiteerd, zijn agrarische functie volledig behouden. Alle onderdelen van turbines zijn goed recyclebaar. Dat geldt ook voor de wieken, waarvoor ook manieren zijn om ze te recyclen of te hergebruiken. Vraag 7 Wie zorgt voor en betaalt het herstel van de schade aan de natuur op de plek en de omgeving en eventuele sanering van de bodem (vervuiling) op de plek waar de windturbine is verwijderd? Antwoord 7 De initiatiefnemer moet de situatie weer herstellen naar de situatie zoals deze was voorafgaand aan de bouw van de windmolens. De initiatiefnemer zal alles moeten verwijderen en opruimen. Overigens is er geen bodemvervuiling als gevolg van de bouw van windturbines bekend. Vraag 8 Is er een speciaal loket o.i.d. waar overlast en/of schade a.g.v. de windturbines door particulieren/bedrijven gemeld kan worden? Antwoord 8 Overlast kan worden gemeld bij de omgevingsdienst, die op grond van de meldingen eventueel controlerend en handhavend kan optreden. Voor schade gelden de gebruikelijke regelingen: planschade kan bij de gemeente worden gevorderd, die dit op grond van een anterieure overeenkomst verhaalt op de 15
initiatiefnemers. Schade die ontstaat tijdens de exploitatie als gevolg van de exploitatie, moet door de exploitant worden betaald. Vraag 9 Wie zorgt voor het onderhoud en vervanging van de olie en/of andere onderdelen en wat zijn de eisen m.b.t. de olie en de termijn van vervanging hiervan? Antwoord 9 Het onderhoud is een verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer/exploitant. Ook de initiatiefnemer zelf heeft een groot belang bij een optimale werking van de windmolen. In de windmolenbranche streeft men ernaar te werken met olie die zo lang mogelijk meegaat. Denk daarbij aan termijnen van vele jaren, tot 10 jaar toe. Vraag 10 Hoe gaat een brand bovenin de windturbine geblust worden en hoe houdt men er rekening mee dat de zeer giftige gassen die bij brandende windturbines vrijkomen geen gevaar voor de omgeving opleveren? Antwoord 10 Brand in windturbines is zeldzaam, maar komt toch incidenteel voor, net zoals branden in woonhuizen en bedrijven. Moderne molens hebben technieken die minder kans geven op het veroorzaken op brand (direct drive, geen tandwielkasten). Door de grote hoogte van de windmolens is het voor de brandweer niet haalbaar om een brand, die in de rotorkop ontstaat, te blussen. Er bestaan automatische brandblussystemen voor windmolens. Die worden direct in de rotorkop van de windmolen geplaatst.
06. Windturbines Hoogheide en Witveld 60 PvdA technisch Vragen en antwoorden PvdA 27-6-2023 Vraag 1. In het voorstel staat dat de gemeente voornemens is om Sweco de MER te laten opstellen. Los van efficiëntie, wat zijn de redenen van een voorkeur voor deze partij? Antwoord vraag 1. Daarover moet het college nog een besluit nemen. Wij overwegen om de opdracht te geven aan dezelfde partij die ook de MER voor de omgevingsvisie gaat opstellen, omdat beide MER-onderzoeken raakvlakken en overlappen hebben. Onze voorkeur gaat uit naar een deskundige partij die nog niet eerder betrokken is bij de planontwikkeling en derhalve onafhankelijk kan adviseren. De kwaliteit van een MER wordt overigens ook beoordeeld door de wettelijke commissie m.e.r. 2.1 Een MER is een formeel procedureel proces. Kan de raad nog een No-go geven zelfs als de MER positief uitpakt? Antwoord vraag 2.1. Ja, mits dit voldoende gemotiveerd kan worden. De gemeenteraad is als hoogste orgaan altijd het orgaan dat het beslissende woord heeft over het plaatsen van windmolens. Onder de huidige wet kan immers geen vergunning worden verleend zonder verklaring van geen bedenking van de raad. In de komende omgevingswet heeft het bindend advies van de raad dezelfde functie. Maar zoals elk overheidsbesluit moet dit besluit wel zijn gebaseerd op een goede motivering.
Bij bestemmingsplannen/omgevingsplannen is er weinig ruimte: als iets eenmaal past, in het plan bepaalt het “imperatief-limitatieve stelsel” dat vergunning moet worden verleend, want het is in het plan toegestaan Voor de windmolens is nog geen omgevingsplan gemaakt. Dan is de beslissingsruimte voor de gemeenteraad groot: de raad kan vrijelijk afwegen - mits goed gemotiveerd - of er al dan niet medewerking wordt verleend aan ofwel het wijzigen van het omgevingsplan ofwel aan een ‘Bopa’ (buitenplanse omgevingsplanactiviteit). De situatie zal
16
dus - mits goed gemotiveerd - zo zijn dat de gemeenteraad niet gedwongen wordt om ongewild vergunning te verlenen.
2.2 Zo ja, op basis waarvan? Antwoord vraag 2.2. De MER is altijd een onderdeel van een ruimtelijke procedure (bijvoorbeeld het vaststellen of wijzigen van een omgevingsplan). De MER wordt niet zelfstandig als rapport vastgesteld maar wordt onderdeel van het vergunningbesluit. De raad neemt in het najaar 2024 een nieuw tussenbesluit om wel of niet verder te gaan met het proces en A73/Maaslijn project. De resultaten vanuit het MER is daarbij, samen met de resultaten van de omgevingsdialoog, de basis voor die afweging. Op dat moment is dus de mogelijkheid om te besluiten tot een no go.
3. Hoeveel woningen liggen in beide gebieden binnen een straal van 1km van de eventueel te plaatsen turbines? Antwoord vraag 3. Dat is nog niet precies te zeggen. Op basis van het aantal verstuurde brieven aan de inwoners die wonen op een afstand van 1000 meter van de rand van het ontwikkelgebied af, zijn er ongeveer 170 brieven verstuurd. Hier zitten meerdere adressen dubbel in, omdat ze binnen de 1000 meter van de rand van beide ontwikkelgebieden gesitueerd zijn. 1000 meter afstand vanaf de rand van het gebied is een grotere afstand dan 1000 meter van een windmolen af. Het uiteindelijke aantal zal dus aanzienlijk minder zijn, tenzij de windmolen op de rand van het gebied wordt gerealiseerd. Vanuit de fictief opgestelde windmolens in het Arcadis rapport zijn er enkele aan de rand van het gebied gepositioneerd. 4. wat is het minimale en maximale te plaatsen windturbines? Antwoord vraag 4. Het Arcadisrapport is een haalbaarheidsstudie, waarin onderzoek is verricht naar het maximaal aantal te plaatsen windmolens. Daarbij is uitgegaan van 2 verschillende type windmolens. De verschillende milieu-effecten laten zien dat het aantal van 8 hoge en 10 lage windmolens dat is doorgerekend, niet haalbaar is vanuit o.a. geluid en externe veiligheid.
Aangezien niet bekend is welk type windmolens er uiteindelijk kunnen komen, is nu ook niet te zeggen hoeveel windmolens er minimaal en maximaal komen. Dit is uiteindelijk het resultaat van de omgevingsdialoog, doorberekend voor alle relevante milieu-effecten. En dit is nu nog niet bekend. Vanuit de gebiedsdialoog tot heden in het gebied Witveld is het beeld dat hier mogelijk 3 windmolens kunnen worden gerealiseerd. 4.1 Als het draagvlak daarmee toeneemt, is het college bereid om minder turbines te plaatsen dan technisch haalbaar zou zijn? Antwoord vraag 4.1. In de omgevingsdialoog en het uiteindelijke voorstel aan de raad, zal een balans moeten worden gezocht tussen enerzijds energieopbrengst en anderzijds bescherming van de omwonenden. De wettelijke normen komen tot stand in eenzelfde afweging door het Rijk en geven aan wat volgens het Rijk zorgvuldig en aanvaardbaar is. Deze normen kunnen in ieder geval niet worden overschreden. Ons doel is om te komen tot een zorgvuldige invulling van het gebied met windmolens, waarbij het aantal windmolens niet vooraf bepaald is. Ons doel is dus ook niet het plaatsen van zoveel mogelijk windmolens.
17
5. de gemeente voert nu gesprekken met Reindonk Energie over het exploiteren van enkele windmolens. Hoe serieus is de intentie van Reindonk Energie en ligt hier ook een schriftelijke overeenkomst onder? Antwoord vraag 5. Reindonk Energie voert gesprekken om minimaal 50% lokaal eigendom te realiseren. In februari 2022 is een intentieovereenkomst gesloten als vervolg op een samenwerkingsovereenkomst uit 2019. Er zijn (nog) geen realiseringsovereenkomsten gesloten tussen de gemeente en Reindonk.
6. de gemeente wil zelf ook (mede)eigenaar worden van een of enkele windturbines. Is dit een wens of een eis? Antwoord vraag 6. In het raadsvoorstel staat: “In het gebied Hoogheide is een groot deel van de grond in eigendom bij de gemeente. De gemeente wil de kans benutten om zoveel mogelijk ruimte te geven aan lokaal initiatief en daarmee ook maximaal rendement voor de gemeenschap. Mogelijk worden de molens hier gerealiseerd zonder commercieel ontwikkelaar en komen de molens in eigendom bij een lokale coöperatie, pachters/grondeigenaren en/of bij de gemeente zelf. Gemeente-eigendom van molens is dus een mogelijkheid en is te beschouwen als een wens.
06. Windturbines Hoogheide en Witveld 49. Essentie technisch Vragen en antwoorden Essentie Vraag 1
Zijn er mogelijkheden om met lagere windmolens ook de doelstelling te bereiken?
Antwoord 1 We gaan ervan uit dat hiermee de doelstelling uit KODE wordt bedoeld. Op pagina 14 van het Arcadisrapport is deze vraag beantwoord (dit naar aanleiding van een eerdere toezegging aan uw raad): “In het KODE is een opgave voor de realisatie van 223 TJ aan windenergie ten doel gesteld. Wanneer deze doelstelling gerealiseerd wordt met kleine windturbines is de plaatsing van deze turbines van groot belang. In de meest ideale omstandigheden met de meest ideale turbines uit het STOWA onderzoek dienen er minimaal 35 kleine windturbines te worden geplaatst van type DW 54 met een tiphoogte van 104 meter.” In de regel neemt de opbrengst tenminste kwadratisch toe met de hoogte. Een tweemaal hogere windmolen levert dus minstens 4 keer meer energie. Andersom werkt die regel ook: van een windmolen met de halve hoogte heeft men er minstens viermaal meer nodig om dezelfde opbrengst te halen. Vraag 2 In KODE is een doelstelling voor opwek van energie vastgesteld. Hoeveel procent van deze doelstelling is reeds behaald met bv. de plaatsing van PV op daken dan wel geplande PV die nu nog niet aangesloten kunnen worden? Antwoord 2 We hebben in KODE de ambitie om 30% van ons toekomstige energiegebruik lokaal duurzaam op te wekken. In totaal 1050 TJ met wind en zon. We schatten dat hiervan momenteel zo’n 12% is gerealiseerd.
Let op: als we 12% van ons doel van 30% hebben gerealiseerd, wekken we ca 4% van onze energiebehoefte lokaal duurzaam op. Spoor 1: 212 TJ (8% procentpunt van de 30) zou kunnen worden gerealiseerd met zon op dak en andere vormen van dubbel ruimte gebruik. We hebben geen exacte actuele gegevens. We ramen dat maximaal de helft
18
hiervan (ca 100 TJ) is gerealiseerd. De komende jaren wordt mede door extra normering door het rijk een flinke verdere groei verwacht. Spoor 2 en 3: Voor het overige is de ambitie om 848TJ (indicatief 350 ha zonneweides en 7 windmolens) aan opwek te realiseren. Hiervan is een kleine 30 ha zon op land (= indicatief 30TJ) gerealiseerd. Bij de actualisatie van KODE, waarbij ook de verhoogde EU- en rijksambities worden verwerkt, zullen we voorzien in hardere cijfers. Vraag 3
In hoeverre is de glastuinbouw in doelstelling meegenomen?
Antwoord 3 De CO2-doelstellingen voor glastuinbouw zijn net als alle andere maatschappelijke sectoren (industrie, gebouwde omgeving, mobiliteit, landbouw) in het klimaatakkoord, en in het gemeentelijk beleid integraal meegenomen. Horst aan de Maas heeft net als veel andere gemeenten een eigen ambitie geformuleerd in de vorm van een percentage van de totale energiebehoefte die we in 2030 lokaal duurzaam willen opwekken. Dat geldt voor de gehele gemeente, dus ook voor de glastuinbouw. Dan kan er lokaal ook een samenhangende oplossing worden gekozen. Als elke sector zijn eigen oplossingen zou moeten genereren zou dat tot versplintering leiden. De lokale glastuinbouw zou dan voor het opwekken van de eigen energie in de eigen gemeente eigen molens moeten gaan plaatsen, of eigen zonnevelden moeten realiseren. Dit is in strijd met de opzet van het klimaatakkoord en feitelijk onwerkbaar. Voor de sector glastuinbouw geldt dat er een hoge noodzaak is om energetisch te verduurzamen. Juist daarom is er in KODE een relatief hoge energiebespaarambitie opgenomen (-35%), die hoger is dan in veel andere gemeenten en juist daarom ondersteunt de gemeente de sector ook met de lobby voor geothermie. Vraag 4 Hoe worden de medewerkers die onder de windmolens werken, toetsend meegenomen in de MER? M.a.w.
hoe kan het effect op de werknemers gemeten worden zonder dat er afspraken over normen zijn? Antwoord 4 Er zijn wel degelijk normen voor medewerkers die onder de windmolens werken. Die normen zijn vastgelegd in de Arbo-wetgeving.. Nederland kent een maximale norm voor geluidbelasting op het werk van 80 decibel. Daarboven is gehoorbescherming verplicht. Onder de molens wordt een geluidsbelasting door de windmolens van 50 tot 55 decibel verwacht. Dat is vergelijkbaar met het geluidsniveau van een stil kantoor. In het MER zullen wij onderzoeken wat de effecten zijn voor werknemers op het veld en of/hoe de effecten kunnen worden beperkt. Vraag 5 In hoeverre is bij de bepaling van de zoekgebieden rekening gehouden met het ‘uitkopen’ van inwoners? Wellicht dat het uitkopen van 1 inwoner leidt tot het plaatsen tot een aantal extra windmolens? Met andere woorden: wanneer wordt dit als rechtvaardig en moreel beschouwd en is het de afweging waard in tijd, energie en draagvlak, algemeen belang? Antwoord 5 Bij de huidige zoekgebieden is uitgegaan van bestaande woningen. Uit het onderzoek van Arcadis blijkt dat op basis van de bestaande situatie maximaal 8 tot 10 windmolens mogelijk zijn. Daarmee kunnen we voldoende bijdragen aan de doelstellingen uit KODE, zonder dat inwoners hoeven te worden uitgekocht .