CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

landelijk 4 Programma Energiehoofdstructuur

Gemeenteraad 6 maart 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Beantwoording vragen en bijlagen34.769 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

onderzoeken gestimuleerd om de opslagpotentie op zee of in lege

kaart op de volgende pagina).

gasvelden- en bergingen op land te vergroten. Eén van de belangrijke uitgangspunten, in lijn met de contourennota Nederland kent een technisch (onshore) potentieel van ca. zestig

mijnbouw, is het principe van ‘nee, tenzij’. Het gebruik van de

zoutcavernes die in theorie aangelegd kunnen worden voor 2050,

diepe ondergrond is niet toegestaan, tenzij mijnbouwactiviteiten

met een totaal vermogen van 43,3 TWh60. Volgens onderzoek van

plaatsvinden in daarvoor als geschikt beoordeelde gebieden en als

TNO en EBN ligt de technische potentie voor ondergrondse opslag

voldaan wordt aan de voorwaarden met betrekking tot veilig en

in zoutcavernes met name in Noord-Nederland en Oost-Nederland

verantwoord gebruik, die gesteld worden in de wet- en regelgeving. De

(zie figuur 14). Een groot verschil is dat in Noord-Nederland de

keuze welke mijnbouwactiviteiten onder welke voorwaarden mogen

zoutformaties relatief goed bekend zijn en een stuk minder bekend in

plaatsvinden komt tot stand in een maatschappelijke dialoog. Daarbij

Oost-Nederland. Daarom moet er in Oost-Nederland nader onderzoek

kan gedacht worden aan voorwaarden op het gebied van:

61

worden gedaan naar de geschiktheid van zoutformaties om eventueel

•

Betrekken bewoners en regionale overheden voorafgaand aan concrete projecten.

waterstof te kunnen opslaan. •

Schadeafhandeling voor eventuele schade aan gebouwen die ontstaan is door de zoutwinning of opslagactiviteiten;

Op 20 januari 2023 is de contourennota aanpassing Mijnbouwwet aan de Tweede Kamer aangeboden waarin een herziening van

•

Afspraken over baten naar de regio;

de Mijnbouwwet aangekondigd is, waarin ook specifieke regels

•

Financiële zekerheid aanvrager;

zullen worden opgenomen voor nieuwe ontwikkelingen die de

•

Monitoring van de omgeving van de opslaglocatie;

energietransitie mogelijk maken en waarbij rekening dient te worden gehouden met de belangen van omwonenden62. Hierbij is ook

Het Rijksprogramma voor duurzaam gebruik van de ondergrond

het Rijksprogramma voor duurzaam gebruik van de ondergrond

zal breder kijken naar mijnbouwactiviteiten in de ondergrond en

aangekondigd. In dit programma wordt concreter invulling gegeven

daarbij nadere maatregelen formuleren voor een goede afstemming

aan nieuwe locaties waar de waterstofopslagcapaciteit vergroot kan

met andere maatschappelijke belangen en opgaven in de fysieke

worden. Omwonenden, maatschappelijke organisaties, regionale en

leefomgeving.

lokale bestuurders en initiatiefnemers/vergunninghouders worden betrokken bij de invulling. Dit programma zal vervolgens daar waar nodig een doorvertaling krijgen naar de provinciale en gemeentelijke visies, programma’s en plannen. Parallel aan de ambities van het kabinet om een einde te maken aan de huidige gaswinning en zoutwinning in het Waddengebied63, wordt het Waddengebied uitgesloten in de verdere verkenning naar concrete locaties voor ondergrondse waterstofopslag.

Integrale Effectanalyse Bijlage XIb Beoordeling M&R Structuurkeuzes en Systeemontwikkelingen TNO en EBN (2021) Technische verkenning ondergrondse energieopslag in Nederland 2030-2050 62 Kamerbrief Contourennota aanpassing Mijnbouwwet, kamerstuk 32849, nr. 214 63 Kamerbrief Contourennota aanpassing Mijnbouwwet, kamerstuk 32849, nr. 214 64 Kabinetsreactie ‘Groningers boven gas’, kamerstuk 35561, nr. 17 60 61

Programma Energiehoofdstructuur | 68

Figuur 14: Bovenstaande kaart komt uit het onderzoek Ondergrondse Energieopslag in Nederland 2030-2050 van TNO en EBN. De groene en roze gebieden geven de bekende zoutformaties en gasvelden op land en op zee weer. In blauw wordt aangegeven waar op basis van het betreffende TNO en EBN-onderzoek theoretisch potentieel is voor waterstofopslag. De verkenning naar concrete nieuwe locaties en projecten gebeurt in het kader van het Rijksprogramma voor duurzaam gebruik van de ondergrond, dat reeds is aangekondigd in de contourennota aanpassing Mijnbouwwet. De keuze welke mijnbouwactiviteiten onder welke voorwaarden mogen plaatsvinden komt tot stand in een maatschappelijke dialoog. Bron: TNO en EBN (2021) Ondergrondse Energieopslag in Nederland 2030-2050 Bron: TNO en EBN (2021) Ondergrondse Energieopslag in Nederland 2030-2050.65

65 Dit rapport is als bijlage bij de Kamerbrief ‘Ondergrondse Energieopslag in Nederland 2030 - 2050; Technische evaluatie van vraag en aanbod’ (Kamerstuk 29023, nr. 270) van 12 oktober 2021 verstuurd.

Programma Energiehoofdstructuur | 69

13. Vertaling naar gebieden Het energiesysteem zal in heel Nederland meer ruimte vragen. In

potentieel ruimtebeslag van energie-infrastructuur op verschillende

bepaalde gebieden zal de vraag groter zijn dan in andere gebieden.

locaties in Nederland. De ruimtevraag van diverse energie-

Dat is in het bijzonder het geval voor de industrieclusters die

ontwikkelingen wordt o.a. gebiedsgericht in beeld gebracht. Ook is

voor een grote verduurzamingsopgave staan en mogelijk andere

er in deze analyse breder aandacht voor bijvoorbeeld ontwikkelingen

locaties waar windenergie van zee aanlandt. De ruimtedruk en

op het gebied van warmte of lagere spanningsniveaus wat buiten de

dynamiek binnen de industrieclusters is al groot, en er is ook

focus ligt van het beleid in dit programma.

vaak ruimtedruk in de omgeving vanuit andere opgaven zoals verstedelijking of landbouw.

Gebiedsaanpak voor de grote industrieclusters Het dicht bij elkaar brengen van aanbod en vraag naar energie, zal de verwachte omvang van de ruimtelijke impact van het energiesysteem over Nederland als geheel verminderen. Want het voorkomt onnodig

•

Via de NOVEX-gebiedsaanpak werkt het Rijk in

transport van energie over langere afstanden en bespaart daarmee een

samenwerking met de decentrale overheden,

aanzienlijk ruimtebeslag voor energie-infrastructuur. Het betekent aan

marktpartijen en andere stakeholders aan

de andere kant wel dat in gebieden waar grote energievraag aanwezig

het programmeren van de benodigde ruimte

is extra behoefte aan ruimte voor het energiesysteem ontstaat.

voor energie in de industriegebieden voor de middellange en lange termijn.

In de industrieclusters is de vraag naar energie hoog en geconcentreerd op één plek. Voor een belangrijk deel wordt die energie opgewekt met wind op zee. De aanlanding van wind op zee vraagt ruimte voor

In de voorgaande hoofdstukken zijn de belangrijkste voorziene

elektriciteitskabels en bijvoorbeeld converterstations (voor zover

ruimtelijke ontwikkelingen beschreven voor de nationale onderdelen

de windenergie via elektriciteit aan land wordt gebracht en niet via

van het energiesysteem op land. In principe vindt de concrete

moleculen uit eventuele elektrolyse op zee). Maar door de grote

ruimtelijke inpassing van deze ontwikkelingen plaats in aparte

fluctuaties van de energieproductie, is er naar verwachting ook

projecten wanneer een initiatiefnemer een project wil realiseren.

flexibiliteit in de vorm van elektrolysers, batterijen en grootschalig regelbaar vermogen nodig (met bijbehorende ruimte voor

Uit de Integrale Effectanalyse komt naar voren dat er in de eerste plaats

aansluitingen op hoogspanningsstations e.d.). Zo kan er een optelsom

in de grote industrieclusters, en mogelijk ook andere aanlandlocaties

van energieprojecten ontstaan met een bijbehorende ruimtelijke

in de toekomst, een zeer grote ruimtevraag kan ontstaan voor energie.

impact in industrieclusters en ook op andere aanlandlocaties.

Er is meer nodig dan alleen eigenstandige projectprocedures om de ruimte hiervoor te vinden. Het Rijk wil hier samen met decentrale

Op de kaarten hieronder is dit per industriecluster weergegeven66. De

overheden verder invulling aan geven via een gebiedsaanpak. Dit is

robuuste ruimtevraag betekent dat de ruimtevraag in elk toekomst-

hieronder nader beschreven.

scenario voor komt. De ruimtevraag kan oplopen tot honderden hectares, en die ruimte is niet zomaar voorhanden.

De ontwikkelingen in de nationale onderdelen van het energiesysteem leiden daarnaast ook in andere delen van het land tot een ruimtevraag.

In de huidige werkwijze wordt per project afzonderlijk gezocht naar de

Met het PEH wordt inzicht geboden in de voorziene ontwikkelingen,

benodigde ruimte voor de energie-infrastructuur. Een initiatiefnemer

zodat deze onder meer in NOVEX-gebieden en in de provinciale

besluit te investeren in een bepaald project, dient daarvoor een

processen rond NOVEX meegenomen kunnen worden (zie ook

aanvraag in bij het bevoegd gezag en vervolgens start er een procedure

paragraaf 4.3). Naast specifieke hoogspanningsstations gaat het dan

om de ruimtelijke inpassing en benodigde vergunningen te verzorgen.

om ontwikkelingen in grootschalige elektrolyse, uitbreiding van het

Dit proces neemt vaak vele jaren in beslag. Dat ligt vaak niet zozeer

hoogspanningsnet 220/380kV, buisleidingen en waterstofopslag.

aan de wettelijke proceduretijden, maar veel meer in de tijd die

Daarbij geeft de achterliggende Integrale Effectanalyse ook relevante

het kost om tot een goede locatieafweging te komen in relatie tot

aanvullende inzichten. Verschillende scenario’s zijn vertaald naar een

andere ruimtelijke belangen en lokaal draagvlak. In het kader van de

Deze kaarten zijn opgesteld op basis van de informatie uit de Integrale Effectenanalyse door Pondera en CE Delft, bijlage XIa Beoordeling M&R (robuuste) ontwikkelingen.

66

Programma Energiehoofdstructuur | 70

Versnellingsaanpak Energietransitie zijn verschillende mogelijkheden onderzocht om procedures te versnellen, denk aan het vaker toepassen van de Rijksprojectprocedure voor grote energieprojecten.67 Hierin wordt geconcludeerd dat de meeste tijdswinst is te behalen door nietwettelijke maatregelen te nemen, waaronder het slimmer inrichten van procedures. In het bijzonder in de industrieclusters is het nodig om samenhangend per gebied te kijken hoe de toekomstige ruimtevraag voor onder meer energie te accommoderen. Het is in de eerste plaats belangrijk dat aan een gedeeld beeld wordt gewerkt tussen overheden en marktpartijen van de ambities over de ontwikkeling van een gebied en met welk ruimtebeslag dit gepaard kan gaan. Of die maximale ruimtebehoefte daadwerkelijk ontstaat, is namelijk afhankelijk van aannames en de ambities die gesteld worden. Vanuit dat gedeelde beeld kan scherper geprogrammeerd worden op de verwachte ruimtevraag voor de middellange en lange termijn, in relatie tot de beschikbaarheid van ruimte. Gezien de geschetste omvang van het ruimtebeslag, is het nodig om extra spaarzaam om te gaan met de bestaande ruimte voor industrie.

De beperkte beschikbaarheid van ruimte kan betekenen dat het noodzakelijk is functies uit te plaatsen die minder bij het havenindustriële karakter passen of de mogelijkheden te verkennen voor het verder uitbreiden van industriegebieden en ook het aanpassen van ambities passend zodat ze beter aansluiten bij de beschikbaarheid van ruimte. Het Rijk zet zich ervoor in om deze aanpak gezamenlijk met decentrale overheden en andere stakeholders verder te brengen via onder andere de NOVEX-gebiedsaanpak68 van Zuid-Limburg, Groningen, Noordzeekanaalgebied, Haven Rotterdam en North Sea Port District (Zeeland). Binnen deze aangewezen gebieden is al een werkwijze opgestart om samenhangend invulling te geven aan de grote opgaven die hier spelen, waaronder de opgaven voor energie/verduurzaming van de industrie. Dit betekent overigens niet dat lopende of nieuwe projectprocedures pas op de plaats moeten maken. Parallel aan (en in wisselwerking met) de uitwerking van projecten, kan er worden gewerkt aan het programmeren van ruimte voor mogelijke projecten in de toekomst. Ook buiten de vijf grote industrieclusters, zijn er bedrijven verspreid over Nederland met een grote energievraag (cluster 6). Vraagprognoses voor de verduurzaming van deze bedrijven zijn ook onderdeel van de onderliggende analyse om de behoefte aan infrastructuur te bepalen.

Over het algemeen geldt dat dit om regionale infrastructuur gaat.

67 68

Kamerbrief over versnellingsaanpak energietransitie, kamerstuk 32813, nr. 1193 Kamerbrief aanbieding provinciaal startpakket fysieke leefomgeving, kamerstuk 34682, nr. 107.

Programma Energiehoofdstructuur | 71

Ruimtevraag Eemshaven / Delfzijl en omgeving

Figuur 15: Indicatieve ruimtevraag Eemshaven/Delfzijl en omgeving

Ruimtevraag Borssele / Terneuzen en omgeving

Figuur 16: Indicatieve ruimtevraag Borssele/Terneuzen en omgeving

Ruimtevraag Noordzeekanaalgebied en omgeving

Figuur 17: Indicatieve ruimtevraag Noordzeekanaalgebied en omgeving

Ruimtevraag Rotterdam en omgeving

Figuur 18: Indicatieve ruimtevraag Rotterdam en omgeving

Ruimtevraag Zuid-Limburg

Figuur 19: Indicatieve ruimtevraag Zuid-Limburg

14. Uitwerking in een internationale context

Nederland is veelvoudig verbonden met het buitenland: er lopen

ruimte-efficiënt schommelingen in de productie en vraag op kan

op meerdere punten kabels en buisleidingen naar België en

vangen. Pieken die via deze weg opgevangen worden zorgen er

Duitsland. Daarbij is Nederland ook verbonden met Noorwegen,

immers voor dat er minder grootschalige batterijen nodig zijn, wat

Denemarken en het Verenigd Koninkrijk door middel van

ruimte bespaart. Dit wordt ook gereflecteerd in de verwachtingen

onderzeese (gelijkstroom) kabels. Op het gebied van grondstoffen

van de netbeheerders: zowel in Nederland, Duitsland als België wordt

is Nederland momenteel een aanvoer, verwerking, opslag -en

er een aanzienlijke toename in de grensoverschrijdende capaciteit

doorvoerknooppunt, waarbij de havens van Rotterdam en

van het hoogspanningsnet voorzien70. In samenwerking met TenneT

Amsterdam een cruciale rol spelen. Nederland is, kortom, nauw

en de landen in het Noordzee- en pentalateraal verband verkent het

verbonden met zijn buurlanden.

kabinet wat strategische locaties voor nieuwe interconnecties kunnen zijn. Een deel van deze interconnecties zal ook via de zee kunnen gaan,

Dit

wordt

verder

kracht

samenwerkingsverbanden

bijgezet

zoals

het

door

internationale

Pentalateral

Energy

door windenergie hubs van de verschillende landen met elkaar te verbinden. Dit zou de ruimtelijke impact op land verminderen.

Forum, waar Nederland overlegt over energiebeleid met België, Luxemburg, Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Ook werkt

De eerdergenoemde Noordzeecoalitie heeft op de Noordzeetop

Nederland nauw samen met de 8 andere Noordzee-landen in een

afgesproken in 2050 meer dan 300 GW aan windturbines op de

Noordzeecoalitie: Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen,

Noordzee te willen hebben staan71. Nederland heeft de ambitie om de

Denemarken, Duitsland, België, Frankrijk en Luxemburg.

capaciteit voor wind op zee verder uit te breiden richting 70 GW. Met die elektriciteitsproductie kan Nederland naar verwachting ook deels een

14.1 Nederland als energiehub

bijdrage leveren een de duurzame elektriciteitsbehoefte uit Duitsland

Het recent vastgestelde NPE bevestigt de unieke uitgangspositie

en België. Een diepe aanlanding van wind op zee naar Limburg (zoals

van Nederland binnen Europa, als grote producent van windenergie

beschreven in paragraaf 7.3) kan ook deels in die exportfunctie naar

op de Noordzee. Daarnaast ligt Nederland strategisch ten opzichte

Duitsland voorzien.

van grote steden en industrieclusters in Noordwest-Europa. Ook heeft Nederland sterke havens. Dit biedt grote kansen voor opslag,

Dit sluit ook aan bij de door TenneT gepubliceerde ‘Target Grid’

conversie en distributie in en tussen de verschillende energieketens.

strategie, een visie op het toekomstige elektriciteitsnet in het

De inzet van het kabinet is om binnen EU-verband afspraken te maken

klimaatneutrale energiesysteem van 2045. Ook dit gaat uit van een

hoe we als EU onze sterke eigenschappen als landen kunnen gebruiken

sterke verwevenheid van de elektriciteitsnetten van Nederland,

om gezamenlijk tot een robuust, economisch krachtig en duurzaam

Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk. Waarin ook twee

energiesysteem te komen. Nederland kan vanuit die rol duurzame

mogelijke gelijkstroomverbindingen op land worden geschetst

elektriciteit van de Noordzee op de langere termijn netto exporteren

richting Duitsland (via Limburg) en België (via Zeeland).

naar omringende landen. Het NPE kondigt aan dat het kabinet met omringende landen afspraken gaat maken hierover, zodat lusten en

14.3 Waterstof en het buisleidingennetwerk

lasten evenredig verdeeld worden.

Naast het hoogspanningsnet speelt het Nederlandse buisleidingennetwerk een belangrijke rol voor de Belgische en Duitse

14.2 Internationale hoogspanningsnet

industriegebieden. Nederland produceert en importeert zelf veel

Uit Europees-brede scenario’s blijkt dat het een verwachting is dat

grondstoffen. Veel grondstoffen komen in de havens binnen, waarna

het grensoverschrijdende energie-transport zal toenemen, mede

ze verwerkt worden en grotendeels via de buisleidingen doorgevoerd

door wisselende weersomstandigheden per land. Het steviger

worden. Daar gaan ze verder naar Nederlandse bedrijven, of door naar

verbinden van nationale netwerken zorgt voor meer mogelijkheden

de buurlanden. Ook CO2 zou via het buisleidingennetwerk vervoerd

tot spreiding en flexibiliteit, waardoor een land kosteneffectief en

worden, voor opslag in lege gasvelden in de Noordzee. Buitenlandse

70 71

Artelys 2023 Building blocks for a common vision for a decarbonized electricity system in the Penta region Ostend Declaration of Energy Ministers on the North Seas as Europe’s Green Power Plant (24 April 2023)

Programma Energiehoofdstructuur | 77

en Europese investeringen in het opschalen van de import en productie van waterstof zoals de European Hydrogen Bank en het Duitse investeringsvehikel H2Global zullen de vraag naar duurzame waterstof in Noordwest-Europa verder stimuleren. Bij de import en export van waterstof gaat het om waterstof in verschillende vormen, inclusief waterstofdragers zoals ammoniak, methanol of Liquiq Organic Hydrogen Carriers (LOHC). Het is belangrijk dat deze stoffen op een veilige en gezonde manier vervoerd worden. Dit vereist ook afstemming met onze buurlanden, omdat ook zij met de waterstof(dragers) overweg moeten kunnen72. Bij de meest recente regeringsconsultaties met Duitsland is hierin een eerste stap gezet, daar is afgesproken om een gezamenlijke visie op het waterstof-invoerbeleid te ontwikkelen. Dit illustreert dat de rol van het Nederlandse buisleidingennetwerk deels gevormd wordt door buitenlandse en Europese beleidskeuzes, waarbij het dus van belang is dat Nederland daar goed bij aangehaakt is, ook voor de ontwikkeling van de ruimtelijke ordening. Een ander aandachtspunt hierin is de opslag van waterstof in de ondergrond, omdat er ook in Duitsland zoutcavernes zijn die hiervoor mogelijk geschikt zijn. Voor Nederland is het mogelijk om meer grondstoffen door te voeren via de buisleidingen naar Duitsland.

Deze kunnen in de bestaande buisleidingstroken, mits de lokale knelpunten worden opgelost73.

Kamerbrief over rapport ‘omgevingsveiligheid van waterstofrijke energiedragers’ van TNO, Arcadis en Berenschot (2023). Kamerstuk 32813, nr. 1192 73 Integrale Effectanalyse, bijlage XIb: Beoordeling M&R Structuurkeuzes en Systeemontwikkelingen 72

Programma Energiehoofdstructuur | 78

Programma Energiehoofdstructuur | 79

Bijlagen

Bijlage 1. Afkortingenlijst AMVB’s

Algemene maatregelen van bestuur

Barro

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Bkl

Besluit kwaliteit leefomgeving

BZK

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

CES

Cluster Energiestrategie

EZK

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

IEA

Integrale Effectanalyse

IenW

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

II3050

Integrale Infrastructuurverkenning 2030-2050

IPO

Interprovinciaal Overleg

LNV

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

MER

Milieueffectenrapportage

MIEK

Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat

NOVI

Nationale Omgevingsvisie

NPE

Nationaal Plan Energiesysteem

NPVI

Nationaal Programma Verduurzaming Industrie

PEH

Programma Energiehoofdstructuur

RCR

Rijkscoördinatieregeling

RES

Regionale Energiestrategie

SEVIII

Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening

SVB

Structuurvisie Buisleidingen

SZW

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

SvWOL

Structuurvisie Wind op Land

VAWOZ

Programma Verbindingen Aanlanding Wind op Zee

VNG

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Programma Energiehoofdstructuur | 81

Bijlage 2. Vergelijking met SEVIII en Structuurvisie Buisleidingen Het PEH is een ‘programma’ in de zin van de Omgevingswet. Voorheen werd dit een structuurvisie genoemd. Het PEH kan gezien worden als opvolger van de Structuurvisie Buisleidingen en het Structuurschema Elektriciteitsvoorziening III.

Structuurschema Elektriciteitsvoorziening III

Programma Energiehoofdstructuur

Het doel van het SEVIII is het waarborgen van voldoende ruimte voor

Het doel van het PEH is het waarborgen van voldoende ruimte

grootschalige productie en transport van elektriciteit.

voor energie-infrastructuur van nationaal belang op land, dus ook buisleidingen, opslag en conversie.

SEVIII heeft als planhorizon de periode tot 2020.

PEH heeft als planhorizon de periode tot 2050.

Het SEVIII maakt ruimtelijke aanwijzingen voor:

Het PEH herbevestigt deze ruimtelijke aanwijzingen, met

•

mogelijke grootschalige vestigingsplaatsen waar tenminste

uitzondering van de vestigingsplaats Harculo bij Zwolle.

500MW elektriciteit kan worden opgewekt;

Voor de hoogspanningsverbindingen van 220 kV en hoger wordt ook

globale trajecten van mogelijke hoogspanningsverbindingen

vooruitgekeken naar 2030 en 2050.

van 220 kV en meer.

Daarnaast doet het PEH ook ruimtelijke aanwijzingen voor de overige

•

elementen in het energiesysteem zoals hierboven omschreven. Het beleid ter waarborging van vestigingsplaatsen voor het gebruik

Het PEH schrapt Eemshaven als waarborglocatie voor kernenergie,

van kernenergie, zoals neergelegd in de regeringsbeslissing voor

en herbevestigt Maasvlakte I en Borssele.

vestigingsplaatsen van kerncentrales, blijft van kracht voor de vestigingsplaatsen Eemshaven, Maasvlakte I en Borssele. Het SEVIII wijst verschillende inrichtingsprincipes aan voor het

Het PEH neemt deze inrichtingsprincipes over, en voegt hier

aanleggen van hoogspanningsinfrastructuur.

een aantal nieuwe inrichtingsprincipes aan toe voor zowel elektriciteitsinfrastructuur, als buisleidingen en ondergrondse waterstofopslag.

Het SEVIII benoemt dat het Rijk het SEVIII zal gebruiken als basis voor

Het PEH benoemt (ruimte voor) energie-infrastructuur als

de beoordeling van het ruimtelijk beleid van andere overheden.

randvoorwaarde voor andere ruimtelijke ontwikkelingen, en de structurerende werking van energie.

De evaluatie van SEVIII wees op gebrek aan monitoring en

Het PEH zet in op monitoring en handhaving van de ruimte voor

handhaving. Ook voorzag het SEVIII geen vast moment voor

energie-infrastructuur. Elke vier jaar wordt het PEH herijkt.

evaluatie.

Programma Energiehoofdstructuur | 82

Structuurvisie Buisleidingen

Programma Energiehoofdstructuur

Reserveringsgebieden voor buisleidingen van nationaal belang

Buisleidingenstroken worden vanuit de SVB overgenomen in het

(Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035).

PEH, en juridisch vastgelegd in het Bk

Indicatieve buisleidingenstroken (Structuurvisie Buisleidingen 2012-

De indicatieve Buisleidingenstroken worden vastgelegd in het Bkl,

2035).

waarmee ze dezelfde status krijgen als de reeds gereserveerde stroken.

De Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 bevat het indicatief

Middels de motie van de leden Smeulders, Van Eijs en Ronnes79

buisleidingentracé Laarbeek-Echt-Susteren.

komt het indicatief buisleidingentracé Laarbeek-Echt-Susteren te vervallen. Deze wordt dan ook niet opgenomen in het PEH en ook niet vastgelegd in het Bkl.

Buisleidingeigenaren en -exploitanten monitoren gehele

Het Rijk monitort gehele breedte van alle buisleidingenstroken (70m)

buisleidingenstrook waar zij buizen hebben. Het Rijk monitort de

op belemmerende ontwikkelingen, dus zowel de nog lege stroken

gereserveerde stroken waar nog geen buis ligt.

als de stroken waar al buisleidingen liggen. Buisleidingexploitanten blijven verantwoordelijk voor het veilig beheer en toezicht op hun eigen beïnvloedingszone.

Buisleidingenstroken konden, indien niet praktisch werkbaar, worden Buisleidingenstroken mogen zonder schriftelijke toestemming van versmald.

het Rijk niet worden versmald.

De SVB bevat inrichtingsprincipes van de buisleidingenstroken,

Het PEH vult de inrichtingsprincipes aan met het principe

zoals het bundelingsprincipe, de vrijwaring van buisleidingenstroken

dat buisleidingen parallel aan elkaar worden aangelegd en

in gemeentelijke bestemmingsplannen en de verplichting dat

er geen bochten worden afgesneden, zodat de ruimte in de

de externe veiligheidscontour van nieuwe leidingen binnen de

buisleidingstroken efficiënt wordt ingericht. Verder neemt het PEH de

leidingstrook moet vallen.

inrichtingsprincipes vanuit de SVB integraal over.

Volgens de SVB mogen buisleidingenstroken alleen voor

Buisleidingenstroken blijven voor buisleidingen van nationaal belang

buisleidingen van nationaal belang worden gebruikt.

maar kunnen, indien veilig mogelijk, bij hoge uitzondering voor

Buisleidingstroken kunnen niet voor elektriciteitskabels worden

gelijkstroomkabels worden gebruikt.

benut. De SVB gaat uit van functiecombinaties tussen buisleidingenstroken

PEH gaat ook uit van functiecombinaties tussen buisleidingenstroken

en landbouw en natuur etc.

en landbouw en natuur.

Deze kaarten zijn opgesteld op basis van de informatie uit de Integrale Effectenanalyse door Pondera en CE Delft, bijlage XIa Beoordeling M&R (robuuste) ontwikkelingen.

79

Programma Energiehoofdstructuur | 83

Bijlage 3. Overzichtstabel relevant beleid en wetgeving Naast eerdergenoemde instrumenten en structuurvisies zijn er op het gebied van energie diverse andere relevante beleidsdocumenten en wetgeving in het kader van de fysieke leefomgeving. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste:

Overzichtstabel relevant beleid- en wetgeving op het gebied van energie Omgevingswet

De datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet is gezet op 1 januari 2024. Met de invoering van de Omgevingswet worden verschillende wetten die zien op de fysieke leefomgeving gebundeld in één samenhangend wettelijk stelsel. De wet vormt daarmee de basis voor een meer samenhangende aanpak van de leefomgeving, met ruimte voor lokaal maatwerk en snellere besluitvorming. Belangrijke instrumenten in het kader van het PEH blijven behouden maar krijgen onder de Omgevingswet soms een wat andere vorm. Zo wordt het Rijksinpassingsplan met de Rijkscoördinatieregeling op grond van de (huidige) Wet ruimtelijke ordening onder de Omgevingswet een projectbesluit met coördinatieregeling. De Omgevingswet moet het makkelijker maken voor burgers en bedrijven om relevante regels te vinden. Daarbij kan de burger onder de Omgevingswet terecht bij één loket van de overheid. Ook worden de mogelijkheden tot participatie van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties uitgebreid. Het PEH is een programma op grond van de Omgevingswet en zal ook gepubliceerd worden in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO).

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vormt het leidende kader vanuit het Rijk voor de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Met het oog op verschillende ruimtelijke uitdagingen zoals klimaatverandering, woningbouw en mobiliteit, vormt de NOVI een integrale visie op de toekomstige inrichting van ons land en geeft het Rijk richting aan decentrale keuzes. De verschillende opgaven zijn verder uitgewerkt in een aantal thematische programma’s, waaronder het PEH. Hiermee geeft de NOVI invulling aan het doel om de omgevingskwaliteit in Nederland te versterken. Via het programma NOVEX worden per provincie de nationale en regionale ruimtelijke opgaven verkend, en werken alle overheden samen aan een plan voor de ruimtelijke inrichting van Nederland. Gebieden waar veel opgaven samenkomen zijn aangewezen als aandachtsgebieden; de zogenaamde NOVEX-gebieden. Het programma Mooi Nederland heeft als doel om ruimtelijke kwaliteit centraal te stellen in de ruimtelijke uitwerking van de verschillende opgaven. De uitkomsten van de programma’s NOVEX en Mooi Nederland leiden tot nieuw nationaal ruimtelijk beleid: de aangescherpte NOVI, die in 2024 wordt verwacht. Het PEH dient hiervoor als input. .

Programma Energiehoofdstructuur | 84

Energiewet

De Energiewet beoogt de huidige Gaswet en Elektriciteitswet uit 1998 te vervangen door een geactualiseerd marktordeningskader voor elektriciteit en gas, en zal daarmee het wettelijke fundament vormen van de energietransitie. De Energiewet bevat regels voor de productie, distributie en levering van energie, met als doel een gelijk speelveld te creëren tussen energieproducenten en -verbruikers en bij te dragen aan een duurzame energievoorziening. De Energiewet omvat onder meer voorschriften met betrekking tot de opwekking van duurzame energie, energiebesparing en de bescherming van consumentenbelangen. De wetgeving stimuleert ook innovatie en investeringen in de energie-infrastructuur om te zorgen voor een robuuste en veerkrachtige energievoorziening voor de toekomst. De nieuwe Energiewet biedt eindafnemers meer rechten en bescherming, en beoogt netbeheerders meer mogelijkheden te geven om netcongestie tegen te gaan, door slimmer gebruik te maken van de bestaande ruimte op het net. Daarnaast kunnen eindafnemers onder de nieuwe Energiewet actief deelnemen aan de energiemarkt, bijvoorbeeld in de vorm van een energiecoöperatie. Ook bevat de nieuwe Energiewet kaders voor de uitwisseling van energiedata.

Warmtewet

De Warmtewet bevat regels voor stads- en blokverwarming en warmte-koudeopslag, en beschermt de belangen van huishoudens en kleine ondernemingen in relatie tot de levering van warmte door onder andere voor te schrijven dat aanbieders van warmte hun tarieven moeten baseren op de daadwerkelijke kosten en dat er grenzen worden gesteld aan de hoogte van deze tarieven. Daarnaast dienen aanbieders van warmte consumenten adequaat te informeren over de tarieven en voorwaarden alvorens deze in rekening worden gebracht en hebben consumenten recht op een passende leveringszekerheid.

Mijnbouwwet

De Mijnbouwwet richt zich op het reguleren van de activiteiten die gerelateerd zijn aan het winnen van delfstoffen en aardwarmte. De wet is, onder bepaalde uitzonderingen, van toepassing op delfstoffen op een diepte van meer dan 100 meter en aardwarmte op een diepte van meer dan 500 meter en stelt eisen aan vergunninghouders voor wat betreft veiligheid, milieu en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Daarnaast heeft de wet betrekking op het gebruik en de bescherming van de bodem en ondergrond, alsmede het beheer van de ondergrondse infrastructuur. De Mijnbouwwet beoogt een evenwicht te creëren tussen de economische belangen van de mijnbouwsector en de bescherming van de leefomgeving en maatschappelijke belangen. De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat heeft een voorstel gedaan om de Mijnbouwwet te actualiseren. Hierbij wordt voorgesteld een nieuw stelsel te ontwikkelen waarbij het gebruik van de diepe ondergrond niet is toegestaan tenzij mijnbouwactiviteiten plaatsvinden in daarvoor als geschikt beoordeelde gebieden, en als voldaan wordt aan de voorwaarden die gesteld worden in de wet- en regelgeving (nee tenzij). Ook zal er in dit nieuwe stelsel meer aandacht zijn voor het aangaan van de maatschappelijke dialoog.

De mijnbouwwet is relevant met betrekking tot ondergrondse opslag van waterstof in zoutcavernes, waarbij het kabinet als uitgangspunt voor de ontwikkeling van nieuwe zoutcavernes wil hanteren dat waar dit technisch en financieel mogelijk is, rekening wordt gehouden met de mogelijkheid om deze cavernes in de toekomst in te zetten voor opslag van waterstof in zoutcavernes.

Programma Energiehoofdstructuur | 85

Structuurvisie Ondergrond

De centrale opgave van de Structuurvisie Ondergrond (STRONG) is het zoeken naar een goede balans

(STRONG)

tussen het beschermen en benutten van grondwater voor de drinkwatervoorziening en het bieden van ruimte voor mijnbouwactiviteiten voor de energievoorziening. Het doel is het duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond. STRONG besteed primair aandacht aan mijnbouwactiviteiten en de nationale drinkwatervoorziening, en het voorkomen van conflicten tussen beide functies. Mijnbouwactiviteiten en strategische grondwaterreserves voor drinkwater gaan niet (altijd) goed samen vanwege het risico op verontreiniging van het grondwater. In STRONG zijn de beleidsmatige uitgangspunten en het afwegingsproces beschreven, om hier op een zorgvuldige wijze mee om te gaan.

Kleine veldenbeleid

In 2050 moet de Nederlandse energievoorziening klimaatneutraal zijn. Daarom wil het kabinet het gebruik van aardgas in Nederland stap voor stap afbouwen. Toch is er nu nog niet genoeg hernieuwbare energieproductie, en gebruiken Nederlandse huishoudens, bedrijven en industrie daarom nog veel aardgas. Het kleine veldenbeleid richt zich daarom op het stimuleren van de winning van aardgas uit kleine velden op het Nederlands continentaal plat. Mijnbouwbedrijven winnen aardgas uit meer dan tweehonderd kleine gasvelden op land en op zee. Het beleid is erop gericht om deze gasvelden economisch rendabel te maken en zo de Nederlandse gasproductie te diversifiëren en de afhankelijkheid van buitenlands gas te verminderen. In het kleine veldenbeleid is onder andere geregeld dat mijnbouwbedrijven gas mogen winnen uit kleine gasvelden, zolang dat veilig kan. Tijdens de gaswinning houdt Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) toezicht en controleert of de bodemdaling en bodemtrillingen binnen de te verwachten waarden blijven.

Externe veiligheidsbeleid

De beleidsvorming met het oog op het beheersen van de risico’s van maatschappelijk en economisch gezien nuttige activiteiten heeft een lange voorgeschiedenis. Vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw is het beleid op het gebied van externe veiligheid, mede naar aanleiding van grote incidenten bij specifieke activiteiten met gevaarlijke stoffen in het buitenland (bevoorrading met LPG) stapsgewijs uitgebouwd en verbreed naar activiteiten met vergelijkbare risico’s voor de omgeving. Na de vuurwerkramp in Enschede in 2000 zijn de normen voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van risicovolle activiteiten verankerd in wet- en regelgeving voor inrichtingen (2004), vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen (2011) en vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, spoorweg en vaarweg (2015). Deze normen hebben onder meer betrekking op het waarborgen van een voor iedere inwoner in Nederland gelijk minimum niveau van bescherming tegen de kans om door een ongeval met een gevaarlijke stof bij een bedrijfsmatige activiteit van een derde om het leven te komen. Het beleid (en de daaruit voortvloeiende wetgeving) op het gebied van externe veiligheid is er op gericht te waarborgen dat de veiligheidsrisico’s voor mensen die wonen, werken of recreëren in de omgeving worden begrensd tot een maatschappelijk aanvaardbaar geacht risiconiveau.

Deze risicobenadering houdt onder meer in dat de risico’s van een activiteit voor de omgeving worden vergeleken met een bepaalde kans die een willekeurige persoon die in de buurt van die activiteit verblijft, overlijdt als gevolg van een ongeval bij die activiteit.

Programma Energiehoofdstructuur | 86

Voorzorgbeleid elektromagneti-

In 2022 is de herijking van het voorzorgbeleid voor magneetvelden bij het elektriciteitsnetwerk

sche velden

per kamerbrief vastgelegd. Het beleid is opgebouwd uit enerzijds afstandsmaatregelen voor bovengrondse hoogspanningslijnen, en anderzijds worden er technische bronmaatregelen genomen bij nieuwe netcomponenten en wijziging van bestaande netcomponenten.

Wet informatie-uitwisseling

De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON)

bovengrondse en ondergrondse

richt zich op het reguleren van de uitwisseling van informatie tussen netbeheerders en uitvoerders

netten en netwerken (WIBON)

van graafwerkzaamheden, ook wel grondroerders genoemd, bij graafwerkzaamheden. Graafwerkzaamheden kunnen leiden tot schade aan kabels en leidingen. De wet heeft als doel om deze schade aan ondergrondse én bovengrondse infrastructuur te voorkomen. Hierbij wordt onder andere gedacht aan gas- en elektriciteitsnetten, water- en rioolnetten en telecomnetwerken. De WIBON bepaalt onder welke voorwaarden grondroerders informatie kunnen opvragen over de aanwezigheid van de net-infrastructuur en verplicht netbeheerders om deze informatie tijdig en correct te verstrekken. Het Agentschap Telecom ziet toe op naleving van de wet.

Programma Energiehoofdstructuur | 87

Bijlage 4. Samenhang andere ruimtelijke opgaven De ruimtevraag voor de nationale onderdelen van het energie-

Ook zullen binnen de energietransitie innovaties geregeld

systeem kan kansen en belemmeringen vormen in relatie tot

vooruitlopen op de regelgeving. Het is dus belangrijk dat wenselijke

andere grote opgaven uit de leefomgeving. In de Integrale

innovaties bevorderd worden met tijdelijke beleidskaders, zodat er

Effectanalyse zijn de effecten van mogelijke ontwikkelingen

voldoende ruimte is voor experimenten en testen. Daarbij zullen

getoetst en beoordeeld in relatie tot huidige functies en bestaande

incidenten in de transitie goed geanalyseerd moeten worden, zodat

wet- en regelgeving. Ook is er met andere lopende programma’s

de juiste lessen uit deze incidenten kunnen worden getrokken81. Om

onder de Nationale Omgevingsvisie gekeken naar mogelijke

deze risicobenadering verder in te vullen hebben de ministeries IenW,

raakvlakken. In onderstaande analyse wordt thematisch ingegaan

BZK, JenV, VWS, SZW en EZK samen uitgangspunten geformuleerd

op de relatie tussen het Programma Energiehoofdstructuur

voor het verantwoord en consistent omgaan met risico’s voor

en andere grote opgaven in de leefomgeving, en de verwachte

veiligheid en gezondheid. De contouren ervan staan beschreven in de

(beleids)ontwikkelingen daarbinnen.

Kamerbrief verantwoord omgaan met veiligheid en gezondheid in de energietransitie. De nadere uitwerking zal gelden voor alle activiteiten

1. Een gezonde en veilige leefomgeving

van de energietransitie en dus ook voor planvorming zoals het PEH83.

Met de verandering van het energiesysteem veranderen ook

Wanneer de planning of uitvoering van duurzame energieprojecten in

veiligheids-

wordt

de praktijk aanloopt tegen onverwachte knelpunten door bestaand

ingeschat op basis van de mogelijke effecten voor veiligheid of

beleid of regelgeving, wordt eerst een ad hoc oplossing gezocht. Bij

gezondheid in combinatie met de kans dat die zich voordoen. Net

structurele en onredelijke belemmeringen voor de energietransitie

als in een energiesysteem gebaseerd op fossiele bronnen, kunnen

wordt beleid of regelgeving heroverwogen en zo nodig aangepast,

bij de productie, transport, opslag en gebruik van duurzame energie

mede op advies van een onafhankelijke commissie.

en

gezondheidsrisico’s.

Het

risiconiveau

ongevallen of negatieve gezondheidseffecten optreden. De nieuwe energievoorziening dient minstens even veilig en gezond te zijn als de

2. Bodem en water

huidige voorziening gebaseerd op fossiele dragers. 2.1. Water en Bodem Sturend Uit vijf studies, uitgevoerd door onder meer het RIVM , blijkt niet

De wisselwerking tussen energie en water en bodem is onmiskenbaar.

alleen hoe de energietransitie bijdraagt aan vermindering van risico’s

De energietransitie kent zowel bovengronds als ondergronds een

door klimaatverandering, maar ook dat de vervanging van fossiele

grote ruimtevraag waarin voorzien moet worden om de gestelde

energie door duurzame energie een jaarlijkse gezondheidswinst op

klimaatdoelen te behalen. Ondergrondse kabels en buisleidingen,

zal opleveren. Deze winst zal ongeveer tweemaal zo groot zijn als ook

ondergrondse energieopslag en het waterverbruik van verschillende

onze buurlanden hun klimaatdoelstellingen realiseren.

elementen van het energiesysteem hebben een directe impact op

80

water en bodemsystemen. Desalniettemin zijn er ook nieuwe veiligheidsrisico’s met het veranderende energiesysteem. Denk aan de grotere toepassing van

Water en bodem worden meer sturend bij ruimtelijke ontwikkelingen.

waterstof in het energiesysteem, de mogelijke groeiende transport-

In de Kamerbrief Water en Bodem Sturend worden verschillende

vraag van ammoniak en waterstofopslag. In de transitie zelf zullen per

uitgangspunten geschetst om verder invulling te geven aan voldoende

definitie dingen anders lopen of misgaan, meevallen of tegenvallen.

en schoon (zoet)water en een vitale en efficiënt geordende bodem84.

Dit vergt ook dat het risicobeleid, over het verantwoord omgaan met deze (nieuwe) risico’s, vernieuwd moet worden.

In de Integrale Effectanalyse achter het PEH zijn mogelijke oplossingen voor verwachte knelpunten in de energie-infrastructuur beoordeeld via de lagenbenadering, waarin onder andere de mate van aanwezigheid

Zie de kabinetsreactie op het RIVM-rapport ‘Klimaatakkoord: effecten van nieuwe energiebronnen op gezondheid en veiligheid in Nederland’, Kamerstuk 32 813, nr. 813. 81 Zie ook het hierop gerichte advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur (2023): Vallen, opstaan en weer doorgaan. Ruimte voor leren in transities. 83 Kamerbrief Verantwoord omgaan met veiligheid en gezondheid in de energietransitie, kamerstuk 32813, nr. 1113. De contouren in de brief worden momenteel interdepartementaal uitgewerkt (Energietransitie: verantwoord en voortvarend. Uitgangspunten voor beleid, vergunningverlening, communicatie en toezicht) 79 Kamerbrief Water en bodem sturend, kamerstuk 27625, nr. 592 Programma Energiehoofdstructuur | 88 80

van gevoelige bodems en grondwaterbeschermingsgebieden zijn

2.2. Klimaatadaptatie

meegenomen.

De investeringen in de energie-infrastructuur ten behoeve van een duurzaam energiesysteem hebben als belangrijk doel om de

De inrichtingsprincipes en de verdere beleidsinzet uit PEH stuurt aan op

energietransitie te versnellen en daarmee klimaatverandering te

zoveel mogelijk hergebruik van bestaande infrastructuur, het behoud

beperken. Toch zijn de gevolgen van klimaatverandering al merkbaar

van bestaande reserveringsgebieden voor buisleidingen en een

en is het belangrijk om voorbereid te zijn op toekomstige risico’s

zorgvuldige aanleg van ondergrondse infrastructuur (denk aan zoveel

zoals overstromingen en extreem weer (te nat, te droog en te heet).

mogelijk afgegraven grond hergebruiken in het bestaande gebied of

Aangezien energie-infrastructuur voor langere periodes wordt

het vermijden van waardevolle natuur of watervoorraden). Dergelijke

aangelegd en het risico op effecten van klimaatverandering over tijd

principes sluiten aan bij de inzet uit bodem en water sturend, zoals de

zal groeien, is het belangrijk dat er bij de lange-termijn investeringen

wens om de bodem efficiënt te ordenen.

in de energie-infrastructuur van nationaal belang aandacht is voor klimaatadaptatie. Het belang van een klimaatbestendige en

Specifiek voor ondergrondse energieopslag dient verantwoord

waterrobuuste energietransitie en vitale infrastructuur, waaronder

te worden omgegaan met de veiligheid van mens én milieu in de

de energiehoofdstructuur, wordt benadrukt in onder meer de

ontwikkeling van nieuwe locaties voor ondergrondse waterstofopslag.

Nationale Omgevingsvisie85, kamerbrief Water en Bodem Sturend, De

Uiteindelijke locaties worden vastgelegd in het Rijksprogramma voor

Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS)86 en het het College van

duurzaam gebruik van de ondergrond, waarin ook wordt opgenomen

Rijksadviseurs (CRa) in haar advies over de Energiehoofdstructuur87.

in welke gebieden welke activiteiten wel, niet of onder voorwaarden mogen plaatsvinden. In dat traject zal ook nadrukkelijk toetsing

In de Integrale Effectanalyse achter het PEH zijn voorziene

plaatsvinden met andere belangen in de ondergrond, waaronder de

knelpunten in de energie-infrastructuur onder andere beoordeeld

strategische watervoorraden.

op hun gevoeligheid voor overstromingsrisico’s. Hieruit blijkt dat een aantal gebieden waar in de toekomst energie-infrastructuur

In het Programma Bodem en Water Sturend wordt specifiek

van nationaal belang wordt voorzien een potentieel (toekomstig)

aandacht gevraagd voor voldoende (zoet)waterbeschikbaarheid

overstromingsrisico kent. Het is daarom essentieel om goed aan

voor bestaande en nieuwe drinkwatervragers als huishoudens,

te sluiten bij beleidsontwikkelingen rondom klimaatadaptatie en

industrie, landbouw. Door een combinatie van klimaatverandering

ruimtelijke ordening.

en een toenemende (drink)watervraag als gevolg van economische groei en bevolkingsgroei neemt de druk op de waterbeschikbaarheid

De NAS is de overkoepelende Nederlandse strategie op het

toe. Ook de energietransitie kent een eigen watervraag. In het

gebied van klimaatadaptatie, en richt zich op sectoren, ketens,

bijzonder wordt een nieuwe (koel)watervraag voorzien voor de

thema’s en klimaatrisico’s. Een belangrijk onderdeel van de NAS

productie van waterstof, dat een belangrijke energiedrager in het

is het Deltaprogramma. In het Deltaprogramma wordt samen

toekomstig energiesysteem zal zijn. In sommige gebieden kan

met medeoverheden gewerkt aan een klimaatbestendige en

de zoetwatervraag voor waterstofproductie in de toekomst gaan

waterrobuuste inrichting van ons land, bescherming tegen

schuren met een toekomstbestendige waterbeschikbaarheid. Daarom

overstromingen en voldoende zoetwater. Het Deltaprogramma kijkt

wordt in navolging van het PEH onderzoek gedaan naar de exacte

vooruit tot na 2100 om te bepalen welke ingrepen er nu nodig zijn,

watervraag van grootschalige waterstofproductie, en op welke

en waar investeringen nu rekening mee moeten houden. Om de

manier deze toekomstbestendig gerealiseerd kan worden. De focus

voortgang te kunnen monitoren en bij te sturen waar nodig, wordt een

ligt op een knelpuntenanalyse (op nationaal niveau, en gericht op de

klimaatadaptatiemonitor ontwikkeld88. Binnen het Deltaprogramma

voorkeurslocaties voor elektrolyse) en mogelijke oplossingsrichtingen.

zorgt het Kennisprogramma Zeespiegelstijging voor inzichten in

Mogelijke voorbeelden hiervan zijn hergebruik van restwarmte en

de effecten van zeespiegelstijging op het watersysteem. Eind 2023

water, een verkenning van verschillende koelsystemen en het gebruik

presenteert het kennisprogramma een tussenbalans met eerste

van ontzilt zeewater voor koeling en de productie van waterstof.

inzichten, een eerste invulling van lange termijn oplossingen en

Kamerbrief Water en bodem sturend, kamerstuk 27625, nr. 592 Rijksoverheid (2016), Nationale Klimaatadaptatiestrategie 87 College van Rijksadviseurs (2022), ‘Hefboom voor een schone toekomst’ 88 Evaluatie Nationale Adaptatie Strategie, Kamerstuk 31793, nr. 233 85

86

Programma Energiehoofdstructuur | 89

benodigd vervolgonderzoek. Aan de hand van deze eerste inzichten

te pakken. Zo kan een integrale aanpak tot stand komen waarbij

zullen vervolgens de oprekbaarheid van bestaande strategieën en

maatregelen op het gebied van biodiversiteitsherstel, reductie van

de neveneffecten op andere functies, zoals energie, geanalyseerd

broeikasgasuitstoot en waterkwaliteit elkaar aanvullen.

worden. Tevens worden de uitkomsten van deze analyses vertaald tot adaptatiepaden en de daarbij benodigde transitie- en governance-

Als het gaat om het landelijke gebied, kan de ruimteclaim van energie

ontwikkelingen. Deze resultaten worden verwacht in 2025, en zullen

gaan botsen met andere ruimteclaims zoals voor landbouw, natuur of

gebruikt worden als input voor de herijking van de deltabeslissingen

waterberging. Tegenstrijdig lijkende opgaven zijn in de praktijk echter

en de voorkeursstrategieën van het Deltaprogramma in 2026.

vaak ook te combineren. Door functiecombinaties te stimuleren

Daarnaast zal er in 2026 een hernieuwde NAS worden opgeleverd.

tussen energie en natuur en energie en landbouw kunnen slimme

Het PEH zal de resultaten van de analyses uit het Kennisprogramma

combinaties gemaakt worden in het werken aan de opgaven van het

Zeespiegelstijging, de herijking van het deltabeslissingen en de

NPLG en het PEH. Vanuit het PEH gaat het om functiecombinaties

nieuwe NAS benutten voor het herijken van de ruimtelijke visie op het

met bovengrondse hoogspanningsverbindingen, ondergrondse

energiesysteem in de actualisatierondes.

buisleidingen.

De Nationale aanpak Vitale en Kwetsbare functies onderzoekt

Functiecombinaties mogen niet ingaan tegen het behalen van

gebiedsgericht welke fysieke klimaatrisico’s er zijn en wat de gevolgen

de NPLG-doelen en moeten in lijn zijn met de NOVI. Dit betekent

zijn voor een gebied. De ambitie is om samen met aanbieders van vitale

dat zoveel mogelijk moet worden gedacht in multifunctioneel

infrastructuur te onderzoeken welke risico’s acceptabel zijn en welke

ruimtegebruik, zoals bijvoorbeeld ecologische verbindingszones

niet – en hoe daarmee om te gaan. Daarnaast wordt vanuit het Rijk

onder hoogspanningsverbindingen. Een voorbeelduitwerking van

ook gewerkt met een bredere nationale aanpak vitale infrastructuur.

mogelijke kansen voor functiecombinaties van energie met natuur en

De gevolgen van klimaatverandering, in bijzonder overstromingen en

landbouw is opgenomen in onderstaand schema.

extreem weer, worden hierin actief betrokken. Binnen deze aanpak zal de komende jaren gewerkt worden aan het versterken van de fysieke

Ten behoeve van dit schema zijn vanuit het PEH de volgende 3 type

weerbaarheid van onze vitale infrastructuur.

elementen meegenomen: 1.

bovengrondse

elementen,

zoals

hoogspanningsverbindingen;

In de Elektriciteitswet en Gaswet is bepaald dat de netbeheerders verantwoordelijk zijn voor het garanderen van leveringszekerheid en

Lijnvormige

2.

Lijnvormige ondergrondse elementen zoals ondergrondse

beschermen van infrastructuur tegen invloeden van buitenaf. Samen

hoogspanningsverbindingen

met het ministerie van IenW en in afstemming met de werkgroep

waterstof of andere gevaarlijke stoffen. Vaak gebundeld in

Klimaatadaptatie van Netbeheer Nederland, de koepelorganisatie van

een buisleidingenstrook;

netbeheerders, zijn de verantwoordelijkheden en focus met betrekking

3.

en

buisleidingen

voor

Zogenaamde ‘puntelementen’ (elementen die gebonden

tot klimaatadaptatie en energie geëvalueerd en geformuleerd. In de

zijn aan een specifieke plek) zoals, piekcentrales,

voortgangsrapportage van de Nationale aanpak Vitaal en Kwetsbaar

ondergrondse opslag waterstof, hoogspanningsstations en

89

is benoemd dat het aan de netbeheerders is om gezamenlijk de risico’s

elektrolysers.

van klimaatverandering in beeld te brengen en daar waar nodig efficiënte en effectieve maatregelen te bedenken en uit te voeren.

Vanuit het NPLG zijn de verschillende soorten gebieden in het landelijk gebied opgenomen, die vallen binnen de scope van het

3. Landelijk gebied

NPLG. Het gaat hierbij concreet om Natura 2000 gebieden (vanuit EU regelgeving in Nederlands beleid opgenomen), overgangsgebieden

3.1. Nationaal programma landelijk gebied (NPLG)

rondom deze Natura 2000 gebieden (waar extensivering van de landbouw wordt beoogd), het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zgn.

Het NPLG heeft als doel om de grote duurzaamheidsopgaven op

‘groenblauwe dooradering’ (gebieden waar natuur en waterberging

het gebied van natuur, water en klimaat integraal en gelijktijdig aan

worden gecombineerd), landbouwgronden, veenweidegebieden, zgn.

89

Voortgangsrapportage Nationale aanpak vitaal en kwetsbaar, kamerstuk 36200-J, nr. 4, achtergronddocument G

Programma Energiehoofdstructuur | 90

‘verziltingsgevoelige gebieden’ (specifieke gebieden aan de kust waar

b. •

De NPLG gebiedsprogramma’s, op te stellen door

zout grondwater vanuit zee een bedreiging vormt voor de landbouw)

provincies. Een gebiedsprogramma geeft op hoofdlijnen

en gebieden t.b.v. waterberging.

een passende, gebiedsgerichte uitwerking per provincie van de indicatieve regionale doelen van het NPLG

Het gaat hierbij nadrukkelijk om mogelijke functiecombinaties: de

De uitwerking bevat een eerste programmering van

matrix vormt een voorlopige verkenning van de mogelijkheden op dit

maatregelpakketten,

gebied. Deze functiecombinaties zullen meegenomen worden in:

in hoe deze doelen behaald worden. Het schema is

• a.

die

voldoende

inzicht

geeft

Gebiedsgerichte processen als vervolg op het PEH, onder

opgenomen in de handreiking NPLG gebiedsprogramma’s,

regie van het Rijk en in samenwerking met decentrale

welke in het voorjaar van 2023 naar de provincies is

overheden en andere (regionale) stakeholders. Hierbij zal

gestuurd.

gebruik worden gemaakt van de projectprocedure. Het doel van deze procedure is om te zorgen voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van concrete voorliggende energieinfrastructuurprojecten van nationaal belang, waarbij het PEH het kader vormt.

Type gebieden NPLG

N2000 gebieden

Elementen PEH Bovengrondse HS-verbindingen

Ondergrondse HSverbindingen + buisleidingen

Puntelementen

Nee

Ja, onder voorwaarden. Bijv. daar

Nee

waar het noodzakelijk is dat een HS verbinding een N2000 gebied moet kruisen Overgangsgebieden rondom

Ja, mits onder hoogspannings-

N2000

tracé geen hoge beplanting

Nederlands natuur netwerk

Nee

(NNN)

Ja

Nee

Ja, onder voorwaarden.

Nee

Bijv. toegankelijkheid tbv graafwerkzaamheden

Groenblauwe dooradering

Ja, mits onder hoogspannings-

Ja, onder voorwaarden.

Ja, let op landschappelijke

tracé geen hoge beplanting

Bijv. toegankelijkheid tbv

inbedding

graafwerkzaamheden Landbouwgronden

Ja

Ja

Ja, maar bij voorkeur op industrieterreinen

Veenweide gebieden

Ja, met een voorkeur voor een

Liever niet, ivm zettingsgevoelige

Ja, mits vernatting veenweide

combinatie met vernatting

bodem.

mogelijk blijft. Bv HS stations

veenweidegebied Verziltingsgevoelige gronden

Ja

Ja, let op corrosie buisleidingen

Ja

Waterberging

Ja

Nee, want buisleidingen moeten

Nee

toegankelijk zijn.

Programma Energiehoofdstructuur | 91

3.2. Stikstof

4. Leefbare steden en regio’s (inclusief mobiliteit)

In het huidige energiesysteem wordt gebruik gemaakt van fossiele brandstoffen. Bij verbrandingsprocessen hiervan, bij bijvoorbeeld de

4.1. Duurzame mobiliteit

opwek van elektriciteit, het rijden van auto’s en het verwarmen van

De transportsector zal voor een groot deel overgaan op elektrificatie.

huizen met aardgas, ontstaan emissies van broeikasgassen, zoals CO2,

De ambitie in het Klimaatakkoord is dat in 2030 alle nieuwe

fijnstof en stikstof (NOx). Het gebruik van fossiele brandstoffen in de

personenauto’s emissieloos zijn in Nederland. Naast personenauto’s

energiesector, maar met name ook in het verkeer en de scheepvaart,

zullen ook bussen, vrachtwagens, bestelauto’s en binnenvaartschepen

draagt dus bij aan stikstofemissies in Nederland.

overgaan op elektrisch vervoer. Dit heeft zijn weerslag op de infrastructuur: in plaats van een systeem dat is gericht op benzine en olie,

Met de overgang naar een klimaatneutraal energiesysteem zullen

zal er een dekkende elektrische laadinfrastructuur moeten komen. Om

de stikstofemissies in Nederland sterk worden verlaagd, doordat

te zorgen dat deze laadinfrastructuur er komt, werken de Ministeries

elektriciteit uit hernieuwbare bronnen een belangrijk aandeel in de

van IenW en EZK samen met decentrale overheden, netbeheerders

energiemix zal hebben. In beperkte mate zal er in een klimaatneutraal

en marktpartijen aan de Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL).

energiesysteem ook nog NOx vrijkomen, bijvoorbeeld bij gebruik van

De aanleg van de benodigde extra infrastructuur is met name een

waterstof of verbranding van biomassa. Bij nieuwe installaties die

regionale aangelegenheid, waarbij gemeentes een sleutelrol hebben

waterstof verbranden kunnen daarnaast strenge NOx-emissie-eisen

bij de aanleg van laadpunten.

worden gesteld. Uiteindelijk levert de afbouw van het gebruik van fossiele brandstoffen dus structureel minder stikstofuitstoot op.

Binnen de NAL wordt onderzoek gedaan naar de impact op het elektriciteitsnet van de toekomstige laadinfrastructuur. In

Voor de korte termijn, komt met de aanleg van energie-infrastructuur

dit onderzoek worden diverse knelpunten op onderstations en

éénmalig een beperkte hoeveelheid stikstof vrij. Beperkte

middenspanningsruimtes in kaart gebracht. Het is mogelijk dat op

stikstofruimte heeft als mogelijke consequentie dat de energietransitie

locaties waar veel en met hoge vermogens geladen wordt, zoals bij

vertraging oploopt, terwijl op lange termijn elektrificatie en opwek met

transportbedrijven, knelpunten optreden op het hoogspanningsnet

hernieuwbare energiebronnen voor structureel lagere stikstofemissies

(voor zowel verbindingen als stations). Tegelijkertijd kan de

zorgen. Het Rijk investeert bijna 1 miljard euro in schoon en emissieloos

laadinfrastructuur ook een positieve impact op het elektriciteits-

bouwen. Hierdoor is er ook geen sprake van depositie op natuur en kan

netwerk hebben, omdat deze grote hoeveelheid elektrische

er ook in de buurt van beschermde natuurgebieden gebouwd worden.

voertuigen extra flexibiliteit kunnen faciliteren voor het net, mits deze

In de brief ‘Problematiek rondom stikstof en PFAS’ heeft het kabinet

slim geladen worden. Deze inzichten kunnen het Rijk en decentrale

beleid aangekondigd om te voorkomen dat de beleidsaanpassingen

overheden helpen bij het samenwerken aan de ruimtelijke planning

toekomstig beleid ten aanzien van verduurzaming en de wettelijk

van energiesysteem in het kader van integraal programmeren.

90

vastgestelde klimaatdoelen in de weg staan. Daarom verkent het kabinet of het ook mogelijk is om geen of minder beperkingen

De netbeheerders hebben de elektrificatie van mobiliteit meegenomen

op te leggen aan projecten die op korte termijn een toename van

in de scenario’s van de Integrale Infrastructuurverkenning 2030-2050

stikstofuitstoot en - depositie veroorzaken, maar op de langere termijn

die ook zijn benut voor het PEH. Daarmee is de mogelijke uitbreiding

een substantiële afname leveren, die bijdragen aan natuurherstel.

van hoogspanningsinfrastructuur door elektrificatie van mobiliteit

Daarover vindt ook overleg plaats met de Europese Commissie in het

geborgd in het PEH. Waar vanuit studies in het kader van de NAL

kader van Repower EU.

aanvullende ruimtelijke knelpunten worden voorzien die betrekking hebben op de energie-infrastructuur van nationaal belang, kunnen deze worden meegenomen in de verdere periodieke actualisaties van het PEH.

90

Kamerbrief problematiek rondom stikstof en PFAS, kamerstuk 35334, nr. 1.

Programma Energiehoofdstructuur | 92

4.2. Woningbouw en grootschalige verstedelijkingslocaties

van kritische grondstoffen verminderen door recycling, refurbishment,

Verstedelijking is in grote delen van het land een opgave die ruimte

remanufacturing.

vraagt. De nationale woningbouwopgave voor 900.000 woningen

De omschakeling naar een circulaire economie zal ruimte vergen.

tot 2030 is groot. Daarbij is ruimte nodig voor bijvoorbeeld publieke

Uit een rapport van CE Delft komt naar voren dat de vraag naar

voorzieningen, mobiliteit en werklocaties. Naast een ruimtevraag gaan

ruimte verplaatst wordt van productiefaciliteiten naar opslag en

al deze ontwikkelingen ook gepaard met een energievraag. Daarnaast

recyclingactiviteiten91. Dit vergt ruimte met een hoge milieucategorie.

vormt verduurzaming van de huidige bebouwde omgeving een grote

Hierdoor kunnen knelpunten ontstaan bij o.a. bedrijventerreinen,

opgave voor de energievoorziening

haven- en industrieclusters. Via het Programma Werklocaties wordt de behoefte aan ruimte van de circulaire economie verder

In de zeven voormalig verstedelijkingsgebieden die nu zijn

geïnventariseerd. Deze inzichten moeten dan, tegelijk met de inzichten

aangemerkt als NOVEX-gebieden zijn in totaal zeventien grootschalige

uit het PEH, landen in de ruimtelijke arrangementen.

woningbouwlocaties aangewezen. Het gaat om woningbouwlocaties in Groningen-Assen, Metropoolregio Amsterdam, Utrecht-Amersfoort,

6. Ruimtelijke kwaliteit

Stedelijk Brabant, Zwolle, Arnhem-Nijmegen Foodvalley en de

De energietransitie is één van de vele ruimtelijke opgaven in Nederland,

Zuidelijke Randstad. Woningbouwprojecten hebben voornamelijk

en vindt tegelijkertijd plaats met verschillende ontwikkelingen op het

impact op het regionale energienet. Denk daarbij aan de effecten

gebied van wonen, mobiliteit en natuur. Het doel van het programma

van bijvoorbeeld toepassing van zon op dak, en de keuze tussen

Mooi Nederland, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van

warmtenetten of individuele oplossingen voor de warmtevoorziening

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, is om ruimtelijke kwaliteit

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14098015/1