CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept-omgevingsvisie toelichting uitwerking

Gemeenteraad 18 maart 2025, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Thema: Concept-Omgevingsvisie.20.593 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Wat willen we bereiken? • Meer focus in economische sectoren. • Werkgelegenheid meer passend bij het arbeidsaanbod van de gemeente en de regio. • Ruimte voor de ontwikkeling van bedrijven. • Ontwikkelen van leer-werk-cluster nabij station Horst-Sevenum. • Klimaatbestendige en circulaire bedrijventerreinen.

48 49

3.3.1

Meer focus in economische sectoren

Het ondernemerschap zit in de cultuur van Horst aan de Maas. We blijven dan ook ruimte bieden aan (lokale) ondernemers. We kunnen niet alle bedrijven huisvesten en ook de werkgelegenheid moet in de toekomst beter aansluiten op het aanbod aan arbeidskrachten van de regionale arbeidsmarkt, zodat wonen en werken meer in balans komt binnen onze gemeente. We brengen in de toekomst daarom wel meer focus aan in het profiel dat we uitstralen. Op onze bedrijventerreinen kiezen we voor meer focus op het lokale mkb en op bedrijven in de agrofood en agri businessketen. We vinden het lokale mkb belangrijk, omdat deze mede voorzien in een lokale behoefte (van consumenten of andere bedrijven) en ook bovengemiddeld vaak betrokken zijn bij het lokale maatschappelijke leven. En we

vinden de agri businessketen belangrijk, omdat deze aansluit op het sterke agrarische karakter van onze gemeente en omdat deze bedrijven elkaar aanvullen en versterken. Kiezen voor het agrocluster betekent dat er meer aandacht moet zijn voor innovaties, duurzaamheid en daarmee hoogwaardige werkgelegenheid. Bovendien zoeken we met deze bedrijven naar manieren om meer circulair te worden. We vinden de agrarische sector, de agro food en agrotech, de toeristisch-recreatieve sector en de zorg belangrijke sectoren in onze economie. Hiervoor bieden we ruimte in het buitengebied en in de bebouwde kom.

3.3.2 Werkgelegenheid meer passend bij het arbeidsaanbod van de gemeente en de regio Bij het aanbrengen van focus in onze toekomstige werkgelegenheid kijken we ook naar het arbeidsaanbod en het opleidingsniveau binnen onze gemeente. Jarenlang is het arbeidsaanbod aangevuld met werknemers van buitenaf, waaronder arbeidsmigranten uit het buitenland. Zij blijven een onmisbare schakel in onze werkgelegenheid. Tegelijkertijd willen we dat de druk op onze woningmarkt en ons voorzieningenniveau niet onnodig groot wordt. Dit betekent dat we ons op onze bedrijventerreinen in de toekomst niet richten op bedrijven die minder goed aansluiten op de lokale/ regionale arbeidsmarkt en die voor een groot deel afhankelijk zijn van arbeidsmigranten. We kiezen ervoor om waar mogelijk de ruimte voor dit type bedrijven (zoals gespecialiseerde distributiebedrijven) beperkt te houden. We willen dit doen door te sturen op sector en bedrijfsomvang.

3.3.3 Ruimte voor ontwikkeling van bedrijven Voor een sterke lokale economie en voor het verduurzamen van bedrijventerreinen zijn groeimogelijkheden nodig. Tegelijkertijd willen we als gemeentegroei op de juiste plek, zodat functies elkaar niet in de weg zitten, een gezonde woonomgeving kan worden geborgd en we kunnen toegroeien naar circulaire bedrijventerreinen waar bedrijven in de toekomst meer kunnen samenwerken. We willen dat onze bedrijventerreinen nu en op lange termijn geschikt blijven voor een mix van

startende en groeiende ondernemers. Dat vraagt voor de langere termijn om een flexibele invulling van de bedrijventerreinen, waar ook kleine kavels onderdeel van zijn. Schuifruimte voor bedrijven We hebben als gemeente ‘schuifruimte’ nodig. We willen kleinschalige groeiende bedrijven (die nu nog in de bebouwde kom of het buitengebied gevestigd zijn) de mogelijkheid bieden om naar een bedrijventerrein door te stromen. We willen grotere en groeiende technische, logistieke en agrofood en agritech bedrijven de mogelijkheid bieden om door te stromen naar grotere locaties. Op dit moment kunnen veel bedrijven op lokale bedrijventerreinen slechts doorgroeien als de locatie van het buurbedrijf toevallig vrijkomt. Daarmee ontstaan steeds grotere bedrijfspercelen op lokale bedrijventerreinen, die de doorgroeimogelijkheden van kleinere bedrijven juist beperken. In de toekomst streven we dan ook naar verschillende bedrijvenlocaties met elk een eigen profiel, variërend van kleinschalige locaties voor lichte bedrijvigheid tot grotere locaties voor zwaardere bedrijvigheid. Tegelijkertijd willen we zuinig omgaan met onze ruimte. De ruimte voor uitbreiding van bedrijventerreinen is met de afronding van de Greenport (Klavers 7 en 11) in de toekomst afgerond op ons grondgebied.

We willen in de toekomst na deze geplande uitbreidingen ruimte voor bedrijven zoeken door: • Blijvende aandacht te hebben voor revitalisering van bedrijventerreinen. • In de regio in te zetten op de strategi-

50 51

sche inzet van Klaver 7. • Een werk-, leer- en leefgebied te ontwikkelen rond het ov-knooppunt Horst-Sevenum. • Aanvullend aanbod te realiseren in kernranden en de bebouwde kom.

of ze elkaars reststromen en warmte kunnen gebruiken. Dit beïnvloedt de totale energiebalans. Bedrijven krijgen in de toekomst steeds meer met elkaar te maken en we kiezen de mate waarin bedrijven hier onderdeel van zijn als vestigingscriterium.

Blijvende aandacht voor revitalisering van bedrijventerreinen Als gemeente kiezen we voor een blijvende revitalisering om bedrijventerreinen aantrekkelijk en toekomstbestendig te houden. Vrijkomende locaties kunnen daarbij gesplitst worden om ruimte te bieden aan startende een groeiende lokale bedrijven en om op lange termijn kleine en middelgrote locaties beschikbaar te houden. Tegelijkertijd bieden we lokale bedrijven ook de kans om door te groeien als daarmee ook wordt bijgedragen aan onze maatschappelijke doelen. Op bedrijventerreinen in de gezonde ontwikkelzones is een doel bijvoorbeeld het omlaag brengen van de milieuimpact op de omgeving. We willen in de toekomst meer sturen op de maatschappelijke meerwaarde van bedrijven. De mate waarin bedrijven werkgelegenheid bieden aan lokale werknemers (lokale binding), verweven zijn met het maatschappelijk leven en bijdragen aan het klimaatbestendig of circulair maken van het bedrijventerrein, willen we in de toekomst als vestigings- en groeicriterium meenemen.

In de regio inzetten op de strategische inzet van de Klavers 7 en 11 Om deze revitalisering en doorstroming te kunnen realiseren, zijn doorstroommogelijkheden in ‘de Klavers’ voor ons van strategisch belang. Marktonderzoek laat zien dat de gronden na planvaststelling binnen elf tot zestien jaar uitgegeven kunnen worden met een mix aan kavelgroottes. De verwachting is dat Klaver 11 binnen vijf jaar uitgegeven is. Zonder goede aansluiting van de Klavers op onze lokale bedrijventerreinen komt de doorstroming echter te weinig op gang. Daarom pleiten wij in de regio voor de volgende keuzes: • Kavelgroottes op Klaver 7 beter laten aansluiten bij de behoefte van bedrijven die een meerwaarde hebben voor de lokale arbeidsmarkt en economie. • Bedrijven met een hogere milieucategorie stimuleren om zich op de Klavers te vestigen, zodat op lokale bedrijventerreinen doorstroommogelijkheden ontstaan. • Meer tijd nemen voor de uitgifte van een deel van het bedrijventerrein. Veel bedrijven hebben te maken met een lange investeringstermijn. In het traject van afschrijving en herinvestering zijn vaak termijnen nodig van vijf à tien jaar tussen ideeënvorming en realisatie van een verplaatsing. Als bedrijventerreinen (te) snel worden uitgegeven, verkleind dat de kans voor

Ook zetten we als gemeente in op slim meervoudig ruimtegebruik van bedrijfsfuncties en voor energie-opwek en/of -opslag. Bedrijven kunnen elkaar aanvullen in momenten waarop energie wordt gebruikt

lokale bedrijven om daarop in te spelen. Aanvullend aanbod realiseren in de gezonde ontwikkelzones en de bebouwde kom De gezonde ontwikkelzones nemen een bijzondere plaats in. We verwachten hier in de toekomst ruimte op (vrijkomende) erven. Deze ruimte kan een waardevolle aanvulling zijn voor bedrijventerreinen door ruimte te geven aan kleinschalige en/of lichte bedrijfsfuncties, die wel ruimte nodig hebben voor opslag, verwerking of het maken van producten, maar geen grote verkeersaantrekkende werking hebben of andere milieueffecten op de directe omgeving. Voorbeelden van dit soort bedrijven zijn ambachtelijke bedrijven, aannemers, garages en dergelijke. Deze bedrijfslocaties kunnen in de toekomst een waardevolle toevoeging zijn aan de ves-

tigingsmogelijkheden op lokale bedrijventerreinen. Essentieel is om de ontwikkelmogelijkheden beperkt te houden en doorstroommogelijkheden op bedrijventerreinen te creëren. De ontwikkelmogelijkheden voor bedrijven in de gezonde ontwikkelzones werken we uit in een omgevingsprogramma of het omgevingsplan. We willen ook voorkomen dat bedrijven die niet op een bedrijventerrein thuishoren, zoals consumentgerichte bedrijven (retail, sportscholen, zorg) zich in de centra van de kernen vestigen. Daartoe verruimen we de mogelijkheden binnen de kernen, zoals in voormalige winkelpanden. Zo sparen we ruimte voor mkb en agrofoodbedrijven op de bedrijventerreinen.

52 53

3.3.4 Een werk-, leer- en leefgebied ontwikkelen rond het ov-knooppunt Horst-Sevenum. We willen de ligging van het station Horst-Sevenum gebruiken om een multimodaal knooppunt te creëren. Dit knooppunt verbindt het intercity-treinstation met buslijnen in alle richtingen. Bovendien willen we hier een knooppunt van snelfietsroutes creëren, waarmee zowel woon- als werkfuncties goed bereikbaar zijn, waaronder routes naar de Peelbergen en de ‘Brainport bikelane’ naar Deurne, Helmond en Eindhoven via Griendtsveen. De Greenportbikeway is al een fantastische snelfietsroute. Ook private en gedeelde vormen van mobiliteit kunnen hieraan worden gekoppeld. Het knooppunt ligt ook centraal in onze grootste woongebieden van Horst en Sevenum. We gebruiken het ov-knooppunt om onze economie te versterken. De westzijde is in onze visie een plek voor een leer-werkcluster dat zich kan ontwikkelen tot een campus. Deze knoop moet een hoge mate van creatieve kennis gaan aantrekken. Er is ruimte voor dienstverlening, onderwijs, kennis- en onderzoeksbureaus en (lokale) startups. De nabijheid van de Brightlands Campus Greenport Venlo kan versterkend werken. Bij het ov-knooppunt Horst-Sevenum is beperkt ruimte voor kleinschalige consumentgerichte activiteiten als daar behoefte aan is.

3.3.5 Duurzame en circulaire bedrijventerreinen Onze bedrijventerreinen zijn in 2050 klimaatbestendig en circulair. Op dit moment wordt al gewerkt aan het vergroenen van (verouderde) bedrijventerreinen. We vangen regenwater op en gebruiken dit in de bedrijven of voeren het af via het oppervlaktewater. In de toekomst willen we graag dat de meeste daken bedekt zijn met zonnepanelen of groen dak. De openbare ruimte zal minder vol zijn met stenen. We willen ook dat ons bedrijfsklimaat past bij dit groene imago door bedrijven te zoeken die hierbij aansluiten. Als groene gemeente willen we dat onze bedrijventerreinen dit imago ook uitstralen. Greenport Venlo is hier een goed voorbeeld van. Energie is een belangrijk thema voor bedrijven ook vanuit energiezekerheid. Samenwerking van bedrijven onderling en met de gemeente is nodig om oplossingen te realiseren. Dit wordt verder uitgewerkt in 3.7.6.

54 55

3.4 Toekomstbestendige agrarische sector Ambitie/doel In 2040 maakt Horst aan de Maas onderdeel uit van de meest toekomstgerichte, toekomstbestendige en innovatieve en duurzame agrarische regio van Europa. De agrarische sector was, is en blijft een belangrijke pijler van onze economie. Door technische innovatie en nieuwe verdienmodellen voor maatschappelijke diensten hebben we een goede balans gevonden tussen de ontwikkeling van de agrarische sector en andere kwaliteiten. We willen in 2040 met trots kunnen zeggen dat de bedrij ven innovatieve oplossingen hebben gevonden om adequaat in te spelen op de uitdagingen op het gebied van ruimte, gezonde leefomgeving, duurzame energie, bodem- en watersysteem, klimaat, biodiversiteit en arbeid.

Wat willen we bereiken? • Een diverse toekomstbestendige agrarische sector. • Verminderen emissies en uitspoeling waardoor de bodemkwaliteit verbetert. • Sturen op waterkwaliteit en beschikbaarheid. • Juiste agrarische functie op de juiste plek. • Opstellen van een Omgevingsprogramma Landelijk Gebied samen met de sector.

56 57

3.4.1 Een diverse toekomstbestendige agrarische sector We zetten in op een diverse agrarische sector en op het sluiten van kringlopen binnen de agrarische sector. Dankzij de verschillende landschappen en bodemtypes zijn we een goed gebied voor verschillende takken. Bovendien zijn we ervan overtuigd dat verschillende soorten landbouw elkaar versterken en kunnen aanjagen in verduurzaming. Diversiteit maakt ons ook naar de toekomst minder kwetsbaar (landbouwsectoren fluctueren door de tijd) en diversiteit houdt ook op lange termijn onze economie sterk. Bovendien helpen verschillende soorten bedrijven elkaar in het sluiten van kringlopen. Het oorspronkelijke bedrijfssysteem binnen de landbouw werkte met gesloten kringlopen. Het vee was er naast de vleesproductie ook voor de mest voor de akkers. De reststromen van de akkers werden juist gebruikt als veevoer. We gaan natuurlijk niet terug naar vroeger, maar kunnen er wel van leren. We willen met de agrarische sector graag toewerken naar nieuwe kringlopen, op zowel lokaal als op (boven)regionaal niveau. Zo zijn er mogelijkheden om biobased bouwmaterialen te maken uit de vezelfractie van mest, naast mestverwerking en de productie van groen gas. Ook hoogproductieve vormen van kringlooplandbouw (waarbij kassenteelt en veeteelt wordt gecombineerd) en samenwerkingsverbanden tussen agrariërs dragen bij aan het verduurzamen van de landbouw.

We stimuleren in het hele buitengebied

meer natuurinclusieve vormen van kringlooplandbouw en gaan samen met de sector op zoek naar verdienmodellen om dat mogelijk te maken. De agrarische sector kan het verschil maken als het gaat om de biodiversiteit. Landelijk wordt gestreefd naar tien procent groenblauwe dooradering in het landelijk gebied om daarmee natuurgebieden te verbinden en de algehele basiskwaliteit van het landelijk gebied omhoog te krijgen. In onze visie is natuur en landschap in de toekomst geïntegreerd in de bedrijfsvoering van de landbouw en gaan landbouw en natuur in onze gemeente hand in hand. Dat kan bijvoorbeeld door uit te gaan van een deels meer extensieve vorm van kringlooplandbouw (natuurinclusieve landbouw), door agrarisch natuurbeheer of natuurlijke akkerranden.

3.4.2

Verminderen emissies en uitspoeling

We willen in de toekomst gezondheidsrisico’s als gevolg van emissies en uitspoeling voorkomen. Daarom zetten we met de sector in op het vinden van productiemethoden die helpen de kringlopen te sluiten en die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen verkleinen. De landelijke (en Europese) regelgeving wordt periodiek aangescherpt en dit zorgt ervoor dat agrariërs steeds minder gewasbeschermingsmiddelen zijn gaan gebruiken. Daarnaast kennen we in Nederland een autoriteit (zie kadertekst) die op basis van die regelgeving bepaalt welke gewasbeschermingsmiddelen gebruikt mogen worden. Binnen onze gemeente worden deze richtlijnen gevolgd. Ons doel is echter om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen versneld af te bouwen en waar mogelijk te kiezen voor natuurlijke bestrijdingsmiddelen.

Hierin zijn onderzoek en experimenten nodig om te bezien wat effectief is en of deze middelen financieel aantrekkelijk zijn. We stimuleren als gemeente experimenten om gewasbeschermingsmiddelen af te bouwen of te vervangen. Zo kan een specifieke toediening van gewasbescherming de ‘drift’ (verwaaiing) van gewasbeschermingsmiddelen sterk verkleinen. Dit komt ten goede aan de volksgezondheid en de biodiversiteit rondom het bedrijf. In de gezonde ontwikkelzones en drinkwaterbeschermingsgebieden, waar de meeste kwetsbare functies voorkomen, willen we de gezondheidsrisico’s versneld verkleinen. Dat doen we door samen met de agrarische sector te zoeken naar alter-

natieve productiemethoden, maar ook door extra mogelijkheden voor andere functies te bieden die het financieel mogelijk kunnen maken om te extensiveren (of te verplaatsen). We willen samen met de agrarische sector de uitvoering vormgeven in een nog op te stellen omgevingsprogramma/ opgave landelijk gebied. Ten slotte willen we op termijn kwetsbare functies, zoals zorg of wonen, extra beschermen. Ook emissies door veehouderijbedrijven willen we graag verminderen. Daarbij geven we extra aandacht aan de gezonde ontwikkelzones rondom de dorpskernen. Uit onderzoek en adviezen van de GGD blijkt dat voor de meeste gangbare veehou-

58 59

derijen een afstand van 250 meter moet worden aangehouden ten opzichte van kwetsbare functies als wonen, scholen en dergelijke. Buiten die zone zijn de grootste gezondheidsrisico’s als gevolg van de uitstoot van fijnstof, endotoxinen en zoönose veel lager. Daarom hebben we ervoor gekozen om in een zone van ongeveer 250 meter rondom de dorpskernen een gezonde ontwikkelzone aan te wijzen. In die zone werken we alleen mee aan de ontwikkeling van veehouderijbedrijven als dit leidt tot een verbetering van de milieusituatie. Daarnaast stellen we een ruim beleid in voor hergebruik van vrijkomende agrarische erven om daarmee omschakeling of verplaatsing van functies financieel mogelijk te maken. Voor geitenhouderijen wordt, op basis van adviezen van de GGD, een afstand van 2 kilometer geadviseerd. Er is in Nederland een autoriteit die bepaalt welke gewasbeschermingsmiddelen zijn toegestaan. Het Ctgb (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden) heeft goed vastgelegd hoe en welke gewasbeschermingsmiddelen je mag gebruiken. De tuinders en telers met open teelten voldoen daaraan en daarmee ook aan de weten regelgeving. Het betreft aanvaardbaar risico. Het Ctgb stelt voortdurend bij op basis van nieuw onderzoek en inzichten. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen houdt de gemeente zich aan de wet en volgen de werkwijze van het Ctgb.

In het kader van (drink)waterkwaliteit willen we wel het gebruik zo veel mogelijk terugdringen.

3.4.3

Juiste agrarische functie op juiste plek

Als gemeente streven we ernaar om in het hele landelijke gebied de landbouw meer in balans te brengen met de natuurlijk ondergrond, waarbij water en bodem meer sturend worden. Het juiste grondgebruik op de juiste plek levert daaraan een belangrijke bijdrage. Voor de agrarische sector betekent dit: • Dat we de beste gronden zoveel mogelijk willen inzetten voor grondgebonden landbouw. Dat geldt voor een groot deel van de kampen, velden en de kleigronden op de rivierterrassen. We vinden het zonde om landbouwgronden die een hoge natuurlijke vruchtbaarheid kennen overwegend in te zetten voor nietgrondgebonden agrarische functies. Daarom leggen we hier de nadruk op grondgebonden landbouw. We willen daarmee ook voorkomen dat grondgebonden vormen van landbouw hier worden weggeconcurreerd. Een groot deel van de beste landbouwgronden heeft ook een hoge landschappelijke waarde. We willen hiermee dus ook de waardevolle kenmerken beschermen. Niet-grondgebonden activiteiten, die als ondergeschikt onderdeel van het bedrijf worden ingezet, vinden we wel mogelijk. Het overall beeld dient hier grondgebonden te zijn. • Dat we het houden van grasland of teelten die goed omgaan met vochtige omstandigheden stimuleren in beekdalen en de natte buffers rond natuurgebieden. Dat geeft de mogelijkheden om in de beekdalen meer ruimte te geven aan het vasthouden van water.

• Dat we extra mogelijkheden bieden voor

niet-grondgebonden teelten in speciaal aangewezen gebieden rond de Greenport en in jonge ontginningslandschappen. Jonge ontginningslandschappen zijn (in toenemende mate) kwetsbaar voor klimaatverandering. Bij niet-grondgebonden teelten is deze kwetsbaarheid kleiner. Bovendien zijn de jonge ontginningslandschappen over het algemeen minder cultuurhistorisch waardevol, waardoor nieuwe (bebouwde en verharde) ontwikkelingen eenvoudiger inpasbaar zijn.

Adobe Stock

Relatie veehouderij en gezondheid Teeltondersteunende voorzieningen In de sier- en boomteelt is het gebruik van containervelden in opkomst. Agrariërs gebruiken containervelden voor het klaarzetten of afwerken van producten, maar ook om het assortiment uit te breiden of meer jaarrond te kunnen werken. Het gebruik van containervelden is voor de sier- en boomteelt belangrijk om te kunnen concurreren op de markt. We actualiseren het huidige beleid dat het gebruik van containervelden in een bepaalde mate en wijze toestaat. Het is een logisch onderdeel van de bedrijfsvoering. Wanneer deze oppervlakte geconcentreerd plaatsvindt en goed wordt ingepast kan het overall beeld van het landschap grondgebonden zijn. Dit percentage werken we nader uit in het afwegingskader kwaliteit Landschap. We wijzen een specifiek ontwikkelgebied voor nietgrondgebonden teelten aan, waar bedrijven die zich meer willen specialiseren in niet-grondgebonden teelten verder kunnen ontwikkelen. We willen extensiveren om elders te kunnen intensiveren.

In Nederland vinden sinds 2016 veel deelstudies plaats binnen het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). Via epidemiologisch onderzoek maken de VGOstudies relaties zichtbaar tussen intensieve veehouderijen en gezondheid. In grote lijnen laat onderzoek verbanden zien met gezondheid voor de volgende emissies, die gerelateerd zijn aan de veehouderij: fijnstof, ammoniak, endotoxinen en micro-organismen. Fijnstof Het overgrote deel van het fijnstof in de lucht in Nederland is door de mens geproduceerd (antropogeen fijnstof). Stofdeeltjes die direct in de lucht terecht komen van bronnen zoals industrieën, verkeer, land- en tuinbouw en veehouderijen worden ‘primair fijnstof’ genoemd. Stof afkomstig van veehouderijen bestaat uit mestdeeltjes, voerdeeltjes, huidschilfers, deeltjes van veren en haren die verwaaien vanuit

60 61

stallen. Stofdeeltjes die gevormd worden door chemische reacties in de atmosfeer worden ‘secundair fijnstof’ genoemd. Ammoniak uit de veehouderij wordt bijvoorbeeld omgezet in ammoniumnitraat en ammoniumsulfaat. Ongeveer tien procent van het fijnstof is niet nader gespecificeerd: dit zijn stofdeeltjes waarvan de herkomst onbekend is.

houderijbedrijven stoten in het algemeen het meeste primaire fijnstof uit, in volgorde van afnemende belangrijkheid: • Pluimveebedrijven. • Varkenshouderijen. • Klaverenbedrijven. • Melkvee- en kalverenbedrijven. • Geitenbedrijven.

Het primair fijnstof afkomstig van de veehouderij is meestal organisch van samenstelling. Dit zijn dus deeltjes afkomstig van vooral mest, huidschilfers, veren, voer, haren en strooisel. Omdat met name mest maar ook voer beide veel bacteriën bevatten, worden in de omgeving van veehouderijen veel bacteriën en bacteriefragmenten in de lucht gevonden.

Ammoniak VGO-onderzoek toont aan dat mensen een verminderde longfunctie hebben wanneer de ammoniakconcentratie in de lucht hoog is. Hoogstwaarschijnlijk is het niet de ammoniak (NH3) zelf die dit effect veroorzaakt, maar fijnstofdeeltjes die worden gevormd doordat ammoniak met andere stoffen in de lucht reageert. Ammoniak uit bijvoorbeeld mest en stallen reageert met andere stoffen in de lucht tot secundair fijnstof. Deze deeltjes kunnen zich over grote afstanden (tot honderden kilometers) verplaatsen. Volgens de Gezondheidsraad is het niet te verwachten dat concentraties secundair fijnstof direct rond veehouderijen hoger zijn dan op grotere afstanden. In een veedicht gebied lijken de gevolgen van ammoniakuitstoot voor direct omwonenden dus niet ingrijpender dan voor mensen die iets verderop wonen. Hiervoor zijn afstandsnormen dus niet relevant. Minder dieren en dus minder mest helpt wel.

Het is algemeen wetenschappelijk aanvaard dat er oorzakelijk verbanden zijn tussen fijnstof en effecten op hart en bloedvaten en op de luchtwegen. Het gaat om effecten op de korte en lange termijn. Er is geen veilige concentratie bekend waarbij geen nadelige effecten optreden door blootstelling aan fijnstof. Volgens de Gezondheidsraad zijn er steeds meer aanwijzingen dat alle fijnstoffracties schadelijk zijn. Wel kunnen de gezondheidseffecten op het platteland anders zijn dan in een stedelijke omgeving. Dit komt door de hoge concentraties endotoxinen en micro-organismen in de deeltjescocktail rond veehouderijen. Intensieve veehouderijen zijn een belangrijke bron van fijnstof. De volgende vee-

Endotoxinen Endotoxinen zijn celwandresten van bepaalde bacteriën en kunnen tot luchtwegirritaties en

ontstekingsreacties leiden. Maar endotoxinen kunnen ook beschermende effecten hebben, bijvoorbeeld tegen allergie. Pluimvee en varkens zijn de belangrijkste bronnen. Endotoxinen verspreiden zich met stof uit stallen of via mesthandelingen. Ze hechten zich met name aan de grovere stofdeeltjes, die relatief snel neerslaan en zich dus niet ver verspreiden. Voldoende afstand is vaak een passende maatregel. Afstandsnormen zijn hier dus relevant. Een aantal maatregelen dat de uitstoot van fijnstof beperkt, zal ook de uitstoot van endotoxinen verminderen. Bijdrage endotoxineconcentraties per diersoort (onderzoeksgebied Noord-Brabant en Limburg): 54 procent toe te schrijven aan varkens, 37 procent aan pluimvee, 6,3 procent aan runderen, 2,6 procent aan paarden en 0,56 procent aan geiten. Micro-organismen Rond veehouderijen kunnen bepaalde microorganismen en deeltjes daarvan voorkomen. Micro-organismen zijn bacteriën, parasieten, schimmels en endotoxinen. Voorbeelden zijn antibioticaresistente bacteriën en ziekverwekkers afkomstig van dieren (zoönoseverwekkers). Micro-organismen kunnen leiden tot gezondheidseffecten bij dieren en veehouders. De gezondheidsrisico’s voor omwonenden door de reguliere aanwezigheid van micro-organismen lijken beperkt. Volgens de Gezondheidsraad is er nog steeds weinig bekend over blootstel-

lingseffectrelaties of blootstellingsresponsrelaties voor micro-organismen. Micro-organismen kunnen de beleving van omwonenden beïnvloeden en tot ongerustheid leiden. Die onrust hangt vaak ook samen met uitbraken van Q-koorts in het verleden. Besmettelijke dierziekten De bestrijding van besmettelijke dierziekten, zoals Q-koorts, is primair geregeld in andere wetgeving, zoals: • Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. • Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s. • Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten. Bronnen: Informatiepunt leefomgeving en Kennisplatform veehouderij https://iplo.nl/thema/praktijksituaties/veehouderijen/ gezondheid-veehouderijen/relaties-veehouderijgezondheid/ https://www.kennisplatformveehouderij.nl/

62 63

3.5 Een sterk toeristischrecreatief profiel voor rust- en plezierzoekers We zijn in de toekomst een gemeente die toegerust is op recreatie en toerisme (voor bezoekers en onze eigen inwoners), die optimaal ingericht is voor groepen en families voor een meerdaags verblijf of een dagje uit. Onze activiteiten zijn ideaal voor mensen die zowel van rust en ruimte houden als van vermaak. Om de rust en kwaliteit van ons landschap te behouden, kiezen we voor een gerichte ontwikkeling van onze toeristischrecreatieve sector en het verbinden van de wereld van vermaak met rust en ruimte. Alleen door duidelijke keuzes te maken kunnen we het beste van beide werelden bieden en onze vrijetijdseconomie versterken. We streven in de toekomst naar meer bezoekers en toeristen op zo’n manier dat we de druk op onze wegen en natuurgebieden goed kunnen opvangen. Om te kunnen groeien in recreatie en toerisme, maar tegelijkertijd de natuur te beschermen en niet te overbelasten, willen we recreatie en toerisme enerzijds bundelen rond De Peelbergen, anderzijds juist kleinschalig spreiden over de gemeente. Onze strategie is om hiervoor de routenetwerken in onze gemeente ook buiten de natuurgebieden verder te versterken en meer aanknopingspunten voor een recreatief bezoek te realiseren.

Daarvoor zetten we in op verhaallijnen en bezoekmotieven waarlangs kleinschalige recreatieve parels tot ontwikkeling kunnen komen.

64 65

3.5.2 Spreiding: kleinschalige recreatie in het buitengebied

Ambitie/doel In 2040 is Horst aan de Maas een echte toerismeen recreatiegemeente voor rust- en plezierzoekers. Het vermaak is gebundeld in het toeristische cluster De Peelbergen. Van de rust kan kleinschalig recreatief genoten worden in het buitengebied, waarbij kwetsbare natuur ontzien wordt. Het Maasgebied heeft een bijzondere aantrekkingskracht dankzij het netwerk van kleinschalige recreatieve functies.

Wat willen we bereiken? • Bundeling: versterken toeristisch recreatieve cluster De Peelbergen. • Spreiding: kleinschalige recreatieparels in het buitengebied. We verbinden kleine toeristische parels tot parelsnoer en versterken van de routenetwerken • Beleefbaar en toegankelijk maken van erfgoed en cultuurhistorie. • We maken meer werk van de beleving van de Maas en het Maasdal.. • Afgebakende ruimte voor recreatie in natuurgebieden.

3.5.1 Bundeling: versterken toeristischrecreatieve cluster De Peelbergen De grootste toeristisch recreatieve trekkers van onze gemeente zitten in De Peelbergen en rond de Middenpeelweg. We willen dit cluster van verblijfsen dagrecreatie kwalitatief verder versterken en tegelijkertijd de bereikbaarheid vergroten. De toegankelijkheid voor hulpdiensten in geval van calamiteiten is een aandachtspunt. Met de Provincie Limburg

Afb. 1. Bron: Toverland hebben we afgesproken dat er een intentieovereenkomst komt en we samen dit gebied gaan monitoren, zodat we samen de goede maatregelen nemen. Dat zal waarschijnlijk ook infrastructureel zijn. Om de druk te verkleinen willen we de bereikbaarheid met het ov en per fiets vergroten, bijvoorbeeld vanuit de recreatieparken en omliggende dorpen (zie ook het Mobiliteitsprogramma 2025-2035). Bij de ontwikkeling van de toeristischrecreatieve sector letten we op de maatschappelijke meerwaarde van ontwikkelingen. We streven ernaar om sterke relaties met het lokale mkb en maatschappelijke organisaties te leggen, zodat toeristisch-recreatieve bedrijven meer samenhang met de lokale economie, de energietransitie, natuurbeheer en landschapsontwikkeling krijgen. Buiten De Peelbergen staan we geen grootschalige ontwikkeling van ‘leisure’ of van toerisme en recreatie toe.

We zien kansen om de toeristisch recreatieve sector in de hele gemeente te versterken. We zoeken vooral naar nieuwe economische kansen die ook goed zijn voor de inwoners en waarmee we inwoners uitdagen meer te bewegen en te recreëren in de eigen gemeente. We willen daarvoor buiten de natuurgebieden betere fietsroutes creëren en daaraan locaties verbinden met bezoekfuncties. Cruciaal in het succesvol maken van nieuwe verbindingen is de mogelijkheid voor (kleinscha-

lige) horeca, waar mogelijk op plekken verschillende vormen van recreatie (wandelen, fietsen, doe-activiteiten) gecombineerd kunnen worden. Routestructuren laten zich verder goed combineren met allerlei kleinschalige vormen van dag- en verblijfsrecreatie, zoals B&B, theetuinen, landwinkels en campings. We zien veel kansen rondom de Maasdorpen, waar kleinschalige recreatieve functies samen een kralensnoer kunnen vormen. Welke recreatiefuncties passen verspreid in het buitengebied in Horst aan de Maas? We zoeken in het buitengebied vooral functies die ten goede komen aan de doelgroep ‘harmoniezoekers’, mensen die komen voor de rust, voor (sportief) bewegen en voor genieten van de natuur en het landschap. Functies voor harmoniezoekers zijn bijvoorbeeld B&B’s, kleinschalige hotels, een educatiecentrum, kampeerboerderij, theetuin, pluktuin, enzovoort. Ook horeca kan in bijzondere gevallen bijdragen aan natuurgerichte recreatie in het buitengebied.

66 67

3.5.3 Beleefbaar en toegankelijk maken van erfgoed en cultuurhistorie Erfgoed heeft een belangrijke rol in de identiteit en beleving van onze gemeente. Dit geldt voor de historische kenmerken van het landschap, voor de gebouwde ensembles in het buitengebied en voor de historische kernen. Het erfgoed kan dienen als drager van toeristisch-recreatieve activiteiten en functies. Door nieuwe toeristisch-recreatieve functies mogelijk te maken kan daar tegelijk in geïnvesteerd worden. Daarbij is het ensemble waar het erfgoed deel van uitmaakt net zo belangrijk als het erfgoed zelf.

3.5.4 Afgebakende ruimte voor recreatie in natuurgebieden Natuurbeleving zien we als essentieel voor de gezondheid van onze inwoners. Bovendien is de kwaliteit van de natuur een belangrijke factor in ons toeristisch-recreatieve profiel. Tegelijkertijd willen we voorkomen dat een (te) grote recreatiedruk de kwaliteit van natuur kan schaden. Binnen natuurgebieden willen we werken met een extensieve zone en een gebruikszone. Zo willen we het intensieve gebruik van de natuur proberen te concentreren en ook meer rustige gebieden creëren. Daarnaast willen we ook in een zone rondom de natuurgebieden, samen met de organisaties die de terreinen beheren, rust en beleving centraal stellen. In een ruimer gebied daaromheen willen we landschapsontwikkeling combineren met betere routestructuren en toeristisch-recreatieve activiteiten.

De opkomst van historisch toerisme en cultuurtoerisme. Steeds meer mensen zijn geïnteresseerd in historische kenmerken of gewoonten van plekken. Ook iets leren of ontdekken van de geschiedenis of gewoonten van een plek is in opkomst. De combinatie met een fraai landschap waarin je kunt fietsen of wandelen is daarbij een kwaliteit die toeristen en recreanten kan aantrekken. Horst aan de Maas heeft veel historische kenmerken en kwaliteiten om deze toerist en recreant te trekken. Verhaallijnen die hier kunnen worden beleefd, zijn bijvoorbeeld: • De veenontginningen (Mariapeel, Griendtsveen). • Leven met de rivier (watermolens, landhuizen en grootschalige natuurontwikkeling langs de Maas, rivierduinen en oude maasmeanders). • De ontwikkeling van de agrarische sector in al haar facetten. • En natuurlijk het Geopark Peelhorst en Maasvallei.

68 69

3.6 Identiteit door herkenbare landschappen en erfgoed In dit hoofdstuk gaan we in op hoe we onze kernkwaliteiten beschermen en verbeteren.

Ambitie/doel In 2040 zijn landschap en erfgoed dragers van de omgevingskwaliteit en identiteit van Horst aan de Maas. De goede beleefbaarheid van archeologie, gebouwd erfgoed en (cultuur)landschap zorgt ervoor dat onze roots goed bekend zijn bij onze inwoners en recreanten. En dat zij hier ook trots op zijn. Ons waardevolle erfgoed is goed bewaard gebleven, deels door bescherming en deels door behoud door ontwikkeling. Er is altijd maatwerk geleverd, waarbij op basis van goede kennis het erfgoed is bekeken in samenhang met de gebouwde omgeving of het landschap. We werken als gemeente samen met de samenleving, waaronder de agrariërs, aan herkenbare, aantrekkelijke landschappen, die (mede) voortkomen uit het natuurlijke bodem- en watersysteem.

Wat willen we bereiken? • Zorgen voor herkenbare, aantrekkelijke landschappen. • Eigenheid en kwaliteit dorpen en linten behouden en/of versterken. • Erfgoed voor iedereen beleefbaar en toegankelijk maken. • Cultuurhistorische ensembles en landschappen. • Goed maatwerk op basis van kennis.

70 71

3.6.1 Zorgen voor herkenbare, aantrekkelijke landschappen Horst aan de Maas beschikt over unieke landschappen en rijk erfgoed. Het Peellandschap en het Maaslandschap zijn iconische landschappen. Ook het zandlandschap met de beken is een aantrekkelijk landschap met een eigen ontginningsgeschiedenis. Bij elk type landschap kiezen we voor bij het natuurlijke bodem- en watersysteem passende natuur- en landschapselementen. Dit draagt niet alleen bij aan de aantrekkelijkheid en herkenbaarheid van het landschap, maar ook aan meer biodiversiteit, sterke ecosystemen en klimaatbestendigheid. We werken nadrukkelijk samen met onze samenleving, waaronder de agrariërs, aan het landschap. Voor behoud en versterking van onze herkenbare, aantrekkelijk landschappen passen we de volgende manier van werken toe: • Het bodem- en watersysteem zijn mede sturend (zie 3.7.1). • De juiste functie op de juiste plek (zie 3.4.3 en 3.2.4). • Lagenbenadering. • Passende natuur- en landschapselementen. • Samen met onze samenleving aan het landschap werken.

3.6.2 Eigenheid en kwaliteit dorpen en linten Historische gebouwen, objecten en ensembles zijn belangrijke dragers van de eigenheid en kwaliteit van de dorpen en bebouwingslinten. We zetten in op hun behoud en laten ons inspireren door bijzondere en kenmerkende waarden, zodat we in staat zijn de

lokale kwaliteit en eigenheid te bewaren en waar mogelijk te versterken.

3.6.3 Erfgoed voor iedereen beleefbaar en toegankelijk We willen dat onze inwoners, recreanten en toeristen meer waardering en aandacht ontwikkelen voor ons erfgoed. We willen dat ze trots zijn op onze geschiedenis, onze roots. Daarom maken we erfgoed voor iedereen beleefbaar en toegankelijk. Dat betekent dat we historische verhalen tot leven brengen op een manier die past bij de verschillende doelgroepen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een interactief schoolpakket voor kinderen, beleefroutes voor kinderen of een hap-en-traproute voor senioren. We zien meerdere kansen om historische verhaallijnen neer te zetten. Daarbij ondersteunen we initiatieven die bijdragen aan het realiseren of bekend maken van deze verhaallijnen. Kansen zijn bijvoorbeeld: de turfgeschiedenis, de landsbouwgeschiedenis, de kastelen, streekproducten, het verhaal van de beken, de armen van de Maas, enzovoort.

3.6.4 Cultuurhistorische ensembles en landschappen We werken vanuit het principe van erfgoed in een levend en functionerend landschap. Dat begint bij een goed ontwerp, waarbij erfgoed wordt beschouwd in de juiste context. Daarmee bedoelen we dat we zowel het gebouwde als het landschappelijke element bekijken met specifieke aandacht voor de omgeving en de eventuele samenhang tussen elementen. Bij de Kasteelse Bossen gaat het bijvoorbeeld om de ruïne van het kasteel én om de kasteelboerderij en de bijbehorende bossen.

3.6.5

Goed maatwerk op basis van kennis

Erfgoed kunnen we behouden door het te beschermen zoals het nu is of door functies en/of ontwikkelingen toe te staan. Behoud door ontwikkeling zien wij in veel gevallen als een goede manier om erfgoed te kunnen behouden en/of versterken. Goede kennis, over bekende en te verwachten archeologische waarden en de kwaliteiten en kenmerken van het erfgoed, staat aan de basis van ontwerp en maatwerk in de beoordeling.

72 73

3.7 Horst aan de Maas is groen en duurzaam Ambitie/doel In 2040 heeft Horst aan de Maas bijzondere en veelzijdige natuur in een aaneengesloten natuuren groenstructuur met gevarieerde leefgebieden voor droge en natte soorten. Kwetsbare natuurgebieden zijn beschermd door bufferzones. De biodiversiteit is sterk verbeterd en het natuurlijke bodem- en watersysteem is op orde. Er is een goede balans tussen natuurbescherming en recreatief gebruik. In 2050 is Horst aan de Maas klimaatneutraal, klimaatbestendig en natuurinclusief. Hiertoe wekken we lokaal zonne-energie op en hebben we een energiesysteem dat opwek, gebruik en opslag combineert. Mobiliteit wordt steeds duurzamer, onder andere door stimulering van openbaar vervoer, fietsen en wandelen.

Wat willen we bereiken? • Bodem- en watersysteem zijn mede sturend. • Verbinden van de natuurgebieden. • Natuurbuffers rondom kwetsbare natuurgebieden. • Meer biodiversiteit in het landelijk gebied door versterking van de Groenblauwe dooradering en Meer natuurinclusieve landbouw. • Balans tussen natuur en recreatie door gebiedsgerichte accenten op natuur en/of recreatie en sturen op recreantenstroom via ‘Eikpunten’ (voorheen bekend als toeristische overstapplaatsen (TOP)). • Duurzaam energiesysteem met opwek, gebruik, opslag en omslag gecombineerd.

74 75

Bodem en water mede sturend ‘Bodem en water mede sturend’ betekent dat functie en ruimtegebruik aansluiten bij de natuurlijke kenmerken van het bodem- en watersysteem. Dit vermindert de kwetsbaarheid voor klimaatverandering, beschermt (drink)watervoorraden, zorgt voor goede kwaliteit grond-, oppervlakte- en drinkwater, verbetert biodiversiteit en voorkomt bodemdaling (veengebied). Voor de inrichting van onze leefomgeving passen we de zes ontwerpprincipes bodem en water mede sturend toe:

3.7.1 Bodem- en watersysteem zijn mede sturend We kiezen ervoor om het bodem- en watersysteem mede sturend te laten zijn in al onze keuzes in de fysieke leefomgeving. Daarmee wordt het bodemen watersysteem randvoorwaardelijk bij de inrichting van Horst aan de Maas. Dit vergt een omslag in het denken en doen en de manier waarop naar ontwikkelingen wordt gekeken, omdat niet elke ontwikkeling meer overal plaats kan vinden. Zijn ontwikkelingen mogelijk op basis van de bodem en het watersysteem? Dat is de vraag die steeds vooraf gesteld gaat worden. Dit uitgangspunt zorgt ervoor dat we als samenleving beter bestand zijn tegen de klimaatverandering en zo schade voorkomen. Ook draagt dit bij aan een gezondere leefomgeving en betere biodiversiteit. Op basis van het principe ‘bodem- en watersysteem zijn mede sturend’ maken wij deze keuzes: • De juiste functie op de juiste plek. Dit betekent voor woningbouw dat nieuwe

woongebieden bij de dorpen op de hogere en drogere plekken in het landschap komen. Voor de landbouw betekent dit dat de (van nature) meest vruchtbare gronden, de kampen en velden, ingezet worden voor grondgebonden landbouw (zie 3.4.3). De inrichting van de beekdalen, Maasuiterwaarden en natuurbuffers is primair gericht op ruimte voor water, zo goed mogelijke bodem- en waterkwaliteit en natuurontwikkeling. Functiecombinaties met andere functies (zoals laagproductieve, natuurinclusieve landbouw) zijn mogelijk zolang deze geen afbreuk doen aan de primaire doelstelling. • Het klimaatbestendig inrichten van woongebieden en bedrijventerreinen die bestand zijn tegen de toekomstige piekbuien en langere periodes van warmte en droogte. De groene bufferzones zijn belangrijke waterbergingsgebieden. • Toepassen van de zes ontwerpprincipes bodem en water sturend bij de inrichting van onze leefomgeving (zie kadertekst).

Ontwerpprincipe 1 ‘Niet afwentelen’ betekent voor de agrarische sector onder andere dat emissies uit de agrarische sector de draagkracht van het bodem- en watersysteem niet mogen overschrijden. Ontwerpprincipe 2 ‘Sponswerking bodem’ betekent onder andere zo min mogelijk verharding. Open bodems bieden betere omstandigheden voor het bodemleven en daarmee een betere bodemkwaliteit en biodiversiteit. Beekherstel en stuwen in sloten dragen bij aan het vasthouden van water. Hiermee worden benedenstrooms overstromingen voorkomen. Ontwerpprincipe 3 ‘Houd rekening met extremen’ betekent onder andere dat we bij het klimaatadaptief maken van onze dorpen rekening houden met zeer extreme neerslag, zeer extreme hitte en droogte, een onwaarschijnlijke dijkdoorbraak en het buiten de oevers treden van de beken. Ontwerpprincipe 4 ‘Aanpasbare inrichting voor de lange termijn’ betekent onder andere voorbij de plangrens en planhorizon denken. We willen tenslotte goed voorbereid zijn op de effecten van klimaatverandering. Deze effecten spelen vaak al op systeemniveau en op de veel langere termijn.

Ontwerpprincipe 5 ‘Benut kansen voor systeemherstel’ betekent onder andere dat we het natuurlijke bodem- en watersysteem van De Peel zoveel mogelijk willen herstellen. Grootschalige herinrichting biedt de mogelijkheid om de sponswerking en het zelf herstellend vermogen van De Peel te vergroten. Ontwerpprincipe 6 ‘Bouw en ontwerp natuur inclusief’. Natuur inclusief bouwen betekent dat er bewust ruimte voor biodiversiteit wordt gecreëerd op, aan of in het gebouw of de (openbare) omgeving, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven. De waterpartners van Waterpanel Noord hebben ‘Bouwstenen voor water en klimaat’ opgesteld. Hierin staan vier bouwstenen en bijbehorende doelen voor de omgevingsvisie. Deze vier bouwstenen zijn: • Natuurlijk water: we realiseren een gezond waterecosysteem. • Passende bescherming: we bieden onder andere met klimaat adaptieve inrichting en beheer passende bescherming tegen overstromingen, wateroverlast en andere gevolgen van klimaatverandering. • Schoon water: we zorgen dat we beschikken over voldoende water van goede kwaliteit dat bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving en maatschappelijke doelen, zoals schoon drinkwater en zwemwater. • Voldoende water: nu en in de toekomst beschikken we over voldoende en kwalitatief goed oppervlakte- en grondwater.

76 77

vriendelijk in te richten. De afgelopen jaren heeft Waterschap Limburg samen met andere partijen al diverse beek(herstel) projecten uitgevoerd. Naast de beken zetten we in op nieuwe natuurverbindingen, onder andere tussen de Mariapeel en de Schadijkse Bossen, de Mariapeel en De Kamiël van de Piël en tussen de Mariapeel en de Kronenberger Heide.

3.7.3 Natuurbuffers rondom kwetsbare natuurgebieden

3.7.2

Verbinden van de natuurgebieden

Door op een aantal cruciale locaties natuurverbindingen te realiseren tussen bestaande natuurgebieden, ontwikkelen we een aaneengesloten lokaal natuurnetwerk. Hiervoor leggen we op weg naar 2040 nieuwe natuurverbindingen aan en/of verbeteren we de huidige natuurverbinding tussen de verschillende natuurgebieden. De beken en de Maas zijn belangrijke verbindingen tussen de verschillende natuurgebieden. Door natuurrijke beken en beekdalen te ontwikkelen, is het mogelijk om alle natuurgebieden met elkaar te verbinden in Horst aan de Maas. We kiezen er dan ook voor om de beken en beekdalen zoveel mogelijk natuur-

We kiezen ervoor om rondom de zeer kwetsbare natuurgebieden een natuurbuffer aan te leggen om de natuur te beschermen tegen negatieve agrarische emissies en andere activiteiten met een negatieve impact (bijvoorbeeld verkeer en intensieve recreatie). Dit betekent dat we richting 2040 toewerken naar natuurinclusieve landbouw in deze natuurbuffers. We hanteren hierbij de 250 meter natuurbuffers in de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Rondom Natura 2000-gebieden geldt een natuurbuffer van 1000 meter. Op weg naar 2040 dienen intensieve veehouderijen binnen de 250- en 1000-meterzone van zo’n kwetsbaar natuurgebied ervoor te zorgen dat ze de voor natuur schadelijke emissies sterk verminderen of stoppen door als bedrijf om te schakelen, te verplaatsen of te stoppen. In de gemeente Horst aan de Maas zijn vier zeer kwetsbare natuurgebieden. Het zijn natte natuurparels en ze maken onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natuurgebied Mariapeel is een Natura 2000-gebied. Het betreft de volgende gebieden: Het Schuitwater

(Tienrayse- en Swolgenderheide), Kaldenbroek, Castenrayse Vennen en de Mariapeel. Daarnaast zijn Heesbeemden en het Ham kwetsbare natuurgebieden.

3.7.4

Nieuwe bedrijven met hoge ammoniak- en/of stikstofemissies zijn uitgesloten in de nabijheid van deze kwetsbare natuurgebieden. Bedrijven die ongewenst zijn in de natuurbuffers zijn intensieve veehouderijen, biogasinstallaties met mestverwerking, mestopslag en -verwerking. Dit geldt voor intensieve veehouderijen met pluimvee, varkens, runderen en geiten. De bestaande intensieve veehouderijen in de natuurbuffers dienen hun voor de natuur schadelijke emissies sterk te reduceren of te beëindigen. Het betreft zes intensieve veehouderijen (vijfmaal rundvee, eenmaal varkens) in de 250-meterzone rondom de vier kwetsbare natuurgebieden in Horst aan de Maas en acht intensieve veehouderijen (viermaal rundvee en viermaal varkens) extra in de 1000-meterbufferzone rondom Natura 2000-gebied Mariapeel. Er bevinden zich ook vier paardenbedrijven in de 250-meterbufferzone en nog twee extra in de 1000-meterbufferzone. Over het algemeen veroorzaken paardenhouderijen veel minder ammoniakuitstoot door een lagere dierdichtheid, minder geconcentreerde mest met een lager stikstofgehalte en veel weidegang. Hieraan wordt gewerkt in het uitvoeringsprogramma behorend bij de Visie Veehouderij en het project Toekomstbestendige Locaties.

Groenblauwe dooradering In een groot deel van het buitengebied kiezen we als gemeente voor het combineren van functies met het versterken van de biodiversiteit. De aanleg van landschapselementen en natuurinclusief ondernemen stimuleren we bij agrarische bedrijven, recreatiefuncties en in de bebouwde omgeving.

Meer biodiversiteit in landelijk gebied

We verbeteren de biodiversiteit in het landelijk gebied door een groenblauwe dooradering te realiseren en meer natuurinclusieve landbouw.

Meer natuurinclusieve agrarische sector Een natuurinclusieve agrarische sector is een economisch rendabel landbouwsysteem dat voedsel en gewassen produceert, in balans is met de natuurlijke omgeving, natuurlijke hulpbronnen integreert in de bedrijfsvoering en zorg draagt voor landschap en biodiversiteit op en rond het bedrijf. Dit is een brede definitie, omdat de invulling van een natuurinclusieve bedrijfsvoering afhankelijk is van het type bedrijf, de productieomstandigheden en de ruimtelijke ligging, maar bovenal ook van de kansen ter plaatse en de mogelijkheden die passen bij de ondernemer. Kortom, het is maatwerk. De agrariër wordt op die manier ook steeds meer een natuur -en landschapsbeheerder die kan bijdragen aan de doelen in deze omgevingsvisie. In de agrarische gebieden ligt het accent op economie en productie. Toch verbe-

78 79

tert de biodiversiteit richting 2040 doordat een deel van de agrariërs natuurinclusiever gaat boeren. Zij combineren landbouw met het versterken van biodiversiteit en benutten ecosysteemdiensten, zoals waterbuffering, betere luchtkwaliteit en ruimte voor recreatie. Andere agrariërs richten zich op niet-grondgebonden, hoogproductieve landbouw met moderne technieken, zoals ‘vertical farming’. Deze bedrijven krijgen ruimte op aangewezen plekken, zoals delen van Greenport en het economisch ontwikkelgebied (LOG). Door deze vorm van landbouw te concentreren ontstaat ruimte voor andere functies, zoals grondgebonden natuurinclusieve landbouw.

3.7.5

Balans tussen natuur en recreatie

We zorgen voor een goede balans tussen natuur en recreatie door gebiedsgericht te bepalen of recreatie of natuur meer dominant is. En we sturen de recreantenstroom met behulp van Eikpunten en routestructuren. Gebiedsgerichte accenten op natuur en/of recreatie De balans tussen natuur en recreatie is in de toekomst gebiedsgericht uitgebalanceerd: • Recreatieve as De Peelbergen: de nadruk ligt op de recreatieve ontwikkeling, maar wel met respect voor en investeringen in natuur en landschap. • Rivierenlandschap: buitendijks is hoogwater-veiligheid samen met riviergebonden natuur dominant en is slechts extensief recreatief medegebruik mogelijk.

Binnendijks ligt er meer nadruk op de recreatieve ontwikkeling van een netwerk van kleinschalige, lokale initiatieven, in harmonie met natuur en landschap. De beleving van het landschap en de natuur maakt onderdeel uit van het recreatieve product. • Het economisch groeigebied: natuur en recreatie zijn hier niet aan de orde of sterk ondergeschikt aan de economische belangen. • De Peel en de Peelbuffer: in de Peel is natuur dominant. Extensief recreatief medegebruik is mogelijk mits het de natuur niet aantast. In de Peelbuffer is ook natuur en dan vooral het herstel van het natuurlijke bodem- en watersysteem dominant. Wel krijgt (natte) recreatie hier ontwikkelkansen om voor verdienmodellen te zorgen. • Zandgebied: hier zijn recreatie en natuur gelijkwaardig aan elkaar.

Sturen op recreantenstroom via Eikpunten Natuurbeleving is essentieel voor de gezondheid van onze inwoners, recreanten en toeristen. Maar tegelijkertijd willen we de natuur beschermen tegen een te grote recreatiedruk. Daarom kiezen we voor zoneren. In delen van natuurgebieden wordt het recreatief gebruik goed ontsloten via Eikpunten en routestructuren. Andere, kwetsbare (delen van) natuurgebieden ontsluiten wij juist bewust niet of minder om ze te beschermen. Eikpunten zijn startpunten voor wandel-, fiets- en ruiterroutes waar je je auto kunt parkeren en vaak ook een horecapunt aanwezig is. We voegen richting 2040 een aantal Eikpunten toe om nog meer mensen van de natuur en het landschap te laten genieten op locaties waar de natuur dat aankan.

3.7.6 Duurzaam energiesysteem met opwek, gebruik en opslag gecombineerd Het doel is een klimaatneutraal, klimaatbestendig, circulair en natuurinclusief Horst aan de Maas in 2050. Als gemeente gaan we hiervoor een energievisie opstellen waarbij we het hele energiesysteem van opwek, opslag en transport en gebruik bekijken. In eerder beleid hebben we onszelf ten doel gesteld dertig procent van de totale energievraag binnen de gemeente op te wekken middels duurzame elektriciteit. We kiezen naast het grootschalige zonneveld in de Peelbuffer voor energiesystemen die duurzame opwek, gebruik, opslag en omslag koppelen. Gezien de grote economische activiteit op en rond Greenport lijkt dat de meest logische locatie. Dit betekent dat onder andere de energiehuishouding van bedrijven mede sturend

is voor de bedrijfsvestiging. We stimuleren innovaties rondom slimme energiecombinaties, energievormen en decentrale energiesystemen. De glastuinbouw wil in 2040 op een economisch rendabele manier klimaatneutraal zijn. Geothermie is een belangrijke potentiële alternatieve energiebron voor de glastuinbouw. De aanwezigheid van breuklijnen en seismische risico’s maakt geothermie wellicht onmogelijk. De onzekerheid hierover zorgt voor stilstand. De acties om tot een Duurzaam Energiesysteem te komen zijn: • We zetten in op energiesystemen die duurzame opwek, gebruik en opslag koppelen bij bedrijventerreinen en tuinbouwconcentratiegebieden. • We stimuleren slimmere decentrale energiesystemen voor (clusters van) bedrijven. • We bieden ruimte voor innovatie, bijvoorbeeld het gebruik van energiedragers zoals waterstof. • We gaan de mogelijkheden voor geothermie voor de glastuinbouw verder onderzoeken. • We benutten Delta Rhine Corridor (DRC) en de nieuwe boven- en ondergrondse kabels en leidingen door Tennet worden aangelegd en we zetten in om medegebruik mogelijk te maken.

80 81

3.8

Onze mobiliteit is op orde

De gemeente heeft een Mobiliteitsprogramma opgesteld waarin doelen zijn geformuleerd.

Ambitie/doel In 2040 zijn de belangrijkste economische gebieden goed en veilig bereikbaar. Er zijn minder verkeersslachtoffers waardoor de gevoelde en feitelijke verkeersveiligheid is verbeterd. Iedereen kan voorzieningen zelf of samen bereiken. In en buiten de kernen is een balans tussen bereikbaarheid voor alle modaliteiten en de leefbaarheid.

3.8.1

Verduurzamen van de Mobiliteit

We werken aan betere en veiligere fietsverbindingen tussen de dorpen en de natuurgebieden. Daarbij pakken we tegelijkertijd de toegankelijkheid en aantrekkelijkheid van met name de verschillende landschappen en enkele natuurgebieden aan. Hierdoor krijgt recreatie en toerisme ook in onze (cultuur)landschappen een plek, waardoor deze kwaliteit beter zichtbaar wordt. Door recreatie en toerisme meer te sturen via routes, kan de kwetsbare natuur worden ontzien. Naast bewegen is de groene omgeving een positieve factor voor de gezondheid.

In de toekomst zetten we als gemeente in op een fijnmazig multimodaal vervoerssysteem om alle dorpen en wijken verkeersveilig bereikbaar te houden en goed aangesloten te blijven op voorzieningen en bedrijven in de regio en daarbuiten.

De fiets is voor veel inwoners ook een aantrekkelijk vervoermiddel. De fiets is gezond en duurzaam. Om het fietsen te faciliteren en te stimuleren verbinden we de dorpen met comfortabele fietsroutes door aantrekkelijk landschap en natuurgebieden. Voor populaire bestemmingen kijken we of we een fietssnelroute kunnen realiseren. Kortom, we kiezen voor duurzaam, betaalbaar, gezond en frequent vraaggestuurd vervoer tussen de wijken en de dorpen door efficiënte mobiliteitsknooppunten en toegankelijke fiets- en wandelpaden.

3.8.2 Leer-Werk-Leef Ontwikkeling NSstation Horst-Sevenum

Wat willen we bereiken? • Verduurzamen van de mobiliteit door het verminderen van het autogebruik en het stimuleren van ov, fietsen en wandelen (STOMPprincipe) zodanig dat iedereen zelf of samen voorzieningen kan bereiken. • Het versterken van de vervoersknoop station Horst-Sevenum door hier meer te gaan ontwikkelen, en de relaties met en tussen de dorpen te versterken • Verbeteren van de ontsluiting van bedrijventerreinen en waar mogelijk scheiden van verkeersstromen om de verkeersveiligheid te vergroten.

voorzieningen. We faciliteren het elkaar helpen. Alternatieve vervoersconcepten als een buurtauto, vrijwilligerscollectief van beltaxi’s, goede e-bikevoorzieningen en bezorgdiensten zijn nodig om maatwerk te kunnen leveren.

De auto is voor veel inwoners van onze gemeente een eerste levensbehoefte. Maar wat als je geen auto hebt of wil hebben? Hoe kom je dan op school, naar je werk, bij de dokter en/of je vrienden? Het uitgangspunt is dat iedereen kan meedoen in de maatschappij. Daarbij is inclusieve mobiliteit een belangrijke voorwaarde. Duidelijk is dat het financieel niet haalbaar is om de bus elk dorp frequent te laten aandoen. We zetten dan ook in op private initiatieven en koppelen daaraan publieke

We versterken de vervoersknoop station HorstSevenum door het creëren van een onderwijskenniscampus. Het bedrijventerrein dat er al ligt, zou meer bedrijvigheid moeten herbergen die baat heeft bij een treinstation. Denk aan meer starters, kenniswerkers en startups. We zien kansen voor een schil van woningen voor jongeren, studenten en kenniswerkers van Greenport en Brainport. Dit moeten we nader onderzoeken in het Volkshuisvestingsprogramma. We kiezen voor: • Om bij de inrichting van de openbare ruimte in de dorpen wandelaars en fietsers voorop te

•

• • • •

•

stellen. Rondom concentratiegebieden met hoogproductieve landbouw wijzen we routes aan waar de fiets voorop staat. Het versterken van de relaties tussen de dorpen en station Horst-Sevenum doen we door: snelle, goede fietsverbindingen te maken tussen dorpen en station. Greenport beter te ontsluiten via het ov. een fijnmazig vraaggericht ov-netwerk uit te breiden dat via het knooppunt Horst-Sevenum is verbonden. Het station wordt zo een schakel in het duurzame mobiliteitsnetwerk. Het koppelen van groei van economische functies aan het verbeteren van toevoerwegen. Prioriteit heeft de capaciteit van de Middenpeelweg in relatie tot de groei van recreatiebedrijven in De Peelbergen (Toverland, Grandorse, verblijfsrecreatieparken). Groei is hier afhankelijk van (het upgraden van) de capaciteit van de Middenpeelweg.

Adobe Stock

82 83

4 Visiekaart

Afb. 2. Visiekaart

84 85

5 Visie op de gebieden We delen de gemeente Horst aan de Maas op in vijf deelgebieden met specifieke functies. We kiezen we per gebied wat we belangrijk vinden: 1. Natuurgebied De Peel en de Peelbuffer: • Natuur/Groen • Water • Cultuurhistorisch Landschap • Recreatie Extensief • Agrarisch Laagproductief

4. Innovatief economisch cluster Greenport: • Economie • Agrarisch (hoogproductief)

2. Recreatielandschap De Peelbergen: • Intensieve recreatie en Hippisch. • Cultuurhistorisch Landschap

5. Maasgebied • Buitendijks: • Water (hoogwaterveiligheid) • Natuur/Groen • Cultuurhistorisch Landschap • Agrarisch (laagproductief) • Recreatie extensief

3. Het veelzijdige zandlandschap: • Wonen in de Dorpen • Agrarisch • Natuur/Groen • Cultuurhistorisch Landschap • Recreatie (kleinschalig) • Water (in de beekdalen)

• Binnendijks: • Wonen in de Dorpen • Agrarisch • Natuur/Groen • Cultuurhistorisch Landschap • Recreatie (netwerk, kleinschalige initiatieven)

86 87

6 Relatie met de OER De Omgevingseffectenrapportage (OER) brengt de milieu- en omgevingseffecten van de doelen in deze omgevingsvisie in beeld. Daarnaast vergelijkt de OER de effecten van deze omgevingsvisie met de referentiesituatie (de situatie wanneer er niets zou veranderen aan ons huidige beleid en wanneer huidige trends en ontwikkelingen doorzetten). De OER helpt ons tijdens het opstellen van onze visie en in onze besluitvorming om af te wegen of de doelen de gewenste effecten teweegbrengen. SWECO heeft voor de OER eerst een ‘foto’ van de leefomgeving gemaakt. Hierin is beoordeeld wat het kwaliteitsniveau is van milieu- en omgevingsaspecten in de huidige situatie en in de referentiesituatie. Op basis van de concept omgevingsvisie is de OER opgesteld. Hierin is het kwaliteitsniveau beoordeeld bij het uitvoeren van de omgevingsvisie. De belangrijkste effecten ten opzichte van de referentiesituatie zetten we in dit hoofdstuk per thema op een rij.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15247123/2