Concept-omgevingsvisie toelichting uitwerking
Tekst van het document
6.1
Wonen en werken
Door per dorp woningen te bouwen naar behoefte is er een positief effect op het woningaanbod en
het voorzieningenniveau (in de kleine kernen) ten opzichte van de referentiesituatie. De leefbaarheid wordt al positief beoordeeld in de referentiesituatie. De aandacht voor ontmoeten, spelen en bewegen in en rond de dorpen en het inzetten op veilige fiets- en wandelroutes tussen de dorpen zal het kwaliteitsniveau nog verder verhogen. Ook in de bufferzones rond de kwetsbare natuurgebieden liggen kansen om de sociale cohesie en het toeristisch en recreatief aanbod verder te versterken, mits dat geen nadelige effecten heeft op de natuur. Door het accent te leggen op economische ontwikkeling en productie in specifieke gebieden worden lokale ondernemers gesteund. Op het gebied van werken is er veel veranderd ten opzichte van het rapport van de OER, dus is niet goed in te schatten wat de OER over dit onderwerp zegt. De gebiedsgerichte aanpak naar landschapstype heeft een positief effect op de vitaliteit van de agrarische sector. De druk op de sector blijft bestaan, maar de kwaliteit van de landbouw gaat vooruit. Op het gebied van landbouw is er veel uitgewerkt vergeleken met het rapport. Dit in de toelichting specifieker maken bij een nieuwe versie van de OER.
88 89
6.2
Bereikbaarheid
Het inzetten op lokale vervoersalternatieven voor de bus heeft een licht positief effect op de bereikbaarheid van de kleine kernen. In de OER is nu niets meegenomen over een eventuele ontwikkeling rondom het station. Waarschijnlijk heeft dit ook impact op de toelichting van dit onderwerp in de OER.
in de kernen heeft een positief effect op geluid, luchtkwaliteit, bereikbaarheid sport- en speelplekken en veiligheidsbeleving.
6.3 Gezonde en veilige leefomgeving De gezonde ontwikkelzones rond de dorpen zorgen voor een positief effect op de milieueffecten zoals geluid, luchtkwaliteit, geur en veiligheid. Voor veehouderijen wordt een afstand van 250m geadviseerd tot de woonkernen. Voor geitenhouderijen wordt minimaal een afstand van 500m geadviseerd. Voor bedrijven (op bedrijventerreinen) wordt per milieucategorie een richtafstand geadviseerd zoals in de afbeelding weergegeven. Door bedrijven met significante gezondheids- of milieurisico’s te identificeren en te verplaatsen naar locaties die buiten deze buffers vallen, kan de blootstelling van inwoners aan potentiële effecten verminderd worden. Naast de gezonde ontwikkelzones heeft ook het versterken van de leefbaarheid een positief effect op de gezondheid van de inwoners. De aandacht voor het ontwikkelen van veilige fiets- en wandelverbindingen tussen de dorpen, naar ontmoetings- en speelplekken en het toepassen van het STOMP-principe
principes ‘juiste functie op de juiste plek’, ‘bodem en water medesturend’ en de natuurbuffers rond de kwetsbare natuurgebieden is er een positief effect op het landschap, de bodem- en waterkwaliteit. De brede afweging van woningbouwlocaties ten opzichte van waardevolle bodem/landschap en natuur heeft een positief effect op het kwaliteitsniveau van het landschap. Tov het rapport van de OER is cultuurhistorie zwaarder mee gaan wegen in de locaties waar niet gebouwd wordt. Dit kan mogelijk nog effect hebben. Erfgoed in het algemeen heeft in de omgevingsvisie nadrukkelijker een rol gekregen. Dit kan bijna niet anders dan dat het een positief effect heeft.
6.5
temen is er veel veranderd tov de scenario’s, dus met het huidige rapport niet goed in te schatten wat de OER over de huidige visie zegt.
6.7
Klimaat
Er is een licht positief effect op droogtestress, wateroverlast en waterveiligheid door meer ruimte voor water en passende functies in natte gebieden zoals de beekdalen en de Peelbuffer.
Natuurkwaliteit
Het versterken van ecologische verbindingen, het maken van nieuwe verbindingen, de Peelbuffer en de buffers rond kwetsbare natuurgebieden hebben een positief effect op de natuurkwaliteit ten opzichte van de referentiesituatie. Daarnaast kunnen het vergroenen van bedrijventerreinen en de gezonde ontwikkelzones een positief effect hebben op de biodiversiteit in deze gebieden.
6.4 Bescherming ondergrond en bovengrond Om het natuurlijk bodem- en watersysteem te herstellen is het van belang om een diversiteit in de landbouw te stimuleren en overmatig gebruik van kunstmest en monoculturen te verminderen. Technische innovatie kan een rol spelen, maar is niet de enige oplossing. Door in te zetten op de
6.6
Energie en circulariteit
De verwachting is dat de EU-doelen om in 2050 klimaatneutraal te zijn, niet worden gehaald met het huidige beleid. De gemeente wekt onvoldoende duurzame energie op. In de omgevingsvisie zitten geen plannen voor grootschalige energieopwekking. Op het gebied van circulariteit en energiesys-
90 91
7 Uitvoeringsprogramma 7.1
De uitvoering
Deze omgevingsvisie laat zien hoe het strategisch beleid van onze gemeente eruitziet. In de vorige hoofdstukken hebben we geschetst wat de gewenste ruimtelijke koers van onze gemeente is voor de lange termijn. Ook geeft onze visie aan wat er nodig is om deze koers te volgen. Een omgevingsvisie heeft een ‘zelfbindend karakter’: dit betekent dat als de gemeenteraad de visie vaststelt hij zich bindt aan de inhoud ervan als kader bij ruimtelijke beslissingen. Het gaat dan om besluiten zoals nieuwe bestemmingsplannen (straks: omgevingsplan) en aanvragen voor een omgevingsvergunning met een ruimtelijke onderbouwing. In dit hoofdstuk gaan we specifiek in op de vraag hoe we de gewenste ruimtelijke koers op de lange termijn kunnen realiseren. Om uitvoering te geven aan de genoemde maatregelen gebruiken we een aantal instrumenten: • Omgevingsprogramma’s • Omgevingsplan • Kostenverhaal
7.2
Omgevingsprogramma’s
Omgevingsprogramma’s zijn belangrijke instrumenten onder de Omgevingswet. We kunnen deze programma’s inzetten voor de uitwerking of de uitvoering van beleid. In een omgevingsprogramma staat hoe we van de huidige situatie naar de gewenste situatie willen komen. Soms is het daarvoor eerst nodig om de hoofdkeuzes die we in de omgevingsvisie gemaakt hebben voor een bepaald gebied of thema verder uit te werken en deze waar nodig in het omgevingsplan te vertalen in regels. Een programma kan daarom thematisch gericht of gebiedsgericht. Ook kunnen omgevingsprogramma’s vrijwillig of verplicht zijn. Dit laatste is het geval voor onderdelen waar we als gemeente strengere milieueisen willen stellen dan wettelijk verplicht is en voor onderdelen waar de wettelijke milieunormen binnen onze gemeente worden overschreden. In dat geval dienen wij als gemeente in een omgevingsprogramma aan te tonen hoe we het gewenste niveau gaan halen. De maatregelen kunnen onder andere bestaan uit beleidsregels (waarin het bestuursorgaan aangeeft
92 93
hoe zij belangen tegen elkaar afweegt, feiten vaststelt of wettelijke voorschriften uitlegt bij de uitoefening van een bevoegdheid), inzet van financiële instrumenten (zoals overheidsinvesteringen, leningen of subsidies) en feitelijke maatregelen (zoals de uitvoering van projecten). De omgevingsprogramma’s die we gaan maken, introduceren we in een apart document dat we bijsluiten bij deze visie. Voor elk programma beschrijven we daarin een opdracht voor een omgevingsprogramma. In zo’n opdracht staat wat de bijdrage van dat programma aan het behalen van de gewenste situatie moet zijn. Hoe maken we omgevingsprogramma’s? De omgevingsprogramma’s gaan we in de komende jaren maken. In de begrotingscyclus kiezen we jaarlijks welke programma’s we starten. De urgentie wordt bepaald op basis van de verwachte bijdrage van een programma aan de doelen van de visie en de actualiteit, en in een jaarlijkse discussie over de optimale inzet van de middelen.
7.3
Omgevingsplan
In het omgevingsplan vertalen we waar dat juridisch nodig is de beleidsdoelen van de gemeente in regels. Deze regels zijn in tegenstelling tot de omgevingsvisie bindend voor inwoners. Met de komst van de Omgevingswet heeft de gemeente de mogelijkheid om een deel van de regels flexibeler te maken. Dat wil zeggen dat we als gemeente sommige activiteiten vergunningsvrij of meldingsplichtig kunnen maken of regels wat algemener mogen formuleren, zodat we bij een concreet initiatief meer maatwerk kunnen toepassen. Dat laatste worden wel ‘open normen’ genoemd. Zo kun je bijvoorbeeld in plaats van regels ten aanzien van de rooilijn, hoogte en stijl van een woning ook de open norm opnemen, die zegt dat een woning moet passen in het straatbeeld. Deze mogelijkheid kunnen we toepassen waar de doelen in de omgevingsvisie scherp zijn verwoord.
94 95
7.4
Kostenverhaal
Bij het uitvoeren van het grondbeleid maken we als gemeente ook gebruik van de wettelijke mogelijkheden van kostenverhaal. Dat betekent dat we als gemeente kosten kunnen verhalen die wij moeten maken om een gebied geschikt te maken voor het beoogde gebruik, zoals wonen, bedrijvigheid of recreatie. Dit betreft een breed pakket van kosten: van de kosten van het opstellen van ruimtelijke plannen en het saneren van de bodem tot het inrichten van de openbare ruimte en het aanleggen van voorzieningen. Het heeft de voorkeur dat wij als gemeente en de grondeigenaren vrijwillig afspraken maken over bijdragen aan overheidsinvesteringen. In dat geval sluiten we als gemeente op basis van het privaatrecht een overeenkomst met de eigenaren. Lukt het niet om vrijwillige afspraken te maken, dan beschikken we als gemeente op basis van de Omgevingswet over mogelijkheden om bijdragen aan overheidsinvesteringen eventueel af te dwingen. Instrumenten voor kostenverhaal in het privaatrecht zijn (gemeentelijke) grondexploitaties, publiek-private samenwerkingen en anterieure- en posterieure overeenkomst over het kostenverhaal en financiële bijdragen. Voor het publiekrecht gaat het om afdwingbaar kostenverhaal en financiële bijdragen aan ontwikkelingen via kostenverhaalsregels in een omgevingsplan.
Bij de omgevingsvisie horen investeringen om de gemeente leefbaar en bereikbaar te houden. Hiervoor doen we de komende decennia grote investeringen in verschillende domeinen, zoals stedelijke herstructurering, landschapsversterking, mobiliteit en eventueel maatschappelijke voorzieningen, duurzaamheid en sociale woningbouw. Deze investeringen moeten zo veel mogelijk gelijk op lopen met de realisatie van de woon- en werkgebieden, maar dat is niet altijd mogelijk. In dat geval is sprake van een soort voorfinanciering. Op basis van de Omgevingswet kunnen we als gemeente bij de indiening van een aanvraag omgevingsvergunning de initiatiefnemers voor een proportioneel deel laten meebetalen aan de genoemde investeringen. Alle bouwprojecten profiteren tenslotte van deze investeringen. Dit is ‘afdwingbaar kostenverhaal’. De Omgevingswet geeft overigens ook een grondslag voor afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied.
Hierin hebben we ook het compensatiebeginsel beschreven. Dit beginsel houdt in dat wanneer een initiatiefnemer met een bouwplan niet kan voldoen aan gestelde voorwaarden, deze kan worden verplicht om een bijdrage te leveren aan een fonds dat zich richt op hetzelfde domein als waarvoor de voorwaarde van toepassing is. Een voorbeeld daarvan is de verplichting om te voldoen aan de gestelde parkeernormen. De initiatiefnemer kan worden verplicht om een financiële bijdrage te betalen aan een parkeerfonds als niet alle parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd kan worden en we als gemeente mogelijkheden zien om het in de omgeving wel te realiseren. Een ander voorbeeld is het gemeentelijk kwaliteitsmenu. Als een initiatiefnemer geen ruimte heeft voor natuur- en/of groencompensatie op eigen terrein, kunnen we hiervoor als gemeente zorgen wanneer de initiatiefnemer de compenserende kosten betaalt.
Als gemeente zullen we de wettelijke mogelijkheden inzetten voor de initiatiefnemers met bouwplannen in de gemeente Horst aan de Maas. Daarbij is het de bedoeling dat alle initiatieven die gelegen zijn in onze gemeente, één van de kernen of in een specifieke wijk een reële bijdrage doen ten behoeve van de bovenwijkse investeringen en financiële bijdragen. In de nota kostenverhaal, die zal worden omgezet in een beleidsdeel en een programma kostenverhaal, hebben we de spelregels voor de bijdragen nader uitgewerkt c.q. gaan we dit doen.
96 97
8 Definitielijst • Brede welvaart: de kwaliteit van leven hier en nu en de mate waarin deze ten koste gaat van de brede welvaart van latere generaties of van die van mensen elders in de wereld. Het is een maatstaf – gemeten door het CBS – voor welvaart. Brede welvaart omvat meer dan alleen economie en inkomen. Het gaat ook over de gezondheid, het onderwijsniveau en het gevoel van veiligheid van mensen. Het gaat over de hechtheid van de samenleving, de toegankelijkheid van voorzieningen, de kwaliteit van de natuurlijke leefomgeving en vele andere aspecten die het leven en welzijn van mensen beïnvloeden. Het CBS publiceert elk jaar de Monitor Brede Welvaart & Sustainable Development Goals. Hierin staat het huidige niveau, maar ook in hoeverre dit welvaartsstreven een druk legt op de volgende generaties en andere landen. http://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/brede-welvaart • Positieve gezondheid: omvat een bredere blik op gezondheid. Het gaat om meer dan alleen ‘niet ziek’ zijn. Bij Positieve Gezondheid ligt het accent op de mensen zelf, op hun veerkracht en wat hun leven betekenisvol maakt. • Positieve Gezondheid kent zes dimensies: 1.
Lichaamsfuncties, 2. Zingeving, 3. Mentaal welbevinden, 4. Kwaliteit van leven, 5. Meedoen, 6. Dagelijks functioneren. Met die brede kijk dragen we bij aan het vermogen van mensen om met fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven om te gaan. En om zoveel mogelijk eigen regie te voeren. • http://www.iph.nl/ • Gebiedsgerichte aanpak (gga): Een gezamenlijke en gebiedsgerichte manier van werken om een omgeving te ontwikkelen waarin zowel de condities voor de natuur (voldoende schoon water, schone lucht, gezonde bodem, minder stikstof) als de landbouw goed zijn. Er is ook aandacht voor ruimtelijke ontwikkelingen, zoals verstedelijking, infrastructuur en ruimte voor energie. Provincie, waterschap, terrein beherende organisaties, de agrarische sector en andere belanghebbenden kijken met elkaar naar samenhangende (middel) lange termijn oplossingen, die bijdragen aan natuurherstel én duurzaam perspectief voor de landbouw. • Arbeidsmigranten: werknemers uit het buitenland, die werkzaam zijn in diverse sectoren binnen de gemeente,
98 99
•
•
•
•
zoals de agrarische sector, logistiek en het midden- en kleinbedrijf. (gemeente Horst aan de Maas) Intensieve veehouderij: niet-grondgebonden veehouderijsystemen met een hoge mate van specialisatie en schaalvergroting, waarbij dieren voornamelijk binnen worden gehouden en de productie gericht is op maximale efficiëntie en opbrengst. Definitie VNG: agrarisch bedrijf of deel van een agrarisch bedrijf waar tenminste 250 m2 aan bedrijfsvloeroppervlakte aanwezig is dat gebruikt wordt als veehouderij volgens de wet milieubeheer voor het houden van vee en pluimvee, waarbij dit houden van vee geheel of nagenoeg geheel plaatsvindt in gebouwen. Het biologisch houden van dieren conform een regeling krachtens artikel 2 van de landbouwkwaliteitswet en het houden van melkrundvee, schapen en paarden wordt niet aangemerkt als intensieve veehouderij. Water- en bodem sturend: verwijst naar een beleid of benadering waarbij water- en bodemsystemen leidend zijn bij de inrichting en het gebruik van de fysieke leefomgeving. Hierbij wordt rekening gehouden met de natuurlijke eigenschappen, draagkracht en beschikbaarheid van water en bodem, zodat de leefomgeving duurzaam kan worden ingericht en beheerd. Kwetsbare gebieden WAV: De Wet ammoniak en veehouderij (WAV) heeft kwetsbare en zeer kwetsbare gebieden gedefinieerd.
Dit zijn voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, binnen het natuurnetwerk
Nederland (NNN). Om de verzuring in deze gebieden tegen te gaan gelden beperkingen voor ammoniakemissies in deze gebieden en in een bufferzone van 250 meter rondom de WAV-gebieden. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Wet ammoniak en veehouderij vervallen. • Natuurinclusieve landbouw integreert natuurlijke processen in landbouwsystemen en streeft naar een balans tussen productie, biodiversiteit en ecosysteemdiensten. (Wageningen University & Research). Dit is de meest gebruikte en geaccepteerde definitie. Andere definities: • LLTB: een systeem dat boeren stimuleert om natuurlijke elementen zoals bloemenmanden en houtwallen te integreren, wat resulteert in meer biodiversiteit en betere bodemkwaliteit. • ZLTO: Vorm van landbouw die biodiversiteit versterkt en tegelijkertijd een economische meerwaarde biedt voor boeren. • Provincie Limburg: Landbouwpraktijken die bijdragen aan het versterken van natuurwaarden, het herstel van landschappen en het creëren van een duurzame voedselproductie. • Horst aan de Maas: natuurinclusieve landbouw combineert voedselproductie met duurzaam waterbeheer en behoud van natuurlijke habitats in het buitengebied. • Ecosysteemdiensten: bijdragen van ecosystemen aan het menselijk welzijn, zoals biodiversiteit, schone lucht, water en vruchtbare bodems, die essentieel zin voor voedselproductie en
•
•
•
•
•
klimaatadaptatie. (Wageningen University & Research) • Provinice Limburg: Ecosysteemdiensten zijn de diensten die natuur en landschap leveren aan mens en maatschappij, zoals het bufferen van water in beekdalen, het verbeteren van luchtkwaliteit, en het bieden van ruimte voor recreatie en biodiversiteit. Kringlooplandbouw: een systeem dat draait op het principe dat alle biomassa optimaal wordt gebruikt (https://www.wur.nl/nl/show/kringlooplandbouw.htm). Circulaire economie: het terugbrengen van primaire abiotische grondstoffen (Doelstelling circulaire economie 2030 © PBL Planbureau voor de Leefomgeving Den Haag, 2019) Circulaire grondstofstromen: zijn het beheer en gebruik van grondstoffen waarbij de focus ligt op afname van omvang van grondstofstromen in hun ruwe vorm, halffabricaat of als eindproduct. Het doel is om deze grondstoffen zo hoogwaardig mogelijk in te zetten (Doelstelling circulaire economie 2030 © PBL Planbureau voor de Leefomgeving Den Haag, 2019) Natuurinclusief bouwen: bewust ruimte voor biodiversiteit creëren op, aan of in het gebouw of de (openbare) omgeving, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven. Biodiversiteit: de variatie aan planten- en diersoorten en hun leefgebieden, zoals inheemse bomen, struiken en bloemen.
Deze definitie benadrukt de rijkdom aan verschillende levensvormen en de diverse omgevingen waarin zij zich bevinden, wat essentieel is voor het be-
houd van een gezond ecosysteem. (Provincie Limburg) • Hoogproductieve landbouw: Dit betreft landbouwsystemen die streven naar maximale opbrengsten per hectare door intensief gebruik te maken van technologie, kunstmest, bestrijdingsmiddelen en geavanceerde teeltmethoden. Het doel is om een hoge efficiëntie en productiviteit te bereiken, vaak met behulp van moderne technieken en schaalvergroting. Een voorbeeld hiervan is de intensieve melkveehouderij, waar de melkproductie per koe aanzienlijk is toegenomen door verbeterde voeding, fokprogramma’s en managementpraktijken. (Wageningen University en Research) • Laagproductieve landbouw: Dit verwijst naar landbouwpraktijken die lagere opbrengsten per hectare hebben, vaak door extensievere methoden te gebruiken met minder input van externe middelen. Deze systemen maken vaak gebruik van traditionele technieken, hebben een kleinere schaal en leggen de nadruk op duurzaamheid en veerkracht. In de biologische melkveehouderij kiezen sommige boeren bijvoorbeeld bewust voor rassen die minder melk produceren, maar beter bestand zijn tegen ziekten en stress, waardoor ze minder afhankelijk zijn van intensieve inputs. (Wageningen University en Research) • Vertical Farming: een innovatieve teeltmethode binnen de glastuinbouw waarbij gewassen in meerdere lagen
100 101
boven elkaar worden geteeld. (FAO, Food and Agriculture Organization of the United Nations) • Gewasbeschermingsmiddelen: Een gewasbeschermingsmiddel is een product dat wordt gebruikt om planten of plantaardige producten te beschermen tegen schadelijke organismen, zoals insecten, schimmels en onkruid. Daarnaast kunnen deze middelen de groei van planten beïnvloeden, plantaardige producten conserveren, ongewenste planten of plantendelen vernietigen, en de ongewenste groei van planten voorkomen of beperken. (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddlen en biociden Ctgb) • Omgevingsvisie: Een integrale langetermijnvisie van een bestuursorgaan voor de gehele fysieke leefomgeving en haar grondgebied. De omgevingsvisie is een verplicht instrument voor het Rijk, provincies en gemeenten. (VNG, Vereniging Nederlandse Gemeenten)
102 103