CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

18d.2 Wijzigingstabel APV 2021 Openbare Orde en Veiligheid

Gemeenteraad 8 februari 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van de geactualiseerde Algemene Plaatselijke Verordening.38.398 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Artikel 2:19 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2:20 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:9 tot en met 2:17 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel 2:21 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken, alsmede een geldig reisdocument of identiteitsbewijs te overleggen.

Geen wijziging

Geen wijziging

Geen wijziging

Artikel 2:38 overgeheveld naar deze afdeling

Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet

Afdeling 4. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet

-

-

De titel is gewijzigd, omdat de plaatsing van een artikel in een hoofdstuk of afdeling mede bepaalt hoe het gelezen moet worden (de zogenoemde ‘rubrica est lex’-regel). De systematiek van een APV is van belang voor het antwoord op de vraag op welke gronden de ontheffing of vergunning mag worden geweigerd (ABRvS 2410-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3487) De Drank- en Horecawet is per 1 juli 2021 gewijzigd in de Alcoholwet.

Artikel 2:34a Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: • alcoholhoudende drank, • horecabedrijf, • horecalocaliteit, • inrichting, • paracommerciële rechtspersoon, • sterke drank, • slijtersbedrijf en • zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:22 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: • alcoholhoudende drank, • horecabedrijf, • horecalokaliteit, • inrichting, • paracommerciële rechtspersoon, • sterke drank, • slijtersbedrijf; • zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. • Kern: één van de dorpen Horst, Sevenum, Grubbenvorst, Meterik, Hegelsom, Melderslo, America, Broekhuizen, Broekhuizenvorst, Lottum, Griendtsveen, Evertsoord, Kronenberg, Meerlo, Swolgen, Tienray.

-

Artikel 2:34b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen 1. Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt alcoholhoudende drank uitsluitend vanaf één uur voor de aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit die past binnen de statutaire doelomschrijving van de betreffende rechtspersoon. 2. De in het eerste lid genoemde tijden moeten vallen binnen de bloktijden die voor de betreffende paracommerciële rechtspersoon

Artikel 2:23 Schenktijden paracommerciële rechtspersonen 1. Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt alcoholhoudende drank uitsluitend vanaf één uur voor de aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit die past binnen de statutaire doelomschrijving van de betreffende rechtspersoon. 2. De in het eerste lid genoemde tijden moeten vallen binnen de bloktijden die voor de betreffende paracommerciële rechtspersoon gelden als genoemd in de leden drie tot en met zes.

Geen wijziging

-

Titel artikel: Tekstuele/technische aanpassing Definitie horecalokaliteit: Tekstuele/technische aanpassing Verduidelijkt van wat we verstaan onder kern (gebruikt in artikel 2:24).

3.

4.

5.

6.

gelden als genoemd in de leden drie tot en met zes. Een paracommerciële rechtspersoon die zich richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt, zoals een dorpshuis, gemeenschapshuis en multifunctioneel centrum, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: a. maandag tot en met vrijdag vanaf 12.00 uur tot 01.00 uur; b. zaterdag en zondag vanaf 10.00 uur tot 01.00 uur. Een paracommerciële rechtspersoon zijnde een open jongerencentrum als bedoeld in artikel 2:27 aanhef, en onder c, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: a. maandag tot en met donderdag vanaf 16.00 uur tot 01.00 uur; b. vrijdag vanaf 16.00 uur tot 03.00 uur; c. zaterdag vanaf 10.00 uur tot 03.00 uur; d. zondag vanaf 10.00 uur tot 01.00 uur. Een paracommerciële rechtspersoon zijnde een museum kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: a. maandag tot en met vrijdag vanaf 12.00 uur tot 23.00 uur; b. zaterdag en zondag vanaf 10.00 uur tot 23.00 uur. Overige paracommerciële rechtspersonen, waaronder paracommerciële rechtspersonen die zich richten op het organiseren van activiteiten van sportieve aard, kunnen, onverminderd het bepaalde in de artikelen 2:29 en 2:30, alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: a. maandag tot en met donderdag vanaf 16.00 uur tot 00.00 uur; b. vrijdag vanaf 16.00 uur tot 01.00 uur; c.

zaterdag vanaf 10.00 uur tot 01.00 uur; d. zondag vanaf 10.00 uur tot 00.00 uur.

3. Een paracommerciële rechtspersoon die zich richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt, zoals een dorpshuis, gemeenschapshuis en multifunctioneel centrum, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: a. maandag tot en met vrijdag vanaf 12.00 uur tot 01.00 uur; b. zaterdag en zondag vanaf 10.00 uur tot 01.00 uur. 4. Een paracommerciële rechtspersoon zijnde een open jongerencentrum als bedoeld in artikel 2:8, derde lid, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: a. maandag tot en met donderdag vanaf 16.00 uur tot 01.00 uur; b. vrijdag vanaf 16.00 uur tot 03.00 uur; c. zaterdag vanaf 10.00 uur tot 03.00 uur; d. zondag vanaf 10.00 uur tot 01.00 uur. 5. Een paracommerciële rechtspersoon zijnde een museum kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: a. maandag tot en met vrijdag vanaf 12.00 uur tot 23.00 uur; b. zaterdag en zondag vanaf 10.00 uur tot 23.00 uur. 6. Overige paracommerciële rechtspersonen, waaronder paracommerciële rechtspersonen die zich richten op het organiseren van activiteiten van sportieve aard, kunnen, onverminderd het bepaalde in de artikelen 2:16 en 2:17, alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: a. maandag tot en met donderdag vanaf 16.00 uur tot 00.00 uur; b. vrijdag vanaf 16.00 uur tot 01.00 uur; c. zaterdag vanaf 10.00 uur tot 01.00 uur; d.

zondag vanaf 10.00 uur tot 00.00 uur.

Artikel 2:34c Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen 1. Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de betreffende rechtspersoon betrokken zijn wanneer dit leidt tot oneerlijke mededinging. 2. Het is verboden de paracommerciële inrichting en inventaris aan derden te verhuren ten behoeve van bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de betreffende rechtspersoon betrokken zijn waarbij alcohol geschonken wordt wanneer dit leidt tot oneerlijke mededinging. 3. Er is in ieder geval geen sprake van oneerlijke mededinging wanneer een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:34b derde lid in een kern waar geen commerciële horeca is gevestigd in eigen beheer of via verhuur van de inrichting en inventaris alcoholhoudende drank verstrekt tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de betreffende rechtspersoon betrokken zijn.

Artikel 2:24 Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen 1. Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de betreffende rechtspersoon betrokken zijn wanneer dit leidt tot oneerlijke mededinging. 2. Het is verboden de paracommerciële inrichting en inventaris aan derden te verhuren ten behoeve van bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de betreffende rechtspersoon betrokken zijn waarbij alcohol geschonken wordt wanneer dit leidt tot oneerlijke mededinging. 3. Er is in ieder geval geen sprake van oneerlijke mededinging wanneer een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:23, derde lid, in een kern waar geen commerciële horeca is gevestigd in eigen beheer of via verhuur van de inrichting en inventaris alcoholhoudende drank verstrekt tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de betreffende rechtspersoon betrokken zijn.

Geen wijziging

Artikel 2:34d Verbod verstrekken van sterke drank door paracommerciële rechtspersonen Het is verboden in een paracommerciële inrichting sterke drank te verstrekken. Artikel 2:34e Voorschriften en beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en

Artikel 2:25 Verbod verstrekken van sterke drank door paracommerciële rechtspersonen Het is verboden in een paracommerciële inrichting sterke drank te verstrekken. Artikel 2:26 Voorschriften en beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwakalcoholhoudende drank.

Geen wijziging

De Drank- en Horecawet is per 1 juli 2021 gewijzigd in de Alcoholwet.

Horecawet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwakalcoholhoudende drank. Artikel 2:34h Verbod prijsacties horeca Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. --

Artikel 2:27 Verbod prijsacties horeca Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Artikel 2:28 Proeverijen in slijtlokaliteiten 1. Met inachtneming van artikel 3, eerste lid, van de Winkeltijdenwet, geldt een vrijstelling van het in artikel 3, eerste lid, ten aanzien van het horecabedrijf vervatte verbod en het in artikel 14, eerste lid, vervatte verbod ten behoeve van proeverijen in slijtlokaliteiten buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteiten regulier zijn opengesteld. 2. De vrijstelling in het eerste lid geldt voor proeverijen die voldoen aan de eisen gesteld in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit.

Geen wijziging

Nieuw artikel ingevoegd naar aanleiding van nieuwe Alcoholwet. In de nieuwe Alcoholwet zijn nieuwe bevoegdheden voor de gemeenteraad gecreëerd: • Het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet komt te vervallen. Er zijn een paar uitzonderingen. Zo blijven de minimale oppervlakte-eisen voor een horeca- of een slijterslokaliteit bestaan. Deze blijven respectievelijk minimaal 35 m2 en 15 m2. Gemeenten kunnen bij verordening hogere eisen stellen aan de minimale vloeroppervlakte van horeca en slijterslokaliteiten. We zien geen aanleiding om gebruik te maken van deze bevoegdheid. • Gemeenten kunnen bij verordening bepalen dat slijterijen proeverijen mogen organiseren. Het Alcoholbesluit bevat nadere voorwaarden waaraan een proeverij moet voldoen. In Horst aan de Maas is een verzoek ingediend om hier gebruik van te maken. Wij zien geen aanleiding om hier niet aan mee te werken en hebben daarom het benodigde artikel om dit te regelen toegevoegd (‘Proeverijen in slijtlokaliteiten’). • In sommige gemeenten met een grote concentratie van alcoholverkooppunten, veroorzaken bezoekers onder invloed van alcohol veel overlast. Gemeenten krijgen daarom de mogelijkheid om bij verordening een gebied aan te wijzen als een zogenoemd alcoholoverlastgebied. Gemeenten kunnen

•

Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister

Is vervallen

bepalen dat er bepaalde verboden of beperkingen gelden voor dat specifieke gebied. Deze nieuwe bepaling is alleen gericht op gebieden waar al sprake is van veel overlast door alcohol en geldt alleen voor plaatsen waar alcohol verkocht wordt voor gebruik elders dan ter plaatse (winkels etc.) en plaatsen van waaruit geleverd wordt aan huizen van particulieren (artikel 18, tweede lid en 19, tweede lid onder a Alcoholwet). Wij hebben geen gebieden waar veel overlast is door alcohol in combinatie met verkooppunten die zich in die gebieden bevinden. We zien dan ook geen aanleiding om gebruik te maken van deze bevoegdheid. Om de overlast van bijvoorbeeld bierfietsen of partyboten of -bussen te beperken kunnen gemeenten regelen dat op dergelijke vervoermiddelen iemand aanwezig moet zijn in het bezit van een diploma sociale hygiëne. In dat geval gaat het gehele toezicht op betreffende vervoermiddelen over van de NVWA naar de gemeente. We zien geen aanleiding om gebruik te maken van deze bevoegdheid.

Is vervallen

Omdat afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen hier al in voorziet, is deze afdeling overbodig. Zie toelichting hierboven.

Is vervallen

Zie toelichting hierboven.

Is vervallen

Artikel is verplaatst naar afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen.

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken, alsmede een geldig reisdocument of identiteitsbewijs te overleggen. Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a Is vervallen

Artikel 2:39 Is vervallen

Afdeling 5.Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:29 Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:30 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of afdeling 6 van deze Algemene Plaatselijke Verordening. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

Geen wijziging In de Handreiking APV en ondermijning, uitgebracht in 2020 door het landelijk Aanjaagteam Ondermijning, wordt gewezen op een aantal modelbepalingen uit de model-APV van de VNG ter ondersteuning van de aanpak van ondermijning. Dit is het enige onderdeel uit de model-APV van de VNG dat we nog niet hebben opgenomen in onze APV. De Wet op de Kansspelen is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze restcategorie van speelgelegenheden voor behendigheidsspelen (niet te verwarren met behendigheidsautomaten) is artikel 2:30 bedoeld. Zie toelichting bij artikel 2:29

4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In dit artikel voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:31 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Eerste lid verplaatst naar nieuw artikel 2:29

Afdeling 10A. Speelautomatenhallen Artikel 2:40a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. de wet: de Wet op de kansspelen; b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet; c. behendigheidsautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder b, van de Wet; d. kansspelautomaat: een speelautomaat die geen behendigheidsautomaat is; e. speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30 c, eerste lid, onder b, van de wet; f. exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert; g. beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is belast; h. hoogdrempelige inrichtingen: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; i. laagdrempelige inrichtingen: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet; j. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994,

Afdeling 6. Speelautomatenhallen Artikel 2:32 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. de wet: de Wet op de kansspelen; b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet; c. behendigheidsautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder b, van de Wet; d. kansspelautomaat: een speelautomaat die geen behendigheidsautomaat is; e. speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30 c, eerste lid, onder b, van de wet; f. vergunninghouder: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd. g. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de speelautomatenhal wordt geëxploiteerd. h. beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben in de speelautomatenhal;

Geen wijziging Sub f, g en h: in de hele APV daar waar het gaat om de exploitatie van een bepaald soort inrichting de definities van vergunninghouder, exploitant en beheerder gelijkgetrokken. Dit zorgt voor duidelijkheid en maakt het in de praktijk makkelijker om mee te werken.

alsmede kampeerplaatsen en de aan de wegen of paden liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.

i. j. k.

Artikel 2:40b Vergunning speelautomatenhal 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren. 2. De burgemeester kan uitsluitend voor maximaal 2 speelautomatenhallen een vergunning verlenen: a. Één speelautomatenhal waar ten hoogste 30 kansspelautomaten mogen worden geplaatst; b. Één speelautomatenhal waar ten hoogste 125 kansspelautomaten mogen worden geplaatst; 3. De speelautomatenhal als bedoeld in het tweede lid onder b mag slechts gevestigd worden in een door het college aangewezen gebied. 4. Een vergunning voor de vestiging en exploitatie van een speelautomatenhal kan slechts worden verleend voor de duur van vijftien jaar. 5. De burgemeester kan de vergunning slechts verlenen nadat aan potentiële gegadigden door de burgemeester gedurende een nader door hem vast te stellen periode gelegenheid is gegeven een aanvraag om een vergunning in te dienen en daarmee mee te dingen naar de vergunning. 6. De burgemeester maakt, voorafgaand aan de in het vijfde lid bedoelde periode, bekend op welke wijze en op welk moment de in het vorige lid

hoogdrempelige inrichtingen: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichtingen: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet; weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede kampeerplaatsen en de aan de wegen of paden liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.

Artikel 2:33 Vergunning speelautomatenhal 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren. 2. De burgemeester kan uitsluitend voor maximaal 2 speelautomatenhallen een vergunning verlenen: a. Één speelautomatenhal waar ten hoogste 30 kansspelautomaten mogen worden geplaatst; b. Één speelautomatenhal waar ten hoogste 125 kansspelautomaten mogen worden geplaatst; 3. De speelautomatenhal als bedoeld in het tweede lid onder b mag slechts gevestigd worden in een door het college aangewezen gebied. 4. Een vergunning voor de vestiging en exploitatie van een speelautomatenhal kan slechts worden verleend voor de duur van vijftien jaar. 5. De burgemeester kan de vergunning slechts verlenen nadat aan potentiële gegadigden door de burgemeester gedurende een nader door hem vast te stellen periode gelegenheid is gegeven een aanvraag om een vergunning in te dienen en daarmee mee te dingen naar de vergunning. 6. De burgemeester maakt, voorafgaand aan de in het vijfde lid bedoelde periode, bekend op welke wijze en op welk moment de in het vorige lid bedoelde gelegenheid tot mededinging wordt geboden. 7. De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop hij de aanvraag met bijbehorende bescheiden heeft ontvangen. De

Geen wijziging

bedoelde gelegenheid tot mededinging wordt geboden. 7. De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop hij de aanvraag met bijbehorende bescheiden heeft ontvangen. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste twaalf weken worden verdaagd. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

beslissing kan eenmaal voor ten hoogste twaalf weken worden verdaagd. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40c Indieningsvereisten De exploitant dient de vergunning aan te vragen onder overlegging van: 1. de personalia van de aanvrager in natuurlijke persoon, indien aanvrager een rechtspersoon is, de gegevens van alle aandeelhouders – indien dit ook rechtspersonen zijn: alle gegevens tot de natuurlijke persoon- en de beheerder(s), voorzien van een kopie van een geldig legitimatiebewijs; 2. een bewijs van inschrijving bij de Kamer van koophandel, niet ouder dan 6 maanden; 3. een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond op schaal waarin is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en in welk aantal kansspelen/of behendigheidsautomaten worden opgesteld en op welke plaats leeftijdscontrole plaatsvindt; 4. een document waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken; 5. een nauwkeurige omschrijving van het concept van de speelautomatenhal; 6. een verklaring omtrent het gedrag van de beheerder(s) en de exploitant dan wel, indien de exploitant een rechtspersoon is, van degene(n) die de onderneming krachtens de statuten vertegenwoordigt(en).

Artikel 2:34 Indieningsvereisten De exploitant dient de vergunning aan te vragen onder overlegging van: 1. de personalia van de aanvrager in natuurlijke persoon, indien aanvrager een rechtspersoon is, de gegevens van alle aandeelhouders – indien dit ook rechtspersonen zijn: alle gegevens tot de natuurlijke persoon- en de beheerder(s), voorzien van een kopie van een geldig legitimatiebewijs; 2. een bewijs van inschrijving bij de Kamer van koophandel, niet ouder dan 6 maanden; 3. een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond op schaal waarin is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en in welk aantal kansspelen/of behendigheidsautomaten worden opgesteld en op welke plaats leeftijdscontrole plaatsvindt; 4. een document waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken; 5. een nauwkeurige omschrijving van het concept van de speelautomatenhal; 6. een verklaring omtrent het gedrag van de vergunninghouder, exploitant en beheerder(s); 7. overige bewijsstukken waarmee wordt aangetoond dat wordt voldaan aan artikel 30d, vierde lid van de wet; 8. een afschrift van de exploitatievergunning verkregen op grond van de Wet op de Kansspelen

Lid 6 aangepast naar aanleiding van aanpassing definities artikel 2:32.

7. overige bewijsstukken waarmee wordt aangetoond dat wordt voldaan aan artikel 30d, vierde lid van de wet; 8. een afschrift van de exploitatievergunning verkregen op grond van de Wet op de Kansspelen 9. een plan waarin wordt beschreven welke maatregelen de aanvrager neemt ter preventie en bestrijding van gokverslaving en de wijze waarop hij de gedrags- en reclamecode voor kansspelen naleeft; 10. een plan waarin wordt beschreven welke maatregelen de exploitant neemt ter bescherming van de openbare orde, veiligheid en het woon- en leefklimaat en het tegengaan van criminele activiteiten; 11. een plan waarin wordt beschreven in welke mate de speelautomatenhal gekoppeld is aan een bredere leisure voorziening en in welke mate de speelautomatenhal synergie zal opleveren ten opzichte van de andere in het gebied gevestigde bedrijven; 12. De burgemeester kan nog nadere eisen stellen aan de in te dienen bescheiden dan wel aanvullende gegevens (niet eerder genoemd) in het kader van de inrichting van de speelautomatenhal, openbare orde en veiligheid en de preventie van gokverslaving.

9. een plan waarin wordt beschreven welke maatregelen de aanvrager neemt ter preventie en bestrijding van gokverslaving en de wijze waarop hij de gedrags- en reclamecode voor kansspelen naleeft; 10. een plan waarin wordt beschreven welke maatregelen de exploitant neemt ter bescherming van de openbare orde, veiligheid en het woon- en leefklimaat en het tegengaan van criminele activiteiten; 11. een plan waarin wordt beschreven in welke mate de speelautomatenhal gekoppeld is aan een bredere leisure voorziening en in welke mate de speelautomatenhal synergie zal opleveren ten opzichte van de andere in het gebied gevestigde bedrijven; 12. De burgemeester kan nog nadere eisen stellen aan de in te dienen bescheiden dan wel aanvullende gegevens (niet eerder genoemd) in het kader van de inrichting van de speelautomatenhal, openbare orde en veiligheid en de preventie van gokverslaving.

Artikel 2:40d Inhoud vergunning 1. De vergunning is locatie- en (rechts)persoonsgebonden en is niet overdraagbaar. 2. Een aandelentransactie, indien de vergunning is verleend aan een rechtspersoon, wordt in deze verordening gelijk gesteld met een wijziging van de ondernemer door indirecte overdracht van de vergunning, ten gevolge waarvan de vergunning komt te vervallen en een nieuwe vergunning dient te worden aangevraagd.

Artikel 2:35 Inhoud vergunning 1. De vergunning is locatie- en (rechts)persoonsgebonden en is niet overdraagbaar. 2. Een aandelentransactie, indien de vergunning is verleend aan een rechtspersoon, wordt in deze verordening gelijk gesteld met een wijziging van de ondernemer door indirecte overdracht van de vergunning, ten gevolge waarvan de vergunning komt te vervallen en een nieuwe vergunning dient te worden aangevraagd.

Geen wijziging

3. In de vergunning wordt de naam van de exploitant en beheerder(s) vermeld. 4. Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op: a. de sluitingstijden van de speelautomatenhal; b. het toezicht in de speelautomatenhal; c. het aantal en type speelautomaten dat mag worden opgesteld; d. de exploitatie van de hal; e. de inrichting van de hal; f. in de hal is geen verkoop of aanwezigheid van alcohol toegestaan; indien in hetzelfde gebouw een of meerdere horecagelegenheden aanwezig zijn waar alcohol wordt geschonken, moeten deze strikt gescheiden zijn van de speelautomatenhal; g. het nemen van maatregelen door de vergunninghouder om gokverslaving bij kansspelers tegen te gaan en/of te beperken; h. het nemen van maatregelen door de vergunninghouder om criminele activiteiten tegen te gaan.

3. In de vergunning wordt de naam van de exploitant en beheerder(s) vermeld. 4. Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op: a. de sluitingstijden van de speelautomatenhal; b. het toezicht in de speelautomatenhal; c. het aantal en type speelautomaten dat mag worden opgesteld; d. de exploitatie van de hal; e. de inrichting van de hal; f. in de hal is geen verkoop of aanwezigheid van alcohol toegestaan; indien in hetzelfde gebouw een of meerdere horecagelegenheden aanwezig zijn waar alcohol wordt geschonken, moeten deze strikt gescheiden zijn van de speelautomatenhal; g. het nemen van maatregelen door de vergunninghouder om gokverslaving bij kansspelers tegen te gaan en/of te beperken; h. het nemen van maatregelen door de vergunninghouder om criminele activiteiten tegen te gaan.

Artikel 2:40e Weigeringsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. wordt de vergunning geweigerd, indien: a. niet wordt voldaan aan de bepalingen bij of krachtens de Wet op de kansspelen; b. ten aanzien van de exploitant als natuurlijk persoon of de rechtspersoon faillissement is aangevraagd of een procedure van vereffening of surseance van betaling of akkoord aanhangig is gemaakt; c. het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend; d. de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt;

Artikel 2:36 Weigeringsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester de vergunning indien: a. niet wordt voldaan aan de bepalingen bij of krachtens de Wet op de kansspelen; b. ten aanzien van de exploitant als natuurlijk persoon of de rechtspersoon faillissement is aangevraagd of een procedure van vereffening of surseance van betaling of akkoord aanhangig is gemaakt; c. de vergunninghouder en/of exploitant en/of beheerder als bedoeld in artikel 2:32 in enig opzicht van slecht levensgedrag is. d. het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend;

-

Eerste lid: schrijfvorm aangepast naar actieve vorm Eerste lid, sub c toegevoegd. Vergunninghouders, exploitanten en beheerders van speelautomatenhallen hebben een bijzondere verantwoordelijkheid. Het exploiteren van een dergelijk bedrijf, of beter gezegd, het niet verantwoord exploiteren ervan, kan tot een verstoring van de openbare orde leiden of het omliggende woon- en leefklimaat nadelig beïnvloeden. De levensgedragtoets is een noodzakelijke preventieve toets om de risico’s op inbreuken op de openbare orde en veiligheid en een goed woon- en leefklimaat te beperken.

e. door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester de leef- en woonsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat /winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; f. de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; g. De ondernemer onvoldoende heeft aangetoond te kunnen en zullen bijdragen aan preventie en bestrijding van gokverslaving en het beschermen van de openbare orde, veiligheid en het woon- en leefklimaat en het tegengaan van criminele activiteiten 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het leeftijdsvereiste, gesteld in het eerste lid, onder c.

e. de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt; f. door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester de leef- en woonsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat /winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; g. de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; h. De ondernemer onvoldoende heeft aangetoond te kunnen en zullen bijdragen aan preventie en bestrijding van gokverslaving en het beschermen van de openbare orde, veiligheid en het woon- en leefklimaat en het tegengaan van criminele activiteiten 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het leeftijdsvereiste, gesteld in het eerste lid, onder c. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning weigeren op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

-

Derde lid toegevoegd. De Wet Bibob kon al toegepast worden (rechtstreeeks voortvloeiend uit de Wet Bibob), maar voor de volledigheid en daarmee duidelijkheid van de intrekkingsgronden toegevoegd.

Artikel 2:40f Intrekkingsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6. wordt de vergunning ingetrokken, indien: a. niet meer wordt voldaan aan de bepalingen bij of krachtens de Wet op de kansspelen; b. ten aanzien van de exploitant als natuurlijk persoon of de rechtspersoon faillissement is aangevraagd of een procedure van vereffening of surseance van betaling of akkoord aanhangig is gemaakt; c. zich in of vanuit de speelautomatenhal feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de speelautomatenhal

Artikel 2:37 Intrekkingsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 trekt de burgemeester de vergunning in, indien: a. niet meer wordt voldaan aan de bepalingen bij of krachtens de Wet op de kansspelen; b. ten aanzien van de exploitant als natuurlijk persoon of de rechtspersoon faillissement is aangevraagd of een procedure van vereffening of surseance van betaling of akkoord aanhangig is gemaakt; c. zich in of vanuit de speelautomatenhal feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de speelautomatenhal gevaar

-

Eerste lid, sub e toegevoegd. Vergunninghouders, exploitanten en beheerders van speelautomatenhallen hebben een bijzondere verantwoordelijkheid. Het exploiteren van een dergelijk bedrijf, of beter gezegd, het niet verantwoord exploiteren ervan, kan tot een verstoring van de openbare orde leiden of het omliggende woon- en leefklimaat nadelig beïnvloeden. Als dit het geval is moet het mogelijk zijn om op grond van slecht levensgedrag de vergunning in te trekken. Tweede lid toegevoegd. De Wet Bibob kon al toegepast worden (rechtstreeeks voortvloeiend

-

gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de speelautomatenhal; d. De koppeling met de bredere leisure voorziening vervalt.

oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de speelautomatenhal; d. De koppeling met de bredere leisure voorziening vervalt. e. De vergunninghouder en/of exploitant en/of beheerder als bedoeld in artikel 2:32 in enig opzicht van slecht levensgedrag is geworden. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester de vergunning intrekken op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

uit de Wet Bibob), maar voor de volledigheid en daarmee duidelijkheid van de intrekkingsgronden toegevoegd.

Artikel 2:40g Vervallen exploitatievergunning De exploitatievergunning vervalt wanneer: a. De exploitatie van de speelautomatenhal feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) overgedragen (inclusief overdracht van aandelen); b. Zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de vergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt; c. Gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de vergunning; d. De verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, onherroepelijk van kracht is geworden.

Artikel 2:38 Vervallen exploitatievergunning De exploitatievergunning vervalt wanneer: a. De exploitatie van de speelautomatenhal feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) overgedragen (inclusief overdracht van aandelen); b. Zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de vergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt; c. Gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de vergunning; d. De verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, onherroepelijk van kracht is geworden.

Geen wijziging

Artikel 2:40h Wijziging in exploitatie Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 gelden de volgende bepalingen: 1. Indien een in de vergunning vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder heeft verloren, dient de exploitant een aanvraag tot wijziging van de vergunning aan te vragen binnen één maand nadat de beheerder zijn hoedanigheid

Artikel 2:39 Wijziging in exploitatie Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 gelden de volgende bepalingen: 1. Indien een in de vergunning vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder heeft verloren, dient de exploitant een aanvraag tot wijziging van de vergunning aan te vragen binnen één maand nadat de beheerder zijn hoedanigheid heeft

Tweede en derde lid verwijderd, omdat deze overbodig zijn. De transparante (ver)gunningsprocedure dient doorlopen te worden bij nieuwe vergunningen.

heeft verloren onder overlegging van de in artikel 2:40 onder f en g genoemde bescheiden. 2. Indien een exploitant komt te overlijden dient, indien voortzetting van de exploitatie wordt beoogd, binnen twaalf weken een nieuwe vergunning te worden aangevraagd. 3. In alle andere gevallen van wisseling van exploitant dient binnen vier weken na overname van de speelautomatenhal een nieuwe vergunning te worden aangevraagd. 4. Zolang op een tijdig ingediende complete aanvraag niet is beslist is voortzetting van de exploitatie toegestaan, met inachtneming van de voorschriften en beperkingen, verbonden aan de van rechtswege vervallen vergunning.

verloren onder overlegging van de in artikel 2:34 onder f en g genoemde bescheiden. 2. Zolang op een tijdig ingediende complete aanvraag niet is beslist is voortzetting van de exploitatie toegestaan, met inachtneming van de voorschriften en beperkingen, verbonden aan de van rechtswege vervallen vergunning, onder de volgende voorwaarden: - De beoogde vergunninghouder heeft een complete vergunningaanvraag, inclusief Bibob-vragenformulier met bijbehorende documenten, ingediend; - De beoogde vergunninghouder kan aantonen dat hij juridisch en feitelijk over de openbare inrichting kan beschikken; - Er is geen Bibob-tip als bedoeld in artikel 11 of artikel 26 van de Wet Bibob ontvangen; - Er is geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake zal zijn van verstoringen van de openbare orde en veiligheid waardoor gevaarlijke situaties kunnen ontstaan als de exploitatie doorgaat.

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Afdeling 7. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade

De titel is gewijzigd, omdat de plaatsing van een artikel in een hoofdstuk of afdeling mede bepaalt hoe het gelezen moet worden (de zogenoemde ‘rubrica est lex’-regel). De systematiek van een APV is van belang voor het antwoord op de vraag op welke gronden de ontheffing of vergunning mag worden geweigerd (ABRvS 24-10-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3487)

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of

Artikel 2:40 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of

Geen wijziging

dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 3. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels een voorwerp te vervoeren of bij zich te hebben dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel) diefstal te vergemakkelijken. 4. Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats: a.

te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2:41 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen diefstal 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 3. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels een voorwerp te vervoeren of bij zich te hebben dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel) diefstal te vergemakkelijken. 4. Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel 2:42 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats: a.

te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

Titel artikel is gewijzigd: geeft beter weer waar dit artikel over gaat.

Geen wijziging

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. --

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:43 Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:44 Verboden lachgasgebruik 1. Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.

Tweede lid: De Drank- en Horecawet is per 1 juli 2021 gewijzigd in de Alcoholwet.

Het oneigenlijk gebruik en de verkoop van lachgas vormt een niet te onderschatten probleem bij voornamelijk jongeren. Het geeft gezondheidsrisico’s en veroorzaakt hinder en overlast. Dit probleem speelt ook in onze regio. Het wetgevingsproces om te komen tot een landelijke aanpassing van de opiumwetgeving (toevoegen lachgas aan lijst II bij de Opiumwet en het uitzonderen van de eigenlijke toepassingen van lachgas van het Opiumwetverbod) duurt langer dan voorzien. Met de politie (Basisteam Horst aan de Maas / Peel en Maas) hebben we daarom bekeken welke mogelijkheden de APV biedt om dit aan te pakken. Op 16 juni 2021 nam de Algemene Ledenvergadering van de VNG een motie van de gemeente Rotterdam aan over de opname van een

specifiek artikel over het gebruik van lachgas in de model- Algemene plaatselijke verordening (APV). Het gaat hier om een artikel dat reeds eerder in de model-APV van de VNG was opgenomen (artikel 2:48a: verboden lachgasgebruik). De VNG heeft dit artikel recent uit de model-APV geschrapt vanwege mogelijke bewijsproblemen. De VNG heeft het betreffende artikel 2:48a nogmaals voorgelegd aan de Commissie Feiten en Tarieven van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM). De uitkomst van deze uitvraag is nu dat de Commissie Feiten en Tarieven alsnog mogelijkheden ziet om het specifieke lachgasverbod in artikel 2:48a model-APV met een feitcode te ondersteunen. Verwacht wordt dat meerdere feitcodes nodig zijn, omdat het artikel verscheidene bestanddelen bevat. De commissie gaat dit nader uitwerken. De verwachting is dat de feitcodes per 1 november 2021 beschikbaar komen. Vanaf dat moment is een bestuurlijke strafbeschikking mogelijk bij overtreding van artikel 2:48a model-APV. Ook het bestaande artikel 2:74a model-APV dat ziet op openlijk drugsgebruik biedt goede mogelijkheden om op lachgasgebruik te handhaven. Lachgas wordt hierbij aangemerkt als ‘daarop gelijkende waar’. De feitcode die sinds 1 juli 2021 hierop betrekking heeft blijft bestaan. Gemeenten kunnen daarom sinds 1 juli jl. een bestuurlijke strafbeschikking uitvaardigen bij overtreding van deze bepaling.

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek of poort op te houden;

Artikel 2:45 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek of poort op te houden;

Uitkomst van het overleg met het CVOM is dat de VNG ook het nieuwe artikel 2:48a in de Model-APV invoegt. Wij volgen dit besluit van de VNG. Geen wijziging

b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 2:57 Loslopende honden 1.

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel 2:46 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2:47 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Geen wijziging

Artikel 2:48 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

Eerste lid, sub b: Volgens het huidige onderdeel b geldt een verbod voor honden op de weg indien ze niet aangelijnd zijn. Dus op andere openbare plaatsen dan de weg mag een hond niet aangelijnd lopen, behalve op een krachtens onderdeel a genoemde plaats/aangewezen plaats. De wijziging breidt het verbod voor niet-aangelijnde honden uit tot andere plaatsen binnen de bebouwde kom dan de weg, zoals parken en plantsoenen of andere voor publiek openstaande plaatsen. Dat past ook beter bij

Geen wijziging

b. binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd; c. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

b. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; c. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

de uitzondering in het tweede lid, waar wordt gesproken over ‘aangewezen plaatsen’.

Artikel 2:49 Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 4. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat hij altijd een poepschepje of een ander ruimmiddel bij zich heeft. Blote handen en/of een zakdoek worden niet aangemerkt als ruimmiddel. Artikel 2:50 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod, een muilkorfgebod, of een aanlijnen muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

Lid 4 toegevoegd om handhaving te vergemakkelijken.

-

Eerste lid: er is voor gekozen om de formulering van de geboden ruimer in te zetten. Er kan dan sprake zijn van een aanlijngebod, een muilkorfgebod en een aanlijn- en muilkorfgebod. De overweging hierbij is dat door enkel een muilkorfgebod op te leggen de hond wel voldoende beweging kan krijgen. Dat zou beter zijn voor de welzijn van de hond.

2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

-

Artikel 2:65a Slapen in de openbare ruimte Het is verboden zich bij een gevoelstemperatuur van –10 ºC of kouder tussen 21.00 uur en 07.00 uur op te houden in de buitenlucht met het kennelijke doel een aanzienlijk deel van de nacht in de buitenlucht door te brengen.

2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd artikel 2:48, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel 2:51 Slapen in de openbare ruimte Het is verboden zich bij een gevoelstemperatuur van – 10 ºC of kouder tussen 21.00 uur en 07.00 uur op te houden in de buitenlucht met het kennelijke doel een aanzienlijk deel van de nacht in de buitenlucht door te brengen.

Tweede en derde lid: hiermee wordt uitdrukkelijker aangegeven dat de eigenaar of houder van de hond zich moet houden aan een opgelegd aanlijn- en/of muilkorfgebod in plaats van een omschrijving te geven van wat een aanlijn- resp. muilkorfgebod inhoudt. Omdat in de feitcodes van het Openbaar Ministerie ‘kort aangelijnd’ staat, is ‘kort’ toegevoegd aan het tweede lid.

Afdeling 13. Vuurwerk

Afdeling 8. Consumentenvuurwerk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11025877/1