18d.2 Wijzigingstabel APV 2021 Openbare Orde en Veiligheid
Tekst van het document
Geen wijziging Door splitsing van de APV in twee aparte verordeningen heeft er een vernummering plaatsgevonden en een aanpassing van verwijzingen. Als er slechts sprake is van vernummering en/of aanpassing van verwijzingen, dan wordt dit in onderstaande tabel weergegeven als 'geen wijziging'.
Tekstuele/technische aanpassing
Inhoudelijke wijziging
Wijzigingstabel Algemene plaatselijke verordening gemeente Horst aan de Maas Openbare Orde & Veiligheid Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994]; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Bouwverordening; - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgemeester en wethouders;
Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid van de Bouwverordening Gemeente Horst aan de Maas 2012; - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
Reden wijziging Geen wijziging - Definitie bebouwde kom: er werd per abuis nog verwezen naar gedeputeerde staten. Dit klopt niet meer. Definitie is conform model-APV VNG. - Definitie bouwwerk: Tekstuele/technische aanpassing - Definitie voertuig: De definitie in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (herina: RVV 1990) eindigt op wagens. De uitzondering maakt duidelijk dat kleine wagens geen voertuig zijn. Rolstoelen zijn een uitzondering op gehandicaptenvoertuigen zoals genoemd in de definitie in het RVV 1990 - Definities verwijderd die alleen voorkomen in APV Fysieke Leefomgeving
-
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; - weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.
In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, derde lid, een vergunning als
-
-
-
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
Derde lid verwijderd, omdat deze alleen van toepassing is in de APV Fysieke Leefomgeving
bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 4:11. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d.
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of
Artikel 1:3 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken, geschorst of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e.
de houder dit verzoekt. Artikel 1:6 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is
Geen wijziging
Geen wijziging
Aanhef: de mogelijkheid om een vergunning te schorsen toegevoegd. Soms kan het intrekken van een vergunning niet proportioneel zijn, maar het schorsen van de vergunning voor een bepaalde tijd wel.
Geen wijziging
ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2. Openbare orde
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te
Geen wijziging
De titel is gewijzigd, omdat de plaatsing van een artikel in een hoofdstuk of afdeling mede bepaalt hoe het gelezen moet worden (de zogenoemde ‘rubrica est lex’-regel). De systematiek van een APV is van belang voor het antwoord op de vraag op welke gronden de ontheffing of vergunning mag worden geweigerd (ABRvS 24-10-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3487) De titel is gewijzigd, omdat de plaatsing van een artikel in een hoofdstuk of afdeling mede bepaalt hoe het gelezen moet worden (de zogenoemde ‘rubrica est lex’-regel). De systematiek van een APV is van belang voor het antwoord op de vraag op welke gronden de ontheffing of vergunning mag worden geweigerd (ABRvS 24-10-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3487) Derde lid: Tekstuele/technische aanpassing
dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; d. is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Afdeling. 2 Betoging
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat:
2.
3.
4. 5.
dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; d. is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Is vervallen
Artikel 2:2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat:
De betreffende artikelen onder deze afdeling zijn onder afdeling 1 geplaatst, waarvan de titel is gewijzigd (conform model-APV VNG). Geen wijziging
a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken
a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Is vervallen
Artikel 2:6 Is vervallen
Artikel 2:3 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aanhuis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
De betreffende artikelen onder deze afdeling zijn onder afdeling 1 geplaatst, waarvan de titel is gewijzigd (conform model-APV VNG). Wegens klachten met betrekking tot de verkoop van krantenabonnementen in de openbare ruimte hebben we dit artikel, conform model-APV VNG, opgenomen. Door het college de bevoegdheid te geven plaatsen aan te wijzen kan er snel worden ingespeeld op veranderende omstandigheden. Een totaalverbod of vergunningenstelsel is niet toegestaan in verband met het grondrecht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7 Grondwet). Met dit artikel kan, wanneer nodig, het wel gereguleerd worden.
5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling 4. Vertoningen op de weg
Is vervallen
Artikel 2:9 Is vervallen
Artikel 2:4 Vertoningen op openbare plaatsen 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling 2. Evenementen Artikel 2:5 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:4 en 2:30; g. reguliere sportwedstrijden, georganiseerd door een bij de NOC*NSF aangesloten instelling, die volgens door die instelling vastgestelde
Afdeling 7. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Dranken Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39;
De betreffende artikelen onder deze afdeling zijn onder afdeling 1 geplaatst, waarvan de titel is gewijzigd (conform model-APV VNG). Wegens klachten met betrekking tot de aanwezigheid van straatmuzikanten in de openbare ruimte hebben we dit artikel, conform model-APV VNG, opgenomen. Door de burgemeester de bevoegdheid te geven plaatsen aan te wijzen kan er snel worden ingespeeld op veranderende omstandigheden. Een totaalverbod of vergunningenstelsel is niet toegestaan in verband met het grondrecht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7 Grondwet). Met dit artikel kan, wanneer nodig, het wel gereguleerd worden.
Geen wijziging - Eerste lid, onder b: artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet moet artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet zijn. Verder kent onze APV geen artikel 5:22. - Eerste lid onder d: Per 1 juli is de Drank- en Horecawet veranderd in de Alcoholwet.
g. reguliere sportwedstrijden, georganiseerd door een bij de NOC*NSF aangesloten instelling, die volgens door die instelling vastgestelde regels worden gehouden of gespeeld en worden gespeeld of gehouden in of op accommodaties waarover de organisator permanent de beschikking heeft, niet zijnde: • vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f; • sportwedstrijden met een bijzonder en incidenteel karakter. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie en een snuffelmarkt; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. In deze afdeling worden de volgende evenementen onderscheiden: a. Meldingsplichtig evenement: laag risico evenement waarvoor met een melding als bedoeld in artikel 2:25 vijfde lid kan worden volstaan. b. A-evenement: eenvoudig evenement met een laag veiligheidsrisico en impact op de omgeving. c. B-evenement: (grootschalig) evenement, met een gemiddeld veiligheidsrisico en impact op de omgeving. d. C-evenement: grootschalig evenement met een hoog veiligheidsrisico en impact op de omgeving.
regels worden gehouden of gespeeld en worden gespeeld of gehouden in of op accommodaties waarover de organisator permanent de beschikking heeft, niet zijnde: • vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f; • sportwedstrijden met een bijzonder en incidenteel karakter. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie en een snuffelmarkt; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:2; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. In deze afdeling worden de volgende evenementen onderscheiden: a. Meldingsplichtig evenement: laag risico evenement waarvoor met een melding als bedoeld in artikel 2:6 vijfde lid kan worden volstaan. b. A-evenement: eenvoudig evenement met een laag veiligheidsrisico en impact op de omgeving. c. B-evenement: (grootschalig) evenement, met een gemiddeld veiligheidsrisico en impact op de omgeving. d. C-evenement: grootschalig evenement met een hoog veiligheidsrisico en impact op de omgeving.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning
Artikel 2:6 Evenementenvergunning
-
Achtste lid: Aanpassing aan de formulering van slecht levensgedrag in de artikelen 2:28, derde
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag wordt gebruik gemaakt van een door de burgemeester vastgesteld aanvraagformulier. 3. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 4. In afwijking van artikel 1:8, tweede lid van deze verordening geldt dat de aanvrager een vergunning als bedoeld in het eerste lid: • Bij een A-evenement acht weken vóór het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt dient aan te vragen. Als een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de opbouw van het evenement plaatsvindt, kan de burgemeester besluiten de aanvraag te weigeren. • Bij een B-evenement twaalf weken vóór het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt dient aan te vragen.
Als een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend minder dan twaalf weken vóór het tijdstip waarop de opbouw van het evenement plaatsvindt, kan de burgemeester besluiten de aanvraag te weigeren. • Bij een C-evenement zestien weken vóór het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt dient aan te vragen. Als een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend minder dan
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag wordt gebruik gemaakt van een door de burgemeester vastgesteld aanvraagformulier. 3. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 4. In afwijking van artikel 1:7, tweede lid van deze verordening geldt dat de aanvrager een vergunning als bedoeld in het eerste lid: • Bij een A-evenement acht weken vóór het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt dient aan te vragen. Als een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de opbouw van het evenement plaatsvindt, kan de burgemeester besluiten de aanvraag te weigeren. • Bij een B-evenement twaalf weken vóór het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt dient aan te vragen.
Als een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend minder dan twaalf weken vóór het tijdstip waarop de opbouw van het evenement plaatsvindt, kan de burgemeester besluiten de aanvraag te weigeren. • Bij een C-evenement zestien weken vóór het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt dient aan te vragen. Als een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend minder dan zestien weken vóór het tijdstip waarop de opbouw van het
-
lid, onder b, en 3:7. In de toelichting op dit artikel in de model-APV VNG is jurisprudentie vermeld. Negende lid: Tekstuele/technische aanpassing
5.
6.
7.
8.
9.
zestien weken vóór het tijdstip waarop de opbouw van het evenement plaatsvindt, kan de burgemeester besluiten de aanvraag te weigeren. De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt, maar alleen een melding hoeft te worden gedaan. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding als bedoeld in het vijfde lid besluiten een niet vergunningsplichtig evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een evenement weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
5.
6.
7.
8.
9.
evenement plaatsvindt, kan de burgemeester besluiten de aanvraag te weigeren. De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt, maar alleen een melding hoeft te worden gedaan. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding als bedoeld in het vijfde lid besluiten een niet vergunningsplichtig evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een evenement weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Artikel 2:7 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Geen wijziging
Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definities 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, open jongeren centrum, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
Afdeling 3. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:8 Definities 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, camping, vakantiepark, groepsaccommodatie, café, afhaalrestaurant, cafetaria, snackbar, discotheek, open jongeren centrum, buurthuis of clubhuis of
Geen wijziging - Eerste lid: Het was onvoldoende duidelijk wat er onder openbare inrichting werd verstaan, met name daar waar het gaat om logiesaccommodaties. Daarom is de definitie verduidelijkt door het aantal expliciet genoemde voorbeelden uit te breiden.
2.
3.
4.
5.
6.
waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Open jongeren centrum (OJC): jongerencentrum gericht op jongeren in de leeftijd van 16 jaar tot en met 23 jaar. Vergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd Leidinggevende: a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgebaat, met uitzondering van bestuurders van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en horecawet; b. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt uitgebaat; c. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de openbare inrichting. Bezoeker: een ieder die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: a. leidinggevenden; b.
personen die dienst doen in de inrichting; c. personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse of elders dan ter plaatse worden bereid of verstrekt. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Open jongeren centrum (OJC): jongerencentrum gericht op jongeren in de leeftijd van 16 jaar tot en met 23 jaar. Onder een openbare inrichting wordt niet verstaan een speelautomatenhal als bedoeld in afdeling 6 van deze Verordening. Onder een openbare inrichting wordt niet verstaan een inrichting tot het verschaffen van nachtverblijf aan arbeidsmigranten als bedoeld in afdeling 11 van deze Verordening. Vergunninghouder: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd Exploitant: de natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd.
Leidinggevende: a. de natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgebaat, met uitzondering van bestuurders van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 van de Alcoholwet;
-
-
-
-
Eerste lid: Om horecazaken waar alleen eten afgehaald kan worden ook onder de vergunningplicht te laten vallen is ‘afhaalrestaurant’ en ‘ter plaatse of elders dan ter plaatse’ toegevoegd aan de definitie. In de praktijk is namelijk gebleken dat ook afhaalrestaurants een negatieve invloed kunnen uitoefenen op de openbare orde en veiligheid en het wenselijk is de mogelijkheid te hebben deze te screenen en, wanneer nodig, voorschriften op te leggen. Voor de afhaalhoreca die op het moment van inwerkingtreding van de APV Openbare Orde & Veiligheid in onze gemeente gevestigd zijn geldt overgangsrecht. Deze openbare inrichtingen worden aangeschreven met het verzoek een aanvraag in te dienen en krijgen vervolgens een termijn om een aanvraag in te dienen. Er vindt bij de aanvragen voor een exploitatievergunning door deze openbare inrichtingen wel standaard een Bibob-onderzoek plaats, omdat de gemeente deze ondernemers nog niet eerder onderzocht heeft. Deze openbare inrichtingen hoeven echter geen leges te betalen voor de exploitatievergunning. Vierde en vijfde lid: toegevoegd ter verduidelijking. De Speelautomatenhal en de inrichting tot het verschaffen van nachtverblijf aan arbeidsmigranten kennen een eigen regeling (afdeling 10a en afdeling 13). Vijfde lid: toegevoegd ter verduidelijking.
De Vijfde en zesde lid: in de hele APV daar waar het gaat om de exploitatie van een bepaald soort inrichting de definities van vergunninghouder en exploitant gelijkgetrokken. Dit zorgt voor duidelijkheid en maakt het in de praktijk makkelijker om mee te werken. Per 1 juli is de Drank- en Horecawet veranderd in de Alcoholwet.
b. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt uitgebaat; c. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de openbare inrichting. 9. Bezoeker: een ieder die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: a. leidinggevenden; b. personen die dienst doen in de inrichting; c. personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. b. De vergunninghouder of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 trekt de burgemeester de vergunning in als: a.
de leidinggevende als bedoeld in artikel 2.27, vijfde lid, sub a in enig opzicht van slecht levensgedrag is geworden. b. zich in of vanuit de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid
Artikel 2:9 Exploitatievergunning openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De namen van de leidinggevenden als bedoeld in artikel 2:8, achtste lid worden vermeld op een aanhangsel behorende bij de exploitatievergunning. 3. De vergunninghouder meldt aan de burgemeester welke persoon hij verzoekt als leidinggevende bij of af te schrijven. 4. De melding tot het bij- of afschrijven van leidinggevenden geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. 5. De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. 6. Direct na de melding mag de leidinggevende als zodanig werkzaam zijn, mits de ontvangst van die melding is bevestigd, zolang nog niet op die melding is beslist. 7. De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 8. De burgemeester verwijdert de leidinggevende uit het aanhangsel indien: a. de leidinggevende hier zelf om verzoekt; b. de vergunninghouder hier om verzoekt;
-
-
Huidige artikel 2:28 (exploitatie openbare inrichting) opgesplitst in meerdere artikelen om de leesbaarheid te bevorderen; Twaalfde lid: Tekstuele/technische aanpassing 14e lid verwijderd. Om de burgemeester meer grip te geven op horecabedrijven voeren we de vergunningplicht voor de ‘natte horeca’ weer in. De Alcoholwetvergunning regelt alleen de verstrekking van alcoholhoudende dranken en biedt te weinig mogelijkheden om stappen te ondernemen wanneer de openbare orde en veiligheid (mogelijk) in het geding is. Met de exploitatievergunning kan dit wel, bijvoorbeeld door het verbinden van aanvullende voorschriften aan de vergunning. Daarnaast is het zeer wenselijk dat wanneer er sprake is van ernstige misstanden dat het horecabedrijf definitief wordt gesloten. Dat is het eenvoudigst te bereiken door een eenmaal verstrekte exploitatievergunning in te trekken. Als het gaat om administratieve lastenverhoging voor ondernemers vinden wij dit van een aanvaardbaar niveau, omdat deze procedure gelijktijdig kan lopen met de drank- en horecavergunningprocedure. Voor de openbare inrichtingen die momenteel wel een alcoholwetvergunning hebben, maar geen exploitatievergunning, geldt
en/of een bedreiging vormt voor het woonen leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting. 5. De exploitatievergunning vervalt wanneer: a. de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) overgedragen (inclusief overdracht van aandelen); b. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning; c. de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. 6. De namen van de leidinggevenden als bedoeld in artikel 2:27 vijfde lid worden vermeld op een aanhangsel behorende bij de exploitatievergunning. 7. De vergunninghouder meldt aan de burgemeester welke persoon hij verzoekt als leidinggevende bij of af te schrijven. 8. De melding als bedoeld in het derde lid geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. 9. De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag. 10. Direct na de melding mag de leidinggevende als zodanig werkzaam zijn, mits de ontvangst van die melding is bevestigd, zolang nog niet op die melding is beslist. 11. De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 12. De burgemeester verwijdert de leidinggevende uit het aanhangsel indien: a. de leidinggevende hier zelf om verzoekt; b.
de vergunninghouder hier om verzoekt; c. de vergunninghouder ter verkrijging van het gewijzigde aanhangsel onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt; d. de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is geworden.
c. de vergunninghouder ter verkrijging van het gewijzigde aanhangsel onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt; d. de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is geworden. 9. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of -restaurant. 10. Onder nevenactiviteit als bedoeld in het negende lid, onder a, wordt in deze paragraaf verstaan: een aanvullende, aan de hoofdactiviteit ondergeschikte activiteit, die niet meer dan 20% van het netto winkeloppervlak van de inrichting in beslag neemt en in totaal niet meer bedraagt dan 20 vierkante meter. 11. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting zijnde een logiesaccommodatie, zoals een bed & breakfast of vakantiewoning, waarin op één adres aan maximaal 4 personen of één huishouden logies kan worden verschaft en niet anderen dan de vakantiegasten toegang hebben. 12. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
-
overgangsrecht. Deze openbare inrichtingen worden groepsgewijs in fases aangeschreven met het verzoek een aanvraag in te dienen en krijgen vervolgens een termijn om een aanvraag in te dienen. Vindt er een wijziging van de alcoholwetvergunning plaats, voordat de ondernemer is aangeschreven, dan wordt meteen de exploitatievergunning meegenomen in het proces. Er vindt bij de aanvragen voor een exploitatievergunning door openbare inrichtingen die op het moment van inwerkingtreding van de APV Openbare Orde & Veiligheid over een alcoholwetvergunning beschikken niet standaard een Bibob-onderzoek plaats, maar alleen als signalen daartoe aanleiding geven. Daarnaast hoeven deze openbare inrichtingen geen leges te betalen voor de exploitatievergunning en de eventuele gelijktijdige actualisatie van de Alcoholwetvergunning en hoeven ze geen Verklaring omtrent gedrag te overleggen. Koninklijke Horeca Nederland afdeling Horst aan de Maas staat achter deze overgangsregeling. In de praktijk bleek het onvoldoende duidelijk wanneer er sprake was van een nevenactiviteit. In het betreffende artikel (toevoeging lid 10) is dit nu concreter opgenomen wanneer er in dergelijke gevallen wel en wanneer geen exploitatievergunning nodig is. Dit betekent dat een klein aantal openbare inrichtingen in winkels in onze gemeente exploitatievergunning plichtig zijn.
Wanneer deze openbare inrichtingen nog geen exploitatievergunning hebben op het moment dat de APV Openbare Orde & Veiligheid in werking treedt, geldt hiervoor overgangsrecht. Deze openbare inrichtingen worden aangeschreven met het verzoek een aanvraag in te dienen en krijgen vervolgens een termijn om een aanvraag in te dienen. Er vindt bij de aanvragen voor een exploitatievergunning door deze openbare inrichtingen een Bibob-
13. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of -restaurant. 14. Geen exploitatievergunning openbare inrichting is vereist: a. als een vergunning is verleend door de burgemeester op grond van artikel 3 Drank en Horecawet, tenzij binnen een periode van zes maanden in of in de directe omgeving van de openbare inrichting tenminste twee incidenten hebben plaatsgevonden waarbij sprake is van geweld, overlast of drugsgebruik/-handel of anderszins sprake is van aantasting van de openbare orde en veiligheid. b. als een openbare inrichting zich nieuw vestigt en er geen weigeringsgronden zijn als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede, derde of vierde lid en gelijktijdig door dezelfde exploitant een vergunning is aangevraagd op grond van artikel 3 Dranken Horecawet, tenzij de exploitant al bekend is binnen de gemeente en er eerder sprake is geweest van geweld, overlast of drugsgebruik/-handel of anderszins sprake is van aantasting van de openbare orde en veiligheid. 15. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning.
-
-
-
Artikel 2:10 Indieningsvereisten
onderzoek plaats, als deze openbare inrichtingen geen alcoholwetvergunning hebben. Dit, omdat de gemeente deze ondernemers nog niet eerder onderzocht heeft. Deze openbare inrichtingen hoeven echter geen leges te betalen voor de exploitatievergunning. Naar aanleiding van de nieuwe Alcoholwet vindt momenteel een landelijk onderzoek plaats naar de doeltreffendheid van het al dan niet bijschrijven van ‘dag-leidinggevenden’ op de Alcoholwetvergunning. Ook wordt onderzocht of er categorieën horecabedrijven worden aangewezen waarvan de leidinggevenden en/of eventueel andere categorieën medewerkers wel moeten worden bijgeschreven. Zodra de resultaten van dit onderzoek bekend zijn, beoordelen we of het nodig is artikel 2:28 van de APV op het onderdeel bijschrijven leidinggevenden aan te passen. Tiende lid toegevoegd. In de praktijk bleek het kader om te kunnen bepalen wanneer de activiteiten een nevenactiviteit vormen onvoldoende duidelijk. Met de toevoeging van dit lid is het kader duidelijker. Elfde lid toegevoegd: Met de huidige definitie omschrijving van openbare inrichting vallen alle vormen van logies die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was wordt verstrekt. Met het oog op het beschermen van de belangen die met de exploitatievergunningplicht is beoogd, achten wij het niet nodig om voor zeer kleinschalige logiesaccommodaties een vergunningplicht te eisen.
Artikel ter verduidelijking en ter voorkoming van discussie toegevoegd.
1. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 2. Bij de aanvraag om een vergunning worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en leidinggevende(n); b. het adres en telefoonnummer waar de waar de openbare inrichting wordt geëxploiteerd; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant en leidinggevende(n); e. indien van toepassing een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en leidinggevende(n) gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; f. een verklaring omtrent gedrag (VOG) van vergunninghouder, exploitant en leidinggevenden die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin de openbare inrichting wordt gevestigd. 3. De burgemeester kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen. Artikel 2:11 Inhoud vergunning 1. De exploitatievergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam gezet van de vergunninghouder. 2. De exploitatievergunning is niet overdraagbaar. 3.
Het adres, de aard, locatie en omvang van de openbare inrichting worden op de exploitatievergunning vermeld. 4. De namen van de leidinggevenden worden vermeld op het aanhangsel behorende bij de exploitatievergunning.
Artikel ter verduidelijking en ter voorkoming van discussie toegevoegd in APV.
5. De vergunning en het daarbij behorende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag en de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 2:9, vijfde lid, zijn in de openbare inrichting aanwezig. Artikel 2:12 Weigeringsgronden 1. De burgemeester weigert de vergunning: a. als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, omgevingsvergunning, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. b. als de vergunninghouder, exploitant of leidinggevende(n) in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren: a. als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. b. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.
-
Artikel 2:13 Intrekkingsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 trekt de burgemeester de vergunning in als: a. de vergunninghouder en/of leidinggevende als bedoeld in artikel 2:8, achtste lid, sub a in enig opzicht van slecht levensgedrag is geworden. b. zich in of vanuit de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid en/of een bedreiging
-
-
-
Huidige artikel 2:28 (exploitatie openbare inrichting) opgesplitst in meerdere artikelen om de leesbaarheid te bevorderen; Eerste lid onder b aangepast als gevolg van aanpassing definities; Tweede lid onder b: De Wet Bibob kon al toegepast worden (rechtstreeeks voortvloeiend uit de Wet Bibob), maar voor de volledigheid en daarmee duidelijkheid van de weigeringsgronden toegevoegd.
Huidige artikel 2:28 (exploitatie openbare inrichting) opgesplitst in meerdere artikelen om de leesbaarheid te bevorderen; Eerste lid aanhef en onder a aangepast als gevolg van aanpassing definities Tweede lid toegevoegd. De Wet Bibob kon al toegepast worden (rechtstreeeks voortvloeiend uit de Wet Bibob), maar voor de volledigheid en daarmee duidelijkheid van de intrekkingsgronden toegevoegd.
vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester de vergunning intrekken op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB. Artikel 2:14 Vervallen exploitatievergunning De exploitatievergunning vervalt wanneer: a. de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) overgedragen (inclusief overdracht van aandelen); b. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning; c. de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
-
Artikel 2:15 Wijziging in exploitatie Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 gelden de volgende bepalingen: 1. Indien een openbare inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, indien wordt voldaan aan de op het moment van de melding geldende eisen gesteld bij of krachtens deze Verordening, een gewijzigde vergunning, waarin de op grond van artikel 2:11 vereiste omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie. 2. Indien er sprake is van een overname van een openbare inrichting dient binnen vier weken na overname een nieuwe vergunning te worden aangevraagd
Nieuw artikel ter verduidelijking toegevoegd. Er is onduidelijkheid hoe om te gaan met het voortzetten van de exploitatie van een openbare inrichting bij een overname. Om een complete vergunningaanvraag te kunnen indienen moet de overname al rond zijn. Dit betekent dat een openbare inrichting tijdelijk dichtmoet in afwachting van de afronding van de vergunningprocedure, of dat we toestaan, onder voorwaarden, dat men de exploitatie mag voortzetten tijdens de vergunningprocedure. We hebben gekozen voor dat laatste, onder strikte voorwaarden. Niet alleen uit zakelijk oogpunt (‘de loop kan er uit gaan’), maar ook voor de gemeente is het ongewenst om een openbare inrichting tijdelijk te sluiten als er geen indicaties zijn om de aangevraagde vergunning te weigeren. Gelet op de frequentie waarmee e.e.a. voorkomt is het immers ook voor de gemeente ongewenst als her en der in de gemeente tijdelijke
-
Huidige artikel 2:28 (exploitatie openbare inrichting) opgesplitst in meerdere artikelen om de leesbaarheid te bevorderen; Term horecabedrijf vervangen door openbare inrichting. Dit om verwarring met de Alcoholwet te voorkomen. We hebben het immers in deze afdeling over een vergunningplicht voor openbare inrichtingen.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Voor een openbare inrichting gelden geen verplichte sluitingstijden, uitgezonderd voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid. Voor dergelijke openbare inrichtingen en bijbehorende terrassen gelden dezelfde
3. Indien een vergunninghouder komt te overlijden dient, indien voortzetting van de exploitatie wordt beoogd, in afwijking van het tweede lid binnen twaalf weken een nieuwe vergunning te worden aangevraagd. 4. Indien de rechtsvorm wijzigt dient binnen vier weken een nieuwe vergunning te worden aangevraagd. 5. Een aandelentransactie, indien de vergunning is verleend aan een rechtspersoon, wordt in deze verordening gelijk gesteld met een wijziging van de ondernemer door indirecte overdracht van de vergunning, ten gevolge waarvan de vergunning komt te vervallen en een nieuwe vergunning dient te worden aangevraagd. 6.
Zolang op een tijdig ingediende complete aanvraag niet is beslist is voortzetting van de exploitatie toegestaan, met inachtneming van de voorschriften en beperkingen, verbonden aan de van rechtswege vervallen vergunning, onder de volgende voorwaarden: - De beoogde vergunninghouder heeft een complete vergunningaanvraag, inclusief Bibobvragenformulier met bijbehorende documenten, ingediend; - De beoogde vergunninghouder kan aantonen dat hij juridisch en feitelijk over de openbare inrichting kan beschikken; - Er is geen Bibob-tip als bedoeld in artikel 11 of artikel 26 van de Wet Bibob ontvangen; - Er is geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake zal zijn van verstoringen van de openbare orde en veiligheid waardoor gevaarlijke situaties kunnen ontstaan als de exploitatie doorgaat.
sluitingen plaatsvinden. Daarnaast is het van belang dat bij het exploiteren zonder benodigde vergunning de gemeente volgens vaste jurisprudentie eerst moet bekijken of legalisering mogelijk is.
Artikel 2:16 Sluitingstijd 1. Voor een openbare inrichting gelden geen verplichte sluitingstijden, uitgezonderd voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:9, negende lid. Voor dergelijke openbare inrichtingen en bijbehorende terrassen gelden dezelfde
Tweede en derde lid: Term horecabedrijf vervangen door openbare inrichting. Dit om verwarring met de Alcoholwet te voorkomen. We hebben het immers in deze afdeling over een vergunningplicht voor openbare inrichtingen.
sluitingstijden als voor de hoofdactiviteit waarvan zij deel uitmaken. 2. In afwijking van het eerste lid is het de houder van een jeugdhuis of verenigingsaccommodatie, niet zijnde een open jongeren centrum (OJC), verboden dit horecabedrijf van 01.00 tot 07.00 uur voor publiek geopend te hebben of bezoekers in het horecabedrijf toe te laten of te laten verblijven. In de nacht van 31 december op 1 januari gelden geen verplichte sluitingstijden. 3. In afwijking van het eerste lid is het de houder van een open jongeren centrum (OJC) verboden dit horecabedrijf in de nacht van zondag tot en met donderdag van 01.00 tot 7.00 uur en in de nacht van vrijdag en zaterdag van 03.00 tot 7.00 uur voor het publiek geopend te hebben. In de nacht van 31 december op 1 januari gelden geen verplichte sluitingstijden. 4. Het is verboden een terras in de nacht van zondag tot en met donderdag van 01.00 uur tot 08.00 uur en in de nacht van vrijdag, zaterdag en de dag voor een feestdag van 02.00 uur tot 08.00 uur geopend te hebben of bezoekers op het terras te laten verblijven. 5. In afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid kan de burgemeester door middel van een vergunningvoorschrift sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras. 6.
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 7. Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de tijd dat de inrichting of het terras krachtens het eerste, tweede en derde lid of een ingevolge artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
2.
3.
4.
5.
6.
7.
sluitingstijden als voor de hoofdactiviteit waarvan zij deel uitmaken. In afwijking van het eerste lid is het de houder van een jeugdhuis of verenigingsaccommodatie, niet zijnde een open jongeren centrum (OJC), verboden deze openbare inrichting van 01.00 tot 07.00 uur voor publiek geopend te hebben of bezoekers in de openbare inrichting toe te laten of te laten verblijven. In de nacht van 31 december op 1 januari gelden geen verplichte sluitingstijden. In afwijking van het eerste lid is het de houder van een open jongeren centrum (OJC) verboden deze openbare inrichting in de nacht van zondag tot en met donderdag van 01.00 tot 7.00 uur en in de nacht van vrijdag en zaterdag van 03.00 tot 7.00 uur voor het publiek geopend te hebben. In de nacht van 31 december op 1 januari gelden geen verplichte sluitingstijden. Het is verboden een terras in de nacht van zondag tot en met donderdag van 01.00 uur tot 08.00 uur en in de nacht van vrijdag, zaterdag en de dag voor een feestdag van 02.00 uur tot 08.00 uur geopend te hebben of bezoekers op het terras te laten verblijven. In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid kan de burgemeester door middel van een vergunningvoorschrift sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras.
Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de tijd dat de inrichting of het terras krachtens het eerste tot en met vijfde lid of een ingevolge artikel 2:17 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.
Artikel 2:17 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
Geen wijziging
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:18 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:17, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel 2:34 Is vervallen