CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

18d.2 Wijzigingstabel APV 2021 Openbare Orde en Veiligheid

Gemeenteraad 8 februari 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van de geactualiseerde Algemene Plaatselijke Verordening.38.398 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit. Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de

Artikel 2:52 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit. Artikel 2:53 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de

Titel afdeling is gewijzigd: geeft beter weer waar deze afdeling over gaat. Geen wijziging

Geen wijziging

Tweede lid: Tekstuele/technische aanpassing

verkoopdagen 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college. 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. --

verkoopdagen 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college. 2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:54 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:55 Carbidschieten 1. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een (melk)bus, container of opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. 2. Carbidschieten is verboden. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien: a. het carbidschieten plaatsvindt in de nacht van 31 december op 1 januari van 10:00 uur tot 18:00 uur en b.

het vrije schootsveld minimaal 100 meter is en hierin geen openbare wegen of paden liggen en c. wordt geschoten in een richting afgewend van de woonbebouwing vanaf een locatie die

Geen wijziging

Zowel politie als handhaving hebben gemerkt dat er met de strenger wordende regels mbt vuurwerk de incidenten met carbid schieten toenemen. In de omliggende gemeenten is dit wel gereguleerd. Op verzoek van politie en handhaving is daarom dit artikel opgenomen.

gelegen is buiten de bebouwde kom op een afstand van tenminste 100 meter van woonbebouwing, 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg, 300 meter van inrichtingen waar dieren worden gehouden. d. Er toestemming is van de eigenaar van het perceel. 4. Het verbod in het tweede lid geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van strafrecht. Afdeling 14. Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Afdeling 15.

Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en gebiedsontzegging Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1,

Afdeling 9. Drugsoverlast Artikel 2:56 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2:57 Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Afdeling 10. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester

Geen wijziging Geen wijziging

Artikel 2:58 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:7,

Geen wijziging

Geen wijziging.

Titel ingekort om leesbaarheid te bevorderen.

2:10, 2;26, 2:41, 2:47, 2:48, 2:49 of 2:50 van de Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven. Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2:77 Is vervallen

2:40, 2:42, 2:43, 2:44, 2:45 of 2:46 van de Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven. Artikel 2:59 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Geen wijziging

Artikel 2:60 Cameratoezicht op openbare plaatsen De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

In het kader van het ondermijningsproof maken van onze APV in relatie tot openbare orde problemen is dit artikel opgenomen, zodat de burgemeester een grondslag heeft om, wanneer noodzakelijk, camera’s te kunnen inzetten. Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde. De raad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de inzet van camera’s ten hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de bevoegdheid tot de inzet van camera’s met democratische waarborgen omkleed. Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Awb voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat. Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n pand zijn.

Niet alleen toezicht met vaste camera’s is mogelijk, maar ook met mobiele camera’s. De reden is met name dat vaste camera’s in de praktijk vaak niet adequaat bleken bij het bestrijden van zich snel en gemakkelijk verplaatsende criminaliteit, hinder en vandalis me. In de MvT bij de wijziging van de Gemeentewet waarmee dit mogelijk werd (Kamerstukken II 2012/13, 33 582, nr. 3) geeft de regering aan dat uit gesprekken met vertegenwoordigers uit de bestuurlijke, justitiële en politiële praktijk, waaronder gemeenten, bleek dat toezicht met vaste camera’s soms tekort schiet: “Bij aanhoudende en zich verplaatsende overlast kan gedacht worden aan overlast veroorzaakt door hangjongeren, door drugsgebruikers en drugsdealers, door straatrovers en zakkenrollers en door personen die vernielingen aanrichten in de publieke ruimte. (…) Diverse recentelijk verschenen gemeentelijke evaluatierapporten over cameratoezicht in de publieke ruimte erkennen de tendens dat overlast zich verplaatst en dat bij verplaatsingseffecten vast cameratoezicht als toezichtinstrument tekort schiet”.

De regering benadrukt verder dat camera’s alleen kunnen worden ingezet ter handhaving van de openbare orde, maar dat dit niet wil zeggen dat er op voorhand al sprake moet zijn van een verstoring van de openbare orde of een concrete dreiging daarvan: “Onder handhaving van de openbare orde door de burgemeester valt immers ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving”. Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c van de Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van

cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt artikel 151c, zevende lid, van de Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot bovendien hun veiligheid. In artikel 151c, vierde lid, van de Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt. Door het goed zichtbaar plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied sprake is van cameratoezicht, kan het publiek op deze mogelijkheid worden geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden gesteld van de precieze opnametijden. In artikel 441b van het WvSr is de niet-kenbare toepassing van cameratoezicht op voor het publiek toegankelijke plaatsen strafbaar gesteld.

De straf kan een hechtenis van ten hoogste twee maanden inhouden of een geldboete van € 4.500. Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde

Artikel 2:61 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende

Geen wijziging

verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 12 weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen 12 maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Artikel 2:78A Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.

Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 12 weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen 12 maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Artikel 2:62 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.

Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. Geluid- of geurhinder; b. Hinder van dieren;

-

Eerste lid: In dit artikel is een zorgplicht opgenomen voor gebruikers en verhuurders van woningen om geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden te veroorzaken. De burgemeester kan op grond hiervan gedragsaanwijzingen geven aan overlastgevers in zowel huur- als koopwoningen en aan verhuurders. Tot 1 januari 2021 was de gedragsaanwijzing aan verhuurders alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven. Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460) op 1 januari 2021 is die beperking vervallen. In verband hiermee is artikel 2:78a/2:62 aangepast. Om woonoverlast

a. Geluid- of geurhinder; b. Hinder van dieren; c. Hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. Overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. Intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:78b Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of erf. 3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende

c.

Hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. Overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. Intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:63 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of erf. 3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig

beter tegen te gaan, geldt de zorgplicht voortaan in alle gevallen voor verhuurders van woonruimten. Dat betekent dat verhuurders zorgdragen dat de woningen die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken. Als de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester direct een verhuurder aanspreken en hoeft de burgemeester daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Dit is wenselijk wanneer verschillende huurders van dezelfde verhuurder hinder hebben veroorzaakt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in panden waar meerdere huurders wonen of waar huurders snel wisselen. De burgemeester kan dan dus – als ultimum remedium – direct aan een verhuurder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen. Geen wijziging

garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4. Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw of erf als bedoeld in het eerste lid verboden om, nadat het besluit tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is. 5. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. 6. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4. Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw of erf als bedoeld in het eerste lid verboden om, nadat het besluit tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is. 5. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. 6. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

Afdeling 16. Toezicht op kamerverhuurinrichtingen

Afdeling 11. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf aan arbeidsmigranten Artikel 2:64 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. inrichting: alle besloten ruimten waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, aan arbeidsmigranten verblijf wordt verschaft. Onder een inrichting wordt in ieder geval verstaan een reguliere woning in woonkernen en het buitengebied, bestaande complexen zoals kloosters, zorgcomplexen, schoolgebouwen, asielzoekerscentra, kantoorpanden of daarmee gelijk te stellen bebouwing, alsmede vrijkomende agrarische bebouwing; b. arbeidsmigrant: Tijdelijke arbeider die het hoofdverblijf elders heeft. c. vergunninghouder: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd.

Artikel 2:79 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. inrichting: alle besloten ruimten waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, aan arbeidsmigranten verblijf wordt verschaft. Onder een inrichting wordt in ieder geval verstaan een reguliere woning in woonkernen en het buitengebied, bestaande complexen zoals kloosters, zorgcomplexen, schoolgebouwen, asielzoekerscentra, kantoorpanden of daarmee gelijk te stellen bebouwing, alsmede vrijkomende agrarische bebouwing; b. arbeidsmigranten: personen die hun vaste woon-, of verblijfplaats in een ander Europees land dan Nederland hebben en op grond van een EU-paspoort of tewerkstellingsvergunning legaal in Nederland werkzaam zijn;

Titel afdeling is gewijzigd: Geeft beter weer waar de vergunningplicht op ziet. -

-

-

Sub a en b: Het gaat hier om mensen die hier tijdelijk werkzaam zijn of tot doel hebben hier tijdelijk werkzaam te zijn, onafhankelijk van waar ze vandaan komen. Ook in het Parapluplan Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021 wordt gesproken over tijdelijke arbeiders die hun hoofdverblijf elders hebben. in de hele APV daar waar het gaat om de exploitatie van een bepaald soort inrichting de definities van vergunninghouder, exploitant en beheerder gelijkgetrokken. Sub g toegevoegd, omdat in de praktijk blijkt dat als het gaat om de bescherming van de belangen genoemd in artikel 2:67, het niet noodzakelijk is een exploitatievergunning te eisen in situaties waar sprake is van de (tijdelijke) huisvesting van arbeidsmigranten die

c.

exploitant: de natuurlijke persoon of personen, dan wel rechtspersoon of rechtspersonen die een inrichting exploiteert; d. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een inrichting; e. beheer: alle activiteiten van de exploitant/beheerder die gericht zijn op, dan wel verband houden met de bescherming van de belangen als bedoeld in artikel 2.83, tweede lid.

d. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of rechtspersonen of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; e. beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben in een inrichting; f. beheer: alle activiteiten van de exploitant/beheerder die gericht zijn op, dan wel verband houden met de bescherming van de belangen als bedoeld in artikel 2:67, tweede lid g. duurzaam gemeenschappelijk huishouden: een huishouden dat voldoet aan de volgende kenmerken: • de bewoners zijn van plan om langdurig samen te blijven wonen (duurzaamheid); • er is sprake van wederzijdse zorg; • het huishouden is in een periode van één jaar niet van samenstelling veranderd, tenzij de veranderingen naar algemene maatstaven binnen een duurzaam gemeenschappelijk huishouden passen; • de ruimtes zijn gemeenschappelijk; • er is een gezamenlijk huurcontract, waarin de namen van alle huurders vermeld staan.

Artikel 2:80 Vergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een inrichting te exploiteren. 2. In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens en contactgegevens van de exploitant en beheerder; b. het adres van de inrichting; c. het aantal personen dat in de inrichting verblijf wordt verschaft; d. de periode waarin in de inrichting aan de personen verblijf wordt verschaft; e. de totale woonoppervlakte die in de inrichting voor verblijf beschikbaar is;

Artikel 2:65 Exploitatievergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een inrichting te exploiteren. 2. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens, contactgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder(s); b. het adres van de inrichting;

een duurzaam gemeenschappelijk huishouden vormen.

-

Lid 2 en 3 aangepast en toegevoegd om een eenduidige toepassing te bevorderen. Lid 4 toegevoegd, omdat in de praktijk blijkt dat als het gaat om de bescherming van de belangen genoemd in artikel 2:67, het niet noodzakelijk is een exploitatievergunning te eisen in situaties waar sprake is van de (tijdelijke) huisvesting van arbeidsmigranten die een duurzaam gemeenschappelijk huishouden vormen. De exploitatievergunning kent een ander afwegingskader dan het Parapluplan Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021.

f. het aantal beschikbare parkeerplaatsen. 3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

c.

het aantal personen dat in de inrichting verblijf wordt verschaft; d. de periode waarin in de inrichting aan de personen verblijf wordt verschaft; e. de totale woonoppervlakte die in de inrichting voor verblijf beschikbaar is; f. het aantal beschikbare parkeerplaatsen; g. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; h. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; i. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; j. verklaring omtrent gedrag van de vergunninghouder, exploitant en beheerder(s) die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; k. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 3. indien het college dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 4. Geen vergunning is vereist voor het huisvesten van maximaal 4 arbeidsmigranten die een gemeenschappelijk duurzaam huishouden vormen op één adres in een inrichting zijnde een woning gelegen op gronden en bouwwerken met een woonbestemming. 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:81 Gedragseisen exploitant en beheerder De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele;

Vervallen

Opgenomen in artikel 2:67

b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag, zulks ter beoordeling van het college; c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Artikel 2:82 Nadere regels Met het oog op de in artikel 2:83, tweede lid genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in deze afdeling nadere regels stellen. Artikel 2:83 Weigeringsgronden 1. De vergunning als bedoeld in artikel 2:80 wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:81 gestelde eisen; b. de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 2. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning als bedoeld in artikel 2.80 worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de verkeersveiligheid; f. de gezondheid of zedelijkheid.

Artikel 2:66 Nadere regels Met het oog op de in artikel 2:67, tweede lid genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in deze afdeling nadere regels stellen. Artikel 2:67 Weigeringsgronden 1. De vergunning als bedoeld in artikel 2:65 wordt geweigerd indien: a. De vergunninghouder, exploitant of beheerder(s) in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. De exploitant of beheerder(s) onder curatele staan; c. De exploitant of beheerder(s) niet de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt; d. De exploitant of beheerder(s) niet staan ingeschreven op een Nederlands adres in de Basisregistratie Personen; e. de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of omgevingsvergunning handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening; f. De inrichting niet voldoet aan de eisen van de Stichting Normering Flexwonen (SNF). 2. In afwijking van artikel 1:7 kan de vergunning als bedoeld in artikel 2.66 worden geweigerd: a. In het belang van de openbare orde b. In het belang van de openbare veiligheid; c. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast; d. In het belang van de veiligheid van personen of goederen; e. In het belang van de verkeersveiligheid; f. In het belang van de gezondheid of zedelijkheid; g. Als na vergunningverlening op meer dan één adres naast elkaar binnen een bebouwde

Geen wijziging

-

-

-

-

-

Lid 1, sub a, b en c: overgeheveld vanuit artikel 2:81 Lid 1, sub d: in de praktijk blijkt dat het lastig is de in artikel 2:67, tweede lid genoemde belangen te beschermen, als de exploitant of beheerder(s) niet in Nederland wonen. Lid 1, sub e: in het Parapluplan Internationale werknemers wordt gewerkt met omgevingsvergunningen handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. Lid 1, sub f is toegevoegd en is conform beleid huisvesting arbeidsmigranten 2019 Lid 2, sub g en h toegevoegd: er zijn situaties voorstelbaar waarin bij een cumulatie van huisvestingslocaties in elkaars nabijheid de openbare orde en veiligheid in het gedrag komt. Dit zal per situatie, op gronden van openbare orde en veiligheid, beoordeeld moeten worden. Lid 2, sub c (voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat) verwijderd, omdat deze afweging al is gemaakt in het kader van het Parapluplan Internationale werknemers. Deze afweging kan dan niet nog eens gemaakt worden in de APV. Lid 2, sub i toegevoegd. De Wet Bibob kon al toegepast worden (rechtstreeeks voortvloeiend uit de Wet Bibob), maar voor de volledigheid en daarmee duidelijkheid van de intrekkingsgronden toegevoegd.

kom sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 2:64 onder a h. Als na vergunningverlening binnen een straal van 50 meter binnen een bebouwde kom op meer dan één adres sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 2:64 onder a. i. Op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

Artikel 2:68 Intrekkingsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 trekt het college de vergunning in als: a. de vergunninghouder en/of exploitant en/of beheerder als bedoeld in artikel 2:64 in enig opzicht van slecht levensgedrag is geworden; b. De huisvesting niet (meer) is toegestaan op grond van een geldend bestemmingsplan of omgevingsvergunning handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester de vergunning intrekken: a. Als de inrichting niet meer voldoet aan de eisen van de Stichting Normering Flexwonen (SNF); b. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

Artikel 2:84 Nachtregister Artikel 2:38 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2:85 Afbakeningsbepalingen

Artikel 2:69 Nachtregister Artikel 2:21 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2:70 Afbakeningsbepalingen

-

Artikel toegevoegd ter verduidelijking. Eerste lid, sub a: Vergunninghouders, exploitanten en beheerders van deze inrichtingen n hebben een bijzondere verantwoordelijkheid. Het exploiteren van een dergelijk bedrijf, of beter gezegd, het niet verantwoord exploiteren ervan, kan tot een verstoring van de openbare orde leiden of het omliggende woon- en leefklimaat nadelig beïnvloeden. Als dit het geval is moet de mogelijkheid bestaan om op grond van slecht levensgedrag de vergunning in te trekken. - Eerste lid, sub b: Op grond van het Paraplubestemmingsplan Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021 worden nieuwe omgevingsvergunningen verleend voor een periode van maximaal 10 jaar. We sluiten hier met de exploitatievergunning bij aan. - Tweede, sub a: Van belang dat men blijft voldoen aan de SNF normen. De - Tweede lid, sub b: Wet Bibob kon al toegepast worden (rechtstreeeks voortvloeiend uit de Wet Bibob), maar voor de volledigheid en daarmee duidelijkheid van de intrekkingsgronden toegevoegd. Geen wijziging Geen wijziging

Deze afdeling is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Huisvestingswet, het Bouwbesluit of de Bouwverordening. Afdeling 17. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat.

Deze afdeling is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Huisvestingswet, het Bouwbesluit of de Bouwverordening. Afdeling 12. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat.

Geen wijziging

Artikel 2:86 Definities In dit artikel wordt verstaan onder: 1. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; 2. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; 3. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

Artikel 2:71 Definities In dit artikel wordt verstaan onder: 1. Vergunninghouder: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; 2. Exploitant: de natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; 3. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; 4. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

Definitie van vergunninghouder toegevoegd.

Artikel 2:87 Exploitatievergunning bedrijf 1. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van

Artikel 2:72 Exploitatievergunning bedrijf 1. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is: a. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. b. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. c. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de

-

-

-

Eerste lid, sub a: ‘naar het oordeel van de burgemeester’ stond er dubbel in, daarom één verwijderd. Derde lid, sub c: zinsopbouw klopte niet, daarom gewijzigd. Vierde lid: eerste zin verwijderd. Ook een rechtspersoon kan een aanvraag indienen (zie toegevoegde term vergunninghouder onder definities). Vierde lid, sub a: er hoeft niet altijd een beheerder te zijn. Er is echter wel altijd een exploitant.

de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan – indien dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is – eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar. 2. Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezig hielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, dient in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangstermijn geboden te worden, na het verstrijken waarvan het verbod uit het derde lid van toepassing wordt. De overgangstermijn bedraagt minimaal 6 maanden en maximaal 1 jaar. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen gebouw of gebied, of b. in een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of c.

in door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten. 4. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een

burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat. d. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan – indien dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is – eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar. 2. Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezig hielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, dient in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangstermijn geboden te worden, na het verstrijken waarvan het verbod uit het derde lid van toepassing wordt. De overgangstermijn bedraagt minimaal 6 maanden en maximaal 1 jaar. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen gebouw of gebied, of b. in een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of c.

indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning

-

Vierde lid, sub f: concreter aangegeven waaraan de VOG moet voldoen om discussie in de praktijk te voorkomen.

door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een verklaring omtrent gedrag (VOG); g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. h. naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden verlangd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagd exploitatievergunning betrekking heeft. i. indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 5. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 6.

De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet

wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en/of beheerder(s); b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een verklaring omtrent gedrag (VOG) van vergunninghouder, exploitant en beheerder(s) die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. h. naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden verlangd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagd exploitatievergunning betrekking heeft. i. indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 5. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.

6. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig

langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Indien niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden een aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt. 7. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Indien niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden een aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt. 7. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:88 Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: 1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; 2. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; 3. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; 4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; 5. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; 6. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

Artikel 2:73 Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:72, derde lid, weigeren: 1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; 2. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; 3. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; 4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; 5. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; 6. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van

-

-

Huidig vijfde lid verwijderd. Als de aanvraag niet compleet is, kan deze buiten behandeling worden gesteld in plaats van geweigerd. Nieuw zevende lid: exploitant was per abuis niet opgenomen. Nieuw achtste lid: De Wet Bibob kon al toegepast worden (rechtstreeeks voortvloeiend uit de Wet Bibob), maar voor de volledigheid en daarmee duidelijkheid van de weigeringsgronden toegevoegd.

7. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of 8. indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of 7. indien de exploitant of een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 8. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

Artikel 2:89 Voorschriften en beperkingen Naast en in aanvulling op artikel 1:4 lid 1 APV kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden aan een exploitatievergunning die wordt verleend krachtens het tweede lid van deze bepaling, die strekken ter bescherming van de belangen, zoals opgenomen in artikel 2:88. Artikel 2:90 Wijzigings- en intrekkingsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:87 intrekken of wijzigen: 1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; 2. indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; 3. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; 4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; 5. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid

Is vervallen

Deze bepaling is overbodig. Artikel 1:3 dekt alles wat nodig is.

Artikel 2:74 Wijzigings-, en intrekkingsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:72 intrekken of wijzigen: 1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; 2. indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; 3. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; 4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; 5. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met

-

Twaalfde lid toegevoegd. De Wet Bibob kon al toegepast worden (rechtstreeeks voortvloeiend uit de Wet Bibob), maar voor de volledigheid en daarmee duidelijkheid van de intrekkingsgronden toegevoegd.

vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; 6. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 7. indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; 8. indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; 9. indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; 10. indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd en/of 11. indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd.

het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; 6. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 7. indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; 8. indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; 9. indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; 10. indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd; 11. indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd en/of 12. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

Artikel 2:91 Sluiting 1. De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van artikel 2:87 wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2:90 van toepassing is. 2. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel gesloten bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven. 3. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien uit later bekend geworden

Artikel 2:75 Sluiting 1. De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van artikel 2:72 wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2:74 van toepassing is. 2. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel gesloten bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven. 3. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien uit later bekend geworden feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de

Geen wijziging

feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de bescherming van de belangen in verband waarmee deze regeling van kracht is, geen langere sluiting vergen. Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Artikel 3:2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; - beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; - bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; - escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; - exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; - klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een

prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; - prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

bescherming van de belangen in verband waarmee deze regeling van kracht is, geen langere sluiting vergen.

Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2 en 1:4 tot en met 1:7 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Artikel 3:2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostitué(e) onder de aandacht van het publiek brengt; - beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben in een seksbedrijf; - bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; - escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostitué(e); - exploitant: de natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; - klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostitué(e) aangeboden seksuele diensten; - prostitué(e): degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

Geen wijziging Geen wijziging Geen wijziging

-

-

In de hele APV daar waar het gaat om de exploitatie van een bepaald soort inrichting de definities van vergunninghouder, exploitant en beheerder gelijkgetrokken. Een prostitué(e) kan zowel mannelijk als vrouwelijk zijn. Daarom prostituee gewijzigd in prostitué(e).

-

-

-

prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotischpornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;

-

-

-

Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf Artikel 3:3 Vergunning 1. Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. 2. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd. 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 4. Een vergunning kan mede voor één seksinrichting worden verleend. 5. De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbuiten voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard. Artikel 3:5 Beperking aantal vergunningen

prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotischpornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf; vergunninghouder: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt geëxploiteerd;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11025877/1