12c Toelichting
Tekst van het document
Vastgesteld
24
In aansluiting aan de in het noorden gelegen vrij grote kavels met vrije sectorbouw sluit de noordrand van het plan eveneens aan met vrije kavels. De centraal gelegen woonbebouwing bestaat uit halfvrijstaande woningen / grondgebonden levensloopbestendige woningen en geschakelde woningen, deze worden in de vorm van een langgevelboerderijtype ontwikkeld. § De woningen die op de kop liggen van de oost-west gelegen wegen krijgen een verbijzondering in ligging en kap-vorm. § De langgerekte rijenwoningen worden nooit meer dan 4 of 5 aaneengeschakeld zodat hun totale lengte die van een langgevelboerderij nabij komt. § De bouwmassa’s zijn enkelvoudig en gesloten van vorm gehouden. De gevelarchitectuur is eenvoudig en aan straatzijde vrij gesloten, dit bevordert de privacy en houdt de materialen traditioneel. Op deze manier laten de verschillende woningen zich gemakkelijk in het dorpsbeeld voegen. De zijkanten van de tuinen die aan de openbare weg liggen worden mee vorm gegeven behorende bij de architectuur van de woningen. Er wordt in het plan aansluiting gezocht op de bestaande voetpaden om zo korte loopafstanden en voldoende ontsluiting van het gebied naar het dorp te verkrijgen. Vanouds ontstonden zo in verlengde of ’dwars’ op de op de hoofdroutes de diverse doorsteekjes. Het gebruik van de kavel laat ruimte voor wanorde; schijnbare toevalligheid en kitsch wat in een dorp nog kan.
In dit plan wordt dit niet vrij gelaten om organisch te groeien maar maakt onderdeel van de architectuur. De ondiepe voortuinen leveren een grotere en intieme achtertuin. Het algemene beeld van de ontwikkeling wordt sterk bepaald door de kwaliteit van de grote groep. Met de grote groep woningen wordt verwezen naar de halfvrijstaande woningen die het dorp mee hebben gevormd. De leefbaarheid in het dorp wordt voor een groot deel bepaald door deze woningen. In dit plan zijn deze woningen de basiswoningen. Zij vormen de wanden voor de wegenstructuur en daarmee voor een groot gedeelte de sfeer van het plan. Deze basis moet sober en evenwichtig zijn; een opmaat naar de enkele bijzondere gebouwen die bijzondere plekken markeren. De woningen op de kop van de straten en de ‘langgevelboerderij’ zijn de bijzondere woningen in het plan die mede het algemene beeld gaan bepalen. Het volume van dit programmaonderdeel is beperkt, maar past door de kapstructuur en het volume wel goed bij de bebouwing van Hegelsom.. De zone ten oosten van de woningbouw zal als een groenblauwe long worden ingericht met een groene parkachtige inrichting en een grote wadi. Langs de wegen worden tweezijdig bomen geplant. De boomspiegel is groot genoeg voor bomen en beplanting. Deze bomen vormen de groene invulling en geven de straat een groen karakter met het gevoel van dorpse intimiteit en geborgenheid.
Statige bomen die een karakteristiek beeld vormen staan met name in de groenblauwe zone. Langs de wegen worden voornamelijk soorten toegepast van de tweede orde, zoals bijvoorbeeld Pyrus en Corylus. In de centrale groenzone worden bomen van de 1e orde toegepast die passen bij een parkachtige setting. Deze bomen van de eerste orde zijn bijvoorbeeld Eik en Linde. Er zullen met name inheemse soorten toegepast worden. De centrale groenzone kunnen plekken fungeren als ontmoetingsplek voor de buurtbewoners en waar een gezellig bankje kan staan. Bomen die ook vanuit biodiversiteit en klimaatadaptatie hier uitermate voor geschikt zijn, zijn de Linde, de Es, de Eik en de Iep. Met name de Es als snelgroeiende soort kan binnen afzienbare tijd een grote bijdrage leveren aan de aankleding van de openbare ruimte.
Vastgesteld
25
Het algemeen motto ten aanzien van materiaalgebruik is ’hoe minder (verschillend) materiaal, hoe beter’. Baksteen en/of baksteen uitstraling is het ’dragend’ materiaal met betrekking tot de vormgeving van het plan. Dit in de eerste plaats als aansluiting van het (beeld)kwaliteitsplan op de historische dorpse context. De keuze voor één gevelmateriaal versterkt de eenheid binnen de gehele planopzet en onderstreept de continuïteit van het plan. Hierdoor kunnen weloverwogen kleur-, textuur- en formaatverschillen, verschillen in metselwerkverbanden en/of de specifieke detaillering van het metselwerk, de genuanceerde differentiatie tussen de gebouwen bewerkstelligen. De uitstraling van gebakken materiaal is ook leidend voor de inrichting van de verharde openbare ruimte.
Vastgesteld
26
5. SECTORALE ASPECTEN
5.1 Inleiding Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bij het opstellen van een bestemmingsplan verplicht om inzicht te bieden in de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten. In dit hoofdstuk is een verantwoording voor deze aspecten opgenomen.
5.2 Milieuaspecten 5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, in geval van een nieuw bestemmingsplan, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie, in dit geval voor een woonfunctie. Ter plaatse is derhalve een verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd (zie separate bijlagen). Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie in verband met de mogelijke puinresten in de grond als gevolg van de voormalige sloopactiviteiten (deellocatie A) verdacht is voor een bodemverontreiniging met asbest, metalen, minerale olie, PAK en PCB. Daarnaast is de bodem ter plaatse van de druppelzones / uitlopen van de asbesthoudende / asbestverdachte dakbedekking (deellocaties, B, C, E en F), de opslag van restanten asbestverdachte golfplaten (deellocatie D) en het infiltratiebassin waarop (mogelijk) hemelwater afkomstig van asbesthoudende dakbedekking wordt geloosd (deellocatie G) als verdacht aangemerkt ten aanzien van bodemverontreinigingen met asbest. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op de NEN 5707 en de NEN 5740. Puinresten in bodem gehele onderzoekslocatie (deellocatie A) Geconcludeerd wordt dat de hypothese “verdachte locatie” ten aanzien van de onderzoekslocatie stand houdt.
In de grond zijn enkele parameters aangetoond in licht verhoogde gehalten boven de achtergrondwaarden (AW2000) en in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten barium, zink en naftaleen aangetoond. Daarnaast zijn verhoogde gehalten PFAS boven de rapportagegrenzen aangetoond. Er zijn geen verhoogde gehalten asbest boven de rapportagegrenzen aangetoond. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit wordt de bovengrond grotendeels beoordeeld als bodemkwaliteitsklasse “Altijd toepasbaar”. In het noordwestelijke gedeelte (MM21) is de toetsing voor de ondergrond “Industrie”. Voor het PFAS-gehalte is de gehele onderzoekslocatie getoetst als “Landbouw / Natuur” Voor de licht verhoogde gehalten in de grond zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen. Voor de verhoogde gehalten barium, zink en naftaleen in het grondwater zijn eveneens geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve kan gesteld worden dat de verhoogde gehalten barium en zink in het grondwater verhoogde achtergrondgehalten betreffen.
1
HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek (asbest) Pastoor Debijestraat 62 t/m 82 Hegelsom, 16 september 2020, kenmerk: 20292901A
Vastgesteld
27
Druppelzone asbesthoudend golfplaten dak tussen gebouw A en B (deellocaties B) Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese “verdachte locatie” geen stand houdt. In de grond ter plaatse van de onverharde druppelzones is zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest aangetroffen / aangetoond boven de interventiewaarde. Uitlopen van de regenpijpen op onverhard terrein, gebouw F (deellocaties C) Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese “verdachte locatie” geen stand houdt. In de grond ter plaatse van de uitlopen van de regenpijpen is zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest aangetroffen / aangetoond boven de interventiewaarde. Restanten asbestverdachte golfplaten (deellocaties D) Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese “verdachte locatie” geen stand houdt. In de grond ter plaatse van de opslag van restanten asbestverdachte golfplaten is zowel zintuigelijk – uitgezonderd de restanten golfplaten – als analytisch geen asbest aangetroffen / aangetoond boven de rapportagegrens. Druppelzone overkapping met asbestverdachte dakbedekking, westelijk van gebouw I (deellocaties E) Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese “verdachte locatie” geen stand houdt. In de grond ter plaatse van de onverharde druppelzone is zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest aangetroffen / aangetoond boven de rapportagegrens.
Uitloop regenpijp op onverhard terrein, gebouw G (deellocaties F) Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese “verdachte locatie” geen stand houdt. In de grond ter plaatse van de onverharde druppelzone is zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest aangetroffen / aangetoond boven de rapportagegrens. Infiltratiebassin waarop (mogelijk) hemelwater afkomstig van asbesthoudende dakbedekking wordt geloosd (deellocaties G) Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese “verdachte locatie” geen stand houdt. In de grond ter plaatse van de infiltratievoorziening is zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest aangetroffen / aangetoond boven de rapportagegrens. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de woningbouwontwikkeling. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren. 5.2.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen.
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.
Vastgesteld
28
Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200
Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (mogelijk tot maximaal 63 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is woningbouw alleen mogelijk als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 63 dB. Het plangebied ligt binnen de geluidszones van de Stationsstraat, alsook de Pastoor Debijestraat, Hagelkruisweg, Reysenbeckstraat, Bakhuuske en Handelstraat. In dat kader is een akoestisch onderzoek noodzakelijk om de exacte gevolgen van wegverkeerslawaai te bepalen. Voor het plangebied is dan ook een akoestisch onderzoek2 uitgevoerd.
Afbeelding 16. Ligging geluidcontour Stationsstraat
Uit afbeelding 16 blijkt dat de 48 dB-contour ten gevolge van de Stationsstraat over het plangebied loopt. De 63 dB-contour loopt over een klein deel van de oostelijke zijde van het plangebied. Hier is echter geen (woon)bebouwing voorzien. Dit betekent dat de geluidbelasting bij diverse woningen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, maar overal voldoet aan de maximale ontheffingswaarde. Nader onderzoek naar mogelijk te treffen maatregelen om de geluidbelasting terug te brengen tot beneden de voorkeursgrenswaarde is daarom noodzakelijk. Bij het ontwerpen van geluidreducerende maatregelen dienen achtereenvolgens de volgende aspecten onderzocht te worden: § maatregelen aan de bron; § maatregelen in de overdrachtsweg; § maatregelen bij de ontvanger. Maatregelen aan de bron: Door bijvoorbeeld het verlagen van de rijsnelheid, het omleiden van de verkeersstroom en / of het aanbrengen van een akoestisch gunstigere wegverharding kan de geluiduitstraling 2
HMB Groep, Akoestisch onderzoek PTC+ terrein Horst, 8 april 2021, kenmerk: 21224001N
Vastgesteld
29
vanwege de weg worden beperkt. Indien bijvoorbeeld de bestaande asfaltlaag op de Stationsstraat over 500 m (wegbreedte 7 m) wordt vervangen door ZOAB, zal de gecorrigeerde geluidbelasting afnemen van 58 dB naar 54 dB en wordt nog altijd niet aan de voorkeursgrenswaarde voldaan. Ter indicatie dient rekening te worden gehouden met een kostenpost van € 175.000,= (€ 50,=/m2). Maatregelen in de overdrachtsweg: De geluidbelasting op de nieuw te bouwen woning kan worden verlaagd door bijvoorbeeld het vergroten van de afstand van de woning tot de wegas en/of het plaatsen van geluidschermen of –wallen. Om te kunnen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde zou alleen in het groene gebied (zie afbeelding 16) gebouwd mogen worden. De beoogde ontwikkeling van het terrein wordt daardoor niet rendabel. Los van de vraag of eventuele geluidschermen vanuit stedenbouwkundig of verkeerstechnisch opzicht wenselijk zijn, dienen deze geplaatst te worden tussen de woningen en de maatgevende weg, in dit geval de Stationsstraat. Om ook bescherming te bieden op de slaapverdieping dienen schermen/wallen een minimale hoogte van zo’n 4 à 5 m te hebben. Om effect te hebben voor het hele plan dient een wal/scherm een lengte te hebben van grofweg de hele breedte van het perceel. Objectief gezien biedt het terrein hiertoe mogelijkheden. Nader onderzoek is vooralsnog echter niet uitgevoerd.
Eerst zal inzichtelijk moeten zijn in hoeverre dit aansluit bij de wensen van de initiatiefnemer, en in hoeverre een dergelijk scherm / wal vanuit stedenbouwkundig opzicht wenselijk is. Maatregelen bij de ontvanger: Indien eerder besproken maatregelen om bijvoorbeeld stedenbouwkundige of financiële redenen niet wenselijk of mogelijk blijken, kan bij het College van B&W ontheffing worden aangevraagd voor een hogere grenswaarde. Hierbij dient te worden aangetoond welke bouwkundige maatregelen aan de woning worden getroffen om een aanvaardbaar leefklimaat (zie eis Bouwbesluit) binnen de woning te waarborgen. Het Bouwbesluit vereist een karakteristieke gevelgeluidwering van minimaal 20 dB(A) en een binnengeluidniveau in een woning van ten hoogste 33 dB. Aangezien de gecumuleerde ongecorrigeerde gevelgeluidbelasting hoger is dan 48 dB dient aanvullend onderzoek te worden verricht naar eventueel benodigde bouwkundige maatregelen opdat het maximaal toelaatbaar binnengeluidniveau in de appartementen is gewaarborgd. Dit zal ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning worden uitgevoerd. De delen van het plangebied waar de geluidbelasting hoger is dan 63 dB is in onderhavig bestemmingsplan voorzien van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – dove gevel’. Indien hier (woon)gebouwen worden opgericht dienen de gebouwen binnen deze aanduiding te worden voorzien van een dove gevel.
Alleen dan is de oprichting van deze gebouwen mogelijk. Hiermee worden maatregelen getroffen bij de ontvanger om de geluidbelasting naar beneden te krijgen. Om een dergelijke dove gevel juridisch te borgen is in dit bestemmingsplan daarom betreffende aanduiding opgenomen. De akoestisch effecten van de nieuwe weg binnen het plangebied op bestaande woningen in de directe omgeving zijn eveneens onderzocht3. Voor de nieuwe weg is uitgegaan van een klinkerbestrating (keperverband) en een toegestane rijsnelheid van 30 km/uur. De nieuwe weg betreft een 30 km-weg en is daarmee niet zoneplichtig volgens de Wgh. De grenswaarden uit de Wgh zijn dan ook niet van toepassing. Wel dient in het kader van ruimtelijke ordening beoordeeld te worden of er sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat. Een eenduidig toetsingskader ontbreekt echter. Enerzijds zou het toetsingskader uit de Wgh als handvat gehanteerd kunnen worden. De grenswaarden uit de Wgh zijn immers gerelateerd aan de kwaliteit van de leefomgeving. Voor woningen in stedelijk gebied geldt voor wegverkeer een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een ontheffingswaarde van 63 dB. Daarbij dient er 3
HMB Groep, Aanvullend akoestisch onderzoek, 31 januari 2022, kenmerk: B01_22212901N
Vastgesteld
30
rekening mee te worden dat deze waardes gelden per weg (dus niet voor het geluid van alle wegen samen), en dat vóór toetsing een correctie (art.110g) in rekening wordt gebracht op de berekende waarde. Voor de ontsluitingsweg (rijsnelheid <70 km/h) zou sprake zijn van een aftrek van 5 dB. Anderzijds kan de aanvaardbaarheid ook worden afgemeten volgens de ‘kwaliteitsindicatie geluid’ van het RIVM. Daarbij is tot 55 dB sprake van een goed tot redelijk woonklimaat, tussen 55 en 60 dB van een matig woonklimaat en boven 60 dB van een slecht tot zeer slecht klimaat. Bij deze methode wordt geen aftrek in rekening gebracht en kan wel de totale geluidbelasting worden beschouwd. Uit de rekenresultaten volgt dat het geluid ten gevolge van de nieuwe weg na correctie bij bestaande woningen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh (deze waarde is niet van toepassing, maar geeft wel inzicht in de aanvaardbaarheid van het geluid). Bovendien blijkt dat de ongecorrigeerde geluidbelasting als gevolg van het totale wegverkeer bij de bestaande woningen lager is dan 60 dB en daarmee aanvaardbaar wordt geacht volgens de kwaliteitsindicatie RIVM. 5.2.3 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm).
Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode.
Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Vastgesteld
31
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500
Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000
Het voorliggend initiatief voorziet in fors minder woningen. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat het plan NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 10,8 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,8 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 14,6 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van woningen. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkeling zal ook -in vegelijking met het huidige gebruik als agrarisch opleidingscentrum- nagenoeg geen extra verkeer aantrekkende werking met zich meebrengen.
Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.2.4 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige
Vastgesteld
32
objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woningen betreffen derhalve geurgevoelig objecten. Op 30 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de verordening is bepaald dat voor woongebieden, waarbinnen het plangebied valt, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 3,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 10,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting). Individuele geurbelasting Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied bevinden zich maar één veehouderij: § Hagelkruisweg 20 Hegelsom, leghennen (vergunde emissie 13.133 OU) Van deze veehouderij, waar dieren worden gehouden met geuremissiefactoren, is de geurbelasting, zoals vergund, op het plangebied berekend middels het programma “V-stacks vergunning” (zie bijlage 1). Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Hoek 5 Middelpunt
X-coördinaat 200694 200868 200886 200814 200702 200828
Y-coördinaat 383359 383373 383190 383177 383273 383292
Hagelkruisweg 20 0,9 0,9 0,4 0,4 0,6 0,6
De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 0,9 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 3,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderij geen nadelige effecten heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft voorgrondbelasting. Cumulatieve geurbelasting Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Hoek 5 Middelpunt
Vastgesteld
X-coördinaat 200694 200868 200886 200814 200702 200828
Y-coördinaat 383359 383373 383190 383177 383273 383292
Berekende waarde 2,9 2,4 2,4 2,6 2,9 2,5
33
De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied varieert tussen 2,4 en 2,9 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale cumulatieve geurbelasting toegestaan van 10,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting. 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging.
De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging; aan de Pastoor Debijestraat en Stationsstraat komen allerlei bedrijfsfuncties voor en aan de overzijde van de Stationsstraat bevindt zich het bedrijventerrein Hoogveld.
Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, zoals in dit geval langs de N556 (Stationsstraat), behoren volgens de VNG-publicatie eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied, omdat daar de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden kan rechtvaardigen. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie - zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat - met één afstandsstap worden verkleind. Uitzondering hierop is de richtafstand voor het aspect gevaar. De woonfunctie van de op te richten woningen betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies. In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: § gemengde functies binnen het plangebied (waaronder lichte bedrijvigheid, maatschappelijke voorzieningen of kantoren) § een garagebedrijf op de locatie Pastoor Debijestraat 95, afstand tot het plangebied 30 meter Vastgesteld
34
§ § § § § § § § §
een kantoor op de locatie Stationsstraat 121, afstand tot het plangebied 75 meter een kinderdagverblijf op de locatie Stationsstraat 123, afstand tot het plangebied 75 meter een agrarisch hulpbedrijf op de locatie Stationsstraat 125, afstand tot het plangebied 100 meter een intensieve veehouderij op de locatie Hagelkruisweg 20, afstand tot het plangebied 105 meter het bedrijventerrein Hoogveld, afstand tot het plangebied 130 meter de lokale sportvelden op de locatie Hagelkruisweg 50, afstand tot het plangebied 130 meter een manege op de locatie Hagelkruisweg 25, afstand tot het plangebied 150 meter een tankstation op de locatie Stationsstraat 90, afstand tot het plangebied 200 meter een glastuinbouwbedrijf op de locatie Reysenbeckstraat 28, afstand tot het plangebied 230 meter
Bedrijventerrein Hoogveld Voor dit bedrijventerrein geldt het bestemmingsplan “Werkgelegenheidsgebieden I”. Conform dit bestemmingsplan mogen ter plaatse van het bedrijventerrein zich bedrijven vestigen van milieucategorie 3.1 of 3.2. In het geval van gemengde gebieden kan op een afstand van 50 meter van een bedrijf van milieucategorie 3.2 een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Aan de gestelde richtafstand wordt voldaan waardoor de aanwezigheid van het bedrijventerrein geen negatieve consequenties heeft voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Gemengde functies binnen het plangebied Ten oosten van de in ere te herstellen Oude Holstraat worden nog nader te specifiëren gemengde functies worden ontwikkeld. Dit kunnen woonzorgcomplexen zijn, maar ook gebouwen met lichte bedrijvigheid, maatschappelijke voorzieningen of kantoren. Laatstgenoemde functies betreffen functies uit milieucategorie 1 of 2. Dergelijke functies hebben een dermate beperkte milieubelasting dat deze naast milieugevoelige functies kunnen plaatsvinden. De gemengde functies binnen het plangebied vormen daarmee geen belemmering voor de op te richten woningen. Overige functies De milieuruimte van de andere milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. Bedrijf
Adres
Garagebedrijf
Pastoor Debijestraat 95 Stationsstraat 121
Kantoor
Kinderdagverblijf Agrarisch hulpbedrijf Intensieve veehouderij
Vastgesteld
Stationsstraat 123 Stationsstraat 125 Hagelkruisweg 20
SBI2008 451, 452, 454 63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, 80tm82 8891 016 0141, 0142, 0146, 0147, 0149
Richtafstand ‘gemengd gebied’ geur stof geluid gevaar 0 0 10 10 0
0
0
0
0 10 100
0 0 30
10 30 30
0 10 10
35
Sportvelden Manege Tankstation Glastuinbouwbedrijf
Hagelkruisweg 50 Hagelkruisweg 25 Stationsstraat 90 Reysenbeckstraat 28
931 931 473 011, 012, 013
0 30 10 0
0 10 0 0
30 10 10 10
0 0 200 10
Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Dit blijkt niet het geval te zijn. Ook voor wat betreft deze overige functies wordt daarom gesteld dat in het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd. Conclusie Milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. In de woningen kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd en andere functies worden niet belemmerd omdat andere bestaande woningen reeds dichterbij zijn gelegen. 5.2.6 Externe veiligheid Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening gehouden worden met het aspect externe veiligheid. De risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten moeten in beeld worden gebracht. De volgende bronnen kunnen aan de orde zijn: § inrichtingen; § transportactiviteiten met gevaarlijke stoffen; § vuurwerkopslagplaatsen; § opslagplaatsen ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hoewel de kans om komen te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen zeer klein is, gelden er toch bepaalde minimaal aan te houden afstanden tot locaties waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of getransporteerd. Deze minimaal aan te houden afstanden worden plaatsgebonden risicocontouren genoemd. De grootte van deze plaatsgebonden risicocontouren verschilt per situatie.
Zo speelt de hoeveelheid opgeslagen of vervoerde gevaarlijke stoffen een rol, maar daarnaast bijvoorbeeld ook de wijze van opslag en eventuele aanwezige veiligheidsystemen. Wanneer er een ongeval met gevaarlijke stoffen plaatsvindt, dan kunnen de effecten veel verder reiken dan de plaatsgebonden risicocontour. De afstand tot waar een ongeval met een gevaarlijke stof nog onder 1% van de blootgestelden dodelijke slachtoffers kan veroorzaken vormt het invloedsgebied. Het plaatsgebonden risico zegt dus niets over het aantal mensen dat kan komen te overlijden tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hiervoor is het groepsrisico bedoeld. Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting en wordt weergegeven in een grafiek. In een dergelijke grafiek is de kans op een calamiteit weergegeven tegenover de hoeveelheid mensen die kan komen te overlijden als gevolg van die calamiteit. Het groepsrisico is geen harde norm, maar vormt de basis voor een verantwoording van de aanwezige risico's door de gemeente. Het gemeentebestuur heeft beleidsruimte bij het toepassen van de hoogte van het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter, het gemeentebestuur is wel verplicht voor het invloedsgebied verantwoording af te leggen over de hoogte van het groepsrisico, de te nemen maatregelen om de effecten van deze risico's te reduceren en de eventuele restrisico's.
Vastgesteld
36
Afbeelding 17. Ligging risicovolle bedrijvigheid ten opzichte van het plangebied
Risicovolle bedrijvigheid rond het plangebied Met behulp van de provinciale risicokaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. In de uitsnede in van afbeelding 16 is de ligging van relevante inrichtingen in de wijde omgeving van het plangebied weergegeven. De twee nabijgelegen risicovolle bedrijven betreffen: § Vissers Oliehandel Horst BV, Stationsstraat 90 (LPG tankstation) § Mertens BV, Handelstraat 6 (groothandel in akkerbouwproducten) Uit de afbeelding blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontouren van voornoemde risicovolle bedrijven. Uit de bij de risicokaart behorende rapportages blijkt dat het invloedsgebied van het groepsrisico van Vissers Oliehandel 150 meter betreft en het invloedsgebied van Mertens BV 90 meter. De afstand van de terreingrens van Vissers Oliehandel tot het plangebied bedraagt circa 200 meter. De afstand van de terreingrens van Mertens BV tot het plangebied bedraagt 340 meter. Transport gevaarlijke stoffen Binnen een straal van 200 meter is uitsluitend de N556 gelegen. Ten aanzien van de veiligheidsrisico’s is dit wegtraject uitsluitend van belang indien hierover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd.
Bij Rijkswaterstaat zijn géén jaarintensiteiten van het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg bekend. Ook blijkt uit de Risicokaart dat géén telgegevens van transporten met gevaarlijke stoffen bekend zijn over de N556. Wél is aangegeven dat de plaatsgebonden risicocontour van de weg 0 meter betreft en de overschrijdingsfactor van de oriëntatiewaarde <0,1 maal de oriënterende waarde betreft.
Vastgesteld
37
Gelet op de zeer lage veiligheidsrisico’s kan de planvorming dan ook geen aanleiding geven om een onderzoek naar de hoogte van het groepsrisico te eisen. Op grotere afstand van het plangebied is de spoorlijn Venlo – Eindhoven gesitueerd. Aangezien de spoorweg op meer dan 200 meter afstand is gelegen, wordt geconcludeerd dat als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor geen beperkingen gelden voor het plan. Conform de vervoersaantallen zoals genoemd in Bijlage II Tabel Basis net Spoor (opgenomen in de Regeling Basisnet) vinden op het spoortraject ter hoogte van Hegelsom uitsluitend transporten met Categorie A stoffen plaats (route 12, Eindhoven aansl. – Venlo). Uit tabel 4-2 van de HART volgt dat bij deze stofcategorie de 1% letaliteitsafstand 460 meter betreft. Gebleken is dat het plangebied geheel buiten de 1% letaliteitsgrens van het spoor is gelegen. Risicovolle buisleidingen Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In en rondom het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig, waarvan de invloed reikt tot over het plangebied. Conclusie Externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de woningbouwontwikkeling.
5.2.7 Milieueffectrapportage Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna).
Kenmerken van het project § Omvang van het project § Cumulatie met andere projecten § Gebruik van natuurlijke grondstoffen § Productie van afvalstoffen § Verontreiniging en hinder § Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project § Bestaand grondgebruik § Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied § Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect § Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) § Grensoverschrijdende karakter van het effect Vastgesteld
38
§ §
Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang project
van
het
Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen
Toets Het project heeft betrekking op het realiseren van circa 80 woningen op en ter vervanging van een agrarisch opleidingscentrum. Het geldende bestemmingsplan staat deze herontwikkeling van de locatie niet toe. Om de herontwikkeling mogelijk te maken wordt het bestemmingsplan gewijzigd Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten Nee Nee
Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de sloop en bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico
Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
Vastgesteld
Toets Agrarisch opleidingscentrum N.v.t. Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief
39
§ §
gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting) Nee Nee
Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied
Toets Nee Nee Nee Nee Nee Ja, plangebied is gelegen in grondwaterbeschermingsgebied Venloschol. Diepe boringen zijn daarom uitgesloten en in het kader van het initiatief dus niet aan de orde Nee Nee
Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage a. De woningbouwontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden; c. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is. 5.2.8 Spuitzones gewasbescherming In een ruimtelijk plan dient te worden beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met spuitzones ten behoeve van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Hoewel er voor het gebruik en de introductie van gewasbeschermingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen.
Vastgesteld
40
In de praktijk is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen een boomkwekerij en een gevoelig object in acht moet worden genomen. Deze afstand van 50 meter rondom boomgaarden is een indicatieve afstand. Op basis van specifieke omstandigheden kan gemotiveerd van deze 50 meter worden afgeweken. De afstand tot een boomkwekerij wordt bepaald door de driftblootstelling aan de gewasbeschermingsmiddelen. Deze driftblootstelling is afhankelijk van de toxiciteit van het gewasbeschermingsmiddel, de toegepaste spuittechnieken, kale of volle bladsituatie van de (fruit)bomen, een (gedeeltelijke) windhaag rondom het perceel en de overheersende windrichting. In dit geval grenst het plangebied ten zuidwesten aan landbouwpercelen. De percelen hebben allen eenzelfde bestemming, te weten ‘Agrarisch met waarden’. § Op perceel 2022 is een akker aanwezig. De afstand tussen dit perceel en het plangebied bedraagt circa 120 meter. Aangezien de afstand tussen dit perceel en het plangebied beduidend meer bedraagt dan 50 meter hoeft niet gekeken te worden naar de spuitzones van dit perceel. § Perceel 1317 behoort tot het agrarische bedrijf gelegen aan de Stationsstraat 116/118. Op dit perceel is een bestaande boomgaard aanwezig. De afstand tussen dit perceel en het plangebied bedraagt circa 55 meter.
Aangezien de afstand tussen dit perceel en het plangebied meer bedraagt dan 50 meter hoeft niet gekeken te worden naar de spuitzones van dit perceel. § Perceel 1447 is in gebruik voor de teelt van gras. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het niet toegestaan zonder omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden boomteelt te realiseren. Dit perceel ligt tegen het plangebied aan waardoor de onderlinge afstand 0 meter bedraagt. Voor dit perceel dient gekeken te worden naar de effecten van eventuele te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen op de te realiseren woningen.
55
m et er
er et m 0 12
0 meter
Afbeelding 18. Afstand tussen de landbouwpercelen en het plangebied
Zoals hiervoor reeds aangegeven is de in de praktijk gegroeide vuistregel van 50 meter indicatief. Dat betekent dat er onder omstandigheden gemotiveerd van kan worden afgeweken en er toch sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Omdat elk geval anders is, dient dit per ruimtelijk initiatief te worden onderzocht en afgewogen. Dat is maatwerk. Uit onderzoek en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State komen de volgende aandachtspunten naar voren: 1. Wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en wat zijn de geldende bestemming(en); 2. Welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt;
Vastgesteld
41
3. Wat is de overheersende windrichting. Ad. 1. De bestaande bestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Agrarisch onderzoekscentrum’ en ‘Maatschappelijk’ worden gewijzigd in ‘Wonen’, ‘Groen’, ‘Gemengd’ en ‘Verkeer’. Zoals reeds aangegeven zijn de agrarische percelen ten zuidwesten van het plangebied bestemd als ‘Agrarisch met waarden’. De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn o.a. bestemd voor: a. agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik; b. agrarisch hobbymatig grondgebruik; c. grondgebonden agrarische bedrijven, niet zijnde grondgebonden veehouderijen. Bij het bepalen van een verantwoorde afstand tussen woningen en agrarische percelen waarop agrarische bedrijvigheid in planologisch opzicht is toegestaan, dient te worden gekeken naar wat het bestemmingsplan in juridische zin toelaat. Het agrarische perceel wat tegen het plangebied aan ligt is momenteel in gebruik ten behoeve van akkerbouw / grasland. Ad. 2. Er wordt uitgegaan van gebruik van de stof Captan, aangezien deze stof in de fruitteelt het meest toxisch is en daarom de grootste afstand tot een gevoelige functie aangehouden dient te worden. Van belang is tevens wanneer deze middelen gebruikt mogen worden: gedurende het hele jaar of gedurende een seizoen, dus zowel op volblad als op kale bomen. De stof Captan mag gedurende het gehele jaar worden gebruikt, dus zowel op kale bomen als bomen met blad. Ad. 3.
In verband met de mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is de overheersende windrichting tevens van belang. De meest voorkomende windrichting in Nederland is de wind uit zuidwestelijke richting. Beoordeling Bij uitspraak van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3524) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in hoeverre rekening moet houden met de maximale gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht op agrarische percelen. In betreffend geval sloot het bestemmingsplan ter plaatse de teelt van gewassen waarbij bestrijdingsmiddelen mochten worden gebruikt niet uit. De vraag was nu, of de raad met die mogelijkheid rekening had moeten houden bij de vaststelling van het plan, dat woningbouw mogelijk maakte. De Afdeling nam daartoe in aanmerking dat geen enkel concreet voornemen kenbaar was gemaakt om het huidige agrarische gebruik te wijzigen. Bovendien had appellant ook niet gesteld dat wijziging van het gebruik binnen de planperiode voorzienbaar was. De Afdeling kwam tot de conclusie dat verandering van het bestaande agrarische gebruik binnen de planperiode zodanig onwaarschijnlijk is, dat de raad in redelijkheid geen rekening had hoeven te houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden.
Uit deze uitspraak volgt dus – kortgezegd – dat voor het antwoord op de vraag of rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat het gebruik van de agrarische gronden wordt gewijzigd naar boomteelt, bezien moet worden of deze wijziging binnen de planperiode voorzienbaar is. Indien deze wijziging zodanig onwaarschijnlijk is, behoeft de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt, geen rekening te houden met spuitzones. Het landbouwperceel ten zuidwesten (perceel nummer 1417) is al lange tijd in gebruik voor de teelt van gras en andere reguliere akkerbouwgewassen. Op het perceel heeft nooit boomteelt plaatsgevonden of is het gebruikt als boomgaard. Thans vindt er al jaren grasteelt plaats. Het grasland is al minimaal 5 jaar als zodanig in gebruik. RVO merkt de grasteelt op dit perceel daarom aan als ‘blijvend grasland’. Er geldt in principe een omzetverbod om een perceel blijvend grasland om te zetten voor andere teelten. In alle redelijkheid zijn derhalve op dit perceel geen wijzigingen van het huidige agrarisch gebruik als grasland te verwachten binnen de planperiode van onderhavig bestemmingsplan.
Vastgesteld
42
Op grond van het vigerende bestemmingsplan is het niet direct toegestaan om bomen aan te planten (waaronder bomen ten behoeve van de fruit- of boomteelt). Hiervoor dient een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te worden verleend. Als in de toekomst een dergelijke omgevingsvergunning wordt aangevraagd is onderhavig bestemmingsplan inmiddels leidend. Een dergelijke omgevingsvergunning voor het realiseren van fruit- of boomteelt kan dan niet meer verleend worden omdat binnen het plangebied dan woningbouw kan worden gerealiseerd. Fruit- en boomteelt kan door de spuitzones een negatieve impact hebben op de toekomstige bewoners. Op basis daarvan kan een omgevingsvergunning voor het realiseren van een boomgaard niet meer worden verleend. Ontwikkelingsmogelijkheden en bedrijfsvoering teler Er zijn geen regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nabij woningen of andere voor driftgevoelige bestemmingen. Evenmin zijn er regels die toezien op bescherming van omstanders, recreanten of omwonenden. Eventuele klachten kunnen daarom niet leiden tot het aanpassen van de bedrijfsvoering van de teler. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen belemmeringen vanuit wet- en regelgeving voor de eigenaar en/of gebruiker van het aangrenzende agrarisch perceel tot gevolg.
5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: § vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); § voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.
Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: § herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; § herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; § schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment;
Vastgesteld
43
§ §
duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.
Conform de POL2014-kaart ‘Regionaal water’ liggen in het plangebied geen specifieke waterkundige waarden. Blijkens de kaart ‘Ondergrond’ maakt het plangebied en omgeving onderdeel uit van een boringsvrije zone. Diepe boringen kunnen de natuurlijke geologische bescherming aantasten. In deze zones worden alleen (nieuwe) diepe onttrekkingen voor menselijke consumptie via vergunningverlening toegestaan. Met de woningbouwontwikkeling binnen het plangebied zijn dergelijke diepe onttrekkingen niet aan de orde. Conform het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ toegekend om diepe boringen zonder vergunning te voorkomen. Deze gebiedsaanduiding is opnieuw aan het plangebied toegekend.
Afbeelding 19. Uitsnede kaart GHG NLP
5.3.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een redelijke bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand voor het grootste deel tussen 160-250 cm-mv is gelegen. Dit wordt bevestigd door de
Vastgesteld
44
resultaten uit het bodemonderzoek (zie paragraaf 5.2.1) toen de feitelijke grondwaterstand op 260 cm-mv of dieper is aangetroffen. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Ook in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. 5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Hemelwater Binnen het plangebied worden nieuwe woningen en gemengde functies ontwikkeld, waarbij sprake is van een wijziging van het campusterrein naar bebouwing, groenvoorzieningen en verkeer. Als gevolg hiervan zal de hoeveelheid oppervlakteverharding toenemen. Voor het plangebied wordt gestreefd naar afkoppeling van regenwater en infiltratie op het eigen perceel (eis 50 mm). Hemelwater afkomstig van andere oppervlakteverhardingen wordt opgevangen in de groenblauwe long de vorm van een grote wadi (eis 100 mm, met een uitloop in 24 uur). Volgens de k-waarden kaart van het waterschap geldt voor het plangebied een k-waarde van deels 0,45 – 0,75 m/dag. De onderhavige gronden zijn derhalve geschikt voor infiltratie van hemelwater, mits de grondwaterstand voldoende laag is (> 1,0 meter). In onderhavige situatie is de grondwaterstand voldoende laag. Bij de aanleg van een bergingsvoorziening (dimensionering) is het tevens van belang rekening te houden met de hoeveelheid te bergen hemelwater.
Deze wordt bepaald aan de hand van de waterbergingsopgave (beleid gemeente of waterschap) gerekend over het toekomstig verhard oppervlak en zal ten tijde van de vergunningsaanvraag volledig moeten zijn uitgewerkt. Afvalwater / riolering Het vuilwater zal worden aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. 5.3.4 Conclusie Concluderend kan gesteld worden dat door het initiatief geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
5.4 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
Vastgesteld
45
5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.5.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna aan te tonen en het effect van het initiatief hierop te onderzoeken is een quickscan flora- en fauna4 uitgevoerd. Uit deze quickscan blijkt het volgende wat betreft flora en fauna: Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.