CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

12c Toelichting

Gemeenteraad 10 mei 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Oude Holstraat, Hegelsom.23.505 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Algemene vogels Vernietiging en verstoring van vogelnesten is te vermijden, door de te verwijderen vegetaties buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te rooien. Buiten het broedseizoen dient de nestkast tegen gebouw G te worden verhangen (naar een te behouden locatie) en het dak van gebouw I voor vogels ontoegankelijk te worden gemaakt. Vervolgens kunnen gebouwen G en I jaarrond worden gesloopt. Steenuil Het plangebied vervult mogelijk een marginale functie voor de steenuil. Nesten van deze soort zijn in of binnen 130 meter van het plangebied echter afwezig. Steenuilennesten zijn in Limburg jaarrond beschermd, marginale delen van de foerageerhabitat echter niet. Wel geldt de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, heeft de initiatiefnemer aangegeven 3 steenuilennestkasten op te zullen hangen; § één in een voor steenuilen aan te leggen geschikte foerageerhabitat in het plangebied tegen de Pastoor Debijestraat; § twee op het terrein van zorgboerderij Wienes. Omdat er nu geen geschikte nestlocaties voor deze soort aanwezig zijn, leiden deze maatregelen tot een beter functioneren van de bestande steenuilenhabitat in/rond het plangebied. Een ontheffing Wnb voor de steenuil is niet nodig.

Het ophangen van de nestkasten dient onder begeleiding van een deskundige te worden uitgevoerd. De steenuilennestkasten kunnen besteld worden bij www.vogelbeschermingshop.nl; Vivarapro of Waveka. Vleermuizen Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van de te behouden bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen of rood licht.

4

Faunaconsult, Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom, 3 juni 2020

Vastgesteld

46

De te slopen gebouwen A, E, F, J en K bevatten mogelijk zomerverblijven, winterverblijven (maar geen massawinterverblijven), kraamverblijven en/of paarverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Het slopen van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 4 onderzoeksronden nodig: § 2 ronden (2 avonden) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd (periode 15 mei – 15 juli, waarbij er minimaal 30 dagen zit tussen de twee bezoeken); § 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten verspreid over de te herontwikkelen locatie op te hangen.

Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de werkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. De voorgenoemde type vleermuiskasten zijn uitwendige modellen, die in principe niet geschikt zijn als permanente vervanging. Indien blijkt dat er in de te slopen gebouwen vleermuisverblijven aanwezig zijn, dan dient er een veelvoud van het aantal gevonden vleermuisverblijven in de nieuwbouw te worden gerealiseerd. Vleermuiskasten die geschikt zijn om te dienen als permanente vervanging, dienen zich inwendig in het gebouw te bevinden. Aanvullend onderzoek5 naar het voorkomen van vleermuizen heeft in dat kader plaatsgevonden. Tijdens de vier onderzoeksmomenten (18 juni 2020, 14/15 juli 2020, 22 augustus 2020, 14 september 2020, 19 mei 2021, 14 juni 2021 en 17 juni 2021) vlogen er kortstondig één of enkele gewone dwergvleermuizen en laatvliegers in en rond het plangebied. In het plangebied zelf zijn echter geen in- of uitvliegende of zwermende vleermuizen aangetroffen.

In het plangebied zijn dus geen vleermuisverblijven aangetroffen. Tijdens de laatste drie onderzoeksronden is er tevens onderzocht of er vaste vliegroutes in het plangebied aanwezig zijn. Op 9 mei werden 9 passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen, komend vanuit het noordwesten en vliegend in oostelijke richting, langs een (onderbroken) rij eiken aan de rand van het plangebied. Op 14 juni werden 6 passerende laatvliegers en enkele passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. De dieren kwamen vanuit het noordwesten en vlogen weer in oostelijke richting, langs de rij eiken. Op 17 juni werden hier een passerende laatvlieger en 3 passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen, ditmaal echter vliegend in noordwestelijke richting. Te slopen gebouwen A, E, F, J en K hebben geen functie voor vleermuizen. Bij de sloop van deze gebouwen hoeft daarom geen rekening te worden gehouden met vleermuizen. De eiken aan de zuidelijke en westelijke grens van het plangebied vormen een vaste vliegroute voor vleermuizen. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige 5

Faunaconsult, Vleermuisonderzoek PTC+ terrein te Hegelsom, 29 juni 2021

Vastgesteld

47

UV-vrije led armaturen of rood licht. Hierdoor worden negatieve effecten op de voorkomende vleermuizen voorkomen. 5.5.2 Natura2000 Binnen een afstand van 10 km van het plangebied zijn de volgende Natura2000-gebieden gelegen: § Deurnsche Peel en Mariapeel, afstand 7,8 km § Maasduinen, afstand 8,7 km In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van bijna 8 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie.

Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. In het kader van dit initiatief is gekeken naar de Handreiking woningbouw en AERIUS die is opgesteld door de Rijksoverheid. Met behulp van de handreiking kan een beeld worden gegeven van de totale stikstofdepositie in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase. In de handreiking wordt voor 100 woningen op een afstand van minimaal 7 km van een Natura2000-gebied uitgegaan van een indicatieve depositie van 0,00 mol/ha/jaar tijdens de gebruiksfase en 0,01 mol/ha/jaar in de aanlegfase. Omdat er in dit geval circa 80 woningen worden gerealiseerd, op een afstand van meer dan 7 km van de Natura2000-gebieden kan worden aangenomen dat negatieve effecten vanuit het plangebied op Natura2000-gebieden in de gebruiksfase zijn uit te sluiten. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. In de Wsn wordt een programma van maatregelen opgesteld om stikstofreductie te bereiken en eveneens natuurverbetering mogelijk te maken. In de Wsn zijn drie resultaatsverplichtingen opgenomen: 1. In 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 2.

In 2030 moet minimaal 50% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 3. In 2035 moet minimaal 74% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000gebieden een gezond stikstofniveau hebben. De Wsn wordt verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn), waaronder de bouwvrijstelling. De bouwvrijstelling betreft een vrijstelling van de natuurvergunningplicht van het aspect stikstofdepositie voor tijdelijke (bouw)werkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, waar tijdelijke emissies voorkomen. Derhalve is het enkel nog noodzakelijk om de stikstofdepositie tijdens de nieuwe, beoogde, situatie (gebruiksfase) te bepalen. Als uit de AERIUS Calculator blijkt dat er geen stikstofdepositie door de gebruiksfase van het project of plan op de Natura2000-gebieden plaatsvindt, hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden en is geen vergunning nodig. Als er wél een toename van stikstofdepositie plaatsvindt is vervolgonderzoek nodig om te beoordelen of een vergunning verleend kan worden.

Vastgesteld

48

De gebruiksfase is daarom ingevoerd in AERIUS Calculator. Daarbij is uitgegaan van de volgende woningbouwontwikkeling (zijnde de definitieve woningbouwontwikkeling zoals weergegeven op afbeelding 15): § 10 vrijstaande woningen § 38 halfvrijstaande woningen § 29 aaneengebouwde woningen (16 eindwoningen en 13 tussenwoningen) De verwachte opgave van het aardgasverbruik van de gemengde functies zal 67.500 m3 per jaar bedragen (uitgaande van een worst-case benadering als zijnde bedrijvigheid). Voor het bepalen van het aardgasverbruik van de bedrijvigheid is gebruik gemaakt van standaarden, zoals onderzocht in het rapport ‘Nieuwe benchmark energieverbruik utiliteitsgebouwen en industriële sectoren’ van ECN (januari 2016). Hierin staat opgenomen dat een werkplaats (bedrijfshal voor een garage/showroom) gemiddeld 15 m3 gas per m2 verbruikt. De bouwvlakken binnen de gemengde bestemming hebben samen een oppervlakte van circa 2.475 m2. Hiervan mag 50% bebouwd worden tot een bouwhoogte van 11 meter, te weten twee etages. Totale oppervlakte aan bedrijvigheid bedraagt zodoende 2.475 m2. Hiervan uitgaande kan er op de locatie per jaar circa 38.000 m3 gas verbruikt worden. De calorische onderwaarde van aardgas in Nederland bedraagt 31.650 kJ/m³, waardoor bij verbranding voor de verwarming van het plangebied circa 1.203 GJ aan warmte wordt afgeleverd.

Een Hr-ketel emitteert 18 g NOx per GJ3, wat overeenkomt met 21,7 kg NOx per jaar. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens; ligging in de rest bebouwde kom in niet stedelijk gebied. Dit leidt tot de volgende verkeersgeneratie: Functie Vrijstaande woningen Halfvrijstaande woningen Aaneengebouwde woningen Gemengde functies bedrijvigheid)

(worst-case:

Aantal 10 38 29 2.763 m2

Verkeersgeneratie 7,8 – 8,6 7,4 – 8,2 7,0 – 7,8 9,1 – 10,9 per 100 m2

Totaal (worst-case) 86 311,6 226,2 301,2

Op basis van de kencijfers genereert het initiatief maximaal 925 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 462,5 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s) die vanaf de Stationsstraat zullen opgaan in het overige verkeer. Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door het verkeer de emissie NOx met 17,1 kg/jaar bedraagt vanuit de locatie. Met de ingevoerde gegevens geeft AERIUS Calculator aan dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j (zie bijlage 2). Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief.

5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen.

Vastgesteld

49

Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er binnen of nabijheid het plangebied geen cultuurhistorische waarden. Met de woningbouwontwikkeling gaan derhalve geen cultuurhistorische waarden verloren. 5.6.2 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. De gemeente Horst aan de Maas heeft voor haar grondgebied een Archeologische Maatregelenkaart ontwikkeld welke op 26 mei 2015 is vastgesteld.

Conform deze kaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting.

Afbeelding 20. Uitsnede Archeologische Maatregelenkaart

In gebieden met een hoge archeologische verwachting dient archeologisch onderzoek plaats te vinden indien het terrein voor een oppervlakte van 500 m2 dieper dan 0,5 m verstoord wordt. Aangezien met dit initiatief deze ondergrenzen worden overschreden heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden in de vorm van een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek6. 6

Econsultancy, Archeologisch onderzoek Oude Holstraat te Hegelsom, 2 maart 2021, rapportnummer: 15010.001

Vastgesteld

50

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting kunnen archeologische resten uit het (Laat-)Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd aanwezig zijn. De trefkans op archeologische waarden uit genoemde perioden is hoog.

Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVOOverig), blijkt dat de bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor met een (sub)recent opgebracht zandpakket of plaggendek op de C-horizont van het dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Als zodanig is sprake van AC-profielen. In enkele boringen lag boven het dekzand een gebioturbeerde toplaag, die mogelijk als een cultuur- of akkerlaag geïnterpreteerd kan worden. Verder was het opvallend dat boringen met een plaggendek en de sterk gebioturbeerde toplaag allen in het westen van het plangebied liggen. In de boringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan geconcludeerd worden dat in het westelijke deel van het plangebied nog een relatief intacte bodemopbouw aanwezig is. De bodemopbouw hier vertoont sterke gelijkenissen met de bodemopbouw zoals aangetroffen bij het verkennend booronderzoek en proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in respectievelijk 2015 en 2017 door SOB Research ter plekke van de ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’, grenzend aan de zuidwest zijde van het onderhavige plangebied.

Binnen dit onderzoeksgebied zijn sporen (kuilen, paalkuilen en haardkuilen) en vondsten uit het Mesolithicum, de MiddenBronstijd tot en met de Vroege-IJzertijd, en de Vroege-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd aangetroffen. Op grond van de onderzoeksresultaten wordt geadviseerd om proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, uit te voeren in het westelijke deel van het plangebied. Het proefsleuvenonderzoek kan het beste uitgevoerd worden op het moment dat de bovengrondse sloop van de bestaande bebouwing in dit deel van het plangebied is uitgevoerd. Er zijn geen aanwijzingen dat de bestaande bebouwing aanwezige archeologisch relevante bodemlagen hebben verstoord. Het vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek in het westelijk deel van het plangebied is uitgevoerd. Op basis van 26 gedocumenteerde profielen binnen de proefsleuven kan in hoofdlijnen een onderscheid gemaakt worden tussen twee soorten bodemopbouw. In het oostelijke deel van de onderzochte ‘primaire zone’ is hoofdzakelijk een bodemopbouw waargenomen van een of meerdere (sub)recent opgebrachte zandpakketten, op een restant van een podzolprofiel (B-horizont) of mogelijk ook een soort oud akkerdek, op de C-horizont van het dekzand.

In globaal het centrale en westelijke deel van het plangebied is een bodemopbouw aangetroffen bestaande uit een bouwvoor, op een of meerdere donkerbruin(grijze) zandpakketten die als plaggendek zijn geïnterpreteerd, op een oud akkerdek, op een bioturbatielaag, op de Chorizont van het dekzand. In drie proefsleuven leek mogelijk nog een restant van een E- en/of B-horizont van Vastgesteld

51

een podzolprofiel in de top van het dekzand aanwezig te zijn. De C-horizont van het dekzand bestond uit wit geel bruin, zwak siltig, matig fijn zand met deels roestvlekken (gley-verschijnselen). In totaal zijn 12 sporen gedocumenteerd. Spoor 1 in Werkput 1, aan de noordelijke grens van het plangebied, nabij de hoofdingang van het complex, betrof restanten van de Oude Holstraat, zichtbaar door karresporen en vullingen van (sub)recent puin. De Oude Holstraat wordt reeds weergegeven op kadastrale en topografische kaarten uit het begin van de 19e eeuw. Deze weg is in de jaren ’70 van de 20e eeuw verdwenen als gevolg van de herinrichting van het terrein van het agrarisch opleidingscentrum. De overige aangetroffen sporen konden als natuurlijk (bioturbatie/plantgaten) en als (sub)recent geïnterpreteerd worden en deels gerelateerd worden aan reeds afgebroken gebouwen/structuren van het gesloten agrarisch opleidingscentrum. Daarnaast zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek geen archeologische vondsten gedaan. Het bevoegd gezag (de gemeente Horst aan de Maas) heeft naar aanleiding van deze onderzoeksresultaten besloten het plangebied archeologisch vrij te geven. Uit het oogpunt van archeologie bestaan er hiermee geen belemmeringen voor de geplande ontwikkeling.

Mochten tijdens de uitvoering van (bouw)werkzaamheden in het plangebied desondanks archeologische resten worden aangetroffen, dan is een meldingsplicht van toepassing conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming).

5.7 Verkeer en parkeren Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer De realisatie van de woningen binnen het plangebied heeft bepaalde verkeersaantrekkende werking tot gevolg. Alle woningen en gemengde functies worden via de Oude Holstraat ontsloten naar de Pastoor Debijestraat. Er vindt dus geen ontsluiting plaats direct op de Stationsstraat. De Pastoor Debijestraat is via een rotonde direct aangesloten op de provinciale weg N556 en daardoor is het plangebied naar alle richtingen uitstekend ontsloten. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gekeken naar het type woning ‘woonhuis’ in de ‘Nota Parkeernormen 2019’. Per woning dient in dit geval 2,0 parkeerplaatsen te worden aangelegd. Deze parkeereis is tevens geborgd in de planregels.

5.8 Volksgezondheid Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën)

Vastgesteld

52

gezondheidsproblemen veroorzaken. Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen. Endotoxine (pluimvee- en varkenshouderijen) Uit onderzoeken is aangetoond dat omwonenden rondom veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen. In de omgeving van het plangebied is slechts één veehouderij gelegen en ook nog eens op ruime afstand (minimaal 110 meter). Gesteld kan worden dat de afstand tussen het plangebied en de veehouderij voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen op het gebied van volksgezondheid. Geitenhouderijen in de omgeving Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) komt naar voren dat omwonenden van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen.

Zo lopen omwonenden van voornamelijk pluimveehouderijen en geitenhouderijen meer risico op het krijgen van longontstekingen. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontsteking voordoet. Binnen een afstand van 2 km van het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van geitenhouderijen. Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.

Vastgesteld

53

6 UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid In de Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat het kostenverhaal van de gemeente verplicht gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan verzekerd moet zijn. Op grond van artikel 6.12 lid 1 in samenhang met artikel 6.12 lid 4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad verplicht voor het verhaal van kosten een exploitatieplan op te stellen en vast te stellen gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan, indien er in dat bestemmingsplan een aangewezen bouwplan mogelijk wordt gemaakt. De plicht tot het vaststellen van een exploitatieplan geldt niet als het kostenverhaal anderszins is geregeld, bijvoorbeeld middels een anterieure overeenkomst. In dit geval wordt er voor vaststelling van het bestemmingsplan een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en initiatiefnemer, waarbij kosten en eventuele planschade voor rekening en risico komen van initiatiefnemer waardoor kostenverhaal voor de gemeente volledig anderszins is verzekerd. Hierdoor is in onderhavig geval géén plicht tot vaststelling van een exploitatieplan.

6.2 Handhaving Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft voorafgaand aan de feitelijke bestemmingsplanprocedure de direct betrokken personen en groepen (o.a. de dorpsraad van Hegelsom) benaderd. Het is kansrijk om op voorhand de omgeving te

Vastgesteld

54

betrekken bij de planvorming. Niet alleen vanwege het belang als ‘omwonende van een ontwikkeling’, maar ook als ‘potentiële bewoner / gebruiker’ van het gebied. De voorlopige plannen zijn aan de omwonenden gepresenteerd en zij hebben waar mogelijk vragen kunnen stellen c.q. opmerkingen kunnen maken op. Waar nodig heeft initiatiefnemer de plannen toegelicht of aangepast. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Om die reden is onderhavig bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Limburg, Waterschap Limburg en Veiligheidsregio Limburg-Noord. Alleen van de provincie Limburg en Veiligheidsregio Limburg-Noord is een reactie ontvangen. De provincie geeft aan: ‘Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien u dit plan op deze wijze voortzet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen’. Voor de reactie van Veiligheidsregio Limburg-Noord wordt verwezen naar bijlage 3. In het kader van het bestemmingsplan heeft Veiligheidsregio Limburg-Noord geen inhoudelijke opmerkingen.

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 29 oktober t/m 9 december 2021 voor eenieder ter visie gelegen. Er is één zienswijze binnengekomen tegen het ontwerpbestemmingsplan. Deze zienswijzen zijn beoordeeld en de belangen van reclamanten zijn afgewogen tegen het belang dat met het bestemmingsplan wordt gediend. De zienswijze heeft daarbij niet geleid tot inhoudelijke wijzigingen c.q. aanvullingen van het bestemmingsplan. Wel zijn enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd aan het bestemmingsplan. Een uitgebreidere behandeling van de zienswijze en de ambtshalve wijzigingen zijn opgenomen in het zienswijzenrapport, die als bijlage bij het bestemmingsplan is vastgesteld.

6.4 Procedure De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: § Vooroverleg met betrokken instanties; § Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; § Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; § Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; § Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; § Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en

Vastgesteld

55

§ §

gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Vastgesteld

56

7 JURIDISCHE TOELICHTING

7.1 Planstukken Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: § toelichting § planregels § verbeelding Met het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aangesloten bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: § Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; § PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; § Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012. Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst aan de Maas voldoet het bestemmingsplan qua systematiek aan het bestemmingsplan “Peelkernen” zoals dat voor de westelijk gelegen kernen in de gemeente Horst aan de Maas geldt, maar ook aan vergelijkbare ontwikkelingsplannen in de gemeente Horst aan de Maas, zoals het woningbouwplan “Kronenberg – Zuidwest” aan de Simonstraat / Meerweg in Kronenberg.

7.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de planregels, alsmede de functie van visualisering van de bestemming. Op de verbeelding zijn de toegekende bestemmingen weergegeven, in dit geval de bestemmingen ‘Gemengd’, ‘Groen’, ‘Verkeer’ en ‘Wonen’.

7.3 Toelichting op de planregels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 is een aantal noodzakelijke begripsbepalingen opgenomen welke worden gebruikt in de regels. In artikel 2 wordt uiteengezet op welke wijze gemeten dient te worden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen.

Vastgesteld

57

Gemengd De toegestane gebruiksfuncties kunnen als volgt overzichtelijk worden samengevat: Functie Bedrijven categorie 1 en 2 Dienstverlening Detailhandel Horeca Kantoren Maatschappelijke doeleinden Wonen

Toegestaan? Nee, pas na afwijking door bevoegd gezag Ja Nee Nee Ja Ja Ja

Wonen is zowel op de begane grond als op de verdieping(en) toegestaan. Er is voorzien in passende bouwregels voor maximaal drie hoofdgebouwen. Groen Om te garanderen dat de groenblauwe long wordt gerealiseerd is hieraan de bestemming ‘Groen’ toegekend. Binnen deze bestemming mag geen bebouwing worden opgericht, wel mogen groenvoorzieningen, infrastructuur en parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Verkeer De overige openbare ruimte (ontsluitingswegen met parkeervoorzieningen en groenstroken) zijn bestemd als ‘Verkeer’. Binnen deze bestemming mag geen bebouwing worden opgericht, wel mogen groenvoorzieningen, infrastructuur en parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Wonen In artikel 6 is de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. Om maximale flexibiliteit te kunnen behouden met betrekken tot het ontwerp en de verdere invulling van het gebied, is ervoor gekozen om aan de directe bouwtitels de bestemming ‘Wonen’ toe te kennen. Binnen deze bestemming zijn in totaal circa 80 nieuwe woningen toegestaan en tevens onder meer voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorziening en nutsvoorzieningen. Door niet alles tot op detailniveau vast te leggen wordt flexibiliteit behouden waarmee kan worden geanticipeerd op de meest actuele marktvraag.

De goot- en bouwhoogte van een woning mag niet meer bedragen dan respectievelijk 6,5 en 11,5 meter, behoudens daar waar het specifiek is aangegeven; daar mag de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan 4,7 respectievelijk 9,5 meter. Hoofdstukken 3 en 4: Algemene, slot- en overgangsregels Deze hoofdstukken bevatten de bepalingen die op het plangebied betrekking hebben en burgemeester en wethouders c.q. het bevoegd gezag de mogelijkheid bieden flexibiliteit in het plangebied te betrachten.

Vastgesteld

58

Gegenereerd op: 3-12-2020 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.

Naam van de berekening: Nog niet bekend Gemaakt op: 3-12-2020 Rekentijd:

9:41:59

0:00:02

Naam van het bedrijf: PTC+ terrein Hegelsom

Berekende ruwheid: 0,42 m Meteo station: Eindhoven

Brongegevens: Volgnr.

BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

Gem.geb. hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh.

E-Aanvraag

1

stal 1

200 747

383 636

2,9

4,5

1,51

4,00

8 330

2

stal 2

200 758

383 626

2,5

4,2

1,34

4,00

4 420

3

stal 5

200 782

383 610

1,5

2,8

0,50

0,40

383

Geur gevoelige locaties: Volgnummer

GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

Geurnorm

Geurbelasting

4

hoek 1

200 694

383 359

3,0

0,9

5

hoek 2

200 868

383 373

3,0

0,9

6

hoek 3

200 886

383 190

3,0

0,4

7

hoek 4

200 814

383 177

3,0

0,4

8

hoek 5

200 702

383 273

3,0

0,6

9

middelpunt

200 828

383 292

3,0

0,6

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RjZpgF3HFUnf (29 juli 2021) pagina 1/6

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Peters Bouw en Onderhoud

Pastoor Debijestraat 64, 5963 AG Hegelsom

Omschrijving

AERIUS kenmerk

Oude Holstraat

RjZpgF3HFUnf

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

29 juli 2021, 15:18

2021

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Resultaten

Situatie 1

NOx

200,94 kg/j

NH3

1,15 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

Woningbouw zoals ontworpen

Situatie 1

RjZpgF3HFUnf (29 juli 2021) pagina 2/6

Resultaten

Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Bron Sector

Woningen Plan | Plan

Verkeer Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

Gemengde functies Anders... | Anders...

Resultaten

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

-

162,13 kg/j

1,15 kg/j

17,11 kg/j

-

21,70 kg/j

RjZpgF3HFUnf (29 juli 2021) pagina 3/6

Resultaten

Emissie (per bron)

Locatie (X,Y)

Situatie 1

NOx

Sector

Categorie

Omschrijving

Eenheden Stof

Emissie

Woningen (nieuwbouw): Vrijstaande woning

Vrijstaande woningen

10,0 NOx

30,30 kg/j

Woningen (nieuwbouw): Tweeonder-één-kap

Halfvrijstaande woningen

38,0 NOx

82,35 kg/j

Woningen (nieuwbouw): Hoekwoning

Aaneengebouwde woningen eindwoningen

16,0 NOx

29,32 kg/j

Woningen (nieuwbouw): Tussenwoning

Aaneengebouwde woningen tussenwoningen

13,0 NOx

20,16 kg/j

Naam Locatie (X,Y) NOx NH3

Resultaten

Woningen 200817, 383294 162,13 kg/j

Naam

Verkeer 200858, 383420 17,11 kg/j 1,15 kg/j

Soort

Voertuig

Aantal voertuigen Stof

Emissie

Standaard

Licht verkeer

462,5 / etmaal NOx NH3

17,11 kg/j 1,15 kg/j

Situatie 1

RjZpgF3HFUnf (29 juli 2021) pagina 4/6

Resultaten

Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Oppervlakte Spreiding Warmteinhoud Temporele variatie NOx

Resultaten

Situatie 1

Gemengde functies 200918, 383254 0,0 m 0,5 ha 0,0 m 0,000 MW Continue emissie 21,70 kg/j

RjZpgF3HFUnf (29 juli 2021) pagina 5/6

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210525_2040287d5b Database versie 2020_20210713_c09c249ebe Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020

Resultaten

Situatie 1

RjZpgF3HFUnf (29 juli 2021) pagina 6/6

Gemeente Horst aan de Maas T.a.v. mevrouw J. van Melick Wilhelminaplein 6 5961 ES Horst

datum

3 juni 2021

uw kenmerk

behandeld door

Frank Timmermans

telefefoonnummer

+31881190627

bijlage(n)

0

ons kenmerk

2021-005838

onderwerp

$GYLHV%HVWHPPLQJVSODQ³2XGH+ROVWUDDW+HJHOVRP´:RRQJHELHG3(7&

Geachte mevrouw van Melick, Op 23 mei 2021 hebben wij een aanvraag voor een advies externe veiligheid ontvangen voor de wijziging van het bestemmingsplan ten behoeve van de realisatie van circa 90 woningen op het voormalig PETC terrein aan de Pastoor Debijestraat 64 te Hegelsom. Deze aanvraag is door ons geregistreerd onder nummer 2021-005838. $DQOHLGLQJ +HWLQLWLDWLHIEHKHOVWGHUHDOLVDWLHYDQFLUFDQLHXZWHERXZHQZRQLQJHQELQQHQKHWSODQJHELHG³2XGH +ROVWUDDW´YDQGHYRRUPDOLJH3(7&FDPSXVDDQGHSDVWRRU'HELMHVWUDDWWH+HJHOVRP Het plangebied wordt aan de noordzijde ontsloten vanuit de Pastoor debijestraat en aan de zuidzijde aangesloten op de Dingsstraat. Het plangebied ligt binnen het effectgebied van het toxisch scenario van het spoortraject VenloEindhoven, de N556 en de milieu-inrichting Mertens BV. Vanuit deze risicobronnen is enkel het toxisch scenario van toepassing op het plangebied. Er zijn geen risicobronnen in het kader van externe veiligheid aanwezig in de directe nabijheid van het plangebied die van invloed zijn voor het groepsrisico. Een verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet aan de orde.

2SKHWSODQJHELHGLVZHOKHW³VWDQGDDUGDGYLHV´YRRUKHWWR[LVFKVFHQDULRYDQWRHSDVVLQJ Dit advies richt zich op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloeds- en effectgebied

6FHQDULR¶V 9RRUKHWSODQJHELHG]LMQGHYROJHQGHVFHQDULR¶VLQKHWNDGHUYDQKHWEHRRUGHOHQYDQGHH[WHUQH veiligheid van belang:

1. Toxisch: Als gevolg van een ongeval op het spoortraject Venlo-Eindhoven of N556 met een transport geladen met een toxische stof, of door een brand in de PGS15 opslag van Mertens BV komt een giftige wolk vrij die over het plangebied trekt. Effecten (IIHFWHQGLHRSKHWSODQJHELHGRSNXQQHQWUHGHQELMGHGLYHUVHVFHQDULR¶V]LMQ

1. Toxisch: 1. Na het vrijkomen wordt de gifwolk meegevoerd met de wind en kan deze het plangebied bereiken. Afhankelijk van de bebouwing kan deze tevens het binnenklimaat van de gebouwen bereiken. Het effect hiervan is vergiftiging of verstikking. Zelfredzaamheid Het initiatief betreft voornamelijk de realisatie van circa 90 woningen. Bij zelfstandig wonen wordt er van uitgegaan dat de bewoners voldoende zelfredzaam zijn om zich in veiligheid te brengen en adequaat te handelen bij een calamiteit. Het is uit de aanvraag niet geheel duidelijk of binnen het plangebied enkel woningen komen. In de verbeelding zijn ook enkele grotere gebouwen weergegeven waarvan de gebruiksfunctie en daarmee de ]HOIUHG]DDPKHLGYDQGHJHEUXLNHUVQLHWJHKHHOGXLGHOLMNLV*H]LHQGHODJHULVLFR¶VYDQGHDDQZH]LJH risicobronnen in de omgeving gaan we er vanuit dat de zelfredzaamheid voldoende geborgd is doordat de gebruikers zelf voldoende zelfredzaam zijn en/of dat er in deze gebouwen een bhv organisatie aanwezig is om hierin te ondersteunen. Voor het plangebied geldt dat het beste handelingsperspectief bij een giftige wolk schuilen is. Het is van belang dat de woningen en overige gebouwen hiervoor dan voldoende bescherming biedt. Isolatie en luchtdicht afdichten van de gebouwen verdient daarmee extra aandacht.

Waarschuwing en alarmering Het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) is dekkend voor het plangebied. Het gebruik van het WAS, aangevuld met het gebruik van NL-alert, kan er aan bijdragen dat het aantal slachtoffers bij een LQFLGHQWZRUGWEHSHUNW Bereikbaarheid Voor de bereikbaarheid voor de hulpdiensten is het van belang dat het plangebied vanuit meerdere ZLQGULFKWLQJHQWHEHQDGHUHQLV Volgens de aangeleverde documenten wordt het plangebied aan de zuidzijde aangesloten op de Dingsstraat en aan de noordzijde op de Pastoor Debijestraat. Dat betekent dat het plangebied voldoende vanuit meerdere routes en verschillende windrichtingen benaderbaar is. Belangrijk hiervoor is dat het wegennet binnen het plangebied eveneens uitgevoerd wordt conform de criteria uit het beleid bluswatervoorziening en bereikbaarheid. Bestrijdbaarheid Binnen het plangebied is nog geen enkele brandkraan of andere bluswatervoorziening aanwezig.

De dichtstbijzijnde ondergrondse brandkraan ligt meer dan 100 meter verwijdert van de dichtstbijzijnde gesitueerde woning. De bluswatervoorziening voldoet voor het plangebied dan ook niet aan het beleid bluswatervoorziening en bereikbaarheid. Opkomsttijd De opkomsttijd voor het 1e brandweervoertuig is minder dan 8 minuten en voldoet daarmee aan de normtijd voor woningen. Advies Bestrijdbaarheid Binnen het plangebied dienen voldoende primaire bluswatervoorzieningen gerealiseerd te worden in de vorm van ondergrondse brandkranen, conform het beleid bluswater en bereikbaarheid. Voor de woningen geldt hierbij het uitgangspunt van een primaire bluswatervoorziening van tenminste 30 m3/uur op een afstand van maximaal 100 meter van de woningen Voor de grotere gebouwen waarvan uit de aanvraag niet duidelijk is hoe zij gebruikt worden, zal de uitvoering van de bluswatervoorzieningen eveneens te dienen voldoen aan het beleid bluswater en bereikbaarheid. Voor de grotere en mogelijk hogere gebouwen zal naar verwachting een primaire en/of secundaire bluswatervoorziening met een debiet van tenminste 60 m3/uur benodigd zijn in de nabijheid van deze gebouwen. Dat geldt mogelijk ook als er binnen het plangebied parkeergarages voor (elektrische) voertuigen of andere ontwikkelingen in het kader van de energietransitie uitgevoerd worden.

Hier dient onder andere rekening mee gehouden te worden bij de bepaling van de leidingdiameter van het waterleidingnet voor het plangebied. Advies daarom om de exacte locatie en uitvoering van de bluswatervoorzieningen en eventuele opstelplaats in overleg met de brandweer te bepalen, zodat deze effectief en bruikbaar zijn voor de hulpdiensten. =HOIUHG]DDPKHLG Maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid vergroten de mogelijkheden voor de in het effectgebied aanwezige personen om zichzelf op eigen kracht in veiligheid te brengen. Hiervoor adviseren we de volgende maatregelen:

1. Toxisch: zorg ervoor dat bij alle beoogde woningen en gebouwen binnen het plangebied de ventilatieopeningen af te sluiten zijn bij een calamiteit. Wanneer in de bouwwerken voor de ventilatie een installatie nodig is, plaats dan een schakelaar waarmee de installatie uitgezet kan worden op een makkelijk te bereiken plaats, zodat er geen ventilatielucht van buitenaf wordt ingebracht. De schakelaar kan bijvoorbeeld in de meterkast geplaatst worden of in de buurt van GHHYHQWXHHOEHQRGLJGHEUDQGPHOGFHQWUDOH 2. $OJHPHHQ=RUJGDWGHJHEUXLNHUVYDQKHWSODQJHELHGRSGHKRRJWH]LMQYDQGHULVLFR¶VXLWGH omgeving en de aanwezige voorzieningen in de gebouwen, zodat ze daarnaar kunnen handelen bij een incident; Vluchten of schuilen, ramen en deuren sluiten en ventilatie afschakelen. 5HVWULVLFR De beschouwde risicobronnen kunnen in relatie tot de plannen leiden tot ongevallen met grote gevolgen voor de omgeving die voor hulpverleningsdiensten lastig beheersbaar zijn. De geadviseerde maatregelen bevorderen de zelfredzaamheid in het plangebied en kunnen de effecten van ongevallen reduceren tot een omvang die beter beheersbaar of bestrijdbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Hoewel het uitvoeren van de veiligheid verhogende maatregelen een positief effect zal hebben, valt GDDUPHHQLHWXLWWHVOXLWHQGDW]LFKHHQLQFLGHQWYRRU]DOGRHQZDDUELMVODFKWRIIHUVNXQQHQYDOOHQ

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met Frank Timmermans, senior medewerker risicobeheersing, telefoonnummer 088-1190627 RIYLDf.timmermans@vrln.nl Namens het algemeen bestuur van de Veiligheidsregio Limburg-Noord,

Met vriendelijke groet,

 +%DDUHQGV $IGHOLQJVKRRIG

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11391772/1