CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

11c Toelichting

Gemeenteraad 10 mei 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van bestemmingsplan Zandterweg 26, Lottum.18.256 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekenende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).

Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof als NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Zoals in paragraaf 5.7 wordt toegelicht, zal de herverkaveling en herinrichting van het loonbedrijf niet gepaard gaan met een toename van het aantal verkeersbewegingen. Hierdoor heeft de

Hoofdstuk 5

29

herontwikkeling geen invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de concentratie fijn stof (PM10) ter plaatse kleiner dan 18 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse is gelegen tussen 10 en 12 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) is ter plaatse gelegen tussen 10 en 15 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ en voor PM2,5 25 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Toetsing Dit bestemmingsplan voorziet in de herverkaveling van de bedrijfslocatie van een loonbedrijf. Dit initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit ter plaatse is voldoende om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. 5.2.4 Geur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv).

Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woonen leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Horst aan de Maas beschikt niet over een geurverordening. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Horst aan de Maas van toepassing is.

Dit betekent dat de onderstaande wettelijke normen en afstanden van toepassing zijn binnen het grondgebied van de gemeente:  De norm van 3 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom;  De norm van 14 ouE/m 3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen het buitengebied;  Een vaste afstand van 100 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom;  Een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied. Toetsing Indien in de uitbreidingen van de bedrijfsloodsen regelmatig medewerkers verblijven (om hier te werken), kunnen deze uitbreidingen worden gezien als bebouwing voor menselijk verblijf, en

Hoofdstuk 5

30

daarmee als een nieuw geurgevoelig object. Dit betekent dat toetsing aan de geurnormen van nabijgelegen veehouderijen noodzakelijk is. Wanneer in de uitgebreide gebouwen bijvoorbeeld alleen opslag plaatsvindt, is er geen sprake van een geurgevoelig object. Volledigheidshalve wordt de uitbreiding hiernavolgend getoetst aan de Wgv. Als gevolg van de herontwikkeling en uitbreiding van de bedrijfsgebouwen komen de bedrijfsgebouwen niet dichter bij omliggende intensieve veehouderijen gelegen. De meest dichtbij gelegen veehouderijen liggen op circa 300 meter ten oosten en op circa 270 meter ten zuiden van de uitbreidingen. De bestaande bedrijfsbebouwing ligt hier reeds dichter bij, waardoor de veehouderijen niet in hun mogelijkheden worden beperkt als gevolg van de herverkaveling. Uit de plan-MER5 die is uitgevoerd in het kader van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ is wat betreft het aspect geurhinder geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat in de huidige situatie in het plangebied zeer goed is (0-3 ouE/m3). In de worst-case situatie (uitgaande van maximale uitbreiding van de bestaande veehouderijen) zal het woon-en leefklimaat binnen het plangebied nog steeds redelijk goed zijn (7,5-13,1 ouE/m3). Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke normen voor geurhinder.

Wat betreft de functiewijziging van de bedrijfswoning naar burgerwoning is er geen sprake van een nieuw geurgevoelig object, omdat dit reeds een bestaand geurgevoelig object is. Hiervoor is toetsing aan de Wgv niet vereist. 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor.

Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied; 2. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als

5

Bügel Hajema, PlanMER bestemmingsplan buitengebied Horst aan de Maas, projectnummer 934.00.00.01.00, 24 november 2017

Hoofdstuk 5

31

gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De omgeving van het plangebied dient te worden gekwalificeerd als gemengd gebied, aangezien sprake is van een gebied met diverse agrarisch- en niet-agrarische bedrijven en burgerwoningen. De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. De richtafstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag met richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen.

De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Bedrijven in de nabijheid van het plangebied worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkelingen. Er worden geen nieuwe milieugevoelige functies gerealiseerd en het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning heeft voor nabijgelegen bedrijven geen nadelige consequenties in vergelijking met het huidige toegestane gebruik als bedrijfswoning. Als gevolg van de herverkaveling komt het loonbedrijf dichter bij de burgerwoningen ten noorden van de bedrijfslocatie te liggen. Het loonbedrijf betreft een activiteit van milieucategorie 3.1 (categorie ‘algemeen (o.a. loonbedrijven) met een bedrijfsoppervlakte > 500 m 2’). Hiervoor wordt, op basis van de ligging in gemengd gebied, een richtafstand geadviseerd van 30 meter voor geluid, 10 meter voor geur en 0 meter voor stof en gevaar. Aangezien de dichtstbijzijnde woning op ruim 35 meter ten noordoosten van de bedrijfslocatie is gelegen, wordt aan deze richtafstanden voldaan. De herverkaveling van het loonbedrijf leidt hiermee niet tot belemmeringen voor het woon- en leefklimaat in omliggende woningen.

Met betrekking tot de ten oosten van het plangebied gelegen woning aan de Zandterweg 22 wordt opgemerkt dat de bedrijfsactiviteiten van het loonbedrijf niet dichter bij deze woning zullen plaatsvinden. De afstand tussen het loonbedrijf en de woning blijft immers gelijk. Er is dan ook geen sprake van gewijzigde effecten op deze woning als gevolg van de herverkaveling van het loonbedrijf. Milieu-invloed loonbedrijf op woning Wielder 15 De huidige bedrijfswoning hoeft niet te worden getoetst aan eventuele hinder veroorzaakt door het eigen bedrijf, maar doordat de functie van deze woning wordt gewijzigd naar burgerwoning, dient de milieu-invloed van het loonbedrijf op de woning wel te worden onderzocht. Na herverkaveling zal de afstand tussen de woning en het loonbedrijf circa 18 meter bedragen. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Aan de richtafstanden voor geur, stof en gevaar wordt wel voldaan.

Hoofdstuk 5

32

Om te bepalen of in de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege eventuele geluidhinder vanuit het loonbedrijf is een akoestisch onderzoek6 uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Aan de hand van de bedrijfssituatie is een rekenmodel opgesteld. Middels dit rekenmodel zijn de akoestische effecten vanwege het loonwerkbedrijf met koolzaadperserij inzichtelijk gemaakt. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ten hoogste 54, 38 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het maximaal geluidniveau (LAmax) bedraagt ten hoogste 72, 62 en 26 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Daarmee wordt in de dagperiode niet voldaan aan de richtwaarden voor “gemengd gebied” conform de VNG-publicatie én aan de richtwaarden conform het Activiteitenbesluit artikel 2.17. Gezien de ligging van de inrit tegenover de woning, zijn er redelijkerwijs geen geluidreducerende maatregelen mogelijk. Een afscherming tussen de woning en de Zandterweg is daarbij niet wenselijk. De verkeersaantrekkende werking over de Zandterweg bedraagt ten hoogste 48 dB(A) en voldoet aan de grenswaarde van 50 dB(A).

Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen wordt voor woningen een maximaal toelaatbaar binnenniveau van 35 dB(A) LAr,LT dan wel 55 dB(A) LAmax aangeraden voor geluid vanwege industrielawaai. Om te bepalen of de gevelgeluidwering van de bestaande woning voldoende is om het woon- en leefklimaat in de woning te kunnen waarborgen, is een akoestisch onderzoek7 uitgevoerd. De onderzoeksresultaten zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. In het onderzoek is de gecumuleerde geluidbelasting vanwege het industrielawaai van het loonbedrijf en het bestaande wegverkeerslawaai op de omliggende wegen inzichtelijk gemaakt. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 59 dB ter plaatse van noordgevel van de bestaande woning. De wettelijk normen en richtwaarden zijn gesteld voor de toetsing van de afzonderlijke bronnen, daardoor is een letterlijke toepassing van de normen bij de beoordeling van cumulatie niet aan de orde. Het Bouwbesluit 2012 stelt eisen aan de karakteristieke geluidwering van de gevels (G A;K) van alle verblijfsgebieden en verblijfsruimten binnen een geluidgevoelig object. Aangezien het plan een bestaand pand betreft, is in dit onderzoek het toetsen van het binnenniveau leidend.

Doel van het onderzoek is het bepalen van het binnenniveau en het dimensioneren van eventueel noodzakelijke geluidwerende voorzieningen om te kunnen voldoen aan de gestelde eisen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in alle verblijfsruimten uitgegaan van een binnenniveau <38 dB op basis van bestaande bouw. Met de uitgangspunten en geluidwerende voorzieningen zoals deze op basis van de bouwtekeningen in de bestaande woning aanwezig zijn, wordt aan alle eisen met betrekking tot de geluid-

6

M-tech Nederland BV, Akoestisch onderzoek in het kader van een planologische procedure voor Wielder 15 te Lottum, rapportnummer Wie.Lot.19.AO BP-01, 21 mei 2019 7 M-tech Nederland BV, Akoestisch onderzoek in het kader van een ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een ruimtelijke procedure aan de Zandterweg te Lottum, rapportnummer Zan.Lot.21.AO GL-02, 9 april 2021

Hoofdstuk 5

33

wering van de gevels en het gestelde binnenniveau voldaan middels de in de woning toegepaste bouwmaterialen en constructies. Met een binnenniveau van 38 dB wordt een goed woonen leefklimaat gerespecteerd. Het herbestemmen van de woning naar een burgerwoning is kortom inpasbaar ten opzichte van de geluidsinvloed van het tegenover gelegen loonbedrijf. Spuitzones Wat betreft de agrarische percelen die direct ten zuiden van de woning zijn gelegen, dient rekening gehouden met effecten als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Er zijn geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht wordt gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen. Akkerlanden en vollegronds fruitteelt worden bespoten met een veldspuit waarbij de gewasbeschermingsmiddelen neerwaarts uitstromen, waardoor de ontstane hoeveelheid drift (verwaaiing van spuitvloeistof) tot een minimum wordt beperkt. In 2014 is door de Gezondheidsraad het onderzoek ‘Gewasbescherming en omwonenden’ gepubliceerd. Daarin wordt gesteld dat langs watergangen een smalle spuitvrije zone geldt en dat daarmee eveneens de invoering van een vrije zone langs scholen en woonhuizen e.d. voor de hand ligt.

LTO Nederland heeft dit onderschreven en acht bij vollegronds teelt middels een veldspuit een afstand van 1,5 meter redelijk; dit mede gezien de wettelijke ontwikkelingen gericht op een verdere driftreductie tot 75% in 2016. Aan deze afstand van 1,5 meter wordt in dit geval voldaan, doordat de afstand van de woning tot de perceelgrenzen minimaal 2,5 meter dient te bedragen. Hierdoor is sprake van een acceptabele afstand tussen de woning en de agrarische percelen en zal er geen sprake zijn van negatieve effecten in de woning als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bovendien is sprake van een bestaande woning, waarvan uitsluitend de functie wijzigt van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. De woning zelf wordt hierbij niet gewijzigd en komt niet dichter bij de agrarische percelen te liggen. De gronden die ten oosten van de woning zijn gelegen, zijn weliswaar bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’, maar deze zijn begroeid met bos. Het aspect spuitzones is voor dit perceel niet aan de orde. Met betrekking tot de agrarische gronden die direct ten noorden en westen van het loonbedrijf zijn gelegen, wordt opgemerkt dat het loonbedrijf geen gevoelige functie is, waarvoor een bepaalde afstand aangehouden dient te worden ten opzichte van gronden waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt.

5.2.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Hoofdstuk 5

34

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de orientatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit.

Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants 8. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt de uitbreiding van bedrijfsgebouwen mogelijk gemaakt. Bedrijfsgebouwen zijn beperkt kwetsbare objecten in de zin van het Bevi. Verdere toetsing aan externe veiligheid is dan ook vereist. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plangebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Risicokaart Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven en objecten zijn aangegeven.

Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPGtankstations enz.

8

Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen

Hoofdstuk 5

35

Uitsnede Risicokaart Nederland met globale ligging plangebied (paars omcirkeld)

Inrichtingen Op het terrein bij het loonbedrijf is blijkens de risicokaart een bovengrondse propaantank aanwezig. Deze is gelegen aan de noordzijde van het terrein. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze tank bedraagt 25 meter en ligt grotendeels over de bedrijfslocatie zelf en het perceel direct ten noorden hiervan. Dit laatstgenoemde perceel zal na de herverkaveling ook deel uitmaken van de bedrijfslocatie, waardoor de PR 10-6-contour niet tot buiten de terreingrens reikt. Tevens wordt de propaantank verplaatst naar de noordzijde van het perceel. Wel dient de ligging van de tank in relatie tot de bedrijfswoning te worden onderbouwd in het kader van de functiewijziging naar burgerwoning. De afstand tussen de tank en de woning bedraagt circa 100 meter. De woning ligt gezien deze afstand ruimschoots buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 en buiten het invloedsgebied van de tank. Vanuit de ligging ten opzichte van de propaantank zijn er hiermee geen belemmeringen voor de functiewijziging naar burgerwoning. In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. De meest dichtbij gelegen inrichtingen liggen op ruim 2 kilometer van het plangebied Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn volgens het vigerende bestemmingsplan en de risicokaart geen buisleidingen gelegen.

In het kader van externe veiligheid behoeft hier dan ook niet verder naar gekeken te worden.

Hoofdstuk 5

36

Vervoer van gevaarlijke stoffen Per spoor In de wijde omgeving van het plangebied vindt geen risicovol transport over spoorwegen plaats. Volgens de risicokaart vindt over de nabij gelegen spoorlijn Nijmegen – Venlo geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Over de spoorlijn Eindhoven – Venlo vindt wel vervoer plaats van gevaarlijke stoffen. Het invloedsgebied van de spoorlijn bedraagt circa 1,7 km. Het plangebied ligt echter op meer dan 5 kilometer van deze spoorlijn. Dit betekent dat deze spoorlijn geen invloed heeft op het plangebied. Over de weg Nabij het plangebied komen geen transportassen voor die zijn aangewezen als route waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De dichtst bijgelegen weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de N271 op ruim 1,7 kilometer ten oosten van het plangebied. Het plangebied ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van wegen. Het transport van gevaarlijke stoffen over de weg vormt dan ook geen belemmering voor de uitbreiding van het bedrijf. Over water Blijkens de risicokaart vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de Maas. Deze is gelegen op een afstand van circa 1 kilometer ten oosten van het plangebied. Het plangebied ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van de Maas. Het transport van gevaarlijke stoffen over de Maas vormt daarom geen belemmering voor de herverkaveling van het loonbedrijf.

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt in het kader van onderhavig bestemmingsplan. 5.2.7 Milieueffectrapportage Toets m.e.r-plicht In het plangebied vindt de herverkaveling van een bestaand loonbedrijf plaats, waarbij de oppervlakte van de bedrijfsbestemming per saldo gelijk blijft, maar de bestaande bedrijfsloodsen wel kunnen worden uitgebreid. Het bouwen van bedrijfsgebouwen voor een loonbedrijf komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In onderdeel D van de bijlage bij het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. In onderdeel D is aangegeven dat een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, in gevallen waarbij de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer, of een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen (categorie D11.2).

In dit geval is weliswaar sprake van de uitbreiding van de bedrijfsvloeroppervlakte van een bestaand loonbedrijf, maar deze bedraagt beduidend minder dan 200.000 m 2. De uitbreidingen van de loodsen hebben een totale oppervlakte van 1.175 m 2, en er worden bestaande bedrijfsgebouwen gesloopt. Bovendien blijft de omvang van de bedrijfsbestemming per saldo gelijk.

Hoofdstuk 5

37

Doordat hiermee ruimschoots onder de drempelwaarde wordt gebleven, is er geen sprake van de verplichting om een m.e.r. beoordelingsprocedure te doorlopen. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is aan de orde als de activiteit wél voorkomt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D. De vormvrije m.e.r. moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Gemeenten en provincies moeten nu dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. De voorliggende ontwikkeling betreft de herverkaveling van een bestaand loonbedrijf. De totale oppervlakte van de bedrijfslocatie blijft hierbij per saldo gelijk. Wel maakt het voorliggende plan de uitbreiding van de bestaande bedrijfsloodsen mogelijk, waardoor de bedrijfsvloeroppervlakte beperkt toeneemt.

Aangezien deze ontwikkeling niet voorziet in een grotere oppervlakte van de bedrijfsbestemming, er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de herontwikkeling en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 5), kan worden beargumenteerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Conclusie 1. De beoogde herverkaveling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; 2. De activiteiten komen weliswaar voor in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., namelijk onder D11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject), maar blijven ruimschoots beneden de drempelwaarden. Er geldt derhalve ook geen m.e.r.-beoordelingsplicht; 3. Omdat sprake is van een kleinschalig project (omvang van de bedrijfslocatie blijft gelijk) zonder significante milieueffecten dat niet is gelegen in of nabij een kwetsbaar gebied, kan worden beargumenteerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Voor dit plan hoeft dan ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd.

5.2.8 Gezondheid Als gevolg van de ligging ten opzichte van veehouderijen kan sprake zijn van een verhoogd gezondheidsrisico als gevolg van endotoxinen. Dit is met name aan de orde bij pluimvee- en varkenshouderijen. In de nabijheid van het plangebied zijn geen pluimvee- en varkenshouderijen aanwezig, waardoor het aspect endotoxine geen belemmering vormt voor het initiatief. Het loonbedrijf en de woning zijn bovendien in de huidige situatie reeds aanwezig en toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. Er is hiermee dus geen sprake van de toevoe-

Hoofdstuk 5

38

ging van nieuw gevoelige objecten. Ook de functiewijziging van de bedrijfswoning naar burgerwoning is geen toevoeging van een nieuwe gevoelige functie. Er is dan ook geen sprake van gewijzigde gezondheidseffecten op de woning en het bedrijf. Daarnaast is uit het VGO-2 onderzoek gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. Als gevolg van de herverkaveling komen ook geen delen van het plangebied binnen een zone van 2 km rond een geitenhouderij te liggen. Er is dan ook geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Conclusie Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan.

5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beschrijving van waterrelevant beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014, het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht.

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) Het provinciaal waterbeleid is vastgelegd in POL2014 en is nader geconcretiseerd in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 op grond van de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit plan maakt onderdeel uit van het tweede (inter)nationale Stroomgebiedbeheerplan Maas. In Nederland zijn vijf instanties betrokken bij het waterbeheer en de watervoorziening. Op grond van de Waterwet (2009) en het Bestuursakkoord Water (2011) is de verantwoordelijkheid als volgt verdeeld: 1. Het Rijk is verantwoordelijk voor beleid en wetgeving op nationaal niveau en voor het beheer van het hoofdwatersysteem: de zee en de grote rivieren, meren en kanalen.

Hoofdstuk 5

39

2. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid en regelgeving voor de regionale gronden oppervlaktewatersystemen, en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare watervoorziening, de grotere industriële onttrekkingen en die voor energieopslagsystemen. 3. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, de zuivering van afvalwater en de zorg voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid langs de Maas. De waterschappen concretiseren de provinciale beleidskaders uit het POL2014 en het provinciaal waterplan in een waterbeheerplan dat het karakter krijgt van een uitvoeringsprogramma. 4. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor rioleringbeheer en hebben de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. 5. Het drinkwaterbedrijf is wettelijk verantwoordelijk voor de productie en distributie van drinkwater. Beekdalen zijn belangrijk zowel voor het vasthouden en bergen van wateroverschot als voor het bereiken van de ecologische doelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Ze fungeren als ecologische verbinding tussen natuurkernen en vormen het landschappelijk raamwerk. Ze zijn daarmee belangrijk voor de toeristische en recreatieve aantrekkelijkheid van Limburg.

Beekdalen zijn lager gelegen gebieden (beekdal- en droogdalbodems, bron- en kwelgebieden en laagten) waar het neerslagoverschot en vaak ook het uittredende grondwater (kwelzones en bronnen) via beken wordt afgevoerd. De beekdalen zijn onderdeel van de Bronsgroene landschapszone, voor zover geen onderdeel van Goudgroene of Zilvergroene natuurzone. In de provinciale omgevingsverordening is de functie strategische waterberging voor de beekdalen aangeduid. Aan de natuurbeken inclusief hun natuurzones (herinrichtings- en meanderzones) is de natuurfunctie toegekend en deze maken deel uit van het natuurnetwerk. Ze zijn mede vanwege de eisen van de Kaderrichtlijn Water grotendeels gelegen binnen de Goudgroene, Zilvergroene en Bronsgroene natuurzones. De (grond)waterafhankelijke natuurgebieden, zoals vennen, hoogvenen, moerassen, bronnen en kwelgebieden vormen onderdeel van de Goudgroene en Zilvergroene natuur. Hiervoor geldt het beschermingsregime vanuit het natuurbeleid. Voor ondiepe grondwateronttrekkingen met mogelijke invloed op deze natuurgebieden is samen met de waterschappen een vergunningenkader ontwikkeld dat overgedragen wordt aan het waterschap. In het POL2014 worden 48 natte natuurparels onderscheiden, die vanwege de aanwezige en potentiële natuurwaarden de hoogste prioriteit bij het hydrologisch herstel krijgen.

Daarvan zijn er 21 tevens Natura 2000-gebied, waarvoor specifieke doelstellingen gelden, die worden uitgewerkt in de beheerplannen Natura 2000. Het hydrologisch herstel is erop gericht om een zo natuurlijk mogelijk grondwaterpeil te realiseren met een (grond)waterkwaliteit die voldoet aan de eisen die de natuur stelt. Daarvoor zijn er rond 42 natte natuurparels hydrologische bufferzones aangewezen, waarvoor regelgeving in de waterschapskeur is opgenomen ten aanzien van industriële grondwateronttrekkingen in de provinciale verordening en ten aanzien van beregening in de vorm van een ‘stand-still’-beginsel.

Hoofdstuk 5

40

Voldoende en schoon water is een economische factor van betekenis en onmisbaar voor mens en natuur. De burger stelt steeds hogere eisen aan de waterveiligheid, het gebruik en de beleving van water. Duurzaamheid en publieke participatie zijn daarom volgens het POL2014 belangrijke uitgangspunten. De provincie stelt de ambitie en de normen voor de regionale watersystemen vast. Doel is om de wateroverlast en de watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. In de toekomst gaan in het regionale watersysteem vaker en langer droogteperiodes ontstaan, met gevolgen voor het ruimtegebruik, als daar niet tijdig op wordt ingespeeld door maatregelen te treffen. Daarbij worden zoveel mogelijk kansen benut om combinaties te maken met doelen op het gebied van economie, ecologie, waterkwaliteit, natuur, landschap en recreatie, teneinde een maximale maatschappelijke winst te behalen. De huidige ecologische en fysisch-chemische toestand van onze (natuur)beken is over het algemeen matig tot ontoereikend, terwijl de opgave is om tot een goede toestand te komen (zie verder het Provinciaal Waterplan 2016-2021). De kwaliteit van ongeveer 37% van de natte natuurparels voldoet aan de gestelde eisen.

Schoon oppervlakte- en grondwater is van vitaal belang voor de drinkwatervoorziening, volksgezondheid, natuur, landbouw, recreatie, industrie en visserij en een belangrijke randvoorwaarde voor een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. In het Bestuursakkoord Water zijn afspraken gemaakt om te komen tot verbetering van de doelmatigheid in de waterketen in de vorm van taakstellingen voor de partners. Daarbij zullen de sectoren inzetten op cultuurverandering, bundeling van kennis en capaciteit, professionalisering van operationele taken, innovatie, etc. Waterschap Limburg Het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Water in beweging’ van Waterschap Limburg beschrijft de uitwerking van het provinciale (oppervlakte)waterbeleid door het waterschap, zoals is vastgelegd in het POL2014 en het Provinciaal Waterplan 2016-2021. Het plan is richtinggevend voor het te voeren beleid en beheer van het waterschap gedurende de planperiode 2016-2021. Met dit waterbeheerplan zet het waterschap de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water.

Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Keur waterschap Limburg Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het waterschap Limburg van toepassing. In de Keur worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q. bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang. Concreet voor dit plangebied geldt dat het in de omgeving aanwezige oppervlaktewater op voldoende afstand is gelegen en hierop geen invloed op wordt uitgeoefend. Gemeentelijk beleid De gemeente Horst aan de Maas volgt zo veel mogelijk het beleid zoals dit is vastgelegd door het waterschap Limburg. Belangrijke aandachtspunten in het beleid zijn het scheiden van vuil-

Hoofdstuk 5

41

en schoonwaterstromen, het vasthouden van gebiedseigen (regen)water, het doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer’ en het zichtbaar en aantrekkelijk maken van water in de gemeente. Voor dit plan zijn alle genoemde onderwerpen relevant. Hergebruik Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met bestaande proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving op dit vlak maakt het hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. Onderhavig plan is dan ook niet geschikt om deze voorziening toe te passen. Infiltratie, buffering en afvoer In principe is het de bedoeling dat al het hemelwater in het gebied wordt vastgehouden. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem, hemel- en afvalwater. Grondwater en bodem Volgens de bodemkaart (bron: www.pdokviewer.pdok.nl) ligt het noordelijk deel van het plangebied op vorstvaaggronden (Zb23).

Dit zijn vrij vlak gelegen dekzandgronden die in een strook van noord naar zuid, ten westen van de Maas liggen. Het zuidelijk deel van het plangebied ligt op gronden in oude maasmeanders (AMm). Volgens de kaart ‘Ondergrond’ (kaart 12) van het POL2014 is het plangebied gelegen binnen de boringsvrije zone ‘Venloschol’, het grondwaterlichaam ‘Zand Maas’ en een strategische grondwatervoorraad. Binnen deze gebieden mag het diepe grondwaterpakket alleen worden gebruikt ten behoeve van onttrekking voor menselijke consumptie. Voor onttrekkingen voor beregening uit ondiep grondwater hanteert het waterschap een stand-still beginsel. In de boringsvrije zone Venloschol gelden beneden 5 meter boven NAP regels voor het hebben van een boorput, het roeren van de grond, het aanleggen en hebben van een bodemenergiesysteem en een verbod werken uit te voeren waardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast. Binnen het plangebied zijn geen diepe grondboringen of grondwateronttrekkingen voorzien, waarmee er vanuit de ligging binnen de Venloschol, het grondwaterlichaam en de strategische grondwatervoorraad geen belemmeringen bestaan. Oppervlaktewater In het plangebied en in de directe omgeving is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Hierin wordt in de toekomst ook niet voorzien.

Hemel- en afvalwater Uitgangspunt Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en/ of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd

Hoofdstuk 5

42

de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Bij de laatste optie mag de bestaande landbouwkundige afvoernorm niet worden overschreden. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. Daarnaast is het van belang dat bestaande waterhuishoudkundige functies niet mogen worden geschaad, of beperkt. Eveneens mag, als gevolg van de ontwikkeling, geen sprake zijn van een structurele verlaging van de grondwaterstand. De gemeente heeft in haar beleid aangegeven dat de wateropgave van een planontwikkeling in principe op het terrein zelf dient te worden opgevangen, middels infiltratie van hemelwater ter plaatse. Hemelwaterafvoer/ hemelwaterberging In verband met de verplichting om de wateropgave van de ontwikkeling op het terrein zelf op te vangen middels infiltratie wordt aangegeven waar toekomstige infiltratievoorzieningen aan dienen te voldoen. Conform de Keur van het Waterschap Limburg dienen de infiltratievoorzieningen gedimensioneerd te worden op een bui van 100 mm in 24 uur. Voor het bepalen van de noodzakelijke compenserende waterberging is het van belang om te weten wat de toename van de verhardingen zal zijn.

Het zuidwestelijk deel van het plangebied, dat wordt omgezet naar agrarische, onbebouwde grond, is momenteel vrijwel geheel verhard en deels bebouwd met bedrijfsgebouwen. De bebouwing wordt gesloopt en de verharding wordt verwijderd. Ook het deel van de bedrijfsbebouwing die direct naast de bedrijfswoning is gelegen, wordt gesloopt. Dit deel van het plangebied zal worden ingericht als tuin bij de woning. De westelijke strook van het plangebied, die wordt bestemd tot agrarische, onbebouwde grond is eveneens deels verhard. Deze verharding wordt ook verwijderd. Het noordelijk deel van het plangebied, dat in gebruik is als agrarisch perceel, is momenteel onbebouwd en onverhard. De bestemming hiervan wordt omgezet naar ‘Bedrijf’. Volgens deze bestemming mag het hele gebied worden verhard. Gezien het bovenstaande zal de hoeveelheid mogelijke oppervlakteverharding als gevolg van de bestemmingswijziging slechts beperkt toenemen. Op basis van de geldende bestemmingen is namelijk reeds een grote oppervlakte aan verhardingen toegelaten. In de huidige situatie zijn reeds voorzieningen aanwezig op eigen terrein voor de berging van hemelwater. Dit betreft greppels, die aan de west- en oostzijde van het bedrijfsperceel zijn gesitueerd en blijven behouden bij de herverkaveling.

Op eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om deze greppels uit te breiden, indien dit noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de benodigde capaciteit wanneer nieuwe bebouwing en/of verhardingen worden aangelegd.

Hoofdstuk 5

43

Overleg waterbeheerder Het plangebied is niet gelegen in een speciaal aandachtsgebied. Omdat de hoeveelheid verhard oppervlak per saldo niet met meer dan 2.000 m 2 zal toenemen, is overleg met het Waterschap Limburg niet noodzakelijk. Conclusie Er bestaan, mede door de te nemen maatregelen, geen knelpunten tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer.

5.4 Kabels en leidingen In (of in de directe omgeving van) het plangebied komen geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij de realisatie van het bouwplan belemmeren.

5.5 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuurbescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebieds-bescherming plaats door middel van het Natuur-netwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in de het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014.

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffings-plicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare peri-

Hoofdstuk 5

44

oden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op circa 1.650 meter van het beschermde Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof.

Gezien deze afstand en de aard van de ontwikkelingen in het plangebied tot dit Natura 2000-gebied, kunnen negatieve effecten zoals geluid- en lichthinder op voorhand worden uitgesloten. Gezien de aard van de voorgenomen ontwikkeling is wel een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een significante toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is hierdoor niet op voorhand uit te sluiten. Door middel van AERIUS-berekeningen9 voor de aanleg- en de gebruiksfase is de stikstofdepositie van het project in beeld gebracht. De aanlegfase (bouw en sloop) heeft een depositie tot gevolg van 0,01 mol N/ha/jaar. Hiermee zou het project vallen binnen de vrijstelling voor kleine tijdelijke deposities van kleiner of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar voor maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan). Dit is echter alleen van mogelijk indien de gebruiksfase geen depositie veroorzaakt. Uit de uitgevoerde berekening van de gebruiksfase volgt dat hierbij geen deposities boven de 0,00 mol N/ha/jaar plaatsvinden. Hierdoor kan gebruik worden gemaakt van de vrijstelling voor kleine tijdelijke deposities voor de aanlegfase. Het aspect stikstofdepositie vormt hierdoor geen belemmering voor het voorliggende project. De meest dichtbij gelegen provinciaal beschermde natuurgebieden liggen op meer dan 350 meter afstand van het plangebied.

Gezien deze afstand en de aard van de ontwikkelingen in het plangebied, is er geen sprake van negatieve effecten op provinciaal beschermde natuurgebieden. Soortenbescherming Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels in gebruik als bedrijfslocatie van het bestaande loonbedrijf. Het agrarische perceel ten noorden hiervan, dat na herverkaveling deel zal uitmaken van het loonbedrijf, is in gebruik als akkerbouwperceel. Gezien dit intensieve gebruik van het plangebied, wordt de aanwezigheid van beschermde soorten niet verwacht.

9

M-tech Nederland BV, Stikstofberekening gebruiksfase loonbedrijf De Boer Zandterweg te Lottum, AERIUS kenmerk RsQ3VFbMeV9M, 27 mei 2021 M-tech Nederland BV, Stikstofberekening Bouw- en sloopfase loonbedrijf De Boer Zandterweg te Lottum, AERIUS kenmerk RVRGS4m27Wbu, 27 mei 2021

Hoofdstuk 5

45

Conclusie De herverkaveling van het loonbedrijf is in overeenstemming met natuurwetgeving. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en de aanwezigheid van beschermde soorten wordt, gezien het intensieve gebruik van het plangebied, niet verwacht. Vanuit het aspect ecologie zijn er hiermee geen belemmeringen.

5.6 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Volgens de op 26 mei 2015 door de gemeenteraad van Horst aan de Maas vastgestelde Archeologische maatregelenkaart is het westelijk deel van het plangebied gelegen binnen een gebied met een specifieke archeologische verwachting (beek)dalen en oude Maasgeulen. Hier geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm, tenzij de verstoringsoppervlakte minder is dan 2.500 m². Het overige deel van het plangebied is gelegen binnen een gebied met een gematigde archeologische verwachting. Hier geldt eveneens een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm, tenzij de verstoringsoppervlakte minder is dan 2.500 m².

Uitsnede Archeologische maatregelenkaart Horst aan de Maas met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)

Het voorliggende initiatief omvat de herverkaveling van het plangebied. Hierbij wordt de mogelijkheid gecreëerd om de bestaande bedrijfsloodsen uit te breiden. Deze uitbreidingen hebben een oppervlakte van circa 1.175 m 2. De verstoringsoppervlakte van deze bouwwerkzaamheden is hiermee kleiner dan 2.500 m², waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Voor het overige zijn er geen bodemingrepen voorzien in het plangebied. De archeologische

Hoofdstuk 5

46

dubbelbestemmingen worden overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan overgenomen in dit voorliggende bestemmingsplan. Conclusie Uit het oogpunt van archeologie bestaan er geen belemmeringen voor de realisering van het onderhavige bestemmingsplan. Cultuurhistorie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken gelegen. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is de weg Wielder, die direct ten zuidoosten van het plangebied is gelegen, aangeduid als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Het verloop en het profiel van deze weg wordt niet gewijzigd als gevolg van het onderhavige plan. Op circa 60 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt een ‘oude akkergrens glooiing’. Deze akkergrens wordt niet gewijzigd als gevolg van het onderhavige plan. Conclusie Uit een oogpunt van cultuurhistorie bestaan er geen belemmeringen voor de realisering van het onderhavige bestemmingsplan.

5.7 Verkeer en parkeren Het plangebied is en blijft ontsloten via de Zandterweg. Omdat de oppervlakte met de bestemming ‘Bedrijf’ per saldo niet toeneemt en het type bedrijvigheid niet wijzigt, is er planologisch gezien geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte. Daarnaast is er feitelijk ook geen sprake van een extra verkeersaantrekkende werking als gevolg van de ontwikkeling. Er worden weliswaar extra bouwmogelijkheden voor bedrijfsbebouwing mogelijk gemaakt, maar deze dienen voornamelijk voor een efficiëntere bedrijfssituatie en leiden niet tot extra verkeer. Wat betreft parkeren is er geen sprake van een wijziging in de parkeerbehoefte van het loonbedrijf. Parkeren vindt in de bestaande situatie op eigen terrein plaats en dit zal ook na de herverkaveling het geval zijn. Hier is voldoende ruimte om in de benodigde parkeerplaatsen te voorzien. Vanuit het aspect verkeer en parkeren zijn er hiermee geen belemmeringen voor het voorliggende plan.

5.8 Duurzaamheid Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen. Duurzaam bouwen bespaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om:  Gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers;

Hoofdstuk 5

47

Een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; prettige en leefbare huizen, gebouwen, wijken en steden;  Duurzaam slopen, om de materialen die vrijkomen bij de sloop opnieuw te kunnen gebruiken (hergebruik en recycling);  Verantwoord watergebruik;  Voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken. Voor de uitbreiding van de bedrijfsgebouwen zullen in ieder geval de wettelijke duurzaamheidseisen worden toegepast.

Hoofdstuk 5

48

6.

UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De gemeente kan hiervan afzien indien:  Het kostenverhaal anderszins is verzekerd;  Het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en  Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. De beoogde uitbreiding van de bedrijfsgebouwen betreft een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Bro (sub c: ‘de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen’). Tussen de gemeente Horst aan de Maas en Loonbedrijf Gebr. de Boer wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Daarnaast wordt een planschadeovereenkomst gesloten tussen beide partijen.

Het opstellen van een exploitatieplan is in dat geval niet nodig.

6.2 Handhaving De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012 - 2015). Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt om gegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.

Hoofdstuk 6

49

De uit deze visie voorvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie. 3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen. 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het maatschappelijk veld, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van voor hen geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie. Het jaarlijkse HUP wordt vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter kennis gebracht van de gemeenteraden.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg ex artikel 3.1.1. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Bij het voorliggende bestemmingsplan zijn geen belangen van het Rijk, de provincie Limburg of het Waterschap Limburg in het geding. Overleg met deze partijen is dan ook niet noodzakelijk. Inspraak Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan wordt gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zijn/haar zienswijze tegen de plannen kenbaar te maken.

Hoofdstuk 6

50

7.

JURIDISCHE TOELICHTING

7.1 Planstukken Het bestemmingsplan ‘Zandterweg 26, Lottum’ is vervat in een verbeelding, planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11391749/1