CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

11c Toelichting

Gemeenteraad 10 mei 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van bestemmingsplan Zandterweg 26, Lottum.18.256 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ontwerp Bestemmingsplan “Zandterweg 26, Lottum” NLIMRO.1507.LTZANDTERWEG26-BPO1

Bestemmingsplan ‘Zandterweg 26, Lottum’ Gemeente Horst aan de Maas Ontwerp

Rapportnummer:

P00258

Idn nr.

NL.IMRO.1507.LTZANDTERWEG26-BPO1

Datum:

8 juni 2021

Contactpersoon opdrachtgever:

Loonbedrijf Gebroeders de Boer

Projectleider BRO:

SDr

Trefwoorden:

Herverkaveling, Loonbedrijf Gebroeders de Boer, Zandterweg 26, Lottum, gemeente Horst aan de Maas

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 3

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van de herverkaveling van het Loonbedrijf Gebroeders de Boer, gelegen aan de Zandterweg 26 te Lottum, door middel van de wijziging van de bestemming van het agrarisch perceel aan de noordzijde naar bedrijfsdoeleinden. Tegelijkertijd wordt het zuidelijk en meest westelijk deel van de bedrijfslocatie omgezet in agrarische (onbebouwde) grond en wordt de bestaande bedrijfswoning bestemd tot burgerwoning. De totale bedrijfsoppervlakte blijft hierbij per saldo gelijk.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 4 4 6

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Ruimtelijke structuur 2.2 Functionele structuur 2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie

7 7 7 8

3.

BELEID 3.1 Inleiding 3.2 (Europees) en Rijksbeleid

11 11 11

3.2.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) 3.2.5 Wet milieubeheer 3.3 Provinciaal beleid

11 12 13 13 14 14

3.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 3.3.2 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3.4 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu 3.3.5 Cultuurhistorische waardenkaart provincie Limburg 3.4 Gemeentelijk beleid

14 16 17 17 18 18

3.4.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ 3.4.2 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ 3.5 Conclusie

18 21 23

4.

PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan 4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten 4.3 Landschappelijke inpassing

24 24 25 25

5.

SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding 5.2 Milieuaspecten

27 27 27 27

5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit

Inhoudsopgave

1

5.2.2 Geluid 5.2.3 Luchtkwaliteit 5.2.4 Geur 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering 5.2.6 Externe veiligheid 5.2.7 Milieueffectrapportage 5.2.8 Gezondheid 5.3 Waterparagraaf 5.4 Kabels en leidingen 5.5 Ecologie 5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.7 Verkeer en parkeren 5.8 Duurzaamheid

28 29 30 31 34 37 38 39 44 44 46 47 47

6.

UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Handhaving 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

49 49 49 50

7.

JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken 7.2 Toelichting op de verbeelding 7.3 Toelichting op de regels

51 51 51 51 51 52

7.3.1 Algemeen 7.3.2 Artikelsgewijze toelichting planregels

54

SEPARATE BIJLAGEN

1. BRO, Herverkaveling Loonbedrijf De Boer, bestaande bestemmingen, projectnummer 211x09707, 11 december 2017 2. BRO, Herverkaveling Loonbedrijf De Boer, nieuwe situatie, projectnummer P00258, 6 juni 2019 3. Aeres Milieu B.V., Verkennend bodemonderzoek Wielder 15 en Zandterweg 26 te Lottum, projectnummer AM18209, 18 juli 2018 4. M-tech Nederland BV, Akoestisch onderzoek in het kader van een planologische procedure voor Wielder 15 te Lottum, rapportnummer Wie.Lot.19.AO BP-01, 21 mei 2019 5. M-tech Nederland BV, Akoestisch onderzoek in het kader van een ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een ruimtelijke procedure aan de Zandterweg te Lottum, rapportnummer Zan.Lot.21.AO GL-02, 9 april 2021 6. M-tech Nederland BV, Stikstofberekening gebruiksfase loonbedrijf De Boer Zandterweg te Lottum, AERIUS kenmerk RsQ3VFbMeV9M, 27 mei 2021 7. M-tech Nederland BV, Stikstofberekening Bouw- en sloopfase loonbedrijf De Boer Zandterweg te Lottum, AERIUS kenmerk RVRGS4m27Wbu, 27 mei 2021

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Aan de Zandterweg 26 te Lottum is Loonbedrijf Gebroeders de Boer gevestigd. Dit bedrijf heeft behoefte aan uitbreiding van haar bedrijfsperceel en de bedrijfsgebouwen. Voor de bedrijfslocatie is een plan uitgewerkt, waarbij de beoogde uitbreidingen worden gecombineerd met een herkaveling van de totale bedrijfslocatie. Bij deze herverkaveling worden de bedrijfslocatie en enkele omliggende percelen anders ingedeeld. Hierdoor wordt de uitbreiding van de bedrijfsloodsen mogelijk gemaakt, zonder dat hierbij per saldo een grotere bedrijfsoppervlakte ontstaat. In de navolgende afbeeldingen zijn de bestaande verkaveling en de beoogde nieuwe verkaveling weergegeven. Deze tekeningen zijn tevens als bijlagen bij deze toelichting gevoegd.

Bestaande situatie (links) en beoogde herverkaveling (rechts)

De herverkaveling omvat de omzetting van een deel van de huidige bedrijfspercelen naar agrarische onbebouwde percelen. Dit betreft de bestaande delen van het bedrijfsperceel aan de zuidelijke en meest westelijke zijde. De hier nog aanwezige bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt. Aan de noordzijde van het plangebied ligt agrarische grond. Deze wordt middels de herverkaveling omgezet in bedrijfsgrond. Op deze percelen zijn ook grotendeels de uitbreidingen van de bedrijfsloodsen voorzien. De bestaande bedrijfswoning, gelegen aan de zuidoostzijde van het plangebied, wordt omgezet naar een burgerwoning. De heringerichte bedrijfslocatie zal landschappelijk worden ingepast middels een groenstrook langs de noord- en westrand. In hoofdstuk 4 wordt het herverkavelingsplan nader toegelicht.

Hoofdstuk 1

3

Volgens het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ is dit voornemen is niet mogelijk. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt de gewenste herverkaveling en uitbreiding van de bedrijfsgebouwen aan de Zandterweg 26 daarom juridisch-planologisch geregeld, waardoor de voorgenomen nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding voor de locatie en bijbehorende regels. Deze toelichting vergezelt het plan.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas aan de Zandterweg 26, ten zuidwesten van de kern Lottum. De huidige bedrijfswoning ligt aan het adres Wielder 15, aan de zuidzijde van het loonbedrijf. Het plangebied omvat de percelen, kadastraal bekend als Grubbenvorst, sectie H, nummers 748 (ged.), 749 (ged.), 750, 751, 779, 1184 en 1185.

Topografische kaart omgeving plangebied met globale aanduiding ligging plangebied (rood omcirkeld)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’, zoals dit is vastgesteld door de gemeenteraad van Horst aan de Maas op 19 december 2017. Op 8 september 2020 is dit bestemmingsplan op onderdelen herzien middels het ‘Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020’. Deze herziening heeft uitsluitend enkele wijzigingen in de regels tot gevolg.

Hoofdstuk 1

4

In het geldende bestemmingsplan is de bestaande bedrijfslocatie aan de Zandterweg 26, inclusief de bedrijfswoning, bestemd tot ‘Bedrijf’, met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulpbedrijf’. Binnen deze bestemming is een agrarisch hulpbedrijf en het wonen in een bedrijfswoning toegestaan. Er is geen bouwvlak aanwezig. Volgens de bouwregels zijn bedrijfsgebouwen in hun bestaande oppervlakte toegestaan. Uitbreiding van de bedrijfsgebouwen is op basis van deze regels dus niet toegestaan. De agrarische percelen ten noorden van de bestaande bedrijfslocatie zijn bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’. Deze gronden zijn bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig en hobbymatig grondgebruik, grondgebonden agrarische bedrijven en extensief recreatief medegebruik. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor de bescherming van aardkundige, cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden. Op basis van de bouwregels van deze bestemming mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Op de voorliggende locatie ligt geen bouwvlak, waardoor bouwwerken hier niet zijn toegestaan. Het beoogde gebruik van dit deel van het plangebied voor bedrijfsdoeleinden is op basis van deze bestemming niet toegestaan. In paragraaf 3.4.2 wordt nader ingegaan op de vigerende bestemmingsplannen.

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied Horst aan de Maas' met ligging plangebied

Hoofdstuk 1

5

1.4 Leeswijzer In het volgende hoofdstuk (2) vindt een beschrijving van het plangebied plaats. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie. Hoofdstuk 4 beschrijft vervolgens de gewenste ruimtelijke en stedenbouwkundige ontwikkeling. Hoofdstuk 5 bevat een verantwoording van de diverse sectorale aspecten. In hoofdstuk 6 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. In hoofdstuk 7 is tot slot de wijze van bestemmen opgenomen.

Hoofdstuk 1

6

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1 Ruimtelijke structuur De locatie aan de Zandterweg ligt ten zuidwesten van de kern Lottum, in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Ten oosten van het plangebied is het gehucht Wielder gelegen en ten zuidoosten ligt het gehucht De Steegh. De Zandterweg leidt in oostelijke richting naar De Steegh. Hier sluit deze weg aan op de Hoofdstraat / Grubbenvorsterweg, die de verbinding vormt met Lottum in het noorden en Grubbenvorst in het zuiden. In westelijke richting sluit de Zandterweg aan op de Horsterdijk, die de verbinding vormt tussen de kernen Lottum in het oosten en Melderslo en Horst in het westen. Verder ten oosten van het plangebied ligt de Maas. De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt als een landelijk gebied met een hoofdzakelijk agrarische functie.

2.2 Functionele structuur Binnen het plangebied is het bestaande Loonbedrijf Gebroeders de Boer gelegen, inclusief bedrijfswoning. Daarnaast maakt een onbebouwd agrarisch perceel ten noorden van dit bedrijf deel uit van het plangebied. De bedrijfslocatie is deels bebouwd met bedrijfsgebouwen, voornamelijk loodsen, en deels verhard. Langs de randen zijn enkele bomen, gras en waterbergingen aanwezig. In het zuidoostelijk deel van het plangebied ligt de bestaande bedrijfswoning met tuin. Hier staan ook enkele bedrijfsgebouwen. In de directe omgeving van het plangebied liggen voornamelijk woningen en bedrijven (zowel agrarisch als niet-agrarisch). Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door agrarische percelen (akkerland). Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de weg Wielder. Aan de overzijde van deze weg ligt een burgerwoning, een rijwielhandel, bedrijfspercelen en een bosperceel. Verder naar het oosten ligt het lokale bedrijventerrein Bosserhof, waar een aantal bedrijven is gelegen, waaronder een metaalverwerkingsbedrijf. De Zandterweg doorkruist het plangebied in oost-westrichting. Ten zuiden van het plangebied liggen enkele agrarische bedrijven en direct ten zuidwesten ligt een burgerwoning. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door agrarische percelen en een burgerwoning. Verder naar het westen liggen meerdere burgerwoningen.

De verdere omgeving van het plangebied kent grotendeels een agrarisch gebruik. Agrarische percelen worden hier afgewisseld met (burger)woningen, agrarische en enkele niet-agrarische bedrijven en enkele bospercelen.

Hoofdstuk 2

7

2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie Om het voormalig gebruik van het plangebied vast te stellen, is gebruik gemaakt van historische kaarten op http://topotijdreis.nl/.

Plangebied en directe omgeving omstreeks 1850

Plangebied en directe omgeving omstreeks 1895

Hoofdstuk 2

8

Plangebied en directe omgeving omstreeks 1958

Plangebied en directe omgeving omstreeks 1990

Hoofdstuk 2

9

Uit de bovenstaande kaarten blijkt dat het plangebied tot het eind van de 19 e eeuw begroeid was met bos. Vanaf circa 1895 kenden de gronden een agrarisch gebruik. De bebouwing op het zuidelijk deel van het plangebied is voor het eerst zichtbaar op een topografische kaart uit 1958. De bedrijfsbebouwing op het noordelijk deel van het plangebied dateert uit circa 1999. Naderhand zijn deze gebouwen uitgebreid en zijn er nieuwe loodsen toegevoegd. De laatste uitbreiding, waarbij de meest westelijke loods is gerealiseerd, is eind 2011 vergund. Lottum is een dorp in de Limburgse gemeente Horst aan de Maas. Het heeft ongeveer 2.000 inwoners en een oppervlakte van 2226 ha. Het dorp ligt ongeveer 10 kilometer ten noorden van Venlo, aan de rivier de Maas. Lottum is een van de oudste Maasdorpen. De bewoning van Lottum gaat terug tot de Romeinse tijd. De huidige Meerlosebaan is een weg, die reeds in de Romeinse tijd bestond. Lottum was een Romeinse (militaire) post aan de weg Maastricht - Heel - Kessel - Blerick - Cuijk - Nijmegen. Het dorp Lottum bestond vroeger uit een marktplein met daaromheen wat huizen en de kerk, enkele boerderijen richting Broekhuizen, de buurtschap "in 't Zand" (tussen Zandterweg, Opperdonk, Wielder), en de buurtschap Houthuizen met de molen. Sinds 1800 vormen Lottum en Grubbenvorst één gemeente onder de naam Grubbenvorst. Elk dorp had toen ongeveer 500 inwoners.

In 2001 is de gemeente Grubbenvorst opgegaan in de gemeente Horst aan de Maas.

Hoofdstuk 2

10

3.

BELEID

3.1 Inleiding In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 3.2, § 3.3 en § 3.4). Bij het rijksbeleid wordt onder andere ingegaan op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor het provinciaal beleid wordt onder andere gebruik gemaakt van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), een overkoepelend beleidsstuk. In het kader van het gemeentelijk beleid wordt onder andere ingegaan op de gemeentelijke structuurvisie en het geldende bestemmingsplan.

3.2 (Europees) en Rijksbeleid 3.2.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Dit streven naar integraliteit valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Hoofdstuk 3

11

Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig project zijn als volgt:  Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;  Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit;  Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;  Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; Voor het plangebied geldt uiteraard dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden van zorgvuldige afwegingen en integrale besluitvorming bij ruimtelijke plannen. Nieuwe (ruimtelijke) projecten dienen daarom in lijn te zijn met het beleid zoals dat is opgesteld in de NOVI. De voorliggende ontwikkeling van het loonbedrijf is nodig voor de toekomstbestendige doorontwikkeling van dit bedrijf en draagt bij aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied, het realiseren van een goede omgevingskwaliteit en een duurzame voedsel- en agroproductie. Het voorliggende planvoornemen betreft bovendien een dermate kleinschalige en lokale ontwikkeling, dat er geen belangen uit de NOVI worden geschaad. Bovendien zijn de uitgangspunten van deze ontwikkeling conform de visie zoals geschetst in de NOVI.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, de uitoefening van defensietaken, veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Afweging Op dit bestemmingsplan werken geen van de genoemde rijksbelangen rechtstreeks door.

In het gebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het bestemmingsplan is dan ook in lijn met het Barro.

Hoofdstuk 3

12

3.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Horst aan de Maas. Aangezien het bestemmingsplan echter geen windturbines of andere bouwwerken hoger dan 114 meter toestaat vormt dit geen belemmering voor het radarverstoringsgebied. 3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt.

Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: ‘De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Uit de jurisprudentie1 komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: ‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’ (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging Bij de beoogde herverkaveling in het plangebied ontstaan nieuwe mogelijkheden om bedrijfsgebouwen op te richten.

Tegelijkertijd worden bestaande bedrijfsgebouwen gesloopt en worden delen van het plangebied met de bestemming ‘Bedrijf’ omgezet naar de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Per saldo leidt de herverkaveling niet tot een toename van de totale oppervlakte met de bestemming ‘Bedrijf’. Wel biedt het plan de mogelijkheid om een grotere oppervlakte aan bedrijfsgebouwen te realiseren. De maximale oppervlakte voor de bedrijfsloodsen wordt namelijk met een oppervlakte van circa 1.175 m2 uitgebreid. Ondanks dat een aantal van de bestaande bedrijfsgebouwen wordt gesloopt, nemen hiermee de bouwmogelijkheden voor bedrijfsgebouwen toe. Hierdoor is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De functiewijziging van de bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, aangezien hierbij geen nieuwe woning wordt toegevoegd. 1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319)

Hoofdstuk 3

13

De voorliggende herverkaveling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking, aangezien deze invulling geeft aan de behoefte aan bedrijfsgebouwen van het Loonbedrijf Gebroeders de Boer. Bovendien neemt de oppervlakte van de bedrijfslocatie per saldo niet toe: uitsluitend de ligging van de bestemmingsvlakken wijzigt middels de herverkaveling en de totale oppervlakte hiervan blijft gelijk. Deze ontwikkeling kan niet binnen het bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd, omdat sprake is van de uitbreiding van de bestaande loodsen van een bestaand loonbedrijf. Daarnaast is het agrarisch hulpbedrijf gebonden aan het buitengebied en hiermee ook een logische functie buiten het bestaand stedelijk gebied. Samengevat voldoet de ontwikkeling aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. Die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. Ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten, maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plicht van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 5.2.7.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van Limburg als onderdeel van een integrale omgevingsvisie het POL 2014 ‘Voor de kwaliteit van Limburg’ vastgesteld. In dit op 16 januari 2015 in werking getreden POL is onderscheid gemaakt in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

Hoofdstuk 3

14

Binnen het bebouwd gebied worden de volgende zones onderscheiden:  Stedelijk centrum,  Bedrijventerrein,  Overig bebouwd gebied. In het landelijk gebied gaat het om de zones:  Goudgroene natuurzone,  Zilvergroene natuurzone,  Bronsgroene landschapszone en  Buitengebied. Volgens de POL2014 kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied geheel binnen de zone ‘buitengebied’. Deze zone omvat alle gronden in het landelijk gebied die niet behoren tot de goudgroene en zilvergroene natuurzone of de bronsgroene landschapszone. Vaak zijn dit gebieden met een agrarisch karakter, waar ruimte is voor de doorontwikkeling van agrarische bedrijven. Volgens het POL2014 liggen de accenten in deze zone op:  Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw;  Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw;  Kwaliteit en functioneren ondergrond.

Hoofdstuk 3

15

Afweging POL2014 Dit bestemmingsplan voorziet in de herverkaveling van een bestaand agrarisch hulpbedrijf, waarbij delen van de huidige bedrijfslocatie worden omgezet naar agrarische (onbebouwde) percelen en agrarische grond wordt omgezet naar bedrijfsdoeleinden. De totale oppervlakte van de bedrijfslocatie blijft hierbij gelijk. Wel biedt het plan de mogelijkheid om de bestaande loodsen uit te breiden. Tevens wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Deze herverkaveling is passend binnen de zone ‘buitengebied’, mede doordat de oppervlakte van de bedrijfslocatie per saldo niet toeneemt. Daarmee past de beoogde ontwikkeling binnen de doelstellingen van het POL2014. 3.3.2 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (POVI). Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven aan hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan doorontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014).

De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het eerste kwartaal van 2021. Na vaststelling van de ontwerp-Omgevingsvisie wordt een nieuwe omgevingsverordening verder uitgewerkt. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied;  Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst.

Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen;  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;

Hoofdstuk 3

16

Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

De ontwerp POVI heeft alvorens deze is vastgesteld nog geen formele status. De voorliggende ontwikkeling is echter wel in lijn met de hoofdopgaven uit de POVI en levert een bijdrage aan deze opgaven. Het voorliggende plan maakt de toekomstbestendige ontwikkeling van het loonbedrijf mogelijk en draagt daarmee bij aan een toekomstbestendige economie en een aantrekkelijke omgeving. Vanuit dit provinciale beleid zijn er geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling. 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. In artikel 2.4.5 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan voor een gebied, gelegen in de regio Noord-Limburg, niet voorziet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen, alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen, anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in par. 5.2 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg. Voorliggend plan heeft betrekking op de herverkaveling van een solitair bedrijf, dat niet is gelegen op een bedrijventerrein.

Hierdoor is artikel 2.4.5 van de Omgevingsverordening niet van toepassing op de voorliggende ontwikkeling en is regionale afstemming niet aan de orde. Bij deze herverkaveling is bovendien per saldo geen sprake van een toename van de oppervlakte voor bedrijfsdoeleinden. Het plangebied is volgens de kaarten bij de Omgevingsverordening gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het is in de Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. De boringsvrije zone Venloschol is middels een gebiedsaanduiding in dit bestemmingsplan opgenomen. Voor het overige ligt het plangebied blijkens de kaarten bij de Omgevingsverordening niet binnen milieubeschermingszones of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn er hiermee geen belemmeringen voor de voorliggende herverkaveling.

3.3.4 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op het idee dat bebouwingsontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. De doelstelling is dan ook het combineren van ruimtelijke ontwikke-

Hoofdstuk 3

17

lingen in het buitengebied met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Limburg. Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld. De verantwoordelijkheid en de uitvoering van het Kwaliteitsmenu wordt in handen van de gemeenten gelegd. Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour die middels een bestemmingsplanwijziging mogelijk worden gemaakt. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied. De gemeente Horst aan de Maas heeft het LKM ‘vertaald’ naar eigen beleid door in de Structuurvisie Horst aan de Maas een gemeentelijk kwaliteitsmenu op te nemen. Voor een nadere afweging hieromtrent wordt verwezen naar paragraaf 3.4.1. 3.3.5 Cultuurhistorische waardenkaart provincie Limburg Het plangebied is volgens de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg gelegen binnen een provinciaal archeologisch aandachtsgebied. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten.

De provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. Dit gebeurt door toe te zien dat de aandachtsgebieden geborgd worden bij ruimtelijke ontwikkelingen, in gemeentelijke bestemmingsplannen. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ vastgesteld. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. Volgens de bij de structuurvisie behorende visiekaart ligt het plangebied binnen het rivierdallandschap, deelgebied 5B ‘Agrarisch gebied rondom Lottum en Broekhuizen’. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Het agrarisch gebied in het oosten van de gemeente kenmerkt zich als een oud, kleinschalig agrarisch landschap, met een dicht net van bebouwde wegen en veel historische bebouwing

Hoofdstuk 3

18

(kastelen, boerderijen, dorpskernen). Het gebied is ecologisch van belang voor vogels, zoogdieren en flora. Qua gebruik is sprake van een mix van wonen, kleine bedrijven, land- en tuinbouw, boomkwekerijen en recreatieve voorzieningen. De doelstellingen voor dit gebied zijn:  Goed omgaan met de beperkte opnamecapaciteit voor nieuwe functies (met name verstedelijking), dreigende ecologische verarming en het verdwijnen van solitaire bomen en struiken;  Aansluiten bij bestaande landschapsstructuur, waarborgen cultuurhistorisch waardevolle gebieden en specifieke natuurwaarden, stimuleren van recreatief medegebruik en ontwikkelen duurzaam landbouwkundig gebruik;  Nieuwe functies zijn mogelijk, mits ze een landschappelijke meerwaarde opleveren. Specifiek voor het gebied 5B (Agrarisch gebied rondom Lottum en Broekhuizen) zijn de volgende doelen benoemd:  Weidsheid van de uitzichten ten noorden, zuiden en westen van Broekhuizen en de noordwestzijde van Lottum (Hoogheide) is een beeldbepalend kenmerk. In dit gebied wordt gestreefd verstening te voorkomen of zelfs terug te dringen;  Voor intensieve veehouderijbedrijven geldt dat geen verdere intensivering mogelijk is.

Uitsnede Integrale beleidsvisiekaart Structuurvisie Horst aan de Maas met indicatie ligging plangebied (rood omcirkeld)

Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (Gemeentelijk kwaliteitsmenu) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van deze gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij

Hoofdstuk 3

19

het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de ‘rode contouren’. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied. Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a. in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld.

Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. Het Gemeentelijk Kwaliteits Menu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: a. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; b. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; c. De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; d. De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar. Het plangebied maakt deel uit van het rivierdallandschap, deelgebied 5B (Agrarisch gebied rondom Lottum en Broekhuizen).

Daarbinnen heeft de gemeente een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van uitbreiding van solitaire niet-agrarische bedrijven. Bij een meedenkende grondhouding is er sprake van een maatwerkbeoordeling, waarbij aspecten als onderscheidend vermogen en de locatie van de ontwikkeling van belang zijn. Voor de uitbreiding van solitaire bedrijven is een kwaliteitsbijdrage van toepassing van € 35,- per m2 toename van bedrijfsterrein.

Hoofdstuk 3

20

Uitsnede uit kaart gemeentelijk kwaliteitsmenu Structuurvisie Horst aan de Maas, met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)

De voorliggende ontwikkeling omvat de herverkaveling van de bestaande bedrijfslocatie van een agrarisch hulpbedrijf. De totale oppervlakte van de bedrijfslocatie blijft hierbij per saldo gelijk. Er wordt immers 4.709 m 2 bedrijfsbestemming omgezet naar andere bestemmingen (‘Wonen’ en ‘Agrarisch met waarden’) en er wordt eveneens 4.709 m 2 bedrijfsbestemming toegevoegd aan de noordzijde. Hierdoor is er geen sprake van een toename van de oppervlakte aan bedrijfsbestemming. In afstemming met de gemeente (ambtelijk en bestuurlijk) is daarom afgesproken dat er geen verplichting tot compensatie geldt op basis van het GKM. Wel is een goede landschappelijke inpassing noodzakelijk. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan2 opgesteld, waarin een passende groene overgang wordt gecreëerd van het bedrijfsperceel naar het omliggende landschap. In paragraaf 4.3 wordt deze landschappelijke inpassing nader omschreven. 3.4.2 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ Op 19 december 2017 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ vastgesteld. Op 8 september 2020 is dit bestemmingsplan op onderdelen herzien middels het ‘Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020’. Deze herziening heeft uitsluitend enkele wijzigingen in de regels tot gevolg.

In het geldende bestemmingsplan is de bestaande bedrijfslocatie aan de Zandterweg 26, inclusief de bedrijfswoning, bestemd tot ‘Bedrijf’, met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulpbedrijf’. Binnen deze bestemming is een agrarisch hulpbedrijf en het wonen in een bedrijfswoning toegestaan. Er is geen bouwvlak aanwezig. Volgens de bouwregels zijn

2

BRO, Landschappelijke inpassing Zandterweg 26 Lottum, projectnummer P00258, 25 februari 2019

Hoofdstuk 3

21

bedrijfsgebouwen in hun bestaande oppervlakte toegestaan. Uitbreiding van de bedrijfsgebouwen is op basis van deze regels dus niet toegestaan. Op basis van een algemene afwijkingsbevoegdheid (artikel 48, lid 1 sub b) mag het bebouwingsoppervlak van bedrijfsgebouwen binnen o.a. de bestemming ‘Bedrijf’ met ten hoogste 10% worden vergroot ten opzichte van het bestaande bebouwingsoppervlak. Aangezien de beoogde uitbreiding van de bedrijfsgebouwen echter groter is dan 10% van de bestaande bebouwing, kan geen gebruik worden gemaakt van deze afwijkingsbevoegdheid. De beoogde omzetting van een deel van de bedrijfslocatie naar agrarische gronden is volgens de geldende bestemming ook niet rechtstreeks toegestaan. Wel kent het bestemmingsplan een algemene wijzigingsbevoegdheid (artikel 49, lid 1) om bestemmingen om te zetten naar de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ zonder bouwvlak. Voor dit deel van het planvoornemen zou van deze wijzigingsbevoegdheid gebruik gemaakt kunnen worden. Voor de omzetting van de bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan. Eén van de voorwaarden waaronder deze functiewijziging mogelijk is, is echter dat de bedrijfsuitoefening beëindigd moet zijn. Aangezien het voorliggende bedrijf wordt voortgezet, kan niet aan deze voorwaarde worden voldaan.

Van deze wijzigingsbevoegdheid kan daarom geen gebruik worden gemaakt. In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ wordt de mogelijkheid geboden om via een afwijkingsmogelijkheid (voormalige) agrarische bedrijfswoningen als plattelandswoningen te bestemmen, op basis van het Beleidskader plattelandswoningen. Voor bedrijfswoningen die niet behoren of voorheen behoorden tot een landbouwinrichting wordt deze mogelijkheid in het geldende bestemmingsplan niet geboden. Dit is het geval voor de voorliggende bedrijfswoning bij het loonbedrijf. Binnen de huidige bestemming ‘Bedrijf’ is namelijk geen afwijkingsbevoegdheid opgenomen om de bedrijfswoning te gebruiken als plattelandswoning. Deze woning mag daarom niet worden gebruikt als plattelandswoning. De agrarische percelen ten noorden van de bestaande bedrijfslocatie zijn bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’. Deze gronden zijn bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig en hobbymatig grondgebruik, grondgebonden agrarische bedrijven en extensief recreatief medegebruik. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor de bescherming van aardkundige, cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden. Op basis van de bouwregels van deze bestemming mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Op de voorliggende locatie ligt geen bouwvlak, waardoor bouwwerken hier niet zijn toegestaan.

Het beoogde gebruik van dit deel van het plangebied voor bedrijfsdoeleinden is op basis van deze bestemming niet toegestaan. Het plan bevat ook geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden waarmee de omzetting van agrarische gronden naar bedrijfsdoeleinden mogelijk gemaakt kan worden. Voor het noordelijk, oostelijk en zuidoostelijk deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Voor het overige deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’. Voor gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en een diepte van meer dan 50 cm. Voor gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’ geldt eveneens een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en een diepte van meer dan 50 cm. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie.

Hoofdstuk 3

22

Tot slot liggen de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ en ‘overige zone – rivierdal’ over het gehele plangebied. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water. De regels vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn hierbij van toepassing. In paragraaf 3.3.3 is hier reeds op ingegaan. Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – rivierdal’ zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden. In paragraaf 3.4.1 is hier reeds op ingegaan.

3.5 Conclusie Uit het vorenstaande blijkt dat het initiatief past binnen beleid en regelgeving van rijk, provincie en gemeente.

Hoofdstuk 3

23

4.

PLANBESCHRIJVING

4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Loonbedrijf Gebroeders de Boer is gevestigd aan de Zandterweg 26 in Lottum. De huidige bedrijfslocatie bestaat uit de percelen, kadastraal bekend als gemeente Grubbenvorst, sectie H, nrs. 750, 751, 779, 1184 en 1185. Het loonbedrijf heeft behoefte aan uitbreiding van de bedrijfsgebouwen. Deze uitbreiding zal plaatsvinden aan de achterzijde van twee van de bestaande bedrijfsgebouwen, aan de noordzijde van de bedrijfslocatie. Hiertoe is een plan uitgewerkt, waarbij de beoogde uitbreidingen worden gecombineerd met een herverkaveling van de totale bedrijfslocatie. Bij deze herverkaveling worden de bedrijfslocatie en enkele omliggende percelen anders ingedeeld. Hierdoor wordt de uitbreiding van de bedrijfsloodsen mogelijk gemaakt, zonder dat hierbij per saldo een grotere oppervlakte bedrijfsbestemming ontstaat. In de afbeeldingen in paragraaf 1.1 zijn de bestaande verkaveling en de beoogde nieuwe verkaveling weergegeven. Deze tekeningen zijn tevens als bijlagen bij deze toelichting gevoegd. De herverkaveling omvat de omzetting van een deel van de huidige bedrijfspercelen naar agrarische onbebouwde percelen. Dit betreft de bestaande bedrijfspercelen aan de zuidelijke en meest westelijke zijde. Het westelijke perceel (deel van kadastraal perceel nr. 751) is onbebouwd en deels verhard. Deze verharding wordt verwijderd.

Het zuidwestelijke perceel (kadastraal perceel nr. 1184) is vrijwel geheel verhard en deels bebouwd met een bestaand bedrijfsgebouw en een silo. Hier vindt voornamelijk opslag plaats. Deze nog aanwezige bedrijfsbebouwing en verharding zal worden gesloopt. De bestaande bedrijfswoning met bijgebouw en tuin is gelegen op het zuidoostelijk deel van de bedrijfslocatie, op de percelen nrs. 779 en 1185. Bij de herverkaveling wordt deze bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. De woning zelf wordt hierbij niet verbouwd of aangepast, uitsluitend de bestemming wijzigt. Aan de noordzijde van de huidige bedrijfslocatie liggen onbebouwde agrarische percelen, die in gebruik zijn als akkerland. Dit betreft delen van de percelen, kadastraal bekend als gemeente Grubbenvorst, sectie H, nrs. 748 en 749. Deze gronden worden bij de herverkaveling omgezet in bedrijfsgrond. Deze percelen zullen deels worden bebouwd met de uitbreidingen van de bedrijfsloodsen. In totaal wordt 4.709 m 2 van de huidige bedrijfsbestemming omgezet naar agrarische grond en de burgerwoning. Daarnaast wordt eveneens 4.709 m 2 bestaande agrarische bestemming omgezet naar de bedrijfsbestemming. Per saldo zal de omvang van de bedrijfsbestemming na de herverkaveling dus gelijk blijven ten opzichte van de huidige situatie.

De heringerichte bedrijfslocatie zal landschappelijk worden ingepast middels een groenstrook met een breedte van 3 meter langs de noord- en westrand.

Hoofdstuk 4

24

4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten Bij de voorgenomen herverkaveling van het loonbedrijf vindt per saldo geen toename van de omvang van de bedrijfsbestemming plaats. In de huidige situatie is de bedrijfslocatie op percelen aan beide zijden van de Zandterweg gelegen. In de toekomstige situatie liggen de bedrijfspercelen allemaal aan de noordzijde van de Zandterweg in één aaneengesloten bouwblok. Bovendien wordt de bedrijfslocatie landschappelijk ingepast middels een 3 meter brede groenstrook aan de noord- en westzijde van de locatie. Vanuit deze zijden wordt de locatie daarom grotendeels aan het oog onttrokken. Vergeleken met de huidige situatie, waarin de locatie aan deze zijden niet landschappelijk is ingepast, is dit een verbetering. De beoogde gebouwelijke uitbreidingen vinden plaats aan de achterzijde van de bestaande bedrijfsloodsen. Qua vormgeving en maatvoering sluiten de uitbreidingen aan op de bestaande gebouwen. De omvang van de uitbreidingen bedraagt circa 1.175 m2. In totaal zal de omvang van de bedrijfsgebouwen (bestaand + nieuw) maximaal 5.300 m 2 mogen bedragen. De omzetting van enkele van de huidige bedrijfspercelen naar agrarische, onbebouwde percelen is vanuit ruimtelijk en functioneel oogpunt niet bezwaarlijk. Deze zijn namelijk aansluitend op bestaande agrarische percelen gelegen.

Omdat de percelen niet worden bebouwd en de nog aanwezige bebouwing wordt gesloopt, is er ook geen sprake van negatieve stedenbouwkundige effecten. Wat betreft de bestemmingswijziging van de bedrijfswoning naar burgerwoning wordt opgemerkt dat de bestaande feitelijke situatie niet wordt gewijzigd. Er vinden geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaats aan de woning en de bestaande hoeveelheid bijgebouwen (ca. 250 m 2) blijft behouden. Er is voor deze woning dan ook geen sprake van gewijzigde ruimtelijke of stedenbouwkundige effecten. Concluderend kan gesteld worden dat de herverkaveling en gebouwelijke uitbreiding van de bedrijfsloodsen vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt passend in de omgeving is. De realisatie van het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten tot gevolg op de omgeving.

4.3 Landschappelijke inpassing In het kader van het gemeentelijk kwaliteitsmenu, zoals beschreven in de structuurvisie ‘Horst aan de Maas’, is landschappelijke inpassing van de bedrijfslocatie vereist. In paragraaf 3.4.1 is dit reeds toegelicht. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan3 opgesteld. De landschappelijke inpassing voor het bedrijfsperceel is hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het inpassingsplan, dat als bijlage bij de regels is gevoegd. De inpassing en vormgeving van het perceel aan de Zandterweg richt zich op de overgang van het nieuwe bedrijfsperceel naar het omliggende landschap. Om de planontwikkeling mogelijk te maken wordt een inrichtingsmaatregel voorgesteld, welke op basis van de gestelde kaders, kennis van het landschap en de betreffende locatie is vormgegeven. In de navolgende schets is 3

BRO, Landschappelijke inpassing Zandterweg 26 Lottum, projectnummer P00258, 25 februari 2019

Hoofdstuk 4

25

de voorgestelde landschappelijke inpassing gevisualiseerd. Deze bestaat uit het aanplanten van een houtsingel aan de noord- en westzijde van het nieuwe bedrijfsperceel. De soortensamenstelling voor de toe te voegen beplanting is toegespitst op inheemse soorten die passen bij het karakter van het gebied en de bodemgesteldheid.

Landschappelijke inpassing Zandterweg 26

Het bestaande bedrijfsperceel wordt aan de zuid en westzijde verkleind en omgezet naar een agrarische bestemming. Tevens zullen hier bestaande bedrijfsgebouwen gesloopt worden. Door deze omzetting krijgt het plangebied hier een groenere uitstraling ten opzichte van de bestaande situatie. De landschappelijke inpassing is in het voorliggende bestemmingsplan aangeduid middels de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – landschappelijke inpassing'. Door middel van een voorwaardelijke verplichting is geborgd dat de landschappelijke inpassing hier gerealiseerd en in stand gehouden wordt.

Hoofdstuk 4

26

5.

SECTORALE ASPECTEN

5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten die aan de orde zijn bij het voorliggend initiatief. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan bod: milieu (geluid, bodem, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, geurhinder, duurzaam bouwen), waterhuishouding (riolering en watertoets), externe veiligheid, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en vervoer, kabels, leidingen en overige belemmeringen, alsmede natuur en landschap.

5.2 Milieuaspecten Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. 5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de wijziging van de bestemming. Daartoe heeft Aeres Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor een uitgebreide beschrijving van het onderzoek wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport4. Het bodemonderzoek heeft uitsluitend betrekking op de delen van het plangebied waarvan de bestemming wijzigt.

Dit betreft enerzijds het meest noordelijke deel van het plangebied, dat momenteel een agrarische bestemming heeft en wordt gewijzigd naar de bestemming ‘Bedrijf’ (deelgebied Zandterweg 26). Anderzijds is het meest zuidelijk deel van het plangebied onderzocht, dat in gebruik is als bedrijfsgrond inclusief bedrijfswoning en wordt gewijzigd naar burgerwoning en agrarische grond (deelgebied Wielder 15). Deelgebied Wielder 15 Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond van grondmengmonster MM4 licht verhoogd is met nikkel en minerale olie. In het bovengrondmengmonster MM5 is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. In de overige onderzochte mengmonsters van de bovengrond en het mengmonster van de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de 4

Aeres Milieu B.V., Verkennend bodemonderzoek Wielder 15 en Zandterweg 26 te Lottum, projectnummer AM18209, 18 juli 2018

Hoofdstuk 5

27

achtergrondwaarden. Het grondwater is licht verhoogd met barium en naftaleen. De milieuhygienische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging. Deelgebied Zandterweg 26 Uit de analyseresultaten blijkt dat in zowel de bovengrond (MM7 en MM8) als in de ondergrond (MM9) geen gehalten zijn gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. Het grondwater is licht verhoogd met cadmium, kobalt, zink en xylenen. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en bouwplan. Algemeen De aangetroffen lichte verhoogde gehalten in de grond ter plaatse van de locatie Wielder 15 kunnen wel bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocaties is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Conclusie Vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen herverkaveling.

5.2.2 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, spoorwegen en gezoneerde industrieterreinen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Het loonbedrijf en de agrarische percelen zijn geen geluidgevoelige objecten zoals bedoeld in de Wgh. De bestaande woning is wel een geluidgevoelig object. Hiervan verandert echter uitsluitend de functie van bedrijfswoning naar burgerwoning. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe woningen en/of andere geluidsgevoelige objecten mogelijk. Volgens de Wet geluidhinder geldt voor een dergelijke functiewijziging geen onderzoeksverplichting en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk. Daarnaast is er geen sprake van een extra verkeersaantrekkende werking als gevolg van de ontwikkeling.

Er worden weliswaar extra bouwmogelijkheden voor bedrijfsbebouwing mogelijk gemaakt, maar deze dienen voornamelijk voor een efficiëntere bedrijfssituatie en leiden niet tot extra verkeer. In paragraaf 5.7 wordt dit nader beschreven.

Hoofdstuk 5

28

Spoorwegverkeer Bij de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten nabij een spoorlijn dient het spoorwegverkeerslawaai betrokken te worden. In de wijde omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen. Een nader onderzoek naar de effecten van spoorweglawaai op het plangebied is dan ook niet aan de orde. Industrielawaai In de wijde omgeving van het plangebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen gelegen. Het plangebied is daarmee niet binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein, waardoor een onderzoek naar industrielawaai vanuit de Wgh niet noodzakelijk is. Omdat de functie van de bedrijfswoning wordt gewijzigd naar burgerwoning, dienen wel de geluidseffecten van het loonbedrijf op de woning te worden onderzocht (zogeheten indirecte hinder). In paragraaf 5.2.5 wordt hier nader op ingegaan. 5.2.3 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11391749/1