CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

10c TAM Omgevingsplan Molenstraat-Bertus Aafjesstraat Swolgen Motivering (geanonimiseerd)

Gemeenteraad 9 september 2025, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: BIJLAGEN TAM Omgevingsplan Molenstraat-Bertus Aafjesstraat te Swolgen19.070 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

,

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen bevatten gezamenlijk de wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Op basis hiervan is het verplicht om de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de afweging van belangen. ,

5. 1. 2 Onderzoek Op de Erfgoedmonitor van het Rijk 5 de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg en de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Horst aan de Maas blijkt dat binnen het plangebied geen objecten van cultuurhistorische waarde aanwezig zijn. Er worden derhalve geen cultuurhistorische waarden geschaad met het plan. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. ,

5. 1. 3

Conclusie

Met betrekking tot het aspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5. 2

Archeologie

5. 2. 1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving zijn overgegaan naar de Omgevingswet. ,

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ

,

5 https://rce. webgispublisher. nl/?map=RCE%5FErfgoedmonitor

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

24

dus in de grond te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. ,

5. 2. 2 Onderzoek Ter plaatse geldt er op basis van de archeologische waardenkaart van de gemeente Horst aan de Maas een aanduiding voor archeologie categorie 3. Dit wordt gezien als een hoge archeologische verwachtingswaarde. Op basis van deze hoge archeologische verwachtingswaarde geldt er een onderzoeksverplichting voor archeologie is bij bouwwerkzaamheden groter dan 500 m 2 en graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm.

Met het planvoornemen worden deze waarden niet overschreden nu er bodemverstoringen minder dan 500 m 2 plaats vinden. Eveneens blijft de huidige nevenfunctie ‘Waarde – Archeologie 3’ gehandhaafd. Derhalve wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. 5. 2. 3 Conclusie Met betrekking tot het aspect archeologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

25

5. 3

Welstand

5. 3. 1 Toetsingskader Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen maat kleur of gebruikte materialen.

,

denk aan vorm

,

,

Welstandsnota en -criteria Bestaande en nieuwe bouwwerken moeten voldoen aan redelijke eisen van welstand. Deze zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de welstandsnota kan de gemeente ook bepaalde gebieden aangeven die welstandsvrij zijn. De welstandsnota volgt uit artikel 12a lid 1 van de Woningwet. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de artikelen over welstand in de Woningwet vervallen. Voor de welstandsnota geldt overgangsrecht (artikel 4.114 lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet). De welstandsnota is een beleidsregel als bedoeld in artikel 4. 19 van de Omgevingswet. ,

,

,

,

Onder de Omgevingswet kunnen gemeenteraden ervoor kiezen om wel of geen regels te stellen over het uiterlijk van bouwwerken (artikel 4. 19 Ow). Het stellen van welstandscriteria is daarmee geen verplichting meer. Als een gemeenteraad ervoor kiest om wel welstandscriteria op te stellen , dan moet dat in het omge-

vingsplan worden opgenomen. Daarnaast gaan de welstandscriteria onder de Omgevingswet anders dan onder de oude wetgeving alleen over het uiterlijk van een bouwwerk en dus niet meer over de plaatsing. ,

,

Welstandstoets Bij nieuwbouw of verbouw beoordeelt de gemeente met een welstandstoets of het bouwwerk past in de omgeving. Dit doet de gemeente op basis van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Bij de beoordeling of het uiterlijk van het bouwwerk voldoet aan de redelijke eisen van welstand gebruikt de gemeente de welstandsnota waar de beleidsregels in staan. Voor een gebied die is aangegeven als welstandsvrij in de gemeentelijke welstandsnota hoeft er geen welstandstoets plaats te vinden. In het geval dat de gemeente geen welstandsnota en beleidsregels heeft voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken gelden er geen regels. ,

,

De regels voor een welstandtoets zijn opgenomen in artikel 22. 7 en 22. 29 van de bruidsschat. Daarmee maken deze regels deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Artikel 22. 7 Repressief welstand In artikel 22. 7 Bruidsschat staat dat het uiterlijk van de volgende bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota: Een bestaand bouwwerk met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en een te bouwen bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. ,

,

In het tweede lid van het artikel staat dat het eerste lid niet van toepassing is als het gaat om een in het tijdelijk deel van het omgevingsplan aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Dit wordt ook wel een welstandsvrij gebied genoemd. ,

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

26

Artikel 22. 7 wordt ook wel de excessenregeling genoemd. Deze regeling ziet erop toe dat de gemeente een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Omgevingswet gebeurt dit middels een maatwerkvoorschrift. De excessenregeling is met name van toepassing op bestaande situaties. 5. 3. 2 Conclusie De gemeente Horst aan de Maas heeft op 20 november 2012 de ‘Welstandsnota gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld. Deze nota is opgesteld om een welstandstoets te kunnen uitvoeren bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. De vereenvoudigde welstandsnota bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. De gemeente onderscheid twee niveaus van welstand: ‘normaal’ en streng’. Voor het besluitgebied geldt het welstandsniveau ‘normaal’. Bij het normaal niveau van welstand wordt getoetst op aspecten die te maken hebben met de situering van het bouwwerk de hoofdvormen van het bouwwerk de schaal en geleding van het gebouw het materiaalgebruik en de gebruikte kleurstelling. Ook de gevelaanzichten worden beoordeeld. De toets is vooral gericht op het gebouw als geheel en het welstandstoezicht is in deze gebieden beperkt tot het handhaven van basiskwaliteiten. ,

,

,

In het kader van de concrete bouwplannen is het planvoornemen reeds getoetst en akkoord bevonden door de welstandscommissie. Met betrekking tot het aspect welstand is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

27

6

Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de toekomstige activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1. 2 Omgevingswet.

6. 1

mer-beoordeling

6. 1. 1

Toetsingskader

De milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16. 4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Per project dient te worden besloten of er een mer-plicht geldt of dat er aanvankelijk slechts een mer-beoordeling wordt gevraagd. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-beoordelingsplicht of een mer-plicht van kracht zijn. ,

In kolom 1 zijn de categorieën van projecten aangewezen waaronder een ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’ (J11). Voor deze categorie project is een merplicht zoals genoemd in artikel 16.43 eerste lid aanhef en onder a niet van toepassing (kolom 2). Echter bij de aanleg wijziging of uitbreiding van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ geldt een mer-beoordelingsplicht (kolom 3). Dit houdt in dat de initiatiefnemer van een project mededeling dient te doen bij het bevoegd gezag. De mededeling is ook wel een aanmeldnotitie en bevat een beschrijving van het project de locatie en de mogelijke milieueffecten. Het bevoegd gezag beslist op basis daarvan of een mer nodig is. Of daadwerkelijk een mer-beoordelingsplicht geldt is afhankelijk van of het project onder de benaming ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ valt. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

Of een project als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd hangt af van de specifieke omstan,

digheden van dat project. Aspecten zoals de aard omvang locatie en omgeving van de ontwikkeling de toename van bebouwd oppervlak en het al dan niet plaatsvinden van een functiewijziging spelen hierbij een rol. Dit is niet uitsluitend gebaseerd op de vraag of er (netto) aanzienlijke negatieve milieueffecten kunnen optreden. Het kan variëren per regio of een beoogde ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt aangemerkt. ,

,

,

,

,

Onder de Omgevingswet is er sprake van één mer-beoordelingsprocedure. Om te voldoen aan de voorwaarden in afdeling 16. 4 Omgevingswet en hoofdstuk 11 en om de bijlage V van het Omgevingsbesluit moet een mer-aanmeldnotitie worden opgesteld bij een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. 6. 1. 2

Conclusie

Gezien de aard en omvang van omvang de locatie kan de voorgenomen ontwikkeling kan het planvoornemen niet als een stedelijk ontwikkelingsproject worden beschouwd. Het opstellen van een mer-aanmeldnotitie is daarom niet benodigd. Vanuit het milieuaspect mer-beoordeling is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ,

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

28

6. 2

Gezondheid

6. 2. 1 Toetsingskader In artikel 1. 3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. ,

,

Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie omgevingsverordening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezondheid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeenten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omgevingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerkingtreding van de Omgevingswet gemeenten nog geen tot weinig beleid zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal het beleid sterk per gemeente verschillen. ,

,

Omgevingsplan Volgens artikel 2. 1 lid 4 van de Omgevingswet moet het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies in het omgevingsplan rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Naast het waarborgen van gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag ook het belang van gezondheidsbevordering in overweging nemen. Een fysieke leefomgeving kan positieve gezondheidseffecten hebben wanneer deze uitnodigt tot gezond gedrag mensen aanspoort tot meer bewegen gezonder eten en sociale interactie. ,

,

Het Rijk legt ondergrenzen vast voor de bescherming van de gezondheid bijvoorbeeld door middel van instructieregels of omgevingswaarden voor geluid luchtkwaliteit geur trillingen waterkwaliteit en bodem. Het Bkl bevat specifieke instructieregels voor de bescherming van de gezondheid en het milieu (paragraaf 5. 1. 4 Bkl). Deze randvoorwaarden worden geïntegreerd in het omgevingsplan. ,

,

,

,

,

Gezien de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet vereist dit aspect een brede ,

motivering. Milieuaspecten zoals geluid luchtkwaliteit geur en waterkwaliteit zijn nauw verweven met gezondheid. Daarom wordt in deze paragraaf ook verwezen naar andere milieuaspecten in deze motivering. ,

,

6. 2. 2 Onderzoek Aangezien het planvoornemen de realisatie van een nieuwe activiteit omvat moet worden onderzocht en onderbouwd op welke manier dit initiatief rekening houdt met het gezondheidsaspect. ,

Het onderhavige project zal ervoor zorgen dat de huidige bedrijvigheid en de planologische mogelijkheden voor een bedrijf op het perceel verdwijnt. Dit heeft een positief effect op de gezondheid van de omgeving. Tevens wordt er met het planvoornemen een bijdrage geleverd aan het toevoegen van groen bestaande verhardingen worden namelijk vervangen voor groenvoorzieningen. Dit heeft ook positieve gezondheidseffecten op de omgeving. Gezien het feit dat er eerst een montagebedrijf was zonder enige vorm van groen zal de beoogde ontwikkeling echter geen extra negatieve gezondheidseffecten met zich meebrengen en zelfs waarschijnlijk beter zijn voor de gezondheid van de omgeving. ,

,

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

29

6. 2. 3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6. 3

Duurzaamheid

6. 3. 1 Toetsingskader Duurzaamheid is een steeds belangrijker wordende kwestie voor onze samenleving. Het gaat hierbij om de manier waarop we omgaan met onze natuurlijke omgeving en hoe we ervoor zorgen dat we deze niet uitputten voor onze toekomstige generaties. Er bestaat geen vast omschrijving of definitie voor de term duurzaamheid dit zorgt ervoor dat iedereen zijn eigen invulling kan hebben over wat het precies betekent. Over het algemeen wordt met duurzaamheid een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de behoeften van toekomstige generaties zowel hier als in andere delen van de wereld in gevaar te brengen bedoeld. ,

,

Duurzaamheid is een aspect wat zowel op de korte termijn als lange termijn toegepast dient te worden. Er spelen diverse trends en ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid binnen nieuwbouw. Duurzaamheid bij nieuwbouw verwijst naar het ontwerpen bouwen en onderhouden van gebouwen op een manier die zo min mogelijk impact heeft op het milieu. Tegelijkertijd ook efficiënt en gezond is voor de mensen die erin wonen of werken. Duurzaamheid is dus een breed begrip en omvat verschillende aspecten: Energie-efficiëntie: het verminderen van energieverbruik door gebruik te maken van duurzame energiebronnen zoals zonne-energie of windenergie; Materialen: Het gebruik van duurzame en milieuvriendelijke materialen zoals gerecyclede of hernieuwbare materialen; Gezondheid en comfort: het Creëren van een gezonde binnen omgeving met goede ventilatie natuurlijke verlichting en materialen die de binnen kwaliteit verbeteren; Levensduur en Hergebruik: Het ontwerpen van gebouwen met een lange levensduur en de mogelijkheid tot aanpassing of hergebruik van materialen om de hoeveelheid afval te verminderen. ,

,

,

,

De focus op duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkelingen is belangrijk om de ecologische voetafdruk van de bouwsector te verminderen een sector die historisch gezien veel grondstoffen verbruikt en bijdraagt aan vervuiling van het klimaat. ,

Duurzaamheidsprogramma In Horst aan de Maas wordt gewerkt aan verduurzaming. Voor het eerst ligt daar nu een beleidsstuk onder dat de lange termijn doelen en de strategie van de gemeente beschrijft. In het uitvoeringsprogramma voor de jaren 2020-2022 staat wat de gemeente op de korte termijn gaat doen. In dit duurzaamheidsprogramma is gekozen voor een focus op 4 lange termijn doelen 1. Klimaatneutraliteit: In 2050 stoten wij netto geen broeikasgassen meer uit. 2. In 2050 is onze gemeente klimaatbestendig en water robuust ingericht. 3. In 2050 hebben we een duurzaam gedreven volledig circulaire economie. 4. Biodiversiteit: In 2030 hebben we een natuur-inclusieve economie. Het verlies aan biodiversiteit is omgebogen naar herstel. ,

6. 3. 2 Conclusie Met het planvoornemen wordt er een nieuwe woning gerealiseerd welke voldoet aan de BENG normen. Daarnaast wordt er bestaande verhardging vervangen voor groenvoorzieningen. Aan de bestaande woning zijn geen werkzaamheden voorzien. Met het planvoornemen wordt er in zekere zin een bijdrage geleverd

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

30

aan de duurzaamheid. Met betrekking tot het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toede-

ling van functies aan locaties.

6. 4

Klimaatadaptatie

6. 4. 1 Toetsingskader Het klimaat verandert in een hoog tempo. Om Nederland tegen de gevolgen van klimaatverandering te beschermen is het nodig om verschillende soorten maatregelen te nemen vanuit verschillende beleidsvelden. Daarnaast is het nodig dat klimaatadaptatie op alle overheidsniveaus onderdeel is van het beleid en uitvoering. ,

In Nederland is het beleid op de gevolgen van klimaatverandering nationaal geregeld aan de hand van twee

programma’s: 1. 2.

de Nationale klimaatadaptatiestrategie; en het Deltaprogramma

,

Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie is de overkoepelende strategie op het gebied van klimaatadaptatie in Nederland. Het doel van de NAS is om alle risico’s en gevolgen van klimaatverandering voor Nederland te beheersen en te verkleinen. Het is de koers die wordt omgezet in plannen en acties in een uitvoeringsprogramma. De werkzaamheden uit het NAS zijn gericht op de risico’s die het meest urgent zijn enkele voorbeelden zijn: meer hittestress bij mensen door extreem weer; vaker uitval van delen van het vitale en kwetsbare functies door extreem weer zoals energie telecom en IT-voorzieningen; oogstschade en andere schade in de land- en tuinbouwsector; verschuiving van klimaatzones in combinatie met gebrek aan internationale ruimtelijke samenhang; mogelijk meer infecties en allergieën zoals hooikoorts of andere luchtwegklachten; cumulatieve effecten - Uitval in één regio of sector heeft gevolgen voor andere sectoren of locaties. ,

,

,

Deltaprogramma en Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (DPRA) In het nationaal Deltaprogramma staat beschreven hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendig en waterrobuuste inrichting. Alle verschillende overheidsniveaus werken vanuit het deltaprogramma samen aan deze opgaven. Het deltaprogramma is opgebouwd rond drie thema’s/programma’s. Dit zijn Waterveiligheid Zoetwater en ruimtelijke adaptatie die voor de verschillende regio’s zijn uitgewerkt. ,

,

,

Alle drie de programma’s zijn weer opgebouwd uit een Deltabeslissing en een Deltaplan. In de Deltabeslissingen staan nationale kaders die voor heel Nederland gelden. De deltaplannen bestaan uit concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid en de planning van deze maatregelen. In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie staan bijvoorbeeld concrete acties en doelen die ervoor zorgen dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Het Deltaprogramma controleert en evalueert elk jaar hoe de deltabeslissingen voorkeursstrategieën en deltaplannen tot dan toe zijn uitgewerkt en uitgevoerd. In deze jaarlijkse monitor kunnen voorstellen staan om beleid aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen en risico’s die zijn ontstaan. ,

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

31

6. 4. 2 Conclusie Met onderhavig planvoornemen wordt er een nieuwe woning gerealiseerd waarbij er verhard dakoppervlak wordt toegevoegd. In de basis zal dit zorgen voor een mogelijke toename van hittestress. Echter gelet op de kleinschaligheid de bestaande verharding en de ligging van onderhavige ontwikkeling kan er gesteld worden dat deze impact op onderhavige locatie te verwaarlozen is. Vanuit het milieuaspect klimaatadaptatie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ,

,

6. 5

,

Omgevingsveiligheid

6. 5. 1 Toetsingskader Het aspect omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden om een brand ramp of crisis te voorkomen te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De algemene regels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal. ,

,

Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. kwetsbaar (gebouwen en locaties); 3. beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is de duur van hun aanwezigheid en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat in bijlage VI van het Bkl.

,

Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg water en spoor; buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. ,

Plaatsgebonden risico De risico’s voor de omgevingsveiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde ook wel een basisbeschermingsniveau genoemd voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Dit geldt met name voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties. De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. De plaatsgebonden risico's worden op kaarten weergegeven met zogeheten risicocontouren. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden be-6 schouwd mogen niet binnen de PR-10-contour van een activiteit vallen. Het respecteren van de grens,

,

,

waarde voor het plaatsgebonden risico betekent dat de gemeente alleen onder voorwaarden die in het Bkl

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

32

zijn vastgesteld mag afwijken van deze grenswaarde. ,

Groepsrisico , aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe benadering van het groepsrisico onder de Omgevingswet. Het groepsrisico (GR) gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15 lid 1 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis zonder ,

,

aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dit betekent dat binnen dat gebied levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen optreden zelfs als de kans daarop klein is. Aandachtsgebieden worden vastgelegd in het ‘Register Externe Veiligheidsrisico’s’ en zijn digitaal raadpleegbaar. ,

,

Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand) overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Hierdoor zijn er ook drie typen aandachtsgebieden (artikel 5. 12 Bkl): 1. brandaandachtsgebied; 2. explosieaandachtsgebied; 3. gifwolkaandachtsgebied. ,

6. 5. 2 Onderzoek Bij de realisatie van plannen kunnen risicobronnen in de omgeving van het plan van invloed zijn op de gebruiksmogelijkheden van het plangebied. Mogelijke risicobronnen zijn het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen over het water over het spoor en over de wegen en risicovolle inrichtingen. Deze risicobronnen worden getoetst en gemeten ten opzichte van het plangebied. ,

,

Onderhavig planvoornemen voorziet in het toevoegen van een kwetsbaar object. Door het IP-O is een risicokaart opgesteld waarin de inrichtingen buisleidingen en gevaarlijke transportroutes zijn opgenomen. Onder,

staand is een uitsnede opgenomen van het plangebied en de omliggende inrichtingen buisleidingen en gevaarlijke transportroutes. Gelet op de ligging van het planvoornemen kan er gesteld worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Eveneens maakt het planvoornemen geen risicovolle inrichting mogelijk. Het verder toetsen aan omgevingsveiligheid is derhalve niet benodigd. ,

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

33

Figuur 7 Uitsnede risicokaart met plangebied blauw omcirkeld 6. 5. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6. 6

Bodem

6. 6. 1 Toetsingskader Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5. 1. 4. 5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening houdend met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur wonen en industrie ingedeeld rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen. ,

,

6. 6. 2 Onderzoek Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Uit onderzoek moet blijken dat aan deze instructieregels wordt voldaan

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

34

wanneer het planvoornemen gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoe-

lige locatie. Het aspect bodem heeft betrekking op het gehele plangebied. Derhalve kan gesteld worden dat de beoogde gebruikswijziging met betrekking tot het aspect bodem in beginsel een vergelijkbare impact zal hebben als hetgeen dat is toegestaan op basis van het vigerende omgevingsplan. ,

,

Aangetoond moet worden dat de bodem geschikt is voor het toekomstig gebruik. Aangezien de beoogde locatie momenteel de functie ‘Bedrijf’ heeft en er een woonactiviteit wordt beoogd kan er gesteld worden dat een bodemonderzoek noodzakelijk is. Het uitgevoerde bodemonderzoek 6 wordt onderstaand samengevat weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. ,

In de humeuze bovengrond is een marginaal verhoogd gehalte minerale olie aangetoond. Voor het overige is in de vaste bodem en het grondwater geen sprake van verhoogde gehaltes. Vastgesteld is dat de bovengrond en de aanwezige funderingslaag van menggranulaat niet verontreinigd zijn met asbest. Derhalve behoeven er op basis van onderzoeksresultaten geen restricties gesteld te worden aan de beoogde herontwikkeling van de onderzochte locatie. 6. 6. 3

Conclusie

Gelet op de bovenstaande conclusies kan er gesteld worden dat er met betrekking tot het aspect bodem sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6. 7

Activiteiten en milieuzonering 6. 7. 1 Toetsingskader Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur stof geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. ,

,

,

,

,

,

In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie) een stiltegebied of een natuurgebied. 2. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere ,

,

,

,

6 Aelmans , Verkennend bodemonderzoek inclusief asbest , rapportnummer AMA240168.003/WGE , d. d. 26 september 2024

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

35

richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. De richtafstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. ,

De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Woningen zijn milieugevoelige functies. Aangezien onderhavig plan voorziet in de realisatie van woningen dient getoetst te worden of in deze woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven niet worden gehinderd door de ontwikkeling. 6. 7. 2 Onderzoek Indien woningen nabij bedrijfsactiviteiten worden beoogd of de realisatie van bedrijfsactiviteiten in de omgeving van woningen is gewenst moet beoordeeld worden of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten. Milieuzonering wordt enerzijds toegepast met het oog op de bescherming van een goed woon- en leefklimaat en anderzijds met het oog op het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving. Het aspect milieuzonering wordt getoetst op basis van richtafstanden. Deze richtafstanden en de daadwerkelijke afstanden zullen met de beoogde gebruikswijziging een vergelijkbare impact hebben ten opzichte van hetgeen dat is toegestaan op basis van het vigerende omgevingsplan. ,

,

Direct naast het projectgebied is een beroep aan huis gevested. Dit is een beroep aan huis dat diverse cursussen aanbiedt. Hierbij gaat het om cursussen zoals eerste hulp B. H. V. en A. E. D. Op de website van van deze partij staat echter dat de cursussen plaatsvinden bij bedrijven zelf en/of op andere geschikte locaties dus niet op deze locatie (Molenstraat 19). Scholen voor beroeps- hoger en overig onderwijs vallen binnen bedrijfscategorie 2. Hier valt dit beroep aan huis ook onder. Bij deze bedrijfscategorie wordt er echter uitgegaan van onderwijsinstellingen met fysieke aanwezigheid van studenten. Dit is bij het beroep aan huis niet aan de orde omdat de cursussen niet aan de Molenstraat 19 plaatsvinden. Tevens valt de locatie Molenstraat 19 onder de werking van de beheersverordening (nu tijdelijk omgevingsplan) waarvoor geldt dat slechts het huidige gebruik van de grond hier is toegestaan. Dit wil zeggen dat er in de toekomst geen andere functies toegestaan zijn op deze locatie. ,

,

,

,

Om deze redenen hoeft er geen rekening gehouden te worden met de overlast die dit bedrijf op het projectgebied zou kunnen toebrengen. Voor de rest zijn er geen bedrijven in de buurt die hinder op kunnen leveren. 6. 7. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

36

6. 8

Weging van het waterbelang 6. 8. 1 Toetsingskader Voor het omgevingsplan blijft de weging van waterbelangen verplicht en dient het milieuaspect water een integraal onderdeel van het omgevingsbeleid te vormen. Dit proces krijgt onder de naam ‘weging van waterbelangen’ een plaats bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (voorheen bekend als de watertoets). Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het initiatief op stedelijk afvalwater grondwater en hemelwater. De weging van het waterbelang zorgt er voor dat per initiatief de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken (artikel 5. 37 lid 1 van het Bkl). Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele weging van het waterbelang noodzakelijk. De weging van het waterbelang is een instrument waarmee de waterhuishoudkundige belangen een doorlopende positie krijgen in het ruimtelijke beleid niet alleen op basis van concrete ontwikkelingen. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente Provincie Waterschap Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. ,

,

,

,

,

,

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet kan door het bevoegd gezag tijdelijk gebruik worden gemaakt van de regels zoals opgenomen in de bruidsschat (onder afdeling 22. 3 milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan). De regels veranderen pas op het moment dat het bevoegd gezag voor een bepaald gebied het omgevingsplan vaststelt. 6. 8. 2 Onderzoek Bij nieuwe ontwikkelingen dient water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing te worden genomen. Dit heet de weging van het waterbelang die ervoor zorgt dat de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een waterrobuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken. Concreet betekent dit dat onder andere onderzocht moet worden hoe in het toekomstige plan op een duurzame wijze kan worden omgegaan met water. Hierbij speelt vasthouden bergen en afvoeren van water in het eigen plangebied een belangrijke rol. Dit wordt onder andere berekend op basis van de hoeveelheid dakoppervlak wat er toe wordt gevoegd. Voor dit onderzoek wordt er gekeken naar de gehele projectlocatie. ,

,

In de omgeving van het projectgebied bevinden zich geen watergangen. De dichtstbijzijnde watergang (Van Smallenbroek) is circa 300 meter ten noorden van het projectgebied gelegen. De onderhavige ontwikkeling zal dus geen effect hebben op deze watergang. De toevoeging van de nieuwe burgerwoning zal zorgen voor een toename aan verhard oppervlak binnen het projectgebied. Dit verharde oppervlak zal circa 291 m2 bedragen. Gelet op het feit dat het gaat om nieuwbouw zal deze geheel afgekoppeld dienen te worden. De K-waarde van het projectgebied bedraagt 045 075 m/dag. Deze gronden zijn redelijk geschikt voor hemelwaterinfiltratie. ,

,

Bij de bepaling van de capaciteit/kwantiteit van de infiltratievoorziening dient voor beide delen van het projectgebied zonder meer te worden uitgegaan van een neerslaggebeurtenis van 100 mm. Gelet op de hoeveelheid verhard oppervlak wat er wordt toegevoegd ziet de benodigde waterberging er als volgt uit: 291 m2 x 01 m = 291 m3. ,

,

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

37

Aangezien de gemiddelde hoogste grondwaterstand meer dan 2 meter onder het maaiveld ligt zijn infiltratiekratten een goede manier voor hemelwater om te infiltreren in de bodem. Deze kratten dienen voorzien te zijn van een zandvangput ontluchting en veilige overstort. De infiltratiekratten zullen onder het terras aan de achterzijde van de nieuwe burgerwoning en onder het pad naar de voordeur van de nieuwe burgerwoning geplaatst worden. ,

,

6. 8. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Negatieve effecten op het waterhuishoudkundig systeem kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten.

6. 9

Natuur en landschap

6. 9. 1 Toetsingskader Natuur maakt onder de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving een van de kernbegrippen van de Omgevingswet (artikel 1.2 lid 2 onder h). Onder Artikel 5.1 lid 1 (Ow) is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten tevens is onder Artikel 5.1 lid 2 opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Tenzij anders geregeld in het omgevingsplan waterschap verordening omgevingsverordening of ministeriele regeling. ,

,

,

,

,

,

,

,

In het Bal staat de uitwerking van algemene regels voor activiteiten die rechtstreeks werken waaronder een vergunningplicht voor zogenaamde Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten (hoofdstuk 11 Bal). In dit hoofdstuk zijn tevens de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijkheden tot maatwerk. Indien er geen vrijstelling geldt van de vergunningsplicht dient er een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt tussen een enkelvoudige of meervoudige aanvraag (in het geval er sprake is van een flora- en fauna-activiteit en een natura 2000-activiteit). ,

,

,

Natura 2000 Om de natuur te beschermen heeft het Rijk regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen opgesteld. Degene die de activiteit verricht moet nagaan of nadelige gevolgen uit te sluiten zijn. ,

Natuurnetwerk Nederland De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening conform artikel 2.44 lid 4 van de Omgevingswet en artikel 7.6 lid 1 van het Bkl. Vanuit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agrarisch gebieden te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. ,

,

,

,

,

Houtopstanden en soortenbescherming De regels voor bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11. 3 Bal. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door algemene meldplicht (art. 11. 126 Bal) en herplantplicht (art. 11. 129 Bal) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer evenals bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’. De bebouwingscontour houtkap moet worden aangewezen in het omgevingsplan (art. 5. 165b Bkl). Tevens is er sprake van specifieke zorgplicht (art. 11. 116 Bal) die geldt voor het vellen van houtopstanden het herbeplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan. ,

,

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

38

Voor de soortbescherming zijn de paragrafen 11. 2. 2 t/m 11. 2. 4 van toepassing hier zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: Omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn (11. 2. 2 Bal); Omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn (11. 2. 3 Bal); Omgevingsvergunning andere soorten (11. 2. 4 Bal). ,

Getoetst dient te worden of het planvoornemen leidt tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De schadelijke handelingen Vogelrichtlijn zijn opgenomen in artikel 11. 37 van het Bal schadelijke Habitatrichtlijn in artikel 11. 46 Bal en schadelijke handelingen andere soorten in artikel 11. 54 van het Bal. ,

Stikstofdepositie De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn welke niet significant zijn geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen beperkt of ongedaan gemaakt worden. ,

,

,

,

,

Op grond van art. 2. 15a van de Ow heeft het Rijk omgevingswaarden voor stikstofdepositie vastgesteld. Deze omgevingswaarden zijn bedoeld als resultaatverplichtingen. Het uiteindelijke doel hiervan is om de stikstofdepositie op termijn te verminderen tot het niveau dat noodzakelijk is voor een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats. Bij de bepaling van de stikstofdepositie kan een activiteit door het veroorzaken van stikstofdepositie in een Natura 2000- gebied als een Natura 2000-activiteit moet worden aangemerkt. Dit volgt uit artikel 4. 15 lid 1 van de omgevingsregeling. De methode voor het berekenen van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden is de AERIUS calculator van toepassing. Mocht er aan de hand van een stikstofberekening blijken dat er geen stikstofdepositie ontstaat hoger dan 000 mol/ha/jaar bij omliggende Natura 2000 gebieden dan is een passende beoordeling aan de hand van het omgevingsplan niet nodig aangezien er geen significante gevolgen verwacht zijn. ,

,

6. 9. 2

Onderzoek

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Omgevingswet. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen en ingrepen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale wetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. Flora en fauna Met onderhavig planvoornemen worden er geen flora en fauna waarden aangetast. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De afstand tot het dichtstbijzijnde gelegen natuurnetwerk bedraagt meer dan 200 meter. Het projectgebied ligt circa 4 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (Maasduinen). Momenteel is het perceel waar de bedrijvigheid op plaatsvind volledig versteend. De beoogde ontwikkeling zal zorgen voor de toevoeging van een groot gazon dus zal dit positief zijn op het gebied van flora- en fauna. De burgerwoning die gebouwd zal worden zal ook beter voor de natuur zijn dan het huidige montagebedrijf. ,

,

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

39

Stikstof Met behulp van de vigerende Aerius Calculator 2024 is de stikstofdepositie 7 bepaald op de nabij gelegen natuurgebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het gebied ‘Maasduinen’ op circa 40 km ten noordoosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect betreft dit een extern effect zoals toename van geluid licht of depositie van stikstof. ,

,

,

,

,

Uit de resultaten blijkt dat de stikstofdepositie op de natuurgebieden 000 mol/ha/jr bedraagt voor het planjaar 2025. Daarmee zijn er uit oogpunt van stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van de plannen. ,

6. 9. 3

Conclusie

Gelet op bovenstaande onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat de aspecten Natuur en landschap ,

geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Met betrekking tot het aspect natuur en landschap is er

sprak van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6. 10

Luchtkwaliteit

6. 10. 1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5. 1. 4. 1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO)2 en fijn-

stof (PM). 10 CIMLK Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. Sinds 1 januari 2023 vervangt het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het NSL. Middels dit nieuwe instrument kan de luchtkwaliteit berekend en gemonitord worden onder de Omgevingswet. NIBM De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO 2 en PM 10 nodig. Uit artikel 5. 53 en 5. 54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NOen PM 10 niet hoger is dan 12 µg/m³. Dat is 3% van de 2 omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. ,

,

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5. 54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en ,

,

7 Stammen ProjectadviesStikstofdepositieberekening , Realisatie van 1 woning en gebruik 2 woningen Molenstraat 21 Swolgen , rapportnummer:

17240722-R1-17241028 , d. d. 28 oktober 2024.

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

40

snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO 2 en/of PM 10 Aandachtsgebieden voor zowel NO 2 als PM 10 staan vermeld in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM 10 zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5. 51 Bkl). Een rijksomgevingswaarde bestaat uit grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. .

,

,

6. 10. 2 Onderzoek Het projectgebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek is daarom niet benodigd. De eisen waaraan de luchtkwaliteit dient te voldoen zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving § 5. 1. 4. 1 “Kwaliteit van de buitenlucht”. Uit artikel 5. 53 volgt dat een plan als “niet in betekenende mate luchtkwaliteit” kan worden aangemerkt en in beginsel is vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke omgevingswaarden als sprake is van een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en PM10 van 12 μg/m3 of minder. Artikel 5. 54 stelt vervolgens dat gebouwen met ten hoogste 1. 500 woningen als niet in betekenende mate kunnen worden gezien. Onderhavig planvoornemen maakt planologische 2 reguliere woningen mogelijk waardoor het planvoornemen als niet in betekenende mate kan worden aangeduid. ,

,

,

6. 10. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6. 11

Geluid

6. 11. 1 Toetsingskader Het planvoornemen betreft een functiewijziging van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. Er is daarmee geen sprake van de toevoeging van een geluidsgevoelige functie.

Geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm.

Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen , en de be-

scherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluidsregels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. ,

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

41

Geluid door activiteiten In Bijlage XXII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22. 3. 4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22. 57 bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22. 3. 4. 2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22. 3. 4. 3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22. 3. 4. 4 BS). ,

,

6. 11. 2 Onderzoek Het Bkl bevat instructieregels voor geluid van (spoor)wegverkeer op geluidgevoelige gebouwen. Wanneer het plangebied ligt in een geluidaandachtsgebied moet onderzocht worden of afwijkende geluidwaarden en/ of maatregelen genomen moeten worden voor een aanvaardbaar geluidniveau ter plaatse van de geluidgevoelige gebouwen. Het geluid wordt voor alle relevante locaties berekend conform de standaard rekenmethode uit de meet- en rekenmethode geluid wegen (bijlage Ive Omgevingsregeling). De rekenresultaten worden getoetst aan het stelsel van standaardwaarden en grenswaarden uit het omgevingsplan of uit het Bkl. Deze resultaten worden berekend op basis van de gehele ontwikkeling. Hiervoor zullen er met de beoogde gebruikswijziging vergelijkbare resultaten zijn als wanneer er getoetst wordt op basis van hetgeen dat is toegestaan op basis van het vigerende omgevingsplan. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 8 uitgevoerd. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten samengevat weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. De geluidbelasting ten gevolge van de gemeentewegen is maximaal 53 dB aan de standaardwaarde wordt voldaan. Het Besluit kwaliteit leefomgeving legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.

Aangezien de standaardwaarde niet wordt overschreden is een beoordeling van het bevoegd gezag om afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten in deze situatie niet van toepassing. ,

,

Het gezamenlijk geluid hoeft niet te worden bepaald indien voldaan wordt aan de standaardwaarde. Wanneer er wordt voldaan aan de standaardwaarde is er conform het Besluit bouwwerken leefomgeving geen nader onderzoek nodig naar de geluidwerende gevelmaatregelen. De minimaal vereiste karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied bedraagt in dit geval 20 dB. 6. 11. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8 K+ , Akoestisch onderzoek Molenstraat 21 te Swolgen , rapportnummer Rm240407aaA0 , d. d. 19 september 2024.

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

42

6. 12

Verkeer en parkeren 6. 12. 1 Toetsingskader Een toevoeging of wijziging van functies op locaties zorgt vaak voor een verandering van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie van een gebied. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden. Dit geldt ook bij omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrekkende werking van het projectgebied zijn kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in grond- Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers basis voor parkeernormering’). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indicatie van de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. De CROW-kengetallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeernormen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten ,

,

,

voldoen. De activiteit dient in dit geval aan het gemeentelijk beleid te worden getoetst. Verder bevatten omgevingsvisies van gemeenten een visie op verkeer op gemeentelijk niveau. Daarin worden vaak mobiliteit bereikbaarheid en verkeersveiligheid als belangrijk geacht. Planinitiatieven dienen daaraan te worden getoetst. ,

6. 12. 2 Onderzoek Parkeren Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. Op 31 januari 2020 is het ontwerpbestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren Horst aan de Maas’ ter inzage gelegd waarin de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas is opgenomen als Bijlage 1. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers van het CROW. ,

Op basis van het de Parkeernota Horst aan de Maas 2019 hoort bij een woonhuis in de 'rest bebouwde kom' een parkeernorm van 2 per woning. De huidige bedrijfswoning die om wordt gezet naar een burgerwoning heeft genoeg verhard oppervlak naast en achter het pand om 2 parkeermogelijkheden te faciliteren. Ook heeft het pand een garage. ,

,

Voor de nieuwe woning zijn er tevens 2 parkeerplaatsen benodigd. Deze 2 parkeerplaatsen zijn opgenomen in het planvoornemen en worden op eigen terrein gefaciliteerd. Verkeersgeneratie Onderhavig planvoornemen zorgt feitelijk voor het toevoegen van 2 reguliere vrijstaande woningen in de categorie rest bebouwde komen van een weinig stedelijke gemeente. Op basis van de CROW cijfers resulteert dit in een verkeersgeneratie van maximaal 86 x 2 = 172 verkeersbewegingen per etmaal. Gelet op de ontsluitingsmogelijkheden en de bestaande situatie ter plaatse kan er gesteld worden dat deze toename voldoende kan worden opgevangen. ,

,

,

TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen

43

Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten op de Molenstraat dit is een hoofdontsluitingsweg binnen Swolgen die direct vanuit het centrum naar het buitengebied loopt en die aansluit op de Swolgenseweg richting Tienray. De Molenstraat sluit in het centrum aan op de Monseigneur Aertsstraat. Ter hoogte van het projectgebied is een snelheid van 50 km/u toegestaan. ,

6. 12. 3

Conclusie Gelet op de bovenstaande berekeningen kan er worden geconcludeerd dat de aspecten verkeer en parke,

ren geen belemmering vormen voor onderhavig planvoornemen. Met betrekking tot de aspecten verkeer en

parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6. 13

Geur

6. 13. 1

Toetsingskader Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 6 Bkl ‘Geur’ onderdeel van paragraaf 5. 1. 4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties. ,

Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur onderzocht te worden; indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten; indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten.

Geurveroorzakende activiteiten Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht: zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5. 1. 4. 6. 2); houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5. 1. 4. 6. 3); enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5. 1. 4. 6. 4). Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5. 1. 4. 6. 1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebou,

wen.

De geurveroorzakende activiteiten dienen te voldoen aan de regels van het tijdelijk omgevingsplan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22. 3. 6. 2 BS); geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22. 3. 6. 3 BS); geur door andere agrarische activiteiten zoals o. a. het opslaan van vaste mest champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22. 3. 6. 4 BS); geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22. 3. 6. 5 BS). ,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15847782/1