10c TAM Omgevingsplan Molenstraat-Bertus Aafjesstraat Swolgen Motivering (geanonimiseerd)
Tekst van het document
(geanonimise rd)
movares
A
smart
urban
engineering
colofon
projectnaam TAM-omgevingsplan Molenstraat Aafjesstraat te Swolgen
-
Bertus
datum 9
september
2025
projecthummer P08517 IMRO-identificatienummer NL.IMRO.1507.SGMOLENSTR21.BPV1
opdrachtgever Gemeente
Horst
aan
Concept 10 maart
2025
Ontwerp 16 mei
2025
Vaststelling 9 september
2025
BRO
projectleider
(geanonimiseerd) proiectteam
(geanonimise rd) bron
kaft
BRO review
(geanonimiseerd)
Industriestraat 5931 +31
PK
94
Tegelen
(0)77 373
info@bro.nl www.bro.nl
06 O1
de
Maas
TOELICHTING
Inhoudsopgave 1
Aanleiding en doel
3
1. 1 1. 2 1. 3 1. 4
Aanleiding Plangebied Juridisch-planologisch kader Leeswijzer
3 4 4 6
2
Beschrijving bestaande situatie
7
3
Voorgenomen ontwikkeling
8
3. 1
8
4
Beoogde ontwikkeling
Beleidsmatige aspecten in de fysieke leefomgeving
10
4. 1
Verhouding tot Rijksbeleid
10
4. 1. 1 4. 1. 2 4. 1. 3 4. 1. 4
10 11 12 13
4. 2
4. 3
4. 4
Verhouding tot provinciaal beleid
13
4. 2. 1 4. 2. 2 4. 2. 3
13 15 16
5
16
4. 3. 1 4. 3. 2 4. 3. 3
16 17 18
Waterschapverordening Waterschap Limburg Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 Conclusie
Regionaal beleid Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024
18 18
Gemeentelijk beleid
19
4. 5. 1 4. 5. 2 4. 5. 3
19 22 23
Structuurvisie Horst aan de Maas Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021 – 2025 Conclusie
Landschappelijke , stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden
24
5. 1
Cultuurhistorie
24
5. 1. 1 5. 1. 2 5. 1. 3
24 24 24
5. 2
5. 3
6
Omgevingsvisie Limburg Omgevingsverordening Limburg 2021 Conclusie
Beleid Waterschap
4. 4. 1
4. 5
Nationale omgevingsvisie Instructieregels Rijk (AMvB’s) De Ladder voor duurzame verstedelijking Conclusie
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
Archeologie
24
5. 2. 1 5. 2. 2 5. 2. 3
24 25 25
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
Welstand
26
5. 3. 1 5. 3. 2
26 27
Toetsingskader Conclusie
Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving
28
6. 1
mer-beoordeling
28
6. 1. 1 6. 1. 2
28 28
6. 2
Toetsingskader Conclusie
Gezondheid TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
29
1
6. 2. 1 6. 2. 2
6. 3
6. 4
6. 5
6. 6
6. 7
6. 8
6. 9
6. 10
6. 11
6. 12
6. 13
30
6. 3. 1 6. 3. 2
30 30
7
Toetsingskader Conclusie
Klimaatadaptatie
31
6. 4. 1 6. 4. 2
Toetsingskader Conclusie
31 32
Omgevingsveiligheid
32
6. 5. 1 6. 5. 2 6. 5. 3
32 33 34
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
Bodem
34
6. 6. 1 6. 6. 2 6. 6. 3
34 34 35
Toetsingskader Onderzoek Conclusie Activiteiten en milieuzonering 6. 7. 1 Toetsingskader 6. 7. 2 Onderzoek 6. 7. 3 Conclusie Weging van het waterbelang 6. 8. 1 Toetsingskader 6. 8. 2 Onderzoek 6. 8. 3 Conclusie Natuur en landschap 6. 9. 1 Toetsingskader 6. 9. 2 Onderzoek 6. 9. 3 Conclusie
35 35 36 36
37 37 37 38
38 38 39 40
Luchtkwaliteit
40
6. 10. 1 6. 10. 2 6. 10. 3
40 41 41
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
Geluid
41
6. 11. 1 6. 11. 2 6. 11. 3
41 42 42
Toetsingskader Onderzoek Conclusie Verkeer en parkeren 6. 12. 1 Toetsingskader 6. 12. 2 Onderzoek 6. 12. 3 Conclusie
43
Geur
44 Toetsingskader Onderzoek Conclusie
Trilling 6. 14. 1 6. 14. 2 6. 14. 3
6. 15
29 29
Duurzaamheid
6. 13. 1 6. 13. 2 6. 13. 3
6. 14
Toetsingskader Onderzoek
43 43 44 44 45 45
45 Toetsingskader Onderzoek Conclusie
45 46 46
Gezondheid
46
6. 15. 1 6. 15. 2 6. 15. 3
46 46 47
Endotoxinen Geitenhouderij Spuitzones
Financiële en maatschappelijke verantwoording
48
7. 1 7. 2
Financieel-economische haalbaarheid Maatschappelijke verantwoording
48 48
7. 2. 2 7. 2. 3
Resultaten proces met derden Zienswijzen
48 48
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
2
1
Aanleiding
1. 1
Aanleiding
en
doel
Het voornemen bestaat om aan de Molenstraat 21 te Swolgen een bestaande bedrijfsfunctie om te zetten naar een (reguliere) woonfunctie en om één extra woning toe te voegen. De bestaande bijgebouwen blijven behouden. De gronden betreffen in de huidige situatie gronden met een bedrijfsfunctie op basis waarvan een bedrijfswoning is toegestaan. De ter plaatse aanwezige gronden dienen hiervoor omgezet te worden naar de functie wonen met een mogelijkheid voor de realisatie van één extra woning. ,
Figuur 1. Uitsnede globale ligging plangebied rood omcirkeld Het planvoornemen is niet rechtstreeks toegestaan binnen de regels van het geldende omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Voor onderhavig planvoornemen is er gekozen om een wijziging van het omgevingsplan te doorlopen waarbij gebruik wordt gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel via IMRO (hierna: TAM-IMRO of TAM-omgevingsplan). Het voorliggende document betreft de motivering van dit TAM-omgevingsplan waaruit blijkt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a lid 2 Bkl). ,
,
,
,
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
3
1. 2
Plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Molenstraat 21 te Swolgen. Het plangebied aan de Molenstraat bestaat uit de percelen welke kadastraal bekend staan als Meerlo sectie B nummers 4781 en 4782. Het totale plangebied heeft een oppervlakte van circa 1. 739 m². Figuur 2 geeft de ligging en globale begrenzing van het plangebied weer. ,
,
Figuur 2 Ligging plangebied rood omlijnd
1. 3
Juridisch-planologisch kader
Vigerend omgevingsplan Op grond van het per 1 januari 2024 ontstane tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas is ter plaatse van het plangebied het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas’ geldend zoals vastgesteld op 19 december 2017.
,
,
Ter plaatse van onderhavige locatie vigeert de functie ‘Bedrijf’ inclusief de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – klus- en montagebedrijf’. Voor onderhavige locatie is het op basis van de functie ‘Bedrijf’ en de functieaanduiding toegestaan om de volgende functies uit te oefenen: ,
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
4
De voor ‘bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: bedrijven behorend tot categorie 1 en 2 , zoals opgenomen in Bijlage 4 (Staat van Bedrijfsactiviteiten) en/of daar-
a.
mee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten;
b.
ter plaatse van de hieronder vermelde aanduiding specifieke vorm van bedrijf – klus- en montagebedrijf , een klusen montagebedrijf; wonen in een bedrijfswoning;
c.
met de daarbij behorende: d.
tuinen , erven en terreinen;
e.
paden , wegen , ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
f.
voorzieningen van openbaar nut;
g.
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
h.
groenvoorzieningen , natuur en landschapselementen.
Tevens geldt er voor een gedeelte van het plangebied de nevenfunctie ‘Waarde – Archeologie 3’. Verder is er een bouwvlak gelegen en geldt de gebiedsaanduiding ‘overige zone – kampen’. Randvoorwaarden op grond van omgevingsplan Als het op basis van het omgevingsplan niet is toegestaan om een burgerwoning en een extra woning te realiseren dan moet via een planologische procedure het omgevingsplan worden gewijzigd. Om dit mogelijk te maken moet er sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Onderhavig planvoornemen voorziet op het wijzigen van het omgevingsplan via TAM-IMRO. TAM-IMRO houdt in dat het plan wordt opgesteld in Wro-software wordt aangeleverd aan de gemeente en de bekendmaking via ruimtelijkeplannen. nl plaatsvindt. Via een overbruggingsfunctie wordt het plan dan ook zichtbaar in het DSO. Een TAM,
,
IMRO-plan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan maar heeft technisch gezien het ‘oude’ formaat (namelijk IMRO). Daardoor zijn deze plannen minder overzichtelijk vindbaar in het Omgevingsloket. Later moeten deze plannen alsnog conform de STOP/TPOD-standaard gepubliceerd worden bij de LVBB. De TAM-IMRO is beschikbaar tot het 1e jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor een TAMIMRO omgevingsplan geldt dat een ontwerp versie hiervan voor 1 januari 2026 ter inzage gelegd dient te ,
zijn. Inhoudelijke eisen TAM-IMRO Ook bij toepassing van de TAM-IMRO dient er te worden voldaan aan de inhoudelijke eisen uit de Omgevingswet voor het opstellen van een omgevingsplan. Concreet betekent dat het omgevingsplan ook moet voldaan aan: bruidsschatsregels; verordeningsregels. instructieregels; evenwichtige toedeling aan functies.
Strijdigheden met omgevingsplan Aangezien onderhavig planvoornemen binnen de functie ‘Bedrijf’ is gelegen is het gebruik van de gronden als reguliere woonfunctie binnen het plangebied strijdig met de regels van betreffende het Omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Het is namelijk niet toegestaan om een bedrijfswoning te gebruiken als een burgerwoning. Tevens is het niet toegestaan om een extra woning toe te voegen. Om die reden is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Dit TAM-omgevingsplan voorziet hierin. ,
,
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
5
Figuur 3 Uitsnede Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas plangebied rood omlijnd ,
1. 4
Leeswijzer
De voorliggende motivering bestaat uit verschillende onderdelen. Hoofdstuk 1 bevat een beschrijving van de aanleiding tot het opstellen van de motivering een aanduiding van het plangebied en het vigerende juridisch-planologische kader. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie ter plaatse van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt de voorgenomen ontwikkeling nader toegelicht. Hoofdstuk 4 bevat een toetsing aan relevant rijks- provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 wordt er nader ingegaan op de landschappelijke stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarde welke relevant zijn voor onderhavig planvoornemen. Daarna zal de voorgenomen ontwikkeling in hoofdstuk 6 worden getoetst aan de verschillende relevante omgevingsaspecten. Hierbij wordt per omgevingsaspect het toetsingskader geschetst. In hoofdstuk 7 wordt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid besproken. ,
,
De uitgevoerde onderzoeken zijn als bijlagen bij deze motivering gevoegd.
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
6
2
Beschrijving bestaande situatie
De locatie aan de Molenstraat 21 ligt ten westen van het centrum van Swolgen en is gelegen op de grens tussen de bebouwde kom en het buitengebied. Op basis van het omgevingsplan is het gelegen in het buitengebied van Swolgen echter is het plangebied op basis van de begrenzingen gelegen binnen de bebouwde kom van Swolgen. Momenteel is er één bedrijfswoning aanwezig en een aantal bijgebouwen ten behoeve van het (voormalige) zonweringsbedrijf van de bewoner. ,
,
De Molenstraat is een belangrijke verkeersader in Swolgen die vanuit het centrum rechtstreeks naar het buitengebied leidt en aansluit op de Swolgenseweg een hoofdweg richting Tienray. In het centrum van Swolgen sluit de Molenstraat ook aan op de Monseigneur Aertsstraat de tweede belangrijke ontsluitingsweg bin,
,
,
nen Swolgen.
Direct naast het projectgebied bevindt zich een beroep aan huis bestaande uit een opleidingsinstituut dat diverse cursussen aanbiedt zoals eerste hulp BHV en AED. Volgens de website van het beroep aan huis vinden de cursussen echter plaats bij bedrijven zelf en/of op andere geschikte locaties en dus niet op deze locatie (Molenstraat 19). De directe omgeving bestaat verder vrijwel uitsluitend uit woningen. ,
,
,
Op dit moment is op de locatie aan de Molenstraat 21 een bedrijf gelegen wat zich richt op zonwering en kunststoframen. Behorende bij het bedrijf is er een bedrijfswoning en schuur aanwezig. Het plangebied bestaat uit de percelen welke kadastraal bekend staan als Meerlo sectie B nummers 4781 en 4782. Het totale plangebied heeft een oppervlakte van circa 1. 739 m². Figuur 4 geeft de bestaande situatie weer. ,
,
Figuur 4 Huidige situatie plangebied vanaf de Bertus Aafjesstraat
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
7
3
Voorgenomen ontwikkeling
3. 1
Beoogde ontwikkeling
Het planvoornemen bestaat uit het omzetten van een bestaande bedrijfswoning en het toevoegen van een nieuwe vrijstaande woning. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de bedrijvigheid volledig beëindigd worden. Er worden geen werkzaamheden voorzien aan de bestaande woning. De bestaande bijgebouwen blijven behouden. De nieuwe woning zal tussen de huidige bedrijfswoning en het bedrijfsgebouw worden toegevoegd waarbij het bedrijfsgebouw in gebruik zal worden genomen als bijgebouw bij deze woning; de klinkers rondom het bedrijfsgebouw zullen grotendeels vervangen worden door een tuin. De situering van deze nieuwe burgerwoning is op onderstaande afbeeldingen weergeven. ,
De nieuwe burgerwoning zal gesitueerd worden aan de Bertus Aafjesstraat. De lijnen van de gevels van de nieuwe woning lopen parallel aan de lijnen van de andere gevels in de omgeving wat er voor zorgt dat de nieuwe woning aan sluit bij de situering van de woningen in de omgeving. ,
Figuur 5 Situering en uitstraling nieuwe woning
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
8
Daarnaast zal er een erfafscheiding worden gerealiseerd tussen de twee percelen middels een haag. Verder zullen er enkele hoogstambomen en struweel worden aangeplant. Ook wordt de houten schutting die momenteel het zicht vanuit de Molenstraat naar de Bertus Aafjesstraat blokkeert vervangen door een natuurlijke erfscheiding in de vorm van een beukenhaag van maximaal 2 meter hoog. Bij de aanleg van deze natuurlijke erfscheiding zal aandacht gegeven worden aan het verzekeren van een (verkeers)veilige hoeksituatie. ,
Figuur 6 Landschappelijke inpassing nieuwe woning
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
9
4
Beleidsmatige aspecten in de fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de toegestane activiteiten toegelicht en worden deze hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden doch gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in dit hoofdstuk gemotiveerd getoetst aan de activiteit. ,
4. 1
Verhouding tot Rijksbeleid
4. 1. 1 Nationale omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet die per januari 2024 geldend is heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3. 1 lid 3 Ow. Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. ,
,
,
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports brainports greenports en valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit duurzame energie watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg spoor water en energie maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio’s; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. ,
,
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
10
Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen Verder wordt benoemd dat: Nieuwe bedrijven vestigen zich bij voorkeur op bestaande werklocaties. Wanneer dit niet mogelijk is sturen we op uitbreiding aan de grenzen van bestaande werklocaties. Voor gevestigde bedrijven kan daarbij maatwerk aan de orde zijn. Op bedrijventerreinen is vooral sprake van een kwalitatieve opgave. Vanuit financieel en economisch oogpunt kan het aantrekkelijk zijn om nieuwe gronden te ontwikkelen. Voldoende werklocaties die voldoen aan de veranderende eisen van bedrijven en overheden is een belangrijke randvoorwaarde voor de versterking van de regionale economische structuur. ,
Doorwerking plangebied Onderhavig plan is niet strijdig met de nationale belangen als geformuleerd in de NOVI. Het betreft een ontwikkeling op lokaal niveau. Alhoewel de NOVI zich niet specifiek uit laat over dergelijke kleinschalige initiatieven betreft het een initiatief waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij er geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Gezien de aard omvang en ligging van het plan zijn er geen nationale belangen aan de orde. ,
4. 1. 2 Instructieregels Rijk (AMvB’s) Een (TAM-)omgevingsplan moet voldoen aan de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl bevat instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor onder andere de volgende hoofdonderwerpen: algemene bepalingen (paragraaf 5. 1. 1); waarborgen van veiligheid (paragraaf 5. 1. 2); beschermen van waterbelangen (paragraaf 5. 1. 3); beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4) waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht trillingen geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5) waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5. 1. 6) voor autowegen buisleidingen natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7) waaronder landsverdediging en nationale veiligheid elektriciteitsvoorziening rijksvaarwegen en luchtvaart fiets- en wandelroutes aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5. 1. 8). ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Voor de instructieregels voor bovenstaande thema’s is een toepassingsbereik bepaald. Het is mogelijk dat een thema niet van toepassing is op een specifieke activiteit. Daarnaast bevat afdeling 5. 2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van
1 Rijksoverheid , Nationale Omgevingsvisie , 4. 1 Omgevingsinclusief beleid: afwegingsprincipes
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
11
spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen
B&W de Minister vragen om een ontheffing
van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5. 3 van het Bkl.
Doorwerking plangebied In deze motivering wordt in hoofdstuk 5 en 6 gedetailleerd ingegaan op de doorwerking van het plangebied op verschillende relevantie ruimtelijke- en milieuaspecten. Hierbij wordt aangegeven in welke mate ze voldoen aan de instructieregels van het Bkl. Hierdoor wordt een helder inzicht geboden in de naleving van deze regels binnen het plangebied. 4. 1. 3 De Ladder voor duurzame verstedelijking Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking (vaak kortweg aangeduid als Ladder) is verwerkt in artikel 5. 129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving als een instructieregel. De Ladder ziet op een zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden beoordeeld of: 1. er behoefte is aan die stedelijke ontwikkeling en; 2. de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied (waaronder stedelijk groen) mogelijk is. Artikel 5. 129g van het Bkl is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein een zeehaventerrein een woningbouwlocatie kantoren een detailhandelvoorziening of andere stedelijke voorzieningen (zoals scholen en zorgcomplexen) die voldoende substantieel is. Een project moet dus wel voldoende substantieel zijn. Als een project al mogelijk is op basis van bijvoorbeeld het omgevingsplan is het niet nodig om de Ladder te doorlopen.
Het gaat echt om een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een project waarmee bebouwing wordt gereduceerd of verplaatst zijn in de zin van de Ladder geen stedelijke ontwikkeling. ,
,
,
,
,
,
Nieuwe stedelijke ontwikkeling Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein een zeehaventerrein een woningbouwlocatie kantoren een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Er is geen wettelijke ondergrens voor de genoemde ontwikkelingen. Op basis van vaste jurisprudentie wordt gesteld dat bij een woningbouwplan van 12 woningen of meer in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 2 Voor alle andere stedelijke functies wordt in beginsel een oppervlakte van 500 m 2 bruto vloeroppervlak aangehouden als ondergrens. 3 ,
,
,
,
,
Daarnaast geldt het vereiste dat het moet gaan om een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit wordt beoordeeld aan de hand van het nieuwe planologische ruimtebeslag dat met de stedelijke ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt of wanneer wordt voorzien in een functiewijziging van enige omvang. 4
Behoefte In lid 2 van artikel 5. 129g Bkl wordt ingegaan op de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Belangrijk bij de toepassing van de Ladder is dat aandacht wordt besteed aan de behoefte (marktruimte maatschappelijk ruimtelijk beleidsmatig) en de effecten op de leegstand van vastgoed in de relevante regio. Daarnaast zijn de gevolgen voor het regionale woonleef- en ondernemersklimaat van belang. ,
,
,
,
,
2 ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953. 3 ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724. 4 ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075.
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
12
Stedelijk gebied Het uitgangspunt is dat eerst gekeken moet worden naar mogelijkheden binnen het stedelijk gebied (incl. stedelijk groen) voordat een initiatiefnemer gaat ontwikkelen buiten het stedelijk gebied. Daarbij spelen de beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen dit gebied een rol. Bij de beoordeling of er beschikbare of geschikte locaties zijn binnen een stedelijk gebied kunnen de kwalitatieve aspecten van de behoefte een rol spelen. Denk hierbij aan bepaalde bedrijven die vanwege milieuoverwegingen niet in het stedelijk gebied passen. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval de specifieke ligging de feitelijke situatie de mogelijkheden van het omgevingsplan en de aard van de omgeving. ,
,
,
,
Doorwerking plangebied Een project moet dus wel voldoende substantieel zijn. Als een project al mogelijk is op basis van bijvoorbeeld het omgevingsplan is het niet nodig om de Ladder te doorlopen. Het gaat echt om een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onderhavig planvoornemen voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling nu er een nieuwe woning wordt toegevoegd en een bedrijfswoning wordt omgezet naar reguliere woning. ,
4. 1. 4 Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk derhalve vormt dit aspect geen belemmeringen. ,
4. 2
Verhouding tot provinciaal beleid
4. 2. 1 Omgevingsvisie Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg. ’ Dit document is een lange termijnvisie met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) is op 1 oktober 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en is de vervanger van het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014)’. ,
De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Daarnaast is reeds een omgevingsverordening vastgesteld op 17 december 2021 om het beleid juridisch te verankeren. Deze wordt verder behandeld onder paragraaf 4. 2. 2. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2024. ,
Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden namelijk: het creëren van een aantrekkelijke sociale gezonde en veilige omgeving zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied; een toekomstbestendige innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); klimaatadaptatie en energietransitie. ,
,
,
,
,
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
13
Deze opgaven die Limburg-breed spelen dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. ,
,
,
Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord- Midden en Zuid-Limburg. Het thema dat in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing is betreft het aspect ‘Wonen’. ,
Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat- energie- en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie met betrekking tot dit thema vanuit een agenderende stimulerende meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale regionale en/of gemeentelijke programma’s agenda’s en instrumenten noodzakelijk. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. ,
,
,
Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. ,
Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden gezondheid leefbaarheid het voorzieningenniveau de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen schone lucht het tegengaan van hitte-stress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. ,
,
,
,
,
,
,
,
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
14
Doorwerking projectgebied De provinciale Omgevingsvisie is het richtinggevende kader op hoofdlijnen omtrent wonen. Omdat de woonbehoeften snel veranderen en omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven wat betreft wonen en leefomgeving zijn er meer gerichte uitwerkingen in regionale en gemeentelijke programma’s en instrumenten benodigd. ,
,
Onderhavig plan voorziet in de realisatie van slechts 1 nieuwe woning en het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere woning in het stedelijk gebied te Swolgen. De beoogde woningbouw is afgestemd op de actuele behoefte en draagt bij aan de provinciale ambitie van voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek. Bovendien past de ontwikkeling binnen de huidige maatschappelijke context , waarin
sprake is van een significante woningbehoefte onder meer voor de doelgroepen starters ouderen evenals het levensloopbestendig maken van woningen. Het initiatief is in lijn met de ‘Regionale woonvisie Noord-Limburg’ en het ‘Masterplan Wonen Horst aan de Maas’. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes zoals beschreven in de ‘Provinciale omgevingsvisie’. ,
,
,
,
4. 2. 2 Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze is op 1 januari 2024 tegelijk met de omgevingswet in werking getreden. ,
Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen zonne-energie na,
,
,
ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestings-normen voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen werken en recreëren’ ligt het projectgebied binnen het gebied ‘Landelijke kernen’. Tevens is het projectgebied volgens de kaarten bij de Omgevingsverordening gelegen binnen het ‘overstromingskansgebied E’. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor overstromingskansgebied E een gemiddelde overstromingskans van 1:100 per jaar als omgevingswaarde. ,
Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen Sinds de provinciale omgevingsverordening van 2014 is er veel veranderd ten aanzien van de woningmarkt en daarom ook ten aanzien van het woningmarktbeleid. Samenwerking in de regio blijft belangrijk en om aan de actuele vraag te voldoen is het belangrijk om waar mogelijk belemmeringen weg te nemen. Er is geconstateerd dat de provincie Limburg over meer dan voldoende planvoorraad beschikt om aan de kwantitatieve vraag te voldoen. Of met deze bestaande planvoorraad voldaan kan worden aan de kwalitatieve vraag is niet altijd duidelijk. Daarbij zijn veel gemeenten na de vaststelling van het bestemmingsplan sterk afhankelijk van de bereidheid van de ontwikkelaar/initiatiefnemer om tot realisatie van de woningen te komen. Maar in papieren plannen kan niemand wonen. Om van de woningen op papier echte woningen te maken om te stimuleren dat plannen worden gerealiseerd in heel Limburg in steden en op het platteland is er een realisatietermijn voor woningbouwplannen in de omgevingsverordening opgenomen. ,
,
,
,
Er wordt onderscheid gemaakt in plannen die onherroepelijk en nog niet gerealiseerd zijn (op de plank liggen) en plannen die vanaf 2022 in procedure gaan (nieuwe woningbouwplannen). Zo dienen alle onherroepelijke en niet gerealiseerde plannen van vóór 2015 vóór 2025 te zijn gerealiseerd. Indien realisatie niet ,
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
15
plaatsvindt dan zal de gemeente deze plannen voor die termijn heroverwegen. Voor alle woningbouwplannen die tussen 2015 en 2021 onherroepelijk zijn geworden geldt dat ze uiterlijk in 2029 dienen te zijn gerealiseerd en anders door de gemeente worden heroverwogen. Voor alle nieuwe woningbouwplannen die vanaf 2022 door de gemeente worden vastgesteld geldt dat ze binnen vijf jaar dienen te worden gerealiseerd. Heeft de realisatie niet plaatsgevonden dan worden ze door de gemeente heroverwogen. ,
,
,
,
Voor onherroepelijke niet gerealiseerde woningbouwplannen en nieuwe niet gerealiseerde woningbouwplannen geldt dat de gemeentelijke heroverweging plaatsvindt op basis van de dan geldende actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte en de dan geldende regionale afspraken en samenwerking. Dankzij de Limburg brede realisatie termijn verwachten we een toename van de realisaties. Dankzij de Limburg brede heroverweging kunnen de gemeenten gelijktijdig optrekken en enerzijds bepalen of het plan wordt voortgezet en binnen afzienbare tijd wordt gerealiseerd of anderzijds bepalen dat het plaats maakt voor een andere passende functie. Daarmee tevens ook plaats makend voor andere woningbouwplannen. De belangrijkste gemeentelijke belemmeringen afhankelijkheid van derden en de eeuwige houdbaarheid van papieren plannen nemen we met de instructieregels in de omgevingsverordening weg. Gesteund door de andere instrumenten die de provincie en het Rijk inzetten wordt de slagingskans van de gezamenlijke wens om te zorgen voor de realisatie van 'de juiste woning op de juiste plek op het juiste moment' vergroot. ,
,
,
,
,
,
Doorwerking projectgebied Onderhavige ontwikkeling wordt binnen vijf jaar na de verlening van de omgevingsvergunning gerealiseerd. Tevens wordt er voldaan aan de opgenomen instructieregels in artikel 12. 1 van de Omgevingsverordening Limburg 2021. Het plan zal ook worden toegevoegd aan de regionale plancapaciteitsmonitor. Derhalve kan er gesteld worden dat onderhavig passend is op basis van de Omgevingsverordening Limburg. ,
4. 2. 3
Conclusie
De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie Limburg.
4. 3
Beleid Waterschap
4. 3. 1 Waterschapverordening Waterschap Limburg De waterschapsverordening voorheen de keur is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen dijken sloten beken rivieren gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in met of rondom het water is wet- en regelgeving uit de waterschapsverordening van toepassing. ,
,
,
,
,
,
,
,
Het Algemeen Bestuur heeft in zijn vergadering van juli 2021 de Waterschapsverordening Waterschap Limburg vastgesteld. Deze verordening is tegelijk met de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking getreden en bestaat uit een aantal instrumenten. De zorgplicht is het eerste instrument om handelingen in aan boven en onder watersystemen en hun beschermingszones te reguleren. Met deze zorgplicht wordt recht gedaan aan het 'ja mits'-uitgangspunt. De handelingen zijn toegestaan mits er voldoende zorg in acht is genomen. Op basis van deze zorgplicht krijgt eenieder de verantwoording om bij het uitvoeren van handelingen voldoende zorg voor het functioneren van het watersysteem en de beschermingszones in acht te nemen. Het waterschap gebruikt de zorgplicht bovendien als vangnet om te kunnen optreden tegen handelingen waarin daadwerkelijk schade is of dreigt te worden toegebracht aan het watersysteem. De zorgplicht moet dus altijd worden nageleefd. ,
,
,
,
Algemene regels vormen het tweede instrument om handelingen te reguleren. Er is pas gekozen voor een algemene regel wanneer alleen de zorgplicht voor de betreffende handeling onvoldoende bescherming biedt voor het functioneren van het watersysteem. Het is vanwege geografische verschillen mogelijk dat ,
,
,
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
16
voor een handeling slechts in bepaalde gebieden sprake is van een algemene regel. In de algemene regels
worden concrete voorschriften opgenomen waaraan bij de handeling moet worden voldaan. De handelingen waarvoor algemene regels gelden zijn toegestaan mits aan alle voorschriften wordt voldaan. De initiatiefnemer heeft daarbij de zorgplicht om na te gaan of het naleven van de voorschriften in het specifieke geval voldoende is om nadelige effecten voor het watersysteem te voorkomen. Een van de voorschriften van de algemene regels kan zijn dat de handeling vooraf moet worden gemeld aan het waterschap. Dit is niet altijd het geval. Een meldplicht is alleen opgenomen wanneer: (1) het waterschap bekend wil zijn met de activiteit (bijv. vanuit een oogpunt van onderhoud) en/of (2) het waterschap wil kunnen beoordelen of het opstellen van een maatwerkvoorschrift nodig is. Om het toezicht goed te kunnen uitoefenen is het belangrijk dat de melding tijdig dat wil zeggen met inachtneming van de termijn die daarvoor is bepaald in de betreffende algemene regel wordt ingediend. De algemene indieningstermijn is 4 weken. ,
,
,
De vergunningplicht is het derde instrument in de waterschapsverordening om handelingen te reguleren. In deze waterschapsverordening is alleen gekozen voor een vergunningplicht wanneer toetsing van de plannen voorafgaand aan de uitvoering van de handeling noodzakelijk is met oog op bescherming van de waterstaatswerken en/of de daaraan verbonden belangen van het waterschap. De vergunningplicht beperkt zich derhalve tot de handelingen die een aanzienlijke bedreiging vormen voor het functioneren van het watersysteem. Het is vanwege geografische verschillen mogelijk dat voor een handeling slechts in bepaalde gebieden sprake is van een vergunningplicht. De wijze waarop vergunningaanvragen worden beoordeeld is vastgelegd in beleidsregels. Bij het uitvoeren van de handeling moet initiatiefnemer de voorschriften in de vergunning naleven. ,
,
,
Handelen in strijd met aan een vergunning verbonden voorschriften is op grond van artikel 5. 5 lid 3 van de Omgevingswet verboden. De initiatiefnemer heeft daarbij de zorgplicht om na te gaan of het naleven van de voorschriften in het specifieke geval voldoende is om nadelige effecten voor het watersysteem te voorkomen. Per specifieke uitvoeringsregel is in de stroomschema's aangegeven voor welke handelingen naast de zorgplicht ook een vergunningplicht geldt. ,
4. 3. 2
Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027
De grootste opgave voor het waterschap is zonder enige twijfel de klimaatverandering. De uitstoot van broeikasgassen daalt nog niet en het scenario wordt steeds reëler dat de gemiddelde wereldtemperatuur in 2100 drie of meer graden is gestegen. Hierdoor neemt de kans op extreme droogte en wateroverlast fors toe. Iets dat ons nu al keihard raakt denkend aan de watertekorten in 2018 2019 en 2020 en de overstromingen van juli 2021. De komende periode is ook de laatste fase van de huidige Europese Kaderrichtlijn Water die stelt dat in 2027 het watersysteem op orde moet zin. Dit vereist ecologisch hydrologisch en geomorfologisch herstel van oppervlaktewateren en behoud of herstel van de fysisch-chemische toestand. Dat vraagt om forse inspanningen van het waterschap en alle sectoren die de waterkwaliteit beïnvloeden. Opkomende stoffen zoals PFAS medicijnresten en microplastics geven ons nieuwe uitdagingen. Om de Maasvallei in 2050 volgens de geldende normen te beschermen tegen overstromingen moeten in de planperiode nog vele kilometers waterkeringen worden versterkt al dan niet in combinatie met rivierverruiming. ,
,
,
,
,
,
,
Om Limburg toekomstbestendig te maken wordt er verwacht dat iedereen meedoet. Iedereen die een woning bedrijfsgebouw landbouwgrond tuin erf openbare verharding of natuurgebied bezit of beheert kan bijdragen aan het Klimaatadaptief maken van Limburg. Het waterschap kiest hiervoor een aanjaagrol en ,
,
,
,
,
,
,
biedt ondersteuning waar dat kan. Klimaatadaptatie is een thema dat iedere inwoner van Limburg raakt en derhalve is het ook belangrijk om hier bij iedere ontwikkeling over na te denken.
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
17
4. 3. 3 Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van het waterschap. In paragraaf 7. 8 wordt verder ingegaan op de weging van het waterbelang. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de activiteiten passen binnen de doelstellingen en het beleid van het waterschap.
4. 4
Regionaal beleid
4. 4. 1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 In de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ geven de gemeenten Beesel Bergen Gennep Horst aan de Maas Mook en Middelaar Venlo Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen. ,
,
,
,
,
,
,
In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen. Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten: Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; Gekeken dient te worden naar koppelkansen; Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; Zoeken naar aansluiting op de landelijke regionale en lokale duurzaamheid doelen. ,
,
Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd: Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren maar vooral om de doorstroming te bevorderen. ,
,
,
Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad. In de ‘Regionale Structuurvisie Noord-Limburg (2016)’ gaat het vooral om de kwantiteit terwijl in de nieuwe Regionale Woonvisie de nadruk meer ligt op de kwaliteit. Er wordt vaak gesproken over een woningtekort en vooral landelijk gaat het hierbij om de aantallen. Uiteraard is dat van belang maar de te verwachten ontwikkeling van huishoudens (in aantal én in type) geeft aan dat wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de kwaliteit van de woningvoorraad. ,
,
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
18
In het rapport van Stec Groep wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van de regio Noord-Limburg. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad. Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn: De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000 deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige wonin,
gen;
Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur- goedkope koop- en ruime dure koopsegment. Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan. ,
,
Doorwerking projectgebied Het planvoornemen ziet op het toevoegen van een woning en het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere worden binnen de kern van Swolgen. Het door Stec opgestelde rapport ‘Opgaven en aanpak bestaande woningvoorraad in beeld Basis voor woonbeleid’ uit 2019 geeft een inzicht in de bestaande regionale woningvoorraad en geeft een richting voor een transformatieopgave. De realisatie van de beoogde woningen zorgt niet voor het vergroten van het kwetsbare woningoverschot. Onderhavig plan is dan ook passend binnen de regionale kwalitatieve behoefte. De realisatie van de nieuwbouw is hiermee niet strijdig met de woonvisie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. ,
Gemeentelijk beleid
4. 5
4. 5. 1 Structuurvisie Horst aan de Maas Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig: De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn; De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden; De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. ,
De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. ,
,
,
Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikke,
,
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
19
len eigen kwaliteit in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst Meterik Hegelsom Melderslo en Grubbenvorst. Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden. ,
,
,
,
,
In de structuurvisie zijn 19 projecten ter verbetering van omgevingskwaliteit benoemd. Geen van deze projecten is gepland in of in de directe omgeving van het projectgebied. Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (Gemeentelijk kwaliteitsmenu) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon- leef- en werkkwaliteiten van de gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. ,
,
Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied. Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten investeert de gemeente ten laste van dit fonds o. a. in natuurontwikkelingen landschapsversterking recreatieve voorzieningen cultuurhistorie en in de concentratie revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. ,
,
,
,
,
,
Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: a. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; b. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; c. De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; d. De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar. ,
,
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
20
In de
volgende figuur
gebied gebied ding.
het 6B
is een
kaart weergegeven
uit de structuurvisie.
Op
deze
kaart is te zien binnen
welk
projectgebied is gelegen. In de afbeelding is te zien dat het projectgebied is gelegen binnen deel‘Woondorpen’. Voor nieuwe (solitaire) woningbouw in kernen geldt een meedenkende grondhou-
Feitelijk bezien ligt de planlocatie binnen de bebouwde kom. Binnen de bebouwde kom is het gemeentelijk kwaliteitsmenu niet van toepassing op basis van het nota kostenverhaal. Met onderhavig planvoornemen hoeft hier derhalve geen bijdrage aan te worden geleverd.
(geanonimise rd)
Figuur
9. Uitsnede kaart ‘Gebiedsindeling Gemeentelijk Kwaliteitsmenu' uit de Structuurvisie Horst aan de Maas met aanduiding globale ligging project-
gebied (rode pijl) Evaluatie structuurvisie
Bij de vaststelling van de structuurvisie is besloten om deze na een jaar te evalueren. Deze evaluatie heeft plaatsgevonden in de periode augustus 2014 juli 2015 en heeft op onderdelen geleid tot een aanpassing van de structuurvisie. De module ‘Projectmatige woningbouw’ is daarbij gewijzigd in de module ‘woningbouw in exploitatiegebieden' —
Doorwerking projectgebied Het gens
projectgebied
is gelegen
de structuurvisie
kwaliteitsverbeterende
meentelijke
® BRO
binnen
de bebouwde
kom.
Hiervoor
geldt een
meedenkende
grondhouding
vol-
(solitaire) woningen’ (blauwe kleur in de matrix). Er zijn dan ook geen maatregelen benodigd. Het plan past daarmee binnen de uitgangspunten van de ge-
voor
‘nieuwe
structuurvisie.
TAM-omgevingsplan Molenstraat
-
Bertus
Aafjesstraat te Swolgen
21
4. 5. 2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021 – 2025 Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2021-2025 dat in april 2021 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld is een uitwerking van de regionale structuurvisie Wonen Noord Limburg. De hoofdopgaves voor Horst aan de Maas die gebaseerd zijn op het regionale beleid betreft vooral een nieuwbouwopgave met als hoofddoelen: 1. t/m 2025 1. 000 woningen vergunnen; 2. Bouwen naar behoeften. ,
,
,
De genoemde beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen (2021-
2025): Kaders als basis voor mogelijkheden; Door verwachtingen en eisen aan de voorkant helder te hebben weten ontwikkelaars corporaties en inwoners waar ze aan toe zijn. Dit zorgt voor enthousiasme een gedeelde visie en een snellere doorloop. Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang; We kennen de woonvragen en -behoeften van onze inwoners: nu morgen en volgend jaar – op zowel gemeenteniveau als in de individuele kernen. We weten op elk moment in het jaar of we nog op koers liggen. Maatwerk per kern; Elke kern heeft zijn eigen karakter. Die eigenheid moet doorklinken in de woningopgave en de invulling ervan. Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen; Partijen die onze gemeente goed kennen zich vereenzelvigen met onze ambitie en hier ook aantoonbaar naar handelen hebben een streepje voor. Zij krijgen de ruimte en het vertrouwen om samen met ons Horst aan de Maas aantrekkelijker te maken. Minder regels snelle doorloop van processen; Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. We verminderen de regeldruk waar mogelijk organiseren parallelle processen en houden initiatiefnemers aangehaakt. Participatie & communicatie; Inwoners voelen zich gehoord betrokken bij de ambitie en zijn trots. Dat dragen ze ook uit. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
Volgens de bevolkingsprognoses van Etil groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2030 met 1. 375. Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling. Er dient met name aandacht te zijn voor (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Voor ruimtelijke plannen dienen volgende uitgangspunten daarbij in acht te worden genomen. Het plan voorziet kwalitatief en kwantitatief in de behoefte van inwoners. Dit betekent concreet dat: De type woningen en bijbehorende aantallen aansluiten bij de opgave zoals omschreven in dit o Masterplan én bij de lokale wensen en behoeften van inwoners (zie ook ‘maatwerk per kern’). o Ontwikkelaars/corporaties met inwoners en samen met de gemeentegesprekken hebben gevoerd en de lokale woonwensen als uitgangspunt hebben genomen. Een programma met 30% sociale huur 30% vrije sector huur en 40% koop waarbij maatwerk mogelijk is bij kleine locaties of een aangetoonde andere behoefte aan sociale huur. Nieuwe woningen voldoen aan de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). Nieuwe woningen en woonwijken worden klimaat adaptief gebouwd zodat geen nieuwe knelpunten wegens wateroverlast en hittestress ontstaan.
Inbreiding (ontwikkelen binnen bebouwd gebied) waar mogelijk uitbreiding (ontwikkelen aan de rand van bebouwd gebied) indien nodig. Ontwikkelen in het buitengebied heeft niet onze voorkeur; woningbouw op industrieterreinen is niet toegestaan. ,
,
,
,
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
22
Kwalitatief goede tijdelijke woonconcepten worden omarmd. Deze wordt indien geschikt ingezet om ,
,
,
snel voor extra aanbod te zorgen. In het plan is goed nagedacht over de kwaliteit van de woonomgeving. Elk initiatief wordt getoetst op basis van gemeentelijk beleid (onder andere Structuurvisie Horst aan de Maas) bestemmingsplannen stedenbouwkundige visies het bouwbesluit en financiële haalbaarheid. ,
,
,
Nieuwbouwplannen worden getoetst op basis van bovenstaand afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen kunnen rekenen op medewerking van de gemeente. Anders dan voorheen is dit afwegingskader geen ‘toets achter de schermen’ maar een vrij beschikbaar en inspirerend document dat gemeente corporaties en ontwikkelaars motiveert om al in de eerste prille fase van conceptontwikkeling de juiste keuzes te maken. De woningbouwambitie is gebaseerd op de woningmarkt anno nu (vraag en aanbod) gecombineerd met prognoses (CBS Stec) en signalen uit de markt. ,
,
,
,
,
,
,
,
Doorwerking projectgebied Gezien de beoogde woningbouwsegmenten en het aantal woningen voldoet onderhavig plan aan het gemeentelijk woningbouwkader zoals opgenomen in het Masterplan Wonen Horst aan de Maas. Hierdoor is sprake van het toevoegen van kwalitatieve woningen die inspelen op de bestaande vraag. Vanuit het Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021-2025 zijn geen belemmeringen voor het planvoornemen. Het planvoornemen draagt juist bij aan de gestelde opgave om de bouw van 1. 000 woningen te vergunnen tot en met 2025. ,
,
4. 5. 3 Conclusie De activiteit past binnen de gemeentelijke doelstellingen en het gemeentelijke beleid deze aspecten vormen derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. ,
TAM-omgevingsplan Molenstraat - Bertus Aafjesstraat te Swolgen
23
5
Landschappelijke stedenbouwkundige cultuurhistorische waarden
5. 1
Cultuurhistorie
5. 1. 1
Toetsingskader
,
en
Onder de Omgevingswet wordt een samenhangende benadering van diverse belangen beoogd. Een van die belangen is cultureel erfgoed. Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet zorgt deze wet voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Provincies en gemeenten moeten in hun omgevingsplannen rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door een inventarisatie en analyse van het erfgoed binnen hun grenzen. Op basis daarvan wordt een passend beschermingsregime opgenomen in het omgevingsplan.
Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed cultuurlandschappen ,
,
archeologische monumenten gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Provincies en gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om cultureel erfgoed te beschermen via hun omgevingsplannen. De belangrijkste vraag hierbij is welke elementen van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) zich binnen hun grenzen of direct daarbuiten bevinden en welke elementen men wil (of moet) beschermen. Hierbij worden de instructieregels in de artikelen 5. 130 en 5. 131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en werelderfgoed) in acht genomen. ,