1. Conceptbesluit omgevingsvergunning (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Binnen een afstand van 1 km rondom de meest relevante gevoelige objecten zijn slechts 7 veehouderijen aanwezig. In de onderzoeken werd een verband gevonden tussen de aanwezigheid van pluimveehouderijen binnen een straal van 15 kilometer afstand van woningen en een licht verhoogde kans op longontsteking. Er is daarbij aangegeven dat het nog onduidelijk was of de extra longontstekingen in het onderzoeksgebied werden veroorzaakt door specifieke ziekteverwekkers die van dieren afkomstig zijn (zoönose-verwekkers) of dat mensen gevoeliger voor longontsteking worden door de blootstelling aan stoffen die veehouderijbedrijven uitstoten zoals fijnstof endotoxinen en ammoniak. Nagegaan is hoeveel en welke soort veehouderijen in de buurt van de omwonenden aanwezig zijn. Binnen een straal van 1 km rondom de meest relevante gevoelige objecten zijn (excl. de aangevraagde veehouderij) 1 pluimveehouderij en 6 andere veehouderijen gelegen. Het aandeel van de aanwezige veehouderijen op de gezondheidsrisico’s achten wij hier mede vanwege de afstand tot de gevoelige objecten als zeer marginaal. Deze omstandigheid heeft ons dan ook geen reden gegeven om aanvullend een GGD-advies op te vragen en de gevraagde omgevingsvergunning uitsluitend omwille van het voorzorgbeginsel te weigeren.
In de onderzoeken werd een verband gevonden tussen de aanwezigheid van geitenhouderijen binnen een straal van 2 kilometer afstand van woningen en een licht verhoogde kans op longontsteking. Er is daarbij aangegeven dat het nog onduidelijk was of de extra longontstekingen in het onderzoeksgebied werden veroorzaakt door specifieke ziekteverwekkers die van dieren afkomstig zijn (zoönose-verwekkers) of dat mensen gevoeliger voor longontsteking worden door de blootstelling aan stoffen die veehouderijbedrijven uitstoten zoals fijnstof endotoxinen en ammoniak. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Pagina 21 van 51
Binnen een straal van 2 km rondom de meest relevante gevoelige objecten zijn geen geitenhouderijen gelegen. De aangevraagde situatie leidt voor de omwonenden voor zowel ammoniak geur en luchtkwaliteit (fijnstof) tot een verbetering ten opzichte van de bestaande (eerder vergunde) situatie. Indien de gevraagde vergunning wordt geweigerd blijft de bestaande en dus de meer milieubelastende en ongezondere situatie bestaan.
-
,
,
2. 3. 4
,
Toetsing aan overige aan Wabo verbonden milieucriteria
2. 3. 4. 1 Afvalstoffen Uit de aanvraag kan worden opgemaakt dat de navolgende afvalstoffen uit de inrichting vrijkomen: kadavers; TL-buizen; landbouwplastic; -
papier/karton; overige afvalstoffen van huishoudelijke aard.
In de vergunning zijn voorschriften opgenomen ten behoeve van de opslag het gescheiden inzamelen en het afvoeren van afvalstoffen die in aanmerking komen voor recycling of hergebruik. Gezien de aard en omvang van de afvalstoffen die uit de inrichting vrijkomen wordt een preventie-onderzoek in het kader van de “verruimde reikwijdte” (naar reductie en hergebruik van afvalstoffen) niet zinvol geacht. ,
,
2. 3. 4. 2 (Externe) veiligheid Het (externe) veiligheidsbeleid is bedoeld om risico’s door de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen te verminderen en te beheersen. Doel is om onder meer brand en explosies te voorkomen en de nadelige effecten daarvan voor het milieu en de omgeving zoveel mogelijk te beperken.
PGS richtlijnen voor de opslag en handling van gevaarlijke stoffen en opslag in tanks Voor de opslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd.
Uit de vergunningaanvraag blijkt dat binnen de inrichting diverse PGS-opslagen aanwezig zijn: PGS 15 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen: de opslag van zwavel- en salpeterzuur in een IBC (3 x 1. 000 ltr. ); PGS 30 Vloeibare aardolieproducten buitenopslag in kleine opslagen: een bovengrondse dieselolietank van 600 ltr. ; ,
,
In de vergunningvoorschriften is vastgelegd aan welke paragrafen uit de genoemde PGS-richtlijnen een opslag moet voldoen. Ten behoeve van de werkingssfeer van PGS 15 zijn ondergrenzen vastgesteld. Daarbij is rekening gehouden met zowel de gevaarsaspecten die bepaalde stoffen kunnen bezitten als wel de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die voor een goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mag worden beschouwd. In tabel 1. 2 van PGS 15 zijn deze te hanteren ondergrenzen genoemd. De in de aanvraag als werkvoorraad beschouwde opslag van reinigingsmiddelen (50 ltr. ) blijft onder de in tabel 1. 2 genoemde ondergrenzen. Dit betekent concreet dat deze opslag als werkvoorraad kan worden beschouwd en niet hoeft te voldoen aan de eisen uit PGS 15.
Pagina 22 van 51
2. 3. 4. 3 Geluid De akoestische gevolgen en consequenties zijn onderzocht en zijn vastgelegd in een Notitie geluidhinder opgesteld door Tritium (nr. 2203/248/SK-brf d. d. 5-4-2022). De notitie is een wijziging van het vigerende akoestische onderzoek van 9-3-2016 en de aanvulling van 27-3-2017. Deze notitie maakt onderdeel uit van de aanvraag. Voor de akoestisch relevante bronnen binnen de inrichting wordt verwezen naar de akoestische noititie. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (HMRI 1999). ,
Het betreft een akoestisch onderzoek in het kader van een ruimtelijke procedure voor de wijziging van de ventilatiesysteem van een agrarisch bedrijf. Representatieve bedrijfssituatie Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie. Dit is de toestand waarbij de inrichting volledig gebruik maakt van de volledige capaciteit in de betreffende beoordelingsperiode. In de representatieve bedrijfssituatie worden het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau de maximale geluidniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting beoordeeld. ,
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L ArLT ) Binnen de gemeente Horst aan de Maas is geen gemeentelijke nota industrielawaai vastgesteld. Daarom is voor de bepaling van de maximaal toegestane gemiddelde geluidbelasting aansluiting gezocht bij hoofdstuk 4 van de Handreiking waarbij gebruik wordt gemaakt van richtwaarden gerelateerd aan de woonomgeving. ,
,
Tabel 5a: Richtwaarden voor woonomgevingen Aanbevolen richtwaarden in de woonomgeving in dB(A) Dag Avond Nacht Landelijke omgeving 40 35 30 Rustige woonwijk , weinig verkeer 45 40 35 Woonwijk in de stad 50 45 40
Overschrijding van deze richtwaarden kan toelaatbaar zijn op grond van een bestuurlijk afwegingsproces. Bij bestaande inrichtingen is overschrijding van de richtwaarden in ieder geval mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid.
Onderhavige inrichting ligt in het buitengebied van Sevenum. Gelet op de omgeving van de inrichting geldt een richtwaarde van 40 dB(A)-etmaalwaarde (landelijke omgeving). Uit de resultaten van het akoestische rapport blijkt dat in de representatieve bedrijfssituatie (RBS) bij alle omliggende woningen (immissiepunten 01 t/m 12) wordt voldaan aan deze richtwaarde Bij de berekening van de genoemde geluidsniveaus is uitgegaan van een demping van het waspakket van de luchtwasser van minimaal 10 dB(A). In de praktijk is gebleken dat de demping van een waspakket tussen 5 en 10 dB(A) ligt. In onderhavige situatie is uitgegaan van de bovengrens. Om dit te verifiëren dient na realisatie een controlemeting aan de luchtwasser plaats te vinden. Indien de meting aantoont dat het geluidsniveau van de luchtwasser te hoog is dienen extra geluidreducerende maatregelen te worden getroffen. Dit is in een maatvoorschrift worden vastgelegd. ,
Pagina 23 van 51
Maximale geluidniveau (L Amax ) Voor het maximale geluidniveau (L Amax ) moet volgens § 3. 2 van de handreiking ter plaatse van geluidgevoelige objecten worden gestreefd naar het voorkomen van geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het aanwezige gemiddelde geluidsniveau uitkomen. In gevallen waarbij niet aan deze waarden kan worden voldaan kunnen normen worden gehanteerd die het maximum van 70 dB(A) 65 dB(A) en 60 dB(A) niet overschrijden voor dagavond- en nachtperiode. Laatstgenoemde waarden zijn volgens vaste jurisprudentie regelmatig als aanvaardbaar aangemerkt. Uit de resultaten van het akoestische rapport blijkt dat in de representatieve bedrijfssituatie (RBS) in alle immissiepunten wordt voldaan aan laatstgenoemde waarden. ,
,
,
,
,
2. 3. 4. 4 Energie In de Wabo is vastgelegd dat het bevoegd gezag bij een beslissing op de aanvraag voor een omgevingsvergunning beoordeelt of de drijver van de inrichting de beste beschikbare technieken in de inrichting heeft toegepast. Deze technieken zijn mede nodig om energiegebruik te voorkomen of te beperken en hiermee energie te besparen. Bij het voorschrijven van energiemaatregelen weegt het bevoegd gezag de economische en technische haalbaarheid hiervan mee. ,
Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden met de verplichting tot het treffen van technische maatregelen. Doelmatig gebruik van energie Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning in ieder geval voorschriften over een doelmatig gebruik van energie. Om dit te waarborgen moet een IPPC bedrijf voldoen aan de BREF energie efficiëntie (2009) en aan de BBT-conclusies Intensieve pluimvee- en varkenshouderij (2017). De BBT-conclusies Intensieve pluimvee- en varkenshouderij voor veehouderijen is nieuwer actueler en meer agrarisch gericht dan de BREF energie efficiëntie en voorziet ook in een BBT over energie. Wij sluiten daarom aan bij de BBT-conclusies Intensieve pluimvee- en varkenshouderij. ,
Reikwijdte Er dient te worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig en verantwoord omgaan met energiegebruik te komen. Als dit niet het geval is kan het bevoegd gezag een haalbaarheidsonderzoek naar specifieke (BBT-) maatregelen eisen. ,
De aanvraag bevat geen energiebesparingsonderzoek. Aan de vergunning zijn daarom voorschriften verbonden waarin van de inrichting verlangd wordt dat het een energieplan opstelt met daarin opgenomen de te treffen rendabele energiebesparende maatregelen. Het bedrijf toont daarin aan dat alle rendabele maatregelen zijn genomen of wanneer welke maatregel wordt genomen (fasering van maatregelen). ,
,
2. 3. 4. 5 Toetsing aan overige richtlijnen , regels en wetten Het verlenen van deze vergunning houdt niet in dat hiermee is voldaan aan de bepalingen die in andere wetten en regels (zoals een besluit op basis van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren) zijn gesteld dan wel op grond hiervan worden voorgeschreven. In sommige gevallen is ook voor deze wetten en regels een toestemming van het daarvoor betreffende bevoegde gezag nodig.
Pagina 24 van 51
Conclusie Op grond van de voorafgaande overwegingen is sprake van een goede ruimtelijke ordening en wordt de omgevingsvergunning verleend voor de onder de onder 1 genoemde activiteiten. 3. Zienswijzen
Vanaf 6 september 2024 tot en met 17 oktober 2024 heeft het ontwerpbesluit van deze omgevingsvergunning ter inzage gelegen. Iedereen heeft de gelegenheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Wij hebben zienswijzen ontvangen. De zienswijzen en onze reactie hierop zijn opgenomen in het zienswijzenrapport dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd. De beoordeling van de ingediende zienswijzen heeft ertoe geleid dat voorschrift 2.1.2 onder d is geschrapt. ,
4. Procedure
Conform artikel 3.10 lid 1 onder a en onder c Wabo wordt de omgevingsvergunning met de uitgebreide procedure voorbereid. Deze procedure is beschreven in paragraaf 3. 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en afdeling 3. 4 van de Algemene wet bestuursrecht. ,
,
4. 1 Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit zijn voor verschillende activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden algemene voorschriften opgenomen. Met het Activiteitenbesluit wordt de vergunningplicht vanwege het onderdeel milieu voor de meeste inrichtingen opgeheven. Alleen inrichtingen waartoe een IPPC-installatie (Integrated Pollution Prevention and Control) behoort en inrichtingen die zijn aangewezen als vergunningplichtig in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor) blijven vergunningplichtig op grond van de Wabo. Deze inrichtingen worden aangemerkt als type C-inrichtingen. De vergunningaanvraag heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC- installatie behoort. De inrichting wordt dan ook aangemerkt als een type C inrichting. De inrichting is daarmee vergunningplichtig met dien verstande dat een aantal voorschriften uit het Activiteitenbesluit rechtstreeks dus zonder dat deze in deze vergunning expliciet zijn opgenomen mogelijk van toepassing zijn. Voor zover dit het geval is is dit elders in deze beschikking (onder § 3. 3 bij overwegingen milieu) aangegeven. ,
,
,
Op grond van artikel 1. 10 van het Activiteitenbesluit dient de wijziging van de inrichting te worden gemeld. De informatie uit de aanvraag hebben wij aangemerkt als de melding. 4. 2 Besluit milieueffectrapportage (Besluit m. e. r. ) Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) behandelt het milieueffectrapport (MER). De Wm maakt onderscheid tussen activiteiten waarbij het opstellen van een MER verplicht is (m. e. r. -plicht) en activiteiten waarbij het bevoegd gezag moet beoordelen of een MER nodig is (m. e. r. -beoordelingsplicht). Het gaat bij veehouderijen volgens het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m. e. r. ) dan om activiteiten in de vorm van het oprichten wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken mesten of houden van dieren. In de bijlage bij het Besluit m. e. r. ligt in de vorm van een drempelwaarde per diercategorie vast wanneer voor een initiatief de m. e. r. -plicht (onderdeel C van de bijlage) of de m. e. r. -beoordelingsplicht (onderdeel D van de bijlage) geldt. Bij de voorliggende aanvraag blijkt dan de volgende situatie: ,
,
Pagina 25 van 51
Diercategorie vleesvarkens (D. 3) zeugen (D.1.2 , D. 1. 3 en D. 3) gespeende biggen (D. 1. 1) schapen/geiten (B.1 , C. 1 tm C. 3) paarden/pony’s (K. 1 en K. 3)
drempelwaarde onderdeel C > 3. 000 dieren > 900 dieren geen geen geen
drempelwaarde onderdeel D > 2. 000 dieren > 750 dieren > 3. 750 dieren > 2. 000 dieren > 100 dieren
gevraagde oprichting/ wijziging/uitbreiding 1. 800 dieren - dieren - dieren - dieren - dieren
De aanvraag resulteert in een onderschrijding van de drempelwaarde van zowel onderdeel C als onderdeel D. Er geldt dus geen m. e. r. -plicht of directe m. e. r. -beoordelingsplicht. Het Besluit m. e. r. maakt voor een dergelijk scenario beide drempelwaarden indicatief en roept een indirecte m. e. r. -beoordelingsplicht in het leven. Dat betekent dat wij gehouden zijn te beoordelen of een MER nodig is als op grond van de selectiecriteria uit bijlage III van de Europese m. e. r. -richtlijn niet kan worden uitgesloten dat de aangevraagde activiteiten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De selectiecriteria betreffen: 1. de kenmerken van het project 2. de locatie van het project en 3. de kenmerken van de potentiële gevolgen. ,
Kenmerken en locatie van het project De kenmerken en de locatie van de voorgenomen activiteiten blijken voldoende duidelijk uit de aanvraag met bijlagen. In aanvulling daarop stellen we vast dat de veehouderij is gelegen buiten de bebouwde kom van de meest dichtbijgelegen kern Sevenum in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. De omgeving heeft voornamelijk een agrarisch karakter. Wij concluderen dat de aangevraagde activiteiten passen bij de functie die het gebied vervult.
Potentiële gevolgen Verderop in het besluit gaan wij in op de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het milieu. Voor zover wij vanuit de MER-richtlijn in aanvulling hierop de cumulatieve effecten en effecten voor specifieke gebieden dienen te beoordelen stellen wij vast dat het bij de veehouderijsector vooral gaat om de gevolgen van de uitstoot van ammoniak geur en fijnstof. Onderstaand gaan wij nader in op deze aspecten. ,
,
Ammoniak De aangevraagde situatie heeft geen toename van ammoniakdepositie(neerslag) tot gevolg/voorziet in een afname van ammoniakdepositie (neerslag). De nadelige gevolgen voor het milieu blijven per saldo dus gelijk/nemen per saldo dus af en geeft ons dan ook geen reden een MER te laten opstellen.
Geur Het aspect geur valt uiteen in twee onderdelen: de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting is de geurhinder die het gevolg is van alleen de aangevraagde activiteiten op omliggende geurgevoelige objecten. Dit onderdeel van het aspect geur behandelen wij verderop. In het licht van de MER gaat het op deze plaats om de achtergrondbelasting. Dit betreft de geurhinder als gevolg van de aangevraagde activiteiten bovenop de al aanwezige geurhinder als gevolg van andere activiteiten in de omgeving. Bij de achtergrondbelasting gaat het dus om de cumulatieve geurhinder. De geurbelasting als gevolg van de aangevraagde activiteiten voldoet ter plaatse van geurgevoelige objecten aan de normering die is vastgelegd in de Verordening geurhinder en veehouderij. De onderbouwing van de in de verordening opgenomen geurnormen is te vinden in de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas’. In de hoogte van de geurnormen is rekening gehouden met de in deze gebiedsvisie berekende cumulatieve geurbelasting van alle veehouderijen samen. Nu de aangevraagde activiteiten passen
Pagina 26 van 51
in de normen van de gemeentelijke verordening stellen wij vast dat voldoende rekening is gehouden met de achtergrondbelasting en is een MER vanwege het aspect geur dan ook niet nodig. ,
Volgens de aangevraagde situatie neemt de totale geurvracht af namelijk met 7%. Dit betekent een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende geurgevoelige objecten. Een MER vanwege het aspect geur is dan ook niet nodig. ,
Fijnstof De totale hoeveelheid fijnstof neemt als gevolg van de aanvraag af met 15%. Wij concluderen dat de nieuwe situatie verbetert ten opzichte van de vergunde situatie zodat wij geen aanleiding zien vanwege fijnstof een MER te vragen. ,
Overige kenmerken en gevolgen De aangevraagde activiteiten hebben ook gevolgen voor geluid bodem afvalstoffen water en energie. De initiatiefnemer treft volgens de aanvraag voldoende maatregelen om gevaar schade of hinder voor de omgeving te voorkomen dan wel te beperken tot het wettelijk toegestane niveau. Wij zien geen reden om vanwege een van deze aspecten een MER te laten opstellen. ,
,
,
,
4. 3 Richtlijn industriële emissies
Vanaf 1 januari 2013 is de Europese richtlijn industriële emissies (RIE) in de Nederlandse milieuwetgeving geïmplementeerd (richtlijn 2010/75/EU PbEU L334). De RIE geeft milieueisen voor de installaties die genoemd ,
staan in de bij de richtlijn horende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is spreken we van een IPPC-installatie. Binnen de inrichting waar deze beschikking betrekking op heeft bevinden zich één of meer IPPC-installaties. Het gaat hier om: Intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan 2. 000 plaatsen voor vleesvarkens (categorie 6. 6 b). ,
,
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken te voorkomen of indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. ,
,
,
,
Bij het bepalen van wat BBT voor een IPPC-installatie moeten wij rekening houden met Europese referentiedocumenten (BREF-documenten). Deze documenten geven een overzicht van de beschikbare milieutechnieken en wijzen de technieken aan die de beste milieuprestaties leveren en daarnaast economisch en technisch haalbaar zijn. Deze aanwijzingen worden BBT-conclusies genoemd. De procedure tot vaststelling en bekendmaking van BBT-conclusies vindt op Europees niveau plaats. Deze BBT-conclusies worden via internet bekend gemaakt totdat deze zijn vervangen door actuele conclusies. Voor de nieuwe BBT-conclusies zorgt de Europese Commissie zelf voor publicatie op internet. ,
,
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBTconclusies. Op grond van bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht moet voor het bepalen van BBT voor de installaties en processen binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsten aan BBT-conclusies bij vergunningverlening is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsten aan BBT-conclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die sinds het vaststellen van de BBTconclusies hebben plaatsgevonden. Op 15 februari 2017 zijn door de Commissie de meest actuele BBTconclusies voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij vastgesteld. ,
,
Pagina 27 van 51
Bij het nemen van deze beschikking hebben wij rekening gehouden met de volgende BBT-conclusies:
Categorie in bijlage 1 RIE 6. 6b Intensieve varkenshouderij met dan 2. 000 plaatsen vleesvarkens
meer
BBT-conclusies hoofdactiviteit BBT-conclusies voor de Intensieve pluimvee- en varkenshouderij
Andere relevante BBTconclusies / BREF’s BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) BREF Energie-efficiëntie
Naast de BBT-conclusies hebben wij rekening gehouden met de volgende in de bijlage bij de Mor aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken: Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB) maart 2012; • Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij juni 2007; • Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen september 2016. • Voor een verdere beschouwing van de beste beschikbare technieken verwijzen wij naar de afzonderlijke toetsing aan de relevante milieucompartimenten. ,
,
,
,
Als het toepassen van de BBT-conclusies leidt tot buitensporig hoge kosten als gevolg van de geografische ligging de lokale milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de IPPC-installatie mogen in specifieke gevallen minder strenge emissiegrenswaarden worden vastgesteld. Een dergelijke afwijking moet in de vergunning uitdrukkelijk worden gemotiveerd. ,
BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij De BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij bevatten de volgende aspecten: BBT 1: Milieubeheerssystemen Een milieubeheerssysteem heeft tot doel om de algehele milieuprestaties van de veehouderij te verbeteren. Het gaat dan onder meer om het opstellen van een milieubeleid de planning vaststelling en uitvoering van procedures en het controleren van de prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen. Dit aspect vertaalt zich in de zin van een verplichte boekhouding waarin onder meer water- en energieverbruik hoeveelheid veevoer en de hoeveelheid afval en meststoffen worden bijgehouden. Hiervoor gelden de registratievoorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en in deze vergunning. Met betrekking tot de meststoffen gaat het hier om de voorwaarden die zijn opgenomen in het uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. ,
,
,
,
BBT 2: Goede bedrijfspraktijken Dit aspect vertaalt zich in noodplannen voorlichting en opleiding van personeel en het onderhouden van installaties. Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en in deze vergunning. Daarnaast zijn hiervoor regels opgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Dit geldt voor de voorlichting en opleiding van personeel en het onderhoud van gereedschap machines en installaties (arbeidsmiddelen). Om veilig en gezond te kunnen werken dienen arbeidsmiddelen in goede staat te verkeren en op de juiste wijze te worden gebruikt. Voor specifieke installaties zijn controlevoorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en deze vergunning. Een ander onderdeel van een goede bedrijfspraktijk is het zodanig situeren van activiteiten om overlast naar de omgeving te beperken. Dit vindt zijn uitwerking in de verschillende toetsingskaders die in deze beoordeling zijn behandeld. Verder gaat het om het zodanig opslaan van dode dieren dat emissies worden voorkomen of verminderd. De regels voor het opslaan en afvoeren van dode dieren (kadavers) staan in de Regeling dierlijke producten. In de omgevingsvergunning is geen verdere toets nodig. ,
,
Pagina 28 van 51
BBT 3+4 : Voedingsbeheer De uitstoot van mineralen uit mest waar dit aspect betrekking op heeft is geïmplementeerd in de Meststoffenwet en behoeft in de omgevingsvergunning geen verdere toets. ,
,
BBT 5 t/m 7: (afval)water In de BBT-conclusies worden een aantal waterbesparende maatregelen beschreven. Het gaat hierbij om gebruik van hogedrukreinigers welke zuiniger zijn bij het schoonspuiten van stallen het ijken controleren en onderhouden van drinkwaterinstallatie en het bijhouden van het waterverbruik. Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Verder wordt voor het waterverbruik en de besparende maatregelen verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van de aanvraag is opgenomen. Voor het uitrijden van afvalwater gelden eveneens de voorschriften uit het Activiteitenbesluit en voor het lozen van afvalwater met meststoffen geldt het Besluit gebruik meststoffen. ,
,
BBT 8: Efficiënt gebruik van energie In de BBT-conclusies worden enkele aspecten als isolatiewaarden in stallen ventilatiewijzen en verlichting beschreven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van deze aanvraag is opgenomen. ,
BBT 9 + 10: Geluidsemissies Het is BBT om een geluidsbeheerplan op te zetten en na te leven en om één of een combinatie van de technieken te gebruiken om geluidsemissies te voorkomen of te beperken. Een geluidsbeheersplan is alleen van toepassing wanneer geluidshinder wordt verwacht of is aangetoond. Dit is geïmplementeerd in vergunningverlening door de toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid en/of de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (handreiking) Op basis van deze toetsing wordt geluidshinder voorkomen. Het maken van een geluidsbeheerplan is daarom niet nodig. Door het volgen van het gemeentelijk geluidbeleid en/of de handreiking en het toepassen van de aangevraagde techniek(en) wordt aan BBT voldaan. Voor een verdere beschouwing van de geluidsemissies wordt hier volstaan met een verwijzing naar het hoofdstuk ‘Geluid’. BBT 11: Stofemissies Met betrekking tot de stofemissie moet in elke stal één of een combinatie van technieken worden gebruikt. Het gaat hier om technieken om het ontstaan van stof te voorkomen de concentratie van stof in de stal te verminderen en de uitstoot van stof te verminderen (verlagen stofconcentratie in de lucht uit de stal). Niet alle beschikbare fijn stof technieken zijn in de BBT-conclusie genoemd zoals een nageschakelde droogtunnel of warmtewisselaars.
Deze technieken zijn echter gelijkwaardig of beter dan andere in de BBT-conclusie genoemde technieken en kunnen daarom ook worden toegepast. Ook de in de praktijk toegepaste (voer)technieken en systemen voldoen aan de eisen uit de BBT conclusies. ,
,
BBT 12+13: Geuremissies Met betrekking tot geur is het BBT om bij een overbelaste situatie of bij een historie van klachten op geurgevoelige objecten een geurbeheersplan te maken uit te voeren en te evalueren. Aan de bijbehorende monitoring wordt voldaan door het toepassen van een geurberekening met V-stacks vergunning met gebruikmaking van de emissiefactoren van de Rgv. De beoordeling van de geurbelasting is hierna uitgewerkt in het hoofdstuk Geur. ,
Pagina 29 van 51
De geurbelasting voldoet aan het gestelde in de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening. Hierdoor en door het toepassen van technieken is het opstellen van een geurbeheersplan niet noodzakelijk en wordt voldaan aan BBT. BBT 14 t/m 18: Opslag van mest Voor de opslag van mest wordt onderscheid gemaakt in vaste en vloeibare mest (drijfmest). Voor de vloeibare mest geldt dat deze in een afgedekte opslag moet worden bewaard (bijv. mestbassin of mestkelder). Voor de vaste mestopslagen geldt dat deze op een dichte vloer moet worden opgeslagen met afdekking dan wel percolaatopvang. Waar van toepassing gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit of deze vergunning. BBT 20 t/m 22: Mest uitrijden De regels voor het emissiearm uitrijden van mest zijn opgenomen in het Besluit gebruik meststoffen welke is gebaseerd op de Wet bodembescherming. Door deze regels is de toepassing van BBT gewaarborgd. Overigens is het uitrijden van mest geen onderdeel van de inrichting zodat hiervoor geen eisen kunnen worden gesteld in de omgevingsvergunning van deze inrichting. ,
,
BBT 23 t/m 28: Berekenen en monitoren Hieronder wordt o. a. verstaan het berekenen van de vrijkomende emmissie’s van geur ammoniak en luchtkwaliteit maar ook geluid evenals de monitoring daarvan. Het voldoen aan deze BBT-conclusies is in (andere) wet- en regelgeving activiteitenbesluit en/of voorschriften geregeld. ,
,
,
,
BBT 29: Monitoring overige parameters Het is BBT om ten minste eenmaal per jaar de volgende gegevens te registreren: • • • • • •
Waterverbruik; Electriciteitsverbruik;
Brandstofverbruik; Dierregistratie; Voederconsumptie; Mestproductie.
Er is een voorschrift (1. 2 Registratie en monitoring) opgenomen waarin deze registratie voorgeschreven is en wordt er voldaan aan BBT. BBT 30: Ammoniakemissies uit stallen voor varkens Voor wat betreft de emissies van ammoniak en het voldoen aan de maximale emissiewaarden die vallen binnen de emissiegrenswaarden voor ammoniak van de BBT-conclusies wordt hier volstaan met een verwijzing naar de onderstaand hoofdstuk “Ammoniak” waarin dit wordt beschreven. ,
,
Binnen de inrichting worden enkel varkens paarden en schapen gehouden. Dit betekent dat de volgende BBT’s niet van toepassing zijn BBT 31: Ammoniakemissies uit stallen voor legkippen vleeskuikenouderdieren of pullen (opfokdieren) BBT 32: Ammoniakemissies uit stallen voor vleeskuikens BBT 33: Ammoniakemissies uit stallen voor eenden en BBT 34: Ammoniakemissies uit stallen voor kalkoenen. ,
,
,
BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) De BREF ESB is van toepassing op de opslag het transport en de verlading van vloeistoffen vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties onafhankelijk van de sector of industrie. Deze horizontale BREF gaat in op de emissies naar de lucht bodem water waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. ,
,
,
,
,
Pagina 30 van 51
De informatie met betrekking tot emissies van de opslag handling en transport van vaste stoffen is gericht op ,
stof. In de categorie specifieke BREF’s (primaire BREF’s) zijn ook technieken opgenomen voor op- en overslag. Die technieken zijn dan specifiek voor die branche. De specifieke maatregelen (de primaire BREF’s) verdienen de voorkeur boven de generieke maatregelen uit de horizontale BREF’s). Zo zijn in de (BREF IV) specifieke maatregelen opgenomen voor de opslag van dierlijke mest. Voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en de opslag van vloeistoffen en gassen in opslagtanks zijn voorwaarden gesteld in de PGS-richtlijnen. Deze zijn van toepassing op basis van de algemeen werkende regels in het Activiteitenbesluit of op basis van de voorschriften die in deze vergunning zijn gesteld. De technische en organisatorische maatregelen uit de BREF ESB zijn verwerkt in deze Nederlandse BBTdocumenten. De eisen aan emissies naar de lucht uit deze BREF zijn opgenomen in afdeling 2. 3 van het Activiteitenbesluit. Deze regels hebben een rechtstreekse werking. Voor de aangevraagde activiteiten en daarbij behorende voorzieningen zijn rekening houden met de in dit besluit opgenomen voorschriften in overeenstemming met de in de BREF ESB genoemde best beschikbare technieken. De maatregelen staan in een redelijke verhouding tot de schaal van de installatie. ,
,
BREF Energie-efficiëntie De BREF Energie-efficiency is van toepassing is op alle RIE-inrichtingen behalve degenen die vallen onder het systeem van Emissiehandel. Deze BREF bevat derhalve richtsnoeren en conclusies inzake technieken voor energie-efficiëntie die voor alle onder de RIE vallende installaties in het algemeen als BAT-compatibel worden beschouwd. Deze BREF: • bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren die onder andere BREFdocumenten vallen; • stelt geen sectorspecifieke BBT vast. ,
Proces-specifieke BAT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende verticale sectorspecifieke BREF-documenten gegeven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van de aanvraag is opgenomen. Hieruit volgt dat de aangevraagde en vergunde activiteiten met de in dit besluit opgenomen voorschriften in overeenstemming zijn met de BREF Energie-efficiëntie. 4. 4 Wet natuurbescherming De plannen van de aanvrager kunnen nadelige gevolgen hebben voor natuurgebieden die vallen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming (Wnb). Ammoniak Bij de aanvraag zijn overzichten gevoegd die zijn gemaakt met de Aerius Calculator. Met deze berekeningen is aangetoond dat de aangevraagde situatie per saldo niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Voor deze verandering is naar het oordeel van de Afdeling van 18 december 2024 (uitspraken 202200383/1/R2 en 202201311/1/R2) een vergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Als gevolg van de voorgenomen veranderingen neemt de totale ammoniakemissie af van 4.1678 kg/jaar naar 2.6931 kg/jaar. ,
,
Gebiedsbescherming Als gevolg van de aangevraagde activiteiten kan niet uitgesloten worden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. De Wnb verbiedt het verrichten van handelingen die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantensoorten zonder ontheffing van de bevoegde provincie.
Pagina 31 van 51
Uit de aanvraag blijken de gevolgen van de voorgenomen activiteiten op de dier- en plantsoorten in de omgeving. Dier- en plantensoorten die door de Wnb worden beschermd zijn in het geding. Een ontheffing of vergunning in gevolge de Wnb is daarom nodig.
Op 15 september 2025 heeft de initiatiefnemer een aanvraag voor een omgevingsvergunning Natura 2000activiteit ingediend bij de provincie Limburg. De aanvraag is bij de provincie geregistreerd onder zaaknummer Z2025-00001446. Er vindt daarom geen coördinatie plaats tussen beide vergunningstelsels. Dit betekent dat beide aanvragen apart van elkaar door de bevoegde gezagen worden behandeld en de Natura 2000-activiteit in dit geval niet aanhaakt bij de Wabo. Het vragen van een verklaring van geen bedenkingen bij het college van Gedeputeerde Staten is dan ook niet van toepassing.
Soortenbescherming Als gevolg van de aangevraagde activiteiten kunnen door Wnb beschermde plant- of diersoorten in het geding raken. De Wnb verbiedt het verrichten van handelingen die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantensoorten zonder ontheffing van de bevoegde provincie. Uit de aanvraag blijken de gevolgen van de voorgenomen activiteiten op de dier- en plantsoorten in de omgeving. Dier- en plantensoorten die door de Wnb worden beschermd zijn niet in het geding. Een ontheffing of vergunning in gevolge de Wnb is daarom niet nodig. 4. 5 Advies andere bestuursorganen In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2. 26 Wabo alsmede de artikelen 6. 1 tot en met 6. 5 Bor en gelet op de inhoud van de aanvraag zijn er geen instanties/bestuursorganen aangewezen waarnaar deze aanvraag voor advies had moeten worden verzonden dan wel waaraan (anders dan aan de gemeenteraad) een verklaring van geen bedenkingen had moeten worden gevraagd. ,
,
,
,
4. 6 Wettelijk vooroverleg Op grond van artikel 6. 18 Bor is op de voorbereiding van een omgevingsvergunning die alleen kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3° Wabo het vooroverleg als bedoeld in artikel 3. 1. 1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) van toepassing. Dit vooroverleg is van toepassing als er een rijksbelang een provinciaal belang dan wel een waterschapsbelang aan de orde is. ,
,
,
,
,
,
,
Gedeputeerde Staten van Limburg hebben bij mail van 13 juli 2022 aangegeven de aanvraag te hebben beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling heeft niet geleid tot het maken van opmerkingen en als de aanvraag op deze wijze wordt voortgezet is er geen aanleiding om in de verdere procedure van de vergunning een zienswijze in te dienen. ,
Het ontwerpbesluit is op 5 september 2024 ook weer voorgelegd aan Gedeputeerde Staten en het Waterschap. Gedeputeerde Staten heeft bij mailbericht van 24 september 2024 aangegeven de vergunning te hebben beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen en geeft aan geen aanleiding te zien om ten aanzien van de vergunning een zienswijze in te dienen. Het Waterschap Limburg heeft bij mailbericht van 8 oktober 2025 aangegeven dat voor de waterberging 100 mm in 24 uur gehanteerd moet worden en dat er een watervergunning nodig is vanwege de overloop met vertraagde leegloop richting beek.
Pagina 32 van 51
5. Rechtsmiddelen Als u het niet eens bent met dit besluit kunt u binnen zes weken na de verzenddatum beroep instellen bij de rechtbank Limburg Postbus 950 6040 AZ Roermond. U kunt uw beroep ook digitaal indienen op www. rechtspraak. nl. Indien sprake is van een spoedeisend belang kunt u tevens een verzoek om voorlopige voorziening vragen. ,
,
,
Voor meer informatie en de kosten die daaraan zijn verbonden verwijzen wij u naar de hierboven vermelde website van de rechtbank. Andere belanghebbenden kunnen ook bovengenoemde procedures starten tegen de aan u verleende omgevingsvergunning. 6. Inwerkingtreding Deze vergunning treedt één dag na afloop van de beroepstermijn in werking. De termijn voor het aantekenen van beroep verstrijkt 6 weken nadat de vergunning ter inzage is gelegd. Het kan zijn dat tijdens de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan bij de voorzieningenrechter. Als de rechter dat verzoek accepteert dan moet u de afhandeling van het beroep afwachten. Als de rechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijst dan treedt de vergunning wel in werking. Als de vergunning nog niet in werking is getreden mag u de activiteiten nog niet uitvoeren. ,
,
,
Pagina 33 van 51
7. Bijlagen bij het besluit De volgende bijbehorende documenten maken onderdeel uit van dit besluit. Naam document
Ons kenmerk
Zienswijzenrapport 240814 Verklaring vormverandering
D2025-00030348 D2024-00025019
Ruimtelijke onderbouwing Hazenhorstweg 3 te Sevenum
D2024-00024620
Bijlagen_milieu_011_B140402
D2024-00024621
Toelichting vormverandering_014_B140402
D2024-00024622
AERIUS_depositieberekening_20230607150543_Beoogd Overzicht geur belasting van de situaties 230329 Uitkomsten ISL3A AERIUS_randeffect_projectberekening_20230607141433_Beoogd AERIUS_verschilberekening_20230607141433_Beoogd
D2023-00008450 D2023-00007464 D2023-00005915 D2023-00008451 D2023-00008452 D2023-00005932 D2023-00005944 D2023-00005946 D2023-00005771 D2023-00005773 D2023-00005921 D2023-00005928 D2023-00005930 D2023-00005943 D2023-00005945 D2023-00005950 D2023-00005784
B140402-22a-V11-nieuwe opstelling luchtwasser B140402-23-V30_2-principedetails B140402-24-V30_2-principedetails Aanvraagformulier omgevingsvergunning 220621 BBT toelichting
AERIUS_aanlegfaseberekening 230328 Overzicht geur belasting hoeken bouwblok B140402-22a-V10-vergunde opstelling luchtwasser B140402-23-V10_2-plattegrond gevels doorsnede situatie B140402-24-V10_2. -plattegrond gevels doorsnede situatie B140402-62-M10_2-inrichtingstekening milieu B140402-61-C12 - situatietekening milieu_2 Toelichting ventilatiebehoefte
Datum ontvangst
B140402-92-S10-herbegrenzing agrarisch bouwvlak
1507D20230302160538556 1507D20221014123136518
240814 Verklaring vormverandering
D2024-00025019
14 augustus 2024 13 augustus 2024 13 augustus 2024 13 augustus 2024 7 juni 2023 24 mei 2023 9 mei 2023 7 juni 2023 7 juni 2023 9 mei 2023 9 mei 2023 9 mei 2023 26 april 2022 23 juni 2022 9 mei 2023 9 mei 2023 9 mei 2023 9 mei 2023 9 mei 2023 9 mei 2023 13 oktober 2022 2 maart 2023 13 oktober 2022 14 augustus 2024
Pagina 34 van 51
8. Voorschriften Aan de omgevingsvergunning zullen de volgende voorwaarden worden verbonden:
VOORSCHRIFTEN ACTIVITEIT HET BOUWEN VAN EEN BOUWWERK 1. 2. 3.
4.
Er dient gebouwd te worden overeenkomstig de bepalingen van het Bouwbesluit de gemeentelijke bouwverordening en krachtens deze regelingen gestelde nadere bepalingen. De vergunninghouder is verplicht om ervoor te zorgen dat deze vergunning altijd op de locatie aanwezig is en op aanvraag kan worden getoond. Het in het werk storten van evt. betonnen constructieonderdelen dient tenminste 24 uur van te voren telefonisch te worden gemeld bij het team Toezicht en Handhaving van de gemeente Horst aan de Maas. Bij deze melding dient u het zaaknummer van deze vergunning en de locatie duidelijk te melden. De start en het gereedkomen van het bouwwerk dient te worden gemeld met de bij deze vergunning verstrekte daartoe bestemde formulieren. Specifieke informatie over deze meldingen vindt u op de ,
formulieren. VOORSCHRIFTEN ACTIVITEIT HET GEBRUIKEN VAN GRONDEN OF BOUWWERKEN IN STRIJD MET EEN BESTEMMINGSPLAN 1. 2.
Voor de waterberging wordt overeenkomstig de eis van het Waterschap Limburg de norm van 100 mm in 24 uur gehanteerd. Vanwege de Erfgoedwet 2016 (ariekel 5. 10 en 5. 11) is de uitvoerder van het grondwerk van de betreffende bouwwerkzaamheden verplicht om een vondst waarvan hij weet dan wel moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft dit zo spoedig mogelijk te melden bij de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap. ,
,
,
VOORSCHRIFTEN ACTIVITEIT HET VERANDEREN VAN (DE WERKING VAN) EEN INRICHTING
1.
ALGEMEEN
36
2.
HET HOUDEN VAN DIEREN
37
3.
ZIEKENBOEG
38
4.
KADAVERPLAATS/KADAVERAANBIEDVOORZIENING
39
5.
REININGINGS- EN ONTSMETTINGSPLAATS VOOR VEEWAGENS
39
6.
SPUIWATER LUCHTWASSYSTEEM (STAL 2 , 4 , 5 en 8)
40
7.
OPSLAG EN GEBRUIK ZWAVELZUUR LUCHTWASSYSTEEM
41
8
OPSLAG REINIGINGS- EN DIERGENEESMIDDELEN
45
9
NOODSTROOMAGGREGAAT
45
10
AFVALSTOFFEN
46
11
ENERGIE
46
12
GELUID
47
13
NAZORG
49
Pagina 35 van 51
1. ALGEMEEN Gedragsvoorschriften 1. 1 1. 1. 1 De inrichting moet in werking zijn volgens de vergunning en bijbehorende stukken en de daarin gehanteerde uitgangspunten , behalve als daarvan blijkens de hierna volgende voorschriften mag of moet worden afgeweken. 1. 1. 2 De inrichting moet schoon worden gehouden
en
in goede staat van onderhoud verkeren.
1. 1. 3 Alle binnen de inrichting aanwezige machines , installaties opgesteld en altijd goed bereikbaar zijn.
en
voorzieningen
moeten
overzichtelijk
zijn
1. 1. 4 Het aantrekken van insecten , knaagdieren , vliegen en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven , moet doelmatige bestrijding van insecten , knaagdieren , vliegen en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn. Van de ongediertebestrijding moet per bestrijding de gebruikte middelen en de hoeveelheden daarvan in een logboek worden bijgehouden. Hierbij moet worden aangegeven of men de ongediertebestrijding zelf heeft uitgevoerd , of dat dit is gedaan door een extern bedrijf. 1. 1. 5 Tijdens het in bedrijf zijn van de inrichting registratiewerkzaamheden is geïnstrueerd.
moet
personeel
aanwezig
zijn
dat
voor
1. 1. 6 De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting moet zodanig zijn afgeschermd dat lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is.
controle-
geen
en
directe
1. 1. 7 Installaties of onderdelen van installaties welke buiten bedrijf zijn gesteld , moeten zijn verwijderd tenzij deze in een goede staat van onderhoud verkeren. 1. 1. 8 In geval van een langdurige onderbreking van de werkzaamheden (langer dan 6 maanden) , bij bedrijfsbeëindiging of bij een faillissement moeten alle in de inrichting aanwezige afvalstoffen c. q. gevaarlijke (afval)stoffen volgens de hierop van toepassing zijnde wet- en regelgeving worden afgevoerd. 1. 1. 9 a. De vergunninghouder dient zes maanden voor het einde van de vergunningstermijn danwel voor het beëindigen van het gebruik van de inrichting , een door het bevoegd gezag goedgekeurd plan te hebben , waarin beschreven staat of , op welke wijze en binnen welke termijn de binnen de inrichting aanwezige (afval)stoffen , materialen en installaties zullen worden verwijderd , aan wie ze zullen worden afgegeven en hoe een eventuele verdere ontmanteling van de inrichting zal plaatsvinden. Alle afvalstoffen moeten voor het verstrijken van de vergunningstermijn uit de inrichting worden afgevoerd. b. Het onder a van dit voorschrift gestelde is niet van toepassing indien minimaal zes maanden voor het einde van de vergunningstermijn een ontvankelijke aanvraag voor revisie van de vergunning is ingediend. 1. 1.
10 Onderhoudswerkzaamheden , waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen , dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken , dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste 7 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld. 1. 1. 11 Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen onderzoeken en eventueel weg te nemen , moeten worden geregistreerd. 1. 1. 12 Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.
om
voor
de bron van de klachten te
verontreiniging dreigt , moet
Pagina 36 van 51
1. 1. 13 Indien zich binnen de inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan , waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan , als bedoeld in artikel 17. 1 Wet milieubeheer dient hiervan conform artikel 17. 2 Wet milieubeheer zo spoedig mogelijk mededeling te worden gedaan aan de gemeente Horst aan de Maas. In aanvulling op het bepaalde in artikel 17. 2 Wet milieubeheer dient de vergunninghouder deze mededeling onverwijld schriftelijk te bevestigen. 1. 2
Registratie
en
monitoring
1. 2. 1 Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig: alle overige voor de inrichting geldende milieuvergunningen en meldingen voor de activiteit milieu; de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen; de bewijzen , resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties , onderzoeken , keuringen , onderhoudsbeurten en/of metingen; registratie van het jaarlijkse water verbruik; registratie van het jaarlijkse elektriciteit verbruik; registratie van het jaarlijkse brandstof verbruik; registratie van alle ingaande en uitgaande dieren (inclusief geboorte en sterfte); registratie van het jaarlijkse voer verbruik; registratie van het jaarlijkse mestproductie; registratie van het jaarlijkse gas verbruik; de afleverbonnen van de bijproducten. Bovengenoemde stukken mogen ook digitaal aanwezig zijn. 1. 2. 1 De documenten genoemd in voorschrift 1. 2. 1 moeten ten minste vijf jaar worden bewaard. 2.
HET HOUDEN VAN DIEREN
2. 1
Algemeen
2. 1. 1 In de inrichting aanwezig zijn:
mogen
Stal
ten hoogste de volgende aantallen dieren
op
het
aangegeven
Huisvestingssysteem
Diercategorie
RAV-code
OW-code
huisvestingssysteem
Aantal dieren
1
Volwassen paarden
K 1. 100
HL 1. 100
120
2
Gespeende biggen
D 1. 1. 17 1
HD 1. 100 1
240
2
Vleesvarkens
D 3. 2. 18 1
HD 5. 100 1
704
4
Guste en dragende zeugen
D 1. 3. 11 2
HD 3. 100 2
310
4
Guste en dragende zeugen
D 1. 3. 101
HD 3. 101
48
4
Opfokzeugen
D 3. 100
HD 5. 100
103
5
Gespeende biggen
D 1. 1. 15. 4 3
HD 1. 100 3
1. 040
5
Kraamzeugen
D 1. 2. 17. 4 3
HD 2. 100 3
126
5
Gespeende biggen
D 1. 1. 15. 4 3
HD 1. 100 3
580
5
Guste en dragende zeugen
D 1. 3. 12. 4 3
HD 3. 100 3
66
5
Dekberen
D 2. 4. 4 3
HD 4. 100 3
2
HD 5. 100 3
14
Opfokzeugen
D 3. 2. 15. 4 3
6
Volwassen paarden
K 1. 100
HL 1. 100
10
7
Schapen
B 1. 100
HB 1. 100
55
7
Volwassen paarden
K 1. 100
HL 1. 100
Vleesvarkens
D 3. 2. 15. 1 3
HD 5. 100 3
5
8
3 1. 800
Pagina 37 van 51
1. chemisch luchtwassysteem 90% ammoniakemissiereductie , 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2013. 08. V3 / OW 2013. 08. V1) 2. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie , 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2007. 05. V7 / OW 2007. 05. V1) 3. gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie , 45% geuremissiereductie 80% en fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009. 12. V4 / OW 2009. 12. V1)
2. 1. 2 De hierna genoemde maatregelen , met tussen haakjes de daarbij behorende parameters c. q. normen , maken onderdeel uit van dit besluit en betreffen het volgende: a. Stal 2 1. Luchtwasser verplaatsen (199. 725-378. 055); 2. Emissiepunthoogte luchtwasser verhogen (32, meter); 3. Luchtsnelheid luchtwasser verhogen (minimaal 335 , m/s. ); b. Stal 8 1. Emissiepunthoogte luchtwasser verhogen (70, meter); m/s. ); 2. Luchtsnelheid luchtwasser verhogen (minimaal 350 , c. Stal 5 1. Stal emissiearm uitvoeren door het plaatsen van 2 luchtwassers; m/s. ; 2. Luchtsnelheid van de luchtwassers is minimaal 335 , 2. 1. 3 Dierlijk afval mag niet op het terrein van de inrichting worden begraven. Het afval moet zo spoedig mogelijk , volgens de bij of krachtens het Besluit dierlijke bijproducten en de Regeling dierlijke bijproducten gestelde regels , uit de inrichting worden verwijderd. Het bewaren van dierlijk afval , in afwachting van afvoer naar een destructiebedrijf , moet zodanig geschieden dat geen geurhinder optreedt , het aantrekken van ongedierte wordt voorkomen en geen vermenging met ander afval of materiaal optreedt. Verder mag het dierlijk afval geen visuele hinder veroorzaken. 2. 1. 4 Op het terrein van de inrichting mag
geen
mest worden verbrand.
2. 1. 5 Wanneer in de stallen dan wel op of bij het erf ongedierte (zoals ratten , muizen , vliegen of insecten) voorkomt , moeten doelmatige bestrijdingsmaatregelen worden getroffen. 2. 1. 6 Ramen en deuren van stallen moeten gesloten worden gehouden voor zover luchtinlaat of het doorlaten van personen , dieren , vaste mest of goederen.
ze
geen
functie hebben
voor
2. 1. 7 Het aantal aanwezige dieren per diersoort wordt ten minste een keer per maand geregistreerd , waarbij de perioden tussen de registraties van een vergelijkbare tijdsduur zijn. De registraties zijn binnen de inrichting aanwezig en worden gedurende tien jaren bewaard. 2. 1. 8 Zolang de voorliggende vergunning nog niet onherroepelijk is en de inrichting nog niet volledig conform de voorliggende vergunning in werking is , moet de inrichting - tot het moment dat deze volledig in werking is in overeenstemming met de voorliggende vergunning – in ieder geval te allen tijde voldoen aan de voorschriften over het (eventueel) geurbeheersplan uit de omgevingsvergunning van 15 oktober 2018 (met kenmerk: WABO-2014-0158). 3.
ZIEKENBOEG
3. 1
Algemeen
3. 1. 1 De ziekenboegen in stal 2 , stal 5 en stal 8 mogen alleen ten behoeve van het doel worden gebruik waarvoor ze zijn ingericht. Deze ruimte mag niet in gebruik zijn als productieruimte. Dit betekent dat in deze ruimte geen dieren permanent mogen worden gehouden.
Pagina 38 van 51
3. 1. 2 De oorspronkelijke plaats van het dier dat tijdelijk in de ziekenboeg aanwezig is mag niet door een ander dier worden bezet. 3. 1. 3 Tijdens de momenten 4. 4. 1
waarop geen
dieren in de ziekenboeg aanwezig zijn , moet deze ruimte schoon zijn.
KADAVERPLAATS/KADAVERAANBIEDVOORZIENING Algemeen
4. 1. 1 Kadavers moeten worden aangeboden aan de destructor (mobiele) kadaverbak of een kadaverton.
op
de kadaverplaats of in
een
vloeistofkerende
4. 1. 2 Het reinigen en ontsmetten van de kadaverkap of kadaverton moet plaatsvinden boven een kadaverplaats. Indien de kadavers aan de destructor worden aangeboden op de (mobiele) kadaverbak of in een kadaverton , moeten deze worden gereinigd en ontsmet op een reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens elders binnen de inrichting. 4. 1. 3 Behalve tijdens het ledigen moet de kadaveraanbiedvoorziening door middel van sluitend deksel of daaraan gelijkwaardige voorziening gesloten worden gehouden.
een
verzwaard
en
goed
4. 1. 4 Een mobiele kadaveraanbiedingsvoorziening (kadaverton) moet zodanig zijn geconstrueerd dat deze op een doelmatige wijze kan worden vervoerd zodat iedere mogelijkheid tot verspreiding van smetstof en afvalwater naar de omgeving in alle redelijkheid is uitgesloten. 4. 1. 5 Een kadaverplaats danwel een (mobiele) kadaverbak of kadaverton , moet vloeistofkerend bestand zijn tegen de inwerking van het toe te passen reinigings- of ontsmettingsmiddel.
zijn
en
moet
4. 1. 6 Een kadaverplaats moet afwaterend zijn gelegd naar één punt , zodat het spoel- en ontsmettingswater via leidingen kan afwateren naar een , niet van een overstort voorziene opslagruimte , dan wel rechtstreeks naar de dichtstbijzijnde en binnen de inrichting gelegen mestkelder. 4. 1. 7 Een (mobiele) kadaverbak moet zijn voorzien van een opvangbak zodat uittredend vocht de omgeving niet kan verontreinigen. Het ledigen van de opvangbak mag alleen boven de reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens.
5. 5. 1
REININGINGS- EN ONTSMETTINGSPLAATS VOOR VEEWAGENS Algemeen
5. 1. 1 Veewagens , die op het terrein (inwendig) worden gereinigd , moeten daarvoor ingerichte reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens.
worden gereinigd
op
een
speciaal
5. 1. 2 Een reinigings- ontsmettingsplaats moet vloeistofkerend zijn en afwaterend zijn gelegd naar een of meer opslagputten. Het reinigen en ontsmetten van voertuigen moet op zodanige wijze plaatsvinden dat het verontreinigde water wordt opgevangen (opstaande randen aan een drietal zijden danwel een gelijkwaardige voorziening) zodat het reinigingswater en ontsmettingsvloeistoffen niet in de bodem terecht kunnen komen. 5. 1. 3 Een reinigings- en ontsmettingsplaats moet bestand zijn tegen de inwerking en/of ontsmettingsmiddel.
van
het toe te passen reinigings-
Pagina 39 van 51
5. 1. 4 De reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens moet zodanig zijn gelegen dat ten gevolge van afvoerbeweging , verwaaiing van waswater etc. geen hinder voor derden optreedt. 6. 6. 1
aan- en
SPUIWATER LUCHTWASSYSTEEM (STAL 2 , 4 , 5 en 8) Opslag spuiwater algemeen
6. 1. 1 Het spuiwater van de luchtwasser dient te worden opgeslagen in een speciaal hiervoor bestemde afgesloten spuiwateropslag. 6. 1. 2 Het vorige voorschrift geldt voor alle spuiwaterstromen die uit de gecombineerde luchtwasser vrijkomen. 6. 1. 3 De wanden en vloer van de opslagruimte moeten bestand zijn tegen de invloed van het spuiwater. Bewijzen van de behandeling die de wanden en de vloer van de spuiwateropslag hebben ondergaan moeten binnen de inrichting aanwezig zijn. 6. 1. 4 De stijfheid en sterkte van de spuiwateropslag en de leidingen moet voldoende zijn om schadelijke vervorming als gevolg van overdruk bij vulling of overvulling te voorkomen , terwijl de dichtheid onder alle omstandigheden moet zijn verzekerd. 6. 1. 5 De spuiwateropslag moet voldoende inhoud hebben en mag niet zijn voorzien een mestkelder / mestopslagruimte is niet toegestaan. 6. 1. 6 De spuiwateropslag
mag
van een
overstort. Afvoer naar
slechts voor 95% worden gevuld.
6. 1. 7 De spuiwateropslag moet zijn voorzien van een opschrift met de woorden " OPSLAG SPUIWATER." Indien het spuiwater wordt opgeslagen in een opslagkelder , dient bij de putopening een bord te worden gehangen met de woorden " OPSLAG SPUIWATER." 6. 1. 8 Indien een vloeistof standaanwijzer of peilinrichting is aangebracht , moet deze zodanig zijn ingericht dat het uitstromen van vloeistof uit de spuiwateropslag , ook door verkeerde werking of door breuk , wordt voorkomen. 6. 1. 9 De spuiwateropslag moet zijn voorzien middellijn van tenminste 50 mm.
van
een
ontluchtingspijp of ontluchtingsopening met
een
inwendige
6. 1. 10 In elke aansluiting op de spuiwateropslag beneden het hoogste vloeistofniveau moet zo dicht mogelijk bij de wand een metalen afsluiter zijn geplaatst. Deze moet zodanig zijn uitgevoerd dat duidelijk is te zien of de afsluiter is geopend , dan wel is gesloten. 6. 1. 11 Het laadpunt van de spuiwateropslag oppervlakte van tenminste 3 x 3 meter.
moet zich boven
een
vloeistofkerende
vloer bevinden
met
een
6. 1. 12 Het is niet toegestaan spuiwater in de riolering te brengen. 6. 1. 13 De afvoer van het spuiwater dient te worden geregistreerd (hoeveelheid en concentratie). Deze registratiegegevens worden gedurende een periode van 5 jaar bewaard en zijn beschikbaar voor controle door het bevoegde gezag.
Pagina 40 van 51
6. 1. 14 Bij het vullen of ledigen van de opslagruimte plaatsvinden.
mag
geen
6. 1. 15 Bij het afvoeren van spuiwater/percolaat plaatsvinden in gesloten tankwagens.
mag
de omgeving
verontreiniging
6. 1. 16 Gemorst product moet met behulp van absorptiemateriaal 7. 7. 1
zo
de bodem of het oppervlaktewater
van
niet worden verontreinigd. Transport
moet
spoedig mogelijk worden verwijderd.
OPSLAG EN GEBRUIK ZWAVELZUUR LUCHTWASSYSTEEM Algemeen
7. 1. 1 De voorraad zwavelzuur moet worden bewaard in een opslag- en/of aftapvoorziening , welke is vervaardigd van roestvast staal of een kunststof die bestand is tegen de invloeden van zwavelzuur. 7. 1. 2 De opslag- en/of aftapvoorzieningen met zwavelzuur moet binnen in een daarvoor bestemde ruimte , of in de buitenlucht worden opgesteld. 7. 1. 3 De opslag- en/of aftapvoorziening dient geplaatst te zijn in/boven een vloeistofkerende lekbak met een capaciteit van tenminste 110% van de inhoud van de emballage. De wanden en vloer van deze vloeistofkerende bak dienen bestand te zijn tegen de invloed van zwavelzuur. In of nabij deze lekbak mogen geen andere stoffen worden opgeslagen. 7. 1. 4 Indien opslag- en/of aftapvoorzieningen is voorzien van een aansluiting beneden het hoogste vloeistofniveau moet zo dicht mogelijk bij de wand een afsluiter zijn geplaatst. De afsluiter is zodanig uitgevoerd dat duidelijk is te zien of de afsluiter is geopend dan wel gesloten. 7. 1. 5 Eventueel gelekt product dat in de vloeistofkerende bak is opgevangen moet direct wijze worden verwijderd. 7. 1. 6 De opslagplaats met toebehoren moet schoon verkeren. 7. 1. 7 De opslag- en/of aftapvoorziening moet " ZWAVELZUUR." 7. 1. 8 De opslag- en/of aftapvoorziening moet
worden gehouden
zijn voorzien
zo
van
een
7. 1. 11 De opslag- en/of aftapvoorziening mag 7. 1. 12 De inhoud
een
van
voor
milieuverantwoorde
goede staat
waarop
van
onderhoud
duidelijk staat vermeld:
zijn uitgevoerd , dat daarin geen overdruk kan ontstaan. en
vluchtwegverlichting conform NEN-
de opslag- en/of aftapvoorziening moet geschieden met zodanige zwavelzuur wordt voorkomen.
van
morsen van
in
opschrift
7. 1. 9 Bij de opslag- en/of aftapvoorziening moet adequate noodverlichting EN 1838 zijn aangebracht. 7. 1. 10 Het vullen
en
op
voorzorgen , dat
lekken
en
ten hoogste 80 % met zwavelzuur zijn gevuld.
de opslag- en/of aftapvoorziening moet snel en accuraat zijn af te lezen.
Pagina 41 van 51
7. 1. 13 Lek- en morsvloeistof dient zo snel mogelijk te worden afgevoerd naar de opslag- en/of aftapvoorziening of afsluitbare vaten. In de inrichting moeten voldoende absorberende en neutraliserende middelen voor het immobiliseren van gemorste vloeistoffen aanwezig zijn. 7. 1. 14 Nabij de opslag- en/of aftapvoorziening met zwavelzuur moet een slanghaspel , welke is aangesloten op het waterleidingnet , aanwezig zijn. De slanghaspel dient te zijn voorzien van een 30 meter rubberslang met een binnendiameter van 25 mm en een afsluitbaar straalpijpje met een doorlaat van 8 mm (uitvoering en wateropbrengst conform NEN-EN 671 deel 1). 7. 1. 15 Nabij de slanghaspel moet op een duidelijk zichtbare plaats een waarschuwingsbord worden geplaatst , waarop duidelijk is vermeld dat: " DE SLANGHASPEL ALLEEN MAG WORDEN TOEGEPAST OM , TENEINDE IN GEVAL VAN LEKKAGE , MORSEN OF ANDERSZINS , VLOEREN EN APPARATUUR MET OVERMAAT AAN WATER SCHOON TE SPOELEN." 7. 1. 16 Binnen de inrichting moet het veiligheidsinformatieblad (VIB) voldoen aan EG-richtlijn 91/155/EEG.