1. Conceptbesluit omgevingsvergunning (geanonimiseerd)
Tekst van het document
horst BESLUIT
OP AANVRAAGDE
mee
OMGEVINGSVERGUNNING
Op 13 september 2021 hebben wij een aanvraag om een omgevingsvergunning algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen:
in de Wet
(geanonimiseerd) |
Naam aanvrager: Adres aanvrager: Locatie activiteit(en):
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Hazenhorstweg 1 en 3, 5975PA Sevenum SVNO1, sectie V, nummers 322, 400 (ged), 413 (ged.) en 414 Varkenshouderij annex paarden- en schapenhouderij Wijzigen en bouwen luchtkanaal en veranderen van (de werking van) de milieuinrichting 5 september 2024 5
Kadastraal: Soort
als bedoeld
bedrijf/activiteiten:
Betreft: Ontwerpbesluit Besluit:
Zaaknummer:
WABO-2021-0596
Bevoegd gezag Gelet op de projectbeschrijving en op het bepaalde daarbij horende bijlage, zijn wij het bevoegd gezag
in hoofdstuk 3 van om
een
besluit te
het Besluit nemen
omgevingsrecht (Bor) en de
op de aanvraag
voor
de
omgevingsvergunning. Wij
besluiten de
Het besluit heeft
betrekking
Het bouwen
-
van
Het
gebruiken Wabo);
-
-
gevraagde omgevingsvergunning
een
van
te verlenen.
op de volgende activiteiten: bouwwerk (artikel 2.1, lid 1, onder
gronden
of bouwwerken
a
Wabo);
in strijd met het bestemmingsplan
(artikel 2.1,
__ Het veranderen van (de werking van) een milieu-inrichting (artikel 2.1, lid 1, onder
e
lid 1, onder
c
Wabo)
Uit de
inhoudelijke beoordeling in 8 2.4 blijkt dat er voor de voorgenomen activiteiten geen belangrijke nadelige gevoilgen voor het milieu te verwachten zijn. Gelet op artikel 7.17, lid 1 van de Wet milieubeheer (Wm) besluiten wij daarom dat het opstellen van een milieueffectrapport (MER) niet noodzakelijk is bij de voorbereiding van deze aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. De
inhoudelijke motivering
van
ons
besluit is in onderdeel 2
(overwegingen) bij dit besluit opgenomen.
Horst, Namens
Burgemeester
en
Wethouders
van
Horst
aan
de Maas,
(geanonimise rd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Afdelingshoofd Omgeving Wilhelminaplein 6, Horst Postbus 6005, 5960 AA Horst
T
077 477 9777
IBAN
F
077 477 9750
BIC BNGHNL2G
NL63BNGHO0285031295
gemeente@horstaandemaas.nl facturen@horstaandemaas.nl www.horstaandemaas.nl
Onderdelen van dit besluit: 1. 2.
Activiteiten
3. 4. 5. 6. 7. 8.
Zienswijzen Procedure Rechtsmiddelen Inwerkingtreding Bijlagen bij het besluit
Overwegingen 2. 1 Overwegingen activiteit het bouwen van een bouwwerk 2. 2 Overwegingen activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan 2. 3 Overwegingen activiteit het veranderen van (de werking van) een milieu-inrichting
Voorschriften
1. Activiteiten
Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omschreven activiteiten: o o
Het bouwen van een bouwwerk (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1 lid 1 sub a). Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1 lid 1 sub c). Het veranderen van (de werking van) een milieu-inrichting (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1 lid 1 sub e). ,
,
o
,
,
,
,
,
,
,
Aangehaakte toestemmingen Voor
uw aanvraag o
geldt:
Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit: het realiseren van projecten of het verrichten van handelingen die schadelijk kunnen zijn voor natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied (Besluit omgevingsrecht artikel 2. 2. aa onder a). Op 15 september 2025 is een aanvraag hiervoor bij het college van Gedeputeerde Staten van Limburg ingediend. ,
Vergunningplicht De aanvraag is getoetst aan bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). In deze bijlage zijn (bouw)activiteiten opgenomen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is. Gebleken is dat uw aanvraag omgevingsvergunningplichtig is.
Ontvankelijkheid Na ontvangst van de aanvraag is deze getoetst op volledigheid op grond van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). o
Gebleken is dat uw aanvraag nadat deze is aangevuld ontvankelijk is. De aanvraag inclusief aanvulling bevat voldoende informatie voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit(en) op de fysieke leefomgeving. ,
,
Pagina 2 van 51
2. Overwegingen Hoe we tot ons besluit zijn gekomen motiveren wij hieronder (artikel 3:46 en artikel 3:47 Algemene Wet
Bestuursrecht).
2. 1 OVERWEGINGEN ACTIVITEIT HET BOUWEN VAN EEN BOUWWERK Er wordt een centraal afzuigkanaal en een luchtwasser aan zowel stal 2 (legalisatie) alsook aan stal 5 gebouwd. 2. 1. 1 Bestemmingsplan
Op de onderhavige locatie gelden de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ ‘Buitengebied Horst aan de Maas herziening 2020’ en ‘Veegplan 2021’. ,
,
Voor wat betreft het centraal luchtkanaal en de luchtwasser aan stal 5 is de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ met een bouwvlak met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ van toepassing. Daarnaast gelden ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en voor een klein deel de dubbelbestemming ‘Waarde – Zone bronsgroene landschapszone’. Tot slot gelden de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – hydrologische beschermingszone’ ‘overige zone – beekdal’ en ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’. Gronden met deze enkelbestemming zijn onder andere aangewezen voor agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik. ,
Voor wat betreft het centraal luchtkanaal en de luchtwasser aan stal 2 is de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ van toepassing. Daarnaast gelden ook de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 6’ en ‘Waarde – Zone bronsgroene landschapszone’. Tot slot gelden de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – hydrologische beschermingszone’ ‘overige zone – beekdal’ en ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’. Gronden met deze enkelbestemming zijn onder andere aangewezen voor agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik. ,
De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor onder meer agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik en ter plaatse van de aanduiding ' intensieve veehouderij' ook voor niet-grondgebonden en/of grondgebonden veehouderij. Het bouwplan voldoet aan de bestemmingsomschrijving. Voor wat betreft het centraal luchtkanaal en de luchtwasser aan stal 5 wordt voldaan aan de bouwregels zoals opgenomen in artikel 3. 2. 1 en 3. 2. 2 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’. Er is geen sprake van strijdig gebruik ammoniakemissie als bedoeld in artikel 3. 5. 2. Bij besluit van 30 juni 2016 heeft Gedeputeerde Staten van Limburg zaaknummer 2014-0280 kenmerk 2016/48652 een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 46b en 47b van de Natuurbeschermingswet 1998 afgegeven. Op 15 september 2025 is er een nieuwe omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit aangevraagd bij Gedeputeerde Staten van Limburg. ,
,
,
Ten aanzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 6’ gelden de uitzonderingsbepalingen van respectievelijk artikel 30.2 onder c en artikel 32.2 onder c van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ omdat de bestaande bebouwing met niet meer dan respectievelijk 500 m² en 2. 500 m² wordt vergroot. ,
,
Voor wat betreft artikel 37. 1 van het bestemmingsplan zijn wij van oordeel dat er door de beperkte uitbreiding van de bebouwing en het feit dat de bebouwing direct aansluitend aan de bestaande bebouwing is/wordt gerealiseerd geen sprake is van nadelige gevolgen voor het behoud en de bescherming van de landschappelijke waarden waarbij de kernkwaliteiten zijn het groene karakter het visueel-ruimtelijk karakter het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. ,
,
,
,
Pagina 3 van 51
Voor wat betreft artikel 47. 1 van het bestemmingsplan zijn wij van oordeel dat de cultuurhistorische landschappelijke en natuurlijke waarden behorend bij de gebiedsaanduiding ‘overige zone – beekdal’ door de legalisatie en bouw van de centrale luchtkanalen en luchtwassers niet worden geschaad. Het bouwplan wordt immers voor wat betreft stal 5 gerealiseerd aan een bestaand bouwwerk binnen het bouwvlak waarbinnen de bij de intensieve veehouderij gelegen bebouwing en verhardingen zijn gelegen en voor wat betreft stal 2 is gerealiseerd direct aansluitend aan de bestaande bebouwing. ,
Voor wat betreft artikel 47. 6 van het bestemmingsplan ten aanzien van de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – hydrologische beschermingszone’ is toetsing alleen relevant bij aanvragen omgevingsvergunning voor de activiteit ‘uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden’. Deze activiteit is niet aan de orde. De beperkte uitbreiding van de bebouwing heeft geen nadelige gevolgen voor de hydrologische bescherming van de verdrogingsgevoelige natuurgebieden. De grondwaterstand wordt door de beperkte uitbreiding van de bebouwing niet beïnvloedt. Ook hoeft er voor de realisatie van het bouwplan geen grondwater te worden onttrokken. ,
,
De centrale luchtkanalen en luchtwasser hebben geen gevolgen voor de parkeer- laad- en losbehoefte op eigen terrein. Wij zijn dan ook van oordeel dat ten behoeve van het parkeren laden en lossen ter plaatse voldoende ruimte aanwezig is en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 51. 2 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’. ,
,
Het bouwplan heeft gedeeltelijk betrekking op bouwwerkzaamheden die in strijd zijn met het ter plaatse geldende het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’. Voor wat betreft het centraal luchtkanaal en de luchtwasser aan stal 2 wordt niet voldaan aan de artikel 3.2.1 onder c van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ omdat het geheel buiten het agrarisch bouwvlak is gesitueerd. ,
De overwegingen ten aanzien van de strijdigheid zijn opgenomen in onderdeel ‘handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening' van dit besluit. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas herziening 2020’ en het bestemmingsplan ‘Veegplan 2021’ hebben geen gevolgen voor de toetsing van de aanvraag. ,
2. 1. 2 Redelijke eisen van welstand Het bouwplan is voor een welstansadvies voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Het bouwplan is gelegen binnen het welstandsgebied ‘Buitengebied met landschappelijke waarden’. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft het bouwplan op 24 mei 2022 beoordeeld aan de hand van de bij dit welstandsgebied behorende criteria en het daarvoor vastgestelde welstandsniveau. De commissie is van oordeel dat het bouwplan voor wat betreft stal 2 (legalisatie) vanuit het oogpunt van welstand akkoord is. De commissie adviseert dat het bouwplan voor wat betreft stal 5 qua vormgeving passend is in de omgeving en adviseert ook positief over dit deel van het bouwplan onder de voorwaarde dat dit deel in dezelfde materialisering detaillering en kleurstelling uitgevoerd moet worden. ,
Wij hebben dit welstandsadvies overgenomen en zijn dan ook van oordeel dat onder de door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit gestelde voorwaarde ten aanzien van materialisering detaillering en kleurstelling voor het bouwplan voor stal 5 het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. ,
,
2. 1. 3 Bouwbesluit 2012 Er is voldoende aannemelijk gemaakt dat het bouwplan voldoet aan de van toepassing zijnde bepalingen uit het Bouwbesluit 2012 mits wordt gebouwd volgens de bijlagen bij dit besluit en de voorschriften van deze omgevingsvergunning worden opgevolgd. ,
Pagina 4 van 51
2. 1. 4 Bouwverordening De Bouwverordening Horst aan de Maas is niet aanvullend van toepassing op dit bouwplan. Het bouwplan is dan ook niet getoetst aan de bepalingen uit deze bouwverordening. 2. 2 OVERWEGINGEN ACTIVITEIT HET GEBRUIKEN VAN GRONDEN OF BOUWWERKEN IN STRIJD MET EEN BESTEMMINGSPLAN 2. 2. 1 Bestemmingsplan Op de onderhavige locatie gelden de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ Horst aan de Maas herziening 2020’ en ‘Veegplan 2021’.
,
‘Buitengebied
,
Voor wat betreft het centraal luchtkanaal en de luchtwasser aan stal 2 is de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ van toepassing. Daarnaast gelden ook de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 6’ en ‘Waarde – Zone bronsgroene landschapszone’. Tot slot gelden de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – hydrologische beschermingszone’ ‘overige zone – beekdal’ en ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’. Gronden met deze enkelbestemming zijn onder andere aangewezen voor agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik. ,
2. 2. 2 Strijdigheid Voor wat betreft het centraal luchtkanaal en de luchtwasser aan stal 2 wordt niet voldaan aan de artikel 3.2.1 onder c van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ omdat het geheel buiten het agrarisch bouwvlak is gesitueerd. De overschrijding van het bouwvlak omvat de oppervlakte van het centraal luchtkanaal/de luchtwasser ter grootte van 363 m².
,
2. 2. 3 Opheffen van de strijdigheid In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat het alleen mogelijk is aan een afwijking van het bestemmingsplan mee te werken als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: ,
1. 2. 3.
het bestemmingsplan dit zelf mogelijk maakt (binnenplanse afwijking); het Besluit omgevingsrecht (Bor) vergunningverlening mogelijk maakt (kleine buitenplanse afwijking); het besluit op het bouwplan een goede ruimtelijke onderbouwing inhoudt (buitenplanse afwijking met uitgebreide procedure).
2. 2. 4 Strijdig gebruik (uitgebreide buitenplanse afwijking) Uitgebreide buitenplanse afwijking Het bestemmingsplan voorziet niet in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om bovengenoemde strijdigheid op te heffen. Ook het Besluit omgevingsrecht biedt geen mogelijkheid om medewerking te verlenen aan de aanvraag. Daarom resteert de mogelijkheid om met toepassing van de uitgebreide afwijkingsprocedure de strijdigheid/heden met het bestemmingsplan op te heffen. Hierbij is vereist dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing (artikel 2. 12 lid 1 onder a onder
3° Wabo). 2. 2. 5 Beoordeling afwijkingsmogelijkheid Er kan medewerking worden verleend aan het verlenen van een omgevingsvergunning omdat de gevraagde ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van het rijk provinciaal en gemeentelijk beleid. ,
,
Voor wat betreft stal 2 is eerder bij besluit van 30 augustus 2016 verzonden 8 september 2016 (kenmerk WABO-2014-0158) een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo verleend voor de bouw van het centraal luchtkanaal/de luchtwasser aan stal 2. ,
,
,
,
Pagina 5 van 51
Het centraal luchtkanaal/de luchtwasser is in afwijking van de verleende omgevingsvergunning aan de andere kant van stal 2 gebouwd. Met de aanvrager zijn afspraken gemaakt om bovenwettelijke maatregelen te treffen om stal 5 eerder emissiearm uit te voeren dan volgens de huidige regels verplicht is. Daarnaast zijn in de aanvraag maatregelen opgenomen waarbij de emissiepunthoogte van de luchtwassers van stal 2 en 8 verhoogd worden en de luchtsnelheid van de luchtwassers op stal 2 5 en 8 te verhogen. Deze aanpassingen leiden ertoe dat er ten opzichte van de in 2016 vergunde situatie een aanmerkelijke verlaging van de geurbelasting plaatsvindt. Deze verlaging van de geurbelasting leidt ook tot een verbetering van het woon- en leefklimaat van alle omwonenden ten opzichte van de in 2016 vergunde situatie. Daarbij zijn de maatregelen om de milieuwinst te behalen niet uitvoerbaar voor de in 2016 vergunde situatie voor wat betreft het centraal luchtkanaal/de luchtwasser aan stal 2. ,
Gelet op het bepaalde in artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3° Wabo kan een omgevingsvergunning voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c Wabo indien de ,
,
,
,
,
,
,
aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan , slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Gelet op het bepaalde in artikel 5. 20 Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn de artikel 3.1.2 3. 1. 6 en 3.3.1 lid 1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) van toepassing verklaard op een goede ruimtelijke onderbouwing. ,
,
De aanvraag is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing ‘Ruimtelijke onderbouwing Hazenhorstweg 3 te Sevenum’. Wij zijn van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing behorend bij de aanvraag volledig is en een goede motivering vormt voor de afwijking van het bestemmingsplan voor de legalisatie van het centraal luchtkanaal/de luchtwasser aan stal 2. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat ook bij de legalisatie van het centraal luchtkanaal/de luchtwasser aan stal 2 sprake blijft van een goede ruimtelijke ordening. De ruimtelijke onderbouwing is als bijlage bij dit besluit gevoegd en maakt hier onderdeel vanuit. ,
Het belang van de verbetering van het woon- en leefklimaat voor de omwonenden weegt naar ons oordeel zwaarder dan het belang om handhavend op te treden tegen de in afwijking van de in 2016 verleende omgevingsvergunning aan stal 2 gebouwde centraal luchtkanaal/luchtwasser.
Gelet op de ruimtelijke onderbouwing en de overige bij de aanvraag ingediende bij het ontwerpbesluit behorende documenten zijn wij van oordeel dat de legalisatie van het centraal luchtkanaal/de luchtwasser aan stal 2 geen onevenredige afbreuk doet aan de belangen van de omwonenden en van omliggende functies en ,
,
,
percelen en dan ook niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 2. 2. 6 Verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad Op grond van artikel 2. 27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 6. 5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) kan een omgevingsvergunning niet eerder verleend worden dan nadat de gemeenteraad heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben.
Op 11 februari 2014 heeft de gemeenteraad een motie aangenomen. Daarin is uitgesproken dat op de locatie Hazenhorstweg 1-3 geen ruimte is voor uitbreiding van intensieve veehouderij gelet op de ligging van het bedrijf in een extensiveringsgebied. Het centraal luchtkanaal en de luchtwasser van stal 2 ligt geheel buiten het agrarisch bouwvlak. Om reden dat het centraal luchtkanaal en de luchtwasser aan stal 2 niet in lijn is met de motie van de gemeenteraad is de gemeenteraad gevraagd om een verklaring van geen bedenkingen af te geven vanwege het belang van de verbetering van de woon- en leefomgeving voor de omwonenden en een vermindering van de ammoniakemissie.
Pagina 6 van 51
Ontwerp-vvgb door raad Op 9 april 2024 heeft de gemeenteraad besloten een ontwerpverklaring van geen bedenkingen af te geven voor deze aanvraag. De ontwerpverklaring van geen bedenkingen heeft tegelijk gedurende zes weken ter inzage gelegen met het ontwerpbesluit op de aanvraag omgevingsvergunning. ,
,
Zienswijzen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad Er is binnen de gestelde termijn een zienswijze naar voren gebracht tegen de ontwerpverklaring van geen bedenkingen. De raad heeft op besloten deze zienswijze niet/wel over te nemen en de verklaring van geen bedenkingen wel/niet af te geven. …………
Ons standpunt over deze zienswijze is opgenomen in het zienswijzenrapport (zie: bijlage X van dit besluit). Definitieve verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad De gemeenteraad heeft op besloten om het als bijlage bij dit besluit behorende zienswijzenrapport vast te stellen de zienswijzen gegrond/ongegrond te verklaren en de verklaring van geen bedenkingen te verlenen/te ……
,
weigeren. 2. 3 OVERWEGINGEN ACTIVITEIT HET VERANDEREN VAN (DE WERKING VAN) EEN MILIEU-
INRICHTING 2. 3. 1
Algemeen
Algemeen De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 aanhef en onder e en artikel 2.6 lid 1 van de Wabo. De Wabo legt in artikel 2. 14 het milieuhygiënische toetsingskader van de aanvraag vast. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden ,
,
Wij beperken ons in het navolgende tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed zijn. Huidige vergunningsituatie Ten behoeve van deze inrichting is op 15 oktober 2018 een revisievergunning op grond van de omgevingsvergunning verleend voor een varkenshouderij annex paarden- en schapenhouderij. In tabel 1a is het aantal dieren de ammoniak- geur- en fijnstofemissie weergegeven waarvoor vergunning is verleend en wat rechtsgeldig is. Het maximale aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen. ,
,
Pagina 7 van 51
Tabel 1a: Huidige vergunde situatie Ammoniakemissie a)
Huisvestingssysteem
Stal
1 2 2
Diercategorie
Volwassen paarden Gespeende biggen Vleesvarkens
Aantal RAV-code
OW-code
dieren
Geuremissie b)
emissie-
Totale
emissie-
Fijnstofemissie c)
Totale
emissie
Totale
factor
ammoniak
factor
geur
factor
fijnstof-
Ammoniak
emissie
geur
emissie
fijnstof
emissie
(kg/jaar)
(kg/jaar)
(OU/s) E
(OU/s) E
(gr/jr)
(kg/jaar)
K 1. 100
HL 1. 100
120
5000 ,
6000,
000 ,
00,
0
00,
D 1. 1. 15. 1 1
HD 1. 100 1
240
0100 ,
240,
550 ,
1.3200,
15
36,
D 3. 2. 15. 1 1
HD 5. 100 1
704
0450 ,
3168,
1610 ,
11.3344,
31
218,
D 1. 3. 11 2
HD 3. 100 2
310
0210 ,
651,
1310 ,
4.0610,
113
350,
D 1. 3. 101
HD 3. 101
48
4200 ,
2016,
, 1870
8976,
175
84,
D 3. 100
HD 5. 100
103
3000 ,
3090,
2300 ,
2.3690,
153
158,
D 1. 1. 3 3
HD 1. 8 3
540
0150 ,
810,
540 ,
2.9160,
56
302,
D 1. 1. 3 3
HD 1. 8 3
900
0150 ,
1350,
540 ,
4.8600,
56
504,
D 1. 1. 100
HD 1. 100
180
0690 ,
1242,
, 780
1.4040,
74
133,
D 1. 2. 100
HD 2. 100
126
8300 ,
1.0458,
2790 ,
3.5154,
160
202,
D 1. 3. 101
HD 3. 101
66
4200 ,
2772,
, 1870
1.2342,
175
116,
Guste en 4
dragende zeugen
Guste en 4
dragende zeugen
4 5
5 5 5
Opfokzeugen Gespeende biggen Gespeende biggen Gespeende biggen Kraamzeugen Guste en
5
dragende zeugen
5
Dekberen
D 2. 100
HD 4. 100
2
5500 ,
110,
1870 ,
374,
180
04,
5
Opfokzeugen
D 3. 2. 1 4
HD 5. 2 4
14
4500 ,
630,
2300 ,
3220,
153
21,
K 1. 100
HL 1. 100
10
5000 ,
500,
000 ,
00,
0
00,
B 1. 100
HB 1. 100
55
0700 ,
385,
, 780
4290,
0
00,
K 1. 100
HL 1. 100
3
5000 ,
150,
000 ,
00,
0
00,
D 3. 2. 15. 1 1
HD 5. 100 1
0450 ,
8100,
1610 ,
28.9800,
31
Totaal
4.1672,
6 7 7
8
Volwassen paarden Schapen Volwassen paarden Vleesvarkens
1. 800
63.6800,
558, 2686,
a) Uitgaande van de Regeling ammoniak en veehouderij gepubliceerd d. d. 8 maart 2023 b) Uitgaande van de Regeling geurhinder en veehouderij gepubliceerd d. d. 26 september 2022 c) Uitgaande van de emissiefactoren fijnstof voor de veehouderij zoals deze zijn gepubliceerd op www. rijksoverheid. nl d. d. 15 maart 2023 1. gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie , 30% geuremissiereductie 80% en fijnstofemissiereductie met chemische wasser (lamellenfilter) en waterwasser (BWL 2006. 14. V7 / OW 2006. 14. V1) 2. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie , 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2007. 05. V7 / OW 2007. 05. V1) 3. mestopvang in water in combinatie met een mestafvoersysteem (BWL 2006. 07. V2 / OW 2006. 07. V1) 4. gehele dierplaats onderkelderd zonder stankafsluiter (BWL 2001. 23. V1 / OW 2001. 23. V1)
Pagina 8 van 51
Aangevraagde situatie Er wordt een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verplaatsen en aanpassen van het luchtkanaal en luchtwasser van stal 2. Stal 5 emissiearm uitvoeren door het plaatsen van twee luchtwassers. En de luchtwasser van stal 8 te wijzigen. Het aantal dieren waarvoor vergunning wordt gevraagd en de ammoniak- geur- en fijnstofemissie zijn in tabel 1b weergegeven. Het maximale aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen. ,
Tabel 1b: Aangevraagde situatie Ammoniakemissie a)
Huisvestingssysteem
Stal
1 2 2
Diercategorie
Volwassen paarden Gespeende biggen Vleesvarkens
Aantal RAV-code
OW-code
dieren
Geuremissie b)
emissie-
Totale
emissie-
Fijnstofemissie c)
Totale
emissie
Totale
factor
ammoniak
factor
geur
factor
fijnstof-
Ammoniak
emissie
geur
emissie
fijnstof
emissie
(kg/jaar)
(kg/jaar)
(OU/s) E
(OU/s) E
(gr/jr)
(kg/jaar)
K 1. 100
HL 1. 100
120
5000 ,
6000,
000 ,
00,
0
00,
D 1. 1. 17 1
HD 1. 100 1
240
0070 ,
168,
550 ,
1.3200,
48
115,
D 3. 2. 18 1
HD 5. 100 1
704
0300 ,
2112,
1610 ,
11.3344,
99
697,
D 1. 3. 11 2
HD 3. 100 2
310
0210 ,
651,
1310 ,
4.0610,
113
350,
D 1. 3. 101
HD 3. 101
48
4200 ,
2016,
, 1870
8976,
175
84,
D 3. 100
HD 5. 100
103
3000 ,
3090,
2300 ,
2.3690,
153
158,
D 1. 1. 15. 4 3
HD 1. 100 3
1. 040
0100 ,
1040,
430 ,
4.4720,
15
156,
D 1. 2. 17. 4 3
HD 2. 100 3
126
1300 ,
1638,
1530 ,
1.9278,
32
40,
D 1. 1. 15. 4 3
HD 1. 100 3
580
0100 ,
580,
430 ,
2.4940,
15
87,
D 1. 3. 12. 4 3
HD 3. 100 3
59
0630 ,
372,
1030 ,
6077,
35
21,
Guste en 4
dragende zeugen
Guste en 4
dragende zeugen
4 5 5 5
Opfokzeugen Gespeende biggen Kraamzeugen
Gespeende biggen Guste en
5
dragende zeugen
5
Dekberen
D 2. 4. 4 3
HD 4. 100 3
2
, 0830
17,
1030 ,
206,
36
01,
5
Opfokzeugen
D 3. 2. 15. 4 3
HD 5. 100 3
12
0450 ,
54,
1270 ,
1524,
31
04,
6
Volwassen paarden
K 1. 100
HL 1. 100
10
5000 ,
500,
000 ,
00,
0
00,
7
Schapen
B 1. 100
HB 1. 100
55
0700 ,
385,
, 780
4290,
0
00,
K 1. 100
HL 1. 100
3
5000 ,
150,
000 ,
00,
0
00,
D 3. 2. 15. 4 3
HD 5. 100 3
1. 800
0450 ,
8100,
127,
22.8600,
31
558,
Totaal
2.6872,
7
8
Volwassen paarden Vleesvarkens
52.9455,
2270,
a) Uitgaande van de Regeling ammoniak en veehouderij gepubliceerd d. d. 8 maart 2023 b) Uitgaande van de Regeling geurhinder en veehouderij gepubliceerd d. d. 26 september 2022 c) Uitgaande van de emissiefactoren fijnstof voor de veehouderij zoals deze zijn gepubliceerd op www. rijksoverheid. nl d. d. 15 maart 2023
Pagina 9 van 51
1. chemisch luchtwassysteem 90% ammoniakemissiereductie , 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2013. 08. V3 / OW 2013. 08. V1) 2. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie , 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2007. 05. V7 / OW 2007. 05. V1) 3. gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie , 45% geuremissiereductie 80% en fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009. 12. V5 / OW 2009. 12. V1)
2. 3. 2 Activiteitenbesluit Binnen de inrichting vindt een aantal activiteiten plaats waarvoor het Activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriële regeling direct werkende regels stelt. Het gaat hier in hoofdzaak om de onderstaande activiteiten welke in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen. ,
-
,
,
Lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermingende voorziening (§ 3. 1. 3); Het in werking hebben van een stookinstallatie niet zijnde een grote stookinstallatie (§ 3. 2. 1 met de bijbehorend eministeriële regeling); Afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer (§ 3. 3. 1 met de bijbehorende ,
,
ministeriële regeling); -
Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen werktuigen of spoorvoertuigen (§ 3. 3. 2 met de bijbehorende ministeriële regeling); Opslaan en overslaan van goederen (§ 3. 4. 3 met de bijbehorende ministeriële regeling); Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen (§ 3. 4. 5 met de bijbehorende ministeriële regeling); Opslaan van drijfmest en digestaat (§ 3. 4. 6 met de bijbehorende ministeriële regeling); Opslaan van gasolie smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank (§ 3. 4. 9 met de bijbehorende ministeriële regeling); Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven (§ 3. 5. 8 met de bijbehorende ministeriële regeling) m. u. v. de artikelen 3. 113 t/m artikel 3. 121. ,
,
,
Wij merken op dat deze activiteit(en) moet(en) plaatsvinden overeenkomstig de voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling milieubeheer. Vanwege de rechtstreekse werking van dit besluit en de bijbehorende ministeriële regeling kunnen in deze vergunning geen voorschriften worden opgenomen die betrekking hebben op de daarin geregelde activiteiten en aspecten tenzij dit besluit of bijbehorende regeling de mogelijkheid biedt tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Wij zien geen aanleiding om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betekent dat de betreffende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling milieubeheer geraadpleegd moeten worden om te zien welke regels hierop van toepassing zijn. ,
Op de activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is zijn ook afdeling 2. 1 “Zorgplicht” afdeling 2. 2 “Lozingen” en afdeling 2. 3 “Lucht” van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing. Op alle activiteiten die verricht worden binnen de inrichting is ook afdeling 2. 4 “Bodem” van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing met uitzondering van artikel ,
,
,
2.11 eerste lid. In deze vergunning zijn met betrekking tot de zorgplicht lozingen lucht en bodem voor deze activiteiten geen (aanvullende) voorschriften gesteld. Dit betekent dat de betreffende afdelingen uit het Activiteitenbesluit geraadpleegd moeten worden om te zien welke regels hierop van toepassing zijn. ,
,
,
Ook is hoofdstuk 6 “Overgangs- en slotbepalingen” van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing. 2. 3. 3
Toetsing aan milieucriteria aangaande agrarische bedrijven
2. 3. 3. 1 Geur Geur dierenverblijven De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het exclusieve toetsingskader voor geurbelasting als gevolg van de dierenverblijven op gevoelige objecten. Artikel 3 lid 1 van de Wgv bevat geurnormen voor gevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom in een concentratiegebied (de gemeente Horst aan de Maas is gelegen in het concentratiegebied zuid). Voor de bebouwde kom geldt een norm van 3 OU/m³ E en voor het buitengebied geldt een norm van 14 OU/m³. E ,
,
,
Pagina 10 van 51
De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) schrijft voor dat de geurbelasting berekend moet worden met het model V-Stacks vergunning. In afwijking van deze systematiek bepaalt artikel 3 lid 2 van de Wgv dat voor een gevoelig object dat deel uitmaakt van een andere veehouderij of sinds 19 maart 2000 geen deel meer uitmaakt van een andere veehouderij een minimale afstand geldt. De afstand wordt gemeten vanaf het dichtst bij het gevoelig object gelegen emissiepunt en bedraagt 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom ,
,
,
.
Op grond van artikel 6 lid 1 van de Wgv kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat andere normen ,
van toepassing zijn dan de normen uit artikel 3 , lid 1 van de Wgv. De gemeenteraad van gemeente Horst aan
de Maas heeft op 22 november 2011 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas’ (hierna de verordening) vastgesteld zoals bedoeld in dit artikel. De verordening is op 2 december 2011 in werking getreden. Daarbij is uitsluitend voor een klein gedeelte van de kern Meerlo een afwijkende geurnorm 3 vastgesteld. Voor het overige gedeelte van de gemeente Horst aan de Maas alwaar ook de van 6 OU/m E inrichting Hazenhorstweg 1-3 te Sevenum gelegen is gelden geen van de Wgv afwijkende standaardnormen. ,
,
,
Bij de aanvraag is een berekening gevoegd van de geuremissie (hoofdstuk 2 Bijlagen vergunningen). Met behulp van het programma V-stacks vergunning versie 2020 is een berekening gemaakt van de geurbelasting op de in de directe omgeving gelegen geurgevoelige objecten. De uitkomsten hiervan zijn weergegeven in de volgende tabel: ,
,
,
Tabel 2a: Geurbelasting geurgevoelige objecten geurgevoelig object
bebouwde
geurnorm
geurbelasting
afstandsnorm tot
voldoet aan
kom
3 (ou/m) E
aanvraag
woning bij andere
afstandsnorm
3 (ou/m) E
veehouderij (m)
Hazenhorstweg 5
nee
14
72,
50
ja
Hazenhorstweg 6
nee
14
74,
50
ja
Hazenhorstweg 7
nee
14
57,
50
ja
Hazenhorstweg 9
nee
14
55,
50
ja
Hazenhorstweg 10
nee
14
48,
50
ja
Broek 7
nee
14
68,
50
ja
Broek 7a
nee
14
75,
50
ja
Broek 9
nee
14
95,
50
ja
Broek 11
nee
14
104,
50
ja
Broek 13
nee
14
124,
50
ja
Broek 16
nee
14
75,
50
ja
Broek 18
nee
14
59,
50
ja
De Vorst 8
nee
14
23,
50
ja
Scheperstraat 13
ja
3
07,
100
ja
Wij stellen vast dat de Wgv verlening van de aangevraagde vergunning niet in de weg staat.
Omdat de Rgv voor de diercategorie paarden geen geuremissiefactor bevat geldt volgens artikel 4 lid 1 van de Wgv een minimale afstand ten opzichte van een gevoelig object afhankelijk van de ligging van het gevoelige object binnen of buiten de bebouwde kom. Toetsing van de aanvraag aan dit artikellid levert de volgende tabel ,
,
,
op:
Pagina 11 van 51
Tabel 2b: Toetsing aan artikel 4 lid 1 van de Wgv ,
geurgevoelig object
bebouwde kom
afstandsnorm Wgv (m)
voldoet aan afstandsnorm
Hazenhorstweg 5
nee
25
ja
Hazenhorstweg 6
nee
25
ja
Hazenhorstweg 7
nee
25
ja
Hazenhorstweg 9
nee
25
ja
Hazenhorstweg 10
nee
25
ja
Broek 7
nee
25
ja
Broek 7a
nee
25
ja
Broek 9
nee
25
ja
Broek 11
nee
25
ja
Broek 13
nee
25
ja
Broek 16
nee
25
ja
Broek 18
nee
25
ja
De Vorst 8
nee
25
ja
Scheperstraat 13
ja
50
ja
Artikel 4 lid 1 van de Wgv staat verlening van de aangevraagde vergunning niet in de weg. ,
In aanvulling op het hiervoor behandelde toetsingskader volgt uit artikel 5 lid 1 van de Wgv een norm voor de afstand van de buitenzijde van het dichtstbijzijnde dierenverblijf tot de buitenzijde van een gevoelig object. De minimale afstand is 25 meter als het gevoelig object buiten de bebouwde kom ligt en 50 meter als het gevoelig object binnen de bebouwde kom ligt. De afstandsnormen uit artikel 5 lid 1 van de Wgv wijken af van de andere afstandsnormen uit de Wgv omdat deze uitgaan van de afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de veehouderij tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. Artikel 5 lid 1 van de Wgv bevat dus een aanvullende afstandseis waaraan ook moet worden voldaan. Uit de aanvraag blijkt dat in de aangevraagde situatie voldaan wordt aan de hiervoor genoemde afstanden. Artikel 5 lid 1 van de Wgv staat verlening van de aangevraagde vergunning niet in de weg. ,
,
,
,
,
Eindconclusie geur: Uit bovenstaande toetsing blijkt dat er voldaan wordt aan wet- en regelgeving en hieruit volgt dat er ook voldaan wordt aan BBT. 2. 3. 3. 2 Ammoniak Algemeen De ammoniakemissie vanuit de veehouderij wordt beoordeeld op de volgende onderdelen: • Wet ammoniak en veehouderij (Wav) ligging ten opzichte van zeer kwetsbare gebieden; Besluit emissearme huisvesting voor landbouwhuisdieren (Besluit emissiearme huisvesting) beste • beschikbare technieken (BBT) en maximale ammoniakemissiewaarden; technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie alsmede de plaatselijke • milieuomstandigheden (IPPC-omgevingstoets); • gevolgen van directe ammoniakschade aan gewassen. ,
,
Wet ammoniak en veehouderij (Wav) De Wav stelt regels voor de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven. Onder de Wav worden uitsluitend de zeer kwetsbare gebieden beschermd. Gebieden zijn zeer kwetsbaar als zij voor verzuring gevoelig zijn en binnen de (door de provincie begrensde) ecologische hoofdstructuur (EHS) gelegen zijn. Van belang is tevens dat zij als zeer kwetsbaar door Provinciale staten zijn aangewezen. Provinciale staten van Limburg hebben op 18 april 2008 de zeer kwetsbare gebieden aangewezen.
Pagina 12 van 51
De Wav bepaalt dat binnen een zone van 250 meter rond zeer kwetsbare gebieden geen oprichtingen van veehouderijen zijn toegestaan en dat uitbreidingen van het aantal dieren van één of meer diercategorieën uitsluitend toegestaan zijn als het (gecorrigeerd) maximaal emissieplafond voor ammoniak wordt gerespecteerd. ,
Het meest dichtbij gelegen zeer kwetsbaar gebied 331 (vervallen) ligt uitgaande van de aangevraagde situatie op ongeveer 440 meter van de dierenverblijven. Het bedrijf ligt niet in een 250 meter zone om een zeer kwetsbaar gebied. Voor dit bedrijf geldt dan ook geen beperking in de vorm van een gecorrigeerd maximaal ammoniakemissieplafond. De Wav staat verlening van de aangevraagde vergunning niet in de weg. ,
,
Beste beschikbare technieken (BBT) en maximale ammoniakemissiewaarde Zoals in § 2. 5 aangegeven hebben wij bij het nemen van deze beschikking onder andere rekening gehouden met de volgende documenten over BBT: BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij; de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij. ,
De BREF gaat in op de volgende activiteiten: management van het bedrijf bereiding van voer en voedingsstrategie veeteelt verzamelen en opslaan van mest verwerking van mest binnen de inrichting uitrijden van mest en afvalwaterzuivering. De meeste aandacht gaat uit naar ammoniak de voornaamste luchtverontreinigende stof omdat deze stof in grote hoeveelheden wordt uitgestoten. De BREF geeft de technieken die in het algemeen op Europees niveau tot de beste beschikbare technieken worden gerekend. ,
,
,
,
,
,
,
Nederland heeft ervoor gekozen om vanwege de ernst van de ammoniakproblematiek voor huisvestingssystemen de voorschriften ten aanzien van de emissie van ammoniak vast te stellen in een algemene maatregel van bestuur en niet in de vergunningvoorwaarden. Op 1 juli 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting in werking getreden. Het Besluit emissiearme huisvesting stelt voor de huisvesting van verschillende diercategorieën maximale emissiewaarden voor fijnstof – en ammoniakemissie per dierplaats en geeft aan wanneer hieraan uiterlijk moet zijn voldaan. Toetsing van de aanvraag aan het Besluit emissiearme huisvesting levert de volgende tabel op: Tabel 3a: Aangevraagde huisvestingssysteem en maximale emissiewaarde Stal
diercategorie
nummer
emissiewaarde
Stal
maximale
voldoet aan Besluit
Rav (kg)*
- nieuw
emissiewaarde (kg)
emissiearme
- bouwvergunning
huisvesting
verleend - bestaand
1
2 2
4
Volwassen paarden (K 1. 100 / HL 1. 100) Gespeende biggen (D 1. 1. 17 / HD 1. 100) Vleesvarkens (D 3. 2. 18 / HD 5. 100) Guste en dragende zeugen
(D 1. 3. 11 / HD 3. 100)
500 ,
Bouwvergunning
verleend
500 ,
ja
007 ,
Bestaand
021 ,
ja
030 ,
Bestaand
160 ,
ja
021 ,
Bestaand
260 ,
ja
Pagina 13 van 51
Guste en dragende zeugen
4
(D 1. 3. 101 / HD 3. 101) Opfokzeugen
4
(D 3. 100 / HD 5. 100) Gespeende biggen
5
(D 1. 1. 15. 4 / HD 1. 100) Kraamzeugen
5
(D 1. 2. 17. 4 / HD 2. 100) Gespeende biggen
5
(D 1. 1. 15. 4 / HD 1. 100) Guste en dragende zeugen
5
(D 1. 3. 12. 4 / HD 3. 100) Dekberen
5
(D 2. 4. 4 / HD 4. 100) Opfokzeugen
5
(D 3. 2. 15. 4 HD 5. 100) Volwassen paarden
6
(K 1. 100 / HL 1. 100) Schapen
7
(B 1. 100 / HB 1. 100) Volwassen paarden
7
(K 1. 100 / HL 1. 100) Vleesvarkens
8
420 ,
Bestaand
260 ,
nee
300 ,
Bestaand
160 ,
nee
010 ,
Bestaand
021 ,
ja
130 ,
Bestaand
290 ,
ja
010 ,
Bestaand
021 ,
ja
063 ,
Bestaand
260 ,
ja
, 083
Bestaand
, 083
ja
045 ,
Bestaand
160 ,
ja
500 ,
Bestaand
500 ,
ja
070 ,
Bestaand
070 ,
ja
500 ,
Bestaand
500 ,
ja
110 ,
ja
Bouwvergunning
045 ,
(D 3. 2. 15. 4 / HD 5. 100)
verleend * De emissiewaarden van diverse (sub)typen stalsystemen zijn opgenomen in de Regeling ammoniak en
veehouderij (Rav).
Het Besluit emissiearme huisvesting bevat zoals de tabel laat zien geen emissiewaarde voor de diercategorie paarden dekberen en schapen. In artikel 1 lid 3 van de Wav is echter bepaald dat voor dieren waarvoor geen maximale emissiewaarde is vastgesteld de waarde die het aangevraagde systeem heeft als maximale emissiewaarde geldt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft beslist dat als het Besluit emissiearme huisvesting geen maximale emissiewaarde bevat vooralsnog elk huisvestingssysteem voldoet als BBT (zie bijvoorbeeld uitspraak van 12 januari 2011 zaak 201003937/1/M2). Op grond van artikel 1 lid 3 van de Wav en deze rechtspraak concluderen wij dat de aanvraag voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting. ,
,
,
,
,
,
,
,
Uit de tabel blijkt dat niet alle stallen voldoen aan maximale emissiewaarden uit het Besluit emissiearme huisvesting. In de Wav en in het Besluit emissiearme huisvesting is echter de optie voor intern salderen opgenomen. Onder intern saldering wordt verstaan: de mogelijkheid om binnen een veehouderij in (een deel van) de bestaande huisvestingssystemen geen BBT toe te passen op voorwaarde dat de daardoor gemiste ammoniakreductie wordt gecompenseerd door het toepassen van verdergaande technieken dan BBT in de overige huisvestingssystemen. Voorwaarde is wel dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was wel afzonderlijk moet voldoen aan de maximale emissiewaarde. Dat intern salderen is toegestaan is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd (zie bijvoorbeeld uitspraak van 15 oktober 2008 zaak 200708807). ,
,
,
,
In onderstaande tabel zijn de emissiewaarden van de aangevraagde stalsystemen en de maximale emissiewaarden weergegeven.
Pagina 14 van 51
Tabel 3b: Toegestane ammoniakemissie op basis van maximale emissiewaarde Huisvestings-
aantal
systeem
dieren
Volwassen paarden (K 1. 100 / HL 1. 100) Gespeende biggen (D 1. 1. 17 / HD 1. 100) Vleesvarkens (D 3. 2. 18 / HD 5. 100) Guste en dragende zeugen
(D 1. 3. 11 / HD 3. 100) Guste en dragende zeugen
(D 1. 3. 101 / HD 3. 101) Opfokzeugen (D 3. 100 / HD 5. 100) Gespeende biggen (D 1. 1. 15. 4 / HD 1. 100) Kraamzeugen
(D 1. 2. 17. 4 / HD 2. 100) Gespeende biggen (D 1. 1. 15. 4 / HD 1. 100) Guste en dragende zeugen
(D 1. 3. 12. 4 / HD 3. 100) Dekberen (D 2. 4. 4 / HD 4. 100) Opfokzeugen (D 3. 2. 15. 4 HD 5. 100) Volwassen paarden (K 1. 100 / HL 1. 100) Schapen (B 1. 100 / HB 1. 100) Volwassen paarden (K 1. 100 / HL 1. 100) Vleesvarkens (D 3. 2. 15. 4 / HD 5. 100) Totaal
Huisvestings-
emissie-
maximale
waarde Rav
emissie-waarde
(kg)
(kg)
emissie/jaar volgens aanvraag
(kg)
maximale
systeem
emissie/jaar (kg)
aanwezig op 1-1-2007
120
500 ,
500 ,
6000,
6000,
ja
240
007 ,
021 ,
168,
504,
ja
704
030 ,
160 ,
2112,
1.1264,
ja
310
021 ,
260 ,
651,
8060,
ja
48
420 ,
260 ,
2016,
1248,
ja
103
300 ,
160 ,
3090,
1648,
ja
1. 040
010 ,
021 ,
1040,
2184,
ja
126
130 ,
290 ,
1638,
3654,
ja
580
010 ,
021 ,
580,
1218,
ja
59
063 ,
260 ,
372,
1534,
ja
2
, 083
, 083
17,
17,
ja
12
045 ,
160 ,
54,
192,
ja
10
500 ,
500 ,
500,
500,
ja
55
070 ,
070 ,
385,
385,
ja
3
500 ,
500 ,
150,
150,
ja
1. 800
045 ,
110 ,
8100,
1.9800,
Nee
2.6872,
5.8358,
-
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de totale aangevraagde emissie per jaar lager is dan de maximale emissie per jaar. Bovendien waren huisvestingssystemen D 1. 3. 101 en D 3. 100 aanwezig op 1-1-2007. Hiermee wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting.
Pagina 15 van 51
IPPC De Wav legt in artikel 3 lid 3 een aanvullende toets op bij IPPC-installaties. Deze toets betekent dat een vergunning moet worden geweigerd als niet kan worden voldaan aan voorschriften welke nodig zijn vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of de plaatselijke milieuomstandigheden maar niet met toepassing van de in aanmerking komende BBT kunnen worden gerealiseerd. ,
,
,
Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij (Beleidslijn) De Wav en de RIE schrijven niet voor op welke wijze rekening moet worden gehouden met de technische kenmerken en geografische ligging van de veehouderij. Ook ontbreekt een omschrijving van wat onder plaatselijke milieuomstandigheden moet worden begrepen. Om deze leegte te vullen heeft het ministerie van VROM in 2007 de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij (Beleidslijn) vastgesteld. Met behulp van de Beleidslijn kunnen wij bepalen of en in hoeverre strengere emissie-eisen nodig zijn vanwege de technische kenmerken geografische ligging of plaatselijke milieuomstandigheden. Deze emissie-eisen worden in de Beleidslijn aangemerkt als “strenger dan BBT (BBT+)” en “veel strenger dan BBT (BBT++)”. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft uitgesproken dat de beleidslijn niet in strijd is met de IPPCrichtlijn (zie bijvoorbeeld uitspraak van 18 maart 2009 zaak 200800463/1). ,
,
Omdat volgens de aanvraag het aantal dieren niet wordt uitgebreid kan volgens de Beleidslijn worden volstaan met toepassing van BBT. Volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ,
voldoet een stalsysteem aan BBT als het voldoet aan de maximale emissiewaarde uit het Besluit emissiearme huisvesting. Verder heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat intern salderen ook een toepassing van BBT is. Zoals hierboven toegelicht voldoet de aanvraag aan het Besluit emissiearme huisvesting (en dus aan BBT). Een aanvullende toets aan de Beleidslijn is daarom niet nodig. ,
Bij de aanvraag is een toelichting gevoegd waarin de werking van de Beleidslijn nader is uitgewerkt. Volgens deze toelichting voldoet de aangevraagde situatie aan de Beleidslijn. Wij hebben de toelichting beoordeeld en zien geen aanleiding een andere conclusie te trekken. De Beleidslijn staat verlening van de aangevraagde vergunning dus niet in de weg. ,
Directe ammoniakschade aan gewassen In de Wav is aangegeven dat deze wet niet geldt voor de gevolgen voor het milieu die worden veroorzaakt door directe opname van ammoniak uit de lucht door planten en bomen. Vooral coniferen en fruitbomen zijn gevoelig voor ammoniakopname. Het rapport “Stallucht en Planten” van het IMAG in Wageningen uit 1981 schetst hoe deze gevolgen beoordeeld moeten worden. Om schade te voorkómen worden in het rapport minimale afstanden aanbevolen van minimaal 50 meter tussen stallen en meer gevoelige planten en bomen (bijvoorbeeld coniferen en
kasteelt). Een minimale afstand van 25 meter wordt aanbevolen tussen stallen en minder gevoelige planten en bomen (bijvoorbeeld een fruitboomgaard). Volgens het rapport geldt er geen minimale afstand tussen stallen en akkerbouwgewassen en grasland. Binnen de hierboven genoemde afstanden zijn geen coniferen of tuinbouwgewassen aanwezig. Er is op dit onderdeel geen (onaanvaardbare) directe ammoniakschade te verwachten. Eindconclusie Uit voorgaande blijkt dat de aanvraag gelet op ammoniak voldoet aan de wettelijke eisen en BBT. 2. 3. 3. 3 Luchtkwaliteit Toetsingskader Wabo en Wet milieubeheer
Pagina 16 van 51
Op grond van de Wet milieubeheer gelden de bepalingen van artikel 5. 2 en de daarbij behorende bijlage 2 van de Wet milieubeheer voor de luchtkwaliteitseisen. Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer houdt het bevoegd gezag bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot het verlenen van de omgevingsvergunning rekening met de in bijlage 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide stikstofdioxide stikstofoxiden zwevende deeltjes (PM 10 en PM) lood koolmonoxide en benzeen en de richtwaarden voor ozon nikkel 25 cadmium arseen en benzo(a)pyreen. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 staat beschreven op welke plaatsen er getoetst moet worden. Het toepasbaarheidsbeginsel en blootstelling speelt hierbij een grote rol. Volgens het toepasbaarheidsbeginsel hoeft op een aantal locaties de luchtkwaliteit niet vastgesteld te worden. Deze locaties betreffen terreinen van andere inrichtingen wegen en plaatsen waar het publiek in de praktijk niet zal verblijven (zoals natuurgebieden met een hek erom terreinen van het Ministerie van Defensie akkers en spoorwegen). Voor de blootstellingstijd geldt dat deze significant moet zijn ten opzichte van een etmaal. Een plaats met significante blootstelling kan bijvoorbeeld een woning school winkel loods of sportterrein zijn. Op plaatsen waar geen sprake is van significante blootstelling hoeft de luchtkwaliteit niet beoordeeld te worden. ,
,
,
,
,
,
Uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 blijkt dat de emissie van fijnstof bij agrarische bedrijven met standaard rekenmethode 3 (SRM3) berekend moeten worden. Het luchtkwaliteitsmodel ISL3a (welke voldoet aan SRM3) is specifiek bedoeld om de gevolgen van (agrarische en industriële) puntbronnen op de luchtkwaliteit in de omgeving te bepalen. Fijnstof komt vooral vrij vanwege de emissie van huid- mest- voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen. De beoordeling richt zich dan ook met name op de concentratie fijnstof afkomstig van het houden van dieren. ,
,
Op 12 december 2018 is de gewijzigde Regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl) gepubliceerd. Om te voorkomen dat nieuwe overschrijdingen van de grenswaarden voor zwevende deeltjes ontstaan is in het tweede lid van artikel 73 voorgeschreven dat onder bepaalde omstandigheden een meer gedetailleerde cumulatieve berekening nodig is. Met de wijziging is het vanaf 1 januari 2019 daarom in bepaalde gevallen verplicht om bij de toetsing van een oprichting of wijziging van een veehouderij ook omliggende veehouderijen in een straal van 500 meter in te voeren in het rekenprogramma ISL3a. Deze meer gedetailleerde cumulatieve berekening is alleen nodig bij veehouderijen die een aanvraag indienen met een totale fijnstof emissie van meer dan: 500 kg/jaar als de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 µg/m 3 of • 800 kg/jaar ongeacht de achtergrondconcentratie. • ,
,
Bij de beoordeling is gebleken dat de totale emissie in de aangevraagde situatie minder is dan 500 kg PM 10 /jaar. Een meer gedetailleerde cumulatieve berekening is daarom in dit geval niet nodig.
Emissiefactoren fijnstof Op grond van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moet voor de berekening van concentraties van fijnstof gebruik worden gemaakt van de meest actuele emissiegegevens die zijn gepubliceerd (voor het laatst in maart 2022) op de website van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Besluit emissiearme huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren (Besluit emissiearme huisvesting) In het Besluit emissiearme huisvesting is bepaald dat in een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 juli 2015 geen huisvestingssystemen worden toegepast met een emissiefactor voor zwevende deeltjes (PM) 10 die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor zwevende deeltjes (PM)10 die voor de desbetreffende diercategorie is opgenomen.
Pagina 17 van 51
Alleen voor pluimvee zijn in het Besluit emissiearme huisvesting maximale emissiewaarden opgenomen voor zwevende deeltjes (PM). 10 De gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor de luchtkwaliteit Onderhavige inrichting betreft een veehouderij. Bij veehouderijen is in het kader van de genoemde luchtkwaliteitseisen met name de emissie van zwevende deeltjes (PM 10 en PM) 25 ofwel fijnstof-emissie van belang. ,
,
Voor zwevende deeltjes (PM) 10 gelden de volgende grenswaarden: 40 microgram per m3 (µg/m3 ) als jaargemiddelde concentratie; 50 microgram per m3 (µg/m3 ) als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM) 25 gelden de volgende grenswaarden: 3 25 microgram per m gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. ,
,
,
Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) In het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen’ wordt geregeld welke nieuwe ontwikkelingen van een dermate beperkte omvang zijn dat de invloed van deze plannen op de lokale luchtkwaliteit niet meer individueel getoetst hoeft te worden aan de geldende grenswaarden voor luchtkwaliteit. Met het van kracht worden van het NSL geldt dat de invloed op de lokale luchtkwaliteit minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor PM 10 dient te zijn om het plan als ‘niet-significant’ aan te merken. Deze plannen worden dan niet relevant geacht voor de lokale luchtkwaliteit. Als de bijdrage meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde moet worden aangetoond dat de grenswaarde niet overschreden wordt. ,
,
Op basis van artikel 4 van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen’ is een ministeriële regeling van kracht geworden (‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’). In deze regeling worden een aantal ontwikkelingen genoemd die in elk geval als ‘niet in betekenende mate’ kunnen worden aangemerkt. De aangevraagde activiteiten worden in de regeling niet aangewezen als ontwikkelingen die zonder meer als niet in betekenende mate worden aangemerkt. ,
Artikel 5. 16 lid 1c van de Wet milieubeheer staat verlening van een vergunning toe als de aangevraagde situatie niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie fijnstof. ,
Handreiking fijnstof en veehouderijen In de Handreiking fijnstof en veehouderijen wordt vermeld dat het niet altijd noodzakelijk is om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering bijvoorbeeld op basis van ervaring. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding NIBM is. Deze staan in de onderstaande tabel die gebaseerd is op de 3% NIBM grens. ,
,
Tabel 4a: NIBM Afstand tot te toetsen plaats
70
Totale emissie in g/jr van uitbreiding
324. 000
80
m
m
387. 000
90
m
473. 000
100
m
120 m
140 m
160
581. 000
817. 000
1. 075. 000
1. 376. 000
m
Bron: Handreiking fijnstof en veehouderijen.
Pagina 18 van 51
In bovenstaande tabel 4a kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. Met behulp van de emissiefactorenlijst op www. vrom. nl kan uitgerekend worden of de totale toename in emissie onder de NIBM grens blijft. De hoeveelheid nieuwe dieren wordt vermenigvuldigd met de emissiefactoren deze worden vergeleken met de waarden uit de tabel. De getallen in de tabel zijn als worst-case bepaald inclusief een veiligheidsmarge. Als bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de uitbreiding zeker NIBM. ,
,
,
Conclusie/samenvattend Uit de onderstaande tabel 4b blijkt dat de aangevraagde situatie voldoet aan de NIBM regel. Tabel 4b: Toetsing Luchtkwaliteit (fijnstof) Aanvraag afstand uit tabel 4a Afstand tot te toetsen plaats
80
387. 000 g/jr.
m.
Afstand tot te toetsen plaats Totale emissie in g/jr van beoogde situatie
Maximale totale emissie (tabel 4a)
87
Emissie beoogde situatie 227. 046 g/jr.
m.
De aanvraag voldoet aan de eisen van artikel 5.16 lid 1 onder c van de Wet milieubeheer. Aan de bepalingen van de Wet milieubeheer voor de luchtkwaliteitseisen en BBT wordt voldaan. ,
,
,
2. 3. 3. 4 (Volks)gezondheid Als door het in werking zijn van een inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan moeten deze risico’s bij de beoordeling van een vergunningaanvraag worden meegenomen. ,
Op 7 juli 2016 is het onderzoek 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden gepubliceerd (RIVM rapport kenmerk 2015 – 0058 5 juli 2016hierna ‘ VGO-onderzoek'). Het doel van het VGO-onderzoek was om meer duidelijkheid te verkrijgen over mogelijke gezondheidseffecten van de veehouderij op de gezondheid van omwonenden vooral infectieziekten en luchtwegaandoeningen in relatie tot luchtverontreiniging (zoals fijnstof en endotoxinen). Het VGO-onderzoek richtte zich op mogelijke verbanden tussen stoffen en micro-organismen van veehouderijen en gezondheidseffecten. De bevindingen van dit VGO-onderzoek hebben aanleiding ,
,
,
,
gegeven voor vervolgonderzoek.
Als vervolg hierop is op 16 juni 2017 het onderzoek “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies) Analyse van gezondheidseffecten risicofactoren en uitstoot van bioaerosolen” gepubliceerd (RIVMrapport 2017-0062 hierna VGO2-onderzoek). Op 22 oktober 2018 is het eerste deelonderzoek van het onderzoeksprogramma VGO3 gepubliceerd (Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen: actualisering van gegeven uit huisartsenparktijken 2014-2016 hierna VGO3-onderzoek). Op 10 oktober 2019 is het tweede deelonderzoek van VGO3 gepubliceerd (Longontsteking in de nabijheid van geitenhouderijen in Gelderland Overijssel en Utrecht). Op 24 november 2021 is het derde deelonderzoek van VGO3 gepubliceerd (Longontsteking in de nabijheid van geitenhouderijen in Noord-Brabant en Limburg Actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2017–2019). ,
,
,
,
,
,
In deze studies zijn een aantal mogelijke relaties tussen veehouderij en gezondheidseffecten geconstateerd: Duidelijk is geworden dat de afstand tot veehouderijen er toe doet. Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner
Pagina 19 van 51
wordt en/of het aantal (dichtheid) veehouderijen in een gebied groter wordt. Veehouderijsectoren met de hoogste uitstoot van fijnstof zoals pluimvee- en varkenshouderij dragen duidelijk bij aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Opvallend was verder dat ook sectoren van de veehouderij die niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen toch substantieel lijken bij te dragen aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Er zijn sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties en dat er een verminderde longfunctie is bij een hoge concentratie van ammoniak in de lucht. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. De onderzoeken bevestigen de conclusie dat mensen met COPD die in de buurt van veehouderijen wonen vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand van veehouderijen wonen. Daar staat tegenover dat bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen astma en neusallergie minder voor komen. ,
-
-
,
,
,
Omdat de VGO-onderzoeken de veehouderijsector als geheel betreft kunnen er momenteel geen conclusies over een individueel bedrijf uit afgeleid worden. De onderzoeken houden immers geen rekening met de specifieke omstandigheden van/op dat bedrijf en de nabije omgeving van dat bedrijf. ,
Ofschoon de onderzoeken wel een relatie tussen veehouderijen en gezondheid hebben aangetoond ontbreken er vooralsnog de (wetenschappelijke) inzichten wat hiervan het oorzakelijk verband is. Niet duidelijk is wát precies de genoemde gezondheidseffecten veroorzaakt. Om meer inzicht te krijgen wat in de lucht rondom ,
intensieve veehouderijen gebeurt vinden momenteel diverse aanvullende onderzoeken plaats. De bevindingen en conclusies daarvan laten nog wel enige tijd op zich wachten. De resultaten van deze vervolgonderzoeken zijn van essentieel belang voor de vorming van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en de ontwikkeling van een wettelijk en beleidsmatig toetsingskader. Vooralsnog ontbreken deze voor wat betreft het aspect gezondheid en geven momenteel dan ook geen aanleiding om de gevraagde omgevingsvergunning milieu op grond van het voorzorgsbeginsel te moeten weigeren. ,
,
Bovenstaande laat echter onverlet dat momenteel op bedrijfsniveau maatregelen moeten worden genomen om de uitstoot en verspreiding van geur fijnstof ammoniak endotoxinen en andere gezondheids-gerelateerde emissie zoveel als mogelijk is te reduceren. Daarvoor zijn in de voorliggende aanvraag voorzieningen en maatregelen opgenomen ter reductie van de ziektedruk voor zowel mens als dier. Het gaat hier om de volgende (aangevraagde) voorzieningen en maatregelen: Varkens worden binnen de inrichting inpandig gehouden en paarden en schapen worden beperkt inpandig gehouden. Binnen de inrichting gelden strikte hygiënemaatregelen en er gelden voorschriften die de hygiëne bevorderen. Binnen de inrichting is/zijn een of meerdere hygiëneslui(s)zen aanwezig. Personeel en bezoekers zijn verplicht om de stallen via een hygiënesluis te betreden en te verlaten. Personeel en bezoekers moeten gebruik maken van kleding en schoenen van het bedrijf. Om verspreiding van gezondheids-gerelateerde emissies buiten de inrichting te beperken wordt in de aangevraagde situatie alle ventilatielucht van de stal nr 2 via een chemische luchtwassysteem; BWL 2013. 08. V3 geleid met een verwijderingsrendement van 90% voor ammoniak 30% voor geur en 35% voor fijnstof (PM). 10 De ventilatielucht van stal nr 4 wordt deels via een chemisch luchtwassysteem; BWL 2007. 05.
V7 geleid met een verwijderingsrendement van 95% voor ammoniak 30% voor geur en 35% voor fijnstof (PM). 10 Alle ventilatielucht van stal nr 5 via een gecombineerd luchtwassysteem; BWL 2009. 12. V4) geleid met een verwijderingsrendement van 85% voor ammoniak 45% voor geur en 80% voor fijnstof (PM). 10 En alle ventilatielucht van stal nr 8 via een gecombineerd luchtwassysteem; BWL 2006. 14. V7) geleid met een verwijderingsrendement van 85% voor ammoniak 30% voor geur en 80% voor fijnstof ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Pagina 20 van 51
(PM). 10 Deze systemen voldoet daarmee aan de huidige milieutechnische inzichten van BBT++ de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij de Wet geurhinder en veehouderij en de wettelijke concentratiegrenswaarden voor fijnstof (PM 10 en PM). 25 de stand de technieken die gebruikt worden in de veehouderijsector zijn andere (aanvullende) Gezien van maatregelen redelijkerwijs niet mogelijk/reëel. ,
,
,
Mede gelet op de in de aanvraag opgenomen voorzieningen en maatregelen die gezondheids-gerelateerde emissies beperken het feit dat er specifieke gezondheidsvoorschriften voor het houden van dieren gelden het feit dat vooralsnog algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en wettelijke en beleidsmatig toetsingskaders voor het aspect gezondheid ontbreken zijn er naar ons oordeel geen zodanige risico's voor de gezondheid aanwezig dat de aangevraagde omgevingsvergunning milieu om die reden zou moeten worden geweigerd. ,
,
,
Verder hebben de volgende omstandigheden bij onze overwegingen een rol gespeeld: De aanvraag leidt tot een verbetering ten opzichte van de bestaande en al eerder vergunde situatie. Zowel de ammoniak- geur- als fijnstofemissie neemt in de aangevraagde situatie aanzienlijk af. Bekend is dat endotoxines zich aan fijnstofdeeltjes kunnen hechten. De fijnstof-emissie van de aangevraagde situatie leidt tot een vermindering van de fijnstofemissie en dus ook van de mogelijke uitstoot van endotoxine. Bovendien wordt in de bestaande situatie met betrekking tot de uitstoot van fijnstof ook al ruimschoots voldaan aan de wettelijk geldende concentratiegrenswaarden. Vooralsnog ontbreekt inzicht in welke minimale afstanden tot gevoelige objecten daarvoor zouden moeten worden aangehouden. Toetsingskaders daarvoor ontbreken vooralsnog en geven momenteel ook geen duidelijke (eensluidende) aanknopingspunten. Binnen de inrichting wordt de bestaande stal 5 van traditioneel naar emissiearm huisvestingssysteem met een (gecombineerd) luchtwassysteem omgebouwd. De aanvraag leidt dus ook voor het al bestaande deel van de inrichting tot een verbetering van de gezondheids-gerelateerde luchtemissies. In de onderzoeken werd een verband gevonden in ziektedruk bij de aanwezigheid van meer dan 15 veehouderijen binnen een afstand van 1 kilometer afstand tot woningen.