CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Conceptbesluit omgevingsvergunning (geanonimiseerd)

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Bijlagen (geanonimiseerd)22.101 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

van

zwavelzuur beschikbaar zijn. De VIB moet

Toelichting: Het veiligheidsinformatieblad (ook wel genoemd " material safety data sheet " , MSDS) inrichting beschikbaar zijn. 7. 2

Opslag

van

mag

ook digitaal in de

zwavelzuur , binnen

7. 2. 1 De ruimte waarin de opslag- en/of aftapvoorziening voor zwavelzuur is opgesteld , inclusief de toegangsdeuren , vluchtdeuren , ventilatieopeningen of rookluiken , mag niet van brandgevaarlijk materiaal zijn vervaardigd. 7. 2. 2 De vloer van een de ruimte waarin de opslag- en/of aftapvoorziening is opgesteld , moet tenminste vloeistofkerend zijn en er mogen zich geen openingen in bevinden die in directe verbinding staan of kunnen worden gebracht met een riolering of met het oppervlaktewater. 7. 2. 3 Een toegangsdeur tot de opslagruimte , waarin opslag- en/of aftapvoorziening voor zwavelzuur is opgesteld , moet van buitenaf met een slot en sleutel of op een andere gelijkwaardige wijze afsluitbaar zijn , doch van binnenuit zonder sleutel kunnen worden geopend. Een toegangsdeur moet bij afwezigheid van deskundig personeel ter plaatse van de opslag- en/of aftapvoorziening zijn afgesloten. Een toegangsdeur moet naar buiten opendraaien. Op de toegangsdeur moet duidelijk zichtbaar het waarschuwingsbord " VERBODEN VOOR ONBEVOEGDEN " zijn aangebracht. 7. 2. 4 De ruimte waarin de opslag- en/of aftapvoorziening is opgesteld , moet met tenminste twee toegangsdeuren , die zoveel als mogelijk in tegenovergestelde zijden zijn gesitueerd , bereikbaar zijn.

Indien de afstand van het verst gelegen punt in de ruimte tot de deur minder bedraagt dan 15 meter , kan met één deur worden volstaan. 7. 2. 5 Zowel aan de buitenzijde van de ruimte waarin de opslag- en/of aftapvoorziening is opgesteld , nabij de toegangsdeur(en) als aan de binnenzijde van de ruimte , moeten op meerdere duidelijk zichtbare plaatsen waarschuwingsborden met het pictogram " BIJTENDE STOFFENworden " geplaatst , welke het gevaar van het opgeslagen zwavelzuur aanduiden. 7. 2. 6 Zowel aan de buitenzijde als binnenzijde van de ruimte waarin de opslag- en/of aftapvoorziening is opgesteld , moet een verbodsbord " VUUR , OPEN VLAM EN ROKEN VERBODEN " zijn aangebracht. 7. 2. 7 In de ruimte waarin de opslag- en/of aftapvoorziening is opgesteld , mogen geen stookinstallaties of andere warmte afgevende apparatuur zoals luchtverhitters en warmtewisselaars zijn opgesteld. Tevens mogen in deze ruimten geen werkzaamheden worden verricht waarbij risico voor beschadiging van de opslag- en/of aftapvoorziening bestaat.

Pagina 42 van 51

7. 2. 8 In de ruimte waarin de opslag- en/of aftapvoorziening is opgesteld , mogen geen gemotoriseerde transportmiddelen aanwezig zijn , anders dan ten behoeve van en slechts gedurende de tijd van het laden en lossen. 7. 3

Opslag

en

aftappen

van

zwavelzuur in stationaire tanks

7. 3. 1 Een opslag- en/of aftapvoorziening die vanuit een transportreservoir wordt gevuld , dient gesloten te worden uitgevoerd. Losse deksels zijn hiervoor niet toegestaan. 7. 3. 2 Een opslag- en/of aftapvoorziening moet aan de bovenzijde zijn voorzien van een vulleiding , een ontluchtingsleiding en een overloopleiding. De ontluchtings- en de overloopleiding moeten ten minste dezelfde diameter bezitten als de vulleiding. De ontluchtingsleiding en de overloopleiding moeten in de opvangbak circa 01, m boven de bodem uitmonden. De overloopleiding moet zijn voorzien van een hevelbreker. De ontluchtingsleiding en de overloopleiding dienen binnen de opvangbak uit te monden. 7. 3. 3 De overloopleiding

mag

nergens

hoger zijn gelegen dan de uitmonding

van

de ontluchtingsleiding.

7. 3. 4 Indien een opslag- en/of aftapvoorziening is voorzien van bij de aftapvoorziening een afsluiter zijn geplaatst.

een

onderaansluiting moet hierop

7. 3. 5 Een opslag- en/of aftapvoorziening moet zijn voorzien toegestaan.

van

een

zo

dicht mogelijk

niveaumeetinstallatie. Peilglazen zijn niet

7. 3. 6 In de zuigleiding moet een doelmatige afsluiter van tegen de inwerking materiaal aanwezig zijn.

van

de opgeslagen vloeistof bestand

7. 3. 7 Indien de opslag- en/of aftapvoorziening wordt gevuld uit een tankwagen , dient dit te geschieden door een zowel aan de aanvoerende tankwagen als aan de vulleiding gekoppelde losslang. De tankwagen moet tijdens het vullen in de open lucht zijn opgesteld. 7. 3. 8 De plaats waar de tankwagen op de vulleiding moet worden aangesloten moet duidelijk zijn gekenmerkt met de aanduiding " VULPUNT ZWAVELZUUR." 7. 3. 9 Alvorens met het vullen van de opslag- en/of aftapvoorziening wordt begonnen moet door vaststelling vloeistofstand in het reservoir de mate van vulling nauwkeurig worden vastgesteld.

van

de

7. 3. 10 Indien het vulpunt buiten een gebouw is gelegen moet een geheel afsluitbare vloeistofkerende en productbestendige opvangbak zijn aangebracht met een voldoende groot oppervlak en die tenminste de inhoud van de vulslang kan bevatten of een tenminste even effectieve voorziening om gemorst product op te vangen. Eventuele doorvoeringen dienen eveneens productbestendig en vloeistofkerend te zijn uitgevoerd. 7. 4

Het zurencirculatiesysteem

7. 4. 1 De pompen voor het transport van zwavelzuur van de opslag- en/of luchtwasinstallatie(s) dient in de ruimte voor de opslag te worden geplaatst.

aftapvoorziening

naar

de

Toelichting: Indien de opslag buiten is mag de pomp onder het afdak worden geplaatst. 7. 4. 2 In de transportleidingen voor zwavelzuur dienen voorzieningen te zijn aangebracht waardoor wordt voorkomen dat in de leidingen een te hoge druk wordt opgebouwd.

Pagina 43 van 51

7. 4. 3 Alle leidingen

en

appendages moeten bestand zijn tegen de inwerking van zwavelzuur.

7. 4. 4 Alle leidingen

en

appendages moeten bovengronds zijn gelegen.

7. 4. 5 Bij bestaande stallen waar leidingen gelegd moeten worden dient men rekening te houden dat deze leidingen buiten de stal worden aangebracht. Deze leidingen dienen tegen de buitenmuur op maaiveldhoogte te worden aangebracht. 7. 4. 6 De leidingen

en

appendages dienen vloeistofdicht te zijn uitgevoerd.

7. 4. 7 De leidingen dienen jaarlijks op vloeistofdichtheid gecontroleerd te worden. De vergunninghouder dient deze controlegegevens 5 jaar binnen de inrichting te bewaren. 7. 4. 8 De toevoerleiding vanaf de opslagtank/ of container tot aan de luchtwasser moet zo kort mogelijk worden uitgevoerd doch niet langer dan 15 meter. De leiding dient dubbelwandig te zijn uitgevoerd. 7. 4. 9 Op alle leidingen waar geconcentreerd zwavelzuur door getransporteerd wordt dienen duidelijk leesbare stikkers in de kleur " geel " te zijn aangebracht met het woord " ZWAVELZUUR." Deze letters dienen minimaal 20 millimeter hoog te zijn. De stickers dienen om de meter zichtbaar op de leiding te zijn aangebracht. 7. 4. 10 De doseerpompen zijn geplaatst. 7. 4. 11 De doseerpompen

het verpompen

voor

mogen

van

zwavelzuur moeten in of boven

alleen worden gebruikt voor het verpompen

van

een

vloeistofkerende opvangbak

zwavelzuur.

7. 4. 12 Doseerleidingen moeten bestaan uit een vast leidingwerk van hogedruk polyethyleen. koppelingen dienen te worden uitgevoerd als flens- of lasverbinding. 7. 4. 13 De plaats waar zwavelzuur bereikbaar zijn.

aan

Verbindingen

en

de wasvloeistof in de luchtwasser wordt toegevoegd , moet gemakkelijk

7. 4. 14 Het zwavelzuur dient direct na toevoeging intensief met de wasvloeistof te worden gemengd. 7. 4. 15 Teneinde een zo effectief mogelijke beheersing van de pH te verkrijgen moet de dosering van zwavelzuur automatisch plaatsvinden. Dit moet geschieden door het koppelen van de doseerpomp aan een continue pH meting van de wasvloeistof. 7. 5

Incidenten

en

onregelmatigheden

7. 5. 1 Personen die toegang hebben tot de opslagplaats voor zwavelzuur moeten deskundig zijn met betrekking tot de aard en de gevaarsaspecten van de opgeslagen stof en de te nemen maatregelen bij onregelmatigheden. Deze personen moeten daartoe een schriftelijk instructie of opleiding hebben ontvangen. Hiervan moet een bewijs aanwezig zijn. 7. 5. 2 Bij een opslagplaats voor zwavelzuur moet een bedrijfsnoodplan aanwezig zijn , waarin onder ander is omschreven hoe de inspectie van de vloeistofkerende vloer en het opruimen van gelekte of gemorste stoffen wordt gewaarborgd. Hierbij moet aandacht zijn besteed aan instructies van het personeel , aanwezigheid van absorptiematerialen , overzicht van uitgevoerde en uit te voeren periodieke visuele inspecties en de te treffen handelingen indien een vloer of een lekbak niet meer vloeistofkerend is.

Pagina 44 van 51

7. 5. 3 In het bedrijfsnoodplan moet een duidelijke leesbare instructie zijn aangebracht over de te nemen maatregelen in het geval van incidenten of calamiteiten. Deze instructie moet de namen , telefoonnummers en faxnummers bevatten van onder andere verschillende nood- en hulpdiensten en van andere instanties en personen waarmee in het geval van incidenten of calamiteiten contact moet worden opgenomen. Tevens moeten in deze instructie de benodigde gegevens zijn vermeld van een erkend bedrijf voor verwerking. 7. 6

Brandveiligheidseisen opslag zwavelzuur

7. 6. 1 De opslagtanks/containers dienen in een separaat brandcompartiment geplaatst brandcompartiment dient van buiten naar binnen een weerstand tegen branddoorslag (WBDBO) te bezitten van ten minste 60 minuten. 7. 6. 2 Alle toegangsdeuren tot het brandcompartiment dienen zelfsluitend uitgevoerd te zijn en WBDBO niet negatief beïnvloeden.

te en

worden. Dit brandoverslag

mogen

de gestelde

7. 6. 3 In geval van calamiteit dient de pomp voor het transporteren van zwavelzuur automatisch uitgeschakeld te worden. Hierdoor kan er niet meer zwavelzuur buiten het brandcompartiment vrijkomen dan wat er op dat moment in de transportleiding van de opslagvoorziening naar de luchtwasser aanwezig is. 7. 6. 4 Alle deuren die toegang verschaffen naar het brandcompartiment , en de ruimte waarin het brandcompartiment is gesitueerd , dienen voorzien te zijn van een gevarensticker waarop duidelijk is waar te nemen dat zwavelzuur aanwezig is (met vermelding van het concentratiepercentage). 7. 6. 5 In de opslagruimte dient een rookverbod 8

van

kracht te zijn.

OPSLAG REINIGINGS- EN DIERGENEESMIDDELEN

8. 1 Diergeneesmiddelen 8. 1. 1 Diergeneesmiddelen moeten geventileerde ruimte.

worden bewaard

8. 1. 2 In de lekbak voor de diergeneesmiddelen

in

mogen

een

daartoe

bestemde

lekbak in

een

afgesloten

goed

afgesloten

goed

andere stoffen worden opgeslagen.

geen

8. 2 Reinigingsmiddelen 8. 2. 1 Reinigingsmiddelen moeten geventileerde ruimte.

worden

bewaard

8. 2. 2 In de lekbak voor de reinigingsmiddelen mogen 9

in

een

geen

daartoe

bestemde

lekbak in

een

andere stoffen worden opgeslagen.

NOODSTROOMAGGREGAAT

9. 1 Algemeen 9. 1. 1 Een noodstroomaggregaat

mag

uitsluitend worden beproefd tussen 7. 00

en

19. 00 uur.

9. 1. 2 De uitmonding van de afvoerleiding voor verbrandingsgassen moet zodanig in de buitenlucht zijn gesitueerd dat door deze gassen buiten de inrichting geen hinder wordt veroorzaakt.

Pagina 45 van 51

10 AFVALSTOFFEN 10. 1 Afvalscheiding 10. 1. 1 Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden , gescheiden te houden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: kadavers; TL-buizen; landbouwplastic; papier/karton; overige afvalstoffen van huishoudelijke aard.

en

gescheiden

10. 1. 2 Gebruikte poetsdoeken , absorptiematerialen en overige gevaarlijke afvalstoffen , die vrijkomen bij onderhoudswerkzaamheden en bij het verwijderen van bijvoorbeeld gemorste olie of diesel moeten worden bewaard in vloeistofdichte en afgesloten emballage die bestand is tegen inwerking van de betreffende afvalstoffen. 10. 2

Opslag

van

afvalstoffen

10. 2. 1 De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het openbaar terrein rond de inrichting plaatsvinden , dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen. 10. 2. 2 De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn dat: niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast , dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; deze tegen normale behandeling bestand is; deze is voorzien van een etiket , waarop de gevaarsaspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen. 10. 2. 3 Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.

dat de

verschillende

soorten

11 ENERGIE 11. 1. 1 Binnen 3 maanden nadat de vergunning in werking is getreden en de inrichting volledig in werking is gebracht , wordt door degene die de inrichting drijft een energiebesparingsonderzoek bij het bevoegd gezag ingediend. Het bevoegd gezag kan daarbij aanvullende gegevens vragen en keurt uiterlijk binnen drie maanden na indiening het energiebesparingsrapport goed dan wel eist een nieuw of aangepast onderzoek. Het onderzoek heeft tot doel om rendabele en technisch haalbare energie efficiency verhogende maatregelen te identificeren. Rendabele maatregelen zijn maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of korter. De rapportage moet tenminste de volgende gegevens bevatten: a. de onderneming waar de inrichting onderdeel van uitmaakt (indien van toepassing); b. beschrijving van de processen , faciliteiten en gebouwen (eventueel per bedrijfsonderdeel); c. het energieverbruik van de inrichting: 1°. inclusief energie die door de inrichting zelf wordt opgewekt en gebruikt; 2°. gemeten over een heel kalenderjaar; 3°. aan de hand van recente gegevens; 4°. in kilowattuur (kWh) elektriciteit en kubieke meter (m)3 aardgasequivalent; d. beschrijving van de energiehuishouding , dat wil zeggen een overzicht van de energiebalans van de totale inrichting met een toedeling van tenminste 90% van het totale energiegebruik aan individuele installaties en (deel)processen;

Pagina 46 van 51

de

randvoorwaarden, omschreven bij de maatregelen van de bedrijfstak agrarische sector in bijlage 10 uit Activiteitenregeling, waar de inrichting aan voldoet; _de randvoorwaarden, omschreven bij de maatregelen van de bedrijfstak agrarische sector in bijlage 10 uit de Activiteitenregeling, waar de inrichting niet aan voldoet; een overzicht van de gehanteerde bronnen om energiebesparingsmaatregelen te identificeren; een overzicht van alle overwogen energiebesparende maatregelen, die zowel mogelijk als realistisch zijn, en te nemen energiebesparende maatregelen. Van de mogelijke maar afgevallen energiebesparende maatregelen dient de reden van afvallen te worden aangegeven; perte treffen techniek/voorziening dienen de volgende gegevens te worden overgelegd: 1° de jaarlijkse energiebesparing; 2° de (meer) investeringskosten; 3° de verwachte economische levensduur; 4° de jaarlijkse besparing op de energiekosten op basis van de energietarieven die tijdens het onderzoek elden; 5e schatting van eventuele bijkomende kosten en baten anders dan samenhangend met energiebesparing; 6° de terugverdientijd op basis van de (meer)investeringskosten en de baten; een overzicht van die leiden tot mogelijke organisatorische en goodhousekeeping maatregelen beheer en onderhoud van de energiebesparing (doelmatig installaties).

e.

de f.

OO Js

i.

cen

j.

11,1.2 Indien uit het energiebesparingsonderzoek blijkt dat er maatregelen zijn geïdentificeerd die zich binnen vijf jaar terugverdienen stelt het bevoegde gezag een redelijke termijn vast waarbinnen de maatregel moet zijn uitgevoerd. Voor zover dat uit de berekening van de terugverdientijd blijkt kan het bevoegd gezag bepalen dat een maatregel op een natuurlijk moment (bijvoorbeeld bij de eerstvolgende vervanging van het toestel) mag worden uitgevoerd 11,1.3

Vergunninghoud(stjer moet eenmaal zenden aan het bevoegd gezag.

12

per

vier

jaar

het

energie

onderzoek

actualiseren

en

ter

beoordeling

GELUID

12.1

Algemeen

12.1.1 Controle

op en berekeningen van de in de voorschriften opgenomen geluidgrenswaarden moeten geschieden overeenkomstig de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai, 1999" (ministerie van VROM) op een waarneemhoogte van 1,5 m boven maaiveld in de dagperiode van 7.00 tot 19.00 uur en 5 m boven het maaiveld in de overige perioden van 19.00 tot 7.00 uur, zonder de eventuele reflectiebijdrage van een Ook de van de meetresultaten moet overeenkomstig deze handleiding achterliggende gevel. beoordeling plaatsvinden. 12.1.2 De

ligging

van

onderstaande

“Notitie geluid inrichting Mts. behorende bij de aanvraag. 12.2

Representatieve

beoordelingspunten Van

de

Goor

staan

beschreven

in het akoestisch

onderzoek

(geanonimiseerd) 4e. 4 oktober 2022” EN,

bedrijfssituatie

12.2.1 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de inrichting aanwezige toestellen en

activiteiten, alsmede door het beoordelingspunten niet meer

Larir en het maximale geluidsniveau LA,max veroorzaakt door de installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op onderstaande bedragen dan:

Pagina

47 van

51

12. 3

Incidentele bedrijfssituaties

12. 3. 1 De incidentele bedrijfssituaties , zoals omschreven in de notitie “Akoestisch onderzoek industrielawaai incidentele bedrijfssituatie MTS Van de Goor , Hazenhorstweg 1-3 te Sevenum´ met kenmerk 1808/120/RVbrf2” mogen per jaar maximaal 12 dagen voorkomen.

Pagina 48 van 51

12. 3. 2 In afwijking van wat is gesteld in de voorschriften 12. 2. 1 mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L ArLT (in dB(A)) en het het maximale geluidsniveau L Amax (in dB(A)) in de incidentele bedrijfssituatie op beoordelingspunten niet meer bedragen dan aangegeven in de notitie “Akoestisch onderzoek industrielawaai incidentele bedrijfssituatie MTS Van de Goor , Hazenhorstweg 1-3 te Sevenum´ met kenmerk 1808/120/RVbrf” Geluidsonderzoek . ,

,

12. 3. 3 Binnen 3 maanden nadat de vergunning in werking is getreden en de inrichting volledig in werking is gebracht moet door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage) aan het bevoegd gezag worden aangetoond dat aan de geluidsvoorschriften van deze vergunning wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen die termijn schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd. Het bevoegd gezag moet vooraf geïnformeerd worden over datum en tijdstip waarop de geluidmetingen voor bovengenoemde rapportage plaatsvinden. Aan de opzet van het onderzoek kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen in verband met mogelijke specifieke omstandigheden. 13

NAZORG

13. 1 Algemeen 13. 1. 1 Minimaal een maand vóór het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten waarvoor vergunning is verleend , moet de inrichtinghouder van het tijdstip waarop de activiteiten zullen worden beëindigd , melding aan ons doen. 13. 1. 2 Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten , waarvoor vergunning is verleend , dient de inrichting of het betreffende inrichtinggedeelte in een schone en ordelijke staat te zijn gebracht. 13. 1. 3 Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten , waarvoor vergunning is verleend , moeten installaties en/of onderdelen , welke in slechte staat van onderhoud verkeren en een bedreiging vormen voor het milieu , uit de inrichting worden verwijderd. 13. 1. 4 Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten , waarvoor vergunning is verleend , dienen de in de inrichting aanwezige (gevaarlijke) afvalstoffen uit de inrichting of het betreffende inrichtinggedeelte te worden verwijderd. 13. 1. 5 Indien stallen niet meer in gebruik zijn , moeten deze zijn gereinigd

en

ontsmet.

13. 1. 6 Voedersilo's , mestopslagen , putten , silo's , voorraadvaten , installaties en apparatuurbehorende luchtwassers , welke niet meer in gebruik zijn , moeten zijn geledigd en gereinigd.

bij

de

Pagina 49 van 51

BIJLAGE: BEGRIPPEN ** VOOR ZOVER EEN DIN- , NEN- , NEN-EN- , OF NEN-ISO-NORM , . . . : Voor zover in een voorschrift verwezen wordt naar een DIN- , DIN-ISO , NEN- , NEN-EN- , NEN-ISO- , NVN-norm , AI-blad , BRL , CPR , PGS of NPR , wordt de uitgave bedoeld die voor de datum waarop de vergunning is verleend het laatst is uitgegeven met tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen. Indien er sprake is van reeds bestaande constructies , toestellen , werktuigen en installaties is -de norm , BRL , CPR , PGS , NPR of het AI-blad van toepassing die bij de aanleg of installatie van die constructies , toestellen , werktuigen en installaties is toegepast , tenzij in het voorschrift anders is bepaald. Alle onderstaande verklaringen en definities zijn van toepassing op de in de voorschriften gebruikte benamingen en termen , aangevuld met , dan wel in afwijking van de in NEN 5880 (Afval en afvalverwijdering , Algemene termen en definities) en de NEN 5884 (Afval en afvalverwerking , termen en definities voor bouwen sloopafval) gegeven verklaringen en definities. BESTELADRESSEN: publicaties zijn in ieder geval verkrijgbaar bij de onderstaande instanties: - AI-bladen bij: SDU Service , afdeling Verkoop Postbus 20025 2500 EA DEN HAAG telefoon (070) 378 98 80 telefax (070) 378 97 83 www. sdu. nl -

PGS-richtlijnen zijn digitaal verkrijgbaar via www. publicatiereeksgevaarlijkestoffen. nl

DIN , DIN-ISO , NEN , NEN-EN , NEN-ISO , NVN-normen en NPR-richtlijnen bij: Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) , Afdeling verkoop Postbus 5059 2600 GB DELFT telefoon (015) 269 03 91 telefax (015) 269 01 90 www. nen. nl -

BRL-richtlijnen bij: KIWA Certificatie en Keuringen Postbus 70 2280 AB RIJSWIJK telefoon (070) 414 44 00 telefax (070) 414 44 20 -

-

InfoMil is het informatiecentrum in Nederland

over

milieu wet-

en

regelgeving.

www. infomil. nl

BEDRIJFSRIOLERING: Een stelsel van buizen , verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken , gootelementen , verzamelputten en installaties , zoals slibvangputten , olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater. FEESTDAGEN: Feestdagen zoals gedefinieerd in de Algemene termijnenwet. GELUIDSNIVEAU IN DB(A): Het niveau van het ter plaatse optredende geluid , uitgedrukt in dB(A) , overeenkomstig de door de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) terzake opgestelde regels , zoals neergelegd in de IECpublicatie no. 651 , uitgave 1989. GOEDEREN: Producten als genoemd in bijlage 7 van de NeR. Bijlage 7 van de NeR geeft de klassenindeling van de meest voorkomende stortgoederen. Deze lijst moet overigens niet als limitatief worden gezien , doch kan aanvullingen of wijzigingen ondergaan.

Pagina 50 van 51

PREVENTIE: Maatregelen die worden genomen voordat een stof , materiaal of product afvalstof is geworden , ter vermindering van: de hoeveelheden afvalstoffen , al dan niet via het hergebruik van producten of de verlenging van de levensduur van producten; de negatieve gevolgen van de geproduceerde afvalstoffen voor het milieu en de menselijke gezondheid , of het gehalte aan schadelijke stoffen in materialen en producten. VLOEISTOFKERENDE VOORZIENING: Fysieke barrière die in staat is stoffen tijdelijk te keren

Pagina 51 van 51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16272796/1