09c Toelichting nieuw
Tekst van het document
Hoofdstuk 3
26
3.5.5 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. Op 31 januari 2020 is het ontwerp-bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren Horst aan de Maas’ ter inzage gelegd, waarin de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas is opgenomen als Bijlage 1. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers (CROW publicatie 317 Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). In afwijking van de CROW-publicatie is in de Nota Parkeernormen voor alle type appartementen en woonhuizen, ongeacht de prijsklasse en eigendomssituatie, één parkeernorm opgenomen. Vanwege de landelijke ‘setting’ van de gemeente Horst aan de Maas heeft het type woning en prijsklasse van de woning nauwelijks invloed op het autobezit. Vandaar dat gekozen is voor één categorie ‘wonen’. Basis blijft dat ontwikkelingen moeten voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein. Afweging Door middel van het voorliggende bestemmingsplan worden maximaal 16 nieuwe appartementen mogelijk gemaakt. Hierbij dient conform de Nota Parkeernormen te worden voorzien in 1,8 parkeerplaatsen per appartement. Binnen het plangebied wordt voorzien in 21 parkeerplaatsen.
De overige 8 parkeerplaatsen worden opgevangen in de openbare parkeergelegenheden.
3.6 Conclusie De gewenste woningbouwontwikkeling binnen het plangebied past, met uitzondering van de kaders van het vigerende bestemmingsplan, binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie, de regio als de gemeente Horst aan de Maas zelf.
Hoofdstuk 3
27
4.
PLANBESCHRIJVING
4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Binnen het plangebied worden maximaal 16 appartementen mogelijk gemaakt. Het betreft hierbij de realisatie van twee bouwblokken (appartementencomplexen), bestaande uit twee bouwlagen. Op iedere verdieping van alle twee de appartementencomplexen worden derhalve vier appartementen gerealiseerd. Aan de oost- en westzijde van de appartementen die op de begane grond zijn gelegen worden tuinen gerealiseerd. Deze worden afgeschermd middels een haag. Te midden van de twee appartementencomplexen wordt een groenvoorziening aangelegd met enkele solitaire bomen. Aan de noordzijde van deze groenvoorziening is een trappenhuis gelegen met lift. Middels de trap en lift wordt toegang verschaft tot de eerste verdieping van de bebouwing.
Toekomstige functionele indeling plangebied
Aan de noordzijde van het plangebied wordt een in- en uitrit voorzien, welke direct aansluit op de Wilhelminastraat. Daarnaast wordt aan de noordzijde voorzien in de realisatie van een parkeerterrein met 21 parkeerplaatsen. Aan de noordoostzijde worden daarnaast 16 bergingen gerealiseerd voor de bewoners van de toekomstige appartementen. Tot slot zal er een voetpad worden aangebracht, welke ten westen aansluit op de Wilhelminastraat en ten zuiden op de Kloosterstraat.
Hoofdstuk 4
28
De bouwhoogte van de appartementencomplexen bedraagt maximaal 6,2 meter. De bouwhoogte van de lift wijkt echter gering af met een maximale bouwhoogte van 7,2 meter. De bebouwing zal afgedekt worden met een sedum dak. Daarnaast krijgen de gebouwen groene kopgevels. In de onderstaande afbeeldingen volgt een weergave van de gevelaanzichten van de beoogde bebouwing.
Aanzicht westgevel vanuit westelijke richting (vanuit de Wilhelminastraat) gezien.
Aanzicht zuidgevel vanuit zuidelijke richting (Kloosterstraat) gezien.
Aanzicht oostgevel vanuit oostelijke richting.
Aanzicht noordgevel vanuit noordelijke richting (Monseigneur Joostenstraat) gezien.
Hoofdstuk 4
29
Aanzicht doorsnede gallerij woonblokken
In de onderstaande afbeelding is daarnaast een uitsnede zichtbaar van de functionele indeling van het plangebied (verbeelding).
4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een woongebied met maximaal 16 appartementen mogelijk. Vanuit functioneel opzicht is woningbouw passend op deze locatie, gezien de ligging binnen een bestaande woonwijk in de kern Grubbenvorst. Middels deze ontwikkeling wordt een herontwikkelingslocatie in een woonwijk op een passende manier ingevuld. Verder sluit de bebouwing qua hoogte en opbouw in grote mate aan bij de omliggende stedenbouwkundige structuur.
Functionele indeling plangebied (verbeelding)
Hoofdstuk 4
30
Wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden wordt aansluiting gezocht bij het moederplan ‘Maaskernen’. De nieuwe bebouwing zal hierdoor qua situering en maatvoering aansluiten bij de omliggende woningen. Qua situering zullen de appartementencomplexen met de voorzijde naar elkaar toe worden geprojecteerd. Tussen de voorzijdes is een groenvoorziening beoogd om het groene karakter van de dorpskern terug te laten komen. Het beoogde beplantingsplan is in onderstaande afbeelding weergegeven. De groene invulling wordt geborgd door de bestemming ‘Groen’ en de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – verharding uitgesloten’. Binnen deze aanduiding is verharding niet toegestaan. Daarnaast wordt de groeninpassing geborgd middels een met de gemeente te sluiten overeenkomst.
Beplantingsplan
Tot slot dient opgemerkt te worden dat het plangebied reeds een geruim aantal jaren braakliggend is. Middels onderhavig plan wordt kwalitatief hoogwaardige bebouwing ter plaatse van het plangebied gerealiseerd. Dit heeft een positieve invloed op het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De nieuwbouw is van hoge kwaliteit en past beter in het straatbeeld. Concluderend kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt passend in de omgeving is. De realisatie van het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten tot gevolg op de omgeving.
Hoofdstuk 4
31
5.
SECTORALE ASPECTEN
5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten die aan de orde zijn bij het voorliggend initiatief. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan bod: milieu (geluid, bodem, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid, geur, spuitzones), waterhuishouding, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren, kabels en leidingen, duurzaamheid en ecologie.
5.2 Milieuaspecten Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. 5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de wijziging van de bestemming. Het plangebied is reeds bestemd tot ‘Centrum’ in het geldende bestemmingsplan ‘Maaskernen’. Er is geen specifieke aanduiding opgenomen die erop toeziet dat de gronden binnen het plangebied gebruikt mogen worden voor woondoeleinden.
Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van appartementen, wat gevoelige functies betreffen dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. BKK Bodemadvies heeft derhalve een verkennend bodem- en infiltratieonderzoek2 uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Hieronder worden de conclusies uit dit onderzoek samengevat. Voor een volledige weergave van het onderzoek wordt verwezen naar de separate bijlagen. Tijdens de terreininspectie zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie geen waarnemingen gedaan die leiden tot een (asbest)verdachte locatie. Tijdens de veldwerkzaamheden is vastgesteld dat in het opgeboorde materiaal puinbijmengingen aanwezig zijn. De aanwezigheid van ongedefinieerd puin maakt de bodem voor een gedeelte van de onderzoekslocatie verdacht voor asbest. Bij de uitvoering van de proefgaten zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen in het opgeboorde materiaal (grove fractie, > 20 mm) aangetroffen. Analytisch onderzoek heeft
2
BKK Bodemadvies bv, Verkennend bodem- en infiltratieonderzoek locatie Kloosterstraat / Wilhelminastraat te Grubbenvorst, projectnr.: 200846.BKK, d.d. 4 november 2020
Hoofdstuk 5
32
aangetoond dat de bovengrond van proefgat 02, 03, 04, 05 en 07 een gewogen asbest concentratie van 0,1 mg/kgds bevat. Het gehalte asbest is hiermee kleiner dan de helft van de interventiewaarde, waardoor statistisch mag worden aangenomen dat in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden. In dit geval geldt geen noodzaak voor het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek asbest in bodem. De hypothese ‘asbest onverdacht’ wordt voor de onderzoekslocatie aanvaard. In de boven- en ondergrond zijn, behoudens een lichte verontreiniging met kobalt, geen verontreinigingen aangetoond. Volgens de Regeling bodemkwaliteit is voor deze bodemlagen indicatief sprake van klasse Achtergrondwaarde. De aanwezigheid van zwakke baksteen en beton bijmengingen in de boven- en ondergrond hebben de bodemkwaliteit niet nadelig beïnvloed. Conclusie De vooraf gestelde hypothese, dat de bodem als “onverdacht” kan worden beschouwd, wordt op basis van de analyseresultaten aanvaard. Vanuit dat oogpunt bestaat er dan ook geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied. Voor het elders toepassen van boven- en/of ondergrond die vrijkomen bij graafwerkzaamheden zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Indicatief is hier sprake van klasse Achtergrondwaarde.
Op basis van resultaten uit het verkennend bodemonderzoek kan eventuele vrijkomende (overtollige) grond worden aangeboden aan een BRL 9335 erkende acceptant. 5.2.2 Geluid In de Wet geluidhinder wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van (spoor)wegverkeer en gezoneerde industrieterreinen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Omdat het plangebied gelegen is in een 30 km/h- zone en niet gelegen binnen de onderzoekszone van zoneplichtige wegen is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Spoorwegverkeer Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten nabij een spoorlijn dient het spoorwegverkeerslawaai betrokken te worden. Wat betreft spoorwegverkeerslawaai wordt opgemerkt dat in de wijde omgeving van het plangebied geen spoorwegen zijn gelegen. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen.
Industrielawaai Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein of bij ontwikkelingen in de nabijheid van bedrijfspercelen dient het aspect industrielawaai betrokken te worden. In paragraaf 5.2.6 (bedrijven en milieuzonering) wordt ingegaan op (geluid)hinder als gevolg van de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende bedrijven.
Hoofdstuk 5
33
5.2.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm) staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof als NO2.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM); b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
NIBM-grens woningbouwlocaties: 3% criterium: ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van 16 appartementen (16 woningen). Hierbij wordt de bovenstaande NIBM-grens bij lange na niet overschreden. De ontwikkeling draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ (2019) is de concentratie fijn stof (PM10) ter plaatse < 18 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM2,5) tussen 10 en 12 µg/m³ en de
Hoofdstuk 5
34
concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen 15 en 20 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ en voor PM2,5 25 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m³. Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Toetsing Onderhavig plan voorziet in de ontwikkeling van 16 appartementen. Het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.2.4 Geurhinder Geurhinder Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woonen leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. Op 24 juli 2020 is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas’ in werking getreden.
In afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied zoals aangegeven op de bij de verordening behorende en gewaarmerkte kaart, als volgt: Plangebied bij Meerlo: 6,0 odour units. Bedrijventerreinen Klavertje 4-gebied: 14,0 odour units. Overige bebouwde kom: conform wettelijke norm, momenteel 3,0 odour units. Buitengebied: conform wettelijke norm, momenteel 14,0 odour units Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Dit betekent dat toetsing aan de geurnormen van nabijgelegen veehouderijen noodzakelijk is. De gemeente Horst aan de Maas is echter momenteel bezig met de ontwikkeling van een geurgebiedsvisie ten behoeve van de gebiedsontwikkeling Klavertje 4. Deze gebiedsvisie heeft niet alleen betrekking op de omgeving van het Klavertje 4, maar op het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas. Deze heeft tot 7 mei 2020 ter inzage gelegen. Omdat deze gebiedsvisie en de bijbehorende kaarten een actueel inzicht geven in de huidige situatie omtrent geur, zijn deze gebruikt in de voorliggende toelichting met betrekking tot onderhavig plangebied. Toetsing Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv.
Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor een nieuw geurgevoelig object mogelijk. In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen gelegen. Er zijn binnen een straal van 100 meter geen veehouderijen gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten.
Hoofdstuk 5
35
In de bijlagen behorende bij de geurgebiedsvisie van de gemeente Horst aan de Maas is een kaart gevoegd van de actuele achtergrondbelasting geur. Op basis van deze kaart (zie onderstaande afbeelding) kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft geur, een zeer goed woon- en leefklimaat heerst (0,0-3,0 OU/m3). De achtergrondbelasting geur vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Achtergrondbelasting geur (uitsnede behorende bij de ontwerp geurverordening, ontwerp beleidsregel en bijbehorende geurgebiedsvisie Horst aan de Maas d.d. 26-03-2020)
Conclusie Vanuit het aspect geurhinder van veehouderijen zijn er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw. In de woningen zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Tevens worden veehouderijen in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering beperkt als gevolg van de ontwikkeling, vanwege de grote tussenliggende afstand en omdat reeds woningen dichter bij zijn gelegen. 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld.
Hoofdstuk 5
36
In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied; 2. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. De richtafstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Woningen zijn milieugevoelige functies. Aangezien onderhavig plan voorziet in de realisatie van 16 appartementen dient getoetst te worden of in deze appartementen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven niet worden gehinderd door de ontwikkeling. Toetsing Externe werking De externe werking betreft de vraag of de beoogde nieuwe functie binnen onderhavig plan niet zal leiden tot hinder voor bestaande of toekomstige hindergevoelige functies.
De beoogde appartementen zelf vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Interne werking Naast de externe werking is er ook een interne werking als het gaat om het beoogde planvoornemen. De interne werking ziet erop toe dat medewerking aan het beoogde planvoornemen pas mogelijk is indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de appartementen gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. In de onderstaande tabel wordt de omliggende bedrijvigheid
Hoofdstuk 5
37
rondom het plangebied toegelicht. Hierbij is conform het vigerend bestemmingsplan gekeken naar de maximaal toelaatbare milieucategorie. De VNG-brochure kent verschillende gebiedskwalificaties. Als de omgeving wordt aangemerkt als ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden volgens de VNG-brochure met één afstandstap worden verlaagd. Onderhavig plangebied is gezien de omliggende menging van functies (bedrijvigheid, maatschappelijk, detailhandel, wonen en de doorgaande weg ‘Kloosterstraat’) aan te merken als een gemengd gebied. In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de omliggende percelen waarop bedrijvigheid mogelijk is. Bestemming
Maximale
Richtafstand3
Afstand tot appartementen4
milieucategorie ‘Bedrijf’
2
10 meter
Circa 10 meter
‘Maatschappelijk’
2
10 meter
Circa 25 meter
‘Dienstverlening’
1
0 meter
Circa 22 meter
‘Centrum’ met functieaanduiding ‘detailhandel’
1
0 meter
Circa 15 meter
Centrum’ met functieaanduiding ‘horeca’
2
10 meter
Circa 45 meter
Omliggende bedrijvigheid en diens richtafstanden conform de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’
Ten noorden van het plangebied is een bedrijfsperceel gelegen (hier is een schoonmaakbedrijf gevestigd). Ter plaatse is maximaal bedrijvigheid behorende tot milieucategorie 2 toegestaan. Uit het bestemmingsplan ‘Wilhelminastraat 2 Grubbenvorst’ blijkt dat de werkzaamheden hoofdzakelijk elders plaatsvinden (schoonmaakwerkzaamheden worden op locatie uitgevoerd). Ter plaatse vindt in hoofdzaak de opslag van schoonmaakspullen en schoonmaakmachines plaats. Op kantoor worden door enkele mensen administratieve werkzaamheden verricht. De beoogde appartementen zijn op circa 10 meter afstand gelegen, waardoor voldaan wordt aan de richtafstand voor deze bedrijvigheid. Ten noordoosten zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan, waaronder wordt begrepen educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie, en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening. Dit betreffen activiteiten van milieucategorie 1 en 2, waarvoor een maximale richtafstand van 10 meter wordt geadviseerd (gezien de ligging binnen gemengd gebied) ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. De beoogde appartementen zijn op circa 25 meter afstand gelegen, waardoor voldaan wordt aan de richtafstand voor deze bedrijvigheid.
Tot slot zijn aan de overzijde van de Kloosterstraat enkele percelen gelegen die gebruikt mogen worden voor diverse activiteiten (dienstverlening, detailhandel en horeca). Gezien de afstand van het plangebied tot deze percelen wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Bedrijventerrein Ten noorden van het plangebied ligt een bedrijventerrein. Op basis van de ter plaatse geldende bestemming ‘Bedrijventerrein’, zijn bedrijven van categorie 3.1 en 3.2 toegestaan. Voor een groot deel van de bedrijfspercelen ten zuiden van Orionpoort en Mercuriusweg geldt daarnaast
3 4
Gebaseerd op basis van de ligging binnen “gemengd gebied”. Afstand is gemeten tussen de grens van het plangebied en de beoogde gevels van de appartementen.
Hoofdstuk 5
38
dat tevens bedrijven van categorie 2 zijn toegestaan. Gezien de afstand van circa 400 meter tot dit bedrijventerrein, vormt dit geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Conclusie Voor het overige vinden er in de omgeving van het plangebied geen milieubelastende activiteiten plaats waarvan de hindercontour tot het plangebied reikt. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden beperkt worden als gevolg van de voorliggende ontwikkeling, doordat reeds bestaande woningen dichter bij de betreffende bedrijven zijn gelegen. Vanuit het aspect milieuzonering zijn er hiermee geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het woongebied. 5.2.6 Externe veiligheid Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen.
De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hierlangs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10,
Hoofdstuk 5
39
100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de orientatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants 5. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van 16 appartementen. Derhalve voorziet onderhavig plan in de realisatie van kwetsbare objecten. Er dient zodoende een toetsing aan het aspect externe veiligheid plaats te vinden.
Toetsing Om de mogelijke risicobronnen in kaart te brengen is gebruik gemaakt van de Risicokaart Nederland. Hieruit blijkt dat géén mogelijke risicobronnen in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn (zie hiertoe onderstaande afbeelding).
Uitsnede Risicokaart Nederland (ligging plangebied rode pijl)
5
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen
Hoofdstuk 5
40
Risicovolle inrichtingen Op basis van de risicokaart zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen. Ook ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van (verder weg gelegen) bedrijven die onder de werkingssfeer van het Bevi vallen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting betreft H.S.V. ’t Voorntje aan de Parallelweg in Grubbenvorst. Ter plaatse is een bovengrondse propaantank aanwezig met een maximale plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 25 meter. Gezien de afstand tot het plangebied van ruim 760 meter, zal geen significante invloed worden uitgeoefend op het groepsrisico en vormt deze risicovolle inrichting geen belemmering voor de te realiseren woning. Ditzelfde geldt voor het bedrijf Autoservice Besouw B.V. aan de Californischeweg 6. Dit betreft een benzineservicestation met een LPG vulpunt, tank en afleverinstallatie. De plaatsgebonden risicocontour bij deze installaties betreffen respectievelijk 25 en 15 meter. Het invloedsgebied bedraagt 150 meter. Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 750 meter van de inrichting. Gezien de afstand tot het plangebied zal geen significante invloed worden uitgeoefend op het groepsrisico en vormt deze risicovolle inrichting geen belemmering voor de te realiseren woning.
Buisleidingen In de directe nabijheid van het plan zijn geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen gelegen. Het plan ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding. Wegen In de directe nabijheid van het plan zijn geen wegen gelegen waarover het transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plan ligt niet binnen het invloedsgebied van omliggende wegen. Spoorlijnen Ten westen van het plangebied loopt op een afstand van ongeveer 560 meter de spoorlijn Venlo – Nijmegen. Over deze spoorlijn vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Waterwegen Ten oosten stroomt op circa 860 meter afstand de Maas. Gezien de tussenliggende afstand vormt de ligging ten opzichte van de Maas geen belemmering. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, buisleiding of transportroute. Vanuit externe veiligheid zijn er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 5.2.7 Milieueffectrapportage Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van woningen De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onder-
Hoofdstuk 5
41
deel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het voorliggende initiatief betreft de ontwikkeling van 16 appartementen in een bestaande woonwijk in kern Grubbenvorst. Blijkens jurisprudentie6 dient niet iedere mogelijk gemaakte wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling een rol. In het voorliggende geval is sprake van een toename met 16 wooneenheden binnen een bestaande woonwijk.
Gezien de omvang van het project, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project. Daarnaast is er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 5). Op basis van het bovenstaande dient de voorliggende ontwikkeling niet aangemerkt te worden als (de uitbreiding van) een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een planMER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk.
Uit paragraaf 5.5 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is. Conclusie De voorgenomen woningbouwontwikkeling betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, vanwege de aard en schaal van het project, het feit dat geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied (zie paragraaf 5.5 ‘Ecologie’). Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht.
6
O.a. ABRS 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668) en Rechtbank Amsterdam 6 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:648).
Hoofdstuk 5
42
5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beschrijving van waterrelevant beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014, het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht.
Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) Het provinciaal waterbeleid is vastgelegd in het POL2014 en is nader geconcretiseerd in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 op grond van de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit plan maakt onderdeel uit van het tweede (inter)nationale Stroomgebiedbeheerplan Maas. In Nederland zijn vijf instanties betrokken bij het waterbeheer en de watervoorziening. Op grond van de Waterwet (2009) en het Bestuursakkoord Water (2011) is de verantwoordelijkheid als volgt verdeeld: 1. Het Rijk is verantwoordelijk voor beleid en wetgeving op nationaal niveau en voor het beheer van het hoofdwatersysteem: de zee en de grote rivieren, meren en kanalen. 2. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid en regelgeving voor de regionale gronden oppervlaktewatersystemen, en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare watervoorziening, de grotere industriële onttrekkingen en die voor energieopslagsystemen. 3. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, de zuivering van afvalwater en de zorg voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid langs de Maas. De waterschappen concretiseren de provinciale beleidskaders uit het POL en het provinciaal waterplan in een waterbeheerplan dat het karakter krijgt van een uitvoeringsprogramma. 4.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor rioleringbeheer en hebben de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. 5. Het drinkwaterbedrijf is wettelijk verantwoordelijk voor de productie en distributie van drinkwater.
Hoofdstuk 5
43
Voldoende en schoon water is een economische factor van betekenis en onmisbaar voor mens en natuur. De burger stelt steeds hogere eisen aan de waterveiligheid, het gebruik en de beleving van water. Duurzaamheid en publieke participatie zijn daarom volgens het POL2014 belangrijke uitgangspunten. Waterschap Limburg Het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Water in beweging’ van het waterschap Limburg beschrijft de uitwerking van het provinciale (oppervlakte)waterbeleid door het waterschap, zoals is vastgelegd in het POL2014 en het Provinciaal Waterplan 2016-2021. Het plan is richtinggevend voor het te voeren beleid en beheer van het waterschap gedurende de planperiode 2016-2021. Dit plan was, vooruitlopend op de fusie in 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit waterbeheerplan zet het waterschap de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Keur waterschap Limburg Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het waterschap Limburg van toepassing.
In de Keur worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q. bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang. Concreet voor dit plangebied geldt dat het in de omgeving aanwezige oppervlaktewater op voldoende afstand is gelegen en er ook geen activiteiten zijn voorzien die invloed uitoefenen op deze oppervlaktewateren. Gemeentelijk beleid De gemeente Horst aan de Maas volgt zo veel mogelijk het beleid zoals dit is vastgelegd door het waterschap Limburg. Belangrijke aandachtspunten in het beleid zijn het scheiden van vuilen schoon-waterstromen, het vasthouden van gebiedseigen (regen)water, het doorlopen van de afwegingsstap-pen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer’ en het zichtbaar en aantrekkelijk maken van water in de gemeente. Voor dit plan zijn alle genoemde onderwerpen relevant. Hergebruik Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met bestaande proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1.000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving op dit vlak maakt het hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. Onderhavig plan is dan ook niet geschikt om deze voorziening toe te passen.
Infiltratie, buffering en afvoer In principe is het de bedoeling dat al het hemelwater in het plangebied wordt vastgehouden.
Hoofdstuk 5
44
Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater en bodem, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater. Grondwater en bodem Het plangebied ligt volgens de Omgevingsverordening Limburg 2014 binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het is in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Uit de isohypsenkaarten van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO, kaartblad 52 Oost, 1978 (schaal 1:50.000) valt af te leiden dat het grondwater in het eerste watervoerende pakket als freatisch mag worden beschouwd.
Het freatisch vlak bevindt zich volgens de gegevens op een diepte van circa 16 meter + NAP en het maaiveldhoogte betreft circa 19,5 meter + NAP. Dit komt overeen met een grondwaterstand van circa 3,5 m-mv. In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft BKK Bodemadvies een verkennend bodem- en infiltratieonderzoek7. Uit het veldonderzoek is gebleken dat de bodemopbouw van de bovengrond bestaat uit matig fijn, matig siltig, zwak humeus zand. De ondergrond bestaat uit matig fijn, matig tot sterk siltig zand. Op een diepte vanaf 1,5 á 2,0 m-mv is er een sterk zandige leemlaag aangetroffen. Oppervlaktewater In het plangebied en in de directe omgeving is conform de ‘Leggerkaart’ van het Waterschap Limburg geen primair oppervlaktewater aanwezig. Hemel- en afvalwater Het (huishoudelijk) afvalwater binnen het plangebied dient conform het ‘Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017 – 2021’ te worden aangesloten op de riolering. Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing (en verharding) binnen het plangebied wordt in eerste instantie niet afgevoerd via het riool. Binnen het plangebied is het uitgangspunt om het hemelwater te infiltreren op eigen terrein. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt het hemelwater vastgehouden en vertraagd afgevoerd.
De gemeente hanteert vooralsnog een bergingseis van 30 mm voor een voorziening met een overloopvoorziening en 50 mm voor een voorziening zonder overloopvoorziening. Het Waterschap Limburg hanteert als uitgangspunt dat toekomstige hemelwatervoorzieningen gedimensioneerd dienen worden op een bui van 100 mm met een leegloop/beschikbaarheid binnen 24 uur.
7
BKK Bodemadvies bv, Verkennend bodem- en infiltratieonderzoek locatie Kloosterstraat / Wilhelminastraat te Grubbenvorst, projectnr.: 200846.BKK, d.d. 4 november 2020
Hoofdstuk 5
45
Voor de realisatie van een infiltratievoorziening in de bodem, die het hemelwater bergt en in de bodem ter plaatse infiltreert, dient de waterdoorlatendheid van de bodem ter plaatse van het plangebied te worden bepaald. Voor het vaststellen van de infiltratiecapaciteit van de ondergrond is in situ doorlaatbaarheid vastgesteld op 2 locaties, middels het bepalen van de k-waarden in de ondergrond, in het traject vanaf 2 m-mv. Voor het bepalen van de waterdoorlatendheid in het veld is gebruik gemaakt van de Constant head-methode. Voor de keuze van het infiltratietraject dient het bodemprofiel geschikt te zijn, waarbij er geen sprake is van visueel verontreinigde bodemlagen. Daarnaast wordt als regel aangehouden dat de voorziening wordt aangelegd in de bodemlaag die zich 0,5 meter boven de grondwaterspiegel bevindt. De grondwaterstand is tijdens de monstername gepeild op een diepte van 2,75 mmv aangetroffen, waardoor de infiltratiemetingen boven de grondwaterstand zullen plaatsvinden. Afhankelijk van de infiltratiecapaciteit van het hemelwater in de huidige ondergrond zal de toekomstige voorziening hierop worden afgestemd. Uit de meetresultaten blijkt dat op basis van de classificatie in de doorlatendheid dat de bodemlagen in de ondergrond op 2 m-mv als matig doorlatend worden beoordeeld.
Zeer waarschijnlijk heeft de aanwezigheid van sterk siltig zand en zandige leem een negatieve uitwerking op de doorlatendheid van de bodem. Tijdens de dimensionering en realisatie van de infiltratievoorziening(en) binnen het plangebied dient hiermee rekening te worden gehouden. Bij de aanleg van een bergingsvoorziening (dimensionering) is het tevens van belang rekening te houden met de hoeveelheid te bergen hemelwater. Deze wordt bepaald aan de hand van de waterbergingsopgave (beleid gemeente of waterschap) gerekend over het toekomstig verhard oppervlak. Omdat middels het voorliggende bestemmingsplan slechts een kader wordt gecreëerd waarbinnen het toekomstig bouwplan dient te worden gerealiseerd, is in dit bestemmingsplan geen infiltratieberekening tot op detailniveau opgenomen. De exacte wijze waarop met hemelwater zal worden omgegaan, wordt uitgewerkt in het kader van de in de toekomst aan te vragen omgevingsvergunning voor het bouwen. De bovengenoemde uitgangspunten zullen hierbij als uitgangspunt en toetsingskader gehanteerd worden. Wat betreft de afvoer van huishoudelijk afvalwater zal te zijner tijd een aansluiting op het gemeentelijk riool worden gerealiseerd. Overleg waterbeheerder Het plangebied is niet gelegen in een speciaal aandachtsgebied van het waterschap.
De hoeveelheid bebouwing en verharding zal toenemen ten opzichte van de bestaande (onbebouwde en onverharde) situatie binnen het plangebied. Het gehele plangebied heeft een oppervlakte van 2.165 m2, maar zal niet volledig bestaan uit verharding (d.w.z. bestrating en gebouwen). Op 1 april 2019 is de nieuwe Keur van Waterschap Limburg vastgesteld. Sinds deze nieuwe Keur geldt geen ondergrens meer voor het aanvragen van een wateradvies. Alle ruimtelijke plannen waarbij het aspect water een rol kan spelen, komen in aanmerking voor een wateradvies. Het initiatief is derhalve voorgelegd aan het waterschap. Waterschap Limburg heeft aangegeven dat zij adviseren bij elke toename van verharding 100 mm per m 2 als uitgangspunt te nemen. De exacte wijze waarop het hemelwater zal worden geïnfiltreerd, zal nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Hoofdstuk 5
46
Conclusie Er bestaan geen knelpunten tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer.
5.4 Kabels en leidingen In (of in de directe omgeving van) het plangebied komen geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij de beoogde woningbouwontwikkeling belemmeren.
5.5 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Hoofdstuk 5
47
Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Toetsing Gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming is het van belang dat geen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt die negatieve effecten op de aangewezen soorten en habitattypen kunnen veroorzaken. Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling en de afstanden tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ op circa 2,5 kilometer afstand ten noordoosten van het plangebied zijn negatieve effecten, waaronder lichthinder en geluidhinder op voorhand uitgesloten.
Daarnaast dient in het kader van voorliggend bestemmingsplan aangetoond te worden dat er geen negatieve effecten worden voorzien in het kader van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. De AERIUS calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebied inzichtelijk. Met de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) is beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet zondermeer als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig planvoornemen een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht. In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft een stikstofdepositie berekening plaatsgevonden voor de gebruiksfase8. Hieruit is gebleken dat binnen de gebruiksfase geen sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in de omliggende natuurgebieden. De meest dichtbij gelegen gebieden die behoren tot het Nationaal Natuurnetwerk (goudgroene natuurzones) liggen op meer dan 460 meter afstand van het plangebied.
Gezien deze afstand en de aard van de ontwikkelingen in het plangebied, is er geen sprake van negatieve effecten op deze provinciaal beschermde natuurgebieden. Op circa 370 meter ten westen van het plangebied liggen daarnaast enkele gebieden die deel uitmaken van de bronsgroene landschapszone. Gezien de aard van het initiatief en deze afstand worden ook geen negatieve effecten uitgeoefend op deze gebieden. Houtopstanden Wat betreft het onderdeel houtopstanden bevindt het plangebied zich binnen de bebouwde kom. Daarnaast zijn er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig. Hierdoor is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. 8
Aerius Calculator, gebruiksfase, Aerius kenmerk: RUyweunf7jqx, d.d. 16 oktober 2020
Hoofdstuk 5
48
Soortenbescherming Het plangebied bestaat uit een braakliggend terrein (grasveld). De vegetatie die hier voorkomt bestaat slechts uit algemene ruigtekruiden. Het voorkomen van beschermde en anderszins bijzondere soorten op het terrein is dan ook uit te sluiten. Tot slot dient opgemerkt te worden dat ten aanzien van algemene broedvogels overtredingen voorkomen kunnen worden door rekening te houden met het broedseizoen. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene zoogdieren en amfibieën. Conclusie Samengevat zijn er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie De bevoegde overheid, de gemeente Horst aan de Maas, heeft op gemeentelijk niveau een archeologisch beleid vastgesteld en beschikt over een Archeologische Verwachtings- of Beleidsadvieskaart. Volgens de Archeologische Maatregelenkaart van gemeente Horst aan de Maas is het plangebied aangewezen als categorie 7 ‘bebouwde kom – onbekende verwachting’. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm. Deze grenswaarden worden in het kader van onderhavig plan overschreden.
Uitsnede Gemeentelijke Archeologische (beleids)kaart met ligging plangebied rode pijl
Hoofdstuk 5
49
Door Econsultancy is een archeologisch onderzoek 9 uitgevoerd. Het volledige rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van een Maasterras uit het Allerød, in de binnenbocht van een oude Maasgeul de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is in het plangebied verstoord tot wisselende dieptes. Plaatselijk op de locaties waar de bodem minder verstoord is, boring 3 en 5, kunnen nog archeologische waarden aanwezig zijn. Op de locatie van de andere boringen is dit uit te sluiten. Door de lokaal verstoorde bodemopbouw en de realisatie van de huidige bebouwing zoals de aanwezigheid van een kelder, souterrain en de fundering van de dragende buren tot in de vaste grondslag, wordt in het plangebied geen behoudenswaardige archeologische vindplaats meer verwacht. Er heeft daarnaast een aanvullend archeologisch onderzoek 10 plaatsgevonden. Het volledige rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, karterende fase) heeft tot doel antwoorden te vinden op de vraag of er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeenstemmen met de verwachtingen en indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat zijn dan de gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats? Ook wordt getracht om een eerste indruk te verkrijgen van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging hiervan. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Op basis van de sterk verstoorde bodemopbouw, waarin geen intact plaggendek bewaard is gebleven en de oorspronkelijke top van de C-horizont is verstoord, en het buiten een fragment middeleeuws aardewerk in verstoorde context ontbreken van archeologische indicatoren, kan de gespecificeerde verwachtingswaarde van het plangebied worden bijgesteld naar laag voor alle perioden. Naar aanleiding van bovenstaande resultaten heeft de gemeente Horst aan de Maas het terrein archeologisch vrijgegeven. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ kan derhalve in onderhavig bestemmingsplan vervallen.
9
10
Econsultancy, Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek, Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst gemeente Horst aan de Maas, rapportnr. 14131.001, d.d. 11 december 2020. Econsultancy, Archeologisch karterend booronderzoek Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst, rapportnr.: 14131.004, d.d. 20 januari 2022.
Hoofdstuk 5
50
Cultuurhistorie Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. Middels het voorliggend plan wordt dan ook geen negatieve invloed uitgeoefend op cultuurhistorische waarden.
5.7 Verkeer en parkeren Parkeren Voor de woningen geldt de op 3 juli 2019 vastgestelde ‘Nota Parkeernormen Horst aan de Maas’. Conform bijlage 2 ‘Centrumgebieden Horst, Sevenum en Grubbenvorst’ is het plangebied gelegen buiten het centrumgebied. Binnen rest bebouwde kom geldt een parkeernorm van 1,8 parkeerplaats per appartement. De totale parkeerbehoefte komt zodoende uit op 29 parkeerplaatsen. Op eigen terrein worden 21 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er bestaat hierdoor een tekort van 8 parkeerplaatsen. Deze 8 parkeerplaatsen kunnen worden opgevangen in de openbare parkeergelegenheden. In overeenstemming met de gemeente Horst aan de Maas heeft Econsultancy onderzocht11 of de 8 parkeerplaatsen in de openbare ruimte opgelost kunnen worden omdat binnen het plangebied op eigen terrein niet het vereiste aantal parkeerplaatsen gerealiseerd kan worden. De tellingen hebben plaatsgevonden op zaterdag 24 april, donderdag 29 april en dinsdag 4 mei om 8:00, 14.00, 18.00 en 22.00 uur. In bijlage 1 zijn de volledige resultaten van de tellingen opgenomen. De bezettingsgraad van het algehele onderzoeksgebied varieert tussen 21% tot 52%. De laagste bezetting is rond 8.00 uur. Om 14.00 uur is sprake van de hoogste bezetting op alle getelde dagen. De totale maximale bezetting van het algehele onderzoeksgebied zal stijgen van 62 naar 83 parkeerplaatsen.