CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

09c Toelichting nieuw

Gemeenteraad 8 maart 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Appartementen Kloosterstraat ong., Grubbenvorst.19.587 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Vastgesteld bestemmingsplan Kloosterstaat ongenummerd, Grubbenvorst NL.IMRO.1507.GRKLOOSTERSTRONG-BPV1

Bestemmingsplan ‘Kloosterstraat ongenummerd, Grubbenvorst’ Gemeente Horst aan de Maas Vastgesteld

Rapportnummer:

P03684

IMRO-nummer:

NL.IMRO.1507.GRKLOOSTERSTRONG-BPV1

Datum:

8 maart 2022

Opdrachtgever:

Gemeente Horst aan de Maas

Projectteam BRO:

SSh, IMo

Trefwoorden:

Appartementencomplex, Kloosterstraat, Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 3

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van twee appartementencomplexen (totaal van 16 appartementen) aan de Kloosterstraat in de kern Grubbenvorst.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

Toelichting

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 4 5 6

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Ruimtelijke structuur 2.2 Functionele structuur 2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie

7 7 8 8

2.3.1 Historische ontwikkeling 2.3.2 Cultuurhistorie

3.

8 9

BELEID 3.1 Inleiding 3.2 (Europees) en Rijksbeleid

10 10 10

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) 3.2.5 Wet milieubeheer 3.3 Provinciaal beleid

10 11 12 12 14 14

3.3.1 Provinciale omgevingsvisie 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3.3 Ontwerp Omgevingsverordening Limburg 2021 3.4 Regionaal beleid 3.5 Gemeentelijk beleid

14 16 17 18 20

3.5.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ 3.5.2 Reserve bovenwijkse voorzieningen 3.5.3 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 3.5.4 Welstandsnota 3.5.5 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 3.6 Conclusie

20 24 25 26 27 27

4.

PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan 4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten

28 28 30

5.

SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding 5.2 Milieuaspecten

32 32 32

Inhoudsopgave

1

5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit 5.2.2 Geluid 5.2.3 Luchtkwaliteit 5.2.4 Geurhinder 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering 5.2.6 Externe veiligheid 5.2.7 Milieueffectrapportage 5.3 Waterparagraaf 5.4 Kabels en leidingen 5.5 Ecologie 5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.7 Verkeer en parkeren 5.8 Duurzaamheid

32 33 34 35 36 39 41 43 47 47 49 51 52

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Handhaving 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

53 53 53 54

7.

56 56 56 56

JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken 7.2 Toelichting op de verbeelding 7.3 Toelichting op de regels 7.3.1 Algemeen 7.3.2 Artikelsgewijze toelichting planregels

56 57

SEPARATE BIJLAGEN:  BKK Bodemadvies bv, Verkennend bodem- en infiltratieonderzoek locatie Kloosterstraat / Wilhelminastraat te Grubbenvorst, projectnr.: 200846.BKK, d.d. 4 november 2020  Aerius Calculator, gebruiksfase, Aerius kenmerk: RUyweunf7jqx, d.d. 16 oktober 2020  Econsultancy, archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek, Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst gemeente Horst aan de Maas, rapportnr. 14131.001, d.d. 11 december 2020  Econsultancy, Archeologisch karterend booronderzoek Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst, rapportnr.: 14131.004, d.d. 20 januari 2022.  Econsultancy, Parkeeronderzoek kruising Kloosterstraat/Wilhelminastraat te Grubbenvorst, rapportnr.: 15882.001, d.d. 7 mei 2021.

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Initiatiefnemer is voornemens om twee appartemetencomplexen te realiseren op een locatie aan de Kloosterstraat (ong.) te Grubbenvorst. Hierbij worden twee bouwblokken voorzien met ieder 8 appartementen (bestaande uit twee bouwlagen), waardoor de ontwikkeling in totaliteit zorgt voor de realisatie van 16 appartementen. De locatie leent zich uitstekend voor deze ontwikkeling, omdat het een braakliggend terrein betreft dat is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied (kern Grubbenvorst). Daarnaast wordt de locatie goed ontsloten door bestaande wegen (Kloosterstraat en Wilhelminastraat). Naast de beoogde bouwblokken wordt voorzien in de realisatie van een parkeerterrein, diverse bergingen en groenvoorzieningen. De gewenste ontwikkeling van de twee appartementencomplexen is conform het vigerende bestemmingsplan ‘Maaskernen’ (vastgesteld op 3 februari 2009) niet toegestaan op de beoogde locatie. De gronden zijn momenteel bestemd voor horecafuncties en hebben een goot- en bouwhoogte van 4 en respectievelijk 8 meter. Om de beoogde woningbouwontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk (conform artikel 3.1 Wro). In het voorliggende bestemmingsplan wordt zodoende de nieuwe bestemming voor de gronden binnen onderhavig plangebied wettelijk geregeld.

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de bijbehorende regels en onderhavige toelichting.

Uitsnede topografische kaart met globale ligging plangebied (rode pijl)

Hoofdstuk 1

3

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Kloosterstraat (ong.) te Grubbenvorst en omvat de percelen kadastraal bekend als Grubbenvorst, sectie C, nummers 4041 en 3608. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2.165 m 2. Ten zuiden van het plangebied is de Kloosterstraat gelegen en ten westen de Wilhelminastraat.

Uitsnede kadastrale ondergrond met aanduiding plangebied rood omlijnd

Hoofdstuk 1

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is gelegen binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Maaskernen’, zoals vastgesteld op 3 februari 2009 door de gemeenteraad van de gemeente Horst aan de Maas. De gronden hebben de bestemming ‘Centrum’. Ter plaatse zijn twee bouwvlakken opgenomen met de aanduiding ‘horeca’. Conform de twee bouwvlakken geldt een goothoogte van 4 meter en een bouwhoogte van 8 meter. Ter plaatse van het plangebied zijn geen nadere dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen opgenomen. Op basis van het vigerend bestemmingsplan geldt dat de voor ‘Centrum’ aangewezen gronden bestemd zijn voor wonen indien de aanduiding (w) is opgenomen. Deze aanduiding ontbreekt volledig binnen het plangebied. Derhalve is het op basis van het vigerend bestemmingsplan niet mogelijk om de gronden te gebruiken voor woondoeleinden. Daarnaast wordt de beoogde bebouwing niet volledig binnen de reeds aangegeven bouwvlakken gesitueerd. Ter plaatse van de voor ‘Centrum’ aangewezen gronden zijn wel reeds parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen toegestaan. In de geldende bestemmingsplan zijn geen afwijkingsbevoegdheden of wijzigingsbevoegdheden opgenomen, waarmee de beoogde appartementencomplexen binnen het plangebied mogelijk kunnen worden gemaakt. Derhalve is het besluit genomen om het voorliggende nieuwe bestemmingsplan op te stellen.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Maaskernen’ met aanduiding plangebied rood omlijnd

Hoofdstuk 1

5

1.4 Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd. In het volgende hoofdstuk vindt een beschrijving van het plangebied plaats. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie en wordt tevens ingegaan op het wettelijke onderzoekskader. Hoofdstuk 4 beschrijft vervolgens de gewenste ruimtelijke en stedenbouwkundige ontwikkeling. Hoofdstuk 5 bevat een verantwoording van de diverse sectorale aspecten. In hoofdstuk 6 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. In hoofdstuk 7 is tot slot de wijze van bestemmen opgenomen.

Hoofdstuk 1

6

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1 Ruimtelijke structuur In de huidige situatie omvat het plangebied een braakliggend terrein dat in gebruik is als grasveld. Ten noorden grenst het plangebied aan de achtertuinen van de woningen aan de Wilhelminastraat 2 en Monseigneur Joostenstraat 31. Deze twee kavels hebben een woon- en bedrijfsbestemming. In oostelijke richting grenst het plangebied aan de achtertuinen van de woningen aan de Beatrixstraat 5 en 7 en Kloosterstraat 78. Aan de zuidzijde grenst het plangebied direct aan de Kloosterstraat. Tot slot grenst het plangebied in westelijke richting aan de Wilhelminastraat. In de directe omgeving van het plangebied zijn hoofdzakelijk woonpercelen gelegen, maar liggen ook enkele percelen die bestemd zijn voor detailhandel en maatschappelijke functies. Globaal gezien ligt de locatie aan de noordzijde van de kern Grubbenvorst. Daarnaast is ten oosten de Maas gelegen en ten westen de A73.

Uitsnede luchtfoto met kadastrale ondergrond (plangebied rood omlijnd)

Hoofdstuk 2

7

2.2 Functionele structuur Het plangebied bestaat momenteel uit een grasveld met aan de oostzijde een kleine bosschage. Er is geen bebouwing aanwezig. Binnen het plangebied zijn een aantal plantenbakken aanwezig en een stalenconstructie.

Uitsnede aanzicht vanuit de Kloosterstraat (bron: Google streetview)

De directe omgeving rondom het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit woonkavels en openbare groenvoorziening. Ten noorden van het plangebied is een woon- en bedrijfsperceel voorzien. Ten oosten en zuiden zijn hoofdzakelijk woonpercelen gelegen. Ten westen zijn tevens naast de woonpercelen diverse grasvelden en bosschages gelegen.

2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie 2.3.1 Historische ontwikkeling Het kerkdorp Grubbenvorst is ontstaan in een oude Maasmeander die goed herkenbaar is door de steilrand die dwars door het dorp loopt. De hoge Maasoever van Grubbenvorst, genaamd ‘Reuvelt’, heeft een oude bewoningsgeschiedenis die teruggaat tot duizenden jaren voor Christus. Archeologische vondsten wijzen op bewoning vanaf de bronstijd (ca. 3.000 tot 800 voor Christus). Het dorp heeft twee rijksmonumenten in het centrum van de kern. Daarnaast kent het dorp verschillende gemeentelijke monumenten en andere bijzondere panden, zoals woonhuizen uit de eerste helft van de vorige eeuw gebouwd in de stijl van het traditionalisme. Ook het markante klooster De Bisweide is een bijzonder gebouw in Grubbenvorst. Geen van de bijzondere panden is gelegen binnen onderhavig plangebied. Volgens historisch kaartmateriaal uit de periode 1900 was de planlocatie, alsmede de omgeving ervan, destijds in agrarisch gebruik (weide) en werd de omgeving extensief bewoond. De Wilhelminastraat was reeds aanwezig. Vanaf 1958 was er op de locatie bebouwing aanwezig. Omstreeks 1967 zijn in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de omliggende woningen gebouwd. Sinds die periode is het gebruik van de onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving ervan, niet wezenlijk veranderd.

Vanaf 2011 is er echter geen bebouwing meer aanwezig ter plaatse van het plangebied en zijn de gronden braakliggend.

Hoofdstuk 2

8

2.3.2 Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn, mede op basis van de kaarten van de provincie Limburg en de Atlas van de Leefomgeving geen monumenten of aangewezen karakteristieke c.q. beeldbepalende elementen aanwezig. Ook in de directe omgeving zijn geen van dergelijke elementen aanwezig, waarop het bestemmingsplan van invloed zou kunnen zijn. Cultuurhistorische waarden worden door het initiatief dan ook niet aangetast. Een verder afweging vindt plaats in paragraaf 5.7.

Hoofdstuk 2

9

3.

BELEID

3.1 Inleiding In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 3.2, § 3.3, § 3.4 en § 3.5). Bij het rijksbeleid wordt ingegaan op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor het provinciaal beleid wordt onder andere gebruik gemaakt van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), een overkoepelend beleidsstuk. In het kader van het regionaal beleid wordt onder andere ingegaan op de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. In het kader van het gemeentelijk beleid wordt onder andere ingegaan op het geldende bestemmingsplan.

3.2 (Europees) en Rijksbeleid 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (behalve paragraaf 4.9). De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Hoofdstuk 3

10

De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaat-bestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16.

Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agro-productie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd.

Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, de uitoefening van defensietaken,

Hoofdstuk 3

11

veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Afweging Op dit bestemmingsplan werken geen van de genoemde rijksbelangen rechtstreeks door. In het plangebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het plan is dan ook in lijn met het Barro. 3.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Horst aan de Maas. Afweging Aangezien onderhavig bestemmingsplan echter geen windturbines of andere bouwwerken hoger dan 114 meter toestaat vormt de ligging binnen het radarverstoringsgebied geen belemmering.

3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: ‘De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ Uit de jurisprudentie1 komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: ‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’ (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).

1

o.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319)

Hoofdstuk 3

12

Afweging In het voorliggende geval wordt voorzien in de realisatie van 16 appartementen. Er is derhalve sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve aan de orde. Op basis van de structuurvisie Horst aan de Maas (vastgesteld op 26 november 2019, NL.IMRO.1507.SVHMSTRUCTUURVISIE-VA04) is al een indicatief woningbouwaantal van 15 tot 20 woningen opgenomen ter plaatse van onderhavig plangebied (projectnummer: W11, projectnaam: Boerenbond, indicatieve woningbouwaantallen: 15-20 woningen). Onderhavig plan voorziet in de realisatie van maximaal 16 appartementen, hetgeen overeenkomt met de indicatieve woningbouwaantallen. De gronden waarop de nieuwe woningen worden voorzien hebben weliswaar geen woonbestemming, maar zijn gelet op de ligging (kern Grubbenvorst) gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, hetgeen in overeenstemming is met de uitgangspunten uit de ladder voor duurzame verstedelijking. Onderhavige ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

Er is namelijk sprake van een ontwikkeling, waarbij binnen bestaand stedelijk gebied invulling wordt gegeven aan de bestaande woningbouwbehoefte binnen de regio Noord-Limburg in z'n algemeenheid in de gemeente Horst aan de Maas en de kern Grubbenvorst in het bijzonder (zie paragraaf 3.5.2). Voor de kern Grubbenvorst is de woningbouwopgave voor de periode 2015-2025 om 70 woningen te bouwen. Voor de periode 2015-2035 zijn in totaal 60 woningen nodig. Voorliggende locatie is aangeduid als mogelijke woningbouwlocatie in het Masterplan Wonen. Het betreft hier de voormalige Boerenbondlocatie. Deze maakt deel uit van de zogenoemde zachte planvoorraad. Tevens dient opgemerkt te worden dat de druk op de huurwoningenmarkt aan het toenemen is. Een ambitie van het Masterplan Wonen is dan ook om het aanbod huurwoningen te vergroten. Dit is ook in lijn met de motie ‘Huurwoningen’ van de raad van 3 november 2015. Het toevoegen van starterswoningen in de nieuwbouw is niet de oplossing voor de toekomst. Gezien de dubbele vergrijzing is dit niet het type woning waar in de toekomst behoefte aan is. De gemeente Horst aan de Maas streeft ernaar om starters te stimuleren in de bestaande voorraad te gaan wonen. Dat betekent minder starterkoopwoningen in de nieuwbouw, maar meer huurwoningen in de nieuwbouw en/ of bestaande woningvoorraad.

Tevens betekent dit het toekomstbestendig maken van de bestaande voorraad. De volkshuisvestelijke opgave ligt dan ook met name in het toevoegen van huurwoningen en het langer zelfstandig wonen van ouderen. Ten aanzien van Grubbenvorst wordt aangegeven dat er de ambitie is om 480 huurwoningen te hebben. Dit zijn nu 458 huurwoningen. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van 16 appartementen in de huursector. Sluit aan om de ambitie van een toename van 22 huurwoningen binnen de kern Grubbenvorst. Tot slot blijkt uit de ‘Rapportage Woonmonitor 2019’ dat er voor de regio Noord-Limburg tussen de periode 2019-2029 een te kort van 2.000 appartementen in de vrije huur sector zal zijn (onderzoeksbureau STEC groep, Bron Progneff ’18, woON2015+2018). Er wordt een indicatief te kort (tot circa 2030) aangegeven van per saldo 5.000 woningen in de regio Noord-Limburg (Bron: STEC groep, Etil-Companen, ABF Research, bewerking Provincie Limburg). Onderhavige woningbouwaantallen zijn dan ook in lijn met de gecontacteerde tekorten qua woningbouw.

Hoofdstuk 3

13

Uit de rapportage ‘Woningbehoefte Noord Limburg 2015-2025’ blijkt dat het woonwensen-onderzoek aantoont dat er een tekort is aan (huur)woningen voor ouderen binnen de gemeente Horst aan de Maas. De gemeente constateert tevens een tekort aan woningen voor starters/ jongeren. Er is hierbij met name vraagdruk in Sevenum en Grubbenvorst. Uit het Woningbehoefte onderzoek 2015-2025 blijkt concreet dat er een vraag is naar het huursegment en dorps woonmilieu. Onderhavige ontwikkeling is derhalve volledig in overeenstemming met de geconstateerde woningbehoefte binnen de gemeente Horst aan de Maas. Op basis van het bovenstaande wordt het voorliggende woningbouwplan passend geacht binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. Die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. Ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten, maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’.

Afweging De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plicht van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 5.2.7.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Provinciale omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.

Hoofdstuk 3

14

Op 1 oktober 2021 heeft de provincie Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied;  Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt.

In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;  Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het thema dat in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing is betreft het aspect ‘Wonen en leefomgeving’. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk.

Hoofdstuk 3

15

Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf.

Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Afweging Onderhavig plan voorziet in de realisatie van 16 kwalitatief hoogwaardige appartementen in het huursegment op braakliggende gronden binnen bestaand stedelijk gebied (kern Grubbenvorst). Hiermee worden kwalitatief hoogwaardige woningen toegevoegd aan de huidige woningvoorraad, waardoor wordt bijgedragen aan de noodzakelijke transformatie van de woningmarkt. Daarnaast voldoet onderhavig plan aan de ladder voor duurzame verstedelijking en is de ontwikkeling in lijn met de ‘Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg’ en het gemeentelijk ‘Masterplan Wonen Horst aan de Maas’. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in de ‘Ontwerp Provinciale omgevingsvisie’.

3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Hoofdstuk 2 ‘Ruimte’ In artikel 2.2.2 ‘duurzame verstedelijking’ is ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. In het kader van onderhavig plan is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiertoe heeft in paragraaf 3.2.4 reeds aan afweging plaatsgevonden.

Hoofdstuk 3

16

In artikel 2.4.2 ‘wonen’ is omschreven dat een ruimtelijk plan in de regio Noord-Limburg niet mag voorzien in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen, alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording te bevatten van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. De gemeente Horst aan de Maas heeft een regionale structuurvisie vastgesteld in de vorm van de 'Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg'. In paragraaf 3.4 wordt hier nader op ingegaan. Milieubeschermingsgebieden Het plangebied is volgens de kaarten bij de Omgevingsverordening gelegen binnen de milieubeschermingszone ‘Boringsvrije zone Venloschol’.

Het is in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. Afweging Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn er hiermee geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling. Wel zijn de regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 vertaald in dit bestemmingsplan middels de aanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’. 3.3.3 Ontwerp Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 25 mei 2021 heeft het college van Gedeputeerde Staten het ontwerp van deze nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze ontwerp-omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen en wordt naar verwachting in december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld.

De inwerkingtreding is voorzien op 1 juli 2022 wanneer naar verwachting ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden. Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het besluitgebied binnen het gebied ‘Landelijke kernen’.

Hoofdstuk 3

17

Conform artikel 12.1 van de ontwerp-omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende beschrijven: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Afweging In deze toelichting is in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12 van de ontwerp-omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Zoals volgt uit paragraaf 3.3.1 past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg.

In paragraaf 3.4 volgt een uitgebreide onderbouwing met betrekking tot de behoefte en de regionale afspraken en met de bouw van de woningen wordt spoedig een aanvang gemaakt, tenminste binnen 5 jaar na de verleende vergunning. Daarnaast wordt het plan opgenomen op de Plancapaciteitsmonitor Limburg.

3.4 Regionaal beleid In de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen.

Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten:  Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen;  Gekeken dient te worden naar koppelkansen;  Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot;  Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte;  De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na;  Zoeken naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheid doelen.

Hoofdstuk 3

18

Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd:  Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte.  Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.  Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad.  Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad.

In de ‘Regionale Structuurvisie Noord-Limburg (2016)’ gaat het vooral om de kwantiteit, terwijl in de nieuwe Regionale Woonvisie de nadruk meer ligt op de kwaliteit. Er wordt vaak gesproken over een woningtekort en vooral landelijk gaat het hierbij om de aantallen. Uiteraard is dat van belang, maar de te verwachten ontwikkeling van huishoudens (in aantal én in type) geeft aan dat wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de kwaliteit van de woningvoorraad. Binnen het rapport van Stec Groep wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van de regio Noord-Limburg. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad. Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn:  De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen;  Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koop- en ruime, dure koopsegment. Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan.

In de onderstaande afbeelding is een totaaloverzicht voor de regio zichtbaar waar een theoretisch tekort en waar een theoretisch overschot in de woningvoorraad ontstaat. Links van de 0 staat het type woning waarvan een overschot is te verwachten en rechts van de 0 staat het type woning waaraan een tekort is. Opgemerkt dient te worden dat de onderstaande theoretische overschotten en tekorten ontstaan wanneer alle doelgroepen hun verhuiswensen kunnen realiseren. In de praktijk is de woningmarkt een aanbodmarkt en zijn doelgroepen niet altijd in staat hun verhuiswens te realiseren, doordat zij hier financieel niet toe in staat zijn of omdat de

Hoofdstuk 3

19

Theoretische tekorten en overschotten woningvoorraad | Bron: WoON2015, WoON2018, Progneff (2018), bewerking Stec Groep (2019)

gewenste woning niet beschikbaar is in de bestaande voorraad. Wel geeft onderstaande afbeelding een goede indicatie van de segmenten waar de grootste risico’s ontstaan op leegstand en achteruitgang. Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan worden maximaal 16 appartementen mogelijk gemaakt op een inbreidingslocatie in de kern Grubbenvorst. Het door Stec opgestelde rapport ‘Opgaven en aanpak bestaande woningvoorraad in beeld, Basis voor woonbeleid’ uit 2019 geeft een inzicht in de bestaande regionale woningvoorraad en geeft een richting voor een transformatieopgave. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 16 appartementen op een inbreidingslocatie in de kern Grubbenvorst. De realisatie van de beoogde appartementen (huursegment en hoofdzakelijk bestemd voor kleinere huishoudens) zorgt niet voor het vergroten van het kwetsbare woningoverschot. Onderhavig plan is dan ook passend binnen de regionale kwalitatieve behoefte. De realisatie van de nieuwbouw is hiermee niet strijdig met de woonvisie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig:  De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn;  De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden;

Hoofdstuk 3

20

De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld.

De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst.

Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden. Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (Gemeentelijk kwaliteitsmenu) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied.

Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a. in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied.

Hoofdstuk 3

21

Het Gemeentelijk KwaliteitsMenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: a. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; b. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; c. De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; d. De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar. Het plangebied is gelegen binnen deelgebied 6A ‘Centrumdorpen’. Voor projectmatige woningbouw in uitleggebieden geldt hiervoor een positieve grondhouding (ja). Een positieve grondhouding betekent dat de gemeente in principe de potentiële ontwikkeling wenst en stimuleert.

Dit betekent dat volgens de structuurvisie en het Gemeentelijk kwaliteitsmenu daarin, sprake dient te zijn van een kwaliteitsbijdrage van € 25,- per m² plangebied ten behoeve van de realisering van groen, natuur, landschap en herstel landschappelijke cultuurhistorie. Vanwege de ligging binnen gebied met een positieve grondhouding dient dit bedrag te worden vermenigvuldigd met een factor 0,5. Dit betekent een kwaliteitsbijdrage van € 12,50 per m² plangebied. Middels het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt de afdracht van deze kwaliteitsbijdrage geregeld. Evaluatie structuurvisie Bij de vaststelling van de structuurvisie is besloten om deze na een jaar te evalueren. Deze evaluatie heeft plaatsgevonden in de periode augustus 2014 – juli 2015 en heeft op onderdelen geleid tot een aanpassing van de structuurvisie. De module 'Projectmatige woningbouw' is daarbij gewijzigd in de module 'woningbouw in exploitatiegebieden' Afweging Het plangebied is gelegen binnen deelgebied 6A ‘Centrumdorpen’. Voor projectmatige woningbouw geldt hier een positieve grondhouding (ja). Aan de voorwaarden in het gemeentelijk kwaliteitsmenu voor de module 'woningbouw in exploitatiegebieden' wordt voldaan, aangezien in de exploitatie van het plan rekening zal worden gehouden met de vereiste kwaliteitsbijdrage van € 12,50 per m² plangebied.

Het plan past daarmee binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie.

Hoofdstuk 3

22

Uitsnede kaart Gebiedsindeling gemeentelijk kwaliteitsmenu Horst aan de Maas (rode pijl globale ligging plangebied)

Afwegingskader toevoegen woningen Op 26 november 2019 is een herziening van de structuurvisie vastgesteld, waarbij onder andere het afwegingskader ‘Het toevoegen van een woning in de kern’ is toegevoegd aan de structuurvisie. Door middel van dit afwegingskader wordt op basis van ruimtelijke en volkshuisvestelijke criteria bepaald of woningbouwplannen voorzien in een type woningen waar op basis van het Masterplan Wonen (zie paragraaf 3.5.2) behoefte aan is. Indien een plan 8 of meer punten scoort, dan is sprake van een juiste woning op de juiste plek. Ten aanzien van het ruimtelijke kader blijkt dat het planvoornemen scoort op de navolgende aspecten:  Inbreiding of uitbreiding: score 2 Het plangebied betreft een locatie binnen bestaand stedelijk gebied in de kern Grubbenvorst.  Hergebruik bestaand vastgoed: score 0 Er is momenteel vastgoed aanwezig binnen het plangebied dat hergebruikt kan worden.  Herontwikkelingslocatie: score 4 Het plangebied betreft een braakliggende locatie binnen de kern Grubbenvorst waar momenteel op basis van het vigerend bestemmingsplan enkel horecafuncties zijn toegestaan met in de omgeving een diversiteit aan functies (hoofdzakelijk woningen). Ten aanzien van het volkshuisvestelijk kader scoort het planvoornemen op de navolgende aspecten:

Hoofdstuk 3

23

 Levensloopbestendige woning: score 2 Het voorliggende plan voorziet volledig in de realisatie van levensloopbestendige woningen (qua opzet zijn keuken, woonkamer, nattecel en slaapkamer op een verdieping gelegen). Appartementen op de eerste verdieping zijn bereikbaar per lift.  Huurwoning: score 2 Het voorliggende plan bestaat uit huurappartementen.  Kleine huisvesting (eenpersoonshuishoudens): score 2 Het plan voorziet in de realisatie van appartementen voor kleine huishoudens, aangezien de gebruiksoppervlakte van de appartementen kleiner is dan 120 m2.  Bijzondere doelgroepen: score 0 Onderhavig plan voorziet niet in de huisvesting van bijzondere doelgroepen.  Flexibel: score 0 Het voorliggende plan voorziet niet in een woningbouwconcept dat op termijn zonder veel kosten is te transformeren naar een behoefte op termijn.  Gevarieerde wijkopbouw: score 2 De realisatie van de beoogde appartementen zorgt voor een gedifferentieerde wijkopbouw, aangezien de appartementen een andere doelgroep hebben dan de in de omgeving gelegen grondgebonden (eengezins)woningen.  Duurzaamheid: score 0 Er wordt niet meer dan gebruikelijk geïnvesteerd in duurzaamheidsmaatregelen. Afweging In totaliteit scoort het planvoornemen 14 punten, waardoor op basis van het afwegingskader positief geadviseerd kan worden ten aanzien van de uitvoering van dit woningbouwplan.

Onderhavig planvoornemen scoort meer dan 8 punten op basis van het afwegingskader voor woningbouw. Hierdoor bedraagt de vereiste kwaliteitsbijdrage conform het GKM € 0,-. Het plan past daarmee binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie. 3.5.2 Reserve bovenwijkse voorzieningen De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft in de vergadering van 7 maart 2017 de Nota reserve bovenwijkse voorzieningen 2017 vastgesteld. Met de nota reserve bovenwijkse voorzieningen 2017 worden op basis van de huidige inzichten bovenwijkse voorzieningen in kaart gebracht die conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor kostenverhaal in aanmerking komen. Dit zijn voorzieningen van infrastructurele aard die in de periode tot en met ongeveer 2027 voorzien zijn en die meer dan een wijk bedienen. Anderzijds wordt op basis van de gebiedsontwikkelingen die in de periode 2027 voorzien zijn berekend wat de afdracht aan de reserve dient te zijn om deze bovenwijkse voorzieningen voor zover ze toe te rekenen zijn aan die gebiedsontwikkeling, te bekostigen. Als er geen GKM bijdrage van toepassing is doordat voldaan wordt aan het lokaal afwegingskader, dan zijn wel bovenwijkse voorzieningen van toepassing. Deze zijn voor Grubbenvorst gesteld op € 15,75 per m2 BVO, of indien de kavelmaat groter is dan BVO, per m 2 van de kavel. De kavel heeft een oppervlak van circa 2.165 m 2.

De afdracht bovenwijkse voorzieningen komt voor onderhavig initiatief derhalve neer op € 34.098,75.

Hoofdstuk 3

24

3.5.3 Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het Masterplan Wonen 2021-2025 is op 20 april 2021 door de gemeente Horst aan de Maas vastgesteld door de gemeenteraad. In het Masterplan geeft de gemeente Horst aan de Maas de ambities voor woningbouw voor de komende jaren. De ambities zoals genoemd in het Masterplan betreffen de volgende: 1. 1.000 nieuwe woningen tussen nu en 2025 De woningmarkt in gemeente Horst aan de Maas staat onder druk: de vraag naar woningen is vele malen groter dan het aanbod. En die druk neemt de komende jaren verder toe. De gemeente Horst aan de Maas telde in 2020 ruim 18.000 huishoudens; de komende tien jaar komen daar naar verwachting 1.200 tot 1.400 huishoudens bij. Om de balans op de woningmarkt te herstellen voor nu en de nabije toekomst, ligt er een stevige ambitie: 1000 woningen tussen nu en 2025. 2. Transformatie van de bestaande woningvoorraad Niet elke woning sluit op termijn nog aan op de wensen van de inwoners binnen de gemeente. De gemeente ziet echter wel kansen om bestaande woningen te verbeteren, zodat deze aansluiten bij de woonwensen van nu en de toekomst. De gemeente stuurt daarbij op twee soorten kwaliteitsverbetering: verduurzaming enerzijds, het zorggeschikt(er) maken van woningen anderzijds. Hiermee ervaren inwoners overigens ook meer comfort en woningverbetering leidt in veel gevallen tot een hogere woningwaarde en lagere woonlasten.

3. Een inclusieve woningmarkt In Horst aan de Maas is iedereen welkom. Ook kwetsbare doelgroepen en nieuwe inwoners kunnen rekenen op een passende woning. De huisvestingsopgaven voor statushouders, mensen met een psychische beperking en woonwagenbewoners zijn in het masterplan opgenomen. De ambitie om in vijf jaar tijd 1.000 nieuwe woningen te vergunnen, vraagt om een aanpak die pragmatisch en voortvarend is en waarbij de gemeente altijd in dialoog is met inwoners en samenwerkingspartners. De ambitie voor het toevoegen van 1.000 woningen is vertaald naar de volgende speerpunten:  Kaders als basis voor mogelijkheden. Nieuwbouwplannen worden getoetst aan de hand van een afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op de medewerking van de gemeente Horst aan de Maas.  Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang. Met elk nieuw plan en elk nieuw initiatief op het gebied van wonen, is de gemeente een stap dichter bij haar ambitie. Elk jaar maakt de gemeente de balans op van vorderingen en toets of de gemeente nog op koers ligt. De gemeente brengt in kaart hoeveel woningen zijn vergund en welke woningtypen zijn gerealiseerd.  Maatwerk per kern. Bij elk initiatief gaat de gemeente samen met ontwikkelaars in gesprek met inwoners over het gewenste woningbouwprogramma.

Dit gaat verder dan het peilen van de interesse in de nieuw te ontwikkelen woningen. De gemeente en ontwikkelaar brengen ook de mogelijkheden van doorstroming in kaart.  Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen. Dit Masterplan geeft richting aan een woningbouwopgave. Voor de daadwerkelijke uitvoering van de woningbouwopgave

Hoofdstuk 3

25

staan andere partijen aan de lat: particulieren en vooral ontwikkelaars en woningbouwcorporaties. De gemeente is ervan overtuigd dat de mooiste initiatieven ontstaan als ontwikkelaars de ruimte krijgen. Minder regels, snelle doorloop van processen. Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. De gemeente vermindert de regeldruk waar mogelijk, organiseert parallelle processen en houdt initiatiefnemers aangehaakt. Participatie & communicatie. Ontwikkelaars en gemeente betrekken inwoners van een kern en/of omwonenden van een initiatief in alle fasen van de projectontwikkeling: van het ophalen van woonwensen tot het voorleggen van een schetsontwerp.

De gemeente Horst aan de Maas heeft de ambitie om tussen nu en 2025 1.000 woningen toe te voegen aan de bestaande voorraad. De nieuwbouwopgave voorziet in de vraag naar woningen voor sociale huur (30%), vrije sector huurwoningen (30%) en koopwoningen (40%). Bij de koopwoningen wordt voornamelijk gericht op betaalbare (starters)woningen en nultredenwoningen (zoals grondgebonden woningen met badkamer en slaapkamer op de begane grond). Afweging Voor de kern Grubbenvorst is de woningbouwopgave voor de periode 2015-2025 om 70 woningen te bouwen. Voor de periode 2015-2035 zijn in totaal 60 woningen nodig. Voorliggende locatie is aangeduid als mogelijke woningbouwlocatie in het Masterplan Wonen. Het betreft hier de voormalige Boerenbondlocatie. Deze maakt deel uit van de zogenoemde zachte planvoorraad. Tevens dient opgemerkt te worden dat de druk op de huurwoningenmarkt aan het toenemen is. Een ambitie van het Masterplan Wonen is dan ook om het aanbod huurwoningen te vergroten. Ten aanzien van Grubbenvorst wordt aangegeven dat er de ambitie is om 480 huurwoningen te hebben. Dit zijn nu 458 huurwoningen. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van 16 appartementen in de huursector. Het initiatief voorziet derhalve in een deel van de beoogde toename van 22 huurwoningen binnen de kern Grubbenvorst.

3.5.4 Welstandsnota De gemeente Horst aan de Maas heeft op 20 november 2012 de ‘Welstandsnota gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld. Deze nota is opgesteld om een welstandstoets te kunnen uitvoeren bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. De vereenvoudigde welstandsnota bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. De gemeente onderscheid twee niveaus van welstand: ‘normaal’ en streng’. Voor reguliere woongebieden geldt het niveau ‘normaal’ en aangezien binnen het plangebied sprake zal zijn van een regulier woongebied, zal hiervoor het welstandsniveau ‘normaal’ gaan gelden. Bij het normaal niveau van welstand wordt getoetst op aspecten die te maken hebben met de situering van het bouwwerk, de hoofdvormen van het bouwwerk, de schaal en geleding van het gebouw, het materiaalgebruik en de gebruikte kleurstelling. Ook de gevelaanzichten worden beoordeeld. De toets is vooral gericht op het gebouw als geheel en het welstandstoezicht is in deze gebieden beperkt tot het handhaven van basiskwaliteiten. Afweging In het kader van de concrete bouwplannen voor deze locatie zal een welstandstoets plaatsvinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11185040/1