CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

09c Toelichting

Gemeenteraad 8 juni 2026, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: BIJLAGEN18.782 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4. Omgevingsaspecten Het omgevingsplan dient te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor onderhavig initiatief betekent dit dat onderzocht moet worden hoe dat op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. Hiervoor dienen zowel de effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving als de effecten van de omgeving op het initiatief onderzocht te worden. In de volgende paragrafen wordt het initiatief getoetst aan relevante milieu- en planologische aspecten.

4.1.

Bodem

Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet worden de regels voor de bodem onderdeel gemaakt van de omgevingswet. Het wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: 1. Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie) 2. Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies) 3. Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen) Elke pijler kent zijn eigen instrumenten die ontleend worden uit de omgevingswet. De nieuwe regels komen in de plaats van de voormalige regels voor het beheer van de bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. 28

Voor onderhavig initiatief is met name pijler 2 van belang, in paragraaf 5.1.4.5. van het Bkl heeft het rijk instructieregels vastgelegd voor het toelaten van bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelig gebouw betreft een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover het aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn.

4.1.1. Over de Beek 1a De locatie is momenteel in gebruik als varkenshouderijlocatie en landbouwactiviteiten. Het gebruik blijft agrarisch met landbouwactiviteiten en er worden hoveniersactiviteiten toegevoegd. Op de locatie is een bestaande bedrijfswoning aanwezig en dit blijft een agrarische bedrijfswoning. Bij het realiseren van nieuwe gebouwen zal in het kader van Artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) getoetst moeten worden. Artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) definieert een "bodemgevoelig gebouw" en de toelichting in het omgevingsplan geeft verder invulling aan deze definitie en de bijbehorende regels. Dit is relevant voor het bouwen op locaties met een verontreinigde bodem, waar de bodemkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen voor mensen die in het gebouw verblijven. Definitie van "bodemgevoelig gebouw" in artikel 5.89g Bkl: Gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar aannemelijk is dat personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Dit houdt in dat niet elk gebouw op verontreinigde grond als bodemgevoelig wordt beschouwd, maar wel gebouwen waar mensen voor langere tijd aanwezig zijn, zoals woningen, kantoren, scholen, enz. De loods wordt voornamelijk gebruikt voor het stallen van voertuigen en machines voor de landbouw en hoveniersactiviteiten en de opslag van materiaal en materieel.

Het verblijf van personen blijft beperkt tot minder dan 2 uur aaneengesloten per dag. Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.1.2. Kloosterstraat ongenummerd Voor de locatie is door Baecx een verkennend bodemonderzoek (Bijlage 1) uitgevoerd. De conclusie uit het onderzoek is hieronder opgenomen.

Het bodemonderzoek is uitgevoerd de volgende strategie: “onverdachte locatie (ONV)” (zie NEN paragraaf 5.1). De hypothese hierbij is als volgt: de locatie is onverdacht op bodemverontreinigingen. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek en de toetsing van de analyseresultaten concludeert Baecx B.V. dat zowel de boven- en ondergrond als het grondwater van de locatie geen verhogingen bevat aan analytisch onderzochte stoffen. Vanwege de resultaten dient de vooraf vastgestelde hypothese te worden geaccepteerd. De locatie wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Dit onderzoek is uitsluitend gericht op verontreinigingen in bodem en is steekproefsgewijs uitgevoerd. Ondanks dat het onderzoek conform de geldende normen en richtlijnen uitgevoerd, kan nooit worden uitgesloten dat elders op de locatie (andere) verontreinigingen aanwezig zijn. Bij grondverzet dient hiermee rekening gehouden te worden. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

29

4.2.

Activiteiten en milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: • •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Als de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ wordt gedefinieerd als: “een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.” In zo’n geval is het ruimtelijke aanvaardbaar dat de richtafstanden met één stap worden verlaagd.

4.2.1. Over de Beek 1a De locatie is momenteel in gebruik als varkenshouderijlocatie en landbouwactiviteiten. Het gebruik blijft agrarisch met landbouwactiviteiten en er worden hoveniersactiviteiten toegevoegd. Op de locatie is een bestaande bedrijfswoning aanwezig en dit blijft een agrarische bedrijfswoning. Het telen van gewassen in de openlucht is de milieubelastende activiteit. Deze vindt echter buiten de locatie op de landbouwgronden plaats. Binnen de locatie vinden functioneel ondersteunende activiteiten plaats zoals een aanwezige dieselolietank en een stookinstallatie. Ook klein onderhoud aan machines en materieel zal in de loods plaatsvinden. De regels uit hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 van het BAL zijn hierop rechtstreeks van toepassing. Deze regels gelden voor de gehele milieubelastende activiteit inclusief de functioneel ondersteunende activiteiten. Het toevoegen van de functieaanduiding Hovenier en de daarbij behorende activiteiten vinden plaats in het bedrijfsgebouw waarin ook de stallingen en opslagen voor de akkerbouwactiviteiten plaatsvinden. Nieuwe bedrijfsactiviteiten mogen geen belemmeringen opleveren voor bestaande omliggende functies.

Het planvoornemen voorziet naast het bestaande agrarische gebruik in het mogelijk maken van een hoveniersbedrijf met bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 1 en 2 en daarmee qua impact vergelijkbare bedrijven en activiteiten zoals deze nu ook aanwezig mogen zijn. Voor de beoordeling in hoeverre de plannen ruimtelijk inpasbaar zijn, is de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’ gebruikt. Deze methode is gebaseerd op 30

richtafstanden tussen bedrijven enerzijds en geluidgevoelige bestemmingen anderzijds. In §5.3 van de VNG-brochure wordt vervolgens een stappenplan uitgewerkt ter beoordeling van de inpasbaarheid van een milieubelastende functie (zoals een bedrijf) in de nabijheid van geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen). In onderhavige situatie geldt een richtafstand van 10 meter (milieucategorie 2 in gemengd gebied). Voor bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 1 en 2 is een richtafstand van 10 meter (voor verschillende milieuaspecten) de maatgevende afstand. Binnen 10 meter van het bouwvlak ligt een (bedrijfs-)woning van derden (Over de Beek 1 op ca. 9,9 meter). Binnen de afstand van 10 meter komen geen andere gevoelige functies voor. Bedrijf

Adres

SBI-2008

hoveniersactiviteiten maximaal 500 m2 bedrijfsoppervlak

Over de Beek 1a

016

Aan te houden afstanden

Geur 10 Stof 10 Geluid 10 Gevaar 10 Tabel 1. Milieubelastende bedrijfsactiviteiten Over de Beek 1a (gemengd gebied)

Afstand tot plangebied

9,9 meter

De woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kan de opnieuw te bestemmen woning milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied De (bedrijfs-)woning Over de Beek 1 ligt met 9,9 meter binnen de richtafstanden als gevolg van de nieuwe activiteiten van Over de Beek 1a. Er dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies (Over de Beek1a). De agrarische activiteiten zijn bestaand. De hoveniersactiviteiten geven richtafstanden van 10 meter. De nieuwe bedrijfsactiviteiten geur, stof en gevaar van het hoveniersbedrijf vinden plaats in en nabij de loods. De activiteiten betreffen voornamelijk het onderhoud en het stallen en opslaan van materiaal en materieel ten dienste van het hoveniersbedrijf en is ruimschoots buiten de aan te houden afstand van 10 meter (geur, stof en gevaar) gelegen. Het woon- en leefklimaat voor de (bedrijfs-)woning Over de Beek 1 wordt vanuit de bedrijfsactiviteiten Over de Beek 1a met name bepaald door de geluidsbelasting als gevolg van de verkeerbewegingen van en naar de locatie Over de Beek 1a.

Daarnaast dient ook duidelijk te zijn dat het een bedrijfswoning betreft waarbij de verkeers- en vervoersbewegingen van het eigen bedrijf op kortere afstand van de bedrijfswoning plaatsvinden en waarbij sprake is van meer verkeerbewegingen dan de verkeerbewegingen die afkomstig zijn van de hoveniersactiviteiten van Over de Beek 1a. Met een akoestisch onderzoek is aangetoond dat de geluidsbelasting beperkt is en daarmee het woon- en leefklimaat voor de woning Over de Beek 1 acceptabel is. Zie ook onder 4.3.1. en bijlage 2a. Het voornemen levert geen belemmeringen op voor de dagelijkse bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies. Ook heeft het planvoornemen geen negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van omliggende burgerwoningen. Een acceptabel woon- en leefklimaat voor functies in de directe omgeving is gegarandeerd. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.2. Kloosterstraat ongenummerd 31

De nieuwe woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kan de nieuwe woning milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving zijn geïnventariseerd in een straal van 250 meter. De inventarisatie betreft de toegestane milieucategorie en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar.

Bedrijf

Adres

SBI-2008

Agrarisch tuinbouw

Over de Beek 21

011-012-013

Geur Stof Geluid Gevaar

Aan te houden afstanden

Afstand tot plangebied

10 10 30 10

230 meter

Tabel 2. Milieubelastende functies in de omgeving

Aan de Kloosterstraat 18 is een bedrijfsbestemming gevestigd. De voor ‘bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor nutsvoorzieningen. Hier is een trafostation gevestigd. Een trafostation staat niet als dusdanig opgenomen in de VNG-lijst. Maar gezien de ligging van ruim 100 meter van de locatie, kan gesteld worden dat hier een goed woon- en leefklimaat geborgd wordt. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden van de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG. Een acceptabel woon- en leefklimaat voor functies in de directe omgeving is gegarandeerd Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3.

Geluid

Mensen verblijven voor lange tijd in of bij hun woning. Sommige bezigheden vragen om rust. Zoals het voeren van een gesprek, lezen, leren en slapen. Geluid kan deze bezigheden verstoren. Slaapverstoring door geluid kan ziekte veroorzaken. Voor een aanvaardbaar woon en leefklimaat, mag er daarom niet te veel geluid van buiten in de woning komen. Bij het inpassen van een woning op een locatie moet de geluidkwaliteit aanvaardbaar zijn. De regels in het omgevingsplan borgen de geluidkwaliteit van de woningen. Daarnaast mogen de woningen de mogelijkheden van andere activiteiten niet al te zeer beperken, zoals bijvoorbeeld bedrijven. In het Omgevingsplan (bruidsschat) is het aspect geluid opgenomen in paragraaf 22.3.4. Hierin zijn de regels opgenomen voor geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegestaan. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beschermt via instructieregels woningen tegen geluid. Er zijn instructieregels per type geluidbron. Deze instructieregels verschillen (deels) per geluidbron. Ook moet gekeken worden naar het geluid van alle geluidbronnen samen. De instructieregels uit het Bkl richten zich bij het inpassen van een woning op de bescherming van de gezondheid. Met paragraaf 5.1.4.2a.4 uit het Bkl bepaalt de 32

gemeente of het geluid van de gemeentelijke weg op de nieuwe woning(en) aanvaardbaar is. De hoeveelheid geluid van een gemeentelijke weg wordt onder andere bepaald door de verkeersintensiteit van de weg. Deze wordt meestal bepaald via een verkeersmodel. Voor een evenwichtige toedeling van functies, zal ook de toekomstige ontwikkeling rondom de reconstructie van de N554 meegenomen moeten worden. 4.3.1. Over de Beek 1a Voor de locatie is een akoestisch onderzoek (Bijlage 2a) uitgevoerd. De conclusie is als volgt samen te vatten. In de representatieve bedrijfssituatie wordt op de woningen voldaan aan de normering van het Besluit activiteiten leefomgeving. Met betrekking tot de indirecte hinder kan worden geconcludeerd dat aan de standaardwaarde van 50 dB(A) wordt voldaan. Geconcludeerd wordt dat er uit akoestisch oogpunt geen belemmeringen zijn tegen de realisatie van het hoveniersbedrijf op het perceel. 4.3.2. Kloosterstraat ongenummerd Voor de locatie is een akoestisch onderzoek (Bijlage 2b) uitgevoerd. De conclusie is als volgt samen te vatten. Toetsing van de berekende geluidbelastingen aan de standaardwaarde en grenswaarde dient per geluidbron (weg) afzonderlijk te geschieden op de gevels van woning. Voor de nieuwe woning dient te worden getoetst aan de normering volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Uit de berekeningsresultaten voor de nieuwe woning, blijkt dat de standaardwaarde van 53 dB wordt overschreden op de voor- en zijgevels van de woning. Daarom zijn maatregelen overwogen. Deze zijn echter uit financiële, stedenbouwkundige of verkeerskundige redenen niet reëel. Gezien de geluidsbelastingen op de achtergevel van de woningen en in de tuin / terras, kan worden gesteld dat voor de woning gesproken kan worden van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

4.4.

Gezondheid (Algemeen)

Om het bevoegd gezag te ondersteunen in de besluitvorming over veehouderijen in relatie tot de gezondheid van omwonenden is de Handreiking veehouderij en gezondheid omwonenden (2023) opgesteld. De handreiking bevat een overzicht van de belangrijkste gevonden verbanden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden laat zien wat decentrale overheden kunnen doen om gezondheidsrisico’s van veehouderijen mee te wegen in besluitvorming. De handreiking geeft enkele globale stappenplannen voor het meenemen van mogelijke gezondheidsrisico’s in omgevingsplannen, onder andere een stappenplan voor realisatie van nieuwe woningen in de buurt van veehouderijen. In het stappenplan komen onderwerpen als geurhinder, fijnstof, endotoxine en veehouderijensectoren aan de orde. Op basis van de VGO onderzoeken en de handreiking veehouderij en volksgezondheid zijn de onderwerpen bepaald die relevant zijn voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat. In dit rapport worden in onderstaande hoofdstukken de volgende thema’s behandeld: geur, fijnstof, endotoxine in reactie tot de ontwikkeling en de veehouderijen in de omgeving.

33

4.5.

Geur

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet. Gemeentes kunnen geurregels opnemen voor veehouderijen in het omgevingsplan. Een regel over geurbelasting door veehouderij op een geurgevoelig object in een gemeentelijke verordening (artikel 6, Wgv) wordt bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 4.6, lid 1, van de Invoeringswet Omgevingswet. De Verordening geurhinder en veehouderij 2024 en de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas zijn per 7 november 2024 in werking getreden en vormen het toetsingskader. 4.5.1. Over de Beek 1a De locatie is momenteel in gebruik als varkenshouderijlocatie en landbouwactiviteiten. Het gebruik blijft agrarisch met landbouwactiviteiten en er worden hoveniersactiviteiten toegevoegd. Op de locatie is een bestaande bedrijfswoning aanwezig en dit blijft een agrarische bedrijfswoning. Er worden geen nieuw voor geurhinder gevoelige functie toegevoegd. Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas Bij het beoordelen van: -

ruimtelijke initiatieven en plannen waar er sprake is van een nieuw voor geurhinder gevoelige functie zoals aangeduid in artikel 3 van de “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas” wordt als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect achtergrondbelasting geur uit stallen van veehouderijen, onderstaande waarden gehanteerd:

Het initiatief betreft geen nieuwe voor geur gevoelige functies. Er wordt voldaan aan de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas. Vanuit het aspect gezondheid/geur zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Effect voor veehouderijen in de omgeving De meest nabijgelegen veehouderij betreft de pluimveehouderijlocatie op de locatie Over de Beek 2. De afstand van het geurgevoelig gebouw (woning Over de Beek 1a) tot deze veehouderij bedraagt circa 100 m. Het bestaande geurgevoelige gebouw blijft functioneel verbonden met de activiteit zoals deze plaats vindt op Over de Beek 1a. Omdat de functionele binding blijft en bovendien de woning Over de Beek 1 op een afstand van 25 meter het meest beperkend zal zijn op de ontwikkelingsmogelijkheden van de pluimveehouderijlocatie Over de Beek 2 heeft het initiatief geen beperkende invloed voor wat betreft de ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderij Over de Beek 2. 4.5.2. Kloosterstraat ongenummerd ACHTERGRONDBELASTING Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas 34

Bij het beoordelen van: -

ruimtelijke initiatieven en plannen waar er sprake is van een nieuw voor geurhinder gevoelige functie zoals aangeduid in artikel 3 van de “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas” wordt als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect achtergrondbelasting geur uit stallen van veehouderijen, onderstaande waarden gehanteerd:

Toetswaarde Achtergrondbelasting (Ou’s, cumulatief, 98percentiel)

Deelgebied A

Deelgebied B

Woongebied, plangebied wonen, landelijke kern

Bedrijventerrein Greenport Venlo Ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij Overige bedrijventerreinen en buitengebied

Voldoende Onvoldoende

< 10 > 10

< 20 > 20

Voor de aanduiding van de begrenzing van de deelgebieden wordt verwezen naar de bij de “Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2024 ” behorende kaart. Als de achtergrondbelasting geur geclassificeerd kan worden als ‘voldoende’ zoals beschreven in artikel 4, dan zijn er vanuit het deelaspect ‘cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen’ geen belemmeringen om mee te werken aan een ruimtelijk initiatief. Het initiatief is gelegen in Deelgebied A en in het woongebied. Aan de gestelde norm van <10 Ou’s, cumulatief, 98-percentiel wordt ruimschoots voldaan zoals uit de onderstaande tabel blijkt. Voor het plangebied is middels de meest recente versie van V-stacks gebied een berekening gemaakt voor de achtergrondbelasting van alle veehouderijbedrijven met een geuremissiefactor. Uit deze berekening komt naar voren dat er op de locatie sprake is van een voldoende woon- en leefklimaat op het gebied van geur. Onderstaand zijn de rekenpunten en resultaten van de uitgevoerde geurberekening weergegeven. Nummer

X coördinaat

Y coördinaat

Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4

203940 203951 203879 203877

390075 390026 390014 390062

Tabel 3. Rekenresultaten achtergrondbelasting.

35

Geurbelasting (Ou/m3) 7,18 6,93 7,00 7,25

Geurnorm (Ou/m3) 10 10 10 10

Afbeelding 6 Rekenpunten achtergrondbelasting

De achtergrondbelasting kan geclassificeerd worden als ‘Voldoende’ en voldoet daarmee aan het gestelde in de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas.

Effect voor veehouderijen in de omgeving De meest nabijgelegen veehouderij betreft de varkenshouderijlocatie op de locatie Tienrayseweg 35 in Meerlo. De afstand tot deze veehouderij bedraagt circa 380 m. Er zijn meerdere bestaande woningen gelegen tussen het plangebied en de meest nabij gelegen veehouderij. Deze bestaande geurgevoelige gebouwen zijn de bepalende objecten voor eventuele toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderij. De nieuwe woning heeft daarom geen beperkende invloed voor wat betreft de ontwikkelingsmogelijkheden van deze of andere veehouderijen.

36

4.6.

Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit heeft een grote invloed op de volksgezondheid. De luchtkwaliteit wordt mede bepaald door fijnstof. Veehouderijen dragen bij aan de directe (primaire) uitstoot van fijnstof, bijvoorbeeld via stofdeeltjes vanuit mest, huidschilfers, veren, voer, haren en strooisel. Daarnaast reageert ammoniak (uit met name mest en stallen) met andere stoffen in de lucht tot secundair fijnstof. Zowel primair als secundair fijnstof kunnen gezondheidseffecten veroorzaken. Het fijnstof afkomstig van veehouderijen bestaat uit grovere deeltjes en het bevat veel meer biologische componenten dan het fijnstof afkomstig van verkeer. De emissie van primair PM2,5 uit veehouderijen is beperkt in verhouding tot de emissie van PM10. Zo bedraagt het aandeel PM2,5 binnen de uitgestoten hoeveelheid PM10 bij volière pluimveestallen ongeveer 6% (zie ASG Rapport 195). Als het gaat om vroegtijdige sterfte en effecten op het hart- en vaatsysteem, dan hangen deze vooral samen met de blootstelling aan de kleine deeltjes (<PM2,5) die zijn gerelateerd aan verkeer. Bij de gezondheidseffecten als gevolg van blootstelling aan fijnstof uit stallen denkt men eerder aan directe effecten op de luchtwegen, in de vorm van toename luchtwegklachten en longontstekingen. Uit IRAS-onderzoek blijkt dat ondanks de hogere blootstelling aan fijnstof, astma minder vaak voorkomt bij omwonenden van veehouderijbedrijven.

Bewoners met astma of COPD hebben wel meer risico op complicaties of infecties aan de bovenste luchtwegen. De Europese Unie bepaalt de wettelijke normen (grenswaarden) voor de hoeveelheid fijnstof die in de lucht mag zitten. De fijnstof normen zijn vastgelegd voor jaar- en daggemiddelden. De EU-grenswaarden zijn een compromis tussen wat vanuit gezondheidsperspectief wenselijk is, wat technisch mogelijk is en wat economisch en politiek haalbaar is. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft gezondheidskundige advieswaarden voor fijnstof vastgesteld. De geadviseerde streefwaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 bedraagt 15 μg/m3. Het gaat bij de gezondheidskundige advieswaarde om streefwaarden waarop beleid zich zou moeten richten (inspanningsplicht) om schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid te vermijden, te voorkomen of te verminderen. De WHO-richtlijnen zijn dus bedoeld voor beleidsvorming en om beleidsopties voor luchtkwaliteitsbeheer te ondersteunen. Deze waarden vormen geen ‘hard’ toetsingskader. In veel gebieden wordt zonder de fijnstof bijdrage van veehouderijen de streefwaarde 15 μg/m3 al overschreden. 4.6.1. Over de Beek 1a De locatie is in gebruik als varkenshouderijlocatie en landbouwactiviteiten.

Het saneren van de varkenshouderijlocatie draagt bij aan het verminderen met 535 Kg fijnstof emissie per jaar en levert daarmee een bijdrage aan het verbeteren van de gezondheidssituatie in Horst aan de Maas en met name de omgeving rondom Tienray. Het gebruik blijft agrarisch met landbouwactiviteiten en er worden hoveniersactiviteiten toegevoegd. Op de locatie is een bestaande bedrijfswoning aanwezig en dit blijft een agrarische bedrijfswoning. Er worden geen nieuwe gevoelige functies toegevoegd. Het initiatief betreft geen nieuw voor geur gevoelige functies. Vanuit het aspect gezondheid/luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

37

4.6.2. Kloosterstraat ongenummerd In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan rijksomgevingswaarden voor lucht. De wettelijke grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 bedraagt 40 μg/m3 (zie tabel 5). Deze zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. Achtergrondconcentratie en bijdrage veehouderijen Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties in Nederland (GCN). De achtergrondconcentratie binnen het plangebied ligt in monitoringsjaar 2023 (GCN mei 2024) tussen de 14 en 16 μg/m3, (zie tabel). Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is beoordeeld of er ter plaatse van de toekomstige woning sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen (Rijksoverheid, CIMLK, monitoringsronde 2023, peiljaar 2025 en 2030, van 3-12-2024, https://www.cimlk.nl/kaart).

Hiervoor zijn de dichtstbijzijnde rekenpunten met de hoogste waardes geraadpleegd. Locatie rekenpunt: x: 203.943 y: 390.025 aan de Kloosterstraat. PM10 concentratie PM10 overschrijdingsdagen

2025 15,7 μg/m3 6 dagen

2030 14,6 μg/m3 6 dagen

Tabel 4 Concentraties monitoringsronde 2023, monitoringsjaar 2025 en 2030 (CIMLK) 2025

4.7.

Endotoxine

Uit onderzoeken is aangetoond dat omwonenden rondom veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen. Veehouderijen stoten (fijn)stof uit naar de omgeving. Pluimveehouderijen stoten meer (fijn) stof uit dan varkenshouderijen. Varkenshouderijen stoten weer meer uit dan andere veehouderijtakken. Endotoxine is een van de stoffen die wordt verspreid in de omgeving van veehouderijen. Het Endotoxinerapport en het gezondheidsonderzoek van het RIVM (VGO) tonen aan dat gezondheidsrisico’s kleven aan de verspreiding van stoffen uit stallen. Op grond van het onderzoek Intensieve-veehouderij en Gezondheid (IVG: de voorloper van het VGO-onderzoek) ziet de Gezondheidsraad endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op luchtwegen. Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van maximaal 30 EU/m³ (Endotoxin Units) vast te stellen. De Gezondheidsraad is het adviesorgaan voor het Rijk aangaande complexe gezondheidsvraagstukken. Binnen gemeente Horst aan de Maas worden ruimtelijke ontwikkelingen tevens getoetst aan het endotoxine toetsingskader.

Uitgangspunt hierbij is het voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden en het voorkomen van nieuwe overschrijdingen. Van de endotoxinen-norm gaat ook een omgekeerde werking uit. Dit betekent concreet dat voor de ontwikkeling aan de Kloosterstraat ongenummerd bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat endotoxines moeten worden meegewogen en dat wordt gemotiveerd of deze ontwikkeling geen extra belemmeringen oplevert voor omliggende veehouderijen i.v.m. hun endotoxines-uitstoot.

38

Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat geitenhouderijen de grootste bron voor endotoxine uitstoot zijn en dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Niet onomstotelijk is aangetoond dat de verhoging van het aantal gevallen van longontsteking een direct gevolg is van de aanwezigheid van geitenhouderij bedrijven, echter is het vanuit het voorzorgsprincipe wenselijk om hieraan te toetsen. In een omtrek van 2 kilometer rond het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen, hiervoor is de kernregistratie dierverblijven van de provincie Limburg geraadpleegd. De dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen op een afstand van ruim 5,7 kilometer (Losbaan 42 Lottum). Op basis hiervan is aan te nemen dat de aanwezigheid van geitenhouderijen geen belemmeringen vormen voor het initiatief.

4.7.1. Over de Beek 1a De locatie is in gebruik als varkenshouderijlocatie en landbouwactiviteiten. Het saneren van de varkenshouderijlocatie draagt bij aan het verminderen met 535 Kg fijnstof emissie per jaar. Gezien de relatie Fijnstof-Endotoxine draagt deze afname bij aan het verbeteren van de gezondheidssituatie in Horst aan de Maas en met name de omgeving rondom Tienray. Het gebruik blijft agrarisch met landbouwactiviteiten en er worden hoveniersactiviteiten toegevoegd. Op de locatie is een bestaande bedrijfswoning aanwezig en dit blijft een agrarische bedrijfswoning. Er worden geen nieuwe gevoelige functies toegevoegd. Het initiatief betreft geen nieuwe gevoelige functies. Vanuit het aspect gezondheid/endotoxine zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.7.2. Kloosterstraat ongenummerd In de omgeving van het plangebied zijn enkele veehouderijbedrijven gelegen. Op een afstand van ca. 550 meter het pluimveebedrijf Over de Beek 2 en op ca. 380 meter het varkensbedrijf Tienrayseweg 35. Uit de inventarisatie (Bron voor PM10: KRD bedrijven) en door berekening (Bron: Endotoxine toetsingskader 2.0) blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de minimale afstanden. Hierdoor vormt de beoogde ontwikkeling zowel voor het plangebied als voor de omliggende veehouderijen geen belemmering. Gesteld kan worden dat de afstand tussen het plangebied en deze veehouderij voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen op het gebied van volksgezondheid. Vanuit het aspect gezondheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Locatie Over de Beek 2 Tienrayseweg 35 Heesweg 9 Tienrayseweg 20

Veehouderijen met endotoxine-uitstoot Functie PM10 kg/jaar Minimale afstanden tot plangebied (m) Vleeskuikens 4.330 399 Varkenshouderij 123 57 Leghennen 13.630 284 Varkenshouderij 325 114

Tabel 5 Uitwerking bedrijven met endotoxine-uitstoot

39

Feitelijke afstand tot plangebied (m) 550 380 820 590

4.8.

Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. De regels voor externe veiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 zijn van toepassing op het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit als bedoeld in die paragrafen die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen en (ondergrondse) buisleidingen.

Kloosterstraat

Over de

Afbeelding 7 Uitsnede plangebied Veilige omgeving (Bron: Atlas Leefomgeving).

Het plaatsgebonden risico is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 40

contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Het groepsrisico beschrijft de kans dat ten minste 10 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloed gebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. Het groepsrisico is hierbij een indicator van de mogelijke maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (10, 100 of bijvoorbeeld 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (geen norm). Deze oriëntatiewaarde is een richtwaarde waar het bevoegd gezag zich zoveel mogelijk aan moet houden, maar men mag hiervan wel goed onderbouwd afwijken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Ruimtelijke plannen moeten worden getoetst aan het BEVI en de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels en restaurants. 4.8.1.

Over de Beek 1a Het gebruik blijft agrarisch met landbouwactiviteiten en er worden hoveniersactiviteiten toegevoegd. Op de locatie is een bestaande bedrijfswoning aanwezig en dit blijft een agrarische bedrijfswoning. De wijzigingen zorgen niet voor een toename van het groepsof plaatsgebonden risico. De locatie is niet gelegen binnen een 10-6 contour en de beoogde activiteiten zorgen niet voor een toename is het groepsrisico. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.8.2. Kloosterstraat ongenummerd De toevoeging van 1 woning zorgt niet voor een toename van het groeps- of plaatsgebonden risico. De locatie is niet gelegen binnen een 10-6 contour en de beoogde activiteiten zorgen niet voor een toename is het groepsrisico. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.9.

Cultuurhistorie en archeologie

In 2025 is het Programma Erfgoed vastgesteld voor de gemeente Horst aan de Maas. Het programma geeft uitwerking aan en organiseert de uitvoering van de ambities in de omgevingsvisie en de zorgplicht voor erfgoed zoals vastgelegd in de Omgevingswet. In de Omgevingsvisie is opgenomen dat erfgoed een van de dragers van de omgevingskwaliteit en identiteit van Horst aan de Maas is. Met het programma beoogt de gemeente een zorgvuldige omgang met de fysieke resten van het verleden van Horst aan de Maas en werken we aan het beleefbaar en toegankelijk maken van dit erfgoed. Het doel is daarbij niet om een stolp over de waarden in onze omgeving te leggen, maar om zorg te dragen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt de koppeling gelegd met andere gemeentelijke ambities, zoals die op het vlak van 41

toerisme, economie, milieu en natuur. Door nieuwe functies, bijvoorbeeld bij herbestemming van gebouwen, mogelijk te maken kan tegelijk geïnvesteerd worden in behoud en beleving van het erfgoed zelf. Daarbij is het behoud van het ensemble waar het erfgoed deel van uitmaakt net zo belangrijk als het erfgoed zelf. Het Programma Erfgoed sluit aan bij de begripsbepaling van erfgoed uit de Omgevingswet: archeologische monumenten (archeologie – te verwachten en bekende waarden in het bodemarchief), cultuurlandschappen (cultuurlandschap – de structuur en elementen in het bovengrondse landelijk gebied), en monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna te noemen gebouwd erfgoed, waaronder zowel bouwkunst als stedenbouwkundige ensembles). Afweging bij initiatieven: De gemeente beschikt over beleidskaarten per erfgoedthema, deze vormen de basis voor het afwegingskader in de omgang met erfgoed in geval van initiatieven. Het beleid wordt hierna per erfgoedthema samengevat. Archeologie: De waarden en verwachtingen zijn vertaald naar beleidscategorieën waaraan vrijstellingsgrenzen zijn gekoppeld. Indien de oppervlakte van het plangebied en de diepte van voorgenomen ingrepen de vrijstellingsgrenzen overschrijden is onderzoek noodzakelijk. In de kaart zijn bovendien aanduidingen opgenomen: in het onderzoek dient rekening gehouden te worden met de betreffende aanduiding.

Cultuurlandschap: De gemeente hanteert op basis van de waardering en onderliggende kenmerken drie beleidszones. • In gebieden met een zeer hoge waarde heeft het cultuurlandschap een zeer hoge prioriteit ten opzichte van andere belangen. Aan een initiatief kan alleen worden meegewerkt als de cultuurhistorische waarden op de betreffende locatie niet onevenredig worden aangetast en bij voorkeur nog verder versterkt. • In gebieden met een hoge waarde heeft het erfgoedbelang een hoge prioriteit ten opzichte van andere belangen, waarbij ontwikkelingen de cultuurhistorische betekenis versterken. Een beperkte aantasting van cultuurhistorische waarden op ondergeschikte aspecten is toelaatbaar mits een compensatie van gelijkwaardige aard kan worden gevonden Is een impact van een ontwikkeling groot, dan is de mogelijkheid tot compensatie elders niet mogelijk. • In gebieden met een positieve en basiswaarde geldt dat het cultuurhistorisch belang als één van de deelbelangen in de afweging meedoet. Hierbij letten we op kansen in het ontwerp om de kwaliteit van het landschap te verbeteren via herstel van landschapselementen of kenmerken. De afweging richt zich in alle gevallen zowel op gebiedskenmerken als op het behoud van aanwezige en/of herstel van herkenbare of verdwenen cultuurhistorische landschapselementen.

Initiatiefnemers dienen op beide aspecten te verantwoorden hoe zij hiermee in hun plan omgaan. Historisch stedenbouwkundige ensembles: Dit betreft de gebieden waar het gebouwde erfgoed relatief gaaf bewaard gebleven is en er sprake is van een duidelijke ruimtelijke samenhang. De gemeente hanteert hier twee beleidszones: • In ensembles met een zeer hoge cultuurhistorische waarde krijgt het erfgoedbelang een zeer hoge prioriteit bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij getoetst wordt aan de kernwaarden van het ensemble. • In ensembles met een hoge cultuurhistorische waarde krijgt het erfgoedbelang een hoge prioriteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hierbij wordt getoetst aan de hoofdlijn van kernwaarden in het gebied.

42

De gemeente beschikt tot slot over een register van gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden. Erfgoedverordening Vanwege de implementatie van de Omgevingswet is de Erfgoedverordening in 2023 geactualiseerd. Deze verordening bevat een vangnetbepaling archeologie. De verordening bevat daarnaast met name bepalingen ten aanzien van de aanwijzing en bescherming van gemeentelijk erfgoed. Vanuit het erfgoedthema archeologie is ter plaatse van beide locaties sprake van archeologische waarden. Deze worden hierna nader toegelicht. Vanuit de erfgoedthema’s cultuurlandschap en historisch stedenbouwkundige ensembles is er ter plaatse van beide locaties geen sprake van hogere waarden en complexe ingrepen. Deze aspecten vormen geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling op beide locaties. 4.9.1. Over de Beek 1a De gronden met een archeologische dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden. Afhankelijk van de archeologische dubbelbestemming gelden bouwregels, waarbij bouwen boven een bepaalde vrijstellingsgrens vergunning plichtig is. Als deze vrijstellingsgrens wordt bereikt, zal voor de verlening van deze benodigde vergunning (verkennend) archeologisch onderzoek moeten worden verricht. De vigerende archeologische dubbelbestemmingen wijzigen niet.

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt bekeken of het initiatief vergunning- en onderzoeksplichtig is. Vanuit het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.9.2. Kloosterstraat ongenummerd De locatie is gelegen binnen de dubbelbestemmingen ‘Archeologie 3’. Op de locatie is door ArcheoPro een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 3). De conclusies uit het onderzoek zijn hieronder opgenomen. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied in verband met de ligging op de overgang naar een beekdal, mogelijk een hoge verwachting voor resten uit het laat-paleolithicum en het mesolithicum. Resten van begraving en bewoning van landbouwers zullen eerder op de dekzandhoogten ten westen en ten noorden van het plangebied hebben gelegen. Hiervoor is de verwachting derhalve middelhoog. Sporen van bewoning uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd worden gezien de gegevens op historische kaarten, niet verwacht. Hiervoor is de verwachting derhalve laag. Om het gespecificeerd archeologische verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied acht boringen gezet en is tevens een vlakdekkende oppervlaktekartering uitgevoerd. Aan de hand van de resultaten van het veldonderzoek kunnen de onderzoeksvragen als volgt beantwoord worden: 43

-Hoe is de bodem opgebouwd binnen het plangebied? De bodem binnen het plangebied bestaat uit een dertig tot veertig centimeter dikke bouwvoor die via een Cg-horizont overgaat in een niet door oxidatievlekken gekenmerkte C-horizont. Deze bodemopbouw is op zeven van de acht boorpunten aangetroffen. Slechts op één langs de weg gelegen boorpunt wijkt de bodemopbouw enigszins af en is de bouwvoor iets dikker met daaronder en vergraven top van de C-horizont. Dit is waarschijnlijk het gevolg van graafwerkzaamheden langs de weg. -In welke mate is de bodem verstoord? De bodemverstoring beperkt zich vrijwel overal binnen het plangebied tot de bovenste dertig tot vijfendertig centimeter van de bodem die zijn opgenomen in de bouwvoor. -Kunnen binnen het plangebied nog behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn? Zo ja, in welke zones en op welke diepten is dit het geval? De hoge grondwaterstand binnen het plangebied betekent dat het plangebied waarschijnlijk nooit een erg aantrekkelijke vestigingslocatie zal hebben gevormd. Bovendien zijn ondanks de goede vondstzichtbaarheid en de uitvoering van een vlakdekkende oppervlaktekartering, nergens binnen het plangebied archeologische indicatoren aangetroffen die op de aanwezigheid van bewoningsresten zouden kunnen wijzen.

Gezien het bovenstaande geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn archeologische waarden aangetroffen waarmee met de toekomstige inrichtingswerkzaamheden rekening moet worden gehouden. In alle gevallen blijft echter onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10. 4.10.1.

Natura-2000 activiteiten Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000- gebieden. Op grond van artikel 2.43 van de Omgevingswet zijn de instandhoudingsdoelstelling vastgelegd. Gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden) van belang.

44

Over de

Kloosterstraat

Afbeelding 8 Overzicht locaties en Natura2000 gebieden (Bron: AERIUS calculator).

4.10.2.

Over de Beek 1a

Ten oosten van het plangebied is het Natura2000 gebied Maasduinen gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura2000 gebied bedraagt ongeveer 4,8 kilometer. Beoordeeld moet worden of het planvoornemen significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Natura2000 activiteiten beschermd moeten worden. De locatie is in gebruik voor varkenshouderijactiviteiten en landbouwactiviteiten. Het gebruik blijft agrarisch met landbouwactiviteiten en er worden hoveniersactiviteiten toegevoegd. Op de locatie is een bestaande bedrijfswoning aanwezig en dit blijft een agrarische bedrijfswoning. Gezien de sanering van de veehouderijactiviteiten en het op de locatie mogen gebruiken van 15% van de stikstofemissie in het kader van de LBV+ saneringsregeling voor de doorontwikkeling, is er sprake van een forse afname van stikstofemissie en depositie. Vanwege de afstand en de beperkte omvang van het initiatief is het niet te verwachten dat de ontwikkeling leidt tot verstoring, oppervlakteverlies, verontreiniging of andere negatieve effecten op het Natura2000-gebied. De uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18

45

december 2024 over intern salderen hebben de verlening van natuurvergunningen grotendeels stilgelegd. Dit heeft impact op ondernemers in verschillende sectoren, waaronder de landbouw. Veehouders die deelnemen aan beëindigings- en verplaatsingsregelingen dreigen door de ontstane situatie direct in de knel te komen. Die regelingen bieden deelnemers de mogelijkheid dat zij na beëindiging of verplaatsing van hun veehouderij, op die locatie een andere activiteit mogen verrichten (anders dan het houden van landbouwhuisdieren’) als die nieuwe activiteit maximaal 15% van de oorspronkelijk vergunde stikstofruimte vergt. Die beperking tot de stikstofruimte die binnen die 15% nodig is voor de nieuwe activiteit moet op verzoek van de betrokken ondernemer worden vastgelegd in een besluit van het bevoegd gezag. Dit betreft echter een vorm van intern salderen. Intern salderen is door de uitspraken natuurvergunningplichtig geworden. Voor intern salderen kan alleen een natuurvergunning worden verleend als het volledig beëindigen van de stikstofdepositie van de veehouderij niet nodig is voor de natuur (het ‘additionaliteitsvereiste’). De mogelijkheid om een andere economische activiteit te ontplooien is voor veel veehouders een belangrijke overweging/aspect bij hun besluit om te stoppen met hun veehouderij.

Indien die mogelijkheid vervalt of als het te lang duurt voordat de verlening van natuurvergunningen weer mogelijk wordt, is de kans reëel dat een groot aantal veehouders hun subsidieaanvraag alsnog in zal trekken. Dit zal allereerst een teleurstellende uitkomst zijn voor die ondernemers die het moeilijke besluit hebben genomen om hun veehouderij te beëindigen, maar het zal ook negatief uitpakken voor het doelbereik van de betrokken regelingen. Om op een zo kort mogelijke termijn tot een oplossing te komen hebben het ministerie van LVVN, provincies en gemeenten in gezamenlijkheid gewerkt aan een handelingsperspectief waarmee het verlenen van toestemming aan deelnemers aan deze regelingen weer mogelijk kan worden. De handreiking gaat wat betreft het dictum uit van de situatie dat de deelnemer een natuurvergunning heeft. Bij dit initiatief is sprake van een aanwezige Natuurvergunning. Het perspectief is erop gericht een natuurvergunning te verlenen voor het nieuwe project met intern salderen, dus in het kader van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Daarbij wordt onderbouwd dat de mitigatie die ingezet wordt voor het nieuwe project niet is aan te merken als “passend”, aangezien deze voortvloeit uit een passende maatregel, zijnde de regelingen.

Deze regelingen zijn gericht op vrijwillige beëindiging van veehouderijlocaties ter reductie van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige en overbelaste Natura 2000-gebieden. Daarbij is integraal onderdeel van de beëindigingsmaatregel dat deelnemers na de beëindiging op de locatie een nieuw project kunnen uitvoeren mits de stikstofemissie van dat nieuwe project relatief beperkt is. Omdat het een afname van stikstofrelevante activiteiten betreft en voor de locatie een Natura2000 vergunning aanwezig is en waarvan maximaal 15% mag worden gebruikt voor de doorontwikkeling op de locatie is het effect van de ontwikkeling op de stikstofdepositie in beeld gebracht met een AERIUS-berekening. Deze berekening bevestigd het geschetste beeld dat met het gebruik na wijziging er geen significante negatieve effecten te verwachten zijn (zie bijlage 4). Voor de activiteiten op de locatie zal vanwege de vergunningplicht een aanvraag voor een Natura2000 vergunning bij de provincie Limburg aangevraagd worden waarbij het additionaliteitsvereiste wordt ingevuld door de mitigerende maatregel van de fors lagere stikstof emissie/depositie als gevolg van de beëindiging van de varkenshouderijlocatie als gevolg van de LBV+ deelname.

46

4.10.3.

Kloosterstraat ongenummerd

Ten oosten van het plangebied is het Natura2000 gebied Maasduinen gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt ongeveer 4,4 kilometer. Beoordeeld moet worden of het planvoornemen significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. Gezien de afstand en de beperkte omvang van het initiatief is het niet te verwachten dat de ontwikkeling leidt tot verstoring, oppervlakteverlies, verontreiniging of andere negatieve effecten op het natura2000-gebied. Een ander belangrijk aspect voor natuur is stikstof. Om het effect van de ontwikkeling op de stikstofdepositie in beeld te brengen is een AERIUS-berekening van het projecteffect gemaakt. Uit de berekening van de AERIUS Calculator volgt dat er voor de gebruiksfase en de aanlegfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn op Natura 2000-gebieden. Er zijn voor de aanlegfase en de gebruiksfase geen significante negatieve effecten te verwachten zijn (zie bijlage 5). Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.10.4.

Soortenbescherming

De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Omgevingswet. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. In afdeling 11.2 van het Bal zijn regels opgenomen voor activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name de regels de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.4 van belang. •

•

•

Paragraaf 11.2.2 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Paragraaf 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn. Dit zijn soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn. Paragraaf 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten. Dit zijn alle in Nederland in het wild levende soorten waaronder zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zoals genoemd in het Bal, bijlage IX.

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een planvoornemen waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. 4.10.5.

Over de Beek 1a

De locatie is momenteel in gebruik als varkenshouderijlocatie en landbouwactiviteiten. Het gebruik blijft agrarisch met landbouwactiviteiten en er worden hoveniersactiviteiten 47

toegevoegd. Op de locatie is een bestaande bedrijfswoning aanwezig en dit blijft een agrarische bedrijfswoning. Voor de sloopactiviteiten op de locatie is een separate sloopmelding gedaan. Verdere veranderingen vinden op de locatie niet plaats. Vanuit het aspect soortenbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.10.6.

Kloosterstraat ongenummerd

De locatie is al jarenlang in gebruik als bouwland en wordt zodoende meerdere keren per jaar verstoord en hierdoor is de aanwezigheid van beschermde flora en fauna vrijwel uitgesloten. E.e.a. wordt bevestigd in de uitgevoerde natuurtoets door Baecx B.V. uitgevoerd (Bijlage 6). Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.11.

Landschappelijke inpassing

De landschappelijke inpassing van het beoogde initiatief is afgestemd op de kwaliteiten en kenmerken van het landschap in de omgeving van het plangebied. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt voldaan aan de eisen voor kwaliteitsverbetering vanuit de provincie en gemeente. In afbeelding 10 en 11 is het landschappelijk inpassingsplan weergegeven, voor het volledige landschappelijke inpassingsplan wordt verwezen naar bijlage 7 voor de locatie Kloosterstraat ongenummerd en bijlage 8 voor de locatie Over de Beek 1a.

48

4.11.1.

Over de Beek 1a

Afbeelding 9 Landschappelijk inpassingsplan Over de Beek 1a

49

4.11.2.

Kloosterstraat ongenummerd

Afbeelding 10 Landschappelijk inpassingsplan Kloosterstraat

50

4.12. 4.12.1.

Waterparagraaf Relevant waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. Per 18 maart 2022 is het Nationaal Waterprogramma 20222027 vastgesteld. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de Stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. De wateropgaven waar Nederland voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor de 3 hoofdambities van het NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta; • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. 4.12.2.

Provinciaal waterplan Limburg

Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal waterprogramma 20162021. Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die de Provincie de komende planperiode willen bereiken op het gebied van Water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. De provincie Limburg legt de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid.

Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen. 4.12.3.

Waterschapsverordening

Met de ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 staan alle regels van het waterschap voor de ruimte waarin we wonen, werken en ontspannen in één verordening, 51

de waterschapsverordening. De waterschapsverordening vervangt de regels in de Keur en de bijbehorende algemene regels. De waterschapsverordening heeft een andere opzet dan de Keur. De Keur was een traditionele verordening met geboden en verboden. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet worden alle regels die het waterschap binnen haar beheergebied stelt over de fysieke leefomgeving, opgenomen in de Waterschapsverordening. Met de Omgevingswet wordt gewerkt met het ‘ja, mits’-principe. Dit betekent dat activiteiten zijn toegestaan, mits wordt voldaan aan voorwaarden in de waterschapsverordening. 4.12.4.

Over de Beek 1a

Het initiatief heeft betrekking op de herontwikkeling van het plangebied. Hierbij wordt een forse afname gerealiseerd door het slopen van ca. 9.000 m2 bedrijfsgebouwen. Er wordt een nieuw bedrijfsgebouw gerealiseerd met erfverharding van ca. 2.800 m2. Per saldo resteert er minder verhard oppervlakte. Het van het dak van het te realiseren gebouw en de nieuwe verhardingen zal worden opgevangen en infiltreren in aan de zuidoostkant van de verharding en noordoostkant van het gebouw te realiseren infiltratiegreppels. De greppels kunnen zonodig uitstromen over het aangrenzende gebied; dit zal worden ingericht en benut als grasland. Dit betekent dat er sprake is van een op zijn minst hydrologisch neutrale ontwikkeling.

Afbeelding 11 Nieuwe Infiltratiegreppels zoals opgenomen in het Landschappelijk inpassingsplan

52

Het nieuwe bedrijfsgebouw met erfverharding betreft ca. 2.810m2, Het hemelwater moet geïnfiltreerd worden op eigen perceel. De minimaal eis is de bergingseis beschreven in het GRP van de gemeente Horst aan de Maas: 53mm/m2 met een leegloop van 24uur. Dit betekent dat de infiltratiegreppels een berging moeten hebben van minimaal 148 m3. Het gebouw aan Over de Beek 1a is inmiddels gerealiseerd. De vergunning voor de bouwactiviteit is 10-10-2024 verleend. Bij de aanvraag van de vergunning voor de bouwactiviteit is de gedimensioneerde infiltratiesloot van 154 m3 akkoord bevonden. De bergingscapaciteit is groter dan de bergingseis en de infiltratievoorziening voldoet daarmee aan het GRP. Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16933460/1