CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

06d Motivering

Gemeenteraad 7 juli 2026, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Bijlagen30.052 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zullen hier nieuwe bedrijven gevestigd kunnen worden. De meest nabijgelegen intensieve veehouderij bevindt zich aan de Witveldweg 44-48 op een afstand van circa 520 m van de Sintelweg 4. Aangezien een bedrijfslocatie geen gevoelige functie is, wordt deze nieuwe functie hiermee niet belemmerd. Horsterweg ongenummerd: Hier wordt Driessen Grondwerken BV gevestigd. De meest nabijgelegen intensieve veehouderij bevindt zich aan de Witveldweg 35 op een afstand van circa 170 m van het plangebied aan de Horsterweg. Aangezien een bedrijfslocatie

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 6 3

geen gevoelige functie is, wordt deze nieuwe functie hiermee niet belemmerd.

5.1.4

Zoönose

Een zoönose is een infectieziekte die van dier op mens kan overgaan. In Nederland voorkomende zoönosen zijn COVID-19, de ziekte van Lyme, Q-koorts, toxoplasmose, salmonellose en vogelgriep. Ongeveer twee derde van de verwekkers van infectieziekten is afkomstig van dieren. Mensen kunnen er op verschillende manieren mee besmet raken? via voedsel of water of lucht, en via direct contact met besmette dieren of besmet dierlijk materiaal zoals mest. Ook kunnen verwekkers van zoönosen via teken en muggen worden overgebracht. Hoe groot de afstand moet zijn tussen veehouderijen en woningen om zoönosen bij omwonenden te voorkomen te kunnen spreken van een veilige afstand, is op dit moment niet te bepalen. Dit komt door het gebrek aan betrouwbare informatie over de risico’s voor omwonenden en de verschillen in lokale omstandigheden zoals de gehouden diersoorten, het type huizen en het soort zoönose. Wel zijn er onderzoeken gedaan op basis waarvan een afstandsadvies tussen bedrijven onderling kan worden gegeven om besmetting tussen bedrijven te voorkomen. Deze onderzoeken zijn niet specifiek gericht op ziekteverwekkers. In sommige gevallen zijn ziekteverwekkers wel onderzocht, maar dan alleen die ziekteverwekkers waar dieren ook (erg) ziek van worden.

Deze onderzoeken waren specifiek gericht op de verspreiding ervan tussen bedrijven met dieren die (zeer) gevoelig zijn voor bepaalde ziekteverwekkers. Wel is bekend dat het risico op zoönosen voor omwonenden voor een groot deel wordt bepaald door de hygiënestatus op een veehouderijbedrijf. Een bedrijf waar de hygiënemaatregelen correct worden gehanteerd heeft minder insleep (meebrengen van infectieziekten via overgebrachte dieren) en uitstoot van micro-organismen die schadelijk kunnen zijn voor omwonenden. Aspecten van volksgezondheid, zoals de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven, is een bij de vaststelling van een bestemmingsplan mee te wegen belang. De bestrijding van besmettelijke dierziekten vindt echter primair zijn regeling in andere regelgeving. Voorts kunnen aan te verlenen omgevingsvergunningen voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. Uit de studies Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen.

De provincie Limburg heeft in de Omgevingsvisie Limburg gekozen voor het voorlopig handhaven de bestaande geitenstop, waartoe in 2019 een voorbereidingsbesluit was genomen, op basis waarvan het verboden was om het direct aan de inwerkingtreding van dat voorbereidingsbesluit voorafgaande bestaande gebruik van bouwwerken of gronden binnen het gehele grondgebied van de provincie Limburg te wijzigen in gebruik ten behoeve van het houden van geiten. Onder wijzigen wordt ook verstaan een uitbreiding van het aanwezige aantal geiten binnen een inrichting.

Locatiespecifiek: In een straal van circa 2 km rondom de nieuw te realiseren woning aan de Hamweg 6 bevinden

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 6 4

zich geen geitenhouderijen. Binnen de overige delen van het plangebied zullen geen woningen worden gerealiseerd.

5.1.5

Spuitzones

Aan de noord-/noordoostzijde van het plangebied aan de Hamweg 6 zijn agrarische percelen van derden gesitueerd, die agrarisch (mogen) worden gebruikt voor het telen van gewassen. Akkerbouwgewassen en ook containerteelten worden beschermd door middel van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het toebrengen van deze middelen kan de spuitvloeistof ten gevolge van luchtstroming verplaatst worden naar omliggende percelen. Dit wordt 'drift' genoemd. Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr.

201410309/1/R6). Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn. Dit hangt mede samen met de hoogte van de gewassen (hoe hoger, des te meer sprake er kan zijn van drift), windrichting, soort bestrijdingsmiddelen en frequentie van spuiten. De heersende windrichting in de regio is zuid-west, zoals uit onderstaande gegevens van het KNMI blijkt:

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 6 5

Afbeelding 29: bron Klimaatviewer KNMI

De ontwikkelingen aan de Handelstraat 5, Dijkerheideweg, Sintelweg 4, Horsterweg ongenummerd en Hamweg ongenummerd betreffen geen gevoelige functies welke een belemmering zouden kunnen ondervinden door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Aan de Hamweg 6 zullen de bedrijfsactiviteiten worden beëindigd en zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd, omringd door nieuwe natuur. Een woning (zowel een bedrijfswoning van derden als een burgerwoning) is een gevoelig object waardoor bij de situering van de woning en inrichting van het perceel rekening dient te worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op in de omgeving gelegen agrarische percelen. Omdat het nieuwe woonperceel zal worden omringd door nieuwe natuur in de vorm van een ecologische verbindingszone welke de Reulsberg met het dal van de Groote Molenbeek verbindt, zal drift (die in het merendeel van de gevallen van de woning af zal zijn gericht) niet tot aan de woning komen. De nieuwe natuur bestaat namelijk uit dennen-, eiken-, en beukenbos, dat een buffer van ruim 25 m vormt.

Om echter te voorkomen dat de nieuwe aanplant (met name in de aanplantfase) onvoldoende drift beperkt, zullen de agrarische gronden welke zijn gelegen in een straal van 50 m rondom de nieuwe bestemming Wonen, in onderhavige bestemmingswijziging meegenomen worden en zullen de bestemming 'Natuur' krijgen. Omdat voor de gronden met de bestemming 'Natuur' (en 'Bedrijf') het overgangsrecht zal worden uitgesloten, wordt daarmee voorkomen dat binnen een straal van 50 m rondom het woonperceel spuitactiviteiten mogen plaatsvinden. Op deze manier kan worden voldaan aan de regels met betrekking tot spuitzones en is er sprake van een goede en gezonde leefomgeving ter plaatse van de nieuwe woning.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 6 6

5.1.6

Gezondheidseffect project

Momenteel is Driessen Grondwerken gehuisvest in de gemeente Horst aan de Maas op 4 locaties: Handelstraat 5, Dijkerheideweg en 2 locaties aan de Hamweg. Het project ziet op het clusteren van de bedrijfsactiviteiten van Driessen Grondwerken BV op een locatie binnen bedrijventerrein Klaver 11. Als gevolg hiervan zullen aan de Hamweg buitengebiedsvreemde functies verdwijnen danwel worden beperkt in intensiteit. De locatie Hamweg 6 grens aan een stiltegebied en ligt in de verbindingszone tussen natuurgebied 't Ham en de Reulsberg. Door het vrijmaken van deze locatie kan er nieuwe natuur worden gerealiseerd en kan de verbindingszone worden versterkt en hiermee de landschappelijke en ecologische kwaliteiten van het omliggende gebied vergroten. Naast het positieve milieutechnische effecten door het verplaatsen van de gebiedsvreemde activiteiten, draagt het verantwoord inrichten van natuurontwikkeling bij aan de gezondheid van mensen. Een natuurlijke omgeving heeft een positief effect, het kan bijdragen aan het tegengaan van stress, stimuleren tot beweging en aanzetten tot sociaal contact en het kan de interesse voor de natuur stimuleren. Hiermee wordt ook een invulling gegeven aan het “Hoofdlijnen akkoord “ en het “Duurzaamheidsprogramma” van de gemeente Horst aan de Maas.

Een belangrijk onderdeel van de bedrijfsactiviteiten betreft recyclen: De nieuwe locatie biedt ruimere en betere mogelijkheden voor scheidings- en sorteermethoden van afval waardoor de kans voor betere voorbereiding tot nabewerking en hergebruik aanzienlijk wordt vergroot. Door de samenvoeging van de verschillende locaties zullen de transportbewegingen aanzienlijk worden verminderd en kan efficiënter worden gepland. Ten opzichte van de huidige situatie zal er een reductie van 70 % uitstoot plaatsvinden hetgeen de instandhouding en kwaliteit van natuur ten goede komt. De doelstellingen en onderzoeken betreffende de circulaire maatschappij benadrukken het belang van beheren en het hergebruiken van diverse (afval-)stoffen. Er zijn modellen ontworpen om duurzaam en regeneratief om te gaan met uitputtende (fossiele) grondstoffen; dit staat in contrast met de traditionele lineaire economie. Het behoud van deze schaarse grondstoffen in de kringloop, door deze opnieuw te gebruiken, verlaagt de uitputting van natuurlijke bronnen. Op de nieuwe locatie zullen er fysieke en aanvullende organisatorische maatregelen worden genomen om een invulling te geven aan de gestelde doelen. Zo wordt er voor eigen gebruik duurzaam energie opgewekt en zal bedrijfswater zoveel mogelijk worden hergebruikt.

Een toename van de circulaire economie leidt tot een afname van zogenaamde negatieve externe effecten. De negatieve externe effecten kunnen worden uitgedrukt in vier indicatoren: CO2 uitstoot, gebruik van zoetwater landgebruik (ecologische voetafdruk) en de “rugzak” aan grondstoffen die zijn gebruikt bij het vervaardigen van een product dat in Nederland wordt geconsumeerd. De vermeden CO2-uitstoot in Nederland alleen bedraagt als gevolg van recycling van metalektro bijvoorbeeld naar schatting 747 Kton. Dit is 9,7% van de huidige emissie die wordt geproduceerd

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 6 7

door de metalelektro. De emissie van de vermeden nieuwe grondstoffen (5,2 miljoen Kton) moeten hier nog bij worden opgeteld. Het vermeden watergebruik voor de metalelektro bedraagt ca. 37 miljoen m3 water op een totaal gebruik van 280 miljoen m huidig gebruik in heel Nederland. Het vermeden landgebruik door een meer circulaire metalelektro zou met gebruik van de huidige kengetallen 20 km2 zijn. Deze effecten zijn voor elke productsoort anders, maar uiteindelijk levert recycling voor nagenoeg elke productsoort milieuwinst op. Milieuwinst heeft op zijn beurt weer een positief effect op de mogelijkheden om in Nederland (en daar buiten) te kunnen leven in een prettige leefomgeving met meer natuur, voldoende drinkwater en minder luchtvervuiling.

5.1.7

Conclusie

Het project leidt niet tot gezondheidsrisico's voor omliggende functies en andersom worden de gevoelige functies binnen het project niet belemmerd door van buiten komende gezondheidsrisico's. Het project zelf heeft een positieve effect op de gezondheid doordat belastende functies worden wegbestemd en samenvoeging van locaties, verbeterde bedrijfsvoering (fysiek en organisatorisch) en ruimere en verbeterde recycling uiteindelijk een positief effect heeft op het milieu en daarmee op de gezondheid van mensen.

5.2

Geluid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.)

5.2.1

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.2.1.1 Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 6 8

het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Wanneer voor lokale wegen waarvan een geluidaandachtsgebied moet worden bepaald geen verkeersgegevens bekend zijn en van die wegen de verkeersintensiteit hoger kan zijn dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, worden contouren bepaald met de volgende afstanden van de rand van de contour tot de weg: Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: ten minste 100 m; Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u: ten minste 200 m; en Voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: ten minste 350 m. 5.2.1.2 Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Gebouwen met een woonfunctie zijn geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl). Hieronder vallen alle gebouwen voor woongebruik, zoals woningen en verzorgingshuizen. Hierdoor zijn de gebouwen met een logiesfunctie of kantoren geen geluidgevoelig gebouw. Onder een geluidgevoelig gebouw vallen ook delen van een gebouw met een nevengebruiksfunctie van de woonfunctie (artikel 3.21 lid 1 onder a Bkl). Overheden betrekken ook het geluid op gebouwen en locaties die het Rijk niet aanwijst als geluidgevoelig in hun afweging. Dat volgt uit de taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 Omgevingswet). Een motivatie van de bescherming is in bepaalde concrete situaties nodig. Vaak is een beperkt beschermingsniveau acceptabel en meestal zijn specifieke regels niet nodig.

5.2.1.3 Onderzoek Handelstraat 5: De puinbreker verdwijnt en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Het akoestisch effect van het wegbestemmen van de puinbreker op de omgeving is uitsluitend positief. Het wegbestemmen wordt ook niet belemmerd door akoestische invloeden van buitenaf. Dijkerheideweg: De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel mag binnen de bedrijfsbestemming bebouwd en gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Het akoestisch effect van het wegbestemmen van de grondverzetactiviteiten op de omgeving is uitsluitend positief. Onderhavige wijziging van het omgevingsplan maakt het, net als het vigerende bestemmingsplan, mogelijk om een ander bedrijf in de milieucategorie 1 of 2 te realiseren. De akoestisch impact op omliggende functies is identiek aan de impact van de vigerende planologische mogelijkheden. De nieuwe bedrijfsfunctie wordt verder niet

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 6 9

belemmerd door akoestische invloeden van buitenaf. Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd. Het akoestisch effect van het wegbestemmen van de bedrijfsmatige activiteiten op de omgeving is uitsluitend positief. Het wegbestemmen wordt ook niet belemmerd door akoestische invloeden van buitenaf. Het toekennen van de nieuwe woonfunctie heeft echter betrekking op een geluidsgevoelig gebouw. De woning zal worden gesitueerd binnen de contouren van de Hamweg, Haagweg en de A73. Uit een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai zal moeten blijken of sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en daarmee een evenwichtige toedeling van de functie aan de locatie. Op 24 januari 2025 is door K-Plus een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Hierin is het volgende geconstateerd: 'Gemeentewegen Conform opgave van de gemeente Horst aan de Maas zijn de gemeentewegen niet relevant voor het akoestisch onderzoek. Zodoende zijn deze wegen niet nader beschouwd. Rijksweg - De standaardwaarde wordt wel, maar de grenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de A73 is maximaal 58 dB.

- Bij de gemeente Horst aan de Maas kan een verzoek worden ingediend om het geluid boven de standaardwaarde toe te staan. - In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat de nieuwe woning verspreid wordt gesitueerd. - De A73 is al voorzien van 1-laags ZOAB. Het aanbrengen van een ander stiller wegdek om de geluidbelasting ten gevolge van de A73 terug te dringen is niet financieel doelmatig en stuit tevens op overwegende bezwaren van uitvoerbare en verkeerskundige aard. De kosten voor het plaatsen van een geluidscherm zijn hoger dan 1 miljoen, waarmee het plaatsen van een scherm tevens niet financieel doelmatig is. - De afstand van de woning tot de A73 is circa 350 meter. Het verder van de A73 verplaatsen van de woning om de geluidbelasting te reduceren leidt er niet toe dat wordt voldaan aan de standaardwaarde. Deze maatregel heeft geen significante invloed, de afstand verdubbelen zorgt bijvoorbeeld maar voor een reductie van circa 3 dB. - Indien een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde wordt toegestaan, kan door de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaardes worden gesteld. Mogelijk dient de nieuwe woning te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Een geluidluwe gevel is een gevel waarbij de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de standaardwaarde voor de verschillende bronnen.

In Tabel 4.1 e van het onderzoek is zichtbaar dat de woning beschikt over een geluidluwe zijgevel. - Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in de gezamenlijke geluidbelasting en 33 dB. In Tabel 4.2 is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven.' Het akoestisch onderzoeksrapport zal als bijlage bijgevoegd worden.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 7 0

Hamweg ong.: Het omzetten van de agrarische functie naar de functie Natuur heeft geen, danwel uitsluitend positieve akoestisch effecten en wordt ook niet belemmerd door akoestische invloeden van buitenaf. Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zal hier een nieuw bedrijf gevestigd kunnen worden, omgeven door een groene inpassing. Het nieuwe bedrijf betreft geen geluidsgevoelig gebouw en bevat ook geen geluidsgevoelige functies, zodat de ontwikkeling niet wordt belemmerd door akoestische invloeden vanuit de omgeving. Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie. De bedrijfsactiviteiten richten zich primair op grondwerken en recycling. Dit nieuwe bedrijf betreft geen geluidsgevoelig gebouw en bevat ook geen geluidsgevoelige functies, zodat de ontwikkeling niet wordt belemmerd door akoestische invloeden vanuit de omgeving.

5.2.2

Conclusie

Vanuit het aspect geluid is er geen sprake van een belemmering.

5.3

Kwaliteit van de buitenlucht

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

5.3.1

Wettelijk kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 7 1

(PM10). De aandachtsgebieden zijn opgenomen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Artikel 5.54 (standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit) van het Bkl geeft het volgende aan: Het toelaten van activiteiten leidt in ieder geval tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 ug/m3 of minder als bedoeld in artikel 5.53 voor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van: a. gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m2; 2. twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m2; b. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; c.

zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: 1. één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2. twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties; d. het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1. niet-verwarmde kassen; of 2. verwarmde kassen niet groter dan 2 ha; e. het telen van gewassen in de open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving; f. het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1. witloftrek; of 2. teelt van eetbare paddenstoelen; of g. het exploiteren van een spoorwegemplacement, bedoeld in artikel 3.295b van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het begin van de activiteit of een wijziging die leidt tot een toename van het aantal dieseltractie-uren van ten hoogste 7.500 per jaar.

5.3.2

Onderzoek

Handelstraat 5: De puinbreker verdwijnt en het perceel kan binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Doordat er sprake is van een afname van toegestane activiteiten, zal dit uitsluitend een positief effect kunnen hebben op de kwaliteit van de buitenlucht. Een onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 7 2

Dijkerheideweg: De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel mag binnen de bedrijfsbestemming bebouwd en gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Doordat er sprake is van een afname van toegestane activiteiten, zal dit een positief effect kunnen hebben op de kwaliteit van de buitenlucht. Onderhavige wijziging van het omgevingsplan maakt het echter mogelijk om een ander bedrijf in de milieucategorie 1 of 2 te realiseren. Stel dat zich een bedrijf aan de Dijkerheideweg wil vestigen dat 48 verkeersbewegingen per etmaal met zich mee brengt waarvan 60% vrachtwagenbewegingen betreffen, dan is er nog steeds sprake van 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, zoals uit onderstaande worst-case berekening blijkt.

Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd, omringd door nieuwe natuur. Zoals in de vorige paragraaf aan de orde is gekomen, valt het realiseren van één (vervangende) woning binnen de standaardgevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Hamweg ong.: het aanleggen van nieuwe natuur op deze locatie is zonder meer geen activiteit welke een negatief effect heeft op de kwaliteit van de buitenlucht. Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zullen hier nieuwe bedrijven gevestigd kunnen worden, omgeven door een groene inpassing. Een specifieke beoordeling van de invloed van de nieuwe bedrijven op de luchtkwaliteit is niet mogelijk omdat het vooralsnog niet bekend is welke bedrijven zich hier zullen vestigen.

Echter, indien ervan wordt uitgegaan dat het totaal maximum bruto vloeroppervlak circa 30.000 m2 zal gaan bedragen, kan voor personenvervoer een vergelijking worden gemaakt met een woongebied met 1500 woningen of een kantoorlocatie met een omvang van 100.000 m2 waarbij onderhavig initiatief relatief beperkt van omvang is, waardoor het evident is dat het project niet in betekenende mate effect op de verslechtering van de luchtkwaliteit. Stel dat er 5 bedrijven zich aan de Sintelweg zullen vestigen die elk 100 verkeersbewegingen per etmaal met zich mee brengen waarvan 15 vrachtwagenbewegingen, dan is er nog steeds sprake | bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 7 3

van 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, zoals uit onderstaande worst-case berekening blijkt.

Horsterweg ongenummerd: Op deze locatie worden alle bedrijfsactiviteiten van Driessen samengevoegd tot één nieuwe bedrijfslocatie. De bedrijfsactiviteiten richten zich primair op grondwerken en recycling. Een nieuw bedrijf betreft een 'milieubelastende activiteit' waartoe een onderzoek naar het effect van de bedrijfsactiviteiten op de kwaliteit van de buitenlucht noodzakelijk is. Op 30 september 2024 is door WSP onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen die samenhangen met activiteiten binnen de nieuwe locatie voor het aspect luchtkwaliteit. Hierin wordt het volgende geconcludeerd: Binnen de nieuwe locatie van Driessen Grondwerken B.V. komt een afvalbrengstation (verder milieustraat) waar particulieren en bedrijven hun eigen afvalstoffen kunnen afgeven. Dit bevat onder andere huis- en tuin afval, bouwen sloopafval, elektronica, etc. Daarnaast komen er aangewezen locaties voor: • opslag, overslag en breken van puin; • opslag, overslag en zeven van grond; • opslag, overslag en sorteren van grofvuil, bedrijfsafvalstoffen, bouw- en sloopafval en overige afvalstoffen (handpicking en m.b.v. een sorteerknijper aan een hydraulische graafmachine). Tot slot zijn binnen de inrichting een kantoor, werkplaats en ruimte voor stalling van materiaal en materieel voorzien.

In voorliggend onderzoek word de jaargemiddelde concentraties luchtverontreinigende stoffen bepaald in toetspunten in de omgeving. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang van de activiteiten zoals deze in de eindsituatie zijn voorzien. Uit de berekeningen volgt dat bij het uitvoeren van de activiteiten op de nieuwe bedrijfslocatie van Driessen, ruimschoots wordt voldaan aan de landelijk vastgestelde omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht. Hierbij is een beoordeling

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 7 4

uitgevoerd van de meest kritische stoffen NO2, PM10 en PM2,5. Op grond van het voorliggende onderzoek wordt geconcludeerd dat: • bestaande bronnen en achtergrondconcentraties maatgevend zijn voor de lokale kwaliteit van de buitenlucht en; • de kwaliteit van de buitenlucht geen belemmering vormt voor toestaan van de activiteiten op deze locatie. Het onderzoeksrapport is als bijlage bijgevoegd.

5.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er geen sprake van een belemmering.

5.4

Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.

5.4.1

Wettelijk kader

Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, waarin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming, vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.

Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandeisen Randvoorwaarden

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 7 5

5.4.2

Onderzoek

De gemeente moet in een omgevingsplan en omgevingsvergunning rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven Gebouwen met een woonfunctie zijn in ieder geval geurgevoelige gebouwen (artikel 5.91 Bkl). Binnen de delen van onderhavig omgevingsplan is er slechts sprake van een geurgevoelig gebouw ter plaatse van de Hamweg 6, waar de bedrijfsfunctie omgezet zal worden naar een woonfunctie ten behoeve van de realisatie van één woning; de overige plandelen betreffen bedrijfsfuncties (zonder bedrijfswoning) danwel een functie 'natuur', welke niet gekwalificeerd worden als geurgevoelig gebouw of geurgevoelige functie.

Paragraaf 22.3.6 van het Omgevingsplan Horst aan de Maas bepaalt dat de waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet meer mag bedragen dan:

Voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactor geldt altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. Rondom 100 m van het plangebied aan de Hamweg 6 bevinden zich geen veehouderijen. De dichtstbijzijnde (intensieve) veehouderijbestemming (Venloseweg 102) ligt op een afstand | bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 7 6

van ruim 600 meter vanuit de nieuw te realiseren woning aan de Hamweg 6. Het betreft een pluimveehouderij.

Op 7 november 2024 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Verordening geurhinder en veehouderij 2024 gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. Hiermee wordt invulling gegeven aan de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin de afdeling aangeeft dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een beoordeling van de geurhinder moet plaatsvinden in het kader van een goed woon- en leefklimaat en alleen een toets aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij niet volstaat. Deze verordening ziet toe op de beoordeling van de cumulatieve geurbelasting uit stallen van veehouderijen. Bij de op 24 juli 2020 vastgestelde Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder (voorganger van de Verordening geurhinder en veehouderij 2024), zijn kaarten opgenomen waarop de geurhindercontouren en de achtergrondbelastingen zijn weergegeven. De achtergrondgeurbelasting ter plaatse van de Hamweg 6 wordt als 'goed' gekwalificeerd, zoals te zien is op onderstaande kaart (plangebied is aangeduid met paarse pijl):

Figuur 30: indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder

Op basis van de geraadpleegde kaart behorende bij voornoemde Gebiedsvisie is vast komen te staan dat de bij omliggende intensieve veehouderijbedrijven behorende geurcontouren niet over het geurgevoelige object binnen het plangebied liggen en er sprake is van een goed woonen leefklimaat. Daarmee behoeft niet te worden gevreesd voor directe of indirecte geuroverlast c.q. overschrijding van de hiervoor geldende normen en streefwaarden. Evenmin vormt onderhavig initiatief een belemmering voor veehouderijen nu er al burgerwoningen dichterbij deze bedrijven zijn gesitueerd.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 7 7

Bij de Verordening geurhinder en veehouderij 2024 is onderstaande kaart opgesteld met de voorgrondbelasting. Ter plaatse van de pijl ligt de Hamweg 6. De indicatieve maximale voorgrondbelasting bedraagt hier maximaal 3 Ou. De nieuwe geurnorm voor de voorgrondbelasting in het buitengebied bedraagt 5 Ou.

Figuur 31: overschrijding voorgrondbelasting

Voor de achtergrondgeurbelasting (cumulatief) is onderstaande kaart opgenomen in de Verordening geurhinder en veehouderij 2024. Hieruit blijkt dat de indicatieve achtergrondbelasting niet mer dan 10 Ou bedraagt terwijl deze in het buitengebied maximaal 20 Ou zou mogen bedragen.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 7 8

Figuur 32: indicatieve achtergrondbelasting

Op 18 februari 2025 is door Kragten een locatiespecifiek onderzoek naar de achtergrondgeurbelasting uitgevoerd (zie Bijlage 19). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het de achtergrond geurbelasting ter plaatse van het plangebied ten hoogste 4,3 ouE/m3 als 98-percentiel bedraagt. Deze geurbelasting voldoet ruimschoots aan de geurnorm van 20 ouE/m3 als 98-percentiel uit de gemeentelijke beleidsregel.

Veehouderijen in de omgeving vormen dus geen belemmering voor het initiatief voor wat betreft het aspect geurhinder.

5.4.3

Conclusie

Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat dit project geen belemmeringen oplevert voor de ontwikkeling van veehouderijbedrijven en dat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft geur sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er is geen sprake van een belemmering dus het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 7 9

5.5

Bodemkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.

5.5.1

Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

5.5.2

Onderzoek

Handelstraat 5: Doordat op deze locatie slechts (de mogelijkheid voor) een puinbreker verdwijnt en het perceel binnen de resterende bedrijfsbestemming gebruikt kan blijven worden voor overige bedrijfsactiviteiten, is het uitvoeren van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem niet noodzakelijk voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan. Dijkerheideweg: De grondverzetactiviteiten worden beëindigd en het perceel mag binnen de bedrijfsbestemming bebouwd en gebruikt worden voor overige bedrijfsactiviteiten. Onderhavige wijziging van het omgevingsplan maakt het echter mogelijk om een ander bedrijf in de milieucategorie 1 of 2 te realiseren; echter door geen nieuwe bebouwing mogelijk te maken, is er geen sprake van het verblijf van personen in een gebouw. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Hamweg 6: De bedrijfsactiviteiten worden geheel beëindigd en de locatie wordt gesaneerd. Er zal hiervoor in de plaats één woning ter vervanging van de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfswoning worden gerealiseerd. Een woning/woonperceel betreft ingevolge artikelen 5.89g en h van het Bkl een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Hiertoe heeft door HMB in juni 2024 een onderzoek plaats te vinden naar de kwaliteit van de bodem.

Hierin is het volgende geconstateerd: | bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 8 0

'Aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek zijn de voorgenomen grondtransactie (verkoop), de toekomstige ontwikkeling van het terrein voor woon- en natuurdoeleinden en de vaststelling van de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit in relatie tot de bedrijfsactiviteiten (eindsituatie). Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek zijn ten behoeve van het onderzoek de volgende deellocaties onderscheiden: A) (overig deel) onderzoekslocatie (fundering en bodem); B) asfaltverharding; C) aarden wal; D) wasplaats met olie-afscheider; E) tankplaats; F) olie-afscheider; G) septictank; H) bezinksloot; I) westelijk opvangbassin; J) werkplaats en stalling mobiele breker; K) oostelijk opvangbassin. (Overig deel) onderzoekslocatie (fundering en bodem) (deellocatie A) Bodem Verspreid over de onderzoekslocatie zijn in de grond verhoogde gehalten cadmium, kobalt, koper, nikkel, vanadium, zink, minerale olie, PAK, PCB, drins, DDD, DDE, DDT, OCB (som) en pentachloorfenol boven de normwaarden landbouw/natuur aangetoond. Daarnaast is ter plaatse van de proefgaten/boringen A03 en A05 respectievelijk chroom en zink aangetoond in gehalten boven de interventiewaarden. In het grondwater zijn een matige verontreiniging met cadmium en lichte verontreinigingen met barium, koper, molybdeen en zink aangetoond.

De verontreinigingen in de grond kunnen waarschijnlijk gerelateerd worden aan het decennialange gebruik van de onderzoekslocatie als bedrijfsterrein. Voor de sterk verhoogde gehalten chroom en zink ter plaatse van respectievelijk proefgat/boring A03 en A05 zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen. In het kader van het in 1999 uitgevoerde verkennend bodemonderzoek zijn in de grond eveneens verhoogde gehalten minerale olie en PAK aangetoond. Er zijn destijds geen verhoogde gehalten (zware) metalen aangetoond. Destijds is geen onderzoek verricht naar organo chloorbestrijdingsmiddelen (OCB) in de grond derhalve kan geen uitspraak gedaan worden over de eventuele aanwezigheid van deze stoffen in 1999. De oorzaak voor de verhoogde gehalten zware metalen in het grondwater moet waarschijnlijk gezocht worden in regionale omstandigheden. Het aantreffen van zware metalen in het grondwater is namelijk een bekend verschijnsel in de regio Noord-Limburg. (Gebroken) asfalt Ter plaatse van proefgat/boring A16 is een halfverharding van gebroken asfalt aangetroffen en ter plekke van proefgat/boring A11 is op een diepte van 0,1 m-mv een

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 8 1

laag asfalt aangetroffen. De resultaten van het onderzoek geven een indicatie dat het zowel het gebroken asfalt als de betreffende asfaltlaag teervrij asfalt betreft. Halfverharding Op een groot deel van de onderzoekslocatie is een halfverharding van puingranulaat aanwezig. De onderzoeksresultaten geven een indicatie dat de halfverharding ten westen, noorden en oosten van het centraal op de onderzoekslocatie gelegen bedrijfspand niet voldoet aan de normen voor een niet vormgegeven bouwstof. De halfverharding op het overige deel van het bedrijfsterrein voldoet indicatief wel aan de normen voor een niet vormgegeven bouwstof. Asfaltverharding (deellocatie B) De asfaltverharding ten zuiden van de weegbrug bestaat uit een circa 3 centimeter dikke laag Dicht Asfalt Beton (DAB) met daaronder een 7 à 8 centimeter dikke laag Steenslag Asfalt Beton (STAB). Er is sprake van een homogene asfaltverharding. Op basis van de beoordeling met de PAK-detector en het analytisch onderzoek betreffen beide lagen teervrij asfalt. De totale hoeveelheid teervrij asfalt ten zuiden van de weegbrug wordt ingeschat op 15 m3 (150 m2 x 11 cm)/circa 40 ton (soortelijke dichtheid 2,5 ton/m3). Aarden wal (deellocatie C) In de aarden wal aan de oost-, noord- en westzijde van het bedrijfsterrein zijn verhoogde gehalten PAK en alfa-endosulfan boven de normwaarden landbouw/natuur aangetoond.

De resultaten geven een indicatie dat de grond in de aarden wal kan worden ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse 'industrie'. Voor de licht verhoogde gehalten PAK en alfa-endosulfan zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen. Wasplaats met olie-afscheider (deellocatie D) In de grond ter plekke van de wasplaats met olie-afscheider zijn verhoogde gehalten lood, zink, minerale olie, PAK en PCB boven de normwaarden landbouw/natuur aangetoond en in het grondwater is een lichte verontreiniging met molybdeen aangetoond. De verhoogde gehalten in de grond ter plaatse van de wasplaats met olie-afscheider komen in grote lijnen overeen met de verhoogde gehalten welke zijn aangetoond ter plaatse van het overige deel van de onderzoekslocatie. Derhalve wordt verwacht dat deze niet zijn te relateren aan de wasplaats met olie-afscheider maar aan het decennialange gebruik van het bedrijfsterrein. De lichte verontreiniging met molybdeen in het grondwater wordt gerelateerd aan regionale omstandigheden. Tankplaats (deellocatie E) Ter plaatse van de tankplaats is in de grond een verhoogd gehalte minerale olie en in het grondwater zijn licht verontreinigingen met barium en molybdeen aangetoond. Op basis van de fractieverdeling van de aangetoonde minerale olie is het soort minerale olie niet eenduidige vast te stellen.

Het verhoogde gehalte minerale olie is waarschijnlijk te relateren aan de bedrijfsactiviteiten ter plaatse en/of aan het decennialange gebruik van het bedrijfsterrein.

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 8 2

De lichte verontreinigingen met barium en molybdeen in het grondwater worden gerelateerd aan regionale omstandigheden. Olie-afscheider (deellocatie F) In de grond ter plekke van de olie-afscheider is in de grond een verhoogd gehalte minerale olie en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen met molybdeen, nikkel en minerale olie aangetoond. Op basis van de fractieverdeling van de aangetoonde minerale olie is het soort minerale olie in de grond niet eenduidige vast te stellen. Het verhoogde gehalte minerale olie in het grondwater betreft met name de lichte oliefracties hetgeen duidt op benzine. Er zijn in het grondwater echter geen verhoogde gehalten vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEX) en naftaleen aangetoond, welke eveneens kenmerkend zijn voor een verontreiniging met benzine. De verontreinigingen in de grond kunnen mogelijk gerelateerd worden aan de olieafscheider. Opgemerkt kan worden dat in 1999 eveneens een licht verhoogd gehalte minerale olie in de grond is aangetoond. In het grondwater zijn destijds geen verontreinigingen aangetoond. Septictank (deellocatie G) In de grond ter plaatse van de septictank zijn geen verhoogde gehalten boven de normenwaarden landbouw/natuur aangetoond en in het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetoond. De lichte verontreiniging met barium in het grondwater wordt gerelateerd aan regionale omstandigheden.

Bezinksloot (deellocatie H) In de sliblaag in de bezinksloot zijn sterke verontreinigingen met minerale olie en PAK aangetoond. Daarnaast zijn verhoogde gehalten aan zware metalen en alfa-endosulfan in de sliblaag aangetoond. Het slib kan als 'sterk verontreinigd' en 'nooit verspreidbaar' worden geclassificeerd. Westelijk opvangbassin (deellocatie I) In de sliblaag in het westelijk opvangbassin zijn verhoogde gehalten aan zware metalen minerale olie en PAK aangetoond. Het slib kan als 'matig verontreinigd' en 'niet verspreidbaar' worden geclassificeerd. Werkplaats en stalling mobiele breker (deellocatie J) In de grond ter plaatse van de werkplaats en de stalling van de mobiele puinbreker zijn verhoogde gehalten cadmium, lood, PAK, gamma HCH, drins en DDD aangetoond en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium en molybdeen aangetoond. De verhoogde gehalten in de grond ter plaatse van de werkplaats en de stalling van de mobiele breker komen in grote lijnen overeen met de verhoogde gehalten welke zijn aangetoond ter plaatse van het overige deel van de onderzoekslocatie. De verontreinigingen kunnen derhalve gerelateerd worden aan de bedrijfsactiviteiten ter plaatse en/of in de directe omgeving van de deellocatie. De lichte verontreinigingen met barium en molybdeen in het grondwater worden gerelateerd aan regionale omstandigheden.

Oostelijk opvangbassin (deellocatie K).

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 8 3

In de sliblaag in het oostelijk opvangbassin zijn verhoogde gehalten aan zware metalen minerale olie, PAK en PFAS aangetoond. Het slib kan als 'matig verontreinigd' en 'niet verspreidbaar' worden geclassificeerd. Algemeen De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit c.q. de sterke verontreinigingen met chroom en zink vormen mogelijk een belemmering of beperking voor het toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie voor woon- en natuurdoeleinden. Of de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de voorgenomen onroerende zaak transactie (verkoop) is afhankelijk van hetgeen partijen overeenkomen. Aanbevelingen Aangezien de gehalte chroom en zink ter plaatse van respectievelijk proefgat/boring A03 en A05 de interventiewaarden overschrijden, is een nader bodemonderzoek noodzakelijk naar deze verontreinigingen. Bij werkzaamheden in de grond ter plaatse van de bodemverontreinigingen met chroom en zink is er sprake van een 'saneringssituatie' omdat gewerkt wordt aan/met sterk verontreinigde grond. Hiervoor dienen de nodige meldingen te worden gedaan en veiligheidsmaatregelen genomen te worden. Geadviseerd wordt het verontreinigde slib in de bezinksloot en de twee opvangbassins op een milieuhygiënische wijze te verwijderen en naar een erkende verwerker af te voeren.

Indien de aanwezige (half)verhardingen op de onderzoekslocatie in het kader van de voorgenomen toekomstige ontwikkeling hun functie als (half)verharding verliezen, dienen deze verwijderd en van de onderzoekslocatie afgevoerd te worden. Indien de grond in de aarden wal wordt afgevoerd van de onderzoekslocatie dient er rekening mee gehouden te worden dat de grond mogelijk niet overal kan worden toegepast. Geadviseerd wordt na de toekomstige ontmanteling/opschoning van het bedrijfsterrein en de sanering van de verontreinigingen met chroom en zink een nieuw (verkennend) bodemonderzoek uit te voeren.' Het aanvullend onderzoek zal worden uitgevoerd nadat de bebouwing is gesloopt. In de planregels is een voorwaarde opgenomen dat uit onderzoek dient te blijken dat de kwaliteit van de bodem geen belemmering mag vormen voor de woonfunctie. Hamweg ong.: Voor het omzetten van de agrarische bestemming in een natuurfunctie is het uitvoeren van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem niet noodzakelijk. In verband met de overdracht van de gronden is echter op 21 juni 2024 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende: 'Halfverharding en fundering De resultaten van het onderzoek geven een indicatie dat het verhardings- en funderingsmateriaal op de onderzoekslocatie voldoet aan de normen voor een niet vormgegeven bouwstof.

In één van de vier mengmonsters van het halfverhardingsmateriaal is asbest aangetoond boven de rapportagegrens. In de overige mengmonsters is geen asbest boven de rapportagegrens aangetoond. Het aangetoonde gehalte asbest ligt ruimschoots onder de helft van de maximale samenstellingswaarde zodat mag worden

| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 8 4

aangenomen dat ook in het kader van een nader onderzoek asbest geen verhoogd gehalte asbest boven de maximale samenstellingswaarde wordt aangetoond. Bodem Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van de onderzoekslocatie c.q. het opslagterrein voor diverse kwaliteitsklassen grond stand houdt. In de bovengrond c.q. de bodemlaag onder de verhardingsconstructie zijn plaatselijk verhoogde gehalten minerale olie, PCB en DDD aangetoond. Er is in de grond geen asbesthoudend materiaal aangetroffen/ aangetoond en er zijn geen verhoogde gehalten PFAS boven de normwaarden landbouw/natuur in de grond aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten minerale olie en molybdeen aangetoond. De licht verhoogde gehalten minerale olie, PCB en DDD kunnen mogelijk gerelateerd worden aan de aangetroffen puinresten in de grond en/of de opslag van grond op de onderzoekslocatie. De verhoogde gehalten PCB en DDD overschrijden minder dan tweemaal de normwaarden landbouw/natuur en zijn lager dan de normwaarden wonen zodat mag worden aangenomen dat de grond niet noemenswaardig is verontreinigd met PCB en DDD. Voor de lichte verontreinigingen met molybdeen en minerale olie in het grondwater zijn geen duidelijke bronnen of oorzaken aan het licht gekomen.

Aangezien in de grond geen verhoogde gehalten molybdeen zijn aangetoond en de fractieverdeling van de minerale olie in het grondwater niet overeenkomt met de fractieverdeling van de minerale olie in de grond mag worden aangenomen dat de verontreinigingen in het grondwater niet zijn te relateren aan de bedrijfsactiviteiten op de onderzoekslocatie. Aarden wallen In de noordwestelijke aarden wal zijn verhoogde gehalten koper, zink, minerale olie, drins, DDD en PAK aangetoond. De resultaten geven een indicatie dat de grond in de aarden wal voldoet aan de eisen voor de bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de analyseresultaten in eerste instantie een indicatie gaven dat de grond als ‘sterk verontreinigd’ aangemerkt dient te worden. Uit overleg met het laboratorium is gebleken dat ondanks dat de resultaten van de heranalyses de in eerste instantie aangetoonde gehalten minerale olie en PAK niet bevestigen, de analyseresultaten toch als representatief worden gezien. De sterk wisselende gehalten zijn volgens het laboratorium te wijten aan heterogeniteit binnen het aangeleverde grondmengmonster. Voor de verhoogde gehalten koper, zink, minerale olie, drins, DDD en PAK zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen. Waarschijnlijk waren de verontreinigingen reeds in de grond aanwezig bij de aanleg van de aarden wal.

In de noordoostelijke aarden wal zijn verhoogde gehalten minerale olie, drins en PAK aangetoond. De resultaten geven een indicatie dat de grond in de aarden wal voldoet aan de eisen voor de bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’. De verhoogde gehalten minerale olie , drins en PAK kunnen mogelijk (deels) aan de aangetroffen puinresten in de grond gerelateerd worden. Algemeen De (indicatief) vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van het halfverhardingsmateriaal, het funderingsmateriaal, de bodem en de aarden wallen vormen geen directe beperkingen of belemmeringen voor het huidige gebruik van de onderzoekslocatie. In het kader van de toekomstige ontwikkeling van het terrein voor natuurdoeleinden zullen de aanwezige | bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

Pagina | 8 5

verhardingsconstructie ((half)verharding inclusief funderingsmateriaal) en de aardenwallen verwijderd en naar erkende verwerker(s) afgevoerd dienen te worden. Of de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en de aarden wallen een belemmering vormt voor de voorgenomen onroerende zaak transactie (verkoop) is afhankelijk van hetgeen partijen overeenkomen. Na uitvoering van het voorliggend bodemonderzoek is de actuele kwaliteit van de bodem in voldoende mate bekend. Aanbevelingen De kwaliteit van de bodem en de eindsituatie is in voldoende mate vastgesteld/vastgelegd. Nader (bodem)onderzoek (asbest) of een sanering zijn niet noodzakelijk. Op basis van de resultaten van voorliggend onderzoek kan de grond uit de aarden wallen uitsluitend afgevoerd worden naar een erkende verwerker. Voor rechtstreekse afvoer naar een toepassingslocatie is het noodzakelijk partijkeuringen conform het procescertificaat BRL SIKB 100020, protocol 100121 uit te voeren. Geadviseerd wordt bij de verwijdering van de verhardingsconstructie ((half)verharding inclusief funderingsmateriaal) tevens de puinresten uit de onderliggende bodemlaag te verwijderen.' Het bodemonderzoek is als bijlage 15 aan de planstukken toegevoegd. Sintelweg 4: Na sloop van alle opstallen zal hier een nieuw bedrijf gevestigd kunnen worden, omgeven door een groene inpassing.

Het bedrijfsgebouw betreft ingevolge artikelen 5.89g en h van het Bkl een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie omdat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Hiertoe heeft op 15 mei 2024 een onderzoek plaats gevonden naar de kwaliteit van de bodem, waarin het volgende is geconstateerd: 'Geconcludeerd wordt dat de hypotheses 'verdachte locatie' ten aanzien van het fruitteeltbedrijf/boomkwekerij (deellocatie A) en de voormalige tuinderskas (deellocatie B) stand houden. In de bovengrond zijn verhoogde gehalten cadmium, koper, drins (som), DDD (som), DDT (som) en OCB (som) aangetoond en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium, koper, molybdeen en naftaleen aangetoond. Er zijn geen verhoogde gehalten asbest boven de rapportagegrens aangetoond. Enkele individuele PFAS zijn aangetoond in verhoogde gehalten boven de rapportagegrens, maar de gehalten PFAS voldoen aan de normwaarden landbouw/natuur. De verhoogde gehalten drins (som), DDD (som), DDT (som) en OCB (som) zijn waarschijnlijk te relateren aan de bedrijfsactiviteiten van het fruitteeltbedrijf/boomkwekerij. Gezien het feit dat het gebruik van onder andere DDT al sinds 1973 is verboden, mag worden aangenomen dat de verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen ruimschoots voor 1987 zijn ontstaan.

De verhoogde gehalten cadmium en koper in de bodem betreffen mogelijk verhoogde achtergrondgehalten. De oorzaak voor de lichte verontreinigingen met de zware metalen barium, koper en molybdeen in het grondwater moet waarschijnlijk gezocht worden in regionale omstandigheden. Het aantreffen van zware metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in de regio Noord-Limburg. De verhoogde gehalten zware metalen worden derhalve gezien als verhoogde achtergrondgehalten. Voor de lichte verontreiniging met naftaleen in het grondwater is geen duidelijke oorzaak of bron aan het licht gekomen. Waarschijnlijk is de verontreiniging afkomstig van buiten de onderzoekslocatie. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen directe beperking of belemmering voor het huidige gebruik (en het toekomstige gebruik als | bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Driessen Grondwerken Horsterweg | status: vastgesteld |

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17078358/1