06c Toelichting
Tekst van het document
bieden, berg- en bosgebieden, reserva-
in artikel 1 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
ten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
Gebieden waarin bij communautaire wet-
Er is geen sprake van gebieden waarin bij communautaire wetge-
geving vastgestelde normen inzake mili-
ving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden over-
eukwaliteit reeds worden overschreden
schreden.
Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
Hoofdstuk 5
N.v.t.
51
Landschappen van historisch, cultureel of ar-
Het plangebied maakt geen deel uit van een landschap van histo-
cheologisch belang
risch of cultureel belang (zie par. 5.6). Uit het uitgevoerde archeologisch onderzoek is geconcludeerd dat vervolgonderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd. In het voorliggende bestemmingsplan zijn de archeologische dubbelbestemmingen vooralsnog gehandhaafd ter bescherming van eventueel aanwezige waarden. Daarnaast ligt een gedeelte van het zuidelijke deel van het plangebied (langs de Siebersbeek) binnen de bronsgroene zone. Hierop worden geen negatieve effecten voorzien gelet op de indeling van het plangebied. Op het voornoemde gedeelte is namelijk een groenstrook voorzien en een looppad.
Conclusie Vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied11 (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied Toets Beschermd natuurmonument
Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een beschermd natuurmonument.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Het plangebied is niet gelegen binnen een Habitat en Vogelrichtlijngebied (zie par. 5.5). Gezien de aard van de ontwikkeling en de ligging tegen de kern aan worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden in de omgeving. Door middel van een Aerius-berekening is aangetoond dat negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie op voorhand zijn uitgesloten.
Watergebied van internationale
Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een water-
betekenis
gebied van internationale betekenis.
NNN
Het plangebied is niet gelegen in het NNN.
Landschappelijk waardevol gebied
Nee. Het gebied is niet als zodanig bestemd.
Waterwinlocaties, waterwingebieden en
Het plangebied niet gelegen binnen dergelijke gebieden.
grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument
Er is geen sprake van een beschermd monument.
Belvédère-gebied
Er is geen sprake van een Belvédère gebied.
Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Kenmerken van het potentiële effect Criteria Toets Bereik van het effect (geografische zone en
Er zijn geen effecten te verwachten die uit te drukken zijn in
grootte van de getroffen bevolking)
geografische zone en/of grootte van de getroffen bevolking.
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Er is sprake van een kleinschalig initiatief dat geen grensoverschrijdend karakter heeft.
11
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.
Hoofdstuk 5
52
Waarschijnlijkheid van het effect
Geen effecten te verwachten.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid
De effecten van de woningbouw zijn blijvend maar niet van dien
van het effect
aard dat sprake is van significant negatieve effecten op het milieu, die het opstellen van een MER noodzakelijk zouden maken.
Conclusie 1. De ontwikkeling van woningen komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; 2. De activiteiten vallen wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De in kolom 2 bij categorie D11.2 genoemde drempelwaarde wordt bij lange na niet overschreden; 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient voor dit plan wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 4. Uit de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
5.3 Waterparagraaf In het kader van de voorgenomen plannen heeft Aeres Milieu een onderbouwing van het wateraspect opgesteld. De belangrijkste bevindingen hieruit zijn samengevat in de voorliggende waterparagraaf. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage12. Daarnaast is een infiltratieonderzoek 13 uitgevoerd in het kader van dit planvoornemen. De rapportage daarvan is bijgevoegd en de resultaten zijn meegenomen bij het opstellen van de waterparagraaf. Beschrijving van waterrelevant beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie 2021, het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën.
De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht.
12 13
Aeres Milieu, Waterparagraaf Horsterdijk te Lottum, projectnummer AM20582, d.d. 14 september 2022. HMB B.V., Oriënterend doorlatendheidsonderzoek Horsterdijk (ong.) Lottum, projectnummer: 20335401W, d.d. 18 december 2020
Hoofdstuk 5
53
Provinciaal Waterplan 2016 - 2021 Het provinciaal waterbeleid is nader geconcretiseerd in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 op grond van de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit plan maakt onderdeel uit van het tweede (inter)nationale Stroomgebiedbeheerplan Maas. In Nederland zijn vijf instanties betrokken bij het waterbeheer en de watervoorziening. Op grond van de Waterwet (2009) en het Bestuursakkoord Water (2011) is de verantwoordelijkheid als volgt verdeeld: 1. Het Rijk is verantwoordelijk voor beleid en wetgeving op nationaal niveau en voor het beheer van het hoofdwatersysteem: de zee en de grote rivieren, meren en kanalen. 2. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid en regelgeving voor de regionale gronden oppervlaktewatersystemen, en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare watervoorziening, de grotere industriële onttrekkingen en die voor energieopslagsystemen. 3. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, de zuivering van afvalwater en de zorg voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid langs de Maas. De waterschappen concretiseren de provinciale beleidskaders uit het POL en het provinciaal waterplan in een waterbeheerplan dat het karakter krijgt van een uitvoeringsprogramma. 4.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor rioleringbeheer en hebben de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. 5. Het drinkwaterbedrijf is wettelijk verantwoordelijk voor de productie en distributie van drinkwater. Voldoende en schoon water is een economische factor van betekenis en onmisbaar voor mens en natuur. De burger stelt steeds hogere eisen aan de waterveiligheid, het gebruik en de beleving van water. Duurzaamheid en publieke participatie zijn daarom volgens het POL2014 belangrijke uitgangspunten. Waterschap Limburg Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg beschrijft de uitwerking van het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma. Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zin om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met dit waterbeheerprogramma geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. De taken van het waterschap, welke doelen zij per taak wil bereiken en welke maatregelen zij daarvoor inzet, is beschreven in het Waterbeheerprogramma. Daarbij is onderscheid gemaakt in de taken hoogwaterbescherming, klimaatadaptatie, waterkwaliteit en zuiveren. Keur waterschap Limburg Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het waterschap Limburg van toepassing.
In de Keur worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q. bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang. Gemeentelijk beleid De gemeente Horst aan de Maas volgt zo veel mogelijk het beleid zoals dit is vastgelegd door het waterschap Limburg. Belangrijke aandachtspunten in het beleid zijn het scheiden van vuil-
Hoofdstuk 5
54
en schoon-waterstromen, het vasthouden van gebiedseigen (regen)water, het doorlopen van de afwegingsstap-pen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer’ en het zichtbaar en aantrekkelijk maken van water in de gemeente. Voor dit plan zijn alle genoemde onderwerpen relevant. Hergebruik Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met bestaande proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1.000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving op dit vlak maakt het hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. Onderhavig plan is dan ook niet geschikt om deze voorziening toe te passen. Infiltratie, buffering en afvoer In principe is het de bedoeling dat al het hemelwater in het plangebied wordt vastgehouden. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater en bodem, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater. 5.3.1 Ligging plangebied in relatie tot waterbelangen Het plangebied ligt ten westen van het centrum van Lottum, net binnen de grenzen van de bebouwde kom.
In het westen grenst het plangebied aan de Horsterdijk en in het noorden aan woningen langs de Horsterdijk. Ten westen liggen de woningen van de Van Wijlickshove en in het zuiden stroomt de Siebersbeek. Het plangebied is momenteel geheel onverhard en heeft een agrarische bestemming. Voor de nieuwbouw van woningen is voldoende drooglegging benodigd om wateroverlast in de toekomst te vermijden. Hierbij is o.a. de bestaande hoogteligging van belang. De Siebersbeek heeft het landschap geleidelijk uitgesleten en de gebieden rondom de beek liggen lager dan de omgeving. Het plangebied ligt op de geleidelijke helling tussen de hoger gelegen bebouwing van Lottum en de lager gelegen Siebersbeek. Het noordelijke gedeelte van het plangebied ligt op circa 19,1 m +NAP en loopt af naar circa 17,5 m +NAP. De Horstendijk ligt op circa 18,5 m +NAP en de woonwijk noordoostelijk van het plangebied ligt gemiddeld op 9,3 m +NAP. Afbeelding 3 geeft de genoemde hoogteverschillen weer. 5.3.2 Waterhuishoudkundige situatie Grondwater Het geldende beleid is gericht op een duurzaam functionerend grondwatersysteem waarbij maatregelingen en doelstelling van toepassing zijn om nieuwe hinder te voorkomen.
Bij de (her)inrichting van het gebied en het (opnieuw) bouwrijp maken, moet de natuurlijke afwatering via de bodem of het oppervlaktewater zodanig zijn dat geen aanvullende randvoorzieningen voor grondwater nodig zijn en zodanig dat er geen problemen gaan ontstaan, ook niet voor de omgeving.
Hoofdstuk 5
55
Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 meter voor bebouwing en 0,5 meter ter plaatse van de tuinen. Van de onderzoekslocatie is diverse informatie beschikbaar in het Dinoloket, Atlas provincie Limburg, Waterschap Limburg, bodemdata Nederland en ons eigen archief. Het plangebied ligt op de Centrale Slenk en volgens de geomorfologische kaart van Nederland (2019) op de grens van een restgeul en een dalvlakteterras. Deze geomorfologie is ontstaan door het uitslijten van de Maas in het landschap, waardoor een trapvormig geheel is ontstaat. De hoger gelegen vlaktes in het landschap zijn eerder gevormd en dichter naar de Maas vind men jongere gronden. Het plangebied ligt op een relatief jong plateau. Volgens de bodemkaart ligt het plangebied deels op een oude Maas meander en deels op een hoge bruine enkeerdgrond met zwak lemig fijn zand. Het Waterschap Limburg heeft een bodemdoorlatendheidskaart gemaakt op basis van de verwachte ondergrond in Noord- Limburg. Op basis van deze gegevens wordt in het noordelijk deel een goede doorlatendheid verwacht met een k-waarde tussen de 0,75 en 1,5 m/d. Langs de Siebersbeek neem te verwachte bodemdoorlatendheid af. Naar verwachting is dit is gebaseerd op de complexe samenstelling van de restgeul met mogelijk een hoog klei gehalte.
Op basis van de (model)gegevens uit het DINOloket is een inschatting gemaakt van de bodemopbouw binnen het plangebied. De toplaag van de bodem bestaat uit de Formatie van Boxtel met Laagpakket van Wierden en heeft een dikte van circa 2,6 meter. Deze laag wordt opgevolgd door de goed doorlatende Formatie van Beegden met midden tot grof zand en heeft een diepte tot circa 12,5 m-mv. De freatische grondwaterstroming is globaal noordelijk gericht, echter door de aanwezigheid van de Siebersbeek zal het grondwater lokaal afstromen naar de beek. Naar verwachting ligt de gemiddelde grondwaterstand op circa 15-16 m +NAP en de GHG op circa 16,3 m +NAP. Nabij de beek zal het grondwater relatief dichtbij het maaiveld komen. De onderzoekslocatie ligt in de boringsvrije zone van de Venloschol. Om de natuurlijke bescherming van het grondwater te waarborgen is het niet toegestaan om dieper dan 5 m +NAP te boren. Hierdoor blijft de kwaliteit hoog en kan verontreiniging voorkomen worden. Het plangebied ligt niet in een waterwingebied of beschermingszone van een waterwingebied. Oppervlaktewater De Siebersbeek vormt de zuidelijke grens van het plangebied en stroom af richting de Maas, circa 1 kilometer ten oosten van het plangebied. Het waterschap heeft rondom de beek een profiel van vrije ruimte vastgesteld, waarin de beek moet kunnen stromen zonder obstakels.
Een deel van dit profiel is aanwezig binnen het plangebied. Verder moet het mogelijk blijven om onderhoud te plegen aan de beek. Het oppervlaktewater wordt beheerd door het waterschap Limburg. Bij werkzaamheden of aanpassingen binnen of nabij het oppervlaktewater dient een watervergunning te worden aangevraagd.
Hoofdstuk 5
56
5.3.3 Planvoornemen in relatie tot waterhuishoudkundige aspecten Afvalwater Binnen het plangebied is momenteel geen bebouwing of rioolstelsel aanwezig. Ten westen van de Siebersbeek ligt onder de Horsterdijk een persrioolleiding. Vanaf de bebouwde kom (ten noordoosten van de Siebersbeek) is een gemengd gemeentelijk rioolstelsel aanwezig waarop de aanliggende woningen aangesloten zijn. De woonwijk langs de Van Wijlickshove is ook aangesloten op een gemend vrijverval rioolstelsel. Hemelwater Het plangebied is momenteel geheel onbebouwd en geheel in gebruik voor agrarische doeleinden. Hemelwater binnen het gebied kan op natuurlijke wijze infiltreren of aflopen naar de Siebersbeek. Uit het recent op het perceel uitgevoerde infiltratieonderzoek (kenmerk HMB B.V.: 20335401W) blijkt dat de doorlatendheid ter plaatse sterk varieert. De gemeten doorlatendheid varieert van 0,2 tot 6,3 m/d. De gemiddelde doorlatendheid van het matig fijn zand dat veelal in de bovenste 1,0 à 1,5 meter van de bodem is aangetroffen, bedraagt 0,6 m/d en de gemiddelde doorlatendheid van het matig grof zand dat veelal in de diepere ondergrond is aangetroffen, bedraagt 2,8 m/d.
Uit het veldonderzoek blijkt dat de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie tot ongeveer 1,5 m-mv hoofdzakelijk bestaat uit matig fijn tot matig grof zand en vanaf circa 1,5 m-mv bestaat de bodem veelal uit matig tot uiterst grof zand met een grindige bijmenging. Op basis van de doorlatendheidsmetingen is de bodem tot 1,0 à 1,5 m-mv in het algemeen als redelijk goed doorlatend aan te merken. De diepere ondergrond is als zeer goed doorlatend aan te merken. Op basis van het oriënterend doorlatendheidsonderzoek is infiltratie van (hemel)water binnen de onderzoekslocatie (heel) goed mogelijk. Plaatselijk kunnen de aanwezige, matig siltige zandlagen en leemlagen zorgen voor minder infiltratiemogelijkheid. Bij de keuze van het type en de dimensionering van het infiltratiesysteem moet rekening gehouden worden met de heterogeniteit van de bodem. Binnen het plangebied bevinden zich momenteel geen infiltratievoorzieningen. Bij nieuwbouw dient het schone hemelwater 100% gescheiden te blijven en in de mate van het mogelijke ter plaatse verwerkt te worden. Tevens mogen waterproblemen niet worden afgewenteld op de omgeving maar dienen deze zoveel mogelijk op of nabij de nieuwbouwlocatie te worden opgevangen. Het lokaal verwerken van neerslag zorgt voor een hydrologische neutrale ontwikkeling, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen.
Vanuit het beleid van de gemeente en het waterschap dient bij nieuwbouwprojecten hemelwater gecompenseerd te worden, waarbij de voorkeur uit gaat naar zichtbare infiltratievoorzieningen. Middels de aanleg van hemelwatervoorziening wordt tevens ingespeeld op de verwachte klimaatverandering om zo het risico op wateroverlast bij hevige buien verder te beperken.
Hoofdstuk 5
57
5.3.4 Wateradvies Afweging en planrealisatie De gemeente Horst aan de Maas en het waterschap Limburg hebben als doelstelling om zoveel mogelijk hemelwater lokaal te verwerken en waar mogelijk het water in de bodem te infiltreren. Op deze manier wordt het gemeentelijk rioolstelsel ontlast en wordt er positief ingespeeld op de waterhuishoudkundige systemen. Het plangebied ligt op een helling van circa 19,1 m +NAP naar circa 17,5 m +NAP, in aflopende richting naar de Siebersbeek. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) komt voor op circa 17,3 m +NAP, hierdoor kan er langs de beek grondwateroverlast voorkomen, mits het plangebied niet wordt opgehoogd. Geadviseerd wordt om een minimale drooglegging te realiseren van 0,5 meter voor tuinen en groenvoorzieningen en 0,7 meter ter plaatse van bebouwing en wegen. In het planvoornemen zijn onder andere woningen opgenomen langs de beek. In het planvoornemen zijn geen woningen opgenomen langs de beek. Voor de woningen wordt een vloerpeil van circa 20 tot 30 centimeter boven het bestaand maaiveld geadviseerd om eventuele instroom te vermijden. De milieuhygiënische conditie van het grondwater vormt, zover ons bekend, geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan. Bij eventuele bemaling en lozing voor de nieuwbouw wordt aangeraden de kwaliteit van het onttrokken water vast te stellen/te monitoren.
Door het planvoornemen is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten. In verband met de boringsvrije zone van de Venloschol zullen geen boringen dieper van 5,0 m +NAP geplaatst worden. Bij de ontwikkeling dient en zal een 100% gescheiden rioolstelsel aangelegd worden. Voor het afvalwater dient een separaat stelsel aangelegd te worden dan op het bestaand gemeentelijk stelsel aangesloten zal worden. Voor de nieuwe aansluiting dient ter zijner tijd een aanvraag te worden ingediend bij de gemeente Horst aan de Maas. Door de realisatie van de nieuwe woningen zal de afvalwaterstroom naar het gemeentelijk rioolstelsel toenemen. In het huidige ontwerp zijn maximaal 60 kavels opgenomen waardoor de vuilwaterstroom zal toenemen met circa 18 m3/d. De uiteindelijke toename is afhankelijk van het aantal woningen in het definitieve bouwplan. Bij de realisatie van de woningen dient gebouwd te worden met niet-uitloogbare bouwmaterialen om de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater te waarborgen. Door het planvoornemen met woningen wordt geen vervuiling verwacht in het lokale watersysteem. Afhankelijk van de voorgenomen ontwikkeling of werkzaamheden in (of binnen de beschermingszone van) de Siebersbeek is een vergunning of meldplicht noodzakelijk. Vooralsnog is dit niet van toepassing bij het planvoornemen.
In de huidige situatie kan het hemelwater op natuurlijk wijze verwerkt worden en is er binnen het plangebied geen verhard oppervlak aanwezig. In de toekomstige situatie zal het verhard oppervlak toenemen door de realisatie van de woningen en bijbehorende ontsluitingswegen. Door het voorgenomen bouwplan neemt het verhard oppervlak toe met ca. 14.850 m2. Deze verhardingstoename dient vanuit het geldend beleid van de gemeente en het waterschap verplicht gecompenseerd worden. Hierbij dient gerekend te worden met een bui van 100 mm, rekening
Hoofdstuk 5
58
houdend met de verwachte toename in neerslag door de klimaatverandering. Binnen het plangebied dient een totale watercompensatie te worden gerealiseerd van circa 1.485 m3. In eerste instantie dient bij de invulling zoveel mogelijk gesloten verharding vermeden te worden. Het is niet bekend of de uitgeefbare kavels verplicht worden om hun eigen hemelwater dienen te verwerken. In de huidige planopzet is beperkte ruimte beschikbaar voor een centrale hemelwatervoorziening. Rechtstreekse afvoer naar de Siebersbeek is niet toegestaan. Het zuidwestelijk deel van het plangebied nabij de beek heeft naar verwachting een hogere grondwaterstand waardoor ter plaatse mogelijk geen ondergrondse hemelwatervoorziening ingepast kan worden. Het oostelijk deel heeft een ontwateringsdiepte van circa 1,8 meter en biedt meer mogelijkheden om hemelwater ondergronds te verwerken. Hierbij kan gedacht worden aan infiltratieriool, kratten, Rockflow of grindkoffers. De gemiddelde doorlatendheid van het matig fijn zand dat veelal in de bovenste 1,0 à 1,5 meter van de bodem is aangetroffen, bedraagt 0,6 m/d en de gemiddelde doorlatendheid van het aangetroffen matig grof zand in de diepere ondergrond, bedraagt 2,8 m/d.
Afhankelijk van de opzet voor hemelwaterverwerking binnen het plangebied is op basis van het huidig planontwerp het noodzakelijk om meerdere voorzieningen te combineren, hierbij kan gedacht worden aan: Wadi: In het huidige planvoornemen is centraal een grotere groenvoorziening opgenomen met een wadi oppervlak van circa 830 m 2. De capaciteit is afhankelijk van de aanlegdiepte, maar zal naar verwachting op het diepste punt 1,5 meter bedragen. De diepte van een voorziening kan beperkt worden door ondergronds een grindkoffer of ITkratten aan te brengen. Afhankelijk van de opbouw of vormgeving kan circa 400-800 m3 geborgen worden. Aanvullend kan zuidwestelijk in de groenstrook tussen de weg en de watergang ook als wadi ingericht worden. Infiltratieriool: In het huidige ontwerp is circa 550 meter aan ontsluitingswegen opgenomen. Het is mogelijk om onder deze wegen een infiltratieriool aan te leggen met een capaciteit van circa 200 m 3 (Ø 0,6 m) of 350 m3 (Ø 0,8m). IT-kratten: Onder de parkeerplaatsen (ca. 635 m 2) is het mogelijk om een grindkoffer of enkele laag IT-kratten aan te leggen voor een aanvullende lokale waterverwerking. Afhankelijk van de opbouw en omvang bedraagt de bijkomende capaciteit circa 250 m 3. De uiteindelijke hemelwatervoorziening is afhankelijk van het feit of de kavels hun eigen hemelwater (deels) dienen te verwerken en de uiteindelijke planinvulling.
Binnen het plangebied is ruimte aanwezig om de benodigde waterberging in te passen. Afhankelijk van het ontwerp en de diepte van de voorzieningen zal deze tijdig middels infiltratie terug beschikbaar zijn. Indien dit ontoereikend blijkt, kan middels een knijpvoorziening een vertraagde leegloop naar de zuidwestelijk gelegen Siebersbeek aangelegd worden (max 2 l/s/ha). Uit het infiltratieonderzoek (kenmerk HMB B.V.: 20335401W) blijkt dat er een goed doorlatende grove zandlaag aanwezig is binnen het plangebied. De voorkeur gaat uit naar de aanleg van een bovengrondse infiltratievoorziening met een maximale ledigingstijd van 24 uur. Indien er rekening wordt gehouden met de randvoorwaarden uit deze rapportage en de inpassing van de hemelwatervoorzieningen, kan er vanuit hydrologisch opzicht positief ontwikkeld worden. Bij het Bij de verdere planuitwerking dient het omliggend terrein zo aangelegd te worden zodat boven
Hoofdstuk 5
59
normatieve neerslag kan afstromen naar het openbaar gebied, de hemelwaterwatervoorziening of het lager gelegen oppervlaktewater. Indien er rekening wordt gehouden met de randvoorwaarden uit deze rapportage en de inpassing van de hemelwatervoorzieningen, kan er vanuit hydrologisch opzicht positief ontwikkeld worden. Bij het definitieve bouwplan dient de uiteindelijke hemelwatervoorziening opgenomen te zijn. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar het openbaar gebied of oppervlaktewater. Eventueel benodigde vergunningen worden niet middels deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing/infiltratie of werkzaamheden in (de buurt van) een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen aangevraagd worden bij het Waterschap middels het Omgevingsloket. Overige aandachtspunten en randvoorwaarden Afkoppelen/niet aankoppelen staat voor het scheiden van hemelwater- en afvalwaterafvoer, op een afgewogen manier zodat een duurzaam watersysteem ontstaat. Daarbij moet men rekening houden met de waterhuishouding, de inrichting van de openbare ruimte, de milieuhygiënische gevolgen en de zorg voor de volksgezondheid en welzijn.
Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal naar een aan te leggen voorziening stromen om in de bodem te infiltreren. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven ten behoeve het reinigen en het onderhoud. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat de systemen blijven functioneren. Ook moet de (nood)overloop regelmatig worden onderhouden. Ondergrondse voorzieningen dienen altijd voorzien te zijn van een goed bereikbare blad- en zandvanger en/of ontluchtingspunt/overloop. Toe te passen duurzame materialen: Daken: dakpannen van natuurlijk, beton of keramisch materiaal of bekleed met (EPDM) rubber. Dakgoten en afvoerpijpen; PVC/PP/PE/ staal, aluminium, bij voorkeur ook geen gecoate materialen i.v.m. verwering. Ontsluitingspaden / wegen / terrassen; voorzien van natuurlijk of niet-uitloogbare materialen zoals keramische of betonproducten. Indien onvoldoende aandacht wordt gegeven aan het ontwerp en dimensionering, kan wateroverlast ontstaan.
Het moet ten alle tijden worden voorkomen dat wateroverlast bij bebouwing en bij derden ontstaat. Het gebruik en het overlopen van de hemelwatervoorziening mag niet leiden tot schade aan in de nabijheid liggende percelen, gewassen en opstallen. Schade, direct en/ of indirect, die eventueel ontstaat is en blijft voor rekening van de ontwikkelaar/eigenaar van het plangebied. In geen geval mag de afvalwaterriolering op een infiltratie- en/of bergingsvoorziening worden aangesloten.
Hoofdstuk 5
60
Op de afgekoppelde “buitenverhardingen” mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken. Wil men toch buitenactiviteiten verrichten waarbij vervuiling van verhard oppervlak ontstaat b.v. het reinigen van voertuigen of het schoonmaken van onderdelen, dan moet het gedeelte waar deze activiteit(en) plaatsvindt voorzien worden van de juiste bodembeschermende maatregelen (Nederlandse Richtlijn voor Bodembescherming). Dit betekent dat het vrijkomende afvalwater al dan niet via een olie/benzine-afscheider of andere noodzakelijke (reiniging)voorziening naar het afvalwaterriool moet worden getransporteerd of geloosd, en niet in de bodem mag worden geïnfiltreerd of op oppervlaktewater worden geloosd. Het is onwenselijk chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de verharde oppervlakken. Daarnaast is toepassing van gladheidsbestrijding middels zout minder wenselijk geacht. Bij toepassing kunnen deze stoffen met het hemelwater afstromen naar de bodem of het oppervlaktewater en deze nadelig beïnvloeden. Indien toepassing noodzakelijk blijkt, wordt geadviseerd dit zo effectief mogelijk te doen.
Conclusie Indien de bovenstaande adviezen worden meegenomen in de ontwerp-, realisatie en beheersfase is de gewenste balans tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer geborgd. Indien er rekening wordt gehouden met de randvoorwaarden uit deze rapportage en de inpassing van de (hemelwater)voorzieningen, kan er vanuit hydrologisch opzicht dus positief ontwikkeld worden.
5.4 Kabels en leidingen In (of in de directe omgeving van) het plangebied komen geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij de beoogde woningbouwontwikkeling belemmeren.
5.5 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in de POVI en de Omgevingsverordening Limburg 2014 en 2021.
Hoofdstuk 5
61
Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.
Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Toetsing In het kader van onderhavig plan is door BRO een quickscan flora en fauna14 uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De conclusies uit dit onderzoek worden hieronder kortstondig toegelicht. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlagen. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Maasduinen”, bevindt zich op circa 1,3 kilometer afstand ten oosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of 14
BRO, Quickscan flora en fauna Siebersbroek te Lottum, projectnr.: P03750, 22 februari 2021.
Hoofdstuk 5
62
depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daarnaast is in het kader van voorliggend bestemmingsplan aangetoond dat er geen negatieve effecten worden voorzien in het kader van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft een stikstofdepositie berekening 15 plaatsgevonden voor de gebruiksfase. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Gedurende de periode dat onderhavig bestemmingsplan in procedure is geweest, heeft de Raad van State een uitspraak gedaan over het gebruik van de wettelijke bouwvrijstelling. Deze vrijstelling houdt in dat voor de stikstofuitstoot die bij de bouw van projecten plaatsvindt, geen vergunning nodig is. Door de uitspraak van de Raad van State is deze bouwvrijstelling niet meer van toepassing. Zodoende is in onderhavige ontwikkeling aanvullend de berekening voor de aanlegfase16 uitgevoerd. De resultaten zijn als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. De berekening met de Aerius calculator laat zien dat in bouwfase geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.
Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, de zilvergroene natuurzone of de bronsgroene landschapszone. Wel grenst het plangebied aan de in het zuiden aan de bronsgroene landschapszone. De bronsgroene landschapszone omvat in dit geval de Sieberbeek. Gezien binnen de voorgenomen plannen de Siebersbeek in huidige vorm blijf behouden zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van de bronsgroene landschapszone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de bronsgroene landschapszone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen. Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op de Siebersbeek en de rij wilgen op de zuidelijke oever te worden vermeden.
Voor zover dat onvermijdelijk is kan ervoor worden gekozen om vleermuisvriendelijke verlichting te plaatsen (rood licht). Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiele) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen of foerageergebied voor vleermuizen. Daarnaast geldt ten aanzien van broedvogels dat het plangebied buiten het broedseizoen bouwrijp gemaakt dient te worden (of er dient vooraf een controle plaats te vinden). In het
15 16
BRO, AERIUS-berekening Siebersbroek, Lottum , projectnummer: P03750, 15 augustus 2022 Equipe Adviseurs, ‘Stikstofberekening bouwfase’, projectnr.: 224861, d.d. 9 december 2022.
Hoofdstuk 5
63
kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Houtopstanden Aangezien er binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Conclusie Samengevat zijn er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie De bevoegde overheid, de gemeente Horst aan de Maas, heeft op gemeentelijk niveau een archeologisch beleid vastgesteld en beschikt over een Archeologische Verwachtings- of Beleidsadvieskaart. Op de Archeologische Maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas (2015) ligt het plangebied in drie beleidszones: Categorie 3 (Hoge archeologische verwachting) - onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm –mv; Categorie 6 (Specifieke archeologische verwachting(beek)dalen en oude Maasgeulen) - onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m 2 en dieper dan 50 cm –mv; Categorie 7 (Bebouwde kom – onbekende verwachting) - onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm -mv. Binnen het bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas (2017) gelden dezelfde dubbelbestemmingen (‘Waarde – Archeologie3’, ‘Waarde – Archeologie 6’, ‘Waarde – Archeologie 7’) met dezelfde ondergrenzen. Gezien de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied (realisatie van 60 woningen en infrastructuur) is ter plaatse van het plangebied door Aeres Milieu een archeologisch booronderzoek17 (incl. bureaustudie) uitgevoerd. De resultaten worden hieronder beschreven.
17
Aeres Milieu, Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Siebersbroek te Lottum (Gemeente Horst aan de Maas), rapportnr. AM20582, d.d. 2 februari 2022.
Hoofdstuk 5
64
Uitsnede Gemeentelijke Archeologische Maatregelenkaart met ligging plangebied rode pijl
Resultaten Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in de boringen in het zuidwestelijke deel van het plangebied, ter plaatse van de oude geul, sprake is van een A-C-profiel. Er zijn nergens aanwijzingen gevonden van een inspoelingshorizont (B-horizont) of van een bovenliggende uitspoelingshorizont (E-horizont). Deze zullen binnen de oude Maasgeul naar verwachting nooit aanwezig zijn geweest, of mogelijk reeds in de bovenliggende toplaag zijn opgenomen. Er is sprake van een (sub)recent opgebrachte zandpakket direct gelegen op de natuurlijke ondergrond (C-horizont). Echter kan niet uitgesloten worden dat ter plaatse off site resten zouden kunnen worden aangetroffen. Het betreft de zone rond boringen 1 tot en met 7. Ter plaatse zullen geen intacte vuursteenvindplaatsen uit het paleolithicum tot en met het mesolithicum worden aangetroffen. De lage verwachting voor de periode laat-paleolithicum blijft gehandhaafd. De middelhoge verwachting voor de periode mesolithicum kan worden bijgesteld naar laag. Deze vindplaatsen zijn namelijk zeer kwetsbaar en zullen indien deze aanwezig geweest zijn alleen nog ex-situ kunnen worden aangetroffen. Ook kan de middelhoge verwachting voor off site verschijnselen voor latere landbouwende perioden worden bijgesteld naar laag.
Gezien de natte aard van de fossiele maasmeander zullen er in de omgeving gunstigere vestigingsplaatsen geweest zijn. Er zijn ook geen aanwijzingen gevonden voor dergelijke vindplaatsen in de omgeving. De middelhoge verwachting voor de volle middeleeuwen en nieuwe tijd kan met uitzondering van het zuidelijke deel van het plangebied worden bijgesteld naar laag. Ter plaatse het zuidelijke deel (rand dalvlakteterras) blijft de hoge verwachting voor deze perioden gehandhaafd. Het kan niet uitgesloten worden dat ter plaatse van de historische bebouwing (zie figuur 4-6) resten kunnen worden aangetroffen die teruggaan tot de volle middeleeuwen.
Hoofdstuk 5
65
Voor het noordoostelijke deel van het plangebied (dalvlakteterras, bouwland) kunnen op basis van het verkennend booronderzoek resten worden aangetroffen uit de periode vanaf het mesolithicum. Vuursteenvindplaatsen zullen kwetsbaar zijn, maar kunnen nog worden aangetroffen. In boringen 6, 14, 15, 16 en 17 lijkt sprake te zijn van een 10-15 cm dikke inspoelingshorizont (Bhorizont), hoewel in de boringen geen aanwijzingen zijn van een uitspoelingshorizont (E-horizont). De (middel)hoge verwachting voor intacte, meer sedentaire vindplaatsen uit de periode neolithicum tot en met de nieuwe tijd blijven gehandhaafd. De verwachte hoge bruine enkeerdgronden zijn deels aangetroffen binnen dit deel van het plangebied.
Advieskaart plangebied, Bron: bodemonderzoek Aeres Milieu
Voor het noordoostelijke deel, ter plaatse van het dalvlakteterras en de hoge ligging volgens het AHN, geldt dat ter plaatse sprake is van een grotendeels intacte bodem. De (middel)hoge verwachting voor de periode mesolithicum tot en met de nieuwe tijd blijft voor dit deel gehandhaafd. Voor dit deel (boringen 8 tot en met 17) wordt een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Dit proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd op basis van een nog op te stellen en door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas) goed te keuren Programma van Eisen (PvE). De resultaten van dit onderzoek zijn getoetst door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. De extern archeologisch adviseur van de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas) heeft het volgende advies gegeven voor het vervolgonderzoek: ‘Gezien het resultaat van het booronderzoek adviseer ik om het noordelijk, hoger gelegen deel van het plangebied te inventariseren met proefsleuven met een dekkingsgraad van 7,5% van die zone van het plangebied, met aanvullend ruimte voor het begrenzen en waarderen van vindplaatsen ter grootte van 2,5% dekkingsgraad. Indien in deze noordelijke zone nederzettingssporen of sporen van begravingen worden gevonden, behoort ook het zuidelijk deel te wo
Hoofdstuk 5
66
den geïnventariseerd op de aanwezigheid van sporen en vondsten. 18 (zie Advieskaart in Figuur 9). Ten behoeve van het proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen 19 opgesteld. Het Programma van Eisen is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Nu het vervolgonderzoek hoogstwaarschijnlijk niet is afgerond voordat het bestemmingsplan als ontwerp in procedure gaat worden de huidige archeologische dubbelbestemmingen vooralsnog gehandhaafd. Cultuurhistorie Binnen of direct buiten het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt de ‘Horsterdijk’ beschreven als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Aangezien het verloop en profiel van deze weg niet wordt veranderd door het voorliggende plan, is er geen sprake van negatieve effecten op deze weg. Daarnaast wordt de Siebersbeek aangemerkt als een cultuurhistorisch lijnelement in de vorm van ‘nat. waterloop onderbroken’ en ‘nat. waterloop getrokken’. Onderhavig plan oefent echter geen invloed uit op deze watergang, aangezien deze buiten het plangebied is gelegen.
5.7 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het plangebied wordt voor autoverkeer ontsloten via de Horsterdijk, aan de westzijde van het plangebied. Via de nieuwe wegenstructuur in het plangebied zijn de woonkavels bereikbaar. Aan de zuidoostzijde van het plangebied wordt tevens een looppad/fietspad (autovrije zone) aangelegd, welke aansluit op De Steegh ter hoogte van de Van Wijlickshove. Parkeren Voor de woningen geldt de op 3 juli 2019 vastgestelde ‘Nota Parkeernormen Horst aan de Maas’. Conform bijlage 1 is het plangebied heel strikt gezien gelegen buiten de kern van Lottum en dus buiten de bebouwde kom. Echter gezien het gebied direct grenst aan de kern van Lottum kan worden aangesloten bij de parkeernormen voor rest bebouwde kom. Indien wordt uitgegaan van een ligging binnen de rest van de bebouwde kom geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per wooneenheid. De totale parkeerbehoefte komt zodoende uit op 120 parkeerplaatsen. Blijkens de afbeelding met de toekomstige functionele indeling van het plangebied (paragraaf 4.1) zal voornamelijk op eigen terrein worden geparkeerd (en/of parkeerhavens). Daarnaast zal op het noordwestelijke gedeelte van het plangebied een parkeerterrein gerealiseerd worden met 12 parkeerplaatsen en 22 parkeerhavens aan de zijkant van de weg vanaf het noordelijke gedeelte richting het oosten.
In het voorliggende bestemmingsplan zijn parkeerregels opgenomen, waarmee wordt gewaarborgd dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. In het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen zal worden getoetst aan de 'Nota parkeernormen gemeente
18
19
Vestigia (dhr. K. Koot) 25-01-2022: Beoordeling concept-rapport ‘Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Siebersbroek te Lottum’ en AMZ-advies (Vestigia kenmerk V22- 37216 / 1285-367 / CWK). Aeres Milieu, ‘Programma van Eisen Siebersbroek te Lottum’, projectnr.: AM22045, d.d. 12 juli 2022.
Hoofdstuk 5
67
Horst aan de Maas' (of de op het moment van indiening van de omgevingsvergunningaanvraag van toepassing zijnde actualisatie/ opvolger). Verkeersgeneratie Het woongebied zal een toename van het aantal verkeersbewegingen in de omgeving tot gevolg hebben. Deze is berekend op basis van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381). Binnen het plangebied worden maximaal 60 grondgebonden woningen mogelijk gemaakt. Daarvan dient ten minste 30% uit sociale huurwoningen te bestaan. Voor het overige zal een flexibel programma worden gerealiseerd, passend binnen de actuele woonbehoeften. Voor de voorliggende berekening van de verkeersgeneratie is uitgegaan van de woningtypen met de hoogste verkeersgeneratie. Hierdoor is de worst-case situatie qua aantal verkeersbewegingen in beeld gebracht. Dit betreft de volgende, maximale planologische invulling: 30% van 60 woningen sociale huur: 18 woningen in categorie ‘Huur, huis, sociale huur’; Overige 70% van 60 woningen vrijstaande koopwoningen (dit betreft woningtype met de hoogste verkeersgeneratie): 42 woningen in categorie ‘Koop, huis, vrijstaand’. Wat betreft de stedelijkheidsgraad is sprake van een niet-stedelijke gemeente. Omdat het nieuwe woongebied deel zal uitmaken van de kern Lottum is qua ligging aangesloten bij het omgevingstype ‘rest bebouwde kom’.
Tabel 1: Verkeersgeneratie woongebied Siebersbroek Categorie en aantal Kencijfers CROW Minimale verkeersgeneratie Huur, huis, sociale 5,2 - 6,0 mvt/etmaal 93,6 huur, per woning 18 eenheden Koop, huis, vrijstaand, 7,8 - 8,6 mvt/etmaal 327,6 42 eenheden per woning TOTAAL 60 woningen 421,2
Maximale verkeersgeneratie 108
361,2 469,2
Op basis van bovenstaande uitgangspunten is de maximale verkeersgeneratie van het woongebied berekend in de navolgende tabel. De verkeersgeneratie ligt bij invulling van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt tussen de 421 en 469 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De Horsterdijk en omliggende wegen zullen deze verkeerstoename naar verwachting probleemloos kunnen verwerken. De Horsterdijk betreft een gebiedsontsluitingsweg en heeft een wegcapaciteit tussen de 5.000 en 15.000 mvt/etmaal. Uit de meest recente verkeerstelling (2019) op de Horsterdijk is gebleken dat de verkeersintensiteit uit kwam op gemiddeld 3.600 mvt/etmaal. De de Horsterdijk kan de toename van maximaal 469 mvt/etmaal derhalve probleemloos opvangen. Vanuit het aspect verkeer en parkeren zijn er geen belemmeringen voor dit planvoornemen.
Hoofdstuk 5
68
5.8 Duurzaamheid Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen. Duurzaam bouwen bespaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om: Gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers; Een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; prettige en leefbare huizen, gebouwen, wijken en steden; Duurzaam slopen, om de materialen die vrijkomen bij de sloop opnieuw te kunnen gebruiken (hergebruik en recycling); Verantwoord watergebruik; Voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken. Bij de bouw van de woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, zullen in ieder geval de wettelijke duurzaamheidseisen worden toegepast.
5.9 Gezondheid 5.9.1 Endotoxinen In de onderhavige situatie is sprake van de realisatie van 60 woningen aan de Horsterdijk te Lottum. De beoogde realisatie heeft geen invloed op de endotoxine belasting en dit vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Daarbij is gekeken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s. In onderhavig geval kan worden gesteld dat er geen overschrijdingen plaatsvinden van de gestelde norm van Gezondheidsraad, doordat de dichtstbijzijnde varkens- of pluimveehouderij op meer dan 1 kilometer van het plangebied is gelegen. Zodoende kan ook geconcludeerd worden dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.9.2 Geitenhouderij In het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 20142016’ van september 2018, wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking.
Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is er door de provincie Limburg voor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in de Omgevingsverordening te
Hoofdstuk 5
69
stellen. Uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. Uitkomsten worden nog verwacht. Aangezien de planlocatie op ruim 2 km van een geitenhouderij is gelegen vormt het aspect gezondheid geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.9.3 Spuitzones Bij een ruimtelijk plan dient te worden beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijk ordening. Eén van de aspecten waar rekening mee gehouden moet worden is de spuitzone ten behoeve van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Dit in verband met de risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld, dat bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen met tuinen. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor bebouwing aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de bestemmingsgrens.
Deze 50 meter is in diverse uitspraken van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2) als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden en geldt als een vaste richtafstand waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt. De vaste richtafstand van 50 meter is in de open teelt met name van belang voor boomkwekerijen en boomgaarden, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (onkruidbestrijding), maar ook zij- en opwaarts (voorkomen en bestrijden schimmels en plaagdieren). Vooral het opwaarts spuiten veroorzaakt de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico’s. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woningen. De 50 meter afstand is echter een indicatieve afstand. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering. Binnen een afstand van 50 meter zijn geen gronden rondom het plangebied gelegen, waarop bomen of andere gewassen in de openlucht worden geteeld, die bespoten moeten worden.
Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de agrarische gronden ten noorden van het plangebied slechts een breedte hebben van circa 100 meter. In de directe nabijheid van deze gronden zijn reeds al bestaand burgerwoningen gelegen. Wanneer rekening wordt gehouden met een spuitzone van 50 meter, is het feitelijk gezien onmogelijk dat deze gronden met bestrijdingsmiddelen bespoten kunnen worden zonder hinder te veroorzaken op de reeds omliggende burgerwoningen. Derhalve kunnen potentiele spuitzones ten aanzien van deze gronden in relatie tot de woningen binnen het plangebied geen belemmering vormen.
Hoofdstuk 5
70
De watergang ten zuiden vormt reeds een beperking in het kader van gebruik van bestrijdingsmiddelen. Het Activiteitenbesluit bevat regels omtrent het spuiten nabij watergangen. Hierdoor werkt de watergang al beperkend voor de agrariër op de betreffende gronden en kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat eventueel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op die gronden een negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat in het plangebied.
5.10 Niet gesprongen explosieven In de Tweede Wereldoorlog hebben op diverse plaatsen in Limburg, waaronder in de gemeente Horst aan de Maas, oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij gebruik is gemaakt van explosieven. Hierdoor zijn er mogelijk onontplofte explosieven in de bodem achtergebleven. Indien tijdens grondwerkzaamheden in het plangebied op een niet ontploft explosief wordt gestuit, kan dit ongecontroleerd tot ontploffing komen. Op basis van de Arbowetgeving en de Openbare Orde en Veiligheid dienen alle risico’s voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden in kaart te worden gebracht, waarbij de risico’s zoveel mogelijk moeten worden ingeperkt. In het plangebied is een vooronderzoek naar ontplofbare oorlogsresten 20 uitgevoerd om te beoordelen of er sprake is van een risico op het aantreffen van explosieven alsmede waar er een risico is op het aantreffen hiervan. De resultaten zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Het doel van het vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten (OO) is om middels het raadplegen van diverse bronnen vast te stellen of er indicaties zijn dat er vanwege oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog OO in/op de (water)bodem in het onderzoeksgebied kunnen zijn achtergebleven.
Middels het vooronderzoek OO is vastgesteld dat er geen indicaties zijn dat door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog OO zijn achtergebleven in/op de (water)bodem binnen de grenzen van het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is onverdacht op OO. Gezien de bovenstaande conclusie wordt geadviseerd om de voorgenomen bodemingrepen in het onderzoeksgebied regulier uit te voeren, d.w.z. zonder vervolgstappen in de opsporing van OO. Samengevat zijn er uit het vooronderzoek geen belemmeringen geconstateerd met betrekking tot niet gesprongen explosieven in het plangebied. Er zijn daardoor geen extra maatregelen (zoals begeleiding door een explosieven-expert) benodigd bij de uitvoering van de werkzaamheden in het plangebied.
20
Bombs Away, Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten Siebersbroek Lottum Gemeente Horst aan de Maas, projectnummer: 20P027, 23 september 2021
Hoofdstuk 5
71
6.
UITVOERBAARHEID
6.1 Economische uitvoerbaarheid In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De gemeente kan hiervan afzien indien: Het kostenverhaal anderszins is verzekerd; Het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Het voorliggende initiatief maakt de realisatie van maximaal 60 woningen mogelijk en biedt hiermee mogelijkheden voor een bouwplan in de zin van artikel 6.12 van de Wro. De gronden zijn in eigendom van de gemeente. Het kostenverhaal is daardoor geregeld via de gronduitgifte. Er is geen anterieure overeenkomst of exploitatieplan vereist.
6.2 Handhaving De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012 - 2015). Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt om gegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.