06c Toelichting
Tekst van het document
In de praktijk is de woningmarkt een aanbodmarkt en zijn doelgroepen niet altijd in staat hun verhuiswens te realiseren, doordat zij hier financieel niet toe in staat zijn of omdat de gewenste woning niet beschikbaar is in de bestaande voorraad. Wel geeft onderstaande afbeelding een goede indicatie van de segmenten waar de grootste risico’s ontstaan op leegstand en achteruitgang.
Theoretische tekorten en overschotten woningvoorraad | Bron: WoON2015, WoON2018, Progneff (2018), bewerking Stec Groep (2019)
Hoofdstuk 3
27
Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan worden maximaal 60 woningen mogelijk gemaakt op een uitbreidingslocatie net buiten de kern van Lottum. Het door Stec opgestelde rapport ‘Opgaven en aanpak bestaande woningvoorraad in beeld, Basis voor woonbeleid’ uit 2019 geeft een inzicht in de bestaande regionale woningvoorraad en geeft een richting voor een transformatieopgave. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 60 woningen op een uitbreidingslocatie net buiten de kern van Lottum. De realisatie van de beoogde woningen zorgt niet voor het vergroten van het kwetsbare woningoverschot. Onderhavig plan is dan ook passend binnen de regionale kwalitatieve behoefte. De realisatie van de nieuwbouw is hiermee niet strijdig met de woonvisie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig: De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn; De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden; De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners.
Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst. Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden.
Hoofdstuk 3
28
In de structuurvisie zijn 19 projecten ter verbetering van omgevingskwaliteit benoemd. Geen van deze projecten is gepland in of in de directe omgeving van het plangebied. Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (Gemeentelijk kwaliteitsmenu) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied.
Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a. in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: a. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; b. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; c.
De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; d. De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar. Op de volgende pagina is een kaart weergegeven uit de structuurvisie. Op deze kaart is te zien binnen welk gebied het plangebied is gelegen. In de afbeelding is te zien dat het plangebied is gelegen binnen deelgebied 5B ‘Agrarisch gebied rondom Lottum en Broekhuizen’. Voor projectmatige woningbouw in uitleggebieden geldt hiervoor een meedenkende grondhouding (ja, mits). Dit dient echter wel zoveel mogelijk aansluitend op bestaande dorpen plaats te vinden. Gezien de ligging van onderhavig plangebied (direct grenzend aan de kern Lottum) is dit het geval
Hoofdstuk 3
29
Dit betekent dat volgens de structuurvisie en het Gemeentelijk kwaliteitsmenu daarin, sprake dient te zijn van een kwaliteitsbijdrage van € 5,- per m² plangebied ten behoeve van de realisering van groen, natuur, landschap en herstel landschappelijke cultuurhistorie. Vanwege de ligging binnen gebied met een meedenkende grondhouding dient dit bedrag te worden vermenigvuldigd met een factor 1,2. Dit betekent een kwaliteitsbijdrage van € 6,- per m² plangebied.
Uitsnede kaart 'Gebiedsindeling Gemeentelijk Kwaliteitsmenu' uit de Structuurvisie Horst aan de Maas met aanduiding globale ligging plangebied (rode pijl)
Evaluatie structuurvisie Bij de vaststelling van de structuurvisie is besloten om deze na een jaar te evalueren. Deze evaluatie heeft plaatsgevonden in de periode augustus 2014 – juli 2015 en heeft op onderdelen geleid tot een aanpassing van de structuurvisie. De module 'Projectmatige woningbouw' is daarbij gewijzigd in de module 'woningbouw in exploitatiegebieden' De module ‘projectmatige woningbouw’ is enkel van toepassing in exploitatiegebieden. De exploitatiegebieden zijn opgenomen in het woningbouwprogramma ‘Woningbouw Horst aan de Maas 2014-2024’. Het woningbouwprogramma is gebaseerd op bevolkingsonderzoek en voorziet in de woningbehoefte tot 2024. Naast uitbreidingsplannen zijn ook de herontwikkelingslocaties opgenomen in het woningbouwprogramma.
Hoofdstuk 3
30
In de structuurvisie is een overzicht opgenomen van de exploitatiegebieden. Wanneer een nieuw woningbouwprogramma vastgesteld wordt, zal ook deze lijst aangepast worden. Afweging Het uitbreidingsgebied is gelegen binnen gebied waarvoor een meedenkende grondhouding (ja, mits) geldt volgens de structuurvisie. Aan de voorwaarden in het gemeentelijk kwaliteitsmenu voor de module 'woningbouw in exploitatiegebieden' wordt voldaan, aangezien in de exploitatie van het plan rekening is gehouden met de vereiste kwaliteitsbijdrage van € 6,- per m² plangebied. Het plan past daarmee binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie. 3.5.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021 - 2025 Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2021-2025, dat in april 2021 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de regionale structuurvisie Wonen Noord Limburg. De hoofdopgaves voor Horst aan de Maas die gebaseerd zijn op het regionale beleid, betreft vooral een nieuwbouwopgave met als hoofddoelen: 1. t/m 2025 1.000 woningen vergunnen; 2. Bouwen naar behoeften. De genoemde beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen (2021-2025): Kaders als basis voor mogelijkheden; Door verwachtingen en eisen aan de voorkant helder te hebben, weten ontwikkelaars, corporaties en inwoners waar ze aan toe zijn.
Dit zorgt voor enthousiasme, een gedeelde visie en een snellere doorloop. Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang; We kennen de woonvragen en -behoeften van onze inwoners: nu, morgen en volgend jaar – op zowel gemeenteniveau als in de individuele kernen. We weten op elk moment in het jaar of we nog op koers liggen. Maatwerk per kern; Elke kern heeft zijn eigen karakter. Die eigenheid moet doorklinken in de woningopgave en de invulling ervan. Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen; Partijen die onze gemeente goed kennen, zich vereenzelvigen met onze ambitie en hier ook aantoonbaar naar handelen, hebben een streepje voor. Zij krijgen de ruimte en het vertrouwen om samen met ons Horst aan de Maas aantrekkelijker te maken. Minder regels, snelle doorloop van processen; Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. We verminderen de regeldruk waar mogelijk, organiseren parallelle processen en houden initiatiefnemers aangehaakt. Participatie & communicatie; Inwoners voelen zich gehoord, betrokken bij de ambitie en zijn trots. Dat dragen ze ook uit. Volgens de bevolkingsprognoses van Etil groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2030 met 1.375. Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling.
Er dient met name aandacht te zijn voor (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Voor ruimtelijke plannen dienen volgende uitgangspunten daarbij in acht te worden genomen. Het plan voorziet, kwalitatief en kwantitatief, in de behoefte van inwoners. Dit betekent concreet dat:
Hoofdstuk 3
31
o
De type woningen en bijbehorende aantallen aansluiten bij de opgave zoals omschreven in dit Masterplan én bij de lokale wensen en behoeften van inwoners (zie ook ‘maatwerk per kern’). o Ontwikkelaars/corporaties met inwoners en samen met de gemeentegesprekken hebben gevoerd en de lokale woonwensen als uitgangspunt hebben genomen. Een programma met 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koop waarbij maatwerk mogelijk is bij kleine locaties of een aangetoonde andere behoefte aan sociale huur. Nieuwe woningen voldoen aan de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). Nieuwe woningen en woonwijken worden klimaat adaptief gebouwd zodat geen nieuwe knelpunten wateroverlast en hittestress ontstaan. Inbreiding (ontwikkelen binnen bebouwd gebied) waar mogelijk, uitbreiding (ontwikkelen aan de rand van bebouwd gebied) indien nodig. Ontwikkelen in het buitengebied heeft niet onze voorkeur; woningbouw op industrieterreinen is niet toegestaan. Kwalitatief goede, tijdelijke woonconcepten worden omarmd. Deze wordt, indien geschikt, ingezet om snel voor extra aanbod te zorgen. In het plan is goed nagedacht over de kwaliteit van de woonomgeving. Elk initiatief wordt getoetst op basis van gemeentelijk beleid (onder andere Structuurvisie Horst aan de Maas), bestemmingsplannen, stedenbouwkundige visies, het bouwbesluit en financiële haalbaarheid.
Nieuwbouwplannen worden getoetst op basis van bovenstaand afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op medewerking van de gemeente. Anders dan voorheen is dit afwegingskader geen ‘toets achter de schermen’, maar een vrij beschikbaar en inspirerend document, dat gemeente, corporaties en ontwikkelaars motiveert om al in de eerste, prille fase van conceptontwikkeling de juiste keuzes te maken. De woningbouwambitie is gebaseerd op de woningmarkt anno nu (vraag en aanbod), gecombineerd met prognoses (CBS, Stec) en signalen uit de markt.
Hoofdstuk 3
32
Afweging Met onderhavig planvoornemen wordt voorzien in kwalitatief goede woningen. De onderhavige ontwikkeling vindt plaats op een locatie die in het woningbouwprogramma reeds is voorzien als locatie voor woningbouw. Gezien de beoogde woningbouwsegmenten en het aantal woningen voldoet onderhavig plan aan het gemeentelijk woningbouwkader, zoals opgenomen in het Masterplan Wonen Horst aan de Maas. Hierdoor is sprake van een kwalitatieve verbetering ten opzichte van de oude situatie. Vanuit het Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021-2025 zijn geen belemmeringen voor het planvoornemen. Het planvoornemen draagt juist bij aan de gestelde opgave om de bouw van 1.000 woningen te vergunnen tot en met 2025. 3.5.3 Welstandsnota De gemeente Horst aan de Maas heeft op 20 november 2012 de ‘Welstandsnota gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld. Deze nota is opgesteld om een welstandstoets te kunnen uitvoeren bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. De vereenvoudigde welstandsnota bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. De gemeente onderscheid twee niveaus van welstand: ‘normaal’ en streng’. Voor reguliere woongebieden geldt het niveau ‘normaal’ en aangezien binnen het plangebied sprake zal zijn van een regulier woongebied, zal hiervoor het welstandsniveau ‘normaal’ gaan gelden.
Bij het normaal niveau van welstand wordt getoetst op aspecten die te maken hebben met de situering van het bouwwerk, de hoofdvormen van het bouwwerk, de schaal en geleding van het gebouw, het materiaalgebruik en de gebruikte kleurstelling. Ook de gevelaanzichten worden beoordeeld. De toets is vooral gericht op het gebouw als geheel en het welstandstoezicht is in deze gebieden beperkt tot het handhaven van basiskwaliteiten. Afweging In het kader van de concrete bouwplannen voor de beoogde woningen binnen het plangebied zal een welstandstoets plaatsvinden. 3.5.4 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. Op 31 januari 2020 is het ontwerpbestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren Horst aan de Maas’ ter inzage gelegd, waarin de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas is opgenomen als Bijlage 1. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers (CROW publicatie 317 Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). In afwijking van de CROW-publicatie is in de Nota Parkeernormen voor alle type appartementen en woonhuizen, ongeacht de prijsklasse en eigendomssituatie, één parkeernorm opgenomen.
Vanwege de landelijke ‘setting’ van de gemeente Horst aan de Maas heeft het type woning en prijsklasse van de woning nauwelijks invloed op het autobezit. Vandaar dat gekozen is voor één categorie ‘wonen’. Basis blijft dat ontwikkelingen moeten voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein.
Hoofdstuk 3
33
Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan worden in totaliteit maximaal 60 woningen mogelijk gemaakt. De totale gemeente Horst aan de Maas kan getypeerd worden als ‘weinig stedelijk’. Binnen de Nota Parkeernormen is zodoende uitgegaan van één stedelijkheidsgraad (weinig stedelijk gebied) voor de totale gemeente. Onderhavig plangebied is gezien de ligging te typeren als ‘Rest bebouwde kom’. Na realisatie zal het plangebied deel uitmaken van de kern van Lottum. Voor een nadere afweging ten aanzien van verkeer en parkeren wordt verwezen naar paragraaf 5.7 van dit bestemmingsplan.
3.6 Conclusie De gewenste woningbouwontwikkeling binnen het plangebied past, met uitzondering van de kaders van het vigerende bestemmingsplan, binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie, de regio als de gemeente Horst aan de Maas zelf.
Hoofdstuk 3
34
4.
PLANBESCHRIJVING
4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Binnen het plangebied worden maximaal 60 woningen mogelijk gemaakt. Het betreft hierbij de realisatie van verschillende type woningen bestaande uit minimaal 30% (sociale) huurwoningen. Voor de overige 70% is nog niet bekend of dit vrije huur of koop wordt en in welke verhouding. Wel wordt met het planvoornemen voorzien in de realisatie van verschillende type woningen, zoals sociale huursector, vrije huursector en in de koopsector. Het wordt het een mix van vrijstaand, tweekappers en rijwoningen. Een deel van de woningen wordt levensloopbestendig. Van het beoogde plan is een stedenbouwkundig ontwerp opgesteld. Het stedenbouwkundig plan is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd.
Stedenbouwkundig ontwerp Siebersbroek
Aan de zuidwestzijde van het plangebied wordt een weg voorzien, welke direct aansluit op de Horsterdijk. Aan de zuidoostzijde van het plangebied wordt tevens een looppad/fietspad (autovrije zone) aangelegd, welke aansluit op De Steegh ter hoogte van de Van Wijlickshove. Daarnaast bestaat het voornemen om in het midden/centrum van het plangebied een klein park aan te leggen met een groen- en watervoorziening. Aan de noord(oost)zijde van het plangebied wordt voorzien in de realisatie van een parkeerterrein(en) met 12 parkeerplaatsen ten behoeve van de aaneengesloten woningen.
Hoofdstuk 4
35
De bouwhoogte van de woningen bedraagt maximaal 11,5 meter. De goothoogte van de woningen zal maximaal 6,5 meter bedragen. Daarnaast krijgt het perceel van de bestaande woning aan de Horsterdijk 49 een woonbestemming toegekend.
4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 60 woningen mogelijk. Vanuit functioneel opzicht is woningbouw passend op deze locatie, gezien de ligging aangrenzend aan de kern Lottum. Verder sluit de bebouwing qua hoogte en opbouw in grote mate aan bij de omliggende stedenbouwkundige structuur. Wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden wordt aansluiting gezocht bij recente bestemmingsplannen voor woningbouw op uitleglocaties in gemeente Horst aan de Maas. De nieuwe bebouwing zal hierdoor qua situering en maatvoering aansluiten bij de omliggende woningen. Middels onderhavig plan wordt kwalitatief hoogwaardige bebouwing ter plaatse van het plangebied gerealiseerd. Dit heeft een positieve invloed op het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De nieuwbouw is van hoge kwaliteit en zorgt ervoor dat de indeling van het plangebied een samenhangend stedenbouwkundig geheel vormt en goed is ingepast in zijn omgeving. Hierbij is rekening gehouden met de omliggende functies, waaronder de Siebersbeek en de functies van de aangrenzende gronden. Daarnaast is een beeldkwaliteitsplan opgesteld waaraan getoetst zal worden. De woning aan de Horsterdijk 49 krijgt een woonbestemming toegekend. Er is geen sprake van nieuwe bebouwing en betreft louter een functiewijziging.
Concluderend kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt passend in de omgeving is. De realisatie van het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten tot gevolg op de omgeving.
Hoofdstuk 4
36
5.
SECTORALE ASPECTEN
5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten die aan de orde zijn bij het voorliggend initiatief. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan bod: milieu (geluid, bodem, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid en geur), waterhuishouding, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren, kabels en leidingen, duurzaamheid en ecologie.
5.2 Milieuaspecten Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. 5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de wijziging van de bestemming. Het plangebied is reeds bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’ in het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’. Er is geen specifieke aanduiding opgenomen die erop toeziet dat de gronden binnen het plangebied gebruikt mogen worden voor woondoeleinden.
Aangezien onderhavige ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, wat gevoelige functies betreffen dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. Door HMB is een verkennend bodemonderzoek 5 uitgevoerd. Het hele rapport is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder volgt een samenvatting. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese “verdachte locatie” stand houdt. In de bovengrond op het oostelijke deel van de onderzoekslocatie is een verhoogd gehalte drins aangetoond. Voor het overige zijn geen verhoogde gehalten organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) boven de achtergrondwaarden aangetoond.
5
HMB B.V, Verkennend bodemonderzoek Horsterdijk te Lottum, projectnummer: 20335402A, d.d. 18 december 2020.
Hoofdstuk 5
37
Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese “onverdachte locatie” geen stand houdt. In de grond zijn geen verhoogde gehalten boven de achtergrondwaarden aangetoond en in het grondwater zijn licht tot matig verhoogde gehalten metalen c.q. barium, cadmium, kobalt, koper, nikkel en zink aangetoond. Het verhoogd gehalte drins in de bovengrond is mogelijk te relateren aan het (voormalig) gebruik van bestrijdingsmiddelen. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve mag worden aangenomen dat de verontreinigingen in het grondwater verhoogde achtergrondgehalten betreffen. Verkennend bodemonderzoek Horsterdijk (naast nr. 49) te Lottum Door Aeres Milieu is een verkennend bodemonderzoek6 uitgevoerd op een stuk perceel naast de woning aan de Horsterdijk 49 dat niet was meegenomen tijdens het hiervoor besproken onderzoek. Hieronder wordt de conclusie van het onderzoek besproken. Het volledige rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen.
Uit de analyseresultaten blijkt dat in zowel in de bovengrond als in de ondergrond geen gehalten zijn gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium, cadmium en xylenen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
Woning Horsterdijk 49 te Lottum Aangezien onderhavige ontwikkeling niet voorziet in het realiseren van een nieuwe gevoelige functie, het betreft hier slechts het herbestemmen van een bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning, is nader onderzoek niet benodigd.
6
Aeres Milieu B.V., ‘Verkennend bodemonderzoek Horsterdijk (naast nr. 49) te Lottum, projectnr.: AM22045-2, d.d. 9 augustus 2022.
Hoofdstuk 5
38
Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten op het terrein. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren. 5.2.2 Geluid In de Wet geluidhinder wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van (spoor)wegverkeer en gezoneerde industrieterreinen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Nabij het plangebied liggen diverse wegen met een onderzoekszone van 200 meter conform de Wgh. Ook is de planlocatie gelegen aan de Horsterdijk waar een maximumsnelheid geldt van 50 kilometer per uur. Derhalve zal een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd dienen te worden, waarin alle relevante omliggende wegen (incl. 30 kilometer wegen) worden meegenomen.
In dit onderzoek zijn tevens de geluidseffecten van de verkeersaantrekkende werking van het nieuwe woongebied, op bestaande omliggende woningen, in beeld gebracht. Door Econsultancy is een onderzoek wegverkeerslawaai 7 uitgevoerd. Het rapport is als separate bijlage toegevoegd aan onderhavige toelichting. Hier wordt volstaan met een samenvatting en conclusie van het onderzoek. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van de woningen. Voor elke zijde van de woningen zijn toetspunten ten behoeve van maximaal 3 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2021.1. Alleen ten gevolge van de Horsterdijk treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de Horsterdijk is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Vanwege de Horsterdijk dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd.
Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de drie woningen aan de Horsterdijk is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk.
7
Econsultancy, ‘Onderzoek wegverkeerslawaai Horsterdijk te Lottum’, rapportnr.: 17886.004, d.d. 13 juli 2022.
Hoofdstuk 5
39
Het uitvoeren van een gevelweringsonderzoek ten aanzien van de beoogde nieuwe woningen aan de Horsterdijk zal middels een voorwaardelijke verplichting worden geborgd aan onderhavig bestemmingsplan. Woning Horsterdijk 49 In de Wgh wordt er geen onderscheid gemaakt tussen een reguliere en een bedrijfswoning. De toetsing aan de Wgh heeft daarom in het verleden al plaats gevonden. De woning is feitelijk al gerealiseerd. De bestemmingswijziging zorgt er niet voor dat er een geluidsgevoelig object wordt toegevoegd. Spoorwegverkeer Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten nabij een spoorlijn dient het spoorwegverkeerslawaai betrokken te worden. Wat betreft spoorwegverkeerslawaai wordt opgemerkt dat in de wijde omgeving van het plangebied geen spoorwegen zijn gelegen. Ten westen van het plangebied loopt op een afstand van ongeveer 2700 meter de spoorlijn Venlo – Nijmegen. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. Industrielawaai Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein of bij ontwikkelingen in de nabijheid van bedrijfspercelen dient het aspect industrielawaai betrokken te worden. In de wijde omgeving rondom het plangebied liggen geen zoneerde industrieterreinen.
In paragraaf 5.2.5 (bedrijven en milieuzonering) wordt verder ingegaan op (geluid)hinder als gevolg van de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende bedrijven. 5.2.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm) staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%.
De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof als NO2.
Hoofdstuk 5
40
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM); b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
NIBM-grens woningbouwlocaties: 3% criterium: ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van maximaal 60 woningen en het bestemmen van een bestaande bedrijfswoning tot reguliere woning. Hierbij wordt de bovenstaande NIBM-grens bij lange na niet overschreden. De ontwikkeling draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van de voorgenomen ontwikkeling dient daarnaast te worden beschouwd of de luchtkwaliteit in het plangebied voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De grenswaarde voor fijn stof (PM2,5) is een jaargemiddelde concentratie van 25 µg/m³. Voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ als grenswaarde. Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ (2019) is de concentratie fijn stof (PM10) ter plaatse < 18 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM2,5) < 10 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen 10 en 15 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ en voor PM2,5 25 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m³. Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende.
Conclusie Onderhavig initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoende voor de beoogde woonfunctie. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan kortom geen belemmeringen.
Hoofdstuk 5
41
5.2.4 Geurhinder Geurhinder Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woonen leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. Op 24 juli 2020 is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas’ in werking getreden. In afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied zoals aangegeven op de bij de verordening behorende en gewaarmerkte kaart, als volgt: Plangebied bij Meerlo: 6,0 odour units. Bedrijventerreinen Klavertje 4-gebied: 14,0 odour units. Overige bebouwde kom: conform wettelijke norm, momenteel 3,0 odour units. Buitengebied: conform wettelijke norm, momenteel 14,0 odour units. Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv.
Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Dit betekent dat toetsing aan de geurnormen van nabijgelegen veehouderijen noodzakelijk is. De gemeente Horst aan de Maas is echter momenteel bezig met de ontwikkeling van een geurgebiedsvisie ten behoeve van de gebiedsontwikkeling Klavertje 4. Deze gebiedsvisie heeft niet alleen betrekking op de omgeving van het Klavertje 4, maar op het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas. Deze heeft tot 7 mei 2020 ter inzage gelegen. Omdat deze gebiedsvisie en de bijbehorende kaarten een actueel inzicht geven in de huidige situatie omtrent geur, zijn deze gebruikt in de voorliggende toelichting met betrekking tot onderhavig plangebied. Toetsing Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Conform ‘Kaartbijlage A locaties veehouderijen’ blijkt dat er in de wijde omgeving rondom het plangebied geen intensieve veehouderijen zijn gelegen. Er zijn derhalve binnen een straal van 100 meter rondom het plangebied geen veehouderijen gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten. Ook is er geen sprake van de beperking van de vergunde milieuruimte van veehouderijen.
Onderhavig plangebied is zodoende niet gelegen binnen de indicatieve geurhindercontouren (vergunde situatie), zoals weergegeven op de Kaartbijlage C indicatieve geurcontouren. In de bijlagen behorende bij de geurgebiedsvisie van de gemeente Horst aan de Maas is een kaart gevoegd (Kaartbijlage B achtergrondbelasting) van de actuele achtergrondbelasting geur. Op basis van deze kaart (zie onderstaande afbeelding) kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft geur, een zeer goed woon- en leefklimaat heerst (0,0-3,0 OU/m3). De achtergrondbelasting geur vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Hoofdstuk 5
42
Achtergrondbelasting geur (uitsnede behorende bij de ontwerp geurverordening, ontwerp beleidsregel en bijbehorende geurgebiedsvisie Horst aan de Maas d.d. 26-03-2020)
Conclusie Vanuit het aspect geurhinder van veehouderijen zijn er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw. In de woningen zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Tevens worden veehouderijen in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering beperkt als gevolg van de ontwikkeling. 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor.
Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied;
Hoofdstuk 5
43
2. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. De richtafstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen.
De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Woningen zijn milieugevoelige functies. Aangezien onderhavig plan voorziet in de realisatie van maximaal 60 woningen dient getoetst te worden of in deze woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven niet worden gehinderd door de ontwikkeling. Toetsing Externe werking De externe werking betreft de vraag of de beoogde nieuwe functie binnen onderhavig plan niet zal leiden tot hinder voor bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. De beoogde woningen binnen het plangebied vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Daarnaast dient volledigheidshalve opgemerkt te worden dat er geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder die wordt veroorzaakt door de nieuwe verkeersbewegingen van het planvoornemen op de omliggende reeds bestaande woningen. In paragraaf 5.2.2 heeft hieromtrent een toelichting plaatsgevonden. Interne werking Naast de externe werking is er ook een interne werking als het gaat om het beoogde planvoornemen.
De interne werking ziet erop toe dat medewerking aan het beoogde planvoornemen pas mogelijk is indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woningen gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. In de onderstaande tabel wordt de omliggende bedrijvigheid rondom het plangebied toegelicht. Hierbij is conform het vigerend bestemmingsplan gekeken naar de maximaal toelaatbare milieucategorie (worst-case scenario). De VNG-brochure kent verschillende gebiedskwalificaties. Als de omgeving wordt aangemerkt als ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden volgens de VNG-brochure met één afstandstap
Hoofdstuk 5
44
worden verlaagd. In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de omliggende percelen waarop bedrijvigheid mogelijk is. Richtafstand8
Afstand tot woningen9
2
30 meter
Circa 130 meter
2
30 meter
Circa 300 meter
‘Agrarische met waarden’ (camping ’t Heike)
3.1
50 meter
Circa 170 meter
‘Wonen’ (aanduiding bed en breakfast)
1
10 meter
Circa 150 meter
Bestemming
Maximale milieucategorie
‘Bedrijf’ (specifieke vorm van bedrijf - klus- en montagebedrijf) ‘Bedrijf’ (specifieke vorm van bedrijf - klus- en montagebedrijf)
Omliggende bedrijvigheid en diens richtafstanden conform de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’
Het dichtstbijzijnde perceel met een bedrijfsbestemming is gelegen op circa 130 meter ten westen van het plangebied (locatie is gelegen aan de Smalebrook 3). Ter plaatse van het bedrijf is de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - klus- en montagebedrijf’ opgenomen. Conform de VNG-brochure geldt voor een dergelijk bedrijf milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Het plangebied en daarmee de beoogde woningen zijn ruimschoots buiten deze richtafstand gelegen Daarnaast is er nog een bedrijfsbestemming op circa 300 meter ten zuiden van het plangebied gelegen (locatie is gelegen aan de Grimmelsweg 1b). Ook ter plaatse van dit bedrijf is de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - klus- en montagebedrijf’ opgenomen. Conform de VNGbrochure geldt voor een dergelijk bedrijf milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Het plangebied en daarmee de beoogde woningen zijn ruimschoots buiten deze richtafstand gelegen. Op circa 170 meter afstand ten noordwesten van het plangebied is daarnaast camping ’t Heike gelegen (locatie gelegen aan de Zwaanen Heike 12). Voor deze camping geldt conform de VNG-brochure milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter. Het plangebied en daarmee de beoogde woningen zijn ruimschoots buiten deze richtafstand gelegen.
Op circa 150 meter ten noordoosten van het plangebied is een bed en breakfast gelegen (locatie gelegen aan de Horsterdijk 35 Lottum). Voor deze bed en breakfast geldt conform de VNGbrochure milieucategorie 1. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. Het plangebied en daarmee de beoogde woningen zijn ruimschoots buiten deze richtafstand gelegen. Tot slot zijn ten noorden en ten noordwesten van het plangebied diverse agrarische percelen gelegen met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Ter plaatse van enkele van deze percelen is een agrarisch bouwvlak opgenomen. Ter plaatse van deze agrarische bouwblokken zijn feitelijk geen agrarische grondgebonden bedrijven aanwezig dan wel vergund. Derhalve vormen deze percelen geen belemmering ten aanzien van de beoogde woningen binnen het plangebied.
8 9
Gebaseerd op basis van de ligging binnen rustig buitengebied Afstand is gemeten tussen de grens van het bestemmingsvlak en de dichtstbijzijnde gevel van een woning.
Hoofdstuk 5
45
Conclusie Voor het overige vinden er in de omgeving van het plangebied geen milieubelastende activiteiten plaats waarvan de hindercontour tot het plangebied reikt. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden beperkt worden als gevolg van de voorliggende ontwikkeling. Vanuit het aspect milieuzonering zijn er hiermee geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het woongebied. 5.2.6 Externe veiligheid Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden.
De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hierlangs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10 -6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.
Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de orientatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een
Hoofdstuk 5
46
risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants 10. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van 60 woningen. Derhalve voorziet onderhavig plan in de realisatie van kwetsbare objecten. Er dient zodoende een toetsing aan het aspect externe veiligheid plaats te vinden. Toetsing Om de mogelijke risicobronnen in kaart te brengen is gebruik gemaakt van de Risicokaart Nederland. Hieruit blijkt dat géén mogelijke risicobronnen in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn (zie hiertoe onderstaande afbeelding).
Uitsnede risico’s omliggend plangebied, Bron: www.risicokaart.nl
Risicovolle inrichtingen De woningen zijn te kwalificeren als kwetsbare objecten. Volgens de Risicokaart Limburg ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen een straal van 500 m) geen risicovolle inrichting. De dichtstbij gelegen risicovolle inrichting betreft de opslag van munitie aan de Zandterweg 6 te Lottum, waarvoor een risicocontouren zijn vastgesteld (feitelijke afstand is ca. 530 m) en een bovengrondse propaantank (8000 liter) bij het loonbedrijf aan de Zandterweg 26 te Lottum waar omheen een risicocontour PR 10-6/jr. van 25 meter ligt. De feitelijke afstand tot de voorgenomen planlocatie is ca. 550 meter. De afstand tussen beide risicovolle inrichtingen is zo
10
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen
Hoofdstuk 5
47
groot dat de omvang van het (minimale) risico geen nader onderzoek behoeft. Gezien de afstand tot het plangebied zal geen significante invloed worden uitgeoefend op het groepsrisico en vormt deze risicovolle inrichting geen belemmering voor de te realiseren woningen. De (meet)afstanden tot de risicovolle inrichtingen zijn afgebeeld in de onderstaande uitsnede.
Uitsnede risico’s omliggend plangebied met toegevoegde meetpunten, Bron: www.risicokaart.nl
Buisleidingen In de directe nabijheid van het plan zijn geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen gelegen. Het plan ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding. Wegen In de directe nabijheid van het plan zijn geen wegen gelegen waarover het transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plan ligt niet binnen het invloedsgebied van omliggende wegen. Spoorlijnen Ten westen van het plangebied loopt op een afstand van ongeveer 2700 meter de spoorlijn Venlo – Nijmegen. Over deze spoorlijn vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Waterwegen Ten oosten stroomt op circa 1.370 meter afstand de Maas. Gezien de tussenliggende afstand vormt de ligging ten opzichte van de Maas geen belemmering. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, buisleiding of transportroute. Vanuit externe veiligheid zijn er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Hoofdstuk 5
48
5.2.7 Milieueffectrapportage Toets m.e.r.-plicht In het plangebied vindt woningbouw plaats in de vorm van maximaal 60 woningen. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De voorgenomen ontwikkeling van 60 woningen valt onder onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. in de categorie D11.2: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien sprake is van een oppervlakte van 100 hectare of meer, de ontwikkeling een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of een bedrijfsoppervlakte van 200.000 m 2 of meer betreft. Deze drempelwaarden worden bij de voorliggende ontwikkeling bij lange na niet overschreden. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen.
Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Tabel: Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling Kenmerken van het project
Omvang van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grond gebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Hoofdstuk 5
49
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Omdat het plan wel voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het aantal woningen ruimschoots onder de drempelwaarde valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
De ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van 60 woningen. Dit betreffen verschillende typen woningen, waaronder woningen in de sociale huursector, vrije huursector en in de koopsector. Onderhavig planvoornemen voorziet daarnaast gedeeltelijk in levensloopbestendige woningen in verschillende types. Op dit moment is nog niet bekend of deze (levensloopbestendige) woningen huur of koop betreffen en/of een combinatie daarvan. Ten behoeve van de nieuwe woningen worden, zo veel als mogelijk, op eigen terrein parkeerplaatsen gerealiseerd. Voor zover de eigen parkeerterreinen niet toereikend zijn worden twee parkeerterreinen gerealiseerd. Tot slot krijgt de bestaande woning aan de Horsterdijk 49 een woonbestemming.
Cumulatie met andere projecten
Nee. Het betreft uitsluitend de voorliggende ontwikkeling van een woningbouwlocatie.
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
N.v.t.
Productie van afvalstoffen
N.v.t.
Verontreiniging en hinder
Luchtkwaliteit: zowel met als zonder ontwikkeling wordt aan alle grenswaarden voldaan (zie par. 5.2.3). Geluid: ten gevolge van de Horsterdijk treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Het uitvoeren van een gevelweringsonderzoek ten aanzien van de beoogde nieuwe woningen aan de Horsterdijk zal middels een voorwaardelijke verplichting worden geborgd aan onderhavig bestemmingsplan. (zie par. 5.2.2). Geur: er is geen sprake van geurhinder van veehouderijen in het plangebied, gezien de grote afstand tot omliggende veehouderijen (zie par. 5.2.4). Milieuzonering: De beoogde woningen binnen het plangebied vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van mili-
Hoofdstuk 5
50
eugevoelige functies in de omgeving. Daarnaast dient volledigheidshalve opgemerkt te worden dat er geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder die wordt veroorzaakt door de nieuwe verkeersbewegingen van het planvoornemen op de omliggende reeds bestaande woningen. In paragraaf 5.2.2 heeft hieromtrent een toelichting plaatsgevonden. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Deze grens wordt niet/wel overschreden. Voor het overige vinden er in de omgeving van het plangebied geen milieubelastende activiteiten plaats waarvan de hindercontour tot het plangebied reikt. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden beperkt worden als gevolg van de voorliggende ontwikkeling. Vanuit het aspect milieuzonering zijn er hiermee geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het woongebied.
Risico van ongevallen
Het voorliggend plan maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk. Daarnaast zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied vanwege risicovolle inrichtingen en transportroutes in de omgeving.
Conclusie Vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. In de nieuwe woningen is daarnaast sprake van een goed woon- en leefklimaat. Plaats van het object Criteria Bestaand grondgebruik
Toets In de huidige situatie bestaat het plangebied hoofdzakelijk uit een akkerbouwperceel (grasland). Er zijn geen houtopstanden of gebouwen aanwezig binnen het plangebied. Ten noorden grenst het plangebied aan diverse agrarische percelen, alsmede aan de achtertuinen van diverse woningen
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regene-
N.v.t.
ratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder dacht voor:
Gevoelige gebieden (wetlands, kustge-
Het plangebied is niet gelegen in een gevoelig gebied als bedoeld