06c Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Siebersbroek te Lottum’ Gemeente Horst aan de Maas Vastgesteld
Bestemmingsplan ‘Siebersbroek te Lottum’ Gemeente Horst aan de Maas Vastgesteld
Rapportnummer:
P03750
Idn nr.
NL.IMRO.1507.LTSIEBERSBROEK-BPV1
Datum:
december 2022
Opdrachtgever:
Gemeente Horst aan de Maas
Projectteam BRO:
SSh, IMo
Trefwoorden:
Woningbouw, Siebersbroek, Horsterdijk, Lottum, gemeente Horst aan de Maas
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 3
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van maximaal 60 woningen aan de Horsterdijk te Lottum (gemeente Horst aan de Maas).
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
TOELICHTING
2
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 5 6 7
2.
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Ruimtelijke structuur 2.2 Functionele structuur 2.3 Relatie beeldkwaliteitsplan, bestemmingsplan en stedenbouwkundig ontwerp 2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie
8 8 9 9 9
2.4.1 Historische ontwikkeling 2.4.2 Cultuurhistorie
3.
9 10
BELEID 3.1 Inleiding 3.2 (Europees) en Rijksbeleid
11 11 11
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) 3.2.5 Wet milieubeheer 3.3 Provinciaal beleid
11 12 13 13 17 18
3.3.1 Provinciale omgevingsvisie 2021 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 3.3.4 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) 3.4 Regionaal beleid 3.5 Gemeentelijk beleid
18 20 24 25 26 28
3.5.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ 3.5.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021 - 2025 3.5.3 Welstandsnota 3.5.4 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 3.6 Conclusie
28 31 33 33 34
4.
PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan 4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten
35 35 36
5.
SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding
37 37
Inhoudsopgave
1
5.2 Milieuaspecten
37
5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit 5.2.2 Geluid 5.2.3 Luchtkwaliteit 5.2.4 Geurhinder 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering 5.2.6 Externe veiligheid 5.2.7 Milieueffectrapportage 5.3 Waterparagraaf
37 39 40 42 43 46 49 53
5.3.1 Ligging plangebied in relatie tot waterbelangen 5.3.2 Waterhuishoudkundige situatie 5.3.3 Planvoornemen in relatie tot waterhuishoudkundige aspecten 5.3.4 Wateradvies 5.4 Kabels en leidingen 5.5 Ecologie 5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.7 Verkeer en parkeren 5.8 Duurzaamheid 5.9 Gezondheid
55 55 57 58 61 61 64 67 69 69
5.9.1 Endotoxinen 5.9.2 Geitenhouderij 5.9.3 Spuitzones 5.10 Niet gesprongen explosieven
69 69 70 71
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Handhaving 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
72 72 72 73
7.
JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken 7.2 Toelichting op de verbeelding 7.3 Toelichting op de regels
75 75 75 75
7.3.1 Algemeen 7.3.2 Artikelsgewijze toelichting planregels
75 76
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Stedenbouwkundig ontwerp Bijlage 2: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 3: Ladderonderbouwing Bijlage 4: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Horsterdijk (naast nr. 49) Bijlage 6: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 7: Waterparagraaf Bijlage 8: Doorlatendheidsonderzoek
Inhoudsopgave
2
Bijlage 9: Quickscan flora en fauna Bijlage 10: Stikstofdepositieberekening gebruiksfase Bijlage 11: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek Bijlage 12: Programma van Eisen Bijlage 13: Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten Bijlage 14: Stikstofberekening aanlegfase
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De gemeente Horst aan de Maas is voornemens om een woningbouwontwikkeling mogelijk te maken aan de Horsterdijk te Lottum (gemeente Horst aan de Maas). Het plangebied is hierbij gelegen aan de westzijde van de kern Lottum. Het beoogde woningbouwplan omvat de realisatie van verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen, openbaar groen, ruimte voor hemelwaterinfiltratie en maximaal 60 woonkavels. Het plangebied is gelegen aan de noordzijde van de Siebersbeek en sluit direct aan op het bestaand woongebied (zijnde de kern Lottum). De beoogde woningbouwontwikkeling zal gefaseerd uitgevoerd worden, echter wordt er wel voor gekozen de bebouwingmogelijkheden en het functioneel gebruik van de gronden al voor het gehele plangebied juridisch-planologisch te verankeren. In onderhavig bestemmingsplan wordt eveneens de bestaande woning aan de Horsterdijk 49 een woonbestemming toegekend.
Uitsnede topografische kaart met globale ligging plangebied (rode pijl)
Het gehele plangebied valt onder de werking van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ en de daarop volgende partiële herziening uit 2020. Het gehele plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Het plangebied is derhalve hoofdzakelijk bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik. De beoogde woningbouwontwikkeling, alsmede de diverse infrastructurele voorzieningen zijn derhalve op basis van het vigerend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied niet toegestaan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken
Hoofdstuk 1
4
is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk (conform artikel 3.1 Wro). In het voorliggende bestemmingsplan wordt zodoende de nieuwe bestemming voor de gronden wettelijk geregeld. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de bijbehorende regels en onderhavige toelichting.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de westzijde van de kern Lottum en ligt daarmee in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. De locatie grenst echter wel direct aan de kernrand van Lottum. Ten westen van het plangebied grenst het plangebied direct aan de Horsterdijk ten zuiden van het plangebied is de Siebersbeek gelegen. Op circa 1 kilometer ten oosten van het plangebied is de Maas gelegen. Onderhavig plangebied omvat de percelen, kadastraal bekend als Grubbenvorst, sectie H, nr. 289, 410 en 1032. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 3 hectare.
Uitsnede kadastrale ondergrond met aanduiding plangebied rood omlijnd
Hoofdstuk 1
5
1.3 Vigerend bestemmingsplan Het gehele plangebied valt onder de werking van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ en de daarop volgende partiële herziening uit 2020 (Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020). Het gehele plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn in hoofzaak bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik. Het beoogde gebruik van de gronden binnen het plangebied voor woondoeleinden, alsmede de realisatie van diverse infrastructurele ontwikkelingen (en ondergeschikte functies) is derhalve niet rechtstreeks toegestaan.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Host aan de Maas’ met aanduiding plangebied rood omlijnd
Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 6’, ‘Waarde – Archeologie 7’ en ‘Waarde – Zone Bronsgroene landschapszone’ aanwezig binnen het plangebied. Ten aanzien van de doorwerking van de archeologische bestemmingen vindt een afweging plaats in paragraaf 5.6. Ten aanzien van de doorwerking van de bronsgroene landschapszone wordt verwezen naar paragraaf 5.5. Tot slot geldt de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ en ‘overige zone – rivierdal’ ter plaatse van het gehele plangebied. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning
Hoofdstuk 1
6
van (drink)water. In paragraaf 3.3.2. vindt een afweging plaats ten aanzien van de ligging binnen de Venloschol. Ter plaatse van de aanduidingen ‘overige zone – rivierdal zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden welke zijn opgenomen in artikel 37 conform het vigerend bestemmingsplan. Een gedeelte van de gronden die direct grenzen aan de Siebersbeek kennen daarnaast de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’. Ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' zijn de gronden derhalve tevens bestemd als extensiveringsgebied. In het geldende bestemmingsplan zijn geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen, waarmee de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied mogelijk kunnen worden gemaakt. Derhalve is het besluit genomen om het voorliggende nieuwe bestemmingsplan op te stellen.
1.4 Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd. In het volgende hoofdstuk vindt een beschrijving van het plangebied plaats. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie en wordt tevens ingegaan op het wettelijke onderzoekskader. Hoofdstuk 4 beschrijft vervolgens de gewenste ruimtelijke en stedenbouwkundige ontwikkeling. Hoofdstuk 5 bevat een verantwoording van de diverse sectorale aspecten. In hoofdstuk 6 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. In hoofdstuk 7 is tot slot de wijze van bestemmen opgenomen.
Hoofdstuk 1
7
2.
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
2.1 Ruimtelijke structuur In de huidige situatie bestaat het plangebied hoofdzakelijk uit een akkerbouwperceel (grasland). Er zijn geen houtopstanden of gebouwen aanwezig binnen het plangebied. Ten noorden grenst het plangebied aan diverse agrarische percelen, alsmede aan de achtertuinen van diverse woningen (deze percelen zijn gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas). Specifiek gezien grenst het plangebied aan de noordoostzijde direct aan diverse woonpercelen die gelegen zijn binnen de kern Lottum en onderdeel uitmaken van het vigerend bestemmingsplan ‘Maaskernen’. Aan de oostzijde (punt van het plangebied) grenst de planlocatie aan een voet-/fietspad dat zal aansluiten op de van Wijlickshove. Het zuidelijk gedeelte van het plangebied grenst aan de Siebersbeek. Tot slot grenst het westelijk gedeelte van het plangebied aan de Horsterdijk.
Uitsnede luchtfoto met kadastrale ondergrond en ligging plangebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 2
8
2.2 Functionele structuur Onderhavig plangebied grenst in noordelijke richting direct aan de kern Lottum. De kern Lottum bestaat grotendeels uit woongebieden. Meer specifiek is onderhavig plangebied gelegen aan de kernrand en ten zuiden van het plangebied bevindt zich het landelijk gebied van de gemeente Horst aan de Maas. In het buitengebied rond de kern zijn voornamelijk agrarische bedrijven en landbouwgronden gelegen. Aan de westzijde (Horsterdijk) grenst het plangebied direct aan de grens van de bebouwde kom. Direct ten zuiden van het plangebied is de Siebersbeek gelegen.
Aanzicht plangebied vanuit de Horsterdijk (Google streetview: 2019)
2.3 Relatie beeldkwaliteitsplan, bestemmingsplan en stedenbouwkundig ontwerp Het bestemmingsplan vormt een juridische verankering van het stedenbouwkundig ontwerp inclusief een toelichting op de planvorming. Het stedenbouwkundig ontwerp is het gewenste eindbeeld voor de ontwikkeling. Naast het bestemmingsplan, waarin het stedenbouwkundig ontwerp (Bijlage 1) is opgenomen, is een beeldkwaliteitsplan 1 (Bijlage 2) opgesteld, dat door de gemeenteraad gelijktijdig met het bestemmingsplan zal worden vastgesteld als onderdeel van de Welstandsnota. Dat document zal fungeren als welstandstoetsingskader voor de vergunningsaanvragen voor deze locatie. Voor de woningen en de openbare ruimte zijn hierin regels opgenomen om het gewenste eindbeeld te realiseren.
2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie 2.4.1 Historische ontwikkeling Lottum is een dorp in de Limburgse gemeente Horst aan de Maas. Het heeft ongeveer 2.000 inwoners en een oppervlakte van 2226 ha. Het dorp ligt ongeveer 10 kilometer ten noorden van Venlo, aan de rivier de Maas.
1
Hoofdstuk 2
9
Lottum is een van de oudste Maasdorpen. De bewoning van Lottum gaat terug tot de Romeinse tijd. De huidige Meerlosebaan is een weg, die reeds in de Romeinse tijd bestond. Lottum was een Romeinse (militaire) post aan de weg Maastricht - Heel - Kessel - Blerick - Cuijk - Nijmegen. Het dorp Lottum bestond vroeger uit een marktplein met daaromheen wat huizen en de kerk, enkele boerderijen richting Broekhuizen, de buurtschap "in 't Zand" (tussen Zandterweg, Opperdonk, Wielder), en de buurtschap Houthuizen met de molen. Sinds 1800 vormen Lottum en Grubbenvorst één gemeente onder de naam Grubbenvorst. Elk dorp had toen ongeveer 500 inwoners. In 2001 is de gemeente Grubbenvorst opgegaan in de gemeente Horst aan de Maas. Uit historisch kaartmateriaal (bron: topotijdreis.nl) blijkt dat onderhavig plangebied al vanaf omstreeks 1850 in gebruik is als agrarische grond zonder bebouwing. Ook uit het kaartmateriaal uit 1900 en 1950 blijkt dat het plangebied een agrarisch grondgebruik heeft gehad. Dit grondgebruik is tot op heden ongewijzigd gebleven. Sinds 1987 is ook een gedeelte van het woongebied ten noordoosten van het plangebied ontwikkeld. De woonpercelen die direct ten noordoosten aan het plangebied grenzen zijn zichtbaar sinds 1999.
Uitsneden topografische kaarten jaartallen 1850 (linksboven), 1900 (rechtsboven), 1950 (linksonder) en 2020 (rechtsonder)
2.4.2 Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn, mede op basis van de kaarten van de provincie Limburg en de Atlas van de Leefomgeving geen monumenten of aangewezen karakteristieke c.q. beeldbepalende elementen aanwezig. Ook in de directe omgeving zijn dergelijke elementen niet aanwezig, waarop het bestemmingsplan van invloed zou kunnen zijn. Cultuurhistorische waarden worden door het initiatief dan ook niet aangetast. Een verder afweging vindt plaats in paragraaf 5.6.
Hoofdstuk 2
10
3.
BELEID
3.1 Inleiding In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 3.2, § 3.3, § 3.4 en § 3.5). Bij het rijksbeleid wordt onder andere ingegaan op de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Voor het provinciaal beleid wordt onder andere gebruik gemaakt van Provinciale Omgevingsvisie 2021 (POVI), een overkoepelend beleidsstuk. In het kader van het regionaal beleid wordt onder andere ingegaan op de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. In het kader van het gemeentelijk beleid wordt ingegaan op diverse relevante gemeentelijke beleidsstukken, waaronder de Structuurvisie Horst aan de Maas.
3.2 (Europees) en Rijksbeleid 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (behalve paragraaf 4.9). De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen.
Hoofdstuk 3
11
De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaat-bestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16.
Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agro-productie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (in-ter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief zijn geen nationale belangen in het spel. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd.
Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, de uitoefening van defensietaken,
Hoofdstuk 3
12
veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Afweging Op dit bestemmingsplan werken geen van de genoemde rijksbelangen rechtstreeks door. In het plangebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het plan is dan ook in lijn met het Barro. 3.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Horst aan de Maas. Afweging Aangezien onderhavig bestemmingsplan echter geen windturbines of andere bouwwerken hoger dan 114 meter toestaat vormt de ligging binnen het radarverstoringsgebied geen belemmering.
3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: ‘De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ Uit de jurisprudentie2 komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: ‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’ (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).
2
o.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319)
Hoofdstuk 3
13
Afweging Het voorliggende bestemmingsplan maakt de toevoeging van 60 woningen mogelijk. Het toevoegen van maximaal elf woningen is in lijn met de uitspraak 3 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Beoogd nieuwbouwplan ziet op de realisatie van 60 woningen. Bij het voorliggende initiatief wordt derhalve de ondergrens overschreden, waardoor sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook vereist. Door BRO is een laddertoets4 uitgevoerd. Onderstaand wordt de conclusie uit deze toets weergegeven. Het volledig rapport is als separate bijlage bij onderhavige toelichting toegevoegd. Sprake van stedelijke ontwikkeling De beoogde ontwikkeling van maximaal 60 woningen betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit blijkt uit het volgende: 1. Het plangebied heeft binnen het vigerende bestemmingsplan de bestemming ‘agrarisch met waarden’. Op basis daarvan is wonen op de locatie niet toegestaan en is een wijziging van de bestemming noodzakelijk. 2.
Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het initiatief om woningen te realiseren valt binnen deze definitie. 3. Vanaf 12 nieuwe woningen is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het initiatief betreft de toevoeging van maximaal 60 woningen en kan daarmee worden gekwalificeerd als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Passend binnen behoefte verzorgingsgebied Voor de onderbouwing van de woonbehoefte is gekeken naar de afbakening van de relevante regio, om zo de behoefte in beeld te brengen. Hiervoor is gekeken naar de regionale woningmarkt, die gedefinieerd wordt op basis van verhuisbewegingen. In dit behoefteonderzoek gaat het om de gemeente Horst aan de Maas als primair verzorgingsgebied en de woonregio’s Venlo en Venray als secundaire verzorgingsgebieden. Het initiatief wordt passend geacht binnen de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Passend binnen beleidskaders Geconcludeerd wordt dat het beoogde initiatief past binnen de vigerende provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders: Het initiatief draag bij aan de provinciale ambitie van voldoende (betaalbare) woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek.
Bovendien past de ontwikkeling binnen de huidige maatschappelijke context, waarin sprake is van een significante woningbehoefte, onder meer voor de doelgroepen starters, ouderen, evenals het levensloopbestendig maken van woningen. Het beoogde gevarieerde programma met tevens aandacht voor levensloopbestendigheid geeft hier invulling aan.
3 4
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Uitspraak 201608869/1/R3, ECLI:NL:RVS:2017:1724, 28 juni 2017. BRO, Ladderonderbouwing woningbouw Siebersbroek Lottum, projectnummer P03750, 13 juli 2022.
Hoofdstuk 3
14
Doorstroming op de woningmarkt staat centraal en om dit voor elkaar te krijgen is actie nodig: versnellen, versterken en doorzetten. De toevoeging van maximaal 60 woningen draagt nadrukkelijk bij aan dit doel. Het beoogde programma is in beginsel flexibel om daarmee optimaal in te kunnen spelen op de huidige en toekomstige behoeften. Dit draagt optimaal bij aan een gezonde woningmarkt. De regio wil bij nieuwbouw inzetten op toekomstbestendigheid en flexibiliteit. Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte. Het beoogde flexibele programma en het realiseren van levensloopbestendige woningen draagt hier aan bij. Toevoegen van woningen in de kern Lottum draagt bij aan de leefbaarheid en de doorstroming in de kern. De beoogde planlocatie ligt buiten de dorpscontour van Lottum, maar de uitbreiding is mogelijk doordat ruimte binnen de contour van Lottum ontbreekt. Bovendien sluit de locatie direct aan op de contour. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan het vereiste van ten minste 30% sociale huur en de specifieke behoefte onder ouderen en starters. Aangezien de aantallen per woningtype in beginsel flexibel zijn, kan bovendien uitstekend op deze doelgroepen worden ingespeeld.
Kwantitatieve behoefte De beoogde ontwikkeling van maximaal 60 woningen voorziet nadrukkelijk in een kwantitatieve behoefte en kan worden ingepast in de harde plancapaciteit. De regio Noord-Limburg vindt het van belang dat de plancapaciteit in lijn is met de huishoudensprognose, zodat er kan worden gebouwd naar de reële behoefte. Het aantal huishoudens in de gemeente Horst aan de Maas neemt tot 2031 toe met ruim 1.400, een stijging van circa 7,7%. Het aantal huishoudens neemt relatief meer toe dan het inwonertal, wat betekent dat de gemiddelde omvang van huishoudens de komende jaren afneemt. Dit sluit aan bij de landelijke trends van individualisering en vergrijzing (toename van een- en tweepersoons huishoudens). De huishoudensontwikkeling geeft een reëel beeld van de woningbehoefte. Wanneer de actuele woningbehoefte (rekening houdend met opgeleverde woningen in 2021) wordt afgezet tegen de bestaande harde plancapaciteit blijkt dat er in de gemeente Horst aan de Maas onvoldoende harde plancapaciteit is om in de behoefte te voorzien. Afgezet tegen de harde plancapaciteit is er behoefte aan ruim 900 woningen. Het beeld in de woonregio’s Venlo en Venray is vergelijkbaar. Afgezet tegen de harde plancapaciteit bestaat behoefte aan circa 2.350 extra woningen. In de kern Lottum is een behoefte van circa 35 woningen terwijl dit initiatief maximaal 60 woningen toevoegt.
De lokale ramingen moeten als richtinggevend worden beschouwd, maar zeker niet als blauwdruk. Enerzijds heeft dit te maken met de (methodologische) afnemende betrouwbaarheid wanneer bij prognoses wordt ingezoomd op een steeds lager schaalniveau. Anderzijds versterken prognoses op dit lage schaalniveau zichzelf deels, wanneer ze letterlijk worden aangehouden: de locaties van toekomstige nieuwbouwontwikkelingen binnen de gemeente zijn immers van invloed op de ontwikkeling van het aantal huishoudens per kern. Dit vraagt dus om een eigen visie vanuit de gemeente op de toekomst van de kern Lottum, waarbij de prognoses en vraagraming één van de pijlers kunnen zijn. De ontwikkeling van maximaal 60 woningen past binnen de
Hoofdstuk 3
15
visie van de gemeente op Lottum (woondorp), waar het woningaanbod zich zo levensloopbestendig mogelijk moet kunnen ontwikkelen. De aanzienlijke behoefte in de gemeente Horst aan de Maas wordt onderschreven in het gemeentelijke Masterplan Wonen. Daarin wordt alleen al tot 2025 ingezet op het vergunnen van 1.000 extra woningen.
Kwalitatieve behoefte Het initiatief om gevarieerd woningbouwprogramma te realiseren, met zowel vrijstaande woningen, tweekappers, rijwoningen, evenals levensloopbestendige woningen en specifiek sociale huur, voorziet in een kwalitatieve behoefte. Zeker in de huidige tijd, met aanzienlijk krapte op de woningmarkt, bestaat in beginsel behoefte aan elk woningtype. De exacte aantallen per type woning zijn echter flexibel en afhankelijk van de concrete behoefte én regionale afstemming. Het programma kan daarmee uitstekend worden afgestemd op de behoefte. Door de demografische ontwikkeling is in heel Noord-Limburg nadrukkelijk behoefte aan woningen die geschikt zijn voor ouderen. Daarbij kan gedacht worden aan grondgebonden levensloopbestendige woningen (seniorenwoningen), maar ook aan gestapelde levensloopbestendige woningen (appartementen met lift). Het aantal één- en tweepersoonshuishoudens in de gemeente Horst aan de Maas neemt sterk toe. Hierdoor neemt de behoefte aan kleine woningen toe. Deze behoefte kan op meerdere manier worden ingevuld, onder meer door appartementen, maar ook rijwoningen of kleinschalige tweekappers. De woningbehoefte onder starters is groot. Starters hebben vaak beperkte financiële middelen. De behoefte onder starters varieert van huur- en koopwoningen in het goedkope tot middeldure segment.
Een andere manier om de woningmarkt voor starters toegankelijker te maken is om de doorstroom te bevorderen. Dit betekent het toevoegen van woningen voor ouderen of gezinnen, zodat deze kunnen doorstromen en plek vrijmaken voor starters. De positie van ‘middeninkomens’ op de woningmarkt staat landelijk onder druk, zo ook in Horst aan de Maas. Deze groep is nu veelal aangewezen op de vrije huursector. Om de positie van middeninkomens te verbeteren zijn veel meer betaalbare woningen nodig, zowel huur als koop. Aan deze behoefte kan invulling worden gegeven door de toevoeging van huur en koopwoningen in het middeldure segment. De richtprijs voor huurwoningen bedraagt €763,47 (grens sociale huur) tot circa € 1.000 (in het middeldure segment) en voor koopwoningen maximaal €355.000 (NHG-grens). De richtlijn bij nieuwbouwontwikkelingen in Horst aan de Maas is 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koopwoningen. Ook in Lottum is een actuele vraag naar sociale huur. In 2021 waren er 45 actief woningzoekenden uit Lottum ingeschreven bij de woningcorporaties (actief woningzoekend betekent dat ze minimaal 1x per jaar reageren op een geadverteerde woning). Het initiatief zet in op tenminste 30% sociale huur en sluit daarmee aan op de richtlijn van de gemeente. Verder is het aannemelijk dat de behoefte in Lottum meer gericht is op koop en minder op de vrije sector huur.
De behoefte aan appartementen en/of nultredenwoningen is relatief groot. Op korte termijn is nog altijd sprake van behoefte aan reguliere grondgebonden woningen, zoals rijwoningen, tweekappers en vrijstaande woningen. Te meer omdat dit de doorstroom op de woningmarkt bevordert.
Hoofdstuk 3
16
De behoefte aan levensloopbestendige woningen wordt meermaals benadrukt. Bij nieuwbouw is het van belang om in te zetten op woningen die qua omvang en uitstraling interessant zijn voor starters, maar tegelijkertijd volledig geschikt zijn (of geschikt te maken) voor ouderen
Geen onaanvaardbare leegstandseffecten Het is niet de verwachting dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling onaanvaardbare effecten zullen optreden. De woningbehoefte in de huidige markt is enorm, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin (voor doelgroepen als senioren, starters, middeninkomens, etc.). Doordat het programma vooralsnog flexibel is, kan bovendien uitstekend worden ingespeeld op de actuele behoefte. Gelet op de huidige krapte op de woningmarkt is het reëel om te veronderstellen dat ook na realisatie van het planinitiatief op gemeenteniveau behoefte blijft bestaan voor nieuwe woningen. In de kern Lottum betreft het bovendien de enige woningbouwontwikkeling. Gesitueerd buiten bestaand stedelijk gebied Voor de onderbouwing aan de hand de ladder voor duurzame verstedelijking is het relevant of de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt binnen of buiten het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied ligt net buiten de dorpscontour en heeft in het vigerende bestemmingsplan de bestemming ‘agrarisch met waarden’. Daarmee ligt het plangebied feitelijk buiten bestaand stedelijk gebied en dient gemotiveerd te worden waarom niet binnen bestaand gebied in de behoefte kan worden voorzien. Binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Lottum zijn geen alternatieve locaties waar ruimte is voor de bouw van maximaal 60 woningen.
Wel zijn binnen de kern een aantal plekken die ruimte bieden voor een beperkt aantal woningen, maar daarmee zou onwenselijke verdichting plaatsvinden die ten koste gaat van de leefbaarheid en het dorpse woonmilieu in Lottum. Het plangebied grenst bovendien direct aan het bestaand bebouwde gebied, dat reeds een sterk woonkarakter heeft. Feitelijk breidt de dorpscontour hierdoor iets uit in de westelijke richting. Gelet op de huidige ruimtelijke structuren, bebouwing rondom het plangebied en het ontbreken van alternatieve bouwmogelijkheden binnen de kern Lottum, wordt geconcludeerd dat sprake is van duurzaam ruimtegebruik. Hoewel de planlocatie officieel niet binnen bestaand stedelijk gebied ligt, wordt de locatie deels omringd door bestaande stedelijke functies wat de keuze voor deze locatie toch geschikt maakt. Dit sluit aan bij het beleid van de gemeente Horst aan de Maas om zoveel mogelijk aansluitend op bestaande dorpen te bouwen. De gemeente geeft in haar beleid aan dat mogelijk is indien ruimte binnen de contour ontbreekt. Een belangrijke voorwaarde voor het bouwen buiten de contour is het nemen van kwaliteit verbeterende maatregelen (zoals omgevingskwaliteit, ontsluiting, etc.). 3.2.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a.
Die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;
Hoofdstuk 3
17
b. Ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.
van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten, maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. Afweging De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plicht van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 5.2.7.
3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Provinciale omgevingsvisie 2021 Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg is op 1 oktober 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Daarnaast is reeds een omgevingsverordening vastgesteld op 17 december 2021 om het beleid juridisch te verankeren. Deze wordt verder behandeld onder paragraaf 3.3.3. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 oktober 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht.
Hoofdstuk 3
18
Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het thema dat in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing is betreft het aspect ‘Wonen en leefomgeving’. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend.
Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen.
Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen
Hoofdstuk 3
19
is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Afweging De provinciale Omgevingsvisie is het richtinggevende kader op hoofdlijnen omtrent wonen. Omdat de woonbehoeften snel veranderen, en omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven wat betreft wonen en leefomgeving, zijn er meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s en instrumenten (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.4 en 3.5). Onderhavig plan voorziet in de realisatie van maximaal 60 woningen op gronden die direct grenzen aan de kern Lottum.
Hiermee worden kwalitatief hoogwaardige woningen toegevoegd aan de huidige woningvoorraad (in diverse woningbouwsegmenten), waardoor wordt bijgedragen aan de noodzakelijke transformatie van de woningmarkt. Daarnaast voldoet onderhavig plan aan de ladder voor duurzame verstedelijking (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.2.4.) en is de ontwikkeling in lijn met de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ en het gemeentelijk ‘Masterplan Wonen Horst aan de Maas’. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in de ‘Provinciale omgevingsvisie’. 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De Omgevingsverordening Limburg 2014 is op 12 december 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Het POL2014 is inmiddels vervangen door de POVI, welke is beschreven onder paragraaf 3.3.1. Nu de inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening gelijk is aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 oktober 2022 blijft tot die tijd de huidige Omgevingsverordening 2014 van kracht. In dat kader zal deze ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan tevens worden meegenomen.
Hoofdstuk 2 ‘Ruimte’ In artikel 2.2.2 ‘duurzame verstedelijking’ is ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. In het kader van onderhavig plan is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiertoe heeft in paragraaf 3.2.4 reeds een afweging plaatsgevonden. In artikel 2.4.2 ‘wonen’ is omschreven dat een ruimtelijk plan in de regio Noord-Limburg niet mag voorzien in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen, alsmede
Hoofdstuk 3
20
aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording te bevatten van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. De gemeente Horst aan de Maas heeft een regionale structuurvisie vastgesteld in de vorm van de 'Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg'. In paragraaf 3.4 wordt hier nader op ingegaan. Milieubeschermingsgebieden Het plangebied is volgens de kaarten bij de Omgevingsverordening gelegen binnen de milieubeschermingszone ‘Boringsvrije zone Venloschol’. Het is in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren.
Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. Een gedeelte van de gronden rondom de Siebersbeek is daarnaast conform ‘Kaart 6: Intensieve veehouderijen, glastuinbouwbedrijven en zilvergroene natuurzone’ gelegen binnen het ‘Extensiveringsgebied intensieve veehouderij’. Onderhavig plan voorziet echter niet in de realisatie van intensieve veeteelt. De ligging binnen dit gebied vormt derhalve geen belemmeringen voor onderhavig plan. Het zuidelijk gedeelte van het plangebied is voor een gedeelte binnen de ‘bronsgroene landschapszone’ gelegen. Volgens artikel 2.7.2 dient de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de ‘bronsgroene landschapszone’, een beschrijving te bevatten van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten in de ‘bronsgroene landschapszone’ zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf.
Voor de kernkwaliteiten in de regio Noord-Limburg wordt verwezen naar het Landschapskader Noord- en MiddenLimburg.
Hoofdstuk 3
21
Uitsnede luchtfoto met kadastrale ondergrond en ligging bronsgroene landschapszone
Volgens het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg (kaart 4, Kwaliteitskaart landschap, zie de onderstaande afbeelding) ligt het gedeelte van het plangebied, welke deel uitmaakt van de ‘bronsgroene landschapszone’ hoofdzakelijk binnen het landschapstypen ‘Beekdal’.
Uitsnede kaart 4 ‘Kwaliteitskaart Landschap’ uit het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg (globale aanduiding 'bronsgroene landschapszone' rood omlijnd)
Algemene kenschets Het beekdallandschap omvat die gronden die vanuit het natuurlijk fundament aangeduid worden als beekdal. Binnen deze kenmerkende beekdalen liggen verschillende soorten beken (beken
Hoofdstuk 3
22
met nog een natuurlijke loop, rechtgetrokken beken, aangelegd in moeraszones, in Maasmeanders, etc.). Daarnaast kan per beek een bovenloop, middenloop en een benedenloop onderscheiden worden. Belangrijker echter zijn de overeenkomsten tussen de verschillende beken in Noord- en Midden-Limburg. Dit is de bijzondere structurerende werking, met name binnen de dekzandgebieden tussen de Peel en de Maas. Hier liepen en lopen de belangrijkste beken met hun bijbehorende dalen en afzettingen. Landschapskenmerken Reliëfvorm Water Bodem Wegenpatroon Verkavelingspatroon Landbouwkundig gebruik Beplanting
Bebouwing
Langgerekte laagtes Min of meer centrale bredere waterloop en relatief hoge grondwaterstanden Kleiig materiaal afgezet door de beek Wegen parallel aan het beekdal op de hogere drogere zandgrond Kleinschalig: Onregelmatig of strokenverkaveling loodrecht op de beek Oorspronkelijk: hooiland of weide; tegenwoordig: rundveehouderij Kleine landschapselementen (houtsingels, heggen beekbegeleidende beplanting, knotbomen etc.); bosjes en populieropstanden. Geen of incidenteel bebouwing, wel langs de wegen op de rand van het beekdal op de hogere gronden.
Kernkwaliteiten Natuur Een belangrijke kwaliteit van dit landschapstype wordt gevormd door de doorgaande natte structuur, waardoor de beekdalen voor veel organismen functioneren als ecologische verbindingszone. Daarnaast vormen de vele gradiënten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van oude geulen, maar vooral het hoogteverschil loodrecht op de beek van de lage beek naar de verder weg gelegen hogere gronden, een belangrijke kwaliteit. Met name de beekbegeleidende – veelal – natte gronden zijn bijzonder. Hier treffen we hooilanden, diverse moerastypen en moerasbossen aan. Cultuurhistorie De delen waar weide, oude hooi- en graslanden en geriefhout (hout voor gebruik als brandstof of bouwmateriaal) voorkomen zijn zeer waardevol. Op dit moment komt relatief veel grasland voor. De randen van de beekdalen op de hogere gronden zijn cultuurhistorisch en archeologische zeer waardevol. Deze randen waren de eerste bewoningsplaatsen in het gebied. In het verleden werden de gronden door gecontroleerde bevloeiing vruchtbaar gemaakt. Deze oude bevloeiingssystemen zijn cultuurhistorisch zeer waardevol. De beekdalen spelen vandaag de dag nog steeds een belangrijke rol bij de waterhuishouding van het gebied. Dit zijn dan ook de uitgelezen plekken om de verdrogingsproblematiek (deels) aan te pakken door hier water vast te houden en vertraagd af te voeren.
Hoofdstuk 3
23
Visueel-ruimtelijk De beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap, met name op de zandgronden. Als gevolg van latere egaliseringen, ontwateringen en ontginningen zijn de beekdalen echter in veel gevallen nog nauwelijks herkenbaar. Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een overwegend halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. In het beekdal bevindt zich meestal weinig tot geen bebouwing. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap visueelruimtelijk nog aantrekkelijk en waardevol. Er worden drie typen beekdalen onderscheiden. Het halfopen kamertjes type, het besloten bostype en het open grazige type. Het gedeelte van het plangebied dat deel uitmaakt van de ‘bronsgroene landschapszone’ bestaat in de huidige situatie uit akkerbouwgronden. Ter plaatse van de beoogde woningbouw en infrastructuur zijn geen bijzondere landschapselementen aanwezig. Onderhavig plan heeft geen directe invloed op de Siebersbeek ten zuiden van het plangebied. Deze beek wordt volledig gehandhaafd en zal buiten het plangebied liggen. De kernkwaliteiten binnen het gebied worden door onderhavig plan niet aangetast, omdat aangrenzende gronden die onderdeel uitmaken van het plangebied geen directe bebouwingmogelijkheden bevatten.
De gronden direct grenzend aan de Siebersbeek wordt ingericht als een groen voetpad. De aanwezige knotbomen (vormen een landschapskenmerk voor het Beekdal) en worden over de volledige lengte gehandhaafd. Aangezien er binnen dit gedeelte van het gebied dus geen bebouwing wordt voorzien blijft het open karakter behouden, hetgeen overeenkomt met de visueel-ruimtelijke kernkwaliteiten van het gebied. Binnen paragraaf 5.5 is daarnaast ten aanzien van de ligging binnen de ‘bronsgroene landschapszone’ een nadere afweging gemaakt in relatie tot het aspect gebiedsbescherming’. Afweging Voor het overige is het plangebied niet gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Onderhavig plan is dan ook in overeenstemming met de uitgangspunten uit de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’. 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze Omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen. De inwerkingtreding is voorzien op 1 oktober 2022 wanneer naar verwachting ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden.
Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnor-men voor internationale werknemers.
Hoofdstuk 3
24
Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het besluitgebied binnen het gebied ‘Buitengebied’ en meer specifiek binnen de thema’s detailhandel, kantoren, toerisme, werklocaties, verstedelijking en wonen. Conform artikel 12.1 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevings-plan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende beschrijven: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.
In dit bestemmingsplan is in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12 van de omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Zoals volgt uit de paragraaf ‘Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)’ past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg. Ook is de ontwikkeling in lijn met de Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024 welke wordt behandeld onder paragraaf 3.4. Bovendien wordt met de bouw van de woningen spoedig een aanvang gemaakt, tenminste binnen 5 jaar na de verleende vergunning. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg bestaan kortom geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen. 3.3.4 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op het idee dat bebouwingsontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. De doelstelling is dan ook het combineren van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Limburg. Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld. De verantwoordelijkheid en de uitvoering van het Kwaliteitsmenu wordt in handen van de gemeenten gelegd.
Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour die middels een bestemmingsplanwijziging mogelijk worden gemaakt. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied. Afweging De gemeente Horst aan de Maas heeft het LKM 'doorvertaald' naar eigen beleid door in de Structuurvisie Horst aan de Maas een gemeentelijk kwaliteitsmenu op te nemen. Voor een nadere afweging hieromtrent zie paragraaf 3.5.1.
Hoofdstuk 3
25
3.4 Regionaal beleid In de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen.
Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten: Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; Gekeken dient te worden naar koppelkansen; Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; Zoeken naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheid doelen. Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd: Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.
Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad. In de ‘Regionale Structuurvisie Noord-Limburg (2016)’ gaat het vooral om de kwantiteit, terwijl in de nieuwe Regionale Woonvisie de nadruk meer ligt op de kwaliteit. Er wordt vaak gesproken over een woningtekort en vooral landelijk gaat het hierbij om de aantallen. Uiteraard is dat van belang, maar de te verwachten ontwikkeling van huishoudens (in aantal én in type) geeft aan dat wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de kwaliteit van de woningvoorraad.
Hoofdstuk 3
26
In het rapport van Stec Groep wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van de regio Noord-Limburg. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad. Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn: De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen; Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koop- en ruime, dure koopsegment. Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan. In de onderstaande afbeelding is een totaaloverzicht voor de regio zichtbaar waar een theoretisch tekort en waar een theoretisch overschot in de woningvoorraad ontstaat. Links van de 0 staat het type woning waarvan een overschot is te verwachten en rechts van de 0 staat het type woning waaraan een tekort is. Opgemerkt dient te worden dat de onderstaande theoretische overschotten en tekorten ontstaan wanneer alle doelgroepen hun verhuiswensen kunnen realiseren.