06c Toelichting bpvr Toverland (05-12-25)
Tekst van het document
• Camping (150 eenheden en 110 Camperplaatsen resulteert in verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere dagen). • Camp Resort (175 plaatsen resulteert in verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere dagen). Beperkt kwetsbare objecten • Bedrijfsgebouwen (o.a. technische werkplaatsen, kantoorgebouw etc.). • Loopspookhuis (recreatie minder dan 50 personen met korte verblijfstijd). Geen kwetsbare objecten of functies • Parkeerterreinen (korte verblijfstijd, beperkt aantal gelijktijdig). • Groenstroken en groenvoorzieningen.
4.5.1
Relevante isicobronnen r Onderstaand worden de relevante risicobronnen binnen het plangebied en de omgeving beschreven. Risicovolle inrichtingen Binnen de inrichting van Toverland wordt, zowel in de referentiesituatie, als in de voorziene toekomst, niet gewerkt met hoeveelheden gevaarlijke stoffen die boven de grenswaarden, zoals gesteld in bijlage 1 van de SEVESO -III richtlijn, uitkomen. Toverlandzelf is derhalve geen Brzo -inrichting (Besluit risico's zware ongevallen 2015 ) en zal dit gezien de beoogde activiteiten in de toekomst ook niet worden. In de directe omgeving van het plangebied zijn er evenmin bedrijven die als Brzo -inrichting aangemerkt zijn. Transportassen Toverland ligt in een regio die grofweg omsloten wordt door de transportassen A67 (Basisnet wegvakken; zuidzijde), N277 (Provinciale weg; westzijde) en het spoor Venlo – Eindhoven (Basisnet spoor; noordzijde). Transportroutes over water (Basisnet water) liggen niet in de directe omgeving van het plangebied en zijn in deze dan ook niet relevant om mee te nemen. Uit Signaleringskaart.nl is voor de verschillende transportassen bepaald welke typen gevaarlijk transport en in welke aantallen hierover worden getransporteerd. Het blijkt dat er voor zowel de A67, als de spoorlijn Venlo Eindhoven alleen brandbare gassen z ijn opgenomen, daar deze de maatgevende scenario’s vertegenwoordigen.
Dit wil niet zeggen dat er geen andere transporten plaatsvinden, maar dat voor de veiligheidsberekeningen het 24
M-Tech, Rapportage Externe Veiligheid o.v.v. Kragten BV voor de inrichting van Toverland BV gelegen aan de Toverlaan 2 te Sevenum, TOV.Sev.22.EV Mer -0 2 , 27 september 202 3 .
69
transport van brandbare gassen maatgevend is. In onderstaande tabel zijn de afstanden van de transportassen, de typen transporten en de aantallen opgenomen. Hierbij is tevens aangegeven of deze relevant zijn. Hierbij wordt specifiek aangegeven dat voor de A67 het scenario van brandbare gassen (GF3) het maatgevende scenario is, zoals blijkt uit in zowel de EV Signaleringskaart, als de Regeling Basisnet Bijlage I. Conform het gesteld in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 wordt in de BHV organisatie een incident met een gifwolk vanaf de A67 meegenomen, alsmede zullen er installaties en bouwkundige voorzieningen getroffen worden, zoals bv het stop kunnen zetten van de ventilatie van binn enruimtes en/of het realiseren van redelijk dichte ruimten, indien evacuatie niet (snel genoeg) mogelijk is. Uit gegevens van Rijkswaterstaat blijkt dat over de A67 ook toxische gassen (GT4) worden vervoerd. Dergelijke stoffen hebben een invloedsgebied van meer dan 4.000 m. Het plangebied is gelegen binnen dit invloedsgebied. Daarom is een beperkte verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd 25 (zie bijlage 11 bij deze toelichting) . Transportas
Type transport
Aantal per jaar
Afstand tot plangebied
Spoorlijn VenloEindhoven A67 Venlo – Helden A67 Helden – Liessel N277 Midden Peelweg
Brandbare Gassen (a) Brandbare Gassen (GF3) Brandbare Gassen (GF3) Brandbare Gassen (GF3)
2.150
Ca. 3,3 km
5.247
Ca. 1,8 km
4.832
Ca. 1,8 km
208
Aangrenzend
Relevantie PR Nee (afstand) Nee (afstand) Nee (afstand) Ja
GR Nee (afstand) Nee (afstand) Nee (afstand) Ja
Het plaatsgebonden risico (PR) van de spoorlijn en de A67 zijn niet relevant gezien de afstand tot deze transportassen ruim meer is dan de in paragraaf 2.1 van de Handleiding risicoberekening transport (HART) 26 aangegeven 200 meter. Ook het groepsrisico (GR) is voor de spoorlijn en de A67 niet relevant, daar het invloedsgebied voor de hierover te transporteren brandbare gassen respectievelijk 460 meter (spoor) en 355 meter (weg) bedraagt. Voor het plasbrandaandac htsgebied dient voor het basisnet rekening gehouden te worden met een strook van 30 meter aan beide zijden van de transportroute, gerekend vanaf het buitenste baanvak. Voor de A67 en de spoorlijn is het p lasbrandaandachtsgebied niet relevant. Het plangebie d ligt ruim buiten de invloedgebieden van deze transportassen. De N277 – Midden Peelweg is niet als zodanig in het basisnet wegtransport opgenomen. Deze transportroute wordt echter wel relevant geacht, gezien het verzorgingsgebied. Het aantal transporten brandbare gassen over het baanvak Venlo – Helden (5.247) is bedu idend groter dan het aantal transporten brandbare gassen over het vervolgbaanstuk Helden – Liessel (4.832). Deze transporten zullen bij de afslag Helden de A67 verlaten en over de provinciale wegen verder gaan.
Het gaat hierbij om 415 transporten (5.247 – 4.832), waarbij ervan wordt uitgegaan dat deze transporten gelijkwaardig verdeeld worden in noordelijke en zuidelijke richting. Dit betekent dat circa 208 transporten brandbare gassen via de Midden Peelweg in Noordelijke richting langs het plangebied zullen passeren. Ten aanzien van het plasbrandaandachtsgebied ligt er tussen het buitenste baanvak van de N277 en de perceelgrens van het plangebied een fietspad en een groenstrook. De afstand tussen het buitenste baanvak van de N277 en de perceelsgrens is hierdoor circa 10 meter. Dit betekent dat de eerste 20 meter van het perceel vanaf de wegzijde gerekend , binnen het plasbrandaandachtsgebied valt. Voor de N277 dient zowel het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, als het plasbrandaandachtsgebied meegewogen te worden. Aangezien over de N277 alleen gerekend is met transporten van brandbare gassen in relevante aantallen is het mogelijk om met aanvullende maatregelen het effect van mogelijke calamiteiten te verminderen. Een (gedeeltelijke) afscherming door bijvoorbeeld een keerwand, of aarden wal tussen de N277 en het plangebied, kan het effect van een brand op de N277 als gevolg van een calamiteit verlagen. In ieder geval voor die 25 26
Kragten, ‘Verantwoording A 67 t.o.v. Toverland’, 29 maart 2025. Handleiding risicoberekening transport – HART versie 1.2 d .d. 11 -01 -2017 .
70
activiteiten die lager zijn dan de eventueel geprojecteerde keerwand, of wal. Een aarden wal van 3 meter hoogte heeft slechts een beperkt verlagend effect op bebouwing van 15 meter hoogte direct achter de wal. Daarnaast dient er rekening gehouden te worden met het plasbrandaandachtsgebied (PAG) dat circa 20 meter vanaf de perceelgrens tot in het plangebied loopt langs de N277. Bij het projecteren van bouwwerken in deze strook dient in samenhang met de mogelijkheden ter bestrijding van een plasbrand en de bouwtechnische maatregelen beargumenteerd te worden waarom bouwwerken hier mogelijk zijn. Het gebruik van deze strook als parkeergelegenheid, of aarden wal ter bescherming / inperking van het aandachtsgebied behoort tot de mogelijkheden. Buisleidingen In het plangebied liggen 4 hogedruk aardgasleidingen die vallen onder het beheer van de Gasunie. Van deze leidingen is één leiding (7944_leiding -A-520 -23 -deel-1) niet relevant voor de externe veiligheidssituatie. Deze aardgasleiding is verder buiten beschouwing gelaten, mede omdat deze ook niet op de EV Signaleringskaart zichtbaar is. Een formele ontheffing van buiten gebruik stelling zal via de Gasunie worden opgevraagd en later worden bijgevoegd. Daarnaast is binnen het plangebied een reserveringsstrook voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen opgenomen vanuit de Structuurvisie buisleidingen 2012 -2035.
Dit om ook in de toekomst een ongehinderde doorgang van buisleidingtransport van nationaal belang mogelijk te maken. Het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen wordt namelijk landelijk gezien als een veiligere modaliteit dan vervoer over land. Gemeenten dienen deze reserveringszone in hun bestemmingsplannen over te nemen. De buisleidingenstrook heeft een breedte van 70 meter met een belemmeringenstrook van 5 meter aan beide zijden. Dit betekent een bouwverbod van 80 meter breed. Uit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) volgt dat de risicozonering m et betrekking tothet plaatsgebonden risico (PR) de randen van de belemmeringenstrook niet mag overschrijden, dus op grond van het Bevb moeten nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen buiten de belemmeringenstrook worden gebouwd. Exploitanten van de buisleidingen dienen er voor zorg te dragen dat het plaatsgebonden risico (PR) tijdens het gebruik van de buisleiding en niet buiten de buisleidingenstrook mag komen. Zij kunnen dit doen door het eventueel nemen van mitigerende maatregelen. Er is derhalve geen plaatsgebonden risico te berekenen voor de reserveringsstrook, maar deze dient binnen de reserveringsstrook te blijven. Het invloedsgebied voor het groepsrisico is veel groter dan de plaatsgebonden risicocontour die hoort bij een kans op overlijden van 1 op de miljoen per jaar.
Dit invloedsgebied strekt zich uit tot ver buiten de leidingstrook. Het invloedsgebied voor het g roepsrisico valt dus niet binnen de leidingstrook van 70 meter, zoals bij het plaatsgebonden risico voor nieuwe leidingen voor die stoffen mogelijk is, zoals bij brandbare vloeistoffen en aardgas. Uitgangspunt is dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen het groepsrisico in het algemeen zo laag mogelijk is. Op dit moment is niet bekend welke stoffen in de toekomst door buisleidingen worden vervoerd. Dit betekent dat grote groepen bezoekers en verblijfslocaties bij voorkeur op afstand van de reserveringsstrook worden geprojecteerd om de effecten binnen het invloedsgebied te beperken. Delta Rhine Corridor ( DRC ) De Delta Rhine Corridor (DRC) is een initiatief voor de ontwikkeling van een bundel van ondergrondse buisleidingen en kabels in een strook die globaal loopt van Rotterdam via Moerdijk naar Zuid -Limburg en Duitsland. Initieel was het plan om door deze leidi ngen waterstof, koolstofdioxide, propeen, lpg, ammoniak en aardgas te transporteren. In september 2023 is aangekondigd dit af te schalen naar drie leidingen, voor waterstof (H2 ), koolstofdioxide (CO 2 ) en ammoniak (NH 3 ).
In december 2024, nadat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, is in aanvulling hierop besloten dat er vooralsnog ook geen ammoniak vervoerd zal gaan worden in de buisleidingen van de DRC en de focus voor de korte termijn (verwachte realisatieperiode 2032 -2033) ligt op het rea liseren van waterstof en koolstofdioxide om de klimaatdoelen tijdig te behalen (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/12/05/scope -en-vervolg-delta-rhine-corridor).
71
De koolstofdioxide leiding is voorzien in de reserveringszone uit de Structuurvisie Buisleidingen (SVB), en voor de waterstofleiding wordt (in de DRC -Oost vanaf Boxtel verder oostwaarts) gebruik gemaakt van bestaande aardgastransportleidingen van de Gasuni e. Op basis hiervan is een nieuwe berekening uitgevoerd naar de mogelijke effecten als gevolg van de ontwikkeling van Toverland in relatie tot het toekomstig transport van waterstof en koolstofdioxide in de DRC.27 Deze rapportage is als bijlage 12 aan voorliggende bestemmingsplan toegevoegd en onderstaand samengevat . Plaatsgebonden risicocontour (PR) Voor het PR is als uitgangspunt genomen dat de 10 -6 contour binnen de reserveringsstrook ligt en blijft liggen en bij de bestaande gasleiding binnen de dubbelbestemming uit het huidige bestemmingsplan blijft liggen. Binnen deze zones zijn kwetsbare gebouwen en terreinen niet toegestaan. Daarmee wordt volda an aan de vereisten van het Bevb. Groepsrisico Koolstofdioxideleiding Voor de koolstofdioxide-leiding zou een geheel nieuwe buisleiding worden gerealiseerd in de reserveringsstrook van de SVB. Dit initiatief bevindt zich thans nog in een verkenningsfase en voor de uitwerking hiervan wordt een separate mer-procedure opgestart. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de geldende planologische kaders, waaronder voorliggend bestemmingsplan .
Op basis van kentallen van andere leidingen elders is een globale berekening uitgevoerd naar de effecten in relatie tot Toverland. Uit de berekeningen volgt dat alle modellen leiden tot een toename van het groepsrisico ten opzichte van de referentiesituatie. Omdat bij realisatie van (beperkt) kwetsbare functies ter plaatse van de leidingstrook/reserveringsstrook sprake is van een overschrijding van de oriëntatie waarde, is in het bestemmingsplan verbrede reikwijdte een regeling opgenomen om deze functies ter p laatse van de leidingstrook/reserveringsstrook uit te sluiten. Door deze beperking van het gebruik van de gronden zijn voor het gehele tracé van de reserveringsstrook binnen het plangebied (beperkt) kwetsbare functies uitgesloten. Groepsrisico Waterstofleiding Hynetwork Services (een 100% dochteronderneming van Gasunie) heeft voor waterstof -transport aangegeven dat het uitgangspunt is dat er geen nieuwe leiding wordt aangelegd, maar dat een van de bestaande gasleidingen A665 of A520 wordt omgebouwd (ter plaatse van Toverland en omgeving). De bestaande leidingen liggen deels binnen de begrenzing van de SVB -strook, parallel aan de Schorfvenweg. Evenals voor de koolstofdioxide -leiding geldt ook voor de waterstofleiding dat dit initiatief zich thans nog in de verkenningsfase bevindt. Voor de uitwerking hiervan wordt een separate m.e.r. -procedure opgestart.
Een concrete en gedetailleerde berekening en verantwoording van het groepsrisico van een toekomstige waterstof -leiding kan pas plaatsvinden als er een concreet initiatief beschikbaar is. Voor beide leidingen is een aparte berekening uitgevoerd gebaseerd op kentallen van bestaande waterstofleidingen op andere locaties. Omdat bij realisatie van (beperkt) kwetsbare functies ter plaatse van de leidingstrook sprake is van een overschrijding van de oriëntatie waarde, is in het bestemmingsplan verbrede reikwijdte een regeling opgenomen om deze (beperkt) kwetsbare functies ter plaatse van de leidingstrook uit te sluiten. Daarnaast is in het onderzoek externe veiligheid een verantwoording van het groepsrisico opgenomen.
4.5.2
Randvoorwaarden voor toekomstige ontwikkelingen Voor de toekomstige ontwikkelingen zijn een aantal randvoorwaarden geformuleerd die in ogenschouw genomen kunnen worden om de effecten van de risico’s zo laag mogelijk te houden, of te reduceren. De keuze van de eventueel toe te passen maatregelen en welk effecten deze hebben op het resterende risico, dient uitgebreid verantwoord en gedocumenteerd te worden.
27
Kragten, Risicoberekeningen potentiële buisleidingen in DRC t.b.v. BP{VR Toverland, 20250910 risicoberekening DRC v 2.0, 10 september 2025.
-TOV001 -NOT -EV
72
Mogelijke maatregelen om het GR te beperken die hierbij bekeken kunnen worden zijn: • Aarden wal, of keermuur komt in het plangebied en bedraagt minimaal 3 meter hoogte voor het verkleinen van (de effecten) van het plasbrandaandachtsgebied ; • Binnen het (verkleinde) invloedgebied geen camping / camperplaatsen, alleen verblijfsgebouwen met aanvullende brandveilige maatregelen; • Binnen de reserveringsstrook buisleidingen (70 meter) geen permanent verblijf en/of attracties; • Verblijfslocaties (en andere bebouwing) op minimaal 80 meter van N277 ; • Camping / Camperplaatsen / Tenten alleen in noordelijke uitbreidingsstrook projecteren; • Verleggen reserveringsstrookbuisleidingen, tracé buiten plangebied houden of in zuidwestelijk hoek, dan is er meer ruimte voor uitbreidingsopties; • Buisleidingen dieper laten leggen, met meer dekgrond. Veelal zal een combinatie van één of meerdere van bovenstaande randvoorwaarden/maatregelen noodzakelijk zijn om de risico’s tot een acceptabel niveau te reduceren.
4.5.3
Vertaling maatregelen in bestemmingsplan Naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek naar externe veiligheidsaspecten zijn in de regels , op de verbeelding en de bovenbeschreven randvoorwaarden (paragraaf: 4.5.2) de volgende regelingen opgenomen: Veiligheidszone - gasleidingen Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - gasleidingen', zijn (beperkt) kwetsbare objecten in principe niet toegestaan. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning hiervan afwijken, mits, al dan niet in combinatie met het nemen van mitigerende maatregelen ter beperking van het groepsrisico, een verantwoording plaatsvindt van het groepsrisico. Het bevoegd gezag wint hierover advies in bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord en de leidingbeheer der(s). Veiligheidszone - leidingstrook Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone toegestaan.
- leidingstrook', zijn (beperkt) kwetsbare objecten in niet
Bouwregels In zowel de bestemming ‘Groen’ als ‘Cultuur en ontspanning’ is in de bouwregels opgenomen dat voorzieningen in de vorm van bouwwerken of bijvoorbeeld een grondwal zijn toegestaan ter beperking van het groepsrisico .
4.5.4
Advies veiligheidsregio Door de Veiligheidsregio Limburg -Noord is advies uitgebracht in relatie tot het voorliggende bestemmingsplan. Het advies is samengevat weergegeven in de nota vooroverleg die als bijlage in deze toelichting is opgenomen .
4.5.5
Conclusie Bij de uitvoering van het plan dient rekening te worden gehouden met de eisen die vanuit veiligheid gelden . Voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan levert het thema externe veiligheid geen belemmering op .
4.6
Niet gesprongen explosieven In het kader van de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied, is een onderzoek 28 naar ontplofbare oorlogsresten (OO ) uitgevoerd. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage die is opgenomen in bijlage 13 van deze toelichting . Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er geen directe aanwijzingen zijn voor het mogelijk aantreffen van ontplofbare oorlogsresten binnen het plangebied . Geadviseerd wordt daarom om werkzaamheden regulier
28
REASeuro, Historisch Vooronderzoek Niet Gesprongen Explosieven Sevenum Toverland, rapportnummer RO -210191 versie 2 .0 , 7 april 202 2 .
73
doorgang te laten vinden zonder verdere maatregelen. Mochten echter tijdens werkzaamheden spontaan ontplofbare oorlogsresten aangetroffen worden, dan dienen onderstaande acties te worden ondernomen: • Het werk ter plaatse van de vindplaats dient te worden stilgelegd. • De werklocatie, in ieder geval rondom de ontplofbare oorlogsresten, dient te worden afgezet. Het aanwezige personeel dient op de hoogte te worden gebracht van de vondst en geïnstrueerd te worden uit de buurt te blijven. • Er dient contact te worden opgenomen met de politie (0900 -8844). De vondst dient gemeld te worden aan de politie. De politie neemt vervolgens contact op met de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD). • Als de EOD op locatie is, wordt een afspraak gemaakt voor de vernietiging. De EOD maakt deze afspraak met de gemeente, of de politie namens de gemeente. • De EOD geeft aan de gemeente, of de politie namens de gemeente, advies over de in acht te nemen veiligheidsmaatregelen. • Indien de te nemen veiligheidsmaatregelen dit toelaten, kan de gemeente aan de EOD advies vragen over de mogelijkheden tot doorwerken op de betreffende locatie, dan wel elders in de nabijheid van het werk en de daarbij in acht te nemen veiligheidsmaatregelen totdat de ontplofbare oorlogsresten worden geruimd. • De ontplofbare oorlogsresten worden geruimd.
Indien ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen binnen het werkgebied, is dit nieuwe feitelijke informatie. Als deze situatie zich voordoet, moet in overleg met een ter zake deskundige worden vastgesteld of sprake is van een incident of dat er aanleiding is de werkwijze aan te passen . Conclusie Vanuit het aspect ontplofbare oorlogsresten bestaan er geen belemmeringen voor het plan.
4.7
Geurhinder (agrarisch) Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (ggo), zoals bijvoorbeeld een woning. In de Wet geurhinder en veehouderij gelden verschillende normen, afhankelijk of d e locatie al dan niet is gelegen in een concentratiegebied of binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij beschermt geurgevoelige objecten tot een maximaal toegestaan niveau (norm) van geurbelasting. In de Wet geurhinder en veehouderij wordt onderscheid gemaakt in twee soorten dieren: • Dieren waarvoor een geuremissiefactor (uitgedrukt in odour units per seconde) is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Met behulp van deze geuremissiefactor kan de geurbelasting op een ‘geurgevoelig object’ (ggo) worden berekend en worde n getoetst aan de geurnorm. Deze dieren noemen we verder odour unit-dieren, afgekort als OU -dieren. • Dieren waarvoor géén geuremissiefactor is bepaald. Voor deze dieren geldt een minimaal te respecteren afstand (‘vaste afstand’) tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van een ‘geurgevoelig object’ (ggo). Deze dieren noemen we verder vaste afstand dieren, afgekort als VA dieren.
Normering gemeente Horst aan de Maas De gemeente Horst aan de Maas ligt in een concentratiegebied zoals bedoeld in de Meststoffenwet. De gemeente heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wet geurhinder en veehouderij biedt om, binnen bandbreedtes, af te wijken van de wettelijke normen. De gemeente Horst aan de Maas heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wet geurhinder en veehouderij biedt om, binnen bandbreedtes, af te wijken van de wettelijke normen. Voor het gehele gemeentelijk
74
grondgebied geldt de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2024 gemeente Horst aan de Maas’ en de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas’. Verordening geurhinder en veehouderij 2024 Horst aan de Maas In de verordening (geldend vanaf 07 -11 -2024) zijn 4 gebieden aangewezen met elk een specifieke maximale waarde voor de geurbelasting. Uit de bij de geurverordening behorende kaart ‘Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij Horst aan de Maas’ blijkt dat he t plangebied is gelegen in gebied “Overige bedrijventerreinen en buitengebied”. Conform artikel 4 van de genoemde geurverordening gelden voor reguliere geurgevoelige objecten binnen dit gebied de volgende waarden: • De maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object bedraagt 7 OU E/m 3 98 percentiel. Voor VA-dieren gelden minimaal aan te houden vaste afstanden. Conform de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand tussen het emissiepunt van het dierenverblijf voor het huisvesten van VA-dieren en de buitenzijde van een regulier geurgevoelig objec t minimaal: • 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen; • 100 meter indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen. In onderhavige situatie is het bestemmingsplan buiten de bebouwde kom gelegen en bedraagt de vaste afstand derhalve 50 meter.
Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas In de beleidsregel (geldend vanaf 07 -11 -2024) is een beoordelingskader opgenomen voor de beoordeling of er sprake is van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat ten gevolge van de cumulatieve geurbelasting (achtergrondgeurbelasting) van veehouderijen met landbouwdieren met een geuremissiefactor (OU -dieren). In artikel 4 van de genoemde beleidsregel is voor het deelgebied ‘Overige bedrijfsterreinen en buitengebied’ een beoordelingskader opgenomen voor de afweging van de achtergrondgeurbelasting. Er is sprake van een voldoende woon - en leefklimaat als de achter grondgeurbelasting <20 OU E en onvoldoende als deze >20 OU E bedraagt. Onderzoek Ten behoeve van de besluitvorming over dit bestemmingsplan is een agrarisch geuronderzoek 29 uitgevoerd op basis waarvan inzichtelijk is gemaakt of veehouderijen door de voorgenomen ontwikkeling niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 14 van deze toelichting. Hierin is tevens inzichtelijk gemaakt of binnen het plangebied sprake is van een acceptabel woon - en leefklimaat. Hierbij is gekeken naar zowel de achtergrond - als de voorgrondgeurbelasting. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport.
Beoordeling vergunde rechten De planontwikkeling maakt geen inbreuk op de milieurechten en planologische rechten van de omliggende veehouderijen. Voorgrondbelasting Uit het onderzoek blijkt dat de voorgrondbelasting als gevolg van de relevante veehouderijen aan de Helenaveenseweg 23 , de Kronenbergweg 17 en de Patersstraat 26, respectievelijk 0,7 OU E/m 3 (milieukwaliteit zeer goed), 0,4 OU E/m 3 (milieukwaliteit zeer goed) en 2,8 OU E/m 3 (milieukwaliteitgoed) b edraagt. Beoordeling woon - en leefklimaat De achtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 2, 3 ouE/m 3 ter plaatse van de rand van het plangebied. Dit komt overeen met de milieukwaliteit “zeer goed”. Overeenkomstig de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas’ (zie paragraaf 3.2) bedraagt de berekende achtergrondgeurbelasting van 29
Kragten, Toverland, agrarisch geuronderzoek, rapportnummer 202 51016 -TOV001 -RAP-AGG 4 .0 , 16 oktober 2025 .
75
2,3 OU E/m 3 ruimschoots minder dan de bovengrens van 20 OU E/m 3 die in de beleidsregel is opgenomen voor de beoordeling van een voldoende woon - en leefklimaat. De hoogste berekende voorgrondgeurbelasting bedraagt 2,8 OU E/m 3 ter plaatse van de rand van het plangebied. Dit komt overeen met de milieukwaliteit “goed”. Conform de vuistregel ‘dat de voorgrondgeurbelasting maatgevend is indien die ten minste de helft bedraagt van de achtergrondgeurbelasting ’ is in dit geval voor de beoordeling van het woon - en leefklimaat de voorgrondgeurbelasting maatgevend. Het is aan het bevoegd gezag om het woon - en leefklimaat in onderhavige situatie af te wegen.
Afbeelding 4 .5 Geurcontouren achtergrondgeurbelasting op de grens van het plangebied. Conclusie Vanuit het aspect geurhinder in relatie tot veehouderijen bestaan er geen belemmeringen.
4.8
Kabels en leidingen Zoals in paragraaf 4.5.1 is aangegeven, loopt d oor het plangebied een drietal in gebruik zijnde hogedruk aardgastransportleidingen van de Gasunie. De exacte ligging van de leidingen is weergegeven op de navolgende afbeelding.
76
Afbeelding 4 .6 Ligging van de ondergrondse aardgastransportleidingen , geprojecteerd op een luchtfoto. Aan de aardgastransportleidingen is in de vigerende bestemmingsplannen een juridisch-planologische beschermingszone toegekend. De totale breedte van de gezamenlijke beschermingszone van de drie leidingen bedraagt circa 24 meter. Deze beschermingszone is in het voorliggende bestemmingsplan, overeenkomstig de vigerende bestemmingsplannen, voorzien van de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ , waarmee de belangen hiervan in voldoende mate geborgd zijn . Voor het aspect externe veiligheid als gevolg van de gasleiding wordt verwezen naar pa ragraaf 4.5 ‘Externe veiligheid’. Voor eventuele werkzaamheden binnen de beschermingszone geldt dat hierover te allen tijde overleg met de leidingbeheerder, in dit geval Gasunie, noodzakelijk is. Verder loopt door het plangebied een leidingenstrook die is opgenomen in het Barro /Rarro en de Structuurvisie buisleidingen. Het betreft feitelijk een reserveringsruimte voor de buisleidingen. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 3.1.3 . Deze strook is in dit bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming ‘Leiding – Leidingstrook’, waarmee de belangen van de reserveringsruimte in voldoende mate geborgd zijn.
Voor het overige zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen kabels of leidingen gelegen die dienen te worden voorzien van een juridisch -planologische beschermingszone. Vanuit dit kader bestaan er geen belemmeringen.
4.9
Lichtuitstraling In tegenstelling tot veel andere milieuaspecten zoals geluid of luchtkwaliteit, bestaat er geen wettelijke norm voor lichthinder naar de omgeving. Bovendien is hinderbeleving een subjectief begrip dat door iedereen anders wordt ervaren. In zowel het Activi teitenbesluitmilieubeheer als in de Omgevingswet wordt verwezen naar de Richtlijn
77
Lichthinder van de NSVV, de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde. In deze richtlijn worden vier vormen van lichthinder benoemd: 1) hinder voor omwonenden; 2) hinder voor weggebruikers en bestuurders van transportmiddelen; 3) hinder voor astronomen en natuurliefhebbers; en 4) hinder voor flora- en fauna. Om de te verwachten effecten van de voorgenomen activiteiten van Toverland op het gebied van lichthinder inzichtelijk te maken, is een onderzoek naar lichthinder 30 uitgevoerd. Deze is toegevoegd in bijlage 15 van deze toelichting. Onderstaand wordt kort ingegaan op de bevindingen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Uit het onderzoek blijkt dat in de diverse varianten van het planvoornemen die in het kader van het onderzoek in beeld zijn gebracht, de lichtuitstraling van het meest kritische drempelniveau van 0,1 lux 31 (worstcasebenadering), op een groot aantal punten langs de rand van het plangebied niet wordt overschreden. Bij een maximale verlichting van Toverland, straalt het op de meeste locaties niet verder uit dan de grens van het attractiepark en wordt voldaan aan de norm van 0,1 lux. Gezien de ruime opzet van de rekenmethode is het aannemelijk dat op de locaties waar wel een overschrijding van deze richtlijn is gemeten, deze overschrijding voorkomen kan worden door (alternatief) lichtontwerp.
Enkel indien zeer hoge attracties (die nu p lanologisch ook al zijn toegestaan, maar niet zijn gerealiseerd) worden gerealiseerd en deze worden voorzien van verlichting, kan een grotere uitstraling optreden. Indien attracties en bebouwing met lichtbronnen hoger dan in de bestaande feitelijke situati e worden gerealiseerd, dient een aanvullende lichtberekening te worden uitgevoerd om aan te tonen dat de uitstraling leidt tot bovenstaande normoverschrijding. Conclusie Op basis van de beschreven uitgangspunten, bestaan er vanuit het aspect lichthinder geen directe belemmeringen. Volledigheidshalve is in de regels een bepaling opgenomen met betrekking tot lichthinder, waarmee wordt geborgd dat buiten het plangebied als gevolg van Attractiepark Toverland geen sprake is van onevenredige lichthinder.
4.10
Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 eisen ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen (ook 'Wet luchtkwaliteit' genoemd). Daarnaast zijn de volgende besluiten en regelingen van toepassing: • Besluit gevoelige bestemmingen; • Besluit 'Niet in betekenende mate' (NIBM); • Regeling 'Niet in betekenende mate' (NIBM). Deze wet - en regelgeving omvat maatregelen om aan de ene kant de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en aan de andere kant te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. Hiervoor zijn onder meer grenswaarden opgenomen v oor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM 2,5 ) en stikstofdioxide (NO 2 ) de belangrijkste stoffen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd . Een project wordt toelaatbaar geacht als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; 30
Arjen van der Cruijsen Lichtontwerp, Lichtonderzoek Toverland, bestemmingsplan verbrede reikwijdte. Effecten van licht op de omgeving gemeten en gemodelleerd , 28 oktober 2021 . 31 1 lux is de lichtsterkte van één kaars op 1 meter afstand.
78
•
Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is een luchtkwaliteitsonderzoek 32 uitgevoerd (zie bijlage 16 bij deze toelichting) . Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. Doel van het onderzoek is het inzichtelijk maken van de stikstofdioxide -immissie en de fijn stof immissie als gevolg van de activiteiten die binnen en nabij de inrichting kunnen plaatsvinden en het toetsen van deze immissieconcentraties aan de geldende nor mstelling conform de Wet milieubeheer. Van de in de Wet milieubeheer genoemde stoffen zijn de stoffen stikstofdioxide en fijn stof het meest kritisch. Indien deze stoffen voldoen aan de daarvoor geldende grenswaarden, leiden de overige stoffen evenmin tot overschrijdingen van de normstelling van de grenswaarden , zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. De emissies vanwege de activiteiten die binnen de gehele inrichting kunnen worden ontwikkeld zijn berekend aan de hand van emissiefactoren uit de literatuur. Het onderzoek is uitgevoerd conform de van toepassing zijnde regels, zoals die volgen uit de Wet milieubeheer. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat in alle immissiepunten ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden , zoals deze gelden overeenkomstig de Wet milieubeheer.
Dit geldt voor zowel de jaargemiddelde concentraties als het aantal overschrijdingen van de (24 -/8 -)uurgemiddelde concentratie. Voorgaande betekent dat de consequenties op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering vormen voor het plan. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen.
4.11
Milieuzonering
4.11.1
Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven/inrichtingen) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gereali seerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieu we gevoelige functies. VNG -brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ Om te bepalen of tussen de activiteiten van Toverland en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG -publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze brochure zijn richtafstandenlijsten opgenomen, waarin voor diverse activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) richtafstanden zijn aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.
Hierbij d ient te worden opgemerkt dat gemotiveerd kan worden afgeweken van deze richtafstanden, indien bijvoorbeeld kan worden aangetoond dat de feitelijk te verwachten milieubelasting afwijkt van de richtafstand. Voor de beoordeling van een goede inpassing wordt onderscheid gemaakt in twee omgevingstypes. De twee omgeving stypes die de VNG hanteert, zijn enerzijds ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’ en anderzijds ‘gemengd gebied’. Voor beide omgevingstypen gelden verschillende richtafstanden. De te onderscheiden omgevingstypen worden onderstaand nader getypeerd. 32
Kragten, Luchtkwaliteitsonderzoek – BP, rapportnummer 20250501 -TOV001 -RAP-BP-LKO 1. 5 , 1 mei 2025
79
•
Rustige woonwijk en een rustig buitengebied “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stilte gebied of een natuurgebied.”
•
Gemengd gebied “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.”
Het omgevingstype wordt bepaald door de omgeving waarin de planrealisatie plaatsvindt en niet door het plan zelf. Het vertrekpunt vormt in algemene zin de afstand behorend bij een rustige woonwijk en een rustig buitengebied. De richtafstanden die hierbij behoren, kunnen echter met één stap worden verkleind indien er sprake is van een gemengd gebied. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden opgenomen , zoals deze in de VNG publicatie worden geadviseerd. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
Richtafstand (in meters) rustige woonwijk / buitengebied 10 30 50 100 200 300
Richtafstand (in meters) gemengd gebied 0 10 30 50 100 200
De richtafstanden gelden voor verschillende aspecten die tot milieuhinder kunnen leiden. Daarbij is de grootste afstand behorend bij één van de milieuaspecten; geur, stof, geluid en gevaar, bepalend voor de te hanteren richtafstand. Met het respecteren van de grootste afstand behorend bij een bepaalde bedrijfscategorie, wordt zo veel mogelijk hinder bij omwonenden voorkomen en wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun bedrijfsactiviteiten op de betreffende locatie kunnen uitoefenen.
4.11.2
Onderzoek bedrijven en milieuzonering In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is een onderzoek 33 ‘bedrijven en milieuzonering’ uitgevoerd. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport (zie bijlage 17 van voorliggende toelichting) . Voor wat betreft de gebiedstypering geldt dat het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Gelet op de omgeving van het plangebied wordt uitgegaan van het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. Door van dit omgevingstype uit te gaan wordt de worstcasesituatie beschouwd , waarbij de hoogste bescherming voor omwonenden geldt. Zowel voor de huidige situatie, de referentiesituatie als voor de worstcase toekomstige situatie , zijn de richtafstanden vanaf het plangebied in het onderzoek inzichtelijk gemaakt. Uit deze beoordeling volgt dat zowel in de huidige situatie als in de referentiesituatie de richtafstanden van Attractiepark Toverland niet reiken tot aan de aanwezige woningen en overige gevoelige bestemmingen in de omgeving van het attractiepark. In de worstcase toekomstige situatie, waarbij alle gronden binnen het plangebied als milieucategorie 4.2 (met een 33
Kragten, Toverland, Bedrijven en milieuzonering, rapportnummer 20220304 -TOV001 -RAP-BMZ 1.0 , 4 maart 2022.
80
richtafstand van 300 meter tot milieugevoelige functies) zijn aangeduid, ligt één woonperceel binnen de richtafstand. Echter, aan deze zijde van het plangebied is een strook ‘resterend’ gereserveerd in de ontwikkelalternatieven (zie paragraaf 2.3.2 ). Indien aan deze strook ‘resterend’ geen bestemming wordt gekoppeld, liggen alle milieugevoelige bestemmingen buiten de richtafstanden van attractiepark Toverland. Volledigheidshalve dient aanvullend op de resultaten vanuit het onderzoek ‘bedrijven en milieuzonering’ te worden opgemerkt dat het aspect geluid het maatgevende aspect is bij een attractiepark en de daarvoor gehanteerde richtafstand tot milieugevoelige functies. Voor de overige aspecten (gevaar, stof en geur), reikt de richtafstand niet tot aan omliggende milieugevoelige functies. Het aspect geluid wordt in paragraaf 4.11.3 nader beschreven. Aangezien in de regels van het bestemmingsplan normen zijn opgenomen voor de maximaal toegestane geluidbelasting als gevolg van Toverland op geluidgevoelige objecten , bestaan er vanuit dit kader geen belemmeringen, hetgeen tevens betekent dat er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen zijn om aan de strook ‘resterend’ de bestemming ‘Cultuur en ontspanning’ met bijbehorende gebruiksmogelijkheden toe te kennen. Ook vanuit de omgeving van het plangebied zijn
er geen richtafstanden die tot over het plangebied reiken.
Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering is er op grond van het voorgaande geen aanleiding om in het toetsingskader en het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte aanvullende maatregelen of randvoorwaarden op te nemen.
4.11.3
Akoestisch onderzoek industrielawaai Naast het onderzoek ‘bedrijven en milieuzonering’ zoals beschreven in de voorgaande paragraaf, is een akoestisch onderzoek 34 uitgevoerd met als doel het inzichtelijk maken van de geluidimmissie (langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus als gevolg van Attractiepark Toverland en het inzichtelijk maken van de geluidimmissie vanwege het verkeer van en naar Toverland. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage die is toegevoegd in bijlage 18 van deze toelichting . Algemeen De VNG -publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ bevat informatie over ruimtelijk relevante milieuaspecten van diverse bedrijfsactiviteiten. Deze publicatie is op basis van vaste jurisprudentie een goed vertrekpunt voor de beoordeling of er sprake is van ee n goed woon - en leefklimaat. Voor het plangebied is, analoog aan de uitgevoerde toets ‘bedrijven en milieuzonering’ (zie paragraaf 4.11.2 ), uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ als worstcasescenario.
Voor dit type gelden vanuit het aspect akoestiek de volgende streefwaarden: • 4 5 dB(A) etmaalwaarde 35 langtijdgemiddelde beoordelingsniveau • 65 dB(A) etmaalwaarde maximaal (piekgeluiden) • 50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van verkeersaantrekkende werking Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L Ar,LT) Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de gevels van de omliggende woningen ten hoogste 44 dB(A) bedraagt. Ter plaatse van het merendeel van de woningen bedraagt de geluidbelasting echter relevant minder dan 44 dB(A). De streefwaarden voor een rustige woonwijk en rustig buitengebied worden hiermee gerespecteerd. Dit betekent dat ter plaatse van woningen een aanvaardbaar akoestisch leefklimaat wordt gegarandeerd, ongeacht de te realiseren toekomstvariant.
34
Kragten, Akoestisch onderzoek, rapportnummer2023 1107 -TOV001 -AO MER -BP7 .0, 3 december 2025. Etmaalwaarde: de hoogste van de volgende drie waarden: geluidimmissie dagperiode, geluidimmissie avondperiode + 5 dB, geluidimmissie nachtperiode + 10 dB . 35
81
Maximaal geluidniveau (L Amax ) Uit het onderzoek blijkt dat het maximaal geluidniveau (L Amax ) (piekgeluid) ter plaatse van de beoordelingspunten ten hoogste 65 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. De geluidnormering vanuit de brochure ‘bedrijven en milieuzonering’, alsmede de geluidnormering van het vigerende bestemmingsplan wordt hiermee gerespecteerd. Incidentele bedrijfssituaties In aanvulling op bovenstaande langtijdgemiddelde en maximale geluidniveaus zijn ook de incidentele bedrijfssituaties akoestisch doorgerekend. Hierbij zijn publieksevenementen aan de orde en wordt vuurwerk categorie 3 (grote vuurwerkshows) afgestoken. Uit de rekenresultaten blijkt dat de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus op de gevels van omliggende woningen dan ten hoogste 69 dB(A) bedraagt. Uitgaande van een geluidgevelwering van minimaal circa 29 dB wordt voldaan aan de geluidwaarden voor het binnenniveau (conform het vroegere Activiteitenbesluit) . Het tot ontbranding brengen van vuurwerk categorie 3 resulteert in een maximaal geluidniveau (LAmax ) van ten hoogste 79 dB(A) bij woningen. Voor een incidentele situatie zijn voor het maximaal impulsgeluidniveau echter geen normen beschikbaar.
De berekende maximale geluid niveaus zijn inherent aan het gebruikte vuurwerk en dragen bij aan de hoge gastwaardering en de unieke beleving van Toverland in het algemeen en het afsteken van (categorie 3) vuurwerk in het bijzonder. Het hanteren van vuurwerk met lagere bronvermogens zal dan ook afbreuk doen aan de beleving van de vuurwerkshow s en is om die reden niet van toepassing. Voorts kan worden gesteld dat de berekende maximale niveaus alleen optreden bij het afsteken van vuurwerk gedurende circa 8 minuten (tussen 22.45 en 23.00 uur) in de avondperiode, ten hoogste 12 keer per jaar. Bovendien zal, op basis van de te verwachten gevelgeluidwering, het binnenniveau in de avondperiode circa 50 dB(A) LAmax en 53 dB(A) L AImax bedragen. Ook hiermee wordt een aanvaardbaar woon - en leefklimaat geborgd. Verkeersaantrekkende werking De geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar Toverland bedraagt in de gemodelleerde worstcasesituatie mogelijk meer dan 50 dB(A). Deze geluidbelasting wordt berekend bij de woning en aan de Helenaveenseweg 24, de Graskuilenweg 14 en de Kleefsedijk 27 . De geluidbelastingen vanwege het totale verkeer (Lden, in dB) in de cumulatieve situatie bedragen 55 en 52 dB ter plaatse van de woningen aan de Helenaveenseweg 24 en de Graskuilenweg 14. Uitgaande van een gevelgeluidwering van 20 -25 dB (zie ook paragraaf 5.5) bedraagt het binnenniveau 27 -35 dB.
Voor de woning aan de Kleefsedijk 27 bedraagt de gevelbelasting ten hoogste 63 dB. Hoewel de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar Toverland meer dan 50 dB(A) bedraagt, heeft dit verkeer geen relevante bijdrage aan de geluidbelasting vanwege het totale verkeer. Uitgaande van de genoemde gevelgeluidwering, zal het binnenniveau 38 -43 dB bedragen. Mochten bovengenoemde geluidbelastingen in de toekomst worden behaald, dan zal de gevelgeluidwering van deze betreffende woningen onderzocht moeten worden, zodat kan worden nagegaan of een binnenniveau van 33 dB haalbaar is. Cumulatie industrie- en verkeerslawaai De omgeving ondervindt, naast het geluid van de in het akoestisch onderzoek opgenomen toekomstalternatieven, geluid vanwege het verkeer op de omliggende wegen, met name vanwege het verkeer op de Midden Peelweg (N277). Om inzicht te geven in het te verwachten akoestisch leefklimaat is een cumulatieberekening uitgevoerd met alle relevante geluidbronnen voor verkeers- en industrielawaai. De cumulatieve geluidimmissie is bepaald op basis van de in het Reken - en meetvoorschrift geluid 2012 beschreven methode. Uit de berekeningen blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse van de woning aan de Helenaveenseweg 24 55 d(B) bedraagt en wordt bepaald door het wegverkeer. De bijdrage vanwege Toverland is niet relevant ten opzichte van wegverkeerslawaai.
Het woon - en leefklimaat ter plaatse van deze woning kan op basis van de Methode Miedema hier als ‘redelijk’ worden aangemerkt. Nabij de woningen aan de Wertemerweg en Schorfvenweg liggen de geluidbelastingen vanwege wegverkeer (N277) en Toverland in dezelfde grootteorde. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt minder dan 48 dB, waardoor het woon- en leefklimaat als ‘ goed’ kan worden aangemerkt 36 . 36
Handboek voor een gezonde inrichting van de leefomgeving (GGD GHOR Nederland, versie 1,7, januari 2018): https://www.fastadvies.com/wordpress/wp -content/uploads/2018/05/Handboek -GES -2018 -versie-300418.pdf
82
Conclusie Op grond van het uitgevoerd akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat er vanuit het aspect geluid vanuit Toverland richting geluidgevoelige objecten in de omgeving, geen belemmeringen bestaan. Er wordt voldaan aan de daarvoor geldende normen. Volledigheidsha lve is in de regels van het bestemmingsplan de volgende regeling opgenomen: “Het bebouwen en/of te (doen) laten gebruiken van gronden met de bestemming 'Cultuur en ontspanning' is slechts toegestaan indien de geluidsbelasting op geluidsgevoelige objecten en geluidsgevoelige terreinen als gevolg van industrielawaai, met uitzondering van geluid als gevolg van vuurwerk (categorie 3) , zoals beschreven 3.2.2, de onderstaande normen niet overschrijdt: a. 45 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. b. 65 dB(A) etmaalwaarde voor het maximaal geluidniveau. c. 50 dB(A) etmaalwaarde voor het equivalente geluidsniveaus ten gevolge van indirecte hinder ; d. het verschil aan binnenniveau tussen de dB(A) en de dB(C) waarde bij evenementen mag niet meer dan 14 dB bedragen. Op deze wijze is duurzaam verankerd dat Toverland ook in de toekomst blijft voldoen aan de genoemde normen ter plaatse van de bestaande woningen . In aanvulling hierop wordt opgemerkt dat Toverland inmiddels beschikt over een geluidmeetsysteem waarmee de akoestische effecten van het park worden gemonitord (zie ook paragraaf 6.2.1).
4.12
Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies in de nabijheid van agrarische gronden aandacht gevraagd voor mogelijke spuitzones. Dit betreft met name agrarische gronden waar open teelt en gebrui k van gewasbeschermingsmiddelen toegestaan wordt, vanwege de risico's voor de volksgezondheid door eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten o p gronden buiten het agrarisch perceel terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden. Alle vormen van verblijf, zoals woonruimte, maar ook recreëren, sporten en spelen behoren tot driftgevoelige functies die beschermd moeten worden tegen de gevolgen van drift. Voor wat betreft het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen zijn geen wettelijke v oorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten.
Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardba ar leefklimaat kan worden gegarandeerd De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen nieuwe driftgevoelige functies (zoals wonen, maar ook tuinen, speeltuinen, picknickplaatsen en sporten) en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Ingeval van eventueel toekomstig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ten be hoeve van de teelt van gewassen in de open lucht op aangrenzende agrarische percelen geldt een specifieke zorgplicht en geldt op grond van paragraaf 3.5.3 van het Activiteitenbesluit dat drift reducerende technieken dienen te worden toegepast. Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe driftgevoelige functies mogelijk gemaakt binnen 50 meter afstand van aangrenzende agrarische gronden waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet expliciet is
83
verboden. Dit betreft uitsluitend een beperkte zone aan de noordzijde van het plangebied. Ter nadere borging van de bescherming van de gezondheid als gevolg van het kunnen toepassen van gewasbeschermingsmiddelen zijn op deze gronden (nader op de verbeeldin g aangeduid met de aanduiding 'milieuzone – driftzone') geen nieuwe driftgevoelige functies toegestaan. Hier kan het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning van afwijken, indien aangetoond is dat het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen, binnen een af stand van 50 meter tot de nieuwe driftgevoelige functie, is beëindigd en beëindigd blijft of dat middels locatiespecifiek onderzoek is aangetoond dat, en in hoeverre, kan worden afgeweken van deze 50 meter.
4.13
Verkeerskundige aspecten In het kader van de beoogde ontwikkeling is een verkeerskundig onderzoek 37 uitgevoerd (zie bijlage 19 van deze toelichting). In deze paragraaf worden de resultaten uit het verkeerskundig onderzoek samengevat weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport.
4.13.1
Verkeer Bestaande o ntsluiting Het attractiepark heeft meerdere in- en uitgangen aan de Helenaveenseweg, voor zowel bezoekers als personeel. Dit is historisch zo gegroeid als gevolg van de uitbreidingen die in de loop der jaren hebben plaatsgevonden. De primaire aanrijroute van bezoekers leidt via de Rijkswegen A73 en de A67, en vanaf de A67 afrit 38 (Helden) via de N277 (Midden Peelweg) naar de Helenaveenseweg. Bij afrit 38 van de A67 is Toverland ook bewegwijzerd via de bewegwijzeringsborden. Op de A73 is Toverland niet aangeduid op de bewegwijzering. Verreweg de meeste bezoekers bereiken en verlaten Toverland via de route A67/N2 77, zeker bezoekers die van ver komen en lokaal niet bekend zijn. Secundaire aanrijroutes leiden, vanuit noordelijke richtin g, via de N277 (Zeeland) en, vanuit zuidelijke richting via de N560/N275 (Weert) of N277/N273 (Kessel/Ittervoort). Daarnaast maakt een klein deel van de bezoekers vanaf de A73 gebruik van de (ongewenste) route via de kern Sevenum. Dit zijn hoofdzakelijk be zoekers uit noordelijke richting die een vroegtijdige afrit van de A73 nemen in plaats van de beoogde route via de A73/A67/N277. Op de navolgende afbeelding zijn zowel de ligging van Toverland als de aanrijroutes gevisualiseerd.
in de bestaande situatie
37
Kragten, Verkeerskundig onderzoek t.b.v. MER en BPVR, rapportnummer202 41205 -TOV001 -RAP-VKR-Rapport verkeer 2. 6 , 5 december 2024 .
84
Afbeelding 4 .7 Weergave bestaande ontsluitingsroutesToverland, in relatie tot bestaand plangebied Toverland. De hoofdroute vanaf de A67 afrit Panningen (38) leidt via de N277 Midden Peelweg. De toe - en afritten van de A67 zijn door middel van verkeerslichtenregelingen vormgegeven. In noordelijke richting passeert het verkeer vervolgens een meerstrooksrotonde (Kleefsedijk) en daarna volgt de enkelstrooksrotonde ter hoogte van de Helenaveenseweg. Om het verkeer naar Toverland vlot te kunnen afwikkelen is hier een bypass gerealiseerd, op de relatie zuid → oost. Toekomstige ontsluiting Voor wat betreft de ontsluitingsstructuur zijnin verband met de beoogde uitbreiding van Toverland beperkte aanpassingen voorzien . De primaire en secundaire aanrijroutes wijzigen niet, omdat de toegang tot Toverland ook in de toekomstige situatie volledig is beoogd via de N277 en Helenaveenseweg. Via de Helenaveenseweg zijn de nieuwe parkeergelegenheden bereikbaar, die uiteraard uitbreiden ten opzichte van de huidige situatie, zowel in oppervlakte als in aantallen. De primaire aanrijroute leidt derhalve nog steeds via de N277 richting de A67. Uiter aard is ook de N277 in noordelijke richting een ontsluiti ngsstructuur, al is deze van secundair belang in de hoofdstructuur. De Schorfvenweg maakt in het beoogde planvoornemen onderdeel uit van het plangebied.
De huidige doorgaande verbinding tussen de Helenaveenseweg en de Peelstraat via de Schorfvenweg zal in de toekomst komen te vervallen.Hiervoor dient te zijner tijd een verkeersbesluit te worden genomen. Dit bestemmingsplan voorziet daar niet in. Met de beoogde uitbreiding van Toverland wordt een optimale verkeersafwikkeling en verdeling over het toeleidende wegennet beoogd, om eventuele stagnatie op het openbare wegennet te voorkomen. Bovendien wordt er met de inrichting van de nieuwe toegang van Toverland vanaf de Helenaveenseweg naar gestreefd om het verkeer zo veel als mogelij k van/naar de N277/A67 te leiden, zodat sluiproutes via woonkernen , zoals Sevenum en/of Kronenberg , worden geminimaliseerd. Dit wordt gedaan door goede bewegwijzering bij d e entree, inrichting van infrastructuur die gericht is op routing van en naar de N277 en ook door routering via navigatiesystemen te sturen via de A67 -N277. Vooral voor dit laatste onderdeel is het één en ander (mede) afhankelijk van (kaart)leveranciers van navigatiesystemen. Landelijk zijn er echter projecten lopende om dit in de toekomst beter te kunnen sturen. Hierbij zijn diverse wegbeheerders betrokken, waaronder de gemeente Horst aan de Maas. Overigens betekent dit niet dat bezoekers niet vanuit noordelijke richting via de N277 zullen aankomen of vertrekken.
De N277 is vanuit bijvoorbeeld de richting Oss en Uden/Veghel een geschikt alternatief voor de snelweg (A50/A73/A67). Dit betreft echter s lechts een deel van de doelgroep en het bezoekerspotentieel. Verkeer uit noordoostelijke richting (Nijmegen en verder) dat via de A73 rijdt wordt in principe niet actief
85
omgeleid via (noordelijk van de A67 gelegen) afritten van de A73, om daarmee bijvoorbeeld de A67 te ontzien. Enerzijds om te voorkomen dat dit verkeer door de dorpen gaat rijden. Het is immers niet wenselijk om sluipverkeer door Sevenum/Kronenburg te sturen (bij afrit Horst 10 en/of 11) of door Ysselsteyn (via afrit 9 Venray/N270). Anderzijds is aanvullende bewegwijzering van Toverland via één van deze afritten niet passend bij het beleid van Rijkswaterstaat inzake plaatsingseisen aan toeristisch/recreatiev e trekpleisters. De beoogde ontsluitingsstructuur, op basis van voorgaande motivatie, is gevisualiseerd in navolgende afbeelding.
Afbeelding 4 .8 Weergave toekomstige ontsluitingsroutes Toverland, in relatie tot toekomstig plangebied. Bezoekersaantallen en verkeersbewegingen In de toekomstige situatie worden, na volledige planrealisatie, op jaarbasis maximaal 3,74 miljoen bezoeke n verwacht. Het merendeel komt met de auto, net als in de huidige situatie. Om een beeld te vormen van de impact van deze toename qua verkeersbewegingen is een analyse gemaakt van aankomst - en vertrekpatronen van bezoekers, in zowel de huidige als toekomsti ge situatie. Uitgangspunt daarbij is ook dat openingstijden verruimd worden, met opening tot 23.00 uur op de maatgevende dagen. Op basis van de beoogde ontwikkeling van Toverland zijn de toekomstige verkeersbewegingen, als gevolg van de toename van het aan tal bezoekers, bepaald . Op basis van de verwachte verkeerstoename ten gevolge van het planvoornemen zijn de volgende bevindingen te doen: • de verkeersintensiteit op de wegen van en naar Toverland neemt, ten opzichte van de referentiesituatie, duidelijk toe. Dit betreft hoofdzakelijk de aanrijroute via de A67 -N277 -Helenaveenseweg. • de groei van Toverland wordt grotendeels veroorzaakt door bezoekers die verder weg wonen. Dit is herleid uit de analyses van het verkeersmodel.
Hieruit blijkt namelijk dat er met name op de N277, tussen A67 en Helenaveenseweg, een sterke verkeerstoename te verwachten is tussen de referentiesituatie en de plansituatie. Dit geldt ook voor de Helenaveenseweg, tussen de N277 en Toverland. Op alle overige wegvakken is de verkeerstoename gering . Dit houdt in dat verreweg het meeste extra verkeer via de A67 nadert en vanaf afrit 38 naar Toverland rijdt. In veel mindere mate is er sprake van extra bezoekers uit de regio die via de N277 (noord of zuid) of via de N560 komen. Dit is te verklaren door het feit dat bezoekers uit deze regio in de huidige en/of referenties ituatie reeds bezoeker zijn van Toverland. Met de uitbreiding van het park en het aanbieden van (meerdaagse) verblijfsrecreatie wordt Toverland ook aantrekkelijker voor bezoekers die verder weg wonen. Logischerwijs maken deze zo veel mogelijk gebruik van h et hoofdwegennet.