06c Toelichting bpvr Toverland (05-12-25)
Tekst van het document
86
•
•
Uit het kentekenonderzoek van de huidige situatie is gebleken dat slechts een klein deel van de bezoekers (huidig circa 5%) vanaf de A73 via de kern Sevenum rijdt. De route via Kronenberg wordt door verkeer vanaf de A73 niet gebruikt. Dit is ook een onlogi sche route voor bezoekers van Toverland. Met de beoogde uitbreiding neemt niet alleen het totaal aantal bezoekers toe, maar ook het aandeel buitenlandse bezoekers (uit België en Duitsland). Het merendeel van deze bezoekers zal via de A67/N277 rijden. Naar verwachting zal het aandeel verkeer via Sevenum in de toekomst dan ook verder afnemen. Met maatregelen als bewegwijzering, inrichting en routering navigatiesystemen , wordt hier actief aan bijge dragen. De verkeersmodellen voor de plansituatie bevestigen dit ook. Derhalve is in de berekeningen in meer dan voldoende mate rekening gehouden met het aantal (en aandeel) doorgaand verkeer door de kern Sevenum en eventuele hinder die daardoor wordt veroorzaakt. Uit de modelberekeningen blijkt verder dat de restcapaciteit op het omliggende wegennet op wegvakniveau over het algemeen nog ruimschoots toereikend is. In de maatgevende periode van de dag (avondspits) is alleen op de A67 sprake van oververzadiging (I/C ratio hoger dan 0,9) en treedt congestie op. Dit is in de referentiesituatie echter ook al het geval. De invloed van het planvoornemen hierop is marginaal.
Op het onderliggende wegennet, zowel op provinciale wegen als gemeentelijke wegen, is nog ruimschoots voldoende restcapaciteit beschikbaar. De maximale I/C ratio op de Helenaveenseweg bedraagt 0,74 en op de N277 bedraagt de maximale I/C ratio 0,56. Op beide wegvakken zal een substantieel aandeel verkeer gerelateerd zijn aan Toverland. Op de N560 bedraagt de maximale I/C ratio 0,79 tijdens de avondspits. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door regulier woon-werkverkeer en slechts in geringe mate door verkeer afkomstig van Toverland.
Capaciteitsverruimende maatregelen Ten behoeve van de ontwikkeling van Toverland en het faciliteren van het verkeer is een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen Toverland, gemeente Horst aan de Maas en provincie Limburg. Daarin zijn nadere afspraken vastgelegd over de wijze waarop in de toekomst wordt omgegaan met verkeer en de noodzaak voor eventueel te nemen (capaciteitsverruimende) maatregelen op kruispuntniveau. Een aanpassing is voorzien in de toegang tot het terrein van Toverland vanaf de Helenaveenseweg. De toegang naar het Toverland terrein wordt in overleg met gemeente Horst aan de Maas nog heringericht, zodat de inrijcapaciteit aanzienlijk wordt vergroot. Da armee wordt terugslag op het openbare wegennet (Helenaveenseweg/N277) zoveel mogelijk voorkomen. In de huidige situatie is dat namelijk een grote bottleneck in de bereikbaarheid van Toverland. De doorstroming kan nog worden geoptimaliseerd door een gedeelt e van de Helenaveenseweg, tussen N277 en Toverland, her in te richten. Met een herinrichting van de Helenaveenseweg kan beter worden geanticipeerd op drukte. Op dit moment is echter nog niet in te schatten in welk jaartal deze aanpassing wenselijk is en ho e de aanpassing exact wordt vormgegeven. Dit is mede afhankelijk van de exacte ontwikkeling van verkeersstromen.
Op middellange termijn is de huidige inrichting van de Helenaveenseweg in ieder geval nog toereikend. De huidige enkelstrooksrotonde met bypass ter plaatse van de aansluiting N277 -Helenaveenseweg is voorzien als een zogenaamde knierotonde. Met deze rotondevorm zijn op meerdere aansluitende wegvakken meerdere rijstroken beschikbaar en ook op de rotonde zelf zijn meerdere rijstroken beschikbaar. Dit verhoogt de capaciteit van de rotonde aanzienlijk. Op basis van de knierotonde bedraagt de I/C ratio met de verkeersintensiteiten in de referentiesituatie maximaal 0,46. Een goede verkeersafwikkeling is hiermee ge borgd. Ter plaatse van de toe - en afritten van de A67 -N277 is een tweetal maatregelen bepaald, waarover nadere afspraken zijn vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst tussen Toverland, gemeente Horst aan de Maas en provincie Limburg: Realiseren van een tweede linksafstrook op de afrit vanuit Eindhoven, in noordelijke richting. Linksafstrook naar de toerit Eindhoven, vanuit zuidelijke richting, als separate rijstrook starten net ten noorden van kruispunt N277 -N560/N275. Ook ter plaatse van het kruispunt N277 -N560/N275 is een tweetal maatregelen voorzien, waarover nadere afspraken zijn vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst:
87
-
-
Vrije rechtsafstrook N277 Noord →N560/N275. Alleen rood licht bij aanvraag door overstekende fietser. Op de N560 wordt ten gevolge van de vrije rechtsaffer een samenvoeger (voor verkeer van N277 Zuid en McDonalds ri chting Panningen/Weert, deze aantallen zijn beperkt) gerealiseerd, zodat het verkeer ná het kruispunt kan samenvoegen tot één rijstrook. Vrije rechtsaffer N277 Zuid →McDonalds.
Afbeelding 4 .9 Capaciteitsverruimende maatregelen
4.13.2
Bereikbaarheid langzaam verkeer De bereikbaarheid van Toverland voor langzaam verkeer, hoofdzakelijk voor fietsers, wordt niet ingrijpend gewijzigd. Het planvoornemen heeft hoofdzakelijk betrekking op de uitbreiding van het eigen terrein en de inrichting daarvan. De openbare infrastructuur moet worden afgestemd op het bereikbaar houden van Toverland, en de doorstroming en verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers te borgen. De uitbreiding van Toverland zal met name meer bezoekers en bezoekers uit een groter gebied gaan aantrekken. H et primaire transportmiddel voor de doelgroep van Toverland is en blijft de personenauto en met name daarvoor zijn mogelijk aanpassingen aan de openbare infrastructuur noodzakelijk. De bestaande vrijliggende fietsvoorzieningen langs de N277 en langs de Helenaveenseweg worden behouden, om voor (brom)fietsers een veilige plek in het wegprofiel te borgen. Waar nodig worden aanpassingen gedaan om de verkeersveiligheid te behouden of te ve rbeteren. Het wordt drukker op de N277 en ter hoogte van de rotonde nabij Toverland. Omdat het drukker zal worden, nemen de wachttijden voor overstekende fietsers mogelijk wel wat toe, waardoor attentieverhogende maatregelen ter behoud/verbetering van verk eersveiligheid gewenst zijn.
Op eigen terrein van Toverland wordt voorzien in de uitbreiding van het aantal fietsparkeerplaatsen, vanwege de groei van zowel bezoekersaantallen als personeel. Ook wordt voorzien in de aanleg voor laadplekken voor e bikes en speedpedelecs, om deze steeds groter wordende doelgroep ook te faciliteren. Juist de toename van het gebruik van deze fietsen maakt de actieradius groter en daardoor voor een deel van de lokale bezoekers en medewerkers mogelijk interessanter om met de fiets naar Toverland te komen. Met het uitbreiden van het
88
voorzieningenniveau voor elektrische fietsen speelt de ontwikkeling van het planvoornemen hierop in. Exacte verwachte aantallen in de plansituatie zijn op dit moment echter nog niet bekend. Gezien de verwachte bezoekersaantallen op jaarbasis en op maatgeve nde dagen kan echter worden geconcludeerd dat het aandeel fietsgebruik beperkt zal zijn in verhouding tot het totaal aantal bezoekers.
4.13.3
Bereikbaarheid huldiensten / calamiteiten De bereikbaarheid voor hulpdiensten in geval van calamiteiten wijzigt qua routing en ontsluiting niet wezenlijk ten opzichte van de huidige situatie. De infrastructuur wordt erop ingericht om de doorstroming en verkeersveiligheid te borgen en zo min mogeli jk stagnatie op het openbare wegennet te veroorzaken. Vanuit het planvoornemen is de ontwikkeling erop gericht om de huidige knelpunten, die optreden op drukke dagen, bij het oprijden van het eigen terrein op te lossen. Door extra capaciteit te realiseren bij de slagbomen voor het oprijden van het terrein wordt terugslag zo veel mogelijk voorkomen. In die zin moet de ontwikkeling zelfs een verbetering opleveren in geval van calamiteiten ten opzichte van de huidige situatie. Het terrein van Toverland zelf wordt voorzien van meerdere locaties die in geval van calamiteiten kunnen dienen als nooduitgang, dan wel kunnen dienen als toegang tot het terrein van Toverland voor hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld een calamiteitenroute via een directe ontsluiting op de N277 (westzijde plangebied) of Peelstraat (noordzijde), in geval de Helenaveenseweg niet als ontsluitingsroute kan dienen in dergelijke situaties.
De definitieve uitwerking hiervan kan echter pas worden g edaan als er zicht is op de definitieve terreininrichting en zal altijd in overleg met de Veiligheidsregio worden uitgewerkt. Een formeel akkoord van de Veiligheidsregio is voorwaardelijk voor planrealisatie, waarmee het initiatief ten aanzien van bereikba arheid hulpdiensten te allen tijde positief scoort.
4.13.4
Bereikbaarheid openbaar vervoer Omdat de routing van en naar Toverland niet wijzigt, zijn er in basis ook geen negatieve effecten te verwachten voor de bereikbaarheid van Toverland per openbaar vervoer. De infrastructuur wordt erop ingericht om de doorstroming en verkeersveiligheid te borgen en zo min mogelijk stagnatie op het openbare wegennet te veroorzaken. Vanuit het planvoornemen is de ontwikkeling erop gericht om de huidige knelpunten, die optreden op drukke dagen, bij het oprijden van het eigen terrein op te lossen. Door extra capa citeit te realiseren bij de slagbomen voor het oprijden van het terrein wordt terugslag zo veel mogelijk voorkomen. In die zin moet de ontwikkeling zelfs een kleinere verbetering opleveren voor de dienstregeling van het openbaar vervoer. Naar verwachting heeft de ontwikkeling van Toverland een positief effect voor het gebruik van het openbaar vervoer. De uitbreiding van Toverland moet ervoor zorgen dat er jaarlijks meer bezoekers naar Toverland komen, waarvan een deel gebruik maakt van het openbaar vervoer. Bij een mimimaal gelijkblijvend percentage bezoekers (daggasten) dat gebruik maakt van het OV, zal een absolute toename van het aantal bezoekers altijd leiden tot meer OV-gebruik en daarmee positief bijdragen aan de exploitatie van de li jnvoering.
Omdat Toverland ook voor tieners steeds aantrekkelijker wordt is het openbaar vervoer naar verwachting een aantrekkelijk alternatief voor deze (groeiende) doelgroep. Toverland kijkt daarbij altijd naar mogelijkheden om het gebruik van openbaar v ervoer door bezoekers te stimuleren. Daarnaast heeft de uitbreiding van Toverland tot gevolg dat meer medewerkers bij Toverland gaan werken, waarvan mogelijk ook een deel gebruik maakt van het OV, wat het gebruik per saldo verder zal doen toenemen. In dit kader wordt opgemerkt dat openbaar vervoer niet door Toverland ge ïnitieerd wordt, dat daarvoor afhankelijkheid bestaat van de con cessies die de provincie aangaan voor het exploiteren van het OV in de provincie .
4.13.5
Collectief vervoer Ook is Toverland goed bereikbaar voor collectief (bus)vervoer. Dat is ook in de huidige situatie reeds het geval, maar de omvang hiervan zal in de toekomst verder toenemen. Met name op reguliere weekdagen worden vanuit bijvoorbeeld scholen daguitjes georga niseerd naar Toverland, waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van collectief vervoer. Hierop wordt in het planvoornemen geanticipeerd door voldoende busparkeerplaatsen te faciliteren, zodat touringcarbussen niet in de omgeving op zoek hoeven te gaan naar pa rkeerplaatsen. Ook voor bedrijfsuitjes is dergelijk collectief vervoer een aantrekkelijk alternatief. Bekend is echter dat dergelijke daguitjes veelal buiten de maatgevende piekperiodes vallen en het collectief vervoer derhalve geen wezenlijke bijdrage
89
kan leveren aan verkeersdrukte op maatgevende dagen. Tijdens de drukke dagen (vakanties, feestdagen etc.) zijn het immers veelal gezinnen en tieners die Toverland bezoeken.
4.13.6
Parkeren Bestaande parkeervoorzieningen In de huidige situatie zijn alle parkeergelegenheden vanaf de Helenaveenseweg te bereiken. Via de hoofdingang zijn het grote nieuwe parkeerterrein, het parkeerterrein voor busverkeer en het overloopterrein bereikbaar. In oostelijke richting is vervolgens de toegang tot het tweede parkeerterrein (voormalig hoofdterrein) gelegen. In totaal zijn er in de bestaande situatie circa 2.100 vaste auto parkeerplaatsen voor bezoekers aanwezig en nog circa 1.200 parkeerplaatsen op het overloopterrein. Dit zijn substant ieel meer parkeerplaatsen dan volgens de gemeentelijke parkeernorm aanwezig zouden moeten zijn, echter zijn deze in de praktijk wel noodzakelijk. Sinds 2020 wordt een deel van het voormalige hoofdterrein gebruikt voor een Pop -Up Summer Camp, waardoor circa 400 parkeerplaatsen minder beschikbaar waren. Aan de oostzijde van het plangebied ligt de toegang tot het parkeerterrein voor medewerkers , zoals ook weergegeven op de navolgende afbeelding.
Afbeelding 4 .9 Weergave situering huidige parkeergelegenheden. Toekomstige parkeervoorzieningen De uitbreiding van Toverland heeft tot gevolg dat er meer behoefte is aan parkeergelegenheid. Zowel voor de toename van het aantal daggasten, verblijfsgasten als personeel moet het huidige aanbod aan parkeerplaatsen worden uitgebreid. De terreininrichting is er in alle toekomstgerichtemodellen op gericht om tijdens piekdrukte aan alle voertuigen een parkeerplek aan te bieden op eigen terrein. Uitgangspunt is dat er niet wordt geparkeerd in de openbare ruimte, ook niet tijdens piekdagen. Alleen kortparkeren is mogelijk langs de Helenavee nseweg ten behoeve van het halen en brengen (door bijvoorbeeld ouders). Ook in de huidige situatie vindt dit hier plaats. Op basis van de gemeentelijke parkeernormen zijn de volgende aantallen parkeerplaatsen benodigd:
Functie Attractiepark
Omvang Circa 31 ha (compact)
Norm 8 / ha
Parkeerbehoefte 248 (compact)
90
Hotel Kampeerfaciliteiten Recreatieverblijven TOTAAL
Circa 48 ha (ruim) 800 kamers 430 plaatsen 280 verblijven
8 / ha 12,6 per 10 kamers 1,2 per standplaats 2,1 per verblijf
384 (ruim) 1.008 516 588 2.360 – 2.496
Op basis van het piekdagscenario in 2040 is door Toverland, mede op basis van ervaringen van de huidige situatie, bepaald hoeveel parkeercapaciteit per doelgroep benodigd is. Dit leidt tot de onderstaande aantallen parkeerplaatsen, zoals deze beoogd zijn in het planvoornemen. Daggasten (auto): circa 8.500 parkeerplaatsen Daggasten (touringcar): circa 50 bus parkeerplaatsen Verblijfsgasten, bij verblijven: circa 900 parkeerplaatsen Medewerkers: circa 1.000 parkeerplaatsen Met de door Toverland beoogd e totale aantal parkeervoorzieningen voldoet het initiatief ruimschoots aan de gemeentelijke parkeernormen. Met name het aantal parkeerplaatsen voor daggasten van het attractiepark is aanzienlijk hoger dan de parkeernorm aanbeveelt. Er dient rekening te worden gehouden met forse marges. Toverland wil ruimschoots voldoende parkeergelegenheid aanleggen om alle bezoekers op eigen terrein te laten parkeren. Een deel van de verblijfsgasten zal de auto uiteindelijk op een van de centrale parkeerterreinen parkeren in plaats van bij het verblijf. In de totale berekening van de parkeerbalans is hiermee rekening gehouden. Alle parkeergelegenheden zijn bereikbaar via de hoofdroute N277 - Helenaveenseweg. Vanaf de Helenaveenseweg zijn de parkeerterreinen voor bezoekers bereikbaar.
Op eigen terrein vindt pas de splitsing plaats voor daggasten en verblijfsgasten, om daarmee onzeker weggedrag op de openbare weg te voorkomen. Personeel krijgt een eigen toegang tot de parkeerplaats, eveneens via de Helenaveenseweg. Personeel en bezoekers komen en/of gaan echter veelal op afwijkende tijdstippen, waardoor deze nauwelijks hinder van elkaar ondervinden. Om de doorstroming van verkeer en met name grote verkeersstromen bezoekers te kunnen borgen, wordt niet alleen de parkeercapaciteit uitgebreid, maar wordt juist ook de toegang tot het terrein van Toverland aanzienlijk verbeterd. Vanaf de Helenaveenseweg wordt de toegang tot het terrein verbeterd door een andere inrichting. Daarnaast wordt het a antal rijstroken en opstelstroken met slagbomen uitgebreid, zodat de toegangs - en vertrekcapaciteit op het eigen terrein aanzienlijk wordt verruimd. Met deze twee maatregelen wordt stagnatie voorkomen, die in de huidige situatie wel nog regelmatig optreedt. Waar nodig worden op drukke dagen ook extra verkeersregelaars ingezet om het verkeer te begeleiden.
4.13.7
Verkeersveiligheid Ten aanzien van de verkeersveiligheid wijzigt de situatie op een aantal aspecten. Het wegennet wijzigt weliswaar niet structureel, maar wel worden er enkele ingrepen gedaan om de doorstroming te kunnen waarborgen. Deze hebben ook invloed op de verkeersveil igheid. De capaciteitsverruimende maatregelen ter plaatse van de toegang tot Toverland en een betere in - en uitstroom van verkeer zorgen ervoor dat het verkeer beter doorstroomt en de kans op kop -staart ongevallen daardoor afneemt (geen filevorming meer). Met name fietsverkeer op de oost-west relatie moet ter plaatse van de rotonde meerdere rijstroken passeren. Het aantal fietsers op deze relatie is echter erg laag, waardoor de kans op ongevallen relatief beperkt is. Naar verwachting heeft het herinrichten van de toegang tot Toverland op de Helenaveenseweg wel een duidelijke verbetering van de verkeersveiligheid tot gevolg. Verreweg de grootste verkeersstroom (aankomend en vertrekkend verkeer Toverland) krijgt in deze situatie een betere doorstroming, wat positief is voor de verkeersveiligheid. Ook zorgt een herinrichting voor een overzichtelijkere situatie , waardoor twijfel- en zoekgedrag van bezoekers wordt voorkomen. Ook dit draagt bij aan een hogere mate van verkeer sveiligheid.
4.13.8
Conclusie Ten aanzien van de verkeersafwikkeling is geconstateerd dat de ontwikkeling van Toverland in de toekomst naar verwachting leidt tot knelpunten, ook met ontwikkelingen passend binnen het vigerend planologisch kader. Om
91
de verkeerssituatie in de toekomst te kunnen faciliteren is een samenwerkingsovereenkomst opgesteld tussen Toverland, gemeente Horst aan de Maas en provincie Limburg. Daarin zijn afspraken vastgelegd over aanpassingen aan het openbare wegennet, op het mome nt dat knelpunten (structureel) dreigen op te treden. Aanpassingen zijn onder andere voorzien aan: Entree Toverland, maatregelen nog nader uit te werken in samenwerking tussen Toverland en gemeente Horst aan de Maas. Ombouw rotonde N277 -Helenaveenseweg tot knierotonde. Aanpassingen aan het kruispunt met verkeerslichten A67 -N277. Aanpassingen aan het kruispunt met verkeerslichten N277 -N562. In de samenwerkingsovereenkomst zijn de afspraken hierover geformaliseerd en geborgd en is ook beschreven hoe de monitoring van verkeersstromen zal plaatsvinden om tijdig te kunnen acteren bij ontwikkelingen en/of optredende knelpunten. Overige verkeersaspecten geven geen aanleiding om in het toetsingskader en het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte aanvullende maatregelen of randvoorwaarden op te nemen.
4.14
Vuurwerk Eén van de activiteiten die deel uitmaakt van de beleving die Toverland haar gasten biedt, is het houden van vuurwerkshows. Om de effecten van en randvoorwaarden voor vuurwerkshows in beeld te brengen is daarom een effectenanalyse vuurwerk38 en een aanvullende analyse 39 uitgevoerd. Deze zijn toegevoegd in respectievelijk bijlage 20 en 21 van voorliggende toelichting. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage s. In de rapportages is onderscheid gemaakt in 3 categorieën vuurwerk. Daarnaast is onderscheid gemaakt in een kleine en grote vuurwerkshow. Deze zijn als volgt gedefinieerd: Kleine vuurwerkshow: Vuurwerkshow waarbij vuurwerk in maximaal categorie 2 wordt gebruikt en waarbij het maximaal piekgeluidniveau ( LW Amax) niet hoger is dan 142 dB(A). Grote vuurwerkshow: Vuurwerkshow waarbij vuurwerk in maximaal categorie 3 wordt gebruikt en waarbij het maximaal piekgeluidniveau (L W Amax) niet hoger is dan 160 dB(A). In het onderzoek zijn de milieuthema’s met betrekking tot de activiteit ‘vuurwerk afsteken’ beschreven. Deze thema’s kunnen invloed hebben op ecosystemen (flora en fauna) of menselijke gezondheid. Een aantal effecten kan op voorhand uitgesloten worden omdat deze effecten niet van toepassing zijn of verwaarloosbaar zijn in de situatie van Toverland.
Het enige thema dat relevante verstoring kan opleveren is geluid, wanneer de grote vuurwerkshows worden afgestoken (12 keer per jaar gedurende maximaal 15 minute n). Bij grote vuurwerkshows wordt namelijk ook vuurwerk van categorie 3 afgestoken, en bij kleine shows enkel uit categorie 1 en 2. Vogels en geluid Vogels kunnen hinder ondervinden van het geluid dat het vuurwerk veroorzaakt. Het kan leiden tot een schrikreactie van vogels waardoor de vogels hun nest kunnen verlaten . K uikens of eieren blijven dan onbeschermd achter. De voorgenomen activiteiten vinden zoals eerder aangegeven echter buiten het broedseizoen (globaal van februari tot en met juli) plaats. In aanvulling hierop is in de regels van het bestemmingsplan een verbod opgenomen om vuurwerkshows te houden tijdens kwetsbare vorstperioden in de winter omdat vogels dan zwakker zijn . Ook kan een dergelijke schrikreactie echter veroorzaakt worden als gevolg van andere ‘piekgeluiden’. De onderzoeken geven echter aan dat de vogels snel terug keren naar het nest en er weinig verstoring plaatsvindt. Voor de andere dieren, zoals meegenomen in het onderzoek, valt redelijkerwijs niet te
38
Kragten, Toverland, Effectenanalyse vuurwerk, rapportnummer 2022 1214 -TOV001 -Onderzoek Vuurwerk 2.0 , 14 december 202 2. 39 Kragten, Toverland, Aanvullende notitie effectenanalyse Vuurwerk Toverland, naar aanleiding van advies Commissie MER, 3 december 2025.
92
verwachten dat het afsteken van voorschriften op de voorgeschreven wijze leidt tot een significant negatief effect op de aanwezige soorten. Mensen en geluid Het maximaal geluidniveau ter plaatse van woningen tijdens een kleine vuurwerkshow voldoet aan de standaard normstelling uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. De effecten op het milieu en op de mens zullen daardoor minimaal zijn. De piekgeluiden die optreden tijdens grotere shows zijn hoger dan de standaard toetsingswaarden uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. In overleg met het bevoegd gezag, de gemeente Horst aan de Maas, kan een ontheffing worden aangevraagd. Deze ontheffing dient te worden aangevraagd voor 12 vuurwerkshows per jaar met een maximaal geluidniveau van ten hoogste 79 dB(A) in de avondperiode. In de regels van het bestemmingsplan zijn normen opgenomen voor de toegestane etmaalwaardes van Toverla nd. Daarnaast zijn normen opgenomen voor de piekgeluidniveaus veroorzaakt door vuurwerkshows. Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek worden vuurwerkshows onder bepaalde voorwaarden inpasbaar geacht. In artikel 3.2.2 van de regels zijn nadere voorschriften opgenomen voor het gebruik van vuu rwerk.
In de regels van dit bestemmingsplan is hiertoe opgenomen dat het maximaal 30 dagen per jaar is toegestaan om vuurwerk af te steken in de avondperiode, met dien verstande dat: een vuurwerkshow maximaal 30 minuten mag duren; de geluidsemissie (L Amax ) op bestaande geluidsgevoelige objecten en geluidsgevoelige terreinen niet meer dan 62 dB(A) mag bedragen; maximaal 12 van de 30 dagen een vuurwerkshow is toegestaan met een geluidsemissie (L Amax ) van niet meer dan 79 dB(A) op bestaande geluidsgevoelige objecten en geluidsgevoelige terreinen , met een maximale duur van 15 minuten; vuurwerkshows uitsluitendmogen worden afgestoken buiten het broedseizoen en buiten kwetsbare vorstperioden in de winter; uitsluitendminder milieubelastend vuurwerk mag worden gebruikt; maximaal 55 kg buskruit per show mag worden gebruikt.
4.15
Water In het kader van de watertoets dient een bestemmingsplan een waterparagraaf te bevatten waarin wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met water. Doel van de watertoets is om vroegtijdig, in overleg met de waterbeheerders, de uitgangspunten en de gevolgen van de ingreep voor het watersysteem vast te leggen. De watertoets streeft ernaar te voldoen aan de doelstellingen van de waterbeheerders op het g ebied van de waterhuishouding. Om hieraan invulling te geven is een uitgebreide watertoets40 opgesteld (zie bijlage 22 van deze toelichting). Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van de watertoets. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Beleid –Waterschap Limburg Waterschap Limburg toetst ten aanzien van ruimtelijke plannen op de volgende punten: Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt voor ruimte voor water. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. Circa 10% van het plangebied reservere n voor water. Rekening houden met hoogteverschillen in het plangebied en de omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem.
Denk ook aan bodemverontreinigingen. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA -riool. 40
Kragten, Toverland, Watertoets, rapportnummer 230928 -TOV001 -RAP-WATERTOETS -4.0 , 28 september 202 3 . 93
-
-
Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever gee n diepte-infiltratie toepassen. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard). Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid.
Beleid - Gemeente Horst aan de Maas In het buitengebied zamelt de gemeente van oudsher geen hemelwater in. Dit geldt zowel voor bestaande bouw als (ver)nieuwbouw. Inwoners van het buitengebied komen dan ook niet in aanmerking voor een afkoppelsubsidie. De eigenaar van gebouwen en percelen ve rwerkt zijn hemelwater zelf op het eigen terrein of voert het in overleg met het waterschap af naar het oppervlaktewater of loost het in overleg met de gemeente in de bodem. Hierbij word en de (kwaliteits) uitgangspunten voor verantwoord afkoppelen, zoals o pgenomen in de beslisbomen ”Regenwater schoon naar beek en bodem” , gehanteerd. Bij nieuwbouw wordt in eerste instantie gekozen voor het niet aansluiten van hemelwater. Het afvalwater en hemelwater worden hierbij gescheiden van elkaar gehouden. Per locatie wordt bekeken op welke wijze het hemelwater kan worden verwerkt, waarbij infiltratie de voorkeur heeft. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt het hemelwater vastgehouden en vertraagd afgevoerd. Hierbij moet voldoende ruimte worden gereserveerd voor het vasthouden en bergen van water (de blauwe ruimte). Er wordt een afwegingskader voor nieuwbouwlocaties gehanteerd van minimaal 53 mm berging. Als water kan afstromen naar probleemlocatie s wordt 100 mm berging gevraagd. Uitgangspunt is dat geen afwenteling naar oppervlaktewater plaatsvindt.
Het algemene uitgangspunt dat wordt gehanteerd bij grondwater, is dat eigenaren van gebouwen en percelen zelf verantwoordelijk zijn voor de verwerking van overtollig grondwater, tenzij dit in het belang van de leefbaarheid of volksgezondheid niet haalbaar en niet doelmatig is. Het lozen van grondwater op het riool is niet toegestaan. Toets plangebied In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is het van belang om de kenmerken van de watersystemen binnen het plangebied en de directe omgeving in beeld te brengen. Hierbij zijn de aspecten grondwater, oppervlaktewater en hemelwater van belang. Grondwater Voor wat betreft het grondwater blijkt uit de kaarten van de Omgevingsverordening Limburg dat het plangebied niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied ligt. Het maaiveld binnen het plangebied varieert overwegend tussen 31,8 en 32,5 m +NAP. In het meest westelijk deel van het plangebied, tussen de Midden Peelweg en het huidige attractiepark, liggen de agrarische percelen lager op een hoogte van circa 31, 3 m +NAP. De zandbodem binnen het attractiepark heeft tot een diepte van circa 4 m -mv een doorlatendheid variërend van 0,5 tot 1,1 m/dag. De plaatselijk voorkomende zandige leemlagen zijn minder doorlatend met een doorlatendheid van 0,4 m/dag of minder. Kenmerkend v oor dit gebied is dat de Ysselsteynbreuk dwars door het plangebied gaat .
Op basis van de beschikbare gegevens wordt voor het westelijk deel van het plangebied een GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) van 31,1 m +NAP en een GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand) van 30,2 m +NAP gehanteerd. Voor het oostelijk deel van het plangebied wordt een GHG van 30,7 m +NAP en een GLG van 29,8 m +NAP gehanteerd . Dit betekent dat in de lager gelegen delen in het westelijk deel van het plangebied het grondwater van 0,9 m -mv kan stijgen tot aan of net onder maaiveld. In het oostelijk en noor delijk deel van het plangebied varieert de GHG tussen 0,9 en 1,6 m -mv.
94
Bij ontwikkelingen in deelgebied I, zoals weergegeven op bovenstaande afbeelding dient het maaiveld met minimaal 30 cm te worden opgehoogd. Indien in dit gebied de functie van secundaire wegen (incl. parkeerplaatsen) aan de orde is dient te worden uitgegaan van een ophoging van 50 cm. In de deelgebieden II en III is voldoende droogleg ging aanwezig voor alle functies. Binnen sommige delen van het plangebied zijn in het kader van de realisatie van bebouwing en/of attracties mogelijk graafwerkzaamheden nodig , waarbij het grondwater tijdelijk verlaagd dient te worden , waardoor een (tijdelijke) grondwaterontrekking nodig kan zijn. Voor overige delen van het plangebied is dat waarschijnlijk niet van toepassing. Een (tijdelijke) grondwateronttrekking, waarbij meer dan 100 m³/uur wordt onttrokken, heeft effect op de grondwaterstand en stromingsrichting in de omgeving.
I II I
III II
III
Deelgebied I, GHG ca. 0,2 m-mv Deelgebied I, GHG ca. 0,9 m-mv Deelgebied III, GHG ca. 1,6 m-mv Bestaand
II
I
II
Afbeelding 4 .10 Situering indeling deelgebieden op basis van maaiveldverloop en GHG.
Ten behoeve van de aanvulling op het MER is een aanvullende effectbeoordeling naar grondwateronttrekkingen uitgevoerd (zie bijlage 23 van deze toelichting) . Op grond van deze effectbeoordeling wordt geconcludeerd dat significant negatieve effecten als gevolg van zowel de ondiepe als de diepe onttrekkingen in Toverland op de instandhoudingsdoelen van omliggende Natura 2000 -gebieden op voorhand kunnen worden u itgesloten. Hierbij geldt als randvoorwaarde dat maximaal 5.000 m 2 tot een diepte van maximaal 5 mete r beneden maaiveld niveau mag worden bemaald. Dit is in de regels van dit bestemmingsplan als voorwaarde voor grondwateronttrekkingen opgenomen. Oppervlaktewater Op dit moment stromenzowel de Wertemer als de Steegbergheide door het plangebied , zoals ook weergegeven op de navolgende uitsnede van de legger van Waterschap Limburg . Het is de wens van zowel Waterschap Limburg als van Toverland om deze watergangen te verplaatsen naar de rand van het park aan de westzijde. Het voordeel van het nieuw tracé aan de rand van het park is dat het onderhoud aan de watergang niet gehinderd wordt. Binnen dit bestemmingsplan zijn de bestaande watergangen inclusief beschermingszones aangeduid als ‘water’ en wordt de mogelijkheid geboden om deze te verleggen, onder voorwaarde dat hierover afstemming heeft plaatsgevonden met Waterschap Limburg.
Voor het beoogde toekomstige tracé is op de verbeelding middels de gebiedsaanduiding ‘overige zone - zoekgebied verlegging waterloop' een zoekgebied aangegeven.
95
Voor het overige zijn de bestaande waterberging en aan de zuidoostzijde van het park voorzien van de aanduiding ‘waterberging’.
Afbeelding 4 .11 Uitsnede legger Waterschap Limburg voor het plangebied en de directe omgeving , waarbij middels de rode streepjeslijn de globale beoogde toekomstige ligging van de waterloop is weergegeven . Afvalwater Het afvalwater in het park ontstaat voornamelijk door het gebruik van toiletten en de aanwezige horeca. Momenteel wordt al gebruik gemaakt van waterbesparende maatregelen om de hoeveelheid afvalwater te beperken. Toverland heeft in het park bijvoorbeeld al urinoirs zonder toiletspoelingen in gebruik. Daarnaast zijn er een aantal attracties die in beperkte mate water lozen op de riolering. In de huidige situatie wordt zo min mogelijk gebruik gemaakt van chemicaliën in proceswater. Om het water te zuiveren wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van zuiverin gstechnieken, zoals rietfilters in Avalon. Het water is niet verontreinigd en kan naar oppervlaktewater, zoals de noordelijke vijver, worden afgevoerd. Bij sommige attracties is dit niet mogelijk, zoals bijvoorbeeld de drakenslangen waterglijbanen en de Ka tara fonteinen, omdat ten behoeve van de waterkwaliteit chemicaliën noodzakelijk zijn. Hier wordt het afvalwater eerst gebufferd en daarna afgevoerd naar het riool. Een keer per jaar wordt de hele vijver bij de Katara fonteinen schoongemaakt en geloosd op de riolering.
De gemeente Horst aan de Maas en Waterschapsbedrijf Limburg zijn verantwoordelijk voor het transport en de verwerking van het afvalwater van Toverland. Door de beoogde ontwikkelingen ontstaat er een grotere hoeveelheid afvalwater. Om die reden is ook nu al gekeken naar of het hui dige afvoer gemaal van Toverland deze hoeveelheden aan kan.
96
Het huidige gemaal, in beheer bij de gemeente Horst aan de Maas, blijft het enige punt waar afvalwater wordt aangeboden. Het gemaal kan een afvoercapaciteit van 65 m³/h behalen, maar de afvoer kent met name in het lozingspunt van Sevenum zijn beperkingen. Daarnaast is het relevant om te noemen dat ‘recreatiepark de Schatberg’ op dezelfde locatie loost als Toverland en ook uitbreidingsplannen heeft. Hierdoor kan het zijn dat extra maatregelen in het afvalwatersysteem moeten worden getroffen. Om het functioneren van de openbare riolering te waarborgen is het noodzakelijk dat Toverland met de gemeente Horst aan de Maas en Waterschapsbedrijf Limburg afspraken maakt over aanpassingen in de gemeentelijke riolering, zodat er door het extra afvalwater geen problemen ontstaan vanuit de riolering in de kern van Sevenum. Daarbij is het ook van belang dat het transport van het afvalwater naar de RWZI in Venlo blijft gewaarborgd. Bij de verdere uitwerking van het riolering splan voor Toverland zijn dit aspe cten die nadere aandacht vragen. Toverland zal het aspect afvalwater bij toekomstige ontwikkelingen dan ook in nauwe samenspraak met de gemeente Horst aan de Maas en het Waterschapsbedrijf Limburg uitwerken. De verwachting is hierbij dat het proceswater in basis niet op de riolering geloosd hoeft te worden.
Het streven is zo min mogelijk chemicaliën toe te voegen of een zuivering toe te passen zodat lozing op oppervlaktewater kan plaatsvinden. Mocht het wel noodzakelijk zijn dat bij een bepaalde attractie wordt geloosd op de riolering dan wordt dit in de nachtelijke uren geloosd. Verder dient te worden opgemerkt dat zowel in de huidige situatie als bij de toekomstige uitbreidingen gebruik wordt gemaakt van waterbesparende maatregelen waarbij onder andere toiletspoelingen, urinoirs maar ook douches minder water gebruiken. Hemelwater Het bestaande attractiepark bestaat uit overdekte hallen, parkeerplaatsen, overdekte en open attracties, waterpartijen (deels afgewerkt met folie) en verbindingspaden. Binnen het bestaande attractiepark zijn drie grondwatergevoede waterpartijen aanwezig. H et overige gedeelte binnen de begrenzing van het plan bestaat uit grasland en akkerbouwpercelen. Het regenwater dat in het park valt wordt gescheiden ingezameld van het vuilwater. Binnen het terrein zijn verschillende vijvers en waterberging- en infiltratievoorzieningen, zoals wadi’s, grindkoffers en greppels aanwezig, die regenwater van verharding en daken opvangen en waarbij het overtollige hemelwater in de bodem infiltreert. Bij extreme neerslag situaties vindt er op verschillende plaatsen een overstort plaats naar de oppervlaktewateren buiten het terrein van het park.
De parkeervakken ten behoeve van bezoekers zijn in gras uitgevoerd zodat regenwater direct kan infiltreren . De toegangswegen zijn gedeeltelijk verhard en gedeeltelijk onverhard. Daar waar verharding aanwezig is , zijn ook greppels aangebracht om regenwater op te vangen, te infiltreren en overlast te voorkomen. De noordelijke vijverpartij vangt het 'teveel' aan water op vanuit Avalon. Deze noordelijke vijver heeft verder geen aansluiting op watergangen van W aterschap Limburg. Vanuit deze vijver wordt water on ttrokken voor het besproeien en bevloeien van de op het park aanwezige vegetatie. De twee zuidelijke vijvers worden gevoed met regenwater afkomstig van het dak van de eerste hal en de meest zuidelijk gelegen parkeerplaatsen. Deze meest oostelijk gelegen wa terpartij heeft een afvoer richting de Wertemer. Het overtollig regenwater stort uiteindelijk over op de Wertemer. Voor de toekomstige situatie geldt dat de eerste 100 mm hemelwater op het terrein zelf geborgen en geïnfiltreerd wordt, met een beschikbaarheid van de bergingsvoorziening(en) binnen 24 uur . Om het hemelwater te kunnen vasthouden en infiltreren kunnen bovengrondse- ondergrondse en/of grondwatergevoede waterplassen worden aangelegd. Alleen in uiterst extreme gevallen kan het hemelwater niet binnen het gebied worden geborgen en stort het hemelwater over naar het oppervlaktewater.
In de toekomstige situatie is, onder de normale omstandigheden, geen sprake van een toename van overstorten d hemelwater op de leggerwatergangen. De waterstanden en de
97
stromingsrichting van de leggerwatergangen worden hierdoor niet beïnvloedt. Alleen in zeer extreme situaties stort hemelwater dat niet binnen het gebied kan worden vastgehouden (>100 mm) over op de watergang. Dit kan een tijdelijke verhoging van de waterst and in de leggerwatergang van de Wertemer veroorzaken. Het betreft hier neerslag afkomstig van de verhardingen en de gebouwen, waarbij gewerkt wordt met niet uitloogbare materialen en bij overstorting richting het oppervlaktewater van het waterschap reeds veel verdunning heeft plaatsgevonden. Een overstort vanuit het gemengd rioolstelstel is niet aanwezig. Extra vervuiling van het oppervlaktewater van het waterschap, als gevolg van de hemelwateroverstort, is niet aan de orde. Door de eigen berging en infiltratieheeft afstromend hemelwater geen effect op de waterstand en stromingsrichting van de legger watergangen Wertemer en Steegbergheide . Uitgangspunten voor toekomstige uitwerking De rapportage inzake de watertoets is afgesloten met een paragraaf inzake de uitgangspunten voor de verdere toekomstige uitwerking. Deze uitgangspunten zijn onderstaand weergegeven en vormen de basis voor de uitwerking van de toekomstige (uitbreidings-)plannen van Toverland.
Grondwater en wateroverlast: Het is verstandig om het grondwater binnen het plangebied de komende jaren te monitoren en op basis van de meetresultaten een meer gedetailleerde grondwaterregiem vast te stellen om zo beter inzicht te krijgen in de mogelijkheden om water in het westelijk deel te kunnen vasthouden en te infiltreren. Voor het realiseren van voldoende drooglegging dient deelgebied I te worden opgehoogd met ten minste 0,3 m of minstens 0,5 m in geval van secundaire wegen en parkeerterrein. Door voor de gebouwen binnen de ontwikkelingen minimaal een 20 cm hoger bouwpeil te hanteren dan het maaiveldniveau wordt wateroverlast ook in zeer extreme situaties in de gebouwen voorkomen. Bij de uitbreiding van het attractiepark wordt geadviseerd om de elektriciteitskasten van de attracties niet op maaiveldniveau aan te leggen, maar juist hoger. Hierdoor wordt schade als gevolg van wateroverlast tot een minimum verkleind. Berging- en infiltratievoorzieningen Binnen het plangebied wordt 100 mm hemelwater geborgen en in de bodem geïnfiltreerd. Alleen bij zeer extreme gebeurtenissen (>100 mm) stort hemelwater over op het oppervlaktewater van de Wertemer. Op de met name hogere delen (oostelijk deel) wordt zoveel m ogelijk water vastgehouden en in de bodem geïnfiltreerd.
Ter plaatse van de lagere delen (met name de westelijke delen) wordt het water vastgehouden, indien de grondwaterstand het toelaat geïnfiltreerd en bij een hoge grondwaterstand vertraagd afgevoerd. Berging en infiltratie in grote waterpartijen van verschillende deelgebieden is mogelijk mits de waterpartijen op de lager gelegen gronden worden aangelegd. Hemelwater dient op natuurlijke wijze te kunnen worden afgevoerd naar deze waterpartijen. De oude loop van de Steegbergheide en de Wertemer kan binnen het plan worden gebruikt om water in te bergen en te infiltreren. Ook dient het gedraineerde perceel, kadastraal bekend als SevenumN49 aan de Schor fvenweg, te allen tijde hierop te kunnen afwateren. Wanneer deze oude loop gebruikt wordt om water te bergen, dient er dus voldoende capaciteit over te blijven voor de drainering van dit hiervoor genoemde perceel. Een gestuwde afvoer van de oude lopen naar de nieuwe waterlopen bl ijft dan ook behouden. D aarnaast worden de nut en noodzaak van de bestaande stuw in de Steegbergheide in de hydraulische toetsing onderzocht en indien nodig verplaatst naar de nieuwe loop van de Steegbergheide . Het verleggen van de leggerwatergangen naar het tracé naast de Midden Peelweg creëert kansen voor het combineren met de bergingsopgave voor zowel de nieuwe als het oude tracé van de watergangen.
Ter plaatse van de bestaande gasleiding en de nieuwe leidingstrook mogen geen berging - en of infiltratievoorzieningen, zowel boven- als ondergronds, worden aangelegd. Afvalwater
98
-
-
Voor een goede afvoer van het afvalwater dienen bufferputten te worden gerealiseerd zodat ook in pieksituaties geen problemen ontstaan. Daarnaast dient het proceswater in de nacht te worden geloosd om piekbelasting overdag te voorkomen. Knelpunten in het openbare rioleringssysteem van de gemeente en Waterschapsbedrijf Limburg voorkomen. De pompinstallatie kan de extra hoeveelheid afvalwater wel verwerken maar ter plaatse van het lozingspunt van de persleiding kan de openbare riolering de extra hoeveelheid afvalwater niet verwerken. Het is noodzakelijk dat in de verdere uitwerking van het rioleringsplan van Toverland concrete afspraken worden gemaakt met de gemeente en Waterschapsbedrijf Limburg. Gedacht kan worden aan: o Bufferen op eigen perceel en vertraagd afvoeren. o Aanpassingen van openbare riolering vanwege vullingsgraad van riolering door de grotere lozing. o Verhogen pompovercapaciteit van gemalen gemeente en W aterschapsbedrijf Limburg.
Verleggen Wertemer en Steegbergheide Op basis van een hydraulische toets en in nauw overleg met W aterschap Limburg wordt het profiel van het nieuwe tracé bepaald en wordt de bestaande stuw in de Steegbergheide verplaatst naar een locatie in het nieuwe tracé. Hierbij mogen geen negatieve effecten voor het grondwater worden veroorzaakt. Bluswatervoorzieningen: Bij nieuwe ontwikkelingen dienen steeds voldoende bluswatervoorzieningen (geboorde brandputten met een ontwerpcapaciteit van ten minste 60 m 3 /uur gedurende vier uur onafgebroken) te worden gerealiseerd, een en ander in afstemming met de Veiligheidsregio. Duurzaamheidsambities en kansen Voor de verder planontwikkeling wordt voor zover het binnen de bedrijfsvoering mogelijk is rekening gehouden met de volgende duurzaamheidsambities: Water is binnen het plan een belangrijk kwaliteitsaspect, zowel in sfeer, beleving als biodiversiteit. Dit is een vereiste voor de verdere uitwerking van de ontwerpen en inrichting. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van doelmatige waterbesparende voorzieningen. Op de met name hogere delen (oostelijk deel) wordt zoveel mogelijk water (minimaal 100 mm) vastgehouden en in de bodem geïnfiltreerd.
Ter plaatse van de lagere delen (met name de westelijke delen) wordt zoveel mogelijk water (minimaal 100 mm) vastgehouden en, indien de grondwaterstand het toelaat, geïnfiltreerd en bij een te hoge grondwaterstand vertraagd afgevoerd. In de laagste delen kan, mits bebouwing verhoogd wordt aangelegd, worden gebouwd. Echter de bebouwings - en verhardingsgraad dient hier minder i ntensief te zijn, zodat voldoende ruimte kan worden gereserveerd voor de berging en infiltratie van hemelwater. Alleen bij zeer extreme gebeurtenissen (>100 mm neerslag) stort hemelwater over naar het oppervlaktewater van de Wertemer. Het verleggen van de leggerwatergangen naar het tracé naast de Midden Peelweg creëert kansen voor het combineren met de bergingsopgave voor zowel de nieuwe als het oude tracé van de watergangen. De uitbreidingen in het attractiepark vragen mogelijk om extra gebruik van water. Door het waterschap is de suggestie gedaan om hiervoor oppervlaktewater te gebruiken. Indien de verdere uitbreiding van het attractiepark gaat spelen, wordt, in overleg met w aterschap Limburg, gekeken of het gebruik van oppervlaktewater voor de attracties zowel kwalitatief als kwantitatief mogelijk is. Daarnaast wordt gekeken of toevoer van oppervlaktewater voor extra infiltratie in de vijvers om verdroging in de omgeving tege n te gaan binnen de bedrijfsvoering past.
De uitbreidingen in het attractiepark vragen mogelijk om extra gebruik van water. Door het waterschap is de suggestie gedaan om hiervoor oppervlaktewater te gebruiken. Bij de verdere uitbreiding van het attractiepark wordt, in overleg met waterschap Limburg, gekeken of het gebruik van oppervlaktewater voor de attracties zowel kwalitatief als kwantitatief mogelijk is. Daarnaast wordt gekeken of toevoer van
99
oppervlaktewater voor extra infiltratie in de vijvers om verdroging in de omgeving tegen te gaan binnen de bedrijfsvoering past.
Watertoets versus bestemmingsplan Tot slot dient te worden opgemerkt dat dit bestemmingsplan slechts een juridisch-planologisch kader biedt waarbinnen de beoogde ontwikkeling verder vormgegeven kan worden. De exacte wijze waarop wordt omgegaan met hemelwater, wordt nader uitgewerkt in het kader va n de uiteindelijke toekomstige omgevingsvergunningaanvrag en, omdat op dat moment ook pas bekend is hoeveel bebouwing en verharding gerealiseerd wordt en welke bergingsopgave dit tot gevolg heeft. Overleg waterbeheerder In het kader van de totstandkoming van de watertoets heeft reeds overleg plaatsgevonden met de gemeente Horst aan de Maas en het Waterschap Limburg. Het bestemmingsplan is in het kader van het van het vooroverleg en de watertoets ter beoordeling voorgelegd aan het Waterschap Limburg. Voor meer informatie over de reactie van het Waterschap Limburg wordt verwezen naar de nota vooroverleg die als bijlage bij het bestemmingsplan is opgenomen.
4.16
Milieueffectrapportage
4.16.1
Algemeen Om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, dient in een vroeg stadium te worden beoordeeld of de toekomstige activiteiten mogelijk significante effecten hebben op milieu, natuur of landschap. Een eerste stap in dit proces is een beoordeling of het planvoornemen voldoet aan de drempelwaarden uit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Besluit m.e.r. In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) heeft het Rijk een groot aantal activiteiten benoemd die in potentie qua aard en omvang dusdanige effecten op de omgeving zouden kunnen veroorzaken, dat hiervoor in bepaalde gevallen een m.e.r. -plicht, respectievelijk m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hiermee kan het milieubelang een vroegtijdige en volwaardige rol spelen in de besluitvorming over een bepaald plan of besluit. Onderstaand is een uitsnede uit het Besluit m.e.r. opgenomen.
Cat. D10
Kolom 1 Activiteiten
Kolom 2 Gevallen
Kolom 3 Plannen
Kolom 4 Besluiten
De aanleg, wijziging of uitbreiding van: a. skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen; b. jachthavens. c. vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen, d. permanente kampeeren caravanterreinen, of e. themaparken.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. 250.000 bezoekers of meer per jaar, 2°. Een oppervlakte van 25 hectare of meer, 3°. 100 ligplaatsen of meer of 4°. een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied.
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet, de vaststelling van het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied, het reconstructieplan, bedoeld in artikel 11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in artikel
De vaststelling van het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied dan wel een plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden dan wel bij het ontbreken daarvan het plan bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in
100