06c Toelichting bpvr Toverland (05-12-25)
Tekst van het document
48
7.9 7.10.
7.11.
Handhaving van onrechtmatige huisvesting wordt in 2018 opgepakt door de samenwerkende gemeenten. De provincie beziet in hoeverre zij daarbij een faciliterende/ondersteunende rol kan spelen. De Woonvisie is leidend ten aanzien van huisvesten van arbeidsmigranten en permanente bewoning op recreatieparken, binnen het kader van de Omgevingsverordening Limburg. Bestaande huisvesting van arbeidsmigranten willen we afbouwen, zodra elders huisvestin g mogelijk is. Ontwikkelingen met betrekking tot dit thema zullen dan ook in onderling overleg worden opgepakt. De provincie spant zich in om samen met de regio de kwaliteit en betrouwbaarheid van de jaarlijkse monitor in stand te houden en de regio haar eigen 3 -jaarlijkse monitor (zie afspraak 1.6).
Kampeerplaatsen (terreinen zonder vaste opstallen)
bungalows, chalets, stacaravans, vakantiewoningen en appartementen (terreinen met vaste opstallen)
informeren Nieuwvestiging : t/m 25 eenheden.
Nieuwvestiging: t/m 5 eenheden.
Uitbreiding: bij minder dan 25% uitbreiding.
Uitbreiding: bij minder dan 10% (met een minimum van 5)
afstemmen Nieuwvestiging: bij meer dan 25 eenheden
Nieuwvestiging: bij meer dan 5 eenheden
Uitbreiding: bij meer dan 25% uitbreiding
Uitbreiding: bij meer dan 10% uitbreiding (met een minimum van 5)
instemmen Nieuwvestiging: indien afgeweken wordt van vereveningsafspraak
Nieuwvestiging: vanaf 25 eenheden en/of indien afgeweken wordt van vereveningsafspraak
Uitbreiding: indien afgeweken wordt van vereveningsafspraak
Uitbreiding: bij meer dan 25% uitbreiding en/of indien afgeweken wordt van vereveningsafspraak
Analyse Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan de regels zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014 en ook in de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2024) . Het plan is in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.4 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord -Limburg. Het plan is reeds besproken in de regionale werkgroep Vrijetijdseconomie en binnen de regio inmiddels zowel ambtelijk als bestuurlijk akkoord bevonden. Met de uitbreiding van Toverland wordt verder invulling gegeven aan het vergroten van de attractiewaarde van dagrecreatieve voorziening Attractiepark Toverland in z’n algemeenheid , waarmee tevens de toeristischrecreatieve functie van het vrijetijdslandschap wordt versterkt. Specifiek geldt met betrekking tot verblijfsrecreatie dat geen sprake is van verblijfsrecreatie direct in concurrentie met reguliere verblijfsrecreatie.Zoals ook beschreven in de onderbouwing in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragraaf 3.1.2 ), is sprake van een hoge mate van uniciteit, met gethematiseerde verblijfsrecreatie. Het gebruik van de verblijfsrecreatie is ook onlosmakelijk verbonden met een bezoek aan Toverland. Dit is in de regels van het bestemmingsplan verankerd.
In het ambtelijk casusoverleg / PHO Ruimte in juli 2022 is de ontwikkeling van Toverland, met inbegrip van de beoogde verblijfsrecreatie besproken. De regiowerkgroep vrijetijdseconomie heeft aangegeven in te stemmen met de geschetste ontwikkeling van Toverland voor de lange termijn, zowel voor het onderdeel dagrecreatie als voor de verblijfsrecreatie. Daarbij is het voor vrijetijdseconomie vooral bela ngrijk dat de feitelijke toevoeging van verblijfsrecreatie altijd in balans is met de ontwikkeling van de da grecreatiecomponent. Ook dient de toevoeging van verblijfsrecreatie de regionale balans tussen vraag en aanbod niet ingrijpend te verstoren. Daarnaast moet de koppeling tussen verblijfs- en dagrecreatie aanwezig zijn, waardoor een entreebewijs onderdeel uitmaakt van de
49
overnachting. Aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan. Zo is in de regeling een directe koppeling gelegd tussen het gebruik van verblijfsrecreatie als onderdeel van het bezoek aan Attractiepark Toverland en is door de hoge mate van uniciteit geen sprak e van verstoring van de regionale balans. Gelet op de hoge mate van uniciteit en het feit dat is ingestemd met het initiatief, is geen sprake van een verplichting tot verevening. Conclusie Het initiatief is in lijn met de Omgevingsverordening Limburg 2014 en de Omgevingsverordening Limburg (2024) . Daarnaast heeft de regiowerkgroep vrijetijdseconomie onder voorwaarden ingestemd met de initiatieven. De voorwaarden zijn in artikel 3.7.1 onder b van de regels van voorliggend bestemmingsplan verwerkt. Hierin is gesteld dat de toevoegingen van verblijfsrecreatie uitsluitend is toegestaan als aangetoond is dat de toename van het aantal recreatieve verblijfseenheden met aantal bedden niet leidt tot een aantasting van de balans van vraag en aanbod naar verblijfsrecreatie in de regio.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Horst aan de Maas In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. De gemeente Horst aan de Maas heeft hiertoe de ‘ Structuurvisie Horst aan de Maas’ vastgesteld, waarvan de laatste actualisatie is vastgesteld op 26 november 2019. In relatie tot toerisme en recreatie is één van de gemeentelijke speerpunten het realiseren van een kwaliteitsslag op het gebied van toerisme, recreatie en horeca. Ingezet wordt op een divers en een kwalitatief hoogwaardig aanbod. Belangrijke uitgangspunte n zijn: • Verantwoord doorontwikkelen van bestaande recreatiebedrijven; • Verantwoord ontwikkelen van horecabedrijven; • Nieuwe initiatieven moeten onderscheidend en vernieuwend zijn. De gemeente onderkent dat verdere ontwikkeling van bestaande bedrijven noodzakelijk is om goede kwaliteit te kunnen garanderen. Daarnaast wordt gestreefd naar verbreding van de bedrijfsvoering. Combinaties van kampeerterreinen en binnenaccommodaties worden gestimuleerd, alsook het aanbieden van andere dagrecreatieve voorzieningen naast verblijfsrecreatie. Belangrijk hierbij is de kwaliteit en het diverse aanbod. Nieuwe activiteiten moeten daarom iets toevoegen waardoor het geheel onderscheidend en vernieuwe nd is voor de gemeente.
De toetsing of bij een initiatief sprake is van een ‘hoge kwaliteit’ en ‘onderscheidend vermogen’ vindt plaats op basis van de criteria zoals opgenomen in het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu en de ‘Visie (verblijfs)recreatie en horeca Horst aan de Maas’ (zie paragraaf 3.3.3 ).
3.3.2
Ontwerp Omgevingsvisie Horst aan de Maas De gemeente heeft op 23 juni 2025 de Ontwerp Omgevingsvisie voor de gemeente Horst aan de Maas ter inzage gelegd. Ook in dit beleidsdocument is het gebied De Peelbergen aangewezen voor een bundeling van toeristisch-recreatieve functies. De gemeente geeft hier aan dat ‘ontspanning, sport en recreatie samenkomen op een manier die past bij het landschap’. Daarbij kijkt de gemeente vooral naar kwaliteit, veiligheid en bereikbaarheid. Buiten De Peelbergen staat de gemeente geen grootschalige ontwikkeling van rec reatie of leisure toe. Daar kiest de gemeente bewust voor, om de balans tussen rust en recreatie te behouden. Ook in de ontwerp -omgevingsvisie staat Toverland overigens als sterke regionale trekker en pijler van de toeristische economische structuur genoemd, waarbij aandacht voor bereikbaarheid aandachtspunt is.
50
Afbeelding 3 .4 . Uitsnede kaart zonering Structuurvisie Horst aan de Maas. Op basis van de structuurvisie is vrijwel het volledige plangebied gelegen in het gebied ‘Park de Peelbergen e.o.’ en meer specifiek in deelgebied ‘2B Recreatief agrarisch gebied’. Slechts een klein deel aan de zuidoostzijde van het plangebied valt binnen gebied ‘2A Bos - en natuurgebieden’. Dit deel maakt echter reeds geruime tijd onderdeel uit van het attractiepark. Park de Peelbergen is een ontwikkelingsgebied voor nieuwe toeristische en recreatieve voorzieningen, in combinatie met nieuwe natuur. Het landschap bestaat deels uit open gebied, met diverse kavelgrootten, dat, al dan niet geleidelijk, overgaat in bosgebie d. Het toeristisch-recreatief gebied is overwegend agrarisch van aard, met enkele grootschalige, maar nauwelijks zichtbare recreatiecomplexen. Er zijn beperkte ecologische waarden aanwezig, gekoppeld aan de aanwezige bosmilieus. Qua gebruik zijn (intensieve) landbouw en intensieve recreatie overheersend. Algemene doelstellingen voor dit gebied luiden als volgt: • Zoveel mogelijk behouden bestaande natuurwaarden, in goede combinatie met (natuurgerichte) recreatie; • Aanwezige functies kunnen omgezet worden ten behoeve van recreatie. Verdere verstening is niet mogelijk, met uitzondering van Park de Peelbergen; • Recreatieve ontsluiting tussen Peel en Maas stimuleren.
Binnen het deelgebied ‘2B Recreatief agrarisch gebied’ gelden de volgende aanvullende doelstellingen: • Realiseren ecologische verbindingen tussen natuurkernen, onder meer gekoppeld aan bermen, spoordijken en sloten; • Bestaande intensieve veehouderijbedrijven mogen in deze gebieden niet meer groeien dan in het bestemmingsplan is toegestaan en worden gestimuleerd te transformeren naar recreatieve/toeristische bedrijven. Gemeentelijk kwaliteitsmenu In de structuurvisie is tevens het Gemeentelijk kwaliteitsmenu (GKM) verankerd. Het GKM is van toepassing indien het geldende bestemmingsplan niet direct voorziet in de betreffende ontwikkeling en deze middels bijvoorbeeld een bestemmingsplanherziening of omgevingsvergunning mogelijk gemaakt moet worden.
51
Per type ontwikkeling is in het GKM aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: • De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; • De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; • De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; • De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied (roze kleur in de matrix). Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar. De Raad c.q. het college van burgemeester en wethoud ers neemt in dit geval een beargumenteerd besluit over het initiatief. Analyse De uitbreiding van Toverland past niet geheel binnen de gemeentelijke beleidslijnen zoals omschreven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. Deze structuurvisie is voor het plangebied echter achterhaald voor de vaststelling van de visie ‘De Peelbergen’. Voor een toetsing aan de visie ‘De Peelbergen’ wordt verwezen naar paragraaf 3.3.4 . De uitbreiding van Toverland is getoetst aan het gemeentelijke kwaliteitsmenu. Voor het planvoornemen geldtdat de module ‘gebiedseigen recreatie en toerisme’ van toepassing is.
Voor de gebiedseigen recreatieve en toeristische ontwikkelingen gelden het bereiken van een groen karakter en voldoende ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkeling en de directe omgeving als uitgangspunt. Er dient altijd een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing te worden gerealiseerd. Daarnaast dient er sprake te zi jn van een extra kwaliteitsbijdrage. De landschappelijke inpassing (het landschappelijk raamwerk, zoals beschreven in paragraaf 2.3.4 ) is in de regels verankerd middels een voorwaardelijke verplichting. Afspraken in het kader van het GKM zijn vastgelegd in de afgesloten anterieure overeenkomst tussen de gemeente Horst aan de Maas en de initiatiefnemer.
Op grond van de tabel ‘Gebiedsindeling nieuwe en bestaande recreatieve en horeca ondernemingen’ geldt verder: • een positieve grondhouding voor hotels, mits deze ondersteunend en complementair zijn aan de dagrecreatie; • een positieve grondhouding voor B&B/groepsaccommodaties, mits passend binnen de bestaande bebouwing (vervangende bebouwing alleen in overleg); • een positieve grondhouding voor vakantiewoningen, mits passend binnen de bestaande bebouwing (vervangende bebouwing alleen in overleg); • een meedenkende grondhouding voor een kleinschalige camping, mits passend binnen de bestaande bebouwing (vervangende bebouwing alleen in overleg); • een meedenkende grondhouding voor een kleine camping, mits passend binnen de bestaande bebouwing (vervangende bebouwing alleen in overleg); • een negatieve grondhouding voor een camping vanaf 80 plaatsen; • een positieve grondhouding voor dagrecreatie; • een voorwaardelijke grondhouding voor horeca I en II, tenzij het ondersteunend en complementair is aan dagrecreatie . In het voorliggende geval is sprake van de mogelijkheid om een hotel, kampeerplaatsen en recreatieverblijven te realiseren. Hierbij dient echter te worden opgemerkt dat uitdrukkelijk geen sprake is van solitaire functies. Al deze functies maken onlosmakelijk onderdeel uit van Attractiepark Toverland en daarmee van de functie ‘dagrecreatie’ .
De genoemde functies worden daarom passend geacht binnen het totaalconcept voor Attractiepark Toverland en binnen de module ‘gebiedseigen recreatie en toerisme’ .
52
Conclusie De structuurvisie is voor het plangebied achterhaald voor de vaststelling van de visie ‘De Peelbergen’. Voor een toetsing aan de visie ‘De Peelbergen’ wordt verwezen naar paragraaf 3.3.3. Verder wordt invulling gegeven aan het GKM, waarmee de ontwikkeling past binnen de daartoe gestelde kaders. De afspraken in het kader van het GKM zijn vastgelegd in de anterieure overeenkomst zoals deze is afgesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer.
3.3.3
Visie (verblijfs)recreatie en horeca Horst aan de Maas De gemeenteraad heeft op 9 april 2013 de ‘Visie (verblijfs)recreatie en horeca Horst aan de Maas’ vastgesteld. Met deze visie wil de gemeente Horst aan de Maas zich richten op een divers en kwalitatief hoogwaardig aanbod op het gebied van toerisme, recreat ie en horeca. Belangrijke uitgangspunten voor deze visie zijn: • Verantwoord (door) ontwikkelen van bestaand recreatie- en horecabedrijven en ; • Nieuwe initiatieven zijn onderscheidend en vernieuwend. Er wordt gesproken over een onderscheidend initiatief wanneer: • dit initiatief meer kwaliteit biedt ten opzichte van het bestaande gemeentelijke aanbod, zodat dit leidt tot het inzetten op een ander segment in de markt; • er sprake is van verbreding van het product, met andere vormen van verblijfsrecreatie of dagrecreatie; • het seizoen kan worden verlengd en nieuwe doelgroepen door meer ‘winterharde’ accommodaties, zoals gastenkamers (B&B), vakantieappartementen, groepsaccommodaties, etc. kunnen worden aangetrokken. De nadruk ligt hierbij op inpandige voorzieningen; • ingezet wordt op specifieke en bij voorkeur nieuwe doelgroepen voor Horst aan de Maas.
• er sprake is van landschappelijke onderscheidenheid, bijvoorbeeld met een landgoed - of landschapscamping; • er sprake is van verknoping van activiteiten samen met andere bedrijven, waaronder dagrecreatie; • een bijzonder thema in een product kan worden ingebed, middels marketing en activiteiten. Hierbij wordt er gesproken van een hoge kwaliteit als: • de accommodatie in een goede onderhoudsstaat verkeerd; • het initiatief landschappelijk is ingepast; • de horeca is voorzien van moderne en schone sanitair en keukens; • de verblijfsvoorzieningen zijn voorzien van ruimere slaapkamers, verblijfruimten en stapplaatsen; • het initiatief onderscheidend is en een nieuwe productieformule heeft; • er sprake is van comfort en veiligheid; • er sprake is van een hoog niveau van klantenservice en gastvrijheid; • activiteiten voor gasten worden georganiseerd; • het initiatief een professionele, creatieve en vernieuwende marktbeweging met zich meebrengt. Analyse De uitbreiding van Toverland past binnen de gemeentelijke beleidslijnen, zoals omschreven in de Visie (verblijfs)recreatie en horeca Horst aan de Maas. De combinatie tussen verblijfs - en nieuwe dagrecreatieve voorzieningen trekt nieuwe doelgroepen aan naar de gemeente Horst aan de Maas. Dit leidt, samen met de seizoensverlenging door inpandige voorzieningen, tot een verbreding van de bedrijfsvoering.
Dit maakt het planvoornemen een onderscheidend en kwalitatief plan. Conclusie De ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals omschreven in de ‘Visie (verblijfs)recreatie en horeca Horst aan de Maas’.
53
3.3.4
Visie De Peelbergen (regionaal) Op 13 maart 2018 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas visie ‘De Peelbergen’ vastgesteld. Met deze visie richt de gemeente Horst aan de Maas zich op toekomstige ontwikkelingen van De Peelbergen. De Peelbergen is een gebied met een natuurlijke omgeving gelegen tussen de Peel en de Maas, met een diversiteit aan landschapskenmerken, waarin een verz ameling aan recreatiebedrijven gevestigd zijn. Het samenspel van natuur en recreatieve mogelijkheden in De Peelbergen vormt de basis voor de aantrekkingskrach t van het gebied en is belangrijk voor de economische ontwikkeling in de gemeente Horst aan de Maas. Met de vrijetijdseconomie als tweede economische pijler levert het een grote bijdrage aan werkgelegenheid en veroorzaakt het veel economische spin -off in de gehele gemeente. De ambitie is dat zowel de individuele initiatieven als het gebied in zijn geheel bij bezoekers én bewoners een belevingswaarde van een 9+ genereert. Deze ambitie maakt de gemeente vooral waar door bestaande ondernemingen en activiteiten te optimaliseren en écht met de ondernemers in het gebied mee te denken, zodat De Peelbergen zich blijft ontwikkelen met kwaliteit als uitgangspunt.
In de visie is aangegeven dat Toverland hierbij de ambitie heeft om middels nieuwe attracties en een vier-sterren-resort naast het park uit te breiden om zo door te groeien van 700.000 naar 1 miljoen bezoekers per jaar. Mede door deze uitbreiding en groeia mbities van het attractiepark, kan De Peelbergen zich doorontwikkelen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat deze ambities inmiddels zijn achterhaald door de lange termijnambities waarvoor het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld.
Afbeelding 3 .5 . Visiekaart De Peelbergen.
Specifiek voor het ontwikkelingsgebied Grandorse – Toverland is aangegeven dat in dit gebied ruimte wordt gereserveerd voor de doorontwikkeling van hippische zone Grandorse en attractiepark Toverland. Beiden kennen hoge groeiambities. Om die reden is er ge en ruimte voor nieuwe initiatieven van derden in dit gebied. De globale begrenzing van het ontwikkelingsgebied voor Toverland is weergegeven op afbeelding 3.5. Dit ontwikkelingsgebied komt overeen met de begrenzing van het plangebied van dit bestemmingspla n. In de visie is verder aangegeven dat de volgende omgevingswaarden in acht dienen te worden genomen, waarbij gebiedskwaliteit de basis is voor de toekomst: • De inpassing van recreatieve ontwikkelingen dienen bij te dragen aan versterking van de landschapsstructuur in De Peelbergen. Hiervoor dient getoetst te worden aan het GKM zoals omschreven in paragraaf 3.3.1 . • Daarnaast dienen de kansen bij wateropgaven (als gevolg van klimaatverandering) benut te worden om een combinatie tussen natuur en landschapsontwikkeling te creëren en dient natuurcompensatie (indien noodzakelijk) een bijdragen te leveren aan versterking v an natuur en landschapsstructuur. • Bovendien is het belangrijk dat de beleving in het gebied wordt verhoogd door optimalisering en uitbreiding van het routenetwerk dat gekoppeld is aan mooie en bijzondere plekken.
• Verder dient er een kritische houding te worden aangenomen ten aanzien van de effecten van recreatieve activiteiten in de bosgebieden en dienen recreatieve activiteiten gezoneerd te zijn. • Ook is het van belang dat de verschillende gebieden in De Peelbergen een uitstekende autobereikbaarheid hebben en dat de bereikbaarheid door openbaar vervoer in het gebied verbeterd wordt. • Tevens moet het omliggende gebied in hoofdzaak rust en ruimte uitstralen en zullen op enkele plekken verrassende doorzichten naar de recreatieve bedrijven in het gebied zijn.
54
Analyse De uitbreiding van Toverland sluit aan bij de ambities zoals omschreven in de visie De Peelbergen om De Peelbergen te laten doorontwikkelen tot een kwalitatief en uniek gebied. De begrenzing van het plangebied komt overeen met de begrenzing van het ontwikkelingsgebied in de visie. Verder zal Toverland worden ingepast in de landschappelijke structuur van de Peelbergen. Het attractiepark zal omgeven worden door bosstructuren die aansluiten op de bestaande bosgebieden. Op deze manier zal Toverland in de toekom st als het ware in het bos liggen. Dat wil niet zeggen dat Toverland geheel weggestopt wordt. In de randen zullen enkele doorzichten zijn, zoals ook in een bosgebied het geval is. Op deze wijze wordt bijgedragen aan de versterking van de landschapsstructuur inDe Peelbergen , waarbij tevens aandacht is voor wateropgaven . Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 2.3.4 . Daarnaast is in het planvoornemen rekening gehouden met voldoende parkeervoorzieningen en een goede (auto)bereikbaarheid. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.12 . Conclusie De ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals omschreven in de visie ‘De Peelbergen’.
3.3.5
Bomenbeleidsplan gezonde bomen voor een gezonde leefomgeving (2025) Bomen zorgen voor een gezonde, koele, herkenbare en aantrekkelijke leefomgeving voor mens en dier en zijn daarom van groot belang. Vanwege de sterke behoefte om bomen beter te beschermen, meer bomen aan te planten, meer diversiteit in het bomenbestand aan te brengen en te werken aan het halen van de landelijke bomennorm heeft de gemeente sinds juli 2025 een nieuw bomenbeleid vastgesteld. Hierin streeft de gemeente naar een gevarieerd bomenbestand met voldoende diversiteit in soorten en de juiste boom op de juiste plek, om bij te dragen aan gezondheid en klimaatadaptatie (luchtkwaliteit, verkoeling, vasthouden water), het vastleggen en beter beschermen van belangrijke boomstructuren en landschapselementen. Met dit bomenbeleid zet de gemeente in op betere bomen, meer en beter beschermde bomen en betere samenwerking rond bomen. Als bijlagen bij dit bomenbeleidsplan zijn onder andere overzichten opgenomen met lijsten en kaarten van bijzondere en monumentale bomen in de gemeente en van de belangrijkste bomenstructuren. Analyse
Afbeelding 3.6
Uitsnede overzichtskaart boomstructuren B( omenbeleidsplan)
In afbeelding 3.6 is een uitsnede opgenomen uit de overzichtskaart boomstructuren die als bijlage 2 aan het gemeentelijk bomenbeleidsplan is opgenomen. Hieruit blijkt dat de bomenrij langs de Helenaveenseweg is aangemerkt als ‘ hoofdstructuur’en die langs de Schorfvenweg als ‘nevenstructuur’. De hoofdboomstructuur is de ruggengraat van het bomenbestand. Ze hebben een grote invloed op de beleving en identiteit en vervullen belangrijke ecologische, landschappelijke en cultuurhistorische functies.
55
Hoofdboomstructuren zijn bepalend voor hoe inwoners en bezoekers onze gemeente beleven en van uitzonderlijk grote waarde voor de uitstraling en identiteit van de gemeente. Een hoofdstructuur is een bomenrij langs doorgaande wegen en andere belangrijke verkeersaders zoals invalswegen. Hoofdboomstructuren zijn vaak prominent aanwezig, kilometers lang, als tweezijdige laanstructuur van forse bomen die verschillende delen van he t gebied met elkaar verbinden. De nevenstructuur is een ondersteunende groenstructuur. Dit betreft bijvoorbeeld bomenrijen langs wijkontsluitingswegen of langs b -wegen in het buitengebied. Voor deze wegen geldt dat de structuur zoveel mogelijk in tact moet blijven, maar bomen onder voor waarden mogen worden gekapt of aangepast mits de beoogde functie voor het gebied ingevuld blijft , een en ander conform het schema B uit bijlage 7 van het bomenbeleidsplan. Conclusie In het Bestemmingsplan verbrede reikwijdte is rekening gehouden met de aanwezige waardevolle boomstructuren door deze op te nemen op de verbeelding en in de regels.
56
4
RANDVOORWAARDEN EN ONDERZOEK
4.1
Akoestiek (weg- en railverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen ) De Wet geluidhinder stelt eisen aan ruimtelijke ingrepen die geluidsgevoelige functies toevoegen binnen de geluidzone van een weg, spoorweg of gezoneerd industrieterrein. Attractiepark Toverland en de daarvan onderdeel uitmakende functies, zijn geen van allen aan te merken als geluidsgevoelig object. Op grond van de Wet geluidhinder is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in verband met geluid vanuit de omgeving als gevolg van wegverkeer, railverkeer of een gezoneerd industri eterrein dan ook niet noodzakelijk. Attractiepark Toverland is ook geen gezoneerd industrieterrein. Voor wat betreft akoestische effecten van Attractiepark Toverland op de omgeving wordt verwezen naar paragraaf 4.11 van deze toelichting. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er in relatie tot geluid als gevolg van w eg - en railverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen vanuit de omgeving van Toverland geen belemmeringen.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
4.2.1
Archeologie In het kader van de beoogde ontwikkeling en is een archeologisch bureauonderzoek 14 uitgevoerd (zie bijlage 3 bij deze toelichting) . Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten hiervan. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage.
4.2.1.1
Samenvatting In het kader van het bureauonderzoek is kritisch gekeken naar de (pre)historische ontwikkeling van het gebied op basis van geomorfologie, bodem, landschap, historische kaarten en archeologische vindplaatsen. Daarnaast zijn de resultaten van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek nogmaals tegen het licht gehouden. Uit deze synthese komt naar voren dat het plangebied als uitloper van het Peelgebied door zijn laagtes met vennen en veen waarschijnlijk te nat was voor bewoning, met name vanaf het eind van het mesolithicum. In het mesolithicum zelf is het gebied waarschijnlijk nog wel gebruikt door jager -verzamelaars. Deze jager -verzamelaars hadden hun tijdelijke verblijfsplaatsen waarschijnlijk op de hoger gelegen ruggen en welvingen vooral ten noorden, oosten en zuiden van het plangebied, maar mogelijk ook op de smalle ruggen langs de voormalige vennen en laagten binnen het plangebied. Tegen de tijd dat jager -verzamelaars hun bestaansbasis inruilden voor landbouw, was het gebied te nat voor bewoning of ontginning. De toegankelijke delen van het gebied worden in deze peri ode wel gebruikt voor andere doeleinden zoals jacht, grondstoffenwinning en als graasgronden. Vanaf eind negentiende en begin twintigste eeuw wordt het gebied systematisch ontgonnen tot landbouwgebied.
Door de natte omstandigheden en de latere ontginning van het gebied, worden binnen het plangebied nauwelijks archeologische (bewonings)sporen verwacht. Uitzondering hierop zijn mogelijke sporen van jager verzamelaars, in de vorm van (concentraties) vuurstenen artefacten. Echter, de kans dat binnen het plangebied nog vuursteenvindplaatsen van enige betekenis door hun gaafheid te vinden zijn , is klein, mede als gevolg van de jonge ontginningen. Een bescheiden kans op het aantreffen van dergelijke vindplaatsen kan worden aangewezen op en rondom de smalle langgerekte ruggen rondom vennen en laagtes in het noordelijke deel van het plangebied, waar te nemen o p het AHN. Wat de gaafheid van dergelijke vindplaatsen is , kan alleen worden vastgesteld door veldonderzoek (verkennende en karterende boringen).
14
Kragten, Toverland te Sevenum, Gemeente Horst aan de Maas, bureaustudie archeologie, rapportnummer 20211101 TOV001 -RAP-ARC -Bureuastudie Toverland-v2.0 , 1 november 2021.
-
57
4.2.1.2
Advies Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek en het geactualiseerd e archeologische model is de verwachting op goed geconserveerde vindplaatsen, met name uit de steentijd, niet groot. In het noordelijke deel van het plangebied (deellocatie F, zoals weergegeven op de navolgende afbeelding) is er nog kans dat er vindplaatsen aanwezig zijn en is nader onderzoek gewenst bij toekomstige bodemverstorende activiteiten. Voor het overige deel van het plangebied is deze kans klein en wordt geadviseerd om geen onderzoe k uit te voeren. Dit advies is verwerkt in de navolgende advieskaart.
Afbeelding 4 .1 Advieskaart archeologie. Onderstaand worden de deelgebieden nader toegelicht. A. Deze gebieden zijn reeds ontwikkeld en in gebruik door/voor het attractiepark. De bodem ter plaatse zal grotendeels verstoord zijn. Als hier al vindplaatsen aanwezig waren zijn deze door de ontwikkelingen niet meer aan te treffen. Voor deze gebieden is dan ook geen vervolgonderzoek nodig. B. Door de aanleg van de Helenaveenseweg zullen ook hier eventueel aanwezige vindplaatsen al lang geleden verloren zijn gegaan. Nader onderzoek wordt hier dan ook niet nodig geacht. C. Deze locaties zijn reeds door Grontmij, Econsultancy en RAAP onderzocht waarna deze locaties zijn vrijgegeven. Daarnaast zijn deze locaties inmiddels ook ontwikkeld, derhalve is hier geen vervolgonderzoek nodig. D. Dit deel is in 2017 door Econsultancy middels verkennende boringen onderzocht. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek e n het geactualiseerd archeologisch model is de verwachting dat aanvullend onderzoek in dit deel geen relevante aanvullende resultaten zal opleveren. Er wordt dan ook geadviseerd hier geen vervolgonderzoek uit te voeren. E. Hier gaat het om het gebied van het voormalig Wertemer Groes (middendeel van plangebied) en de directe omgeving. Vanwege het voormalige v een en de natte omstandigheden is de verwachting voor aanwezige vondsten laag.
Nader onderzoek in dit deel van het plangebied is dan ook niet noodzakelijk.
58
F.
Voor de lage ruggen rondom de voormalige laagtes , veen en vennen in het noordelijk deel van het plangebied (circa 30 ha.) is nog een kans aanwezig dat onder de bouwvoor vindplaatsen aanwezig zijn met vuurstenen artefacten. De vraag is echter of dergelijke vindplaatsen nog redelijk intact bewaard en daarmee ‘b ehoudenswaardig’ zijn. De archeologische boringen die in de nabijheid voor de aanleg van de gasleiding zijn gezet laten een doorgaans aangetast oorspronkelijk bodemprofiel zien (A op C en A op BC), maar dat beeld hoeft niet voor het gehele noordelijke deel te gelden en kan zeer lokaal verschillen. Om de aanwezigheid van (enigszins gave) vuursteenvindplaatsen in dit gebiedsdeel te toetsen, wordt geadviseerd om in het noordelijke plandeel bij bodemverstorende activiteiten een verkennend en karterend booronderzoek uit te laten voeren. Alleen op deze manier kan dit inzicht worden verkregen.
Op basis van het uitgevoerd e bureauonderzoek kan worden gesteld dat uitsluitend voor het noordelijke deel van het plangebied (deelgebied F) bij bodemverstorende ingrepen het uitvoeren van een nader archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Voor dit deelgebied wordt in dit bestemmingsplan dan ook , overeenkomstig de vigerende bestemmingsplannen ter plaatse, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3 ’ opgenomen. In deze dubbelbestemming is een onderzoeksplicht opgenomen voor bouwwerkzaamheden met een diepteverstoring van meer dan 50 centimeter in combinatie met een o ppervlakteverstoring van 500 m² of meer. Op deze wijze zijn de archeologische belangen in voldoende mate geborgd in dit bestemmingsplan. Tot slot dient te worden aangetekend, dat los van de verplichting om in bepaalde gevallen archeologisch onderzoek uit te voeren, de mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, niet kan worden uitgesloten. Daarom geldt conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet, te allen tijde een meldingsplicht bij het bevoegd gezag, bij het doen van vondsten waarvan wordt vermoed dat het om archeologische vondsten of sporen gaat .
4.2.2
Cultuurhistorie Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg blijkt dat binnen het plangebied en de directe omgeving geen sprake is van cultuurhistorische elementen zoals rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of MIP-objecten (Monumenten Inventarisatie Project).Verder blijkt uit de cultuurhistorische waardenkaart dat het plangebied binnen het type ‘Nieuw cultuurland 1890 -1990’. Deze benaming verwijst naar de grootschalige ontginning in met name de 20 e eeuw. Het historisch gebruik van de locatie en de directe omgeving is af te leiden uit historische kaarten. Deze geven geen ander gebruik weer dan bos - en natuurterrein en agrarisch extensief gebruikt gebied. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt zijn er binnen het plangebied en de directe omgeving geen waardevolle structuren ofelementen aanwezig die een belemmering zouden kunnen vormen voor de beoogde ontwikkeling. Dit wordt bevestigd door het programma erfgoed van de gemeente Horst aan de Maas dat in juli 2025 van kracht is geworden. Daarin is een onder andere een waardering van de verschillende cultuurlandschappen van de gemeente opgenomen. Deze is weergegeven in a fbeelding 4.2 . Hieruit blijkt dat het bestaande attractiepark is aangegeven als ‘niet gewaardeerd’ en de rest van het plangebied als ‘positieve waarde’.
Voor dergelijke gebieden geldt een relatief lage bescherming waarbij het cultuurhistorisch belang als één van de deelbelangen in de afweging meedoet met aandacht voor eventuele kansen die ontstaan om de kwaliteit in gebieden met een positieve waarde te verbeteren.
59
Afbeelding 4.2
4.3
Uitsnede beleidskaart waardering c ultuurlandschappen pro gramma erfgoed
Bodem Bij wijziging van een bestemming dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening aandacht te worden besteed aan de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grondwater. In verband met de voorgenomen uitbreiding van Attractiepark Toverland is daarom een vooronderzoek bodem 15 conform NEN5725 uitgevoerd (zie bijlage 4 bij deze toelichting) . Hierin is op basis van beschikbare informatie en een analyse van het historisch grondgebruik een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen in de bodem. Het vooronderzoek is bedoeld als basis voor het opstellen van een strategie voor eventueel noodzakelijk aanvullend bodemonderzoek (verkennend of nader bodemonderzoek). Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage.
4.3.1
Conclusies vooronderzoek Locatie huidig attractiepark Sinds juni 2014 hebben ter plaatse van het plangebied van het huidig e attractiepark geen activiteiten plaatsgevonden die de milieuhygiënische bodemkwaliteit negatief hebben beïnvloed. Op basis van de resultaten van het (actualiserend) bodemvooronderzoek kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit , zoals deze bij het eerder uitgevoerd verkennend onderzoek in 2014 is vastgesteld, nog steeds als representatief kan worden beschouwd. Een verontreiniging met PFAS (gehalten hoger dan de achtergrondwaarden) word t niet verwacht aangezien er geen bronlocaties aanwezig zijn.
15
Kragten, Toverland (BP Verbrede Reikwijdte); Bodem -vooronderzoek conform NEN 5725, rapportnummer MIL 21.036 september 2021.
, 30
60
Op een zeer klein deel van de onderzoekslocatie (ten oosten van de attractie Troy) is een sterke verontreiniging met metalen (met name zink en koper) aangetoond. Zeer plaatselijk zijn in de bovengrond sintels of andere bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Niet uitgesloten kan worden dat (een deel) van deze sintels een relatie heeft met het asfaltgranulaat wat aan de westzijde is toegepast (dienstweg) echter nadere informatie daaromtrent ontbreekt. Uit de onderzoeksresultaten ontstaat het beeld van een heterogeen diffuse verontreiniging. De verontreiniging blijft beperkt tot een diepte van 0,5 m -mv (zeer plaatselijk tot 1,0 m -mv) waarbij het totale oppervlak wordt ingeschat op ongeveer 300 m². Omdat de verontreiniging is ontstaan na 1 januari 1987 betreft het een zogenaamde zorgplicht sanering (Wet Bodembescherming artikel 13) waarbij de verontreiniging, naar redelijkheid en billijkheid, verwijderd dient te worden. Landbouw- en natuurpercelen De landbouw - en natuurpercelen binnen het plangebied zijn als onverdacht te beschouwen ten aanzien van de aanwezigheid van noemenswaardige chemische bodemverontreiniging. Door het gebruik van (dierlijke en kunst -) meststoffen kunnen in de bovengrond en in het grondwater licht verhoogde (diffuus verspreidde) gehalten aan zware metalen (cadmium, koper en zink) niet worden uitgesloten.
Verontreinigingen door het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de landbouwpercelen wordt niet verwacht. Door het wijdverbreide gebruik en door atmosferische invloeden kunnen diffuus verhoogde gehalten aan PFAS niet worden uitgesloten. De verwachting is dat de gehalten aan PFAS lager zijn dan de achtergrondwaarden. In de grond wordt geen GenX verwacht. Wegverhardingen, bermen en parkeerplaatsen Asfalt De datum van aanleg van de wegen Helenaveenseweg en de Schorfvenweg zijn onbekend, doch van vóór 1995. De asfaltverharding van de Toverlaan is, gelijktijdig met de realisatie van het park, aangebracht omstreeks 2000/2001. Het asfalt van de Toverlaan dateer t derhalve van na 1995 en kan worden aangemerkt als niet teerhoudend (vanaf 1995 is het gebruik van teerhoudend asfalt verboden). Het asfalt van de Helenaveenseweg en de Schorfvenweg zijn mogelijk (deels) teerhoudend. Fundering Naar verwachting zal de fundering ter plaatse van de Toverlaan bestaan uit menggranulaat. De fundering van Helenaveenseweg bestaat mogelijk uit zinkassen aangezien de weg is aangemerkt als een zinkassenweg. De fundering van de Schorfvenweg is onbekend, doc h de aanwezigheid van zinkassen, puin en/of puin met asbest wordt niet geheel uitgesloten.
Bij graafwerkzaamheden ter plaatse van verhardings - en/of puinlagen/verhardingen binnen het plangebied moeten deze gescheiden worden ontgraven en worden afgevoerd/ve rwerkt. Bermen De bermen van de Helenaveenseweg zijn verdacht ten aanzien van het voorkomen van een zinkverontreiniging (vanwege de zinkassenweg). Daarnaast kunnen de bermen van de Helenaveenseweg, de Toverlaan en de Schorfvenweg vanwege vervuild afstromend hemelwater va naf de rijbaan mogelijk verontreinigd zijn met zware metalen, PAK en/of minerale olie. Een verontreiniging met asbest in de bermen wordt niet verwacht. In de bermen worden geen gehalten aan PFAS verwacht hoger dan de achtergrondwaarden. Parkeerplaatsen Ter plaatse van parkeerplaats P3 bestaan de parkeervakken uit grasbetonstenen. De verharding van de rijstrook bestaat uit betonstraatstenen. Onder de grasbetonstenen bevindt zich tot 2,0 m eter beneden het maaiveld zand. Ter plaatse van de zuidelijk gelegen parkeerplaats bestaat de verharding van zowel de vakken als de rijstrook uit betonstraatstenen, met hieronder een dunne laag straatzand en een pakket menggranulaat. De vakken worden onderbroken door groenstroken met een greppel. Tijdens de onderzoeken zij n in de grond geen chemische verontreinigingen aangetoond. Eventuele puntverontreinigingslocaties (b.v. olielekkage) worden niet uitgesloten.
61
Dienstweg (ten westen en zuiden van de Troy) Het halfverhardingspad van de dienstweg bestaat uit asfaltgranulaat en wordt als een bouwstof beschouwd. In het asfaltgranulaat (met een dikte van minimaal 0,2 à 0,5 meter) zijn sterk verhoogde gehalten aan zware metalen (arseen, barium, chroom, kobalt, ko per, lood, nikkel en zink aangetoond). Vanaf 0,5 m eter beneden het maaiveld zijn ter plaatse van het pad nog uitsluitend marginaal verhoogde gehalten aan koper of zink aangetoond. De verhoogde gehalten direct naast het rijspoor van het pad zijn naar alle waarschijnlijkheid ook te relateren aan de aanwezigheid van asfaltgranulaat. Omdat hier sporadisch gereden wordt , is het granulaat hier enigszins begroeid met gras. Depots Ter plaatse van het opslagterrein zijn diverse depots aanwezig met grond en bouwstoffen. Van de opgeslagen grond en bouwstoffen is (voor zover bekend) geen informatie bekend (hoeveelheden, (milieuhygiënische) kwaliteit). Voormalige boerderij (Schorfvenweg 10) Op het perceel aan de Schorfvenweg nr. 10 (voormalige agrarisch bedrijf) zijn diverse opstallen en verhardingen aanwezig. De dikte en de aard van de funderingsmaterialen zijn onbekend. Vanwege de waarschijnlijke asbesthoudende daken is het perceel formeel als asbest verdacht aan te merken.
Een ernstige bodemverontreiniging als gevolg van de voormalige bedrijfsactiviteiten wordt niet verwacht, maar lichte verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en minerale olie worden door de voormalige bedrijfsactiviteite n niet uitgesloten. Watergangen en greppels Het wordt niet uitgesloten dat het slib en/of de onderliggende (vaste) waterbodem van de aanwezige watergangen binnen het plangebied (licht) verontreinigd zijn met zware metalen, PAK en/of minerale olie. De aanwezigheid van verhoogde gehalten aan PFAS in de waterbodem van de watergangen wordt niet uitgesloten. In de watergangen wordt geen GenX verwacht. Grondwater In het grondwater kunnen verhoogde gehalten (plaatselijk hoger dan de Interventiewaarden) aan zware metalen worden verwacht. Het plangebied is gelegen binnen het gebied De Kempen waar op veel plaatsen een diffuse bodemverontreiniging aanwezig is met zware metalen. De verhoogde gehalten aan zware metalen in het grondwater zijn hierdoor te beschouwen als regionale achtergrondwaarden. In verband met de regionale diffuus verhoogde achtergrondwaarden in het ondiepe grondwater, dient bij eventueel oppompen van he t grondwater rekening gehouden te worden met gebruiksbeperkingen.
4.3.2
Aanbevelingen Uitvoeren verkennend bodemonderzoek Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 of NEN 5707 is ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging niet noodzakelijk. Indien binnen het plangebied (bouw -)activiteiten worden gepland of gerealiseerd en de bestemming een gevoeligere functie krijgt, dan kan verkennend bodemonderzoek nodig worden geacht. Geadviseerd wordt om dit per situatie met het bevoegd gezag ( in dit geval de gemeente Horst aan de Maas) te beoordelen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de verplichting voor het uitvoeren van een nul -situatie onderzoek komen te vervallen. Geadviseerd wordt om na sloop van de panden en het verwijderen van de verhardingen van de voormalige boerderij aan de Schorfvenweg 10 een eindsituatie bodemonderzoek uit te voeren. Het doel van het onderzoek is het beoordelen of de voormalige bedrijfsactiv iteiten en de sloopwerkzaamheden hebben geleid tot een bodemverontreiniging.
62
Grondverzet binnen het plangebied Indien bij toekomstige bouw- en ontwikkelingsactiviteiten grond vrijkomt, dan wordt geadviseerd om deze binnen het plangebied op basis van de Nota bodembeheer en de Bodemkwaliteitskaart te hergebruiken. Voor het gebruik is de gemeente Horst aan de Maas het bevoegd gezag. De verontreinigde grond direct oostelijk van de asfaltweg wordt gelijktijdig met de ontwikkeling van het Camp resort verwijderd en afgevoerd. Afvoer overtollige grond en bouwstoffen Indien overtollige grond (afkomstig bij werkzaamheden) niet binnen het plangebied kan worden hergebruikt, dan wordt geadviseerd om kleine hoeveelheden grond, direct als een afvalstof af te voeren naar een erkende verwerker of acceptant. Grotere hoeveelhede n grond kunnen op basis van de Bodemkwaliteitskaart mogelijk elders binnen de regio worden toegepast. Bij werkzaamheden ter plaatse van de wegen en de bermen binnen het plangebied wordt geadviseerd om voorafgaand een verhardings - en milieukundig bodemonderzoek uit te voeren naar de aard en milieuhygiënische kwaliteit van vrijkomende bouwstoffen. Geadviseerd wordt om eventueel vrijkomende bouwstoffen van de wegen binnen het plangebied (asfalt, (puin -) funderingen) als een afvalstof af te voeren naar een erkende acceptant en/of verwerker.
Ter plaatse van het huidig opslagterrein van Toverland zijn diverse depots met grond en bouwstoffen (in depot of als huidige verharding) aanwezig. Van de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en de bouwstoffen is (voor zover bekend) geen informatie aanw ezig. De grond en de bouwstoffen kunnen bij de ontwikkeling van het park niet zonder meer worden hergebruikt. Voorafgaand aan eventueel hergebruik dient de grond en de bouwstoffen ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit gekeurd te worden. Daarnaast dient men tijdens (graaf-) werkzaamheden (met name ter plaatse van de parkeerplaatsen), ondanks dat er geen verontreinigingen zijn aangetoond, alert te blijven op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Direct ten westen en zuiden van de attractie Troy is een dienstweg aanwezig voor de bereikbaarheid van de achtbaan. De half -verharding van de weg bestaat uit asfaltgranulaat met een dikte variërend van circa 0,2 tot 0,5 meter. In het granulaat (bouwstof) zijn sterk verhoogde gehalten aan zware metalen (met name koper en zink) aangetoond. Indien in de toekomst ter plaatse van de weg/pad vanwege herinrichting of ontwikkelingen (graaf-)werkzaamheden zijn voorzien, dan wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden in overleg met het bevoegd gezag af te stemmen op welke wijze met het vrijkomend granulaat dient te worden omgegaan.
Watergangen Indien bij de ontwikkelingen van het attractiepark wijzigingen zijn voorzien ter plaatse van de huidige watergangen (bijvoorbeeld dempen, ver(on)diepen, verleggen), dan wordt geadviseerd om een verkennend waterbodemonderzoek conform NEN5720 uit te voeren. Aanbevolen wordt om de onderzoeken voorafgaand aan de uitvoering met het bevoegd gezag (i n dit geval W aterschap Limburg) af te stemmen.
4.3.3
Conclusie In het kader van de bestemmingsplanprocedure is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem middels het vooronderzoek conform NEN 5725 in voldoende mate inzichtelijk gemaakt. Met de realisering van de ontwikkelingsplannen zijn aanvullende onderzoeken nodig om zeker te stellen dat voldaan wordt aan de gestelde kwaliteitseisen aan de bodem in relatie tot de beoogde activiteiten. In de beoordelingsregels is toegevoegd dat voldaan moet worden aan de bodemkwaliteitseisen. Daarmee is er voor het aspect geen belem mering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
63
4.4
Ecologie Onderstaand wordt per afzonderlijk onderdeel ingegaan op de onderzoeken die vanuit het aspect ecologie zijn uitgevoerd.
4.4.1
Beschermde gebieden (Natura 2000) Het plangebied bevindt zich niet binnen of aangrenzend aan een Natura 2000 -gebied, zie onderstaande tabel en afbeelding . Het meest nabijgelegen geb ied betreft de Deurnsche Peel & Mariapeel, wat op circa 2 kilometer afstand ten westen van het plangebied is gelegen . Overige gebieden zijn op grotere afstand gelegen , zie onderstaande tabel en afbeelding. Natura 2000 -gebied Deurnsche Peel & Mariapeel Groote Peel Maasduinen Schwalm -Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg (D) Boschhuizerbergen Leudal Swalmdal Hangmoor Damerbruch (D)
Afstand 2 km 9 km 13,5 km 14,5 km 15 km 15,5 km 16 km 17 km
Afbeelding 4.3 Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de omliggende Natura 2000
-gebieden.
In de voortoets16 (zie bijlage 5 bij deze toelichting) heeft een toetsing plaatsgevonden aan de 19 verstoringsfactoren op basis waarvan inzichtelijk is gemaakt dat de ontwikkelingen die mogelijk gemaakt worden in het BPVR Toverland voor zowel de aanleg - als de gebruiksfase geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000 -gebieden tot gevolg hebben. Omdat significante effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten hoeven op grond van vaste jurisprudentie cumulatieve effecten niet te worden beoordeeld17 .
16
Kragten, Toverland, Voortoets BPVR, rapportnummer 20251023 -TOV001 -RAP- Voortoets-BPVR-2 .0 , 23 oktober 2025 . 17
ECLI:NL:RVS:2022:947 r.o. 9.3, ECLI:NL:RVS:2021:1586 r.o. 24.8, ECLI:NL:RVS:2021:1960 r.o. 16.1, ECLI:NL:RVS:2016:166, r.o. 5 en ECLI:NL:RVS:2016:1573, r.o. 11.2
64
Met de uitvoerbaarheidstoetszoals opgenomen in de voortoets is aangetoond dat met toepassing van intern salderen als mitigerende maatregel het project vergunbaar is .
4.4.2
Beschermde gebieden (NNN) De goudgroene natuurzone (GGN) vormt het Limburgse deel van het nationaal Natuurnetwerk (NNN). Binnen de goudgroene natuurzone streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en dus de toepassing van de Omgevingsvisie Limburg 2024 , is de naam van de GGN in het Natuurnetwerk Limburg(NNL) veranderd . In onderstaande afbeelding is zichtbaar dat in de Omgevingsverordening 2014 enkele delen van de GGN binnen de begrenzing van het plangebied zijn gelegen. Het betreft de strook ter hoogte van de Helenaveenseweg en een bosperceel direct ten oosten van de facilitaire gebouwen van het attractiepark. Nadien is dit gecorrigeerd met het naastgelegen bronsgroene perceel.
Afbeelding 4.4 Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van de diverse beschermde gebieden de Omgevingsverordening 2014 van de provincie Limburg
uit
Op basis van het onderzoek 18 (zie bijlage 6 bij deze toelichting) naar mogelijke effecten op het Natuurnetwerk Limburg (G oudgroene natuurzone)19 , blijkt dat er geen sprake is van directe effecten op het Natuurnetwerk Limburg. Als gevolg van een toename aan geluidsverstoring, treedt mogelijk wel een indirect negatief effect op het omliggende Natuurnetwerk Limburgop. Doordat er echter geen sprake is van directe effecten (oppervlakteaantasting) is het conform het beleid van de provincie Limburg niet noodzakelijk compenserende maatregelen te treffen voor indirecte effecten. Vervolgstappen in het kader van het Natuurnetwerk Limburgzijn niet aan de orde.
18
Kragten, Toverland, Natuurnetwerk Nederland, rapportnummer TOV001 -RAP-Wnb -NNN -BPVR-def01 , 13 december 2022. In de Omgevingsvisie Limburg is de Goudgroene natuurzone, zoals opgenomen in het voorheen geldende POL2014 en het tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing zijnde Omgevingsverordening Limburg 2014, vertaald in het Natuurnetwerk Limburg, de provinciale vertaling van het Natuurnetwerk Nederland. 19
65
Negatieve effecten zoals oppervlakteaantasting en verstoringen treden op de omliggende delen behorende tot de Z ilvergroene natuurzone (Groenblauwe mantel)20 niet op. De functionaliteit van deze natuurzone wordt derhalve niet aangetast of belemmerd. Vervolgstappen in het kader van de zilvergroene natuurzone zijn niet aan de orde. Negatieve effecten op de Bronsgroene landschapszone treden ook niet op. De functionaliteit van deze zone wordt niet aangetast of belemmerd. Vervolgstappen in het kader van de bronsgroene landschapszone zijn niet aan de orde. Naast de beschermde natuur - en landschapszones binnen de provincie Limburg, kent het beleid tevens beschermde natuurbeken. De beschermingszone van deze beken reikt tot 25 meter aan weerszijden van de natuurbeek. De meest nabijgelegen natuurbeken zijn geleg en op 1,4 kilometer (Groote Molenbeek) en 2 kilometer (Blakterbeek) afstand van het plangebied. Effecten op deze beschermde delen zijn daarom op voorhand uit te sluiten. Uitgangspunten en randvoorwaarden De beoordeling van effecten op provinciaal beschermde gebieden is voor een aantal zaken gebaseerd op uitgang spunten die gehanteerd worden voor het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte.
Onderstaand worden deze uitgangspunten nogmaals benadrukt, zodat in een later stadium inzichtelijk is aan welke voorwaarden een ontwikkeling dient te voldoen om uit te kunnen sluiten dat sprake is van een negatief effect op deze beschermde gebieden. Het gaat hierbij om het volgende uitgangspunt: Om uit te sluiten dat sprake is van een direct effect op het Natuurnetwerk Limburg dienen ontwikkelingen ter plaatse van de Helenaveenseweg, waar deze overlap pen met de beschermde zone van het Natuurnetwerk Limburg, te passen binnen de huidige verkeersbestemming. Op basis van de beoordeling, conclusie en de uitgangspunten die voor het Natuurnetwerk Limburgzijn gehanteerd, wordt de volgende randvoorwaarde gesteld aan toekomstige ontwikkelingen binnen het BPVR Toverland: Eventuele aanpassingen aan de Helenaveenseweg dienen binnen de huidige verkeersbestemming te worden uitgevoerd, om directe effecten (oppervlakteaantasting) op het NatuurnetwerkLimburg te vermijden.
4.4.3
Soortenbescherming Uit het onderzoek naar soortenbescherming21 (zie bijlage 7 bij deze toelichting) blijkt dat veel mogelijk optredende effecten voorkomen kunnen worden door tijdig mitigerende en compenserende maatregelen te treffen. Hieronder valt tevens het voorkomen van directe effecten zoals licht- en geluidverstoring. Het is hierbij van belang om nader soortenonderzoek uit te voeren wanneer er concrete plannen voor nieuwe ontwikkelingen gemaakt worden. Natuur is dynamisch, waardoor de situatie snel kan veranderen. Onderzoek sgegevens zijn slechts beperkt houdbaar waardoor in 2024/2025 een actualiserend onderzoek 22 is uitgevoerd (zie bijlage 8 bij deze toelichting). Wanneer concrete ontwikkelingen binnen Toverland worden voorbereid , dient er ecologisch onderzoek plaats te vinden om de aanwezigheid van soorten aan te tonen of uit te sluiten. Het gaat hierbij om een actualisatie van de uitgevoerde verkennende onderzoeken wanneer ontwikkelingen plaatsvinden buiten de geldigheidsperiode van het voorliggende onderzoek. Daarnaast dient nader soortenonderzoek te worden uitgevoerd wanneer beschermde soorten worden aangetoond. Het aantonen van beschermde soorten aan de hand van
20
De Zilvergroene natuurzone en Bronsgroene landschapszone, zoals opgenomen in het voorheen geldende POL2014 en het tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing zijnde Omgevingsverordening Limburg 2014, zijn in de Omgevingsvisie Limburg sameng evoegd en hernoemd tot Groenblauwe mantel. 21 Kragten, Toverland, Beschermde soorten, rapportnummer TOV001 -RAP-Wnb -Beschermde soorten-BPVR-def01 , 13 december 2022. 22 Kragten, BPVR Toverland, Actualiserend natuuronderzoek in het kader van de Omgevingswet , rapportnummer 20250204 TOV001 -RAP-NAT -VO -1.0 , 4 februari 2025.
66
soortenonderzoek leidt mogelijk tot een vergunningsaa nvraag van een flora - en fauna activiteit bij nieuwe ontwikkelingen binnen Toverland. Gelet op de aanwezige beschermde functies en so orten en de omvang van het plangebied zijn er voldoende mogelijkheden om eventuele toekomstigenegatieve effecten te compenseren en mitigeren indien een specifie ke ontwikkeling daartoe aanleiding geeft. Hierdoor is er zicht op het verkrijgen van een benodigde vergunning voor flora- en fauna activiteiten. Op basis van de beschreven beoordeling, conclusie en de uitgangspunten die voor beschermde soorten zijn gehanteerd, worden de volgende randvoorwaarden gesteld aan toekomstige ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voor Toverland: Negatieve effecten op beschermde soorten dienen voorkomen te worden door het behoud van voldoende nestbiotoop, verblijfplaatsen, foerageerbiotoop en andere leefgebiedfuncties of door deze functies te compenseren. Soortgegevens (onderzoeksresultaten) van een locatie waar een ontwikkeling plaatsvind t dienen actueel te zijn. Ten gevolge van licht en geluid of effecten als gevolg van ingrepen in de waterhuishouding mogen geen aanvullende effecten op aanwezige beschermde soorten optreden. Vuurwerk (categorie 2 en 3) wordt niet in de periode februari tot en met juli (broedseizoen) en tijdens vorstdagen afgestoken (zie ook paragraaf 4.13) .
4.4.4
Beschermde houtopstanden Uit het onderzoek naar beschermde houtopstanden23 (zie bijlage 9 bij deze toelichting) blijkt dat voor de kap van bomen binnen het plangebied een meldingsplicht geldt. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bijbehorende herplantplicht van de te kappen bomen. De in de ontwikkelmodellen voorziene groen/blauwe dooradering voorziet daarbij in ruime mate aan nieuwe houtopstanden, waarmee ruimschoots voldaan kan worden aan een eventuele herplantplicht als gevolg van de kap van bomen rondom het erf van Schorfvenweg10 . Randvoorwaarden Op basis van de beschreven beoordeling en conclusie wordt de volgende randvoorwaarde gesteld aan toekomstige ontwikkelingen binnen hetbestemmingsplan met verbrede reikwijdte voor Toverland: Voorafgaand aan eventuele kapwerkzaamheden dient te worden aangetoond dat er voldoende herplant plaatsvindt. In dat geval is ook een melding bij de provincie Limburg noodzakelijk. Naast de randvoorwaarden volgend uit de natuurwetgeving, dient tevens rekening gehouden te worden met een mogelijk noodzakelijke omgevingsvergunning voor het kappen in het kader van het gemeentelijke beleid. Bij eventuele kap van bomen langs de Helenaveenseweg of de Schorfvenweg dient tevens rekening te worden gehouden met het Bomenbeleidsplan gezonde bomen voor een gezonde leefomgeving (zie paragraaf 3.3. 5 ).
4.4.5
Stikstofdepositie In het kader van het voorliggende bestemmingsplan dient te worden bepaald of als gevolg van het initiatief significant negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000 -gebieden kunnen worden uitgesloten. Een van deze mogelijke beïnvloedingsfactoren is verzuring of vermesting door stikstofdepositie. Daarom is als onderdeel van de voortoetseen berekening naar stikstofdepositie voor de plansituatie uitgevoerd. Hierbij is zowel de gebruiksfase als de aanlegfase in beeld gebracht . In onderstaande tabel is de berekende stikstofdepositie in de huidige situatie, de referentiesituatie, zijnde de legale feitelijke situatie, en de beoogde maximale plan situatie opgenomen. Hieruit blijkt dat als gevolg van de beëindiging van de intensieve veehouderij, per saldo sprake is van een afname van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. 23
Kragten, BPRV Toverland, Beschermde houtopstanden (Wnb), kenmerk TOV001 -0001 , 13 december 2022.
67
In de regels van het bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten geborgd: Aantal bezoeken per kalenderjaar per dag; Maximaal aantal bedden; Inzet vuurwerk t.b.v. vuurwerkshows; Het maximale gasverbruik ten behoeve van stookinstallaties per kalenderjaar; Hoogte van gebouwen . Stikstofdepositie omliggende Natura 2000 -gebieden
*Noot: de berekening is uitgevoerd met de geactualisee rde versie van A erius calculator 2025 en de gewijzigde instructie gegevensinvoer Aerius calculator 2025 versie 1. Deze reken resultaten wijken zeer bepe rkt af ten opzichte van de resultaten zoals opgenomen in de voortoets die bij de aanvulling op het MER was opgesteld, maar veranderen de conclusies niet.
Conclusie berekeningen stikstofdepositie Uit de uitgevoerde berekeningen voor de plansituatie blijkt dat de stikstofdepositie toename in zowel de aanleg als gebruiksfase niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Met de uitvoerbaarheidstoets, zoals opgenomen in de voortoets, is aangetoond dat met toepassing van intern salderen als mitigerende maatregel het project vergunbaar is . Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.4.6
Conclusie Met inachtneming van de genoemde voorwaarden, wordt de ontwikkeling vanuit het oogpunt van ecologie inpasbaar geacht en kan het één en ander in overeenstemming met de natuurwetgeving worden uitgevoerd.
68
4.5
Externe veiligheid In het kader van de beoogde ontwikkeling dienen de externe veiligheidsrisico's ten gevolge van activiteiten in de directe omgeving te worden geïnventariseerd. Externe veiligheidsrisico's kunnen ontstaan door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over transportroutes (weg, spoor en water) en het gebruik of de opslag van gevaarlijke stoffen bij inrichtingen. In een nader onderzoek 24 (zie bijlage 10 bij deze toelichting) naar externe veiligheidsaspecten z ijn de risicobronnen geïnventariseerd en is beoordeeld of de genoemde risicobronnen mogelijk een belemmering vormen voor de invulling van het plangebied. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. (Beperkt) kwetsbare objecten Onderstaand is weergegeven welke onderdelen van Toverland worden beschouwd als kwetsbare objecten/gebouwen/locaties, beperkt kwetsbare objecten of niet kwetsbare objecten of functies. Kwetsbare objecten/gebouwen/locaties • Attractiepark (recreatieterrein bestemd voor meer dan 50 personen gedurende meerdere dagen). • Hotel-area (800 kamers resulteert in een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m²). • Vakantiepark (280 eenheden resulteert in verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere dagen).