CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

06c Toelichting bpvr Toverland (05-12-25)

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan verbrede reikwijdte Toverland.40.388 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Model 1B : Verdicht parkconcept met uitbreiding richting het noorden.

• • • •

• • • Model 2A : Ruim parkconcept met uitbreiding richting het westen.

• • • • •

• • • Model 2B : Verdicht parkconcept met uitbreiding richting het westen.

•

Extensief parkconcept (75.000 bezoekers per ha per jaar) Uitbreiding attractiepark tot circa 48 ha in westelijke richting tot aan Midden Peelweg. Robuuste groenblauwe structuur door het gebied, gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (noordelijk deel) en ten westen van Schorfvenweg (27 ha) Hotel-area (7 ha, max 800 kamers, max 8 verdiepingen) in noordoostelijke hoek Vakantiepark (7,5 ha, max 280 eenheden) ten westen van hotel-area Camping centraal in plangebied, tussen vakantiepark en attractiepark (6 ha), camperplaats (1 ha) ten westen van vakantiepark N oordwestelijk (5 ha) is ‘resterend’ Compact parkconcept (125.000 bezoekers per ha per jaar) Uitbreiding attractiepark tot circa 33 ha in westelijke richting tot aan Schorfvenweg Robuuste groenblauwe structuur door het gebied, gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (noordelijk deel) en ten westen van Schorfvenweg (24,5 ha) Hotel-area (7 ha, max 800 kamers, max 8 verdiepingen) in noordoostelijke hoek Vakantiepark (7,5 ha, max 280 eenheden) ten westen van hotel-area Camping (8 ha) centraal in plangebied, tussen vakantiepark en attractiepark; camperplaats (1,5 ha) tussen camping en vakantiepark N oordwestelijk deel (circa 12 ha) is ‘resterend’

26

• • • • • • • • • Model 3A : Ruim parkconcept met uitbreiding richting het noorden, de verblijfsfunctie aan de westzijde, een grondwal aan de noordzijde en een groenafscheiding aan de westzijde.

• • • • • • • • • •

Model 3B : Verdicht parkconcept met uitbreiding richting het noorden, de verblijfsfunctie aan de westzijde, een grondwal aan de noordzijde en een groenafscheiding aan de westzijde

•

Compact parkconcept (125.000 bezoekers per ha per jaar) Uitbreiding attractiepark tot circa 30 ha in noordelijke richting Robuuste groenblauwe structuur door het gebied, gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Afschermende groenzone aan zijde Midden Peelweg Grondwal aan noord en noordwestzijde Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (25 ha) Hotel-area (7 ha, max 800 kamers, max 8 verdiepingen) in zuidwestelijke hoek Vakantiepark (6 ,5 ha, max 280 eenheden) ten noorden van hotel-area Camping en camperplaatsen ten noorden van vakantiepark (7 ha) N oorddeel (circa 13+6 ha) is ‘resterend’

. • • • • •

• • • Model 4A : Ruim parkconcept met uitbreiding richting het westen en verblijfsfunctie centraal geconcentreerd.

Extensief parkconcept (75.000 bezoekers per ha per jaar) Uitbreiding attractiepark tot circa 47 ha in noordelijke richting Robuuste groenblauwe structuur door het gebied, gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Afschermende groenzone aan zijde Midden Peelweg Grondwal aan noord en noordwestzijde Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding Hotel-area (7 ha, max 800 kamers, max 8 verdiepingen) in zuidwestelijke hoek Vakantiepark (7 ha, max 280 eenheden) ten noorden van hotel-area Camping en camperplaats ten noorden van vakantiepark (7 ha) N oordwestelijk (6 ha) is ‘resterend’

•

Extensief parkconcept (75.000 bezoekers per ha per jaar) Uitbreiding attractiepark tot circa 48 ha in westelijke richting tot aan Midden Peelweg. Robuuste groenblauwe structuur door het gebied, gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (noordelijk deel) en ten westen van Schorfvenweg (25 ha) Hotel-area (7 ,5 ha, max 800 kamers, max 8 verdiepingen) centraal in het plangebied Vakantiepark (7 ,5 ha, max 280 eenheden) ten noorden van hotel-area Camping in noordoosthoek, tussen vakantiepark en attractiepark (7 ha), camperplaatsen (1 ha) ten westen van vakantiepark. N oordwestelijk deel 5 ha ‘resterend’

27

• • • •

• • • Model 4B : Verdicht parkconcept met uitbreiding richting het westen en verblijfsfunctie centraal geconcentreerd.

• • • • •

• • • Model 5a : Ruim parkconcept met uitbreiding richting het westen en camp resort aan zuidzijde

•

• • • • •

• • • Model 5B : Compact parkconcept met uitbreiding richting het westen en camp resort aan zuidzijde

•

•

Compact parkconcept (125.000 bezoekers per ha per jaar) Uitbreiding attractiepark tot circa 33 ha in noordelijke en westelijke richting Robuuste groenblauwe structuur door het gebied, gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (noordelijk deel) en ten westen van Schorfvenweg (24,5 ha) Hotel-area (8 ha, max 800 kamers, max 8 verdiepingen) centraal in het plangebied Vakantiepark (7,5 ha, max 280 eenheden) ten noorden van hotel-area Camping in noordoosthoek, tussen vakantiepark en attractiepark (7 ha), camperplaatsen (1,5 ha) tussen vakantiepark en hotels N oordwestelijk deel: 17,5 ha ‘resterend’ Extensief parkconcept (75.000 bezoekers per ha per jaar) Uitbreiding attractiepark tot circa 48 ha in westelijke richting tot aan Midden Peelweg.

Robuuste groenblauwe structuur door het gebied, gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (noordelijk deel) en ten westen van Schorfvenweg (25 ha) Hotel-area (7,5 ha, max 800 kamers, max 8 verdiepingen) centraal in het plangebied Vakantiepark (7,5 ha, max 280 eenheden) ten noorden van hotel-area Camping (4 ,5 ha) in noordoosthoek, camperplaatsen (1 ha) ten westen van vakantiepark Camp resort (3 ha) aan zuidzijde op locatie oorspronkelijk parkeerterrein N oordwesthoek (5 ha) is ‘resterend Compact parkconcept (125.000 bezoekers per ha per jaar) Uitbreiding attractiepark tot circa 31 ha in noordelijke en westelijke richting Robuuste groenblauwe structuur door het gebied, gebaseerd op bestaande landschapsstructuren Parkeerterrein ter plaatse van gasleiding (noordelijk deel) en ten westen van Schorfvenweg (24,5 ha) Hotel-area (8 ha, max 800 kamers, max 8 verdiepingen) centraal in het plangebied Vakantiepark (7,5 ha, max 280 eenheden) ten noorden van hotel-area Camping (4,5 ha) in noordoosthoek; camperplaatsen (1 ha) tussen vakantiepark en hotels Camp resort (3 ha) aan zuidzijde op locatie oorspronkelijk parkeerterrein. N oordwesthoek (17,5 ha) is ‘resterend’

28

2.3.3

Toegestane hoogtes De maximale hoogtes die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, sluiten aan op de op dit moment al toegestane bouwhoogtes. Voor zowel het bestaande deel als het uitbreidingsdeel is een maximale hoogte van 30 meter voor gebouwen toegestaan. In afwijking hiervan is ten behoeve van een hotel resort een maximale hoogte van 45 meter toegestaan. Dit hotelresort mag bestaan uit maximaal 9 bouwlagen en een kap. Ook is ten behoeve van de entree, één gebouw toegestaan met een maximum bouwhoogte van 45 meter en een maximum oppervlakte van 100 m² . De bouwhoogte van attracties mag niet meer bedragen dan 45 meter. Daarboven op zijn licht- en vlaggenmasten toegestaan tot 12 meter hoogte . In afwijking hiervan m ogen, overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan, binnen een deel van het bestaande attractiepark maximaal 3 attracties worden gerealiseerd met een maximale hoogte van 100 meter. Dit op voorwaarde dat sprake dient te zijn van een in hoofdzaak open constructie. Er zal geen nieuw ontwikkelgebied worden bestemd met een toelaatbare hoogte van 100 met er voor attracties. Het gebied binnen het vigerende bestemmingsplan waarbinnen de bouwhoogte van maximaal 100 meter voor attracties op dit moment al is toegestaan, wordt daarmee niet uitgebreid. Het betreffende gebied is op de navolgende afbeelding blauw omlijnd weergegeven.

Conform het vigerend bestemmingsplan is een mogelijkheid opgenomen om ter plaatse van deze gronden af te wijken tot 150 meter.

Afbeelding 2 .13 Weergave delen van het plangebied (blauw omlijnd) waar , overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan, maximaal 3 attracties met een maximale hoogte van 100 meter zijn toegestaan. In het bestemmingsplan ‘Toverland’ zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Horst aan de Maas op 18 oktober 2016, is over de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten van deze hoge attracties het volgende opgenomen:

29

“Stedenbouwkundig en ruimtelijk gezien past de ontwikkeling in de omgeving. Het initiatief betreft de doorontwikkeling van een bestaand attractiepark, in een gebied dat is aangemerkt als een gebied waar recreatieve ontwikkelingen van deze aard plaats mogen en kunnen vinden. In het attractiepark zullen rechtstreeks 3 attracties van 100 meter hoogte kunnen worden gerealiseerd (ter vergelijking, de achtbaan Troy is 35 meter hoog). Hierdoor zijn deze vanuit de omgeving zichtbaar. Gezien de aard van het gebied P ark de Peelbergen wordt de ontwikkeling passend geacht in het gebied. Wel is onderzocht in welke mate de attracties te zien zullen zijn vanuit de woonomgeving van Kronenberg en Sevenum. ” Op de onderstaande afbeelding, afkomstig uit het op 18 oktober 2016 vastgestelde bestemmingsplan ‘Toverland’, is de bouwhoogte van 100 meter en zichtbaarheid vanuit de omgeving in beeld gebracht.

Afbeelding 2 .14 Bouwhoogte Toverland en zichtbaarheid vanuit omgeving . Ten aanzien van de visuele effecten 9 is het volgende opgenomen: “Uit de zichtbaarheidsstudie blijkt dat voor een groot deel van de omgeving het attractiepark, en dan met name de hogere attracties, zichtbaar zal zijn. De vraag is in hoeverre dit als storend kan worden aangemerkt. Voor de bestaande bebouwingsconcentraties (zoals de kernen Sevenum, America e.d.) geldt dat het zicht op de attracties doorbroken wordt door reeds bestaande beplanting en opstallen. Bovendien zijn de objecten op grote afstand van deze bebouwingsconcentraties gelegen. De visuele effecten op de do rpen zullen daarom beperkt zijn. Dit geldt ook voor de snelweg A67, die op circa 2 kilometer afstand van het plangebied ligt. De hoge attracties zijn zichtbaar, maar op een dusdanige afstand gelegen dat dit niet afleidend is voor het autoverkeer. De zichtbaarheid is vanaf de A67 juist positief, het vormt immers het visitekaartje voor het gehele park De Peelbergen. Dit geldt ook voor de zichtbaarheid vanaf de Midden Peelweg. Doordat, met name op grotere afstand van Toverland niet sprake is van volledig afschermend groen direct bij deze weg zullen de attracties tussen het groen door en boven het groen uit zichtbaar zijn. Dit draagt ontegenzeggelijk bij aan de uitstraling van het gebied als toeristisch -recreatief (ontwikkelings)gebied.

9

De passage met betrekking tot effecten voor de bedrijfswoning aan de Schorfvenweg is achterwege gelaten omdat deze in het voorliggende bestemmingsplan onderdeel uitmaakt van het plangebied.

30

Geconcludeerd wordt dan ook dat de extra objecten/ elementen in het landschap zijn die zichtbaar zullen zijn, maar voor de bestaande bebouwingsconcentraties geen onevenredige aantasting van het bestaande landschapsbeeld geven. Voor de zichtbaarheid en profilering van Park De Peelbergen in het algemeen, en Toverland in het bijzonder, zijn de hogere attracties juist van toegevoegde waarde. ” Ten behoeve van het MER bij voorliggend bestemmingsplan is een Massastudie 10 opgesteld. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies uit de massastudie weergegeven . 1. Toverland ligt in De Peelbergen dat in diverse beleidsstukken van de gemeente is aangeduid als een recreatieve zone en dat als een majeur economisch project wordt gezien. Hier is sprake van een recreatief agrarisch gebied waar recreatieterreinen kunnen wor den versterkt en uitgebreid. Het bestemmingsplan staat zo’n uitbreiding en versterking van een bestaand recreatief bedrijf voor. 2. De zone rondom de Midden Peelweg is een relatief jong en grootschalig, rationeel cultuurlandschap met een menging van agrarische bedrijvigheid en zowel dag - als verblijfsrecreatie. De maat en schaal van de percelen en beplantingselementen (houtsingels, lan en en boscomplexen) is grootschalig evenals de (agrarische) bebouwing.

In deze zin passen de maximale bebouwingsmogelijkheden, zoals mogelijk gemaakt voor Toverland, binnen deze maat en schaal. 3. Er is sprake van een halfopen mozaïeklandschap rondom Toverland bestaande uit het boscomplex met lanen, houtsingels en houtwallen. Er is sprake van een robuust landschappelijk raamwerk. Dat raamwerk wordt met de uitbreiding van Toverland tevens uitgebreid met nieuwe houtsingels en houtwallen in de kenmerkende kamerstructuur op het terrein van Toverland. Hierdoor ontstaat een groenblauwe structuur van formaat die ruimte biedt voor meer grootschalige bebouwing en bouwwerken binnen de ontstane ‘groene kamers’. 4. Op basis van het vastgestelde bestemmingsplan uit 2016 is het al mogelijk het park in noordelijke richting uit te breiden. De extra uitbreiding die met het nieuwe BPVR mogelijk wordt gemaakt ten opzichte van dit vastgestelde bestemmingsplan is in westelijk e richting. Als de reeds planologisch toegestane (maar nog niet gerealiseerde) mogelijkheden in noordelijke richting worden ontwikkeld, zal de afstand van het attractiepark tot het woongebied Sevenum gelijk blijven. De afstand tot Kronenberg zal weliswaar met circa 200 meter afnemen, maar blijft nog steeds groot met circa 1,3 km. 5.

De afstand met de zone waarin de hoogste bouwwerken tot 100 meter – en met een afwijking tot 150 meter – zijn toegestaan wijzigt niet ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Dit is op dit moment ook al toegestaan maar nog niet benut. 6. Tussen het attractiepark en de woongebieden ligt een groot boscomplex met een breedte van circa 1,25 km. Dit bos heeft al een afschermende werking vanaf Sevenum en Kronenberg. Dit blijft zo. Het bestemmingsplan verandert hier niets aan. Het bos ontneemt deels het zicht op Toverland vanuit de woonkernen. 7. Er is sprake van zichtbaarheid van met name de hoogste bouwwerken. Deze bouwwerken zullen echter uit overwegend open constructies bestaan (attracties), waardoor geen sprake is van massiviteit. 8. De afstand van het attractiepark tot Evertsoord wordt verkleind van circa 1,4 km tot circa 550 meter, maar de afstand van de zone waarbinnen bouwwerken tot 100 meter hoogte zijn toegestaan blijft gelijk ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. 9. In het gebied tussen Evertsoord en het attractiepark liggen enkele agrarische bedrijven en houtopstanden. Ook de laanbeplanting van de Midden Peelweg vormt een zichtbarrière. 10. Het toevoegen van de 30 meter brede groenzone in het kader van een goede landschappelijke inpassing zorgt voor een inpassing van Toverland. 11.

Gebouwen met een hoogte van maximaal 45 meter (zoals bijvoorbeeld een hotel of entreegebouw) zijn deels boven de boomtoppen zichtbaar. In de studie is uitgegaan van een worst -case scenario waarbij op de uiterste grenzen wordt gebouwd met de maximale hoogte n. Zoals in paragraaf 3.3.2 is beschreven , wordt Toverland passend geacht binnen Park de Peelbergen als locatie voor grootschalige ontwikkeling van recreatie of leisure.

10

Kragten, Toverland, Massastudie, rapportnummer 20250107 -TOV001 -RAP-LAN -Massastudie-v1.6, 8 september 2025.

31

2.3.4

Een nieuw landschappelijk raamwerk Zoals in de paragraaf 2.3.1 is aangegeven, is naast een stapsgewijze flexibele uitbreiding van het themapark in noordelijke en/of westelijke richting en het toevoegen van (verschillende vormen van) verblijfsrecreatie, ook het creëren van een zorgvuldige landschappelijke inpassing in de omgeving expliciet onderdeel van de voorgenomen activiteiten. Daarom is mede op basis van een landschappelijke en cultuurhistorische analyse, een nieuw landschappelijk raamwerk voor het gebied uitgewerkt 11 (zie bijlage 1 bij deze toelichting, tevens toegevoegd als bijlage 2 bij de regels) . Doelstelling is een robuuste landschappelijke inpassing van Toverland, met binnen de ‘kamerstructuur’ ruimte voor flexibele leisure invulling. Het landschappelijk raamwerk is daarnaast een drager voor ruimtelijke kwaliteit (gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde). De landschappelijke inpassing is het gevolg van de uitbreiding in het landschap. De bestaande natuurwaarden (gebieden en soorten), het directe ruimtebeslag van de uitbreiding , de indirecte effecten (verstoring), de natuurcompensatie en de versterking van natuur en landschap, worden integraal in het plan meegenomen. Het geheel wordt vertaald naar landschappelijke structuren en door een nadere invulling van de compensatieopgave.

Toverland wordt als geheel landschappelijk ingepast , passend binnen de provinciale en gemeentelijke visies en beleidstukken en het vigerende bestemmingsplan van Toverland. Ook de waardevolle laanstructuren zoals vastgelegd in het Bomenbeleid splan van de gemeente Horst aan de Maas zijn opgenomen in het plan. In paragraaf 3.3.5 wordt dit nader toegelicht. Grofweg betekent dit dat het bos - en mozaïeklandschap op en rond het terrein van Toverland word t versterkt. Dit is niet alleen noodzakelijk in het kader van het bovenliggende beleid en visies maar is ook nadrukkelijk de wens vanuit Toverland om het landschappelijke raamwerk maximaal te ontwikkelen om optimaal de gewenste sfeer en beleving van het oml iggende landschap als coulissen voor het park te kunnen gebruiken c.q. aan het ontwikkelen van het landschap bij te dragen. Dit nieuwe landschappelijke raamwerk is op afbeelding 2 .15 weergegeven. De landschappelijke inpassing wordt gefaseerd gerealiseerd en groeit als het ware met de uitbreidingen mee. Er wordt met name ingezet op inpassing door middel van groenzones voor wat betreft de westelijke randen. De parkeerterreinen zullen deels groen worden omzoomd alsmede de zone ten westen van het bestaande Toverland. Deze fasering is middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan verankerd.

11

Kragten, Toverland, Landschap en cultuurhistorie, rapportnummer 2023 11 07 -TOV001 -RAP-LAN -Landschap en cultuurhistorie v1. 3 , 7 november 2023 .

32

Afbeelding 2 .15 Het beoogde landschappelijk raamwerk. Zoals uit afbeelding 2 .15 blijkt, blijven de bestaande groenstructuren gehandhaafd en wordt er daarnaast een aantal nieuwe structuurversterkende lijnelementen (groenstructuren met een breedte van circa 30 meter) aan het landschap toegevoegd zodat een soort groene kamerstructuur ont staat en het bos- en mozaïeklandschap op en rond het terrein van Toverland zal worden versterkt. De dertig meter brede groenzones/corridors vormen het groene raamwerk voor de toekomstige ontwikkeling van Toverland. Naast een doorkruising om van de ene naar de andere ‘kamer’/ ruimte te komen zijn deze vrij van recreatieve inrichting. In het voorliggende bestemmingsplan is aan deze brede groenzones/corridors daarom ook de bestemming ‘Natuur’ toegekend om daarmee tot een duurzame juridisch-planologische borgin g te komen. De beplanting wordt samengesteld uit een inheems mengsel van bomen, heesters en kruiden. Voor de beplanting van deze robuuste groenzones wordt uitgegaan van de potentieel natuurlijke vegetatie: droog berken - en zomereikenbos. Voor heesters in de onderbeplanting wordt uitgegaan van onder andere veldesdoorn, hazelaar, sporkehout en wilde lijsterbes. In afbeelding 2 .16 is een principedoorsnede van de beoogde algemene groenzone s opgenomen.

33

Afbeelding 2 .16 Principedoorsnede groenzone /corridors .

Voor de zone direct langs de Midden Peelweg is het navolgende profiel uitgewerkt, met inbegrip van een watergang. Deels vanwege de ter plaatse reeds aanwezige watergang en deels vanwege de wens van Toverland en Waterschap Limburg om de watergangen door het plangebied te verleggen naar de westelijke rand van het plangebied.

Afbeelding 2 .17 Principedoorsnede Midden Peelweg, met wadi/bergingsfunctie in de groenstrook. In aanvulling op het basisraamwerk is het mogelijk aan de noord oostzijde van de ontwikkeling dit robuuste raamwerk verder te versterken.Voor deze zone geld t de navolgende landschappelijke uitwerking:

34

Afbeelding 2 .18 Principedoorsnede noord oostelijke randzone inclusief te beplanten grondwal . Watergangen Naast het landschappelijk raamwerk, vormen de watergangen Wertemer en Steegbergerheide die door het plangebied lopen een belangrijk structurerend element. De wens bestaat om deze watergangen te verleggen naar de westelijke rand van het plangebied, onder andere omdat het onderhoud aan de watergang door de waterbeheerder dan praktischer kan worden uitgevoerd. Op de navolgende afbeelding is de beoogde verlegging afgebeeld. De oude loop kan dan worden gebruikt om regenwater uit het park in te bergen.

bijvoorbeeld

Afbeelding 2 .19 . Tracé te verleggen bestaande watergangen ( groen weergegeven) en beoogd nieuw tracé (blauw ge stippeld weergegeven).

35

3

BELEID Zoals in hoofdstuk 1 van deze toelichting is aangegeven, is voorliggend bestemmingsplan uitgewerkt op basis van de ‘oude’ Wro en de Chw omdat het ontwerp -bestemmingsplan voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet in procedure is gebracht. In d it hoofdstuk zijn beleidsdocumenten van het Rijk en provincie beschreven voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is één integrale visie, waarin het duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland tot 2050 staat omschreven. Het uitgangspunt van deze visie is dat ruimtelijke ingrepen niet afzonderlijk van elkaar kunnen plaatsvinden, maar dat ze van elkaar afhankelijk zijn . In de NOVI wordt een toekomstbeeld geschetst van een Nederland:  dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;  met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;  waar het goed wonen en werken is.

Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;  met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;  waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten;  dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;  waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;  dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen' . In totaal zijn er 21 nationale belangen geformuleerd. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeemverantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zi jn dat de medeoverheden.

De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. De 21 nationale belangen zijn: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering;

37

11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO2 -arm is en de daarbij benodigde infrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel - en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. De maatschappelijke opgaven zijn in vier prioriteiten samengevat: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied . Nederland staat de komende jaren voor grote opgaven.

De druk op de fysieke leefomgeving is echter groot, waardoor verschillende belangen betreft ruimtelijke ontwikkelingen nu en dan botsen. Hoewel wordt gestreefd het implementeren van de diverse belangen, is dit niet altijd mogelijk. Soms dienen scherpe keuzes gemaakt worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig, gezond en welvarend te houden en moeten belangen afgewogen worden. Om dit te bewerkstelligen omvat de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie s van functies gaan vóór enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Analyse Voor de beoogde ontwikkeling is het nationaal belang betreft het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen aan de orde aangezien een buisleidingtracé door het plangebied loopt. In paragraaf 3.1.3 wordt hier nader op ingegaan. Bij de planvorming wordt rekening gehouden met het genoemde nationaal belang. Verder wordt bij de planvorming rekening gehouden met de diverse milieuaspecten, landschap, water, natuur en cultuurhistorie, waarmee wordt aangesloten bij de algemene uitgangspunten zoals opgenomen in de NOVI.

Conclusie Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn naast het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen met name de algemene belangen zoals het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, het waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid en het verbeteren en beschermen van biodiversiteit van belang. Verder geldt dat sprake is van een ontwikkeling waarbij geen specifieke nationale belangen zoals genoemd in het NOVI in het geding zijn. D e beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de NOVI.

3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking In de voormalige Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd, met als doel een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Daarnaast ondersteunt het gemeenten en provincies in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het tweede lid van artikel 3.1.6 luidt volgt: “De toelichting bij een

38

bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom n iet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” In het voorliggende geval is sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Gelet op het voorgaande is een laddertoets 12 opgesteld (zie bijlage 2 bij deze toelichting) . Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies uit deze laddertoets. Voor meer informatie worden verwezen naar de volledige rapportage van de laddertoets. In de laddertoets is aangegeven dat Toverland zich in een unieke situatie bevindt. Het is slechts één van de twee themaparken in Nederland en het heeft een gunstige geografische ligging en volop fysieke ruimte, waardoor het de komende decennia nog een flinke groei kan doormaken. De huidige bezoekaantallen zijn met ruim 850.000 per jaar nog ver verwijderd van het marktpotentieel, dat voor dit park op de huidige locatie is ingeschat op 3.74 miljoen per jaar. Investeringen van Toverland worden daarom gekenmerk t als zogenaamde permanente groeiinvesteringen.

In tegenstelling tot de meeste attractieparken in Nederland, die te maken hebben met tijdelijke groei, hoeft Toverland niet voornamelijk te investeren om interessant te blijven voor haar bestaande bezoekers, maar kan zij zich vooral richten op het aantrek ken van nieuwe bezoekers. Het grootste deel van het marktpotentieel bestaat uit onbenut potentieel. Gezien de invulling van de groeistrategie , gericht op bezoekers vanuit een vergroot verzorgingsgebied , zal het economische en ruimtelijk effect op bestaande leisurefuncties worden uitgesmeerd over een groot gebied (primair binnen een straal van 2 uur reistijd en in potentie een nog groter gebied, zeker wanneer er voldoende bedden worden gerealiseerd). Een s pecifiek verdringingseffect op bepaalde leisurefuncties in bijvoorbeeld centra van steden en dorpen zal daarmee beperkt zijn. Dit effect wordt nog eens v ersterkt door het unieke karakter van Toverland als één van de twee themaparken in Nederland: een bezoeker kiest specifiek voor de immersive world, thematisering en storytelling van Toverland en overweegt daarbij geen andere leisurefuncties of pretparken. Het verschil tussen het nastreven van een betekenisvolle ervaring in plaats van een belevenisvolle beleving ligt hieraan ten grondslag. Ofwel, het verschil tussen themapark en pretpark.

Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de beoogde uitbreiding van Toverland niet zal leiden tot onaanvaardbare ruimtelijke effecten (onaanvaardbare leegstand) elders. Dit wordt samenvattend gestoeld op de volgende argumenten: 1. Er is een aantoonbare kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan het recreatieve aanbod dat Toverland gaat verzorgen. 2. Toverland is nog ver verwijderd van het marktpotentieel dat gegeven haar geografische ligging en positionering als themapark mogelijk is. 3. Toverland heeft tien jaar geleden reeds gekozen voor de doorontwikkeling naar een themapark en heeft daardoor inmiddels een sterke positie als themapark opgebouwd. De wijze waarop Toverland invulling geeft aan het creëren van een themapark Erfahrung is significant anders dan de manier waarop de Efteling, het enige andere themapark in Nederland, daar invulling aan geeft. 4. Verblijf bij een themapark gebeurt op basis van andere motieven dan reguliere overnachtingen, waardoor Toverland haar eigen markt voor verblijfsrecreatie creëert en geen concurrent is met regulier aanbod aan recreatieve verblijfsvoorzieningen in de omgeving .

Voor wat betreft de situering buiten bestaand stedelijk gebied geldt dat sprake is van een uitbreiding van een bestaand attractiepark, waarbij het verplaatsen van het bestaande attractiepark naar bestaand stedelijk gebied enerzijds niet wenselijk is gelet op de ruimtelijke impact op de omgeving en anderzijds binnen de regio ook niet mogelijk is, onder meer gelet op het ruimtebeslag van het attractiep ark. Daarnaast is verplaatsing vanuit financieel oogpunt niet haalbaar. Uitbreiding in aansluiting op het bes taande park is daarom feitelijk de enige logische en beschikbare mogelijkheid om te voorzien in de beoogde toekomstige doorontwikkeling van attractiepark 12

Kragten en Cornelis Leisure Consultancy, Toverland, Laddertoets, rapportnummer 20231107 -TOV001 -RAP-LOB -1.0 , 7 november 2023 .

39

Toverland. Daarnaast is het gebied Park de Peelbergen in gemeentelijke beleidsstukken ook aangewezen als een ontwikkelingsgebied voor nieuwe toeristische en recreatieve voorzieningen, in combinatie met nieuwe natuur. De uitbreiding van Toverland buiten bestaand stedelijk gebied wordt op basis van het voorgaande passend geacht.

Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Het initiatief en concept is toegelicht aan / besproken binnen de regiowerkgroep vrijetijdseconomie. Hierin is bovenstaande onderschreven en akkoord bevonden. Wel is als aandachtpunt meegegeven dat de toevoegingen van verblijfsrecreatie uitsluitend is toegestaan als aangetoond is dat de toename van het aantal recreatieve verblijfseenheden met aantal bedden niet leidt tot een aantasting van de balans van vraag en aanbod naa r verblijfsrecreatie in de regio . Hiermee is in de regels van dit plan rekening gehouden (artikel 3.7.1 onder b) . Daarnaast dient voldoende aandacht te zijn voor duurzaamheid, verkeersafwikkeling en arbeidsmarkt.

3.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke / Regeling ordening algemene regels ruimtelijke / ordening Structuurvisie buisleidingen Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ (Barro) opgesteld. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. De regels van het Barro moeten daarom in acht worden genomen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) geeft uitwerking aan enkele bepalingen in het Barro. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, erfgoederen van uitzonderlijke univ ersele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament , het IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) en ruimtereserverin g parallelle Kaagbaan.

Vanuit het Barro en Rarro zijn de nationale belangen ‘buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen’ en ‘defensie’ (meer specifiek ‘radarstations’) relevant. Voor het overige ligt het plangebied niet binnen de invloedssfeer van reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones volgend uit het Barro dan wel de ministeriële uitwerking hiervan, de Rarro . Onderstaand wordt nader op ingegaan op de van toepassing zijnde nationale belangen ‘buisleidingen van nationaal belang voor ver voer van gevaarlijke stoffen’ en ‘defensie’ . Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen Door het plangebied loopt een buisleidingtracé voor gevaarlijke stoffen dat van nationaal van belang is. Het buisleidingtracé, met een totale breedte van 70 meter, maakt onderdeel uit van de Rarro en de Structuurvisie buisleidingen en is op de navolgende afbeelding middels een donkerpaarse strook weergegeven . Daarnaast is sprake van een zoekgebied voor buisleidingen. Dit zoekgebied is middels een roze arcering weergegeven op de navolgende afbeelding.

40

Afbeelding 3 .1 Weergave buisleidingentracé en zoekgebied buisleidingen, zoals opgenomen in

de Rarro.

In de Structuurvisie buisleidingen wordt onder andere een visie geschetst voor toekomstige buisleidingen en zijn reserveringsruimtes voor deze buisleidingen aangeduid. In het voorliggende geval is de strook aangeduid als ‘tracés door Limburg’. Kort samengevat is deze (indicatieve) reserveringsstrook bedoeld voor buisleidingen voor het transport van vloeistoffenen gassen en om daarmee verbindingen van de haven van Rotterdam naar het Ruhrgebied en Zuid -Limburg (Chemelot in Sittard-Geleen) veilig te stellen. Onder de naam Delta Rhine Corridor bestaan er initiatieven voor invulling van de reserveringszone voor buisleidingen die deels door het plangebied loopt. De Delta Rhine Corridor is door het Rijk aangewezen als project van nationaal belang om de Nederlandse energie en klimaat infrastructuur verder te ontwikkelen. Deze is bedoeld voor ondergronds transport van duurzame energiedragers en (circulaire) grondstoffen ten behoeve van de industrie. Aanvankelijk werd gedacht aan het transport van waterstof, koolstofdioxide, (bio)LPG en (Synth etisch) propeen, ammoniak, andere circulaire grondstoffen en een gelijkstroomverbinding in de corridor. In september 2023 is besloten dit af te schalen tot leidingen voor waterstof, koolstofdioxide en ammoniak.

In december 2024 is besloten dat ook het transport van ammoniak niet langer tot de actuele scope (tot 2032) van de DRC hoort en de focus ligt op waterstof en koolstofdioxide. Voor de DRC Oost (van Boxtel tot aan de Duitse grens, dus ook ter plaatse van Toverland) zal voor de waterstofleiding gebruik worden gemaakt van bestaande gasleidingen van de Gasunie en de koolstofdioxideleiding is voorzien in de SVB -reserveringszone. In paragraaf 4.5 van deze toelichting wordt hier nader op ingegaan. Op langere termijn kunnen mogelijk ook andere stoffen (waaronder ammoniak) in de reserveringszone worden vervoerd. Omdat dit nog niet zeker is, is ook nog niet bekend wat de risicoafstanden zullen zijn en is nog geen rekensoftware beschikbaar. Om die reden is vooralsnog uitgegaan van de 70 meter brede reserveringszone , zoals die is opgenomen in de Rarro en de Structuurvisie buisleidingen. Niet alleen zijn de stoffen en risicoafstanden nog niet vastgesteld, ook de exacte ligging van de leidingen staat nog ni et vast. Voor het grootste deel valt de corridor samen met het tracé van de Structuurvisie Buisleidingen, maar lokaal is het nodig passende oplossingen te vinden om breed draagvlak te realiseren in samenwerking met lokale overheden. In dit verband wordt momenteel bezien of het mogelijk is de reserveringszone ter plaatse van het plangebied te verleggen.

Hierover bestaat thans echter nog geen duidelijkheid , hetgeen betekent dat in dit bestemmingplan wordt aangesloten bij de voorwaarden zoals opgenomen in het Barro.

41

In het Barro (artikel 2.9.4 ‘belemmerende activiteiten’) is bepaald dat e en bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die zijn gelegen binnen het voorkeurstracé, ten opzichte van het op het moment van aanwijzing van dat voorkeurstracé geldende bestemmingsplan, geen nieuwe activiteiten toe laat die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang. Onder een belemmering valt in ieder geval: a. het bouwen van een bouwwerk, met uitzondering van een bouwwerk dat noodzakelijk is voor de aanleg, het onderhoud of de instandhouding van een buisleiding van nationaal belang; b. de aanleg van een verharde weg of verhard pad of een spoorweg in de lengterichting van het voorkeurstracé; c. de aanleg van een watergang in de lengterichting van het voorkeurstracé; d. de aanleg van een waterkering, inclusief de daartoe behorende beschermingszone als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet in de lengterichting van het voorkeurstracé; e. de aanleg van een buisleiding, niet zijnde een buisleiding van nationaal belang, of een ondergrondse hoogspanningsverbinding of ondergronds leidingstelsel in de lengterichting van het voorkeurstracé; f. het bebossen; g. het gebruik als stortplaats voor afvalstoffen of permanente opslag van grond, of andere stoffen of goederen.

Voor het zoekgebied geldt verder dat de gemeenteraad op grond van artikel 2 .9.3 van het Barro , in afwijking van het voorkeurstracé in het bestemmingsplan, ee n ander tracé kan begrenzen voor de aanleg van nieuwe buisleidingen op een wijze dat het tracé voor de buisleidingenstrook: a. gelegen blijft binnen het zoekgebied; b. aansluit op het voorkeurstracé onderscheidenlijk het tracé voor een buisleidingenstrook in de naastliggende gemeenten; c. een breedte heeft die gelijk is aan de breedte die het voorkeurstracé over het grootste deel van dat tracé heeft. Van het door de gemeenteraad aanwijzen van een ander tracé is vooralsnog geen sprake. In het voorliggende bestemmingsplan is voor het buisleidingentracé de dubbelbestemming ‘Leiding – Leidingstrook’ opgenomen. Hiermee zijn de belangen van het buisleidingentracé in voldoende mate geborgd gesteld. Voor werkzaamheden binnen deze reserveringsstrookdient te allen tijde overleg plaats te vinden met de leidingbeheerder(s) c.q. het bevoegd gezag .

Er lopen diverse gesprekken met de betrokken leidingbeheerd er, de rijksoverheid, de provincie Limburg en de gem eente Horst aan de Maas om nader te onderzoeken of v erlegg ing van het leidingtracé naar een gunstiger positie bijvoorbeeld door deze vanuit noordelijke richting langer langs de provinciale weg te laten lopen (aan de westzijde) en pas bij de rotonde met de Helenaveenseweg te laten afbuigen , tot de mogelijkheden behoort. Dit streven is daarnaast zowel in de provinciale als gemeentelijke omgevingsvisi e opgenomen. Dit tracé ligt buiten de 70 meter brede reserveringszone uit de Structuurvisie buisleidingen van het Rijk, en deze dient dan te worden aangepast. Defensie Het gehele plangebied ligt binnen het radarverstoringsgebied van ‘Vliegbasis Volkel’. Dit betreft een gebied waar beperkingen gelden ten aanzien van bestemmingsplannen ten behoeve van een goede werking van de radar op het radarstation. Binnen een straal van 15 km rondom de radarpost geldt een radarverstoringsgebied voor nieuwe hoogbouwprojecten. Daarnaast geldt binnen een straal van 75 km rondom een militaire radarpost een toetsingsgebied voor nieuwe windenergieturbines. Het plangebied is gelegen buiten de 15 km zone, maar binnen de 75 km zone rondom de radarpost.

Hoewel in het plangebied geen windturbines zijn voorzien, worden attracties volledigheidshalve als gelijkswaardig hieraan beschouwd en is voor het radarverstoringsgebied een aanduiding op de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen. Voor het plangebied geldt dat in principe een maximale hoogte van bouwwerken van 114 meter ten opzichte van NAP is toegestaan. Indien het voornemen bestaat om bouwwerken hoger dan 114 meter ten opzichte van NAP te realiseren, dan dient de mate waarin het radarbeeld wordt verstoord door bouwwerken die de maximale

42

hoogte overschrijden nader te worden onderzocht. De Minister van Defensie beoordeelt vervolgens, waar nodig in overleg met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de aanvaardbaarheid van de gevolgen van het bouwwerk voor de werking van de radar. In het voorliggende bestemmingsplan worden in een zone in het middengebied, overeenkomstig het vigerende bestemmingplan maximaal 3 attracties toegelaten met een bouwhoogte van maximaal 100 meter (met een afwijkingsmogelijkheid tot 150 meter die thans ook al is toegestaan ). Gelet op de bestaande maaiveldhoogte (circa 30 + NAP) binnen het plangebied, kan daarmee de 114 meter ten opzichte van NAP worden overschreden. Dit betekent dat zonder beperking tot circa 145 meter gebouwd kan worden. Op de verbeelding is hiertoe de aanduiding ‘luchtvaartverkeerzone - radarverstoringsgebied’ opgenomen, waaraan in de regels nadere voorwaarden zijn gekoppeld in relatie tot bouwwerken hoger dan 114 meter ten opzichte van NAP. Tevens is een afwijkingsbevoeg dheid opgenomen op basis waarvan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen voor bouwwerken hoger dan 114 meter ten opzichte van NAP, mits de functie van het radarverstoringsgebied niet onevenredig wordt aangetast en hiervoor advies is ingewonn en bij het Ministerie van Defensie.

Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan sluit aan bij de nationale belangen zoals opgenomen in he t Barro, de Rarro en de Structuurvisie buisleidingen.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is per 25 oktober 2021 in werking getreden. In de visie geeft de provincie aan hoe ze wil inspelen op de belangrijkste hoofdopgaven voor de komende jaren: • Het realiseren van een aantrekkelijke, sociale gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk/bebouwd gebied als het landelijk gebied; • Een toekomstbestendige innovatieve en duurzame economie en landbouwtransitie; • Klimaatadaptatie en energietransitie. Daarbij hanteert de provincie een aantal Limburgse principes: • Streven naar een inclusieve gezonde en veilige samenleving die uitnodigt tot ontmoeten, recreëren en maatschappelijke betrokkenheid; • De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal. Een gebiedsgerichte aanpak is de basis voor samenwerking met andere partijen en initiatiefnemers en er is dus ruimte voor maatwerk; • Meer stad, meer land. Variatie in gebieden moet gekoesterd worden. Stedelijke functies worden geconcentreerd in compacte steden en landelijke gebieden worden als tegenhanger van de drukke stedelijke gebieden ontwikkeld; • Zorgvuldig omgaan met de ruimte en voorraden, zowel onder - als bovengronds. Inzetten op sociaaleconomische ontwikkeling zonder vraagstukken af te wentelen naar volgende generaties (voorzorgsbeginsel).

Vrijetijdseconomie Op basis van deze principes is vervolgens een aantal provinciale belangen gedefinieerd, waaronder ook voor vrijetijdseconomie en verblijfsrecreatie (hoofdstuk 8 van de Omgevingsvisie) . De vrijetijdseconomie vormt een belangrijke economische pijler in Limburg. Het buitengebied biedt kansen voor een breed scala aan vormen van landbouw maar ook voor andere functies waaronder vrijetijdseconomie. Voor een florerende vrijetijdseconomie zijn d e kwaliteit van landschap en natuur, aantrekkelijke steden en een goede bereikbaarheid van belang. Een stabiele balans is nodig: • tussen beleving en bescherming van landschap en natuur;

43

• • •

tussen belangen van toeristen, recreanten en inwoners; tussen uiteenlopende wensen van verschillende groepen recreanten; tussen de verschillende groepen in het landelijk gebied die gebruik maken van dezelfde infrastructuur.

De vrijetijdssector is een belangrijke sociaal -economische motor in Noord -Limburg (met zowel dagrecreatie als verblijfsvoorzieningen). De regio heeft een afwisselend landschap en is met grotere steden in zijn nabijheid (zowel in Nederland als in Duitsland) een goede uitvalsbasis. Hierbij moet in ieder geval aandacht besteed worden aan het in stand houden en waar mogelijk vergroten van de belevingswaarde van het landschap als trekpleister bij claims die vanuit de diverse sectoren op de beschikbare ruimte wor den gelegd. Daarnaast is het van belang dat er aandacht is voor het betere vermarkten van de landschappelijke en culturele kwaliteit van de regio als een onderscheidend product, met name in de Kop van Limburg en het gebied rond de Peel en Peelbergen. De regio kent een omvangrijke bezoekersstroom gericht op toerisme en recreatie. In de Kop van Noord -Limburg en in de Peel/Peelbergen is sprake van clustervorming, waarbij de onderdelen van de clusters met elkaar verbonden worden door de recreatieve assen M idden Peelweg in het westelijk deel en N271 in het oostelijk deel van Noord Limburg. In het gehele gebied ontstaan echter initiatieven als gevolg van de combinatie van prachtige natuur, landschap en cultuurhistorie.

Het is de provinciale ambitie dat deze s ector zich - met respect voor de Limburgse principes, diverse belangen en omgevingswaarden - als Limburgse topsector kwalitatief doorontwikkelt. Limburgse principes In de Omgevingsvisie Limburg is het toekomstbeeld van Limburg in kaart gebracht aan de hand van een indicatieve zonering. Die zonering bouwt voort op de ‘tijdloze’ karakteristiek van de ondergrond; de geomorfologie en het watersysteem, en de typering en ontwikkeling van het ruimtegebruik in deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia. Het ge formuleerde beleid in de Omgevingsvisie leidt over het algemeen niet tot aanpassingen van de begrenzing in de bestaande indicatieve kaartbeelden. Van de bestaan de kaartbeelden is van de omgevingskwaliteiten een zonering gemaakt van diverse soorten gebieden, variërend van stedelijk gebied tot beschermd natuurgebied. Daarbij zijn sectorale (beschermings -)gebieden als gebiedsaanduiding opgenomen, die als globaal afg ebakende gebiedstypen, met elk een eigen karakter, worden onderscheiden. De thema’s duurzaamheid, gezondheid en klimaatadaptatie zijn hier de laatste jaren aan toegevoegd. Daarnaast is er steeds meer belangstelling voor de wisselwerking met de ondergrond e n de kwaliteit van de stad -land zones, de overgangsgebieden van stad naar land.

Transformaties van oudere delen van het bebouwd gebied gaan de komende decennia een belangrijke rol vervullen. Attractiepark Toverland ligt binnen de zone ‘ Buitengebied', zoals weergegeven op de navolgende afbeelding. geldt zowel voor het bestaande deel van Toverland als het uitbreidingsdeel.

Dit

44

Afbeelding 3 .2 Kaart 'Limburgse principes' uit de Omgevingsvisie Limburg, met het plangebied rood omlijnd weergegeven 13 . Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid -Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord - en Midden -Limburg. Op de hogere zandgronden van Noord - en Midden -Limburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk en rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves. Analyse De uitbreiding van Toverland draagt bij aan de provinciale belangen op het gebied van recreatie en vrijetijdseconomie, waarbij (de belevingswaarde van) recreatie en vrijetijdseconomie in de regio Kop van Noord Limburg en in de Peel/Peelbergen behouden blijft en versterkt wordt. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de provinciale ambitie voor deze sector om zich, met respect voor de Limburgse principes, diverse belangen en omgevingswaarden, als Limburgse topsector kwalitatief door te ontwikkelen.

-

Met de uitbreiding van Toverland wordt tegemoet gekomen aan de uiteenlopende wensen van verschillende groepen recreanten. De uitbreiding, met inbegrip van de onlosmakelijk aan Toverland gekoppelde verblijfsrecreatieve mogelijkheden, zorgt voor het aantrekken en vasthouden van nieuwe doelgroepen. De uitbreiding van Toverland wordt daarmee passend geacht binnen het buitengebied en binnen de beleidsmatige uitgangspunten zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg. Conclusie Het initiatief is niet in strijd met de provinciale belangen en past binnen de beleidskaders zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg.

13

In het zuidoostelijke deel van het plangebied is een deel van de gronden aangeduid als Natuurnetwerk Limburg. Conform eerdere afspraken zijn deze gronden in de Omgevingsverordening Limburg, die gelijktijdig met de Omgevingswet in werking treedt op 1 januari 2024, van de s tatus Natuurnetwerk Limburg ontdaanen opgenomen in het buitengebied .

45

3.2.2

Omgevingsverordening(2014 Limburg en 2024) Op 12 december 2014 is de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ vastgesteld. Hierin staan de regels die het omgevingsbeleid (van het POL20 14 , de voorloper van de provinciale omgevingsvisie) juridische binding geven. Inmiddels is ook de opvolger, de ‘Omgevingsverordening Limburg’ vastgesteld . Deze is op 1 januari 2024 bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in werking getreden. Bij de start van deze bestemmingsplanprocedure waren de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening nog niet in werking getrede n. Daarom is het initiatief getoetst aan de verordening uit 2014. De nieuwe omgevingsvisie is grotendeels een beleidsneutrale omzetting geweest. Wel zijn er verscherpte regels opgenomen voor het realiseren van onder andere zoneparken op landbouwgronden en de verdozing van bedrijventerreinen. Specifiek voor de vrijetijdseconomie is in de nieuwe verordening een instructieregel opgenomen dat toevoeging van nieuwe voorzieningen alleen wordt toegestaan als dit in overeenstemming is met de Limburgse principes en bestaande bestuursafspraken. Ook zijn er een aantal nieuwe termen geïntroduceerd. De goudgroene natuurzone is bijvoorbeeld omgezet in het Natuurnetwerk Limburg en de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone maken thans deel uit van de groenblauwe mantel.

Beschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet binnen een stiltegebied, waterwingebied, grondwaterbeschermingszone of overige boringsvrije zone ligt. Vanuit dit kader bestaan er dan ook geen belemmeringen. Op grond van de kaart ‘Beschermingszones natuur en landschap’ zijn delen langs de noordzijde, oostzijde en zuidzijde van Attractiepark Toverland aangewezen als Goudgroene natuurzone, zoals weergegeven op de navolgende afbeelding. In de Omgevingsvisie Limburg en Omgevingsverordening Limburg, als opvolger van de Omgevingsverordening Limburg 2014 heeft de Goudgroene natuurzone de naam Natuurnetwerk Limburg gekregen. Voor een klein deel van het bestaande attractiepark, aan de zuidoostzijde, geldt dat een strook binnen het park is aangeduid als Goudgroene natuurzone. Voor deze strook is door de provincie Limburg reeds toegezegd dat de status Goudgroene natuurzone bij een eerstvolgende herziening wordt verwijderd. In de door Provinciale Staten op 17 december vastgestelde Omgevingsverordening Limburg, die gelijktijdig met de Omgevingswet in werking treedt op 1 januari 2024, is de betreffende wijziging inmiddels doorgevoerd .

In artikel 2.6.2 ten aanzien van bescherming van de G oudgroene natuurzone is opgenomen dat e en ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.

46

Afbeelding 3 .3 Kaart ‘Beschermingszones natuur en landschap’ uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 met het plangebied rood omlijnd weergegeven .

,

In het vigerende bestemmingsplan voor Toverland is aangegeven dat bij de eerstvolgende herziening het perceel behorende tot ‘G oudgroene natuurzone’ niet meer tot deze zone zal behoren. Vanuit dit kader bestaan er geen belemmeringen. Voor wat betreft de mogelijke invloed van de uitbreiding van Toverland op omliggende gebieden die onderdeel uitmaken van de Goudgroen natuurzone, wordt verwezen naar paragraaf 4.4 van deze toelichting. Vrijetijdseconomie In artikel 2.4.6 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is ten aanzien van vrijetijdseconomie in de regio Noord -Limburg het volgende opgenomen: • (Lid 1) Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord -Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad vrijetijdseconomie alsmede aan de bestaande planvo orraad vrijetijdseconomie anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.4 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord -Limburg, zoals verwoord in de bij paragraaf 2.4 ‘Bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014’ behorende bijlage 1; • (Lid 4) De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord -Limburg bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid; • (Lid

5) De toelichting bij een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub-) regionaal verband. In relatie tot lid 4 wordt opgemerkt dat in de bijlage inzake de bestuursafspraken regionale uitwerking, voor wat betreft vrijetijdseconomie, de volgende doelstelling is opgenomen: “Het ruimtelijke beleid ten aanzien van de vrijetijdseconomie moet voorwaarden scheppen om toerisme en recreatie de ruimte te geven en negatieve factoren voor de sector te beperken. Onder meer door de omgeving meer beleefbaar te maken, accommodaties

47

te vitaliseren, de attractiewaarde van dagrecreatieve voorzieningen te vergroten, nieuwe verbindingen aan te gaan (cross -overs) en effectieve marketing.” Verder worden de volgende uitgangspunten genoemd: • De provincie streeft naar een verblijfsrecreatie sector die gericht is op het aanbieden van een breed scala aan verblijfsmogelijkheden, verspreid over Noord -Limburg gevestigd en kwalitatief goed op peil. Het aanbod kenmerkt zich door diversiteit en voldoet zodoende aan de vraag van de klant. • Gestreefd wordt naar een aantrekkelijke, gastvrije regio voor dagrecreanten met een evenwichtige mix van groot- en kleinschalige voorzieningen. • Het versterken van de toeristisch-recreatieve functie van het vrijetijdslandschap in onze regio. Met betrekking tot dagrecreatie zijn verder de volgende afspraken opgenomen: • Samen met de sector een aanpak opstellen om het dagrecreatieve aanbod in de regio te versterken. Hierbij kan het leefstijlenmodel een hulpmiddel zijn. • De gemeenten informeren elkaar over grote, bovenregionale evenementen en verwijzen zo nodig naar elkaars evenemententerreinen. De regio maakt afspraken over regionale afstemming rondom nieuwe dagrecreatieve voorzieningen .

• Gewerkt wordt aan een betere afstemming tussen overheid, onderwijs en bedrijfsleven met als doel om te komen tot instrumentarium dat leidt tot de gewenste professionalisering van de dagrecreatie voorzieningen. Ten aanzien van verblijfsrecreatie is in bijlage 1 van de Omgevingsverordening 2014 7.1

7.2 7.3

7.4

7.5

7.6

7.7 7.8

het volgende opgenomen:

Gemeenten en provincie bevorderen de kwaliteit van de verblijfsrecreatie langs twee lijnen: • Het toestaan van kwalitatief goede nieuwe plannen; • Het saneren van kwalitatief slechte bedrijven c.q. intrekken van (niet meer gewenste) verblijfsrecreatieve bestemmingen. Het is daarbij wenselijk dat deze beide lijnen regionaal in balans zijn (verevening). Gemeenten monitoren de voortgang in beide lijnen en hebben daarmee inzicht in de balans (verevening). Gemeenten, in de vorm van de ambtelijke werkgroep, toetsen aan de hand van een afwegingskader, nieuwe en uitbreidingsplannen op het terrein van verblijfsrecreatie (kampeerplaatsen, stacaravans, bungalows, chalets, vakantiewoningen en appartementen). Indie n noodzakelijk kan er onafhankelijk advies ingewonnen worden bij een casusteam (zie afspraak 1.3). Initiatieven voor uitbreiding of nieuw vestiging verblijfsrecreatie (criteriazie navolgende tabel ) worden, voorzien van een advies van de regionale ambtelijke werkgroep (of indien nodig het casusteam), voorgelegd aan het PHO en op voorwaarde dat: • bij nieuwvestiging kwaliteit wordt toegevoegd en regionale verevening van toeristische capaciteit plaatsvindt; • bij uitbreiding kwaliteitsverbetering/transformatie plaatsvindt en bij uitbreiding > 25% regionale verevening van toeristische capaciteit boven 25% plaatsvindt.

• De exacte invulling van de verevening dient in de praktijk getoetst te worden in lijn met 7.1. Provincie en gemeenten hebben inzicht in alle harde en zachte plannen op het terrein van verblijfsrecreatie. Voor de zachte en hard -zachte initiatieven in de planvoorraad geldt dat wanneer deze niet voldoen aan het afwegingskader, ze regionaal afgestemd d ienen te worden. Op basis van de resultaten van de hotelverkenning formuleren gemeenten en provincie beleid voor nieuwe hotelplannen en uitbreidingen van hotels. Dat beleid wordt dan t.z.t. onderdeel van het toetsingskader. Tegelijkertijd wordt de planvoorraad voor hotels inzichtelijk gemaakt. Regio en provincie trekken vanaf 2018 samen op om met de hoofddirecties van ketens van bungalowparken tot ontwikkelplannen ter verbetering van de toeristische aantrekkingskracht te komen. De gemeenten organiseren vanaf 2018 werkateliers waarin belanghebbenden, onderwijs, brancheverenigingen, overheden en bedrijfsleven samenwerken aan vraaggerichte casussen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16272314/2