CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

06c Toelichting

Gemeenteraad 8 februari 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van het bestemmingsplan Kogelstraat 74 Hegelsom.22.913 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ontwerp

22

sluit deze nieuwe woning aan de op de regionale uitgangspunten op basis van de Regionale Woonvisie NoordLimburg 2020-2024.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Een structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. Na deze evaluatie is er in 2016 een aanpassing gedaan (vastgesteld op 18 oktober 2016) en is er in 2018 wederom een evaluatie uitgevoerd. De structuurvisie biedt het kader voor de gemeente om uitspraken te doen over de wenselijkheid van (ruimtelijke) ontwikkelingen. Het gemeentelijke grondgebied is om die reden ingedeeld in diverse deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied 7E ‘Gemengd gebied’. In dit deelgebied geldt voor de oprichting van solitaire woningen een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij).

Bij een voorwaardelijke grondhouding kan een initiatief enkel doorgang vinden, wanneer voldaan wordt aan strikte voorwaarden die het initiatief alsnog acceptabel maken.

Afbeelding 11. Uitsnede gemeentelijke structuurvisie

Ontwerp

23

In het kader van de evaluatie van de structuurvisie is een bijlage opgesteld waarin de voorwaarden voor het toevoegen van woningen in de gemeente Horst aan de Maas zijn opgenomen. In deze bijlage wordt een onderscheid gemaakt in vier manieren om woningen toe te voegen, te weten “nieuwe woningen”, “splitsen van woningen”, “woningen in bestaand vastgoed bij een bestaande woning” en “woningen in overig bestaand vastgoed”. Van de eerste categorie is in dit geval sprake. Het realiseren van een woningen in deze categorie in het buitengebied kan via de volgende instrumenten: ▪ Buitenkans (gemeentelijke Ruimte voor Ruimteregeling) ▪ Ruimte voor Ruimte van de provincie Limburg ▪ Module solitaire woningbouw uit de structuurvisie, waarbij een knelpunt moet worden opgelost In onderhavig initiatief is er sprake van het realiseren van twee woningen, waarvan één ter vervanging van de huidige bedrijfswoning. De bestaande bedrijfswoning wordt gesloopt en wordt ten zuiden van de huidige bedrijfswoning herbouwd. Derhalve is er sprake van herbouw van de bestaande woning en is er geen sprake van toevoegen van een woning. De nieuwe woning, georiënteerd op de Bemmelstraat, wordt gerealiseerd door gebruik te maken van de module woningbouw uit de structuurvisie.

Op 18 oktober 2016 heeft de gemeenteraad de evaluatie van de structuurvisie nog op twee punten herzien voor wat betreft de module solitaire woningbouw, waarbij de eis voor het oplossen van een knelpunt is losgelaten. Er wordt uitsluitend nog gewerkt met een kwaliteitsbijdrage. In de structuurvisie is opgenomen dat met de module solitaire woningbouw in het buitengebied uitsluitend woningen gerealiseerd kunnen worden als zij voldoen aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden en er een kwaliteitsbijdrage in het kwaliteitsfonds wordt gestort. Dit houdt in: ▪ Locatie ligt in een lint, bebouwingscluster of aansluitend aan de rode contour; ▪ Het minimale oppervlakte van het perceel dat de woonbestemming krijgt is 750 m2; ▪ Kwaliteitsbijdrage vast bedrag van € 60.000,=, plus een variabel bedrag van € 140,= per m2. Te slopen bebouwing kan van dit bedrag worden afgetrokken met € 25,= per m2 te slopen bebouwing. Daarnaast kan er voor de aanplant van extra groen bovenop de basis landschappelijke inpassing, € 5,= per m² worden afgetrokken van de totale kwaliteitsbijdrage. Aan de eerste twee voorwaarden wordt in dit geval voldaan. Aan de Kogelstraat is sprake van een bebouwinglint, bestaande uit veelal woningen. Ook grenst het plangebied aan de rode contour, gelegen aan de overzijde van de Bemmelstraat. De oppervlakte van het betreffende woonperceel bedraagt 750 m2.

Daarmee wordt voldaan aan de minimale oppervlakte-eis. Het perceel waar de woning is beoogd is momenteel nog bebouwd met een bedrijfswoning, jongveestal, voormalige varkensstal, machineloods en twee schuren. Als tegenprestatie voor het slopen van deze bebouwing wordt de nieuwe woning juist gerealiseerd. In het kader van het initiatief zijn financiële afspraken gemaakt met de gemeente Horst aan de Maas over de hoogte van de kwaliteitsbijdrage. De hoogte van de kwaliteitsbijdrage is direct gebaseerd op de gemeentelijke voorwaarden uit de structuurvisie. Het provinciale Limburgs Kwaliteitsmenu is nader uitgewerkt in de gemeentelijke structuurvisie. De gemeente Horst aan de Maas staat open voor nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied. De gemeente kiest voor een benadering waar ontwikkelingen binnen flexibele kaders worden toegestaan indien de kwaliteiten van dorpen en het buitengebied er ook mee vooruit gaan. Vanwege de ligging buiten de contour is voor onderhavig initiatief het Kwaliteitsmenu van toepassing. Er vindt dan ook een kwalitatieve tegenprestatie plaats in de vorm van een landschappelijke inpassing van het plangebied (zie voor een nadere uitwerking paragraaf 4.3).

Ontwerp

24

3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2016-2021, dat in juni 2016 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de regionale structuurvisie Wonen Noord Limburg. De beleidsopgaven zoals genoemd in het Masterplan Wonen betreffen de volgenden: 1. een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde 2. een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn 3. aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en dorpen door verduurzaming in brede zin. Deze beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het masterplan Wonen: ▪ Streven naar een kwalitatief gedifferentieerd woningaanbod, dat aansluit op de vraag van onze huidige en toekomstige inwoners. Een gedifferentieerd woningaanbod biedt de mogelijkheid om een gewenste wooncarrière te maken binnen de gemeente (doorstroming) en draagt bij aan een evenwichtige bevolkingsopbouw. ▪ Ter bevordering van een evenwichtige bevolkingsopbouw wordt extra aandacht besteed aan woningen (huur en koop) voor jongeren, starters en senioren. ▪ Voor senioren is het van belang dat de woning zorggeschikt is en zij daar kunnen blijven wonen ook als ze zorg behoeven. ▪ In de bestaande particuliere woningvoorraad kan nog een flinke slag gemaakt worden op het gebied van duurzaamheid en het toekomst bestendig maken.

Met name woningen uit de periode 1950-1985 vragen om (energetische) verduurzaming om deze toekomstbestendig en courant te houden. ▪ Realiseren van de nieuwbouw hoofdzakelijk binnen de bestaande bebouwing en in vrijkomend vastgoed in de woonkernen om de groene en landelijke omgeving tussen de woonkernen te behouden. ▪ Het stimuleren van de starters naar de bestaande voorraad, de realisatie van tijdelijke huurwoningen en de bewustwording van langer zelfstandig wonen. De woning, georiënteerd op de Kogelstraat, zal laagdrempelig invulling geven aan de woonwensen van de initiatiefnemers. De te realiseren woning, georiënteerd aan de Bemmelstaat zal worden verkocht aan geïnteresseerden die voor eigen behoefte een woning willen bouwen. Deze geïnteresseerden realiseren de woning dan geheel naar eigen wens en passend binnen de afspraken met de gemeente Horst aan de Maas, welke verder in de bouwregels van onderhavig bestemmingsplan zijn verwoord. Het initiatief is derhalve niet strijdig met het Masterplan Wonen 3.4.3 Maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied Voor het groter bouwen van woningen en bijgebouwen in het buitengebied is de beleidslijn “Groter bouwen in het buitengebied” van toepassing. De gemeenteraad heeft dit beleid op 7 februari 2012 vastgesteld.

Op dit moment geldt voor woonbestemmingen in het buitengebied dat woningen niet groter mogen zijn dan 1.000 m³ (hoofdgebouw) met een bijgebouw van maximaal 150 m². Op grond van dit beleid mag er meer dan 150 m² aan bijgebouwen worden gebouwd als er in de verhouding 1:3 ergens bijgebouwen worden gesloopt (de te slopen bijgebouwen dienen wel legaal te zijn). In de structuurvisie is opgenomen dat een eventueel tekort kan worden gecompenseerd door een financiële bijdrage van € 45,- per m² tekort aan te slopen bijgebouwen. De volgende regels zijn puntsgewijs van toepassing: ▪ Het is altijd toegestaan om bijgebouwen op te richten tot 150 m2; ▪ Bijgebouwen mogen in het buitengebied behouden blijven (of teruggebouwd worden) tot een maximaal oppervlak van 600 m2; ▪ Sloop uit het verleden (tot maximaal 5 jaar geleden) mag meetellen voor het mogen terugbouwen van bijgebouwen tot een maximum van 600 m2;

Ontwerp

25

▪

▪ ▪

De hoofdregel is dat 2/3 gesloopt moet worden. Indien een aanvrager toch meer wil terugbouwen, tot maximaal wat er stond, geldt er een afdracht van € 45,- per m2 over het aantal vierkante meters dat boven de sloopverhouding en boven de 150 m2 word teruggebouwd; Gemeente rekent met € 45,- per m2 en niet met € 15,- per m3; Sloop elders telt niet mee voor het bouwen van extra bijgebouwen.

Op deze locatie wordt 1.149 m2 aan bebouwing gesloopt: De jongveestal met een oppervlakte van 385 m2 wordt herbestemd als bijgebouw bij de te vervangen woning aan de Kogelstraat. Op de locatie is, nadat de agrarische bestemming is gewijzigd naar een woonbestemming, conform de maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied, maximaal 150 m2 aan bijgebouwen per woning toegestaan. Voor meer m2’s bijgebouwen hoeft voor 1/3 deel geen kwaliteitsafdracht betaald te worden. Dit betekent dat voor 2/3 deel wel kwaliteitsafdracht betaald moet worden. In totaal mag volgens het beleid 383 m2 (1.149/3) aan bijgebouwen extra worden gerealiseerd zonder extra kwaliteitsbijdrage. In totaal mag dan 533 m2 (150 + 383 m2) aan bijgebouwen bij de woning worden opgericht zonder kwaliteitsbijdrage. Initiatiefnemer wenst de jongveestal met een oppervlakte van 385 m2 te behouden als bijgebouw bij de woning. Zodoende is er nog ruimte om een bijgebouw van 148 m² op het perceel te realiseren zonder een kwaliteitsbijdrage af te dragen. Voor het behoud van de jongveestal als bijgebouw is daarom geen kwaliteitsbijdrage verschuldigd.

3.5

Conclusie

Het initiatief past, met uitzondering van de kaders van het vigerende bestemmingsplan, binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie Limburg als de gemeente Horst aan de Maas zelf. Een agrarisch bedrijf wordt geheel gesaneerd. Bij uitvoering van deze beoogde sanering is sprake van een grote ruimtelijke en milieuwinst voor de gehele omgeving. Uit beleidsmatig oogpunt wordt een dergelijk initiatief dan ook toegejuicht. Aan de gestelde voorwaarden uit het beleid om daarvoor in de plaats vervolgens woningbouw te laten plaatsvinden wordt voldaan. Uit beleidsmatig oogpunt stuit het initiatief dan ook niet op belemmeringen.

Ontwerp

26

4.

PLANBESCHRIJVING

Op de locatie Kogelstraat 74 in Hegelsom is het gemengd agrarisch bedrijf van initiatiefnemers gevestigd. Gelegen op de hoek van de Bemmelstraat en de Kogelstraat, in het overgangsgebied tussen de woonkernen Horst en Hegelsom, is het agrarische bedrijf de laatste jaren steeds verder omringd door woningbouw. De initiatiefnemers hebben inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en door het ontbreken van bedrijfsopvolging overwegen initiatiefnemers om de bedrijfsactiviteiten te beëindigen. Een alternatief voor het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten is het openbaar verkopen van de bedrijfslocatie met voortzetting en intensivering van de agrarische activiteit, gezien de ligging aan de rand van de kern en de vele woningen in de omgeving is dit alternatief niet wenselijk voor de omgeving. Daarnaast is ook uitbreiding van het agrarische bedrijf op deze locatie niet mogelijk, enerzijds wordt het plangebied begrensd door woningen en anderzijds door een glastuinbouwbedrijf. Gezien de beperkte oppervlakte van het huidige bouwvlak en huiskavel, de grootte en staat van de aanwezige bebouwing, de beperkte milieurechten en de ligging in een bebouwingslint met overwegend woningen, is het zeer onwaarschijnlijk dat zich op de locatie nog een eigentijds, volwaardig agrarisch bedrijf kan vestigen. Initiatiefnemers kiezen er daarom voor alle bedrijfsactiviteiten te beëindigen.

Om het saneren van het agrarische bedrijf en sloop van de agrarische bebouwing te kunnen bekostigen wensen initiatiefnemers ter plaatse twee woningen te realiseren. Een woning, georiënteerd op de Kogelstraat, wordt gerealiseerd ter vervanging van de huidige bedrijfswoning. De andere woning zal georiënteerd op de Bemmelstraat gerealiseerd worden. De woning aan de Kogelstraat krijgt een woonperceel van 1.448 m² en de woning aan de Bemmelstraat krijgt een woonperceel van 750 m². Door deze constructie kan met de opbrengst van de verkoop van de toe te voegen woning het saneren van het agrarische bedrijf kostenneutraal plaatsvinden. Het is ten slotte de wens van de initiatiefnemers de huidige jongveestal te behouden als bijgebouw bij de nieuw op te richten woning aan de Kogelstraat, welke zijzelf zullen gaan bewonen. De bedrijfswoning en machineloods worden niet meteen gesloopt. Initiatiefnemers zullen tijdens de bouw van de nieuwe woning in de bedrijfswoning blijven wonen en de machineloods zal als bouwdepot worden gebruikt. Zodra de bouw van de nieuwe woning is afgerond en initiatiefnemers in de nieuwe woning wonen zullen ook de bedrijfswoning en machineloods worden gesloopt. Bij uitvoering van deze beoogde sanering is sprake van een grote ruimtelijke en milieuwinst voor de gehele omgeving.

De verouderde bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt, waardoor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving aanzienlijk verbetert (ontstening van het buitengebied). De ammoniak-, geur- en fijnstofbelasting vanuit de veehouderij op de omliggende woningen zal daarbij tevens volledig verdwijnen. Bijkomend voordeel is dat de woningbouwontwikkeling aan de overzijde van de Bemmelstraat kan worden afgerond.

4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op de volgende aspecten: ▪ De locatie Kogelstraat 74 verliest de functie als agrarisch bedrijf met veehouderij. In plaats daarvoor wordt de locatie benut voor woondoeleinden. De bestemming ‘Agrarisch met waarden’ dient daarvoor gewijzigd te worden in de bestemming ‘Wonen’; ▪ De huidige bedrijfswoning, de voormalige varkensstal, de machineloods, de twee schuren en de voeropslagen dienen volledig gesloopt te worden; ▪ Ter vervanging van de huidige bedrijfswoning, wordt een nieuw bouwvlak toegekend voor een nieuwe woning, georiënteerd op de Kogelstraat;

Ontwerp

27

▪

▪ ▪

▪ ▪

Ter plaatse van deze nieuwe woning dient de aanduiding ‘maximum oppervlakte aan bijgebouwen: 533 m²’ te worden toegekend zodat de huidige jongveestal behouden kan blijven als bijgebouw bij deze woning, maar ook op basis van de gemeentelijke sloopregeling nog 148 m2 aan nieuwe bijgebouwen kan worden opgericht bij deze woning; Als tegenprestatie voor het saneren van het agrarisch gemengd bedrijf wordt er één nieuwe woning opgericht, georiënteerd op de Bemmelstraat. Oppervlakte van dit woonperceel dient 750 m2 te bedragen; Het niet voor woondoeleinden te gebruiken deel van het plangebied blijft de huidige agrarische bestemming behouden, echter wordt het bouwvlak van de locatie verwijderd, waardoor het (opnieuw) exploiteren van een agrarisch bedrijf of het oprichten van agrarische bebouwing is uitgesloten; Verder dienen alle dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen uit het vigerende bestemmingsplan opnieuw van toepassing te worden verklaard; Middels een voorwaardelijke bepaling wordt geborgd dat nieuwe activiteiten binnen de woonbestemming pas zijn toegestaan wanneer de compenserende landschappelijke maatregelen worden aangelegd en in stand worden gehouden.

De doelstelling van onderhavig bestemmingsplan is het wegbestemmen van het huidige agrarische bedrijf en daarvoor in de plaats de bouw van twee woningen mogelijk te maken.

4.2

Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten

De agrarische bebouwing behorende bij het agrarisch bedrijf wordt gesloopt. Het enige wat behouden blijft is de jongveestal, welke zal worden herbestemd als hobbyruimte. Deze hobbyruimte met een oppervlakte van 385 m² zal worden bestempeld als bijgebouw bij de te herbouwen woning aan de Kogelstraat. De huidige bedrijfswoning zal ook worden gesloopt en worden herbouwd verder in zuidelijke richting. De te herbouwen woning wordt uitgevoerd in een langgevelvolume met kenmerkende detailleringen. De woning zal in de lengterichting parallel aan de Kogelstraat komen te liggen, wat tevens een verwijzing is naar de originele boerderij ‘De Kogel’ welke tot voor de herbouw na de brand in 1860 in de lengterichting aan de weg heeft gelegen. Ook zal er een nieuwe solitaire woning opgetrokken worden, met oriëntatierichting naar de Bemmelstraat. Deze woning wordt opgericht ter vervanging van de te slopen agrarische bebouwing en bevindt zich nagenoeg op dezelfde plek als de huidige agrarische bebouwing. Het cluster van bebouwing, zoals thans aanwezig op de hoek van de Kogelstraat en Bemmelstraat, blijft hierdoor in stand.

Ontwerp

28

Afbeelding 12. Stedenbouwkundige plattegrond nieuwe situatie

Tussen de huidige langgevelboerderij Kogelstraat 70 en de nieuwe woning aan de Kogelstraat biedt een zogeheten boerenpoort toegang tot het achterland, het voormalige “Hegelsommerveld”, middels een veldweg welke hier zal worden geherintroduceerd.

Afbeelding 13. Woning Kogelstraat en poort Hegelsommerveld

Met de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing vindt er een aanzienlijke ontstening plaats van het buitengebied. De sanering van de bebouwing draagt bij aan de karakteristieke openheid van het weidse veld en de belevingswaarde van het landschap. De nieuwe woningen worden opgericht als onderdeel van het bebouwingslint aan de Kogelstraat en de Bemmelstraat. De woningen worden daarnaast voorzien van een landschappelijke inpassing die aansluit bij de landschappelijke karakteristieken en deze zelfs versterkt. Door het inbrengen van open ruimte en groene elementen ontstaat er een duidelijk raamwerk waarbij de beoogde ontwikkelingen op het perceel mogelijk worden.

Ontwerp

29

4.3

Landschappelijke inpassing

Met de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing is er sprake van een aanzienlijke kwaliteitsverbetering van het landschap. Ook om de nieuwe woningen op een juiste manier in het landschap in te passen is voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld. Uitvoering van het gestelde in het landschappelijk inpassingsplan is als verplichting opgenomen in de planregels als voorwaardelijke bepaling. De visie is om na afbraak van de gebouwen de twee woningen te situeren in een cultuurhistorische verantwoord decor. Bij beide woningen wordt een eigen met hagen omzoomde tuin gecreëerd en een boomgaard aangelegd die de huisgaard van beide woningen vormt. Dit past ook binnen het historische plaatje. Daarnaast is de integratie van de jongveestal, omgevormd naar hobbyruimte wenselijk, zodat het een mooi omsloten geheel vormt met ook ruimte voor biodiversiteit. Zeker de twee intensief beheerde tuinen en daarbij extensievere erf met boomgaard kan hier ook voor de biodiversiteit iets betekenen. Met mooie doorgangen en doorzichten kan eenieder vanaf het erf het (omliggende) landschap fraai ervaren. De voorzijde vormt voor de beide woningen het visitekaartje van het geheel. Op het erf zal zullen zowel eensoortige als gemengde hagen, met hoogstambomen en met perceelsrandbeplanting aanwezig zijn om eventuele hekwerken te verdoezelen.

Daarnaast is het wenselijk om het coulisse-effect te behouden en de doorkijken voor bewoners te garanderen. De beleefbaarheid van het erf en het omliggende landschap is voor bewoners en bezoekers een wenselijk iets.

Afbeelding 14. Landschappelijk inpassingsplan

1

Ron Janssen Erf- en Landschapsverfraaiing, Landschapsplan in het kader van saneren agrarisch bedrijf en omvormen naar 2 woningen “Aan de Bemmel” Horst, 13 september 2021

Ontwerp

30

Ontwerp

31

5.

SECTORALE ASPECTEN

5.1

Inleiding

Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bij het opstellen van een bestemmingsplan verplicht om inzicht te bieden in de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten. In dit hoofdstuk is een verantwoording voor deze aspecten opgenomen.

5.2

Milieuaspecten

5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, in geval van een nieuw bestemmingsplan, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie, in dit geval voor een woonfunctie. Ter plaatse is derhalve een verkennend bodemonderzoek2 uitgevoerd (zie separate bijlagen). Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt verwacht dat op de locatie sprake zal zijn van de aanwezigheid van bodemverontreinigingen. In verband met het voormalige gebruik als boomgaard / -kwekerij is de bodem verdacht voor een bodemverontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). De bodem ter plaatse van de druppelzones van de asbestverdachte dakbedekking op de schuur is verdacht ten aanzien van een bodemverontreiniging met asbest. Voor het overige is de onderzoekslocatie onverdacht voor bodemverontreiniging. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op de NEN5707 en de NEN5740. Voormalige boomgaard / -kwekerij en onverdacht terrein Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese ‘verdachte locatie’ voor de voormalige boomgaard/-kwekerij stand houdt en de deelhypothese ‘onverdachte locatie’ geen stand houdt. In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met cadmium en DDD aangetoond. In de ondergrond en grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond.

De lichte verontreinigingen met cadmium en DDD kunnen mogelijk gerelateerd worden aan de voormalige agrarische activiteiten (boom-/fruitgaard en bemesting met kunstmest). Tevens kan er (deels) sprake zijn van verhoogde achtergrondgehalten. De onderzoeksresultaten geven een indicatie dat het funderingsmateriaal onder de asfaltverharding voldoet aan de eisen voor een niet vormgegeven bouwstof. Druppelzones asbestverdachte dakbedekking Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese ‘verdachte locatie’ geen stand houdt. In de grond is asbest aangetoond in gehalten boven de rapportagegrens, maar onder de helft van de interventiewaarde zodat mag worden aangenomen dat de grond niet noemenswaardig is verontreinigd met asbest. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen directe belemmering of beperking voor het initiatief. 5.2.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder 2

HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek Kogelstraat 74 Hegelsom, 30 april 2021, kenmerk: 21235501A

Ontwerp

32

(modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200

Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (tot maximaal 53 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. Er bevinden zich rondom het plangebied diverse zoneplichtige wegen. Derhalve is er een akoestische onderzoek3 naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat de gecorrigeerde gevelbelasting voor elke zoneplichtige weg en voor elke woning lager ligt dan de voorkeursgrenswaarde en dus voldaan wordt aan de eisen uit de Wet geluidhinder. De nieuwe beoogde woonbestemming doet geen inbreuk op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen. Derhalve kan geconcludeerd worden dat er ter plaatse van de nieuwe woonbestemmingen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 5.2.3 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm).

Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een 3

HMB Groep, Akoestisch onderzoek t.b.v. ruimtelijke onderbouwing Kogelstraat 74 Hegelsom, 1 juni 2021, kenmerk: 21235502N

Ontwerp

33

ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Het voorliggend initiatief voorziet in fors minder woningen. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat het plan NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,8 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,7 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,4 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van de woningen. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren.

Ontwerp

34

Door het saneren van de veehouderij verdwijnt de uitstoot van het vee (4.262 gram PM10/jaar). Dit heeft een positief effect op de luchtkwaliteit. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Het initiatief zal ook, in vergelijking met het huidige gebruik als agrarisch bedrijf, een afname van de verkeersaantrekkende werking met zich meebrengen. Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Daarnaast verdwijnen door het saneren van de veehouderij de transportbewegingen van met name zwaar verkeer en de uitstoof van fijnstof door het houden van vee. Dit heeft een positief effect op de luchtkwaliteit. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.2.4 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid.

Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woningen betreffen derhalve geurgevoelig objecten. Het saneren van het gemengd agrarische bedrijf heeft een volledige stopzetting van de geuremissie vanuit het plangebied tot gevolg. Uit de nieuw op te richten woningen en de van functie te wijzigen woning vindt geen geuremissie plaats. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders van deze wet eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgesteld in een geurverordening. Op 30 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

In de verordening is bepaald dat voor het buitengebied, waarbinnen het plangebied valt, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 14,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 20,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting). Individuele geurbelasting (voorgrondbelasting) Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied bevinden zich de volgende veehouderijen: ▪ Een konijnen-, pluimvee- en schapenhouderij aan de Reysenbeckstraat 32, afstand tot het plangebied 220 meter; ▪ Een schapenhouderij aan de Bemmelstraat 9a, afstand tot het plangebied 310 meter. Voor deze veehouderijen is een vergunde geurbelasting op het plangebied berekend middels het programma ‘V-stacks vergunning 2020’ (zie bijlagen).

Ontwerp

35

Nummer

Nummer

Woning Kogelstraat

Punt 1 Punt 2 Punt 3 Punt 4 Punt 1 Punt 2 Punt 3 Punt 4

Woning Bemmelstraat

Xcoördinaat 200432 200456 200464 200444 200403 200465 200472 200397

Ycoördinaat 384151 384160 384130 384122 384131 384117 384101 384106

Reysenbeckstraat 32 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0

Bemmelstraat 9a 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1

De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 0,1 OU/m³. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 14,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woonen leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen voor wat betreft voorgrondbelasting. Cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Nummer

Nummer

X-coördinaat

Y-coördinaat

Woning Kogelstraat

Punt 1 Punt 2 Punt 3 Punt 4 Punt 1 Punt 2 Punt 3 Punt 4

200432 200456 200464 200444 200403 200465 200472 200397

384151 384160 384130 384122 384131 384117 384101 384106

Woning Bemmelstraat

Berekende waarde 2,5 2,4 2,5 2,6 2,5 2,5 2,5 2,6

De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied varieert tussen 2,4 en 2,6 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale cumulatieve geurbelasting toegestaan van 20,0 OU/m3. Er wordt daarmee ruimschoots aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen voor wat betreft achtergrondbelasting. Effect voor veehouderijen Naast het aantonen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de te realiseren woningen dient eveneens te worden aangetoond dat de bedrijfsvoering van de veehouderijen niet wordt belemmerd door het initiatief. In de directe omgeving rond het plangebied bevinden zich twee veehouderijen op de locaties Reysenbeckstraat 32 en Bemmelstraat 9a. De afstand tot de nieuwe woonbestemmingen tot de bouwvlakken van deze veehouderijen bedragen respectievelijk 220 en 310 meter. Door de ruime afstand tussen de veehouderijen en het plangebied is er geen sprake van eventuele belemmering voor de bedrijfsvoering van deze veehouderijen.

Ontwerp

36

Daarnaast bevinden er zich tussen het plangebied en deze veehouderijen andere woningen welke daarmee bepalend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderijen. 5.2.5 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging; aan de Kogelstraat komen verschillende bedrijfsfuncties voor zoals een bloemist en tuincentrum. Aan de Bemmelstraat is tevens een glastuinbouwbedrijf gelegen. Derhalve is er sprake van een gemengd gebied. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat – met één afstandstap worden verkleind. Uitzondering hierop is de richtafstand voor het aspect gevaar. Deze wordt niet verkleind.

De woonfunctie van de op te richten woningen betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies. In de directe omgeving (straal van 500 meter) bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Een glastuinbouwbedrijf aan de Reysenbeckstraat 28, afstand tot het plangebied 50 meter; ▪ Een glastuinbouwbedrijf aan de Bemmelstraat 15, afstand tot het plangebied 75 meter; ▪ Een konijnen-, pluimvee- en schapenhouderij aan de Reysenbeckstraat 32, afstand tot het plangebied 220 meter; ▪ Een glastuinbouwbedrijf aan de Bemmelstraat 11, afstand tot het plangebied 240 meter; ▪ Een bloemisterij aan de Kogelstraat 62, afstand tot het plangebied 240 meter; ▪ Een tuincentrum aan de Kogelstraat 41, afstand tot het plangebied 250 meter;

Ontwerp

37

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Een verpakkingsbedrijf aan de Bosstraat 15, afstand tot het plangebied 380 meter; Een aannemersbedrijf aan de Kogelstraat 37, afstand tot het plangebied 400 meter; Een tuinbouwbedrijf aan de Americaanseweg 41, afstand tot het plangebied 450 meter; Een brandweerkazerne/gemeentewerken aan de Americaanseweg 43, afstand tot het plangebied 480 meter; Een metaaltechniekbedrijf aan de Americaanseweg 45, afstand tot het plangebied 480 meter; Een sportveld aan de Hagelkruisweg 50, afstand tot het plangebied 490 meter.

De milieuruimte van bestaande bedrijven in de omgeving van het plangebied is geïnventariseerd aan de hand van SBI-code en grootste bijbehorende VNG-afstand voor stof, geur, geluid en gevaar. Bedrijf

Adres

SBI-2008

Glastuinbouwbedrijf Glastuinbouwbedrijf Konijnen-, pluimveeen schapenhouderij Konijnen Pluimvee Schapen Glastuinbouwbedrijf Bloemisterij Tuincentrum Verpakkingsbedrijf Aannemersbedrijf Tuinbouwbedrijf Brandweerkazerne Gemeentewerf (afvalinzameldepot) Kantoorpand Sportveld

Reysenbeckstraat 28 Bemmelstraat 15 Reysenbeckstraat 32

011, 012, 013 011, 012, 013

Richtafstand VNG ‘gemengd gebied’ geur stof geluid gevaar 0 0 10 10 0 0 10 10

Bemmelstraat 11 Kogelstraat 62 Kogelstraat 41 Bosstraat 17 Kogelstraat 37 Americaanseweg 41 Americaanseweg 43 Americaanseweg 43

0149 0147 0145 011, 012, 013 47 4752 941,942 41, 42, 43 011, 012, 013 8425 381

50 100 30 0 0 0 0 0 0 0 10

10 10 10 0 0 0 0 10 0 0 10

10 30 10 10 0 10 0 30 10 30 30

0 0 0 10 0 10 0 10 10 0 30

Americaanseweg 45 Hagelkruisweg 50

941,942 931

0 0

0 0

0 30

0 0

Onderzocht is of de hindercontouren de nieuwe woonbestemmingen overlappen. Er zijn geen hindercontouren die deze overlappen. Er kan gesteld worden dat ten aanzien van het aspect milieuzonering bedrijven geen beperkingen opleveren voor de realisatie van twee woningen. Een goed woon- en leefklimaat kan ter plaatse van het plangebied gewaarborgd worden. Anderzijds worden door de nieuwe woonbestemmingen de nabij gevestigde bedrijven niet in hun bedrijfsvoeringen c.q. activiteiten beperkt. 5.2.6 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Ontwerp

38

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt meten bepaalde omvang (10 of meer personen). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart bevinden zich in de omgeving een tweetal risico’s: ▪ Een propaantank op de Americaanseweg 57, afstand tot het plangebied 720 meter; ▪ Een LPG tankstation met propaantank op de Stationsstraat 90, afstand tot het plangebied 725 meter.

Ontwerp

39

Propaantank

LPG tankstation en propaantank

Afbeelding 15 Uitsnede risicokaart Limburg (plangebied rood omcirkeld)

De plaatsgebonden risicocontour van een propaantank bedraagt 25 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Het plaatsgebonden risico is niet van toepassing. Het invloedsgebied van een opslagtank voor propaan bedraagt circa 200 meter. De woningen vallen daardoor buiten het invloedsgebied. Het groepsrisico is niet van toepassing. Het tankstation heeft een maximale doorzet van 1.000 m³ per jaar. De inrichting betreft een categoriale inrichting volgens het Revi. In de Revi zijn afstanden opgenomen voor LGP tankstation tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. De risicovolle inrichtingen binnen het LPG tankstation zijn als volgt te definiëren: 1. Vulpunt Het vulpunt heeft een plaatsgebonden risicocontour van 40 meter en een invloedsgebied verantwoording groepsrisico van 150 meter; 2. LPG reservoir Het LPG reservoir heeft een plaatsgebonden risicocontour van 25 meter en een invloedsgebied verantwoording groepsrisico van 150 meter; 3. Afleverinstallatie De afleverinstallatie heeft een plaatsgebonden risicocontour van 15 meter. De plaatsgebonden risicocontouren zijn weergegeven op de bovenstaande afbeelding. Hieruit blijkt dat de plaatsgebonden risicocontouren de locatie van de nieuwe woningen niet overlappen. Het plaatsgebonden risicocontour levert derhalve geen belemmeringen op voor het oprichten de woningen.

Het invloedsgebied van het vulpunt en LPG reservoir van 150 meter reikt niet tot aan het plangebied. Het groepsrisico is daardoor niet van toepassing. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.

Ontwerp

40

5.2.7 M.e.r.-beoordeling Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna).

Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r.

het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang project

Ontwerp

van

het

Toets Het project heeft betrekking op het realiseren van twee woningen aan de Kogelstraat en Bemmelstraat

41

Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen

Nee Nee

Nee Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico

Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Toets Agrarisch bedrijf N.v.t.

Nee Nee Nee Nee

Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied

Toets Nee Nee Nee Nee Nee Ja, plangebied is gelegen in grondwaterbeschermingsgebied Venloschol. Diepe boringen zijn daarom uitgesloten en in het kader van het initiatief dus niet aan de orde. Nee Nee

Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn.

Ontwerp

42

Conclusie milieueffectrapportage a. Een woningbouwontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden; c. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is.

5.3

Waterparagraaf

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijke) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016 -2021 van het waterschap, het Provinciale Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekend driestapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwaliteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas Conform de POL2014-kaart ‘Regionaal water’ liggen er in het plangebied geen specifieke waterkundige waarden. Blijkens de kaart ‘Ondergrond’ maakt het plangebied en omgeving onderdeel uit van een boringsvrije zone. Diepe boringen kunnen de natuurlijke geologische bescherming aantasten. In deze zones worden alleen (nieuwe) diepe onttrekkingen voor menselijke consumptie via vergunningverlening toegestaan. Met de

Ontwerp

43

ontwikkeling van het plangebied zijn dergelijke diepe onttrekkingen niet aan de orde. Conform het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ toegekend om diepe boringen zonder vergunning te voorkomen. Deze gebiedsaanduiding is opnieuw aan het plangebied toegekend.

Afbeelding 16. Uitsnede kaart GHG

5.3.2

Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie)

Bodemgesteldheid en grondwater Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een redelijke bodemdoorlaatbaarheid van 0,45 tot 0,75 m/dag. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand tussen de 180-200 cm-mv is gelegen. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Direct ten noorden en westen van het plangebied stroomt de Bemmel, een primaire watergang van het waterschap. Op deze watergang is de Keur van waterschap van toepassing. Hiervoor is in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Profiel van vrije ruimte’ aan deze watergang toegekend. Deze dubbelbestemming valt echter buiten het plangebied en is dus voor het initiatief niet van toepassing.

Ontwerp

44

5.3.3

Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie)

Hemelwater Binnen het plangebied worden twee nieuwe woningen gerealiseerd en wordt de huidige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Als gevolg hiervan zal de hoeveelheid oppervlakteverharding afnemen. Voor de nieuwe situatie wordt gestreefd naar afkoppeling van regenwater en infiltratie op het eigen perceel (eis 100 mm). Volgens de k-waarden kaart van het waterschap geldt voor het plangebied een redelijke doorlatendheid. De gronden zijn derhalve geschikt voor infiltratie van hemelwater, mits de grondwaterstand voldoende laag is (> 1,0 meter). Het feit dat de GHG hier ligt op 1,20 – mv (beoordeling in het veld) zijn er afdoende infiltratiemogelijkheden om het hemelwater op eigen terrein op te vangen. Bij de aanleg van een infiltratievoorziening (dimensionering) is het tevens van belang rekening te houden met de hoeveelheid te bergen hemelwater. Deze wordt bepaald aan de hand van de waterbergingsopgave gerekend over het nieuw verhard oppervlak en zal ten tijde van de vergunningsaanvraag volledig moeten zijn uitgewerkt. Ten aanzien van de waterkwaliteit zijn er een aantal andere aspecten om in acht te nemen: ▪ Het af te koppelen dakoppervlak mag niet worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen. ▪ Af te koppelen verhardingen (wegen, parkeervoorzieningen en stoepen) kunnen verontreinigingen bevatten.

Door tussenkomst van olie- / slibafscheidende kolken, of een voldoende brede bermpassage dient de kwaliteit van het afgevoerde hemelwater te worden gewaarborgd. Afvalwater / riolering Het vuilwater zal worden aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem.

5.4

Kabels en leidingen

Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.5

Natuur

De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende plantenen diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden.

Ontwerp

45

5.5.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna aan te tonen ter plaatse en het effect van het slopen van de stallen en het bouwen van twee nieuwe woningen hierop te onderzoeken is een flora- en faunainspectie4 uitgevoerd (zie separate bijlagen). Algemene vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt bescherm of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wnb begaan. In de te slopen bedrijfswoning zijn 3 huismusnesten aanwezig. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Voordat de woning wordt gesloopt, dient daarom eerst een ontheffing van de Wnb te worden aangevraagd. Voor elk nest dat verloren gaat, dienen er meerdere alternatieve nestlocaties voor de huismus in de nieuwe situatie te worden gerealiseerd. Dat kan door het plaatsen van 6 nestkasten tegen de noordoostgevel van de te behouden jongveestal. In november 2020 is er een zestal huismusnestkasten tegen de noordoostgevel geplaatst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11025654/1