06c Toelichting
Tekst van het document
Hoofdstuk 5
51
voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hierlangs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10 -6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop.
Voor het groepsrisico geldt de orientatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten 7 worden toegestaan. Binnen het plangebied worden (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Verdere toetsing aan externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Om de mogelijke risicobronnen in kaart te brengen is gebruik gemaakt van de Risicokaart Nederland. In de navolgend afbeelding is een uitsnede van de risicokaart opgenomen.
7
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen
Hoofdstuk 5
52
Figuur 15. Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (blauw omcirkeld)
Risicovolle inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. De dichtstbij gelegen risicovolle inrichting ligt op circa 550 meter ten zuiden van het plangebied en betreft een tankstation met lpg aan de Venrayseweg 97. Deze inrichting heeft een invloedsgebied van 150 meter. Het plangebied ligt daar ruimschoots buiten, waardoor de ligging ten opzichte van deze inrichting geen belemmering vormt. Het plangebied is ook niet gelegen binnen het invloedsgebied van verder weg gelegen inrichtingen. Buisleidingen In de wijde omgeving van het plan zijn geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen gelegen. Het plan ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding. Wegen Direct ten westen van het plangebied ligt de A73, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied ligt ter hoogte van het wegvak ‘afrit 9 (Venray) – afrit 1 (Horst)’. Ter plaatse geldt een veiligheidszone van 1 meter, gemeten vanaf de kant van de weg. Het plangebied ligt buiten deze zone. Daarnaast geldt een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter, even-
Hoofdstuk 5
53
eens gemeten vanaf de kant van de weg. Ter plaatse vinden geen ontwikkelingen plaats, waardoor de ligging van dit strookje binnen het plasbrandaandachtsgebied geen belemmering vormt. Het groepsrisico vanwege de A73 is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Binnen een afstand van 200 meter tot de weg vinden geen ontwikkelingen plaats die op basis van de vigerende bestemmingsplan niet ook al zijn toegelaten. Het plangebied ligt echter wel binnen het invloedsgebied van de A73, waardoor het groepsrisico verantwoord dient te worden. Op basis van het bovenstaande kan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Voor het overige zijn er in de directe nabijheid van het plan geen wegen gelegen waarover het transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Spoorlijnen In de wijde omgeving van het plangebied liggen geen spoorwegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Waterwegen In de wijde omgeving van het plangebied liggen geen vaarwegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Verantwoording groepsrisico Zoals reeds beschreven is voor de A73 een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Bij een dergelijke verantwoording dient op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende items: 1. De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. 2.
De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid). In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Aspect De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.
Verantwoording Voor wat betreft de weg bestaan er met name risico’s in verband met ongelukken: - met brandbare vloeistoffen; - met brandbaar gas (BLEVE8); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het alge-
meen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om De mogelijkheden in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde calamiteiten: voor personen om - met brandbare vloeistoffen; zich in veiligheid te - met brandbaar gas (BLEVE); brengen indien zich - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario).
8
BLEVE staat voor “boiling liquid expanding vapour explosion” (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie).
Hoofdstuk 5
54
op de weg een ramp voordoet (zelfredzaamheid).
Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn, dienen zij zich in veiligheid te brengen door zich van de bron af te wenden. Hierbij dient de hulpverlening de risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van het juiste zelfreddende gedrag. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid bij een BLEVE bestaan met name uit vluchten en in tweede instantie uit schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren. Voor het vluchten geldt dat dit bij voorkeur tot buiten het directe invloedsgebied dient plaats te vinden. De functies binnen het plangebied zijn goed ontsloten en er zijn meestal vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario), biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas.
Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. De functies binnen het plangebied zijn over het algemeen goed ontsloten en er zijn meestal vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.
Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, buisleiding, spoor- of vaarweg. Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de A73 heeft een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaatsgevonden. Daarnaast dient de veiligheidsregio om advies te worden gevraagd. PM advies veiligheidsregio. Vanuit externe veiligheid zijn er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 5.2.7 Milieueffectrapportage Toets m.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de functieverruiming van het huidige Aardbeienland en het vergroten van de bouw- en gebruiksmogelijkheden ten behoeve van de agrarische onderzoekscentra in het plangebied. Deze activiteiten komen niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen.
Hoofdstuk 5
55
Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De functieverruiming van Aardbeienland zou kunnen vallen onder categorie D10 onder e: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een themapark’. Als drempelwaarden worden hierbij genoemd: 250.000 bezoekers of meer per jaar, een oppervlakte van 25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. Deze drempelwaarden worden bij de voorliggende ontwikkeling bij lange na niet overschreden, aangezien de terreinomvang van Aardbeienland gelijk blijft en de bezoekersaantallen beduidend lager zullen liggen als de genoemde 250.000 bezoekers per jaar. De uitbreidingen van bedrijfsbebouwing bij de onderzoekscentra zou kunnen vallen onder categorie D 11.2: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Als drempelwaarden worden hierbij genoemd: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer.
Deze drempelwaarden worden bij de voorliggende ontwikkeling bij lange na niet overschreden, aangezien het totale plangebied circa 22 hectare omvat en op slechts een deel daarvan agrarische onderzoeksdoelen mogelijk gemaakt worden. Bovendien dient daarbij opgemerkt te worden dat deze gronden reeds een agrarische bestemming hebben en in agrarisch gebruik zijn. De bouwmogelijkheden nemen in totaal met maximaal 78.500m2 toe, dus ruim onder de genoemde 200.000 m2 bvo. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Tabel: Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling Kenmerken van het project
Omvang van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Hoofdstuk 5
56
Plaats van het project
Bestaand grond gebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Omdat het plan wel voorziet in activiteiten die zouden kunnen vallen in lijst D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar de drempelwaarden bij lange na niet worden overschreden, volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het plangebied heeft een omvang van circa 20 hectare. De ontwikkeling heeft betrekking op de functieverruiming van het huidige Aardbeienland en het vergroten van de bouw- en gebruiksmogelijkheden ten behoeve van de agrarische onderzoekscentra in het plangebied. Op het terrein van Aardbeienland worden, naast het bestaande themapark, o.a. een sportzorgcentrum, een ambachtelijke fabriek t.b.v. de verwerking van fruit tot streekproducten, een clubhuis en educatieve activiteiten mogelijk gemaakt.
Cumulatie met andere projecten
Nee. Het betreft uitsluitend de voorliggende ontwikkelingen in het plangebied.
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats buiten stedelijk gebied, ter plaatse van een bestaand themapark, bestaande bedrijfslocaties voor agrarische onderzoekscentra en bestaande landbouwgronden. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.
Geluid: aangezien bij de voorliggende ontwikkeling geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt, vormt de Wet geluidhinder geen belemmering voor dit plan (zie par. 5.2.2).
Hoofdstuk 5
57
Luchtkwaliteit: de ontwikkeling draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit (zie par. 5.2.3). Geur: er is geen sprake van geurhinder van veehouderijen in het plangebied, gezien de afstand tot omliggende veehouderijen (zie par. 5.2.4). Milieuzonering: de activiteiten binnen het plangebied op voldoende afstand ten opzichte van omliggende woningen plaatsvinden. In de woningen in de omgeving zal daarom sprake blijven van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect milieuzonering zijn er hiermee geen belemmeringen voor de ontwikkelingen in het plangebied (zie paragraaf 5.2.5). Risico van ongevallen
Het voorliggend plan maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk. Daarnaast zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied vanwege risicovolle inrichtingen en transportroutes in de omgeving.
Conclusie Vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. In de nieuwe woningen is daarnaast sprake van een goed woon- en leefklimaat. Plaats van het object Criteria Bestaand grondgebruik
Toets In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een bestaand themapark (zuidoostelijk deel plangebied), drie bestaande bedrijfslocaties voor agrarische onderzoekscentra en bestaande landbouwgronden (noordelijk deel plangebied).
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regene-
N.v.t.
ratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder dacht voor:
Gevoelige gebieden (wetlands, kustge-
Het plangebied is niet gelegen in een gevoelig gebied als bedoeld
bieden, berg- en bosgebieden, reserva-
in artikel 1 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
ten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
Gebieden waarin bij communautaire wet-
Er is geen sprake van gebieden waarin bij communautaire wetge-
geving vastgestelde normen inzake mili-
ving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden over-
eukwaliteit reeds worden overschreden
schreden.
Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
N.v.t.
Landschappen van historisch, cultureel of ar-
Het plangebied maakt geen deel uit van een landschap van histo-
cheologisch belang
risch of cultureel belang (zie par. 5.6). Op grond van de resultaten van het archeologisch bureau- en veldonderzoek is geadviseerd om het plangebied vrij te geven.
Hoofdstuk 5
58
Conclusie Vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied9 (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied Toets Beschermd natuurmonument
Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een beschermd natuurmonument.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Het plangebied is niet gelegen binnen een Habitat en Vogelrichtlijngebied (zie par. 5.5). Gezien de aard van de ontwikkeling en de ligging tegen de kern aan worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden in de omgeving. Door middel van een Aerius-berekening is aangetoond dat negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie op voorhand zijn uitgesloten.
Watergebied van internationale
Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een water-
betekenis
gebied van internationale betekenis.
NNN
Het plangebied is niet gelegen in het NNN.
Landschappelijk waardevol gebied
Nee. Het gebied is niet als zodanig bestemd.
Waterwinlocaties, waterwingebieden en
Het plangebied niet gelegen binnen dergelijke gebieden.
grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument
Er is geen sprake van een beschermd monument.
Belvédère-gebied
Er is geen sprake van een Belvédère gebied.
Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Kenmerken van het potentiële effect Criteria Toets Bereik van het effect (geografische zone en
Er zijn geen effecten te verwachten die uit te drukken zijn in
grootte van de getroffen bevolking)
geografische zone en/of grootte van de getroffen bevolking.
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Er is sprake van een kleinschalig initiatief dat geen grensoverschrijdend karakter heeft.
Waarschijnlijkheid van het effect
Geen effecten te verwachten.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid
De effecten van de ontwikkelingen in het plangebied zijn blijvend,
van het effect
maar niet van dien aard dat sprake is van significant negatieve effecten op het milieu, die het opstellen van een MER noodzakelijk zouden maken.
Conclusie 1. De activiteiten die het voorliggende bestemmingsplan mogelijk maakt, komen niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld;
9
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.
Hoofdstuk 5
59
2. De activiteiten zouden wel kunnen vallen onder categorieën D10 onder e en D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De in kolom 2 bij deze categorieën genoemde drempelwaarden worden echter bij lange na niet overschreden; 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient voor dit plan wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 4. Uit de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. 5.3.1 Beschrijving van waterrelevant beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg, het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht. In Nederland zijn vijf instanties betrokken bij het waterbeheer en de watervoorziening.
Op grond van de Waterwet (2009) en het Bestuursakkoord Water (2011) is de verantwoordelijkheid als volgt verdeeld: 1. Het Rijk is verantwoordelijk voor beleid en wetgeving op nationaal niveau en voor het beheer van het hoofdwatersysteem: de zee en de grote rivieren, meren en kanalen. 2. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid en regelgeving voor de regionale gronden oppervlaktewatersystemen, en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare watervoorziening, de grotere industriële onttrekkingen en die voor energieopslagsystemen. 3. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, de zuivering van afvalwater en de zorg voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid langs de Maas. De waterschappen concretiseren de provinciale beleidskaders in een waterbeheerplan dat het karakter krijgt van een uitvoeringsprogramma.
Hoofdstuk 5
60
4. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor rioleringbeheer en hebben de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. 5. Het drinkwaterbedrijf is wettelijk verantwoordelijk voor de productie en distributie van drinkwater. Voldoende en schoon water is een economische factor van betekenis en onmisbaar voor mens en natuur. De burger stelt steeds hogere eisen aan de waterveiligheid, het gebruik en de beleving van water. Waterschap Limburg Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg beschrijft de uitwerking van het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma. Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zin om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met dit waterbeheerprogramma geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. De taken van het waterschap, welke doelen zij per taak wil bereiken en welke maatregelen zij daarvoor inzet, is beschreven in het Waterbeheerprogramma. Daarbij is onderscheid gemaakt in de taken hoogwaterbescherming, klimaatadaptatie, waterkwaliteit en zuiveren. Keur waterschap Limburg Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het waterschap Limburg van toepassing.
In de Keur worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q. bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang. Gemeentelijk beleid De gemeente Horst aan de Maas volgt zo veel mogelijk het beleid zoals dit is vastgelegd door het waterschap Limburg. Belangrijke aandachtspunten in het beleid zijn het scheiden van vuilen schoon-waterstromen, het vasthouden van gebiedseigen (regen)water, het doorlopen van de afwegingsstap-pen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer’ en het zichtbaar en aantrekkelijk maken van water in de gemeente. Voor dit plan zijn alle genoemde onderwerpen relevant. Hergebruik Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met bestaande proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1.000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving op dit vlak maakt het hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. Onderhavig plan is dan ook niet geschikt om deze voorziening toe te passen. Infiltratie, buffering en afvoer In principe is het de bedoeling dat al het hemelwater in het plangebied wordt vastgehouden.
5.3.2 Ligging plangebied in relatie tot waterbelangen Het plangebied ligt ten noordoosten van de kern van Horst in het buitengebied. In het westen grenst het plangebied aan een aantal woningen en een recreatieve bestemming. Direct daarachter ligt de snelweg (A2). In het noorden grenst het plangebied aan agrarische gronden. Ten
Hoofdstuk 5
61
oosten ligt het recreatiegebied ‘De Kasteelse Bossen’. Het plangebied is momenteel nagenoeg geheel onverhard en heeft een agrarische bestemming. 5.3.3 Waterhuishoudkundige situatie In het kader van de voorgenomen plannen heeft Econsultancy een onderbouwing van het wateraspect opgesteld. De belangrijkste bevindingen hieruit zijn samengevat in de voorliggende waterparagraaf. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage 10. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater en bodem, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater. Grondwater Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). TNO-NITG voert het databeheer van in de omgeving aanwezige grondwaterpeilputten waarin de grondwaterstandstand in het eerste watervoerende pakket wordt gemonitord.
Middels de interactieve grondwatertools ‘Isohypsen’ en ‘Grondwaterdynamiek’ van de Geologische Dienst Nederland worden de historische grondwatermeetreeksen uit het archief van TNO gesimuleerd met behulp van dagelijkse metingen van neerslag en verdamping uit gegevens van het KNMI. Voor de bepaling van de locatiespecifieke grondwaterkarakteristieken is gebruik gemaakt van historische grondwaterdata van grondwatermeetpunten uit de omgeving. De historische meetreeksen van de gebruikte grondwatermeetpunten zijn geïnterpoleerd naar de planlocatie Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen in noordoostelijke richting. Op basis van de beschikbare gegevens alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor de planlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op circa 20,60 m +NAP. Hiermee zou de GHG ter plaatse van het westelijk gelegen plandeel op ± 0,25 0,55 m -mv bevinden. In het noordoostelijke plandeel zou de GHG dan op circa 2,0 tot 2,5 m mv. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de GHG is bepaald op basis van zeer gedateerde gegevens. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings-, grondwaterwin-, attentiegebied. Wel is de planlocatie gelegen in de boringsvrije zone in het gebied van de Venloschol.
In de boringsvrije zones gelden verboden voor het doorboren van de kleilagen voor specifieke toepassingen ter bescherming van de grondwatervoorraden. In de Venloschol zijn de regels van toepassing
10
Econsultancy, Watertoets Berry Briljant Kreuzelweg 3 te Horst, rapportnummer: 17684.004, d.d. 9 mei 2022.
Hoofdstuk 5
62
voor boringen die tot in de kleilaag (Kiezeloöliet Klei) of dieper gaan. Dit betekent in de praktijk dat voor boringen dieper dan 5 m +NAP de regelgeving van toepassing is. Oppervlaktewater Op de leggerkaart van waterschap Limburg zijn de in de directe omgeving van de planlocatie gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Ten westen van de planlocatie, op een afstand van circa 40 m, ligt de Groote Molenbeek. De Groote Molenbeek is een primaire watergang. 5.3.4 Planvoornemen in relatie tot waterhuishoudkundige aspecten Afvalwater Binnen het plangebied is momenteel geen bebouwing of rioolstelsel aanwezig. Ten zuiden van het plangebied ligt een persrioolleiding. Vanaf de bebouwde kom is een gemengd gemeentelijk rioolstelsel aanwezig waarop de aanliggende woningen aangesloten zijn. De woningen langs de Tienrayseweg is ook aangesloten op het gemende gemeentelijk rioolstelsel. Hemelwater In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) separaat van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden ingezameld en binnen de planlocatie worden verwerkt. Met de Gemeente Horst aan de Maas is het voorontwerp in vooroverleg reeds besproken. De Gemeente is in principe akkoord met het besproken ontwerp. Navolgend wordt de toekomstige waterhuishoudkundige situatie in het kort omschreven.
NAK Tuinbouw, Delphy en vermeerderingstuinen Binnen de deelgebieden NAK Tuinbouw en Delphy worden enkele wadi’s gerealiseerd. Regenwater afkomstig van de deelgebieden NAK Tuinbouw, Delphy en de vermeerderingstuinen wordt hierin opgevangen. Stg. Joutou Hemelwater vanuit het deelgebied Stg. Joutou wordt afgevoerd naar het huidige bergbezinkbassin dat is gelegen in het bos. Het bergbezinkbassin heeft een overloop op de langs de weg gelegen sloot. De Sloot voert het overtollige water af naar de Groote Molenbeek. Dit is overeenkomstig met de vroegere situatie toen op locatie nog een kas aanwezig was van circa 2.500 m2. Berry Briljant clubhuis Hemelwater afkomstig van het Berry Briljant clubhuis wordt eveneens opgevangen in een bergbezinkbassin in het bos. Dit bergbezinkbassin heeft een overloop in een greppel aan de zuidzijde van dit deelgebied. Dit zijn bestaande voorzieningen. Parkeerplaats De afwatering van de huidige parkeerplaats blijft ongewijzigd en zal straks net als in de huidige situatie in zuidelijke richting afwateren op een bestaande sloot.
Hoofdstuk 5
63
5.3.5 Infiltratieonderzoek De doorlatendheid is sterk afhankelijk van de bodemsamenstelling (aantal, grootte en vorm van de poriën en de onderlinge verbindingen tussen de poriën). Aangezien een bodem altijd een bepaalde mate van heterogeniteit vertoont en er slechts op enkele punten is gemeten, dienen de afgeleide k-waarden zoals bepaald op de locaties te worden beschouwd als een gemiddelde. Volgens de leidraad riolering module C2510 ‘Doorlatendheidsonderzoek voor infiltratie en drainage’ is voor infiltratie van hemelwater minimaal een doorlatendheid van 0,2 m per dag nodig. De doorlatendheid van de bodem wordt over het algemeen geclassificeerd als matig tot zeer goed doorlatend, waarbij k-waarden van 0,3 en >10 m/dag zijn aangetoond. De k-waarde van de onderzochte lagen ter plaatse van B04 is hoger dan op basis van de textuur zou worden verwacht. Het meetresultaat(ten) wijkt dermate af van de overige meetresultaten dat deze derhalve niet als representatief voor deze bodemlaag kan worden beschouwd. Het meetresultaat is dan ook verder buiten beschouwing gelaten. Op basis van de resultaten uit het waterdoorlatendheidsonderzoek wordt de bodem, mede op basis van de textuur, geschikt geacht voor de infiltratie van hemelwater. Voor het dimensioneren van de infiltratievoorzieningen wordt geadviseerd een rekenwaarde te hanteren van 0,8 m/dag.
Als rekenwaarde geldt het gemiddelde van alle metingen vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 0,5. Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd hydrologisch positief uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure en uitvoering van het plan.
5.4 Kabels en leidingen In het plangebied zelf en in de directe omgeving komen geen leidingen of kabels voor waarvan de planologisch-juridische beschermingszone tot het plangebied reikt. Ten noordoosten van het plangebied ligt een bovengrondse hoogspanningsverbinding. De kleinste afstand tussen de hoogspanningsverbinding en het plangebied bedraagt circa 260 meter. Gezien deze grote afstand zijn er geen belemmeringen vanwege de ligging ten opzichte van de hoogspanningsverbinding.
Hoofdstuk 5
64
5.5 Ecologie 5.5.1 Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in de POVI Limburg en de Omgevingsverordening Limburg 2014 en 2021.
Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.
Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de
Hoofdstuk 5
65
Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. 5.5.2 Toetsing In het kader van onderhavig plan heeft BRO een quickscan ecologie11 uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De conclusies uit dit onderzoek worden hieronder kortstondig toegelicht. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlagen. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Boschhuizerbergen’ en ‘Maasduinen’ bevinden zich respectievelijk op circa 7,8 kilometer afstand ten noordwesten en circa 7,9 kilometer ten oosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten.
Daarnaast is in het kader van voorliggend bestemmingsplan aangetoond dat er geen negatieve effecten worden voorzien in het kader van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken is gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft een stikstofdepositie berekening plaatsgevonden voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase.12 Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Voor de aanlegfase bedraagt de overschrijding 0,01 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Maasduinen. Voor de gebruiksfase bedraagt de overschrijding 0,03 mol/ha/jaar op het Natura-2000 gebied Maasduinen. Zodoende is voor beide fases een verschilberekening uitgevoerd. Uit de verschilberekeningen is gebleken dat er voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase sprake is van een verbeterde situatie ten opzichte van de referentiesituatie. In de huidige situatie vindt er namelijk een overschrijding plaats van 0,05 mol/ha/j. Hierdoor is er in de toekomstige situatie zelfs sprake van een afname van de bijdrage op de stikstofgevoelige habitattypen van de omliggende Natura 2000-gebieden.
Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, de zilvergroene natuurzone of de bronsgroene landschapszone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone grenst aan de noordwestelijk hoek van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
11 12
BRO, Quickscan flora en fauna Fruitcampus Horst, projectnummer: P03501, d.d. 13 mei 2022. BRO, AERIUS-notitie Aardbeienland Berry Briljant_P03501, d.d. 9 maart 2023
Hoofdstuk 5
66
Soortenbescherming Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen. De werkwijze van activiteiten dient te worden aangepast om verstoring van de dassenpijpen ten oosten van het plangebied te voorkomen. Dit geldt voor alle activiteiten in een straal van 200 meter van de dassenpijpen. Tevens dient er ten alle tijden voldoende foerageergebied aanwezig te zijn voor de das. Dit kan mede door maatregelen in te passen binnen de toekomstige situatie. Maatregelen ten behoeve van de das dienen te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Het realiseren van voldoende alternatief foerageergebied voor de das dient te worden onderbouwd in een compensatieplan. Ten aanzien van de steenmarter dient het bouwrijp maken van het terrein uitgevoerd te worden in de vrijgestelde periode tussen augustus en februari. Indien er bomen gekapt gaan worden dienen deze onderzocht te worden op verblijfplaatsen van vleermuizen. Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden.
Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Houtopstanden Het is momenteel nog onbekend of er bomen binnen de bosschage in het zuiden van het plangebied moeten worden gekapt. Indien dit het geval is dient het ‘Beleidsplan duurzaam & integraal Boombeheer’ van gemeente Horst aan de Maas aangehouden te worden. Conclusie Samengevat zijn er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Archeologie De gemeente Horst aan de Maas heeft op gemeentelijk niveau archeologiebeleid vastgesteld en beschikt over een Archeologische Maatregelenkaart, die is vastgesteld op 26 mei 2015 door de gemeenteraad. Voor het merendeel van het plangebied geldt op basis van deze kaart een hoge archeologische verwachting (categorie 3). Voor het zuidwestelijke deel van het plangebied geldt een lage archeologische verwachting (categorie 5). Binnen categorie-3 gebied geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m 2 en dieper dan 50 cm – mv. Binnen het categorie-5 gebied geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 cm –mv.
Hoofdstuk 5
67
Binnen het bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas (2017) gelden vergelijkbare dubbelbestemmingen, namelijk ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 6’ met dezelfde ondergrenzen. Ter plaatse van de gronden van NAK Tuinbouw (percelen 1196 (ged.) en 1197) is in het kader van het bestemmingsplan ‘Tienrayseweg 9a Horst’ een archeologisch onderzoek uitgevoerd. naar aanleiding van deze onderzoeksresultaten is dit deel van het plangebied reeds archeologisch vrijgegeven. Econsultancy heeft in 2020 reeds een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de percelen 1247 en 1248 [gronden Delphy]. Voor circa 2.000 m2 van perceel 1248 is in 2020 ook een archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. Van het plangebied is circa 15,5 hectare nog niet onderzocht door middel van een archeologisch veldonderzoek. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Horst ligt de gehele onderzoekslocatie in een gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening bij een verstoringsoppervlak groter dan 500 m² en bodemingrepen dieper dan 50 cm -mv vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Figuur 16. Uitsnede Gemeentelijke Archeologische Maatregelenkaart ter plaatse van het initiatief
Aangezien het voorliggende bestemmingsplan bouwmogelijkheden schept waarbij de genoemde ondergrenzen kunnen worden overschreden, is een archeologisch onderzoek benodigd. Econsultancy heeft daartoe een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het
Hoofdstuk 5
68
plangebied.13 De resultaten zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Resultaten Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. In de regel is de aangetroffen bodemopbouw een Ap-horizont op een Bhe-horizont, al dan niet opgevolgd door een BC-horizont, op een C-horizont. Het gaat dus veelal om een bouwvoor op een omgewerkte of deels afgetopte veldpodzolgrond in dekzand. Het betreft een stevige, weinig compacte bouwvoor. De bouwvoor bestaat uit matig fijn, zwak siltig, matig humeus zand. In de meeste gevallen is de bouwvoor tussen de 75 en 100 cm dik. Het ‘schone’ dekzand is divers van aard, hetzij zwak tot sterk gleyhoudend, gereduceerd of ontijzerd. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels ontkracht. De bodemgaafheid is in de meeste gevallen te waarderen als slecht. Er zijn weinig tekenen van een begraven bodem. De bodemintactheid is te slecht om een behoudenswaardige vindplaats in het plangebied te kunnen verwachten.
Figuur 17. Advieskaart plangebied (bron: Econsultancy)
13
Econsultancy, Archeologisch bureauonderzoek en verkennend bodemonderzoek herontwikkeling aardbeienland aan de Kreuzelweg 3, rapportnummer: 17684.002, d.d. 2 augustus 2022..
Hoofdstuk 5
69
Op basis van de waargenomen verstoringsdiepte van de bodem (in samenhang met de geringere verstoringsdiepte die de toekomstige planontwikkelingen met zich mee zullen brengen), afwezigheid van archeologische indicatoren, mate van grondbewerking en aanwezige bebouwing binnen een deel van de onderzoekslocatie kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in-situ worden verwacht. Op basis van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied adviseert Econsultancy om ten aanzien van de geplande bodemingrepen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. AMZ-advies Met uitzondering van perceel HOR01-O-1248 kunnen in het plangebied de voorgenomen grondwerkzaamheden worden verricht zonder aanvullende randvoorwaarden vanwege de gemeentelijke archeologische monumentenzorg. Niettemin behoort in de omgevingsvergunning te worden gemeld dat wanneer tijdens de graafwerkzaamheden archeologische grondsporen of vondsten worden aangetroffen, die meteen behoren te worden gemeld bij de gemeente Horst aan de Maas conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016. Tevens wordt geadvisserd om voor deze percelen de dubbelbestemming archeologie te schrappen.
In perceel HOR01-O-1248 is de mogelijkheid op de aanwezigheid van onverstoorde archeologische grondsporen en vondsten zoals figuur 25 in het rapport aantoont. Wanneer daar in het blauwe deelgebied grondwerkzaamheden plaatsvinden die groter zijn dan 500 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld behoort te worden aangetoond dat dit kan zonder eventueel aanwezige archeologische waarden te beschadigen. Het aantonen van de aan- of aanwezigheid van archeologische sporen en vondsten dient in dat geval met behulp van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Dit proefsleuvenonderzoek is op basis van een Programma van Eisen (PvE) dat de goedkeuring behoeft van de gemeente Horst aan de Maas. 5.6.2 Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn, mede op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg geen monumenten of aangewezen karakteristieke c.q. beeldbepalende elementen aanwezig. Ook in de directe omgeving zijn dergelijke elementen niet aanwezig, waarop het bestemmingsplan van invloed zou kunnen zijn. Op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart is de Groote Molenbeek ten westen en noorden van het plangebied aangewezen als een ‘natuurlijke waterloop onderbroken’. Bij de ontwikkelingen in het plangebied zijn geen wijzigingen voorzien aan deze beek en er wordt ook geen invloed op de beek uitgeoefend.
De Tienrayseweg en Kreuzelweg zijn aangewezen als historische lijnelementen (‘weg uit periode 1806-1890’ en ‘andere weg ouder dan 1806’). Op het profiel en verloopt van deze wegen wordt geen invloed uitgeoefend middels de ontwikkelingen in het plangebied. Tot slot zijn er in het westelijk en zuidelijk deel van het plangebied enkele oude akkergrenzen aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Deze zijn echter niet meer als zodanig zichtbaar in het landschap, waardoor de voorliggende ontwikkelingen daar geen negatieve invloed op hebben.
Hoofdstuk 5
70
Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er hiermee geen belemmeringen voor de ontwikkelingen in het plangebied.
5.7 Verkeer en parkeren 5.7.1 Ontsluiting De ontsluitingen voor de drie onderzoekscentra blijven hetzelfde als in de bestaande situatie. NAK Tuinbouw en de Vermeerderingstuinen hebben reeds een in-/uitrit aan de zuidzijde van hun bedrijfslocatie, die uitkomt op de Tienrayseweg. Ten behoeve van de ontwikkeling van Delphy is in 2020/2021 een nieuwe in-/uitrit aangelegd aan de Kreuzelweg, aan de oostkant van de bedrijfslocatie. Aardbeienland behoudt haar huidige ontsluiting aan de Kreuzelweg. Het voornemen bestaat om een plein te realiseren ter plaatse van de huidige ingang, om zodoende een fraaie entree tot het themapark te creëren. Daarnaast krijgt het terrein een achteringang via een zijweg van de Tienrayseweg. Deze weg, die eveneens de ontsluiting vormt voor NAK Tuinbouw en de Vermeerderingstuinen wordt in oostelijke richting doorgetrokken, tot het terrein van Aardbeienland. Deze ingang zal met name worden gebruikt voor personeel en bevoorrading. Ter plaatse van de gronden aan de overzijde van de Kreuzelweg, aan de zuidoostzijde van het plangebied, wordt een parkeerterrein gerealiseerd voor bezoekers van Aardbeienland. Deze gronden zijn in de bestaande situatie ook al bestemd voor en in gebruik als parkeerterrein. 5.7.2 Parkeren Wat betreft parkeren is de op 3 juli 2019 vastgestelde ‘Nota Parkeernormen Horst aan de Maas’ van toepassing.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Horst aan de Maas, een weinig stedelijke gemeente. De parkeernota bevat parkeernormen voor diverse functies, waaronder verschillende typen bedrijven, recreatieve en maatschappelijke voorzieningen. De parkeerbehoefte voor Aardbeienland komt naar verwachting het beste overeen met een ‘attractie- en pretpark’. Hiervoor geldt een parkeernorm van 8 parkeerplaatsen per hectare netto terrein. Het terrein heeft een oppervlakte van circa 3 hectare, waardoor op basis van de parkeernota 24 parkeerplaatsen nodig zijn voor het themapark. Het bezoekersparkeerterrein voor Aardbeienland, aan de overzijde van de Kreuzelweg, krijgt een capaciteit van 320 parkeerplaatsen. Op basis van de bezoekersaantallen van het huidige Aardbeienland en een inschatting van het toekomstige aantal bezoekers, wordt verwacht dat dit aantal voldoende is om de parkeerbehoefte van Aardbeienland en haar nieuwe activiteiten te kunnen opvangen. Het parkeren ten behoeve van het personeel zal plaatsvinden op het eigen terrein van Aardbeien. Daartoe worden aan de westzijde van het terrein, nabij het sportzorgcentrum en aansluitend aan de nieuwe achteringang, parkeerplaatsen gerealiseerd. Het parkeren ten behoeve van de onderzoekscentra NAK Tuinbouw, Vermeerderingstuinen en Deplhy zal, net als in de huidige situatie, plaatsvinden op eigen terrein.
Op de bedrijfslocaties is voldoende ruimte om de parkeerbehoefte op te kunnen vangen.
Hoofdstuk 5
71
Gekoppeld aan sportzorgcentrum Joutou werken en sporten over de dag verdeeld zo’n 50 personen. Deze mensen worden te werk gesteld bij de diverse onderdelen van de Fruit Campus Horst alsook naar de bredere omgeving van Afslag 10. Daarvoor wordt voorzien in 16 parkeerplaatsen bij het gebouw. In het voorliggende bestemmingsplan zijn parkeerregels opgenomen, waarmee wordt gewaarborgd dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. In het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen zal worden getoetst aan de 'Nota parkeernormen gemeente Horst aan de Maas' (of de op het moment van indiening van de omgevingsvergunningaanvraag van toepassing zijnde actualisatie/ opvolger). 5.7.3 Verkeersgeneratie Zoals eerder aangegeven wordt het overgrote deel van de verkeersgeneratie in het gebied veroorzaakt door bezoekers aan het themapark Aardbeienland. In de nieuwe opzet wordt ingezet op een gelijk aantal van jaarlijks gemiddeld 25.000 bezoekers. Het Berry Briljant Clubhuis en Factory maken integraal onderdeel uit van het themapark, hebben dus dezelfde doelgroep en trekken geen bijkomende bezoekers. Sportzorgcentrum Joutou is een nieuwe functie in het gebied die niet openbaar toegankelijk is en bestemd voor een selecte groep gebruikers.
Die gebruikers zullen niet dagelijks aanwezig en gezien de unieke bestemming en selecte en kleinschalige doelgroep is de toename van verkeersgeneratie voor het gehele gebied als minimaal te kwalificeren.
5.8 Duurzaamheid Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen. Duurzaam bouwen bespaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om: Gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers; Een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; prettige en leefbare huizen, gebouwen, wijken en steden; Duurzaam slopen, om de materialen die vrijkomen bij de sloop opnieuw te kunnen gebruiken (hergebruik en recycling); Verantwoord watergebruik; Voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken. Bij de bouw van de gebouwen en bouwwerken die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, zullen in ieder geval de wettelijke duurzaamheidseisen worden toegepast.
Hoofdstuk 5
72
5.9 Gezondheid 5.9.1 Endotoxinen Endotoxinen zijn celwandresten van bacteriën. Inademing van endotoxinen kan leiden tot ontstekingen van de luchtwegen. Uit onderzoek blijkt dat met name bij pluimvee- en varkenshouderijen endotoxinen vrijkomen. Deze verspreiden zich met (fijn)stofdeeltjes naar de omgeving. Binnen het plangebied zijn geen ontwikkelingen voorzien (zoals ontwikkelingen bij veehouderijen) waarbij endotoxinen vrij kunnen komen. Daarnaast is gekeken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege endotoxinen. Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m 3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s. De GGD heeft daarnaast een algemene afstandsnorm geadviseerd van 250 meter tussen een gevoelige functie en een pluimvee- of varkenshouderij. Op een afstand van circa 200 meter ten noordwesten van het plangebied is een varkenshouderij gelegen aan de Wevertweg 1. Binnen een straal van 250 meter tot deze veehouderij worden alleen containervelden mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Dit betreft geen gevoelig gebruik en hier verblijven mensen doorgaans niet permanent of langdurig.
In voorliggend geval kan daarom worden gesteld dat er geen overschrijdingen plaatsvinden van de gestelde norm van Gezondheidsraad, doordat er geen gevoelige functies binnen 250 meter tot de dichtstbijzijnde varkens- of pluimveehouderij worden geprojecteerd. Zodoende kan ook geconcludeerd worden dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.9.2 Geitenhouderij In het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 20142016’ van september 2018, wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking. Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is er door de provincie Limburg voor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in de Omgevingsverordening te stellen. Uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. Uitkomsten worden nog verwacht.
Aangezien de planlocatie op ruim 5 km van de dichtstbijzijnde geitenhouderijen is gelegen en er geen woningen geprojecteerd zijn in het plangebied, vormt het aspect gezondheid vanwege geitenhouderijen geen belemmering voor het planvoornemen.
Hoofdstuk 5
73
5.9.3 Spuitzones Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn. Dit hangt mede samen met de hoogte van de gewassen (hoe hoger, des te meer sprake er kan zijn van drift), windrichting, soort bestrijdingsmiddelen en frequentie van spuiten. De heersende windrichting ter plaatse is zuidwest.
De agrarische gronden binnen het plangebied zijn in de bestaande situatie reeds in gebruik als landbouwgronden en zullen ook in de toekomstige situatie een agrarisch gebruik behouden ten behoeve van agrarische onderzoeksdoelen. Er zijn geen agrarische gronden dichter bij omliggende woningen gepland dan in de huidige situatie het geval is. Ten aanzien van het aspect spuitzones vinden hierdoor geen wijzigingen plaats.