06c Toelichting
Tekst van het document
De voorwaarden voor de kwaliteitsverbeteringen zijn als volgt: De kwaliteitsverbeteringen zijn allen fysiek ruimtelijk van aard en komen ten goede aan de verbetering van de kwaliteit van het buitengebied en/of de dorpskernen; Het dienen additionele verbeteringen te betreffen; De kwaliteitsverbeteringen dienen in tijd en plaats een verband te hebben met de betreffende ontwikkeling; De kwaliteitsverbeteringen zijn kwantificeerbaar. Voor het inzetten van kwaliteitsverbeterende maatregelen geldt in het GKM de volgende voorkeursvolgorde: 1. Kwaliteitsverbeterende maatregelen op eigen terrein; 2. Kwaliteitsverbeterende maatregelen op een ander terrein (elders); 3. Fondsafdracht. In de structuurvisie heeft de gemeente aangegeven dat zij wil onderzoeken of de inzet van social return door een initiatiefnemer ook als kwaliteitsverbeterende maatregel/tegenprestatie gezien kan/mag worden. Het projectgebied is hoofdzakelijk gelegen binnen het deelgebied 7E (gemengd gebied). Het westelijke deel van het projectgebied, ter plaatse van de gronden van NAK Tuinbouw, ligt binnen het deelgebied 3D (beekdalen). In dit laatstgenoemde deelgebied worden echter geen ontwikkelmogelijkheden toegevoegd ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Dit bouwvlak blijft namelijk in haar huidige vorm en met dezelfde bouwmogelijkheden behouden.
De beoogde ontwikkelingen in het projectgebied zijn niet één op één te scharen onder één of meerdere van de modules (typen ontwikkelingen) zoals opgenomen in het GKM. Het GKM kent wel een module ‘overige (gebouwde) functies’, waar de beoogde functieverruiming van het Aardbeienland en de verruimingen van de bouwmogelijkheden voor de onderzoekscentra onder vervat zouden kunnen worden. Laatstgenoemde zou ook onder de module ‘agrarische uitbreiding’ voor grondgebonden agrarische bedrijven kunnen vallen. De hoogte van de kwaliteitsbijdrage binnen deze modules is maatwerk.
Hoofdstuk 3
26
Door Ron Janssen Erf- en Landschapsverfraaiing is een landschapsplan/compensatieplan opgesteld. De belangrijkste resultaten worden hieronder behandeld. Voor het volledige plan wordt doorverwezen naar bijlage 1.3 Landschappelijk inpassingsplan De basis van het plan vormt de gewenste kleinschalige landschappelijke beekdalstructuur aan de rand van de open gebieden. Daarnaast is de overgang van de boszones naar het opener cultuurlandschap het toevoegen van elementen, welke de mantel vormen rond het geheel. In de beekdalzone is de visie gericht op een kleinschalig natuurlijk landschap, waarbij de natuurlijke geulen (voor de infiltratie regenwater) de oude meander van de Molenbeek weer benadrukken. Met struweel en bomen en open ruigte een natuurlijk stukje beekdal, passend bij de eisen van de aangrenzende eigenaar. De grens naar het aangrenzende open perceel wordt afgeschermd met een gemengde haag en knotbomen, wat past bij de criteria van de teelten. Door in deze beekdalzone met de infiltratiebuffer, totaal 7.000 m2 (3000 m2 vanuit oude plan Vermeerderingstuin 9-2017) in te richten met aangrenzende natuurlijke overgangen naar het bestaande bos en bedrijf, geeft ook dit een kleinschalige natuurlijke zone, waarbij flora en fauna zeer veel mogelijkheden hebben. Het wandelpad is nu al een mooi belevingspad voor deze nieuwe natuur.
Ook door de open delen in te zaaien met een natuurlijk mengsel, wordt de basis gelegd voor een natuurlijk ogend landschap van totaal 7000 m2, dat met natuurlijke rasters en poorten een finishing touch krijgt. Door in deze beekdalzone, grenzend aan bestaande bos ook de infiltratiebuffer te creëren, strookt dit qua landschap en meerwaarde ecologie in combinatie met de bestaande groene waarden in deze zone nabij de bestaande beek. De randzone bebouwd gebied en open gebied wordt versterkt met een stevige groenstrook, wat het hoofddoel heeft de landschappelijke inpassing/compensatie gericht op de doelsoort de das, dus een gevarieerde groenzone. Door ook hier de bestaande struikenzone te versterken met een stevige struweel-bosstrook is ook dit deels een natuurlijk element, dat onderdeel is van de compensatie. Het aangrenzende gebied is de open akkerzone, waar de Elzenhaag de TOV inkleedt, maar het doorzicht naar het aangrenzende landschap behouden blijft. Een verdere omkadering van het bebouwde gebied wordt gecreëerd door de struwelen achter de erven Kreuzelweg met een bosstrook die wordt versterkt met als doelsoort de das. Dit is naast inpassing ook een ecologische lijn die de vorige strook ontsluit richting de bestaande bos- en natuurzones rond deze zijde van het projectgebied.
Ook zal de parkeerplaats als open enclave in het bosrijke gebied met respect voor de bestaande beplanting verder worden ingericht. Ook hier versterken van de randzone bosgebied met een mantel-zoom vegetatie en de aanleg van een struweelhaag, gemengde hagen en bomen geven de parkeerplaats een kleinschalige bosachtige inrichting. Ook de hagen natuurlijk beheren en de inrichting en beheer afstemmen op de plek in de boszone.
3
Ron Janssen, Erf- en Landschapsverfraaiing, Landschaps-compensatieplan Berry Briljant, rapport: Plan26-11-2022, d.d. 26 november 2022.
Hoofdstuk 3
27
Tenslotte zal het grote compensatieperceel Kreitenberg grenzend aan de Doevenbos een parkachtig landschap worden, wat gebruiksruimte is vals uitloopgebied/wandelzone vanuit de Doevenbos. Een knipoog naar het vroegere bosgebied hier en in de huidige tijd een bos in de vorm van een hart, geeft een link naar de speciale plek vanuit verleden naar het heden. Juist verder omgeven met een afschermende singel naar buurbedrijf, hagen en bomenzones, creëert leuke doorzichten en vanaf het wandelpad door het gebied een gevarieerde beleving om landschap, flora en fauna te ontdekken. Zeker met bankjes aan het paadje en wellicht andere elementen (kunst) maakt het voor bezoekers tot een belevingsnatuurzone. Dit inpassings- en compensatieplan is een weergaven van de inrichting project Berry Briljant. Vanuit de berekeningen wordt er voldaan aan het criteria om 20.173 m2 nieuwe natuur aan te leggen in het kader van compensatie.
Figuur 8. Uitsnede landschaps- en compensatieplan
De opsomming maakt de compensatieonderdelen helder: A= 4000 m2 B= 3000 m2 C= 1100 m2 E= 6300 m2 minus oude compensatie 2700 m2= 3600 m2 H= 9573 m2 In totaal is het 21.273 m2 en voldoet in kwantiteit en kwaliteit aan de gestelde voorwaarden. Naast deze natuur ook een extra meerwaarde voor het gebied en de link naar Doevenbos, maakt dit project extra speciaal.
Hoofdstuk 3
28
Met deze compensatie wordt een mooie impuls gegeven qua groen en qua beleving voor vele mensen, zeker vanuit Doevenbos. Een aanvullende wandelverbinding over eigendommen bedrijf zijn niet mogelijk. De voorgestelde groeninrichting en beleving geeft een prachtige impuls aan de locatie en de directie omgeving. Al met al een plan op maat van het gebied, landschappelijk, qua natuur voor maximaal gebruik soorten (Das als doelsoort) en beheersbaar. Tenslotte voor de vele bezoekers en recreanten een beleefbaar fraai stukje natuurlijk landschap. Afweging De hoogte en invulling van de kwaliteitsbijdrage voor de doorontwikkeling van Aardbeienland is in nauw overleg met de gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. Deze is vertaald in de opzet voor de compensatieberekening waarbij per planonderdeel is aangegeven wat de beoogde ontwikkeling is en wat dit voor compensatie met zich meebrengt. Deze uitwerking van de fysieke compensatie is afgestemd met de clusters Ruimte en afdeling agrarische bedrijven van de gemeente Horst aan de Maas. Vervolgens zal er ook afstemming met het waterschap plaatsvinden. Op basis hiervan kan bepaald worden welke partijen partner zijn in de te sluiten anterieure overeenkomst.
Concluderend is er op deze manier voldaan aan de landschappelijke compensatie en inpassing en draagt het plan en compenserende maatregelen bij aan de kernkwaliteiten van) het beekdallandschap van het buitengebied van Horst aan de Maas.
Hoofdstuk 3
29
3.4.3 Beleidsnotitie Teelt ondersteunende Voorzieningen De gemeente Horst aan de Maas maakt in haar ‘Beleidsnotitie Teelt ondersteunende Voorzieningen’ een onderscheid in vijf verschillende categorieën teeltondersteunende voorzieningen (TOV’s), die in de navolgende tabel zijn benoem. De beleidsnotitie bevat de nadere uitwerking van het GKM voor wat betreft teeltondersteunende voorzieningen. Voor TOV’s in categorie 1, 2 en 3 geldt een aanvullende kwaliteitsverbetering, naast de verplichte basiskwaliteit. Voor TOV’s in categorie 4 en 5 voldoet de basiskwaliteit en is geen aanvullende kwaliteitsverbetering benodigd. Categorie
Toelichting
1
Permanente hoge voorzieningen zoals (ondersteunende) kassen, gebouwen en bouwwerken met een hoogte vanaf 1,5 meter boven maaiveld. Vaak niet grondgebonden. Voorbeelden zijn glastuinbouw, zogenaamde boogkassen en bakken op stellingen.
2
Permanente lage voorzieningen, tot een hoogte van maximaal 1,5 meter boven maaiveld, waarbij de teelt los van de bodem plaatsvindt, zoals containervelden, kweken op lage stellingen en kweken op/in water. Alle overige vormen waarbij niet meer in de vollegrond wordt geteeld maar op/in stellingen, bassins of anderszins uit de grond.
3
Voornamelijk permanente hoge TOV’s, met een hoogte vanaf 1,5 meter boven maaiveld, niet zijnde gebouwen. Vaak grondgebonden teelten met inbegrip van planten die in een containerpot worden opgekweekt waarbij gebruik gemaakt wordt van ondersteunende voorzieningen. Voorbeelden zijn hagel- en schaduwnetten en lei-constructies.
4
Teelten in containerpot met inbegrip van een afdeklaag voor het plaatsen van de containerpot (in enkelvoudige rijen). Ook het kweken met behulp van sleuf techniek (voornamelijk boom- en fruitteelt) wordt onder deze categorie geplaatst. Bij deze vormen van teelt wordt bodem in geen enkel geval afgedekt (m.u.v. de enkelvoudige rijopstelling).
5
Tijdelijke lage voorzieningen die toegepast worden om het gewas/zaaigoed te beschermen tegen bv. nachtvorst. Het betreft tijdelijke doeken en folies en/of lage “tunneltjes” (< 1,5 meter boven maaiveld) die bijvoorbeeld in het vroege voorjaar of najaar ingezet worden. Voor deze voorzieningen geldt een opruimplicht. Dit houdt in dat na gebruik, de voorzieningen moeten worden opgeruimd en van het perceel dienen te zijn verwijderd.
Op basis van de gebiedsindeling in de structuurvisie Horst aan de Maas en de landschapsanalyse Horst aan de Maas is bepaald of sprake is van een toekomstbestendige locatie. Conform de structuurvisie ligt het projectgebied binnen het gebiedstype categorie 7E (gemengd gebied). Volgens de kaart behorend bij de landschapsanalyse vallen de meest westelijke percelen (ter plaatse van de NAK Tuinbouw) binnen het ‘natuurraamwerk’. Het overige deel van het projectgebied maakt deel uit van het ‘waardevol cultuurlandschap’. Volgens het beleidskader betreft het projectgebied hierdoor geen toekomstbestendige locatie voor TOV’s. Indien echter sprake is van nieuwe initiatieven voor de oprichting van TOV’s bij bestaande vestigingen kan middels maatwerk alsnog medewerking worden verleend. Hierbij worden de volgende voorwaarden gesteld: a. Het gebruik mag niet leiden tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
Hoofdstuk 3
30
b. De locatie van het initiatief ligt in de directe nabijheid van een gebiedsontsluitingsweg of erftoegangsweg type I zoals vastgesteld in het vigerende gemeentelijke Verkeers- & Vervoersplan Horst aan de Maas; c. De historie-, grondpositie en continuïteit van de bedrijfsvoering op de bestaande locatie; d. Afhankelijk van de inbreuk op de landschappelijke/natuurwaarde kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld. Wat betreft de voorwaarde onder a is sprake van de integrale toekomstbestendige doorontwikkeling van het gebied rondom Aardbeienland en de drie onderzoekscentra. De TOV’s zijn voorzien in het noordelijk deel van het projectgebied. De belendende percelen betreffen voornamelijk agrarische gronden. Ten opzichte van de woonpercelen aan de Kreuzelweg zal voldoende afstand in acht worden genomen. Hierdoor is er geen sprake van een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing. De projectlocatie ligt aan de gebiedsontsluitingsweg de Tienrayseweg, waarmee aan de voorwaarde onder b wordt voldaan. Bovendien sluiten de percelen waar de teeltondersteunende voorzieningen zijn geprojecteerd direct aan op de beoogde bouwvlakken voor de onderzoekscentra. Wat betreft het gestelde onder c is sprake van drie bestaande onderzoekscentra.
NAK Tuinbouw en de Vermeerderingstuinen zijn sinds lange tijd op de projectlocatie gevestigd en Deplhy heeft zich recent op de projectlocatie gevestigd. De onderzoekscentra zijn voornemens hun bedrijfsvoering op deze locatie verder door te ontwikkelen en toekomstbestendig voort te zetten. Door middel van de integrale ontwikkelingen van het gebied rondom Aardbeienland ontstaat hier een toekomstbestendig kennis- en innovatiecluster voor de fruitteelt. Aangezien zowel de onderzoekscentra zelf, als de andere betrokken partijen, hiervan kunnen profiteren, is de verwachting dat zij ook in de verdere toekomst hun bedrijfsvoering op deze locatie voortzetten. De teeltondersteunende voorzieningen zijn geprojecteerd op landbouwgronden. Om deze te kunnen plaatsen hoeven geen bebouwing of landschapselementen verwijderd te worden. Evenmin heeft de oprichting van teeltondersteunende voorzieningen op deze percelen een effect op aanwezige natuurwaarden (voorwaarde onder d), aangezien sprake is van agrarische percelen zonder bijzondere natuurwaarden. Afweging Samengevat kan de ontwikkeling hiermee aan alle voorwaarden voldoen volgens het beleidskader voor teeltondersteunende voorzieningen.
Ondanks dat volgens het beleidskader geen sprake zou zijn van een toekomstbestendige locatie, zijn de beoogde TOV’s middels de voorgestelde maatregelen ten aanzien van de landschappelijke kwaliteit wel inpasbaar in deze omgeving. 3.4.4 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. Op 31 januari 2020 is het ontwerpbestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren Horst aan de Maas’ ter inzage gelegd, waarin de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas is opgenomen als Bijlage 1. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers (CROW publicatie 317 Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). De basis van deze parkeernota is dat ontwikkelingen moeten voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein.
Hoofdstuk 3
31
Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt de doorontwikkeling van de drie onderzoekscentra, de transitie en functieverruiming van het bestaande themapark Aardbeienland en de omzetting van een bedrijfslocatie naar woonlocatie mogelijk gemaakt. De gemeente Horst aan de Maas wordt getypeerd als ‘weinig stedelijk’. Binnen de Nota Parkeernormen is zodoende uitgegaan van één stedelijkheidsgraad (weinig stedelijk gebied) voor de totale gemeente. Het plangebied is gezien de ligging te typeren als ‘buitengebied’. Voor een nadere afweging ten aanzien van verkeer en parkeren wordt verwezen naar paragraaf 5.7 van dit bestemmingsplan. 3.4.5 Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het Masterplan Wonen 2021-2025 is op 20 april 2021 door de gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. De beleids-opgaven voor Horst aan de Maas die gebaseerd zijn op het regionale beleid, zijn als volgt: Het plan voorziet, kwalitatief en kwantitatief, in de behoefte van inwoners. Dit betekent concreet dat: o De type woningen en bijbehorende aantallen aansluiten bij de opgave zoals omschreven in dit Masterplan én bij de lokale wensen en behoeften van inwoners (zie ook ‘maatwerk per kern’). o Ontwikkelaars/corporaties met inwoners en samen met de gemeentegesprekken hebben gevoerd en de lokale woonwensen als uitgangspunt hebben genomen.
Een programma met 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koop waarbij maatwerk mogelijk is bij kleine locaties of een aangetoonde andere behoefte aan sociale huur. Nieuwe woningen voldoen aan de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). Nieuwe woningen en woonwijken worden klimaat adaptief gebouwd zodat geen nieuwe knelpunten wateroverlast en hittestress ontstaan. Inbreiding (ontwikkelen binnen bebouwd gebied) waar mogelijk, uitbreiding (ontwikkelen aan de rand van bebouwd gebied) indien nodig. Ontwikkelen in het buitengebied heeft niet onze voorkeur; woningbouw op industrieterreinen is niet toegestaan. Kwalitatief goede, tijdelijke woonconcepten worden omarmd. Deze wordt, indien geschikt, ingezet om snel voor extra aanbod te zorgen. In het plan is goed nagedacht over de kwaliteit van de woonomgeving. Elk initiatief wordt getoetst op basis van gemeentelijk beleid (onder andere Structuurvisie Horst aan de Maas), bestemmingsplannen, stedenbouwkundige visies, het bouwbesluit en financiële haalbaarheid. Nieuwbouwplannen worden getoetst op basis van bovenstaand afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op medewerking van de gemeente.
Anders dan voorheen is dit afwegingskader geen ‘toets achter de schermen’, maar een vrij beschikbaar en inspirerend document, dat gemeente, corporaties en ontwikkelaars motiveert om al in de eerste, prille fase van concept-ontwikkeling de juiste keuzes te maken. De woningbouw-ambitie is gebaseerd op de woningmarkt anno nu (vraag en aanbod), gecombineerd met prognoses (CBS, Stec) en signalen uit de markt.
Hoofdstuk 3
32
Met onderhavig planvoornemen wordt voorzien in de functiewijziging van een bedrijfswoning naar een reguliere woning. Er wordt in feite geen woning toegevoegd aan de huidige plancapaciteit. Vanuit het Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021-2025 zijn geen belemmeringen voor het planvoornemen.
3.5 Conclusie De gewenste ontwikkelingen die het voorliggende bestemmingsplan mogelijk maakt passen, met uitzondering van de kaders van het vigerende bestemmingsplan, binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie als de gemeente Horst aan de Maas zelf.
Hoofdstuk 3
33
4.
PLANBESCHRIJVING
4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan 4.1.1 Visie De betrokken partijen hebben een visie opgesteld voor de transitie van Aardbeienland en het aansluitend gelegen gebied, waarin zij hun doelen en ambities hebben beschreven en waarmee ze vorm en inhoud willen gegeven aan deze ambities. Het merendeel van de doelen uit de visie zal worden gerealiseerd op de gronden die deel uitmaken van het huidige Aardbeienland. De drie onderzoekscentra zijn partner in Berry Briljant en zetten hun bedrijfsgronden in om de doelen op het gebied van onderzoek, kennisontwikkeling, kennisdeling en innovatie in de fruitteelt te bereiken. De hoofdlijnen van de visie zijn hieronder beschreven. De volledige visie is te raadplegen via https://www.berrybriljant.nl/ambitie-document-berry-promotion/ De ambitie van Stichting Berry Promotions kent zowel economische als maatschappelijke doelen. Enerzijds wil de stichting de betekenis van het gebied voor de sector en de regio versterken (economische kant). Dit gebeurt door het themapark Aardbeienland verder te ontwikkelen vanuit een gezond verdienmodel. De huidige activiteiten worden verbreed en de samenwerking met diverse partijen wordt opgezocht om een ‘hotspot’ te creëren rondom zacht en hard fruit. Het Aardbeienland fungeert hierbij als verbinder en aanjager.
Daarnaast willen de initiatiefnemers vanuit het Aardbeienland de profilering en positionering van de fruitsector verder vorm gaan geven. Vanuit een ‘clubhuis’ wordt de promotie van fruit, gastronomie en innovatie in de sector uitgedragen en gedeeld met partijen in de sector zelf en het bredere publiek. Tot slot wordt praktisch onderzoek gefaciliteerd in samenwerking met diverse partijen, waaronder de Brightlands Campus, Greenport Venlo en Fresh Park Venlo. De drie onderzoekscentra NAK Tuinbouw, de Vermeerderingstuinen en Delphy hebben hierin een belangrijke rol. Fruit als bron van gezondheid is een thema dat hierbij centraal staat. Aan de andere kant worden deze economische doelen verbonden met maatschappelijke doelen als educatie, sport, sociale betrokkenheid en bevordering van gezondheid. Hierbij wordt o.a. de samenwerking opgezocht met het onderwijs. Naast kennisontwikkeling ligt de focus op het stimuleren van een gezonde leefstijl en de rol van fruit daarin. De smaakbeleving en veelzijdige toepassing van fruit wordt gedemonstreerd doordat het fruit ter plaatse in een ‘Berry Briljant Factory’ wordt verwerkt tot diverse fruitproducten en middels gastronomie nieuwe fruit concepten worden ontwikkeld. Daarnaast wordt sociale betrokkenheid bij het Aardbeienland sterk gestimuleerd, o.a. in samenwerking met Stichting Joutou.
Leer-werktrajecten, dagbesteding, sportzorg en beweging worden gefaciliteerd bij Aardbeienland in de vorm van een sportzorgcomplex. Mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt krijgen bij Aardbeienland de mogelijkheid om in een veilige en vertrouwde omgeving werkervaring op te doen en zelfvertrouwen op te bouwen.
Hoofdstuk 4
34
Figuur 9. De visie van het Berry Briljant ecosysteem
Tot slot wordt een breed netwerk opgebouwd met het bedrijfsleven, het onderwijs, overheden en andere belangenorganisaties. De Stichting Berry Promotions bestaat uit een samenwerkingsverband van diverse partijen. Bij de oprichting waren met name partijen uit de sector zelf betrokken. Dat heeft zich inmiddels uitgebreid tot een breed netwerk van partijen uit de fruitsector, toeleveranciers, afnemers (retailsector), kennis- en onderzoeksinstellingen, onderwijsinstellingen, maatschappelijke organisaties en overheden. Met dit netwerk kent de organisatie een breed draagvlak. Deze visie vormt de basis voor de ontwikkelingen in het plangebied. De ontwikkelingen die middels het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, worden beschreven in de navolgende paragrafen. 4.1.2 Verbreding activiteiten Aardbeienland Wat betreft de gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden voor de gronden die deel uitmaken van het huidige Aardbeienland volgt uit de visie dat een functieverruiming nodig is ten opzichte van het bestaande gebruik. Het huidige gebruik bestaat uit een themapark gericht op de aardbei, met daaraan ondergeschikt een winkel en horeca (terras). De functie van het themapark wordt verbreed met o.a. educatie, promotie en profilering van zacht fruit en gezondheid, gastronomie, sportzorg en de verwerking van zacht fruit.
De beoogde indeling van het terrein is gevisualiseerd in de navolgende afbeelding.
Hoofdstuk 4
35
Figuur 10. beoogde indeling terrein Aardbeienland VO
Bedrijfsactiviteiten Het bestaande deel van de kas en het bestaande entreegebouw met winkel en horecavoorziening blijft behouden en wordt in het voorliggende bestemmingsplan positief bestemd, in lijn met het vigerende bestemmingsplan. Het themapark zal zich echter niet uitsluitend meer richten op de aardbei, maar op zacht fruit in bredere zin. De activiteiten in de kas, horeca en winkel worden daarop afgestemd en verder doorontwikkeld. Ten westen van de kas wordt een nieuw gebouw gerealiseerd, de fabriek, waar de verwerking van fruit zal plaatsvinden. In de fabriek worden (ambachtelijke) streekproducten gemaakt die in de winkel bij Aardbeienland worden verkocht. Op dit gebouw is een uitkijktoren voorzien, waarvandaan bezoekers op de omgeving kunnen uitkijken, met name op de onderzoeksactiviteiten van Delphy.
Hoofdstuk 4
36
Recreatieactiviteiten Ten westen van de fabriek wordt een nieuw gebouw opgericht ten behoeve van een sportzorgcomplex met sport-, les-, kantoor en fysioruimtes. Stichting Joutou is hoofdgebruiker van dit sportzorgcomplex. Deze stichting begeleidt mensen met een begeleidingsbehoefte door middel van sport (fitness/judo/survival), zorg (begeleiding/fysio), dagbesteding en leerwerktrajecten in een veilige en vertrouwde omgeving. Doel hiervan is om de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen, door mensen vaardigheden te leren en zelfvertrouwen te geven. Sport wordt hierbij ingezet als stimuleringsmiddel om mensen lichamelijk fitter te krijgen en zich beter te laten voelen, mede door interactie van sporters met en zonder beperking. Hierdoor worden deze mensen ook gemotiveerd om andere activiteiten te doen. Het sportzorgcomplex biedt plek aan partijen die ondersteunend zijn aan deze missie zoals fysiotherapie, coaches en organisaties welke zich primair richten op deze doelgroep en dat in breder verband uit willen dragen. Vanuit Stichting Joutou zijn diverse mensen aan het werk bij het themapark Aardbeienland. Zij verzorgen o.a. het onderhoud van het park en zorgen voor de bediening van gasten op het terras. Deze werkzaamheden kunnen verder uitgebreid worden naar het Kasteelpark ter Horst en omliggende bedrijven.
Het bestaande bosperceel aan de zuidzijde van Aardbeienland, grenzend aan de Tienrayse weg, blijft zijn bosrijke uitstraling behouden. Ter plaatse is een voedselbos beoogd met een educatieve functie. Hier zal o.a. educatie worden gegeven aan scholen uit de regio, waarbij de nadruk ligt op verantwoord bewegen en gezond eten en het stimuleren van een gezonde leefstijl. Centraal in het bos wordt een nieuw gebouw opgericht in de vorm van het Berry Briljant Clubhuis. Dit wordt een platform en vergaderlocatie, waar de promotie van fruit, zowel op het gebied van gastronomie als educatie zal plaatsvinden. Partijen uit de fruitsector kunnen samen komen in het clubhuis om over deze thema’s te vergaderen en elkaar te ontmoeten. Hierbij ligt eveneens de nadruk op gezondheid en het stimuleren van een gezonde leefstijl. Ter plaatse van de gronden aan de overzijde van de Kreuzelweg, aan de zuidoostzijde van het plangebied, wordt een parkeerterrein gerealiseerd voor bezoekers van zowel de bedrijfsactiviteiten, als de recreatieve activiteiten. Stedenbouwkundige aspecten De toekomstige bebouwing zal passen binnen geldende hoogtevoorschriften, met uitzondering van de uitkijktoren waarvoor nu een maximale hoogte van 12 meter is beoogd. Deze zal in de ontwerpfase ruimtelijk in beeld gebracht worden met een 3D weergave ten behoeve van een goede ruimtelijke afweging.
De voorliggende nieuwbouwplannen passen met in acht name van de sloop van de kassen binnen de ruimte die het geldende bestemmingsplan voorziet voor bebouwing voor het Aardbeienland. Ook met de omzetting van een deel van het bosperceel (circa 1.500 m2) naar bouwvlak, hetgeen hieronder wordt toegelicht, zal maximaal 60% van het uitgebreide perceel van Aardbeienland bebouwd zijn.
Hoofdstuk 4
37
De beoogde bebouwing is binnen het bestaande bouwvlak geprojecteerd, met uitzondering van het Berry Briljant Clubhuis dat in het bos is geprojecteerd. Om het Berry Briljant Clubhuis mogelijk te maken, dienen in het bos dus bouwmogelijkheden te worden toegevoegd. Binnen het bos zijn bouwwerken zoals sport- en spelattributen en licht- en vlaggenmasten op basis van het geldende bestemmingsplan wel al toegestaan, aangezien dergelijke bouwwerken, geen gebouw zijnde, niet binnen het bouwvlak hoeven te worden opgericht. Het overige deel van het bos wordt ingericht ten behoeve van educatie en sport. Deze inrichting is op basis van het geldende bestemmingsplan reeds mogelijk. 4.1.3 Ontwikkelingsmogelijkheden onderzoekscentra De drie onderzoekscentra in het plangebied, te weten NAK Tuinbouw, de Vermeerderingstuinen en Delphy wensen hun activiteiten toekomstbestendig kunnen blijven uitvoeren. Voor de onderzoekscentra is het van belang dat zij richting de toekomst kunnen blijven innoveren, bijv. middels de modelkas van de toekomst en innovatieve teeltondersteunende voorzieningen om te kunnen omgaan met weersinvloeden en de strenger wordende eisen van consument en retail. Hierdoor kan de regio wereldwijd koploper blijven in de sector. Voor de gronden van NAK Tuinbouw is op 5 juni 2018 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld, het bestemmingsplan ‘Tienrayseweg 9a Horst’.
In paragraaf 1.3.2 is nader ingegaan op dit plan. Binnen dit bestemmingsplan zijn reeds ruime ontwikkelingsmogelijkheden opgenomen, die de toekomstbestendige doorontwikkeling van dit bedrijf mogelijk maken. Deze ontwikkelingsmogelijkheden worden in het voorliggende bestemmingsplan één op één overgenomen. Op de gronden van NAK Tuinbouw ligt een bouwvlak van circa 3 ha, waarbinnen een maximum oppervlakte van 17.500 m² aan bedrijfsbebouwing (waaronder ook kassen) gerealiseerd mag worden. Voor bedrijfsgebouwen geldt een maximum goothoogte van 6 meter en een maximum bouwhoogte van 10 meter. Voor kassen geldt een maximum bouwhoogte van 7,5 meter. Wat betreft de bedrijfslocatie van de Vermeerderingstuinen zal het bestaande bouwvlak in noordelijke richting worden uitgebreid met ca. 11.666 m2. Voor de bedrijfsgebouwen geldt een maximum goothoogte van 6 meter en een maximum bouwhoogte van 10 meter. Voor kassen geldt een maximum bouwhoogte van 7,5 meter. Deze maatvoering komt overeen met de geldende maatvoering voor de huidige bedrijfsbebouwing. Ter plaatse van de bestaande plattelandswoning aan de Tienrayseweg 11 is, overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan, de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – plattelandwoning’ opgenomen. Ter plaatse van deze woning zijn geen wijzigingen voorzien.
Op de gronden ten noorden van de Vermeerderingstuinen worden in het voorliggende bestemmingsplan ruimere mogelijkheden geboden voor het oprichten van teeltondersteunende voorzieningen. Deze gronden kennen reeds een agrarisch gebruik en hebben een gezamenlijke oppervlakte van ca. 5,3 hectare. Deze gronden zijn in het voorliggende bestemmingsplan bestemd tot ‘Agrarisch met waarden – Agrarisch onderzoekscentrum’, waarbij de gronden tevens zijn aangeduid als bouwvlak. Op de gronden van Delphy worden de bebouwing en teeltondersteunende voorzieningen die zij hebben opgericht op basis van een tijdelijke omgevingsvergunning, permanent positief bestemd in het voorliggende bestemmingsplan. Daarnaast worden bouwmogelijkheden voor kassen en
Hoofdstuk 4
38
teeltondersteunende voorzieningen toegevoegd, zodat dit bedrijf zich ook in de toekomst verder kan ontwikkelen binnen het plangebied. De bedrijfslocatie van Delphy wordt hiertoe bestemd tot ‘Agrarisch met waarden – Agrarisch onderzoekscentrum’. Ter plaatse is in het voorliggende bestemmingsplan een nieuw bouwvlak toegevoegd. Binnen dit bouwvlak is bebouwing toegestaan zoals is aangegeven in de navolgende tabel. Vergunde oppervlakte
Uitbreiding oppervlakte
Totaal bouwmogelijkheden
Kas
3.000 m2
3.000 m2
6.000 m2
Regenkappen/stellingen
4.000 m2
4.000 m2
8.000 m2
Trayveld/containerveld
3.000 m2
4.000 m2
7.000 m2
Bassin
1.700 m2
nvt
1.700 m2
Ter plaatse van het bassin is de nadere functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – waterbassin’ opgenomen. Op de locatie voor de kassen is de functieaanduiding ‘glastuinbouw’ opgenomen. Voor de goot- en bouwhoogtes voor bedrijfsbebouwing en kassen wordt in het bestemmingsplan dezelfde maatvoering gehanteerd als bij de Vermeerderingstuinen en NAK Tuinbouw. 4.1.4 Functiewijziging Tienrayseweg 9 Aan de Tienrayseweg 9 is momenteel een aannemersbedrijf gevestigd met daarbij een bedrijfswoning. De eigenaar is voornemens de bedrijfsactiviteiten stop te zetten en de gronden die zijn bestemd als ‘Bedrijf’ te wijzigen naar ‘Wonen’. De bedrijfswoning wordt hiermee gewijzigd naar reguliere woning en de gronden zullen in gebruik worden genomen voor reguliere bewoning.
4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten Naast de landschappelijke kwaliteitsbijdrage en invulling van de compenserende maatregelen in dat kader conform het GKM, zoals beschreven in paragraaf 3.4.2, is er een 3D impressie en animatie van het voorlopig ontwerp opgesteld. Daarmee ontstaat er een totaalbeeld van het planvoornemen in ruimtelijk opzicht. Onder meer de bouwmassa en groenelementen worden daarmee duidelijk.
Hoofdstuk 4
39
Figuur 11. 3D impressie van het voorlopig ontwerp
Figuur 12. 3D impressie van de uitkijktoren en de fabriek
Het voorlopige ontwerp zorgt voor een goede ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing van nieuwe elementen in het bestaande (agrarische) gebied. Daarmee zijn het groene duurzame karakter en een ruimtelijke kwaliteitsimpuls van het buitengebied geborgd.
Hoofdstuk 4
40
Landschappelijke inpassing Door Ron Janssen Erf- en Landschapsverfraaiing is een landschapsplan/compensatieplan opgesteld. De belangrijkste resultaten worden hieronder behandeld. Voor het volledige plan wordt doorverwezen naar bijlage 1.4 De basis van het plan vormt de gewenste kleinschalige landschappelijke beekdalstructuur aan de rand van de open gebieden. Daarnaast is de overgang van de boszones naar het opener cultuurlandschap het toevoegen van elementen, welke de mantel vormen rond het geheel. In de beekdalzone is de visie gericht op een kleinschalig natuurlijk landschap, waarbij de natuurlijke geulen (voor de infiltratie regenwater) de oude meander van de Molenbeek weer benadrukken. Met struweel en bomen en open ruigte een natuurlijk stukje beekdal, passend bij de eisen van de aangrenzende eigenaar. De grens naar het aangrenzende open perceel wordt afgeschermd met een gemengde haag en knotbomen, wat past bij de criteria van de teelten. Door in deze beekdalzone met de infiltratiebuffer, totaal 7.000 m2 (3000 m2 vanuit oude plan Vermeerderingstuin 9-2017) in te richten met aangrenzende natuurlijke overgangen naar het bestaande bos en bedrijf, geeft ook dit een kleinschalige natuurlijke zone, waarbij flora en fauna zeer veel mogelijkheden hebben. Het wandelpad is nu al een mooi belevingspad voor deze nieuwe natuur.
Ook door de open delen in te zaaien met een natuurlijk mengsel, wordt de basis gelegd voor een natuurlijk ogend landschap van totaal 7000 m2, dat met natuurlijke rasters en poorten een finishing touch krijgt. Door in deze beekdalzone, grenzend aan bestaande bos ook de infiltratiebuffer te creëren, strookt dit qua landschap en meerwaarde ecologie in combinatie met de bestaande groene waarden in deze zone nabij de bestaande beek. De randzone bebouwd gebied en open gebied wordt versterkt met een stevige groenstrook, wat het hoofddoel heeft de landschappelijke inpassing/compensatie gericht op de doelsoort de das, dus een gevarieerde groenzone. Door ook hier de bestaande struikenzone te versterken met een stevige struweel-bosstrook is ook dit deels een natuurlijk element, dat onderdeel is van de compensatie. Het aangrenzende gebied is de open akkerzone, waar de Elzenhaag de TOV inkleedt, maar het doorzicht naar het aangrenzende landschap behouden blijft. Een verdere omkadering van het bebouwde gebied wordt gecreëerd door de struwelen achter de erven Kreuzelweg met een bosstrook die wordt versterkt met als doelsoort de das. Dit is naast inpassing ook een ecologische lijn die de vorige strook ontsluit richting de bestaande bos- en natuurzones rond deze zijde van het projectgebied.
Ook zal de parkeerplaats als open enclave in het bosrijke gebied met respect voor de bestaande beplanting verder worden ingericht. Ook hier versterken van de randzone bosgebied met een mantel-zoom vegetatie en de aanleg van een struweelhaag, gemengde hagen en bomen geven de parkeerplaats een kleinschalige bosachtige inrichting. Ook de hagen natuurlijk beheren en de inrichting en beheer afstemmen op de plek in de boszone.
4
Ron Janssen, Erf- en Landschapsverfraaiing, Landschaps-compensatieplan Berry Briljant, rapport: Plan26-11-2022, d.d. 26 november 2022.
Hoofdstuk 4
41
Tenslotte zal het grote compensatieperceel Kreitenberg grenzend aan de Doevenbos een parkachtig landschap worden, wat gebruiksruimte is vals uitloopgebied/wandelzone vanuit de Doevenbos. Een knipoog naar het vroegere bosgebied hier en in de huidige tijd een bos in de vorm van een hart, geeft een link naar de speciale plek vanuit verleden naar het heden. Juist verder omgeven met een afschermende singel naar buurbedrijf, hagen en bomenzones, creëert leuke doorzichten en vanaf het wandelpad door het gebied een gevarieerde beleving om landschap, flora en fauna te ontdekken. Zeker met bankjes aan het paadje en wellicht andere elementen (kunst) maakt het voor bezoekers tot een belevingsnatuurzone.
Hoofdstuk 4
42
5.
SECTORALE ASPECTEN
5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten die aan de orde zijn bij het voorliggend initiatief. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan bod: milieu (geluid, bodem, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid en geur), waterhuishouding, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren, kabels en leidingen, duurzaamheid en ecologie. Voor de functiewijziging van de Tienrayseweg 9 is in samenspraak met de gemeente enkel het aspect bodem beschouwd. De andere onderzoeks- en milieuaspecten zijn niet van toepassing op deze functiewijziging, omdat er in feite niets wijzigt aan de bestaande woning. Ook in de bestaande situatie betreft het al een gevoelige functie in het kader van de ruimtelijke ordening en heeft de omzetting dus ook geen gevolgen voor de omliggende agrarische- en bedrijfsactiviteiten.
5.2 Milieuaspecten Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. 5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Bij een bestemmingswijziging van gronden dient te worden aangetoond dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Een bodemonderzoek is noodzakelijk indien op een locatie een gevoeligere functie mogelijk wordt gemaakt dan de functie die ter plaatse reeds is toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. Aangezien onderhavige ontwikkeling onder andere voorziet in het realiseren van gevoeligere functies dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is.
Voor de ontwikkeling zijn twee aparte bodemonderzoeken uitgevoerd. Onderzoeken zijn in navolgende paragraaf apart beschouwd.
Hoofdstuk 5
43
Verkennend bodemonderzoek Aardbeienland Door Econsultancy is een bodemonderzoek uitgevoerd.5 De resultaten worden hieronder kort behandeld. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Uit het vooronderzoek bodem, uitgevoerd door Econsultancy (NR.17684.001, D.D.19-4-2022), volgt dat er geen aanleiding is voor een vervolgonderzoek. Indien er werkzaamheden plaatsvinden aan de halfverharding, dan dient een nader onderzoek volgens NEN 5897 te worden uitgevoerd. Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem (NEN5725) Tijdens de terreininspectie is een potentieel minerale olie verdachte opslaglocatie aangetroffen. In deze opslaglocatie zijn olie en vetsporen waargenomen op de betonnen vloer. Echter, aangezien de deze locatie inpandig is op een betonnen vloer met een dubbelwandige diesel tank en olievaten op een lekbak is het niet aannemelijk hier een grondverontreiniging te verwachten. Er is dan ook geen reden voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag. Econsultancy heeft in 2017 reeds een bodemonderzoek uitgevoerd voor de percelen 1196 (ged.) en 1197. Econsultancy heeft eveneens in 2019 reeds een bodemonderzoek uitgevoerd voor de percelen 1247 en 1248. Tijdens voorgaand bodemonderzoek (HMB, kenmerk 18364401A, d.d.
27 februari 2019) is plaatselijk in de aanwezige halfverhardingen een gewogen gehalte aan asbest aangetroffen welke (de helft) van de maximale samenstellingswaarde overschrijden. Voor zover hier (grond)werkzaamheden voorzien zijn of indien deze halfverhardingslagen afgevoerd gaan worden zullen deze conform NEN 5897 'Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat’ nader onderzocht dienen te worden op asbest. Verkennend bodemonderzoek Tienrayseweg 9 Door Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.6 De resultaten worden hieronder kort behandeld. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Verkennend bodemonderzoek (NEN5740) De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, niet geheel bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er echter géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijzigingen van de onderzoekslocatie. Conclusie Op basis van alle onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten op het terrein.
De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren.
5 6
Econsultancy, Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Kreuzelweg 3 te Horst, rapportnummer: 17684.001, d.d. 19 april 2022. Econsultancy, verkennend bodemonderzoek Tienrayseweg 9 te Horst,, rapportnummer: 17684.006, d.d. 5 januari 2023.
Hoofdstuk 5
44
5.2.2 Geluid In de Wet geluidhinder wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van (spoor)wegverkeer en gezoneerde industrieterreinen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Spoorwegverkeer Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten nabij een spoorlijn dient het spoorwegverkeerslawaai betrokken te worden. Wat betreft spoorwegverkeerslawaai wordt opgemerkt dat in de omgeving van het plangebied geen spoorwegen zijn gelegen. Industrielawaai Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein of bij ontwikkelingen in de nabijheid van bedrijfspercelen dient het aspect industrielawaai betrokken te worden. In de wijde omgeving rondom het plangebied liggen geen zoneerde industrieterreinen. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk. Wel vindt er een herbestemming plaats van een huidige bedrijfswoning naar een burgerwoning.
Nu in de huidige situatie de bebouwing reeds in gebruik is voor woondoeleinden kan ervan uit worden gegaan dat er een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is daarom niet noodzakelijk geacht. 5.2.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm) staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd
Hoofdstuk 5
45
als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof als NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM); b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
NIBM-grens woningbouwlocaties: 3% criterium: ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de functieverruiming van het huidige Aardbeienland en het vergroten van de bouw- en gebruiksmogelijkheden ten behoeve van de agrarische onderzoekscentra in het plangebied. Hierbij wordt de bovenstaande NIBM-grens bij lange na niet overschreden. Daarnaast wordt de belangrijkste verkeerstroom gevormd door de bezoekers aan het themapark. Dat zijn er in de huidige opzet jaarlijks gemiddeld 25.000 bezoekers en het plan voorziet noch beoogt in een toename van het aantal bezoekers. Dat wordt onderstreept door een gelijkblijvende parkeercapaciteit van 320 parkeerplaatsen. Concluderend draagt de ontwikkeling dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van de voorgenomen ontwikkeling dient daarnaast te worden beschouwd of de luchtkwaliteit in het plangebied voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De grenswaarde voor fijn stof (PM2,5) is een jaargemiddelde concentratie van 25 µg/m³. Voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ als grenswaarde.
Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ (2020) is de concentratie fijn stof (PM10) ter plaatse < 18 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM2,5) < 10 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen 15 en 20 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ en voor PM2,5 25 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m³. Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende.
Hoofdstuk 5
46
Conclusie Onderhavig initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoende voor de beoogde (verblijfs)functies. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan kortom geen belemmeringen. 5.2.4 Geurhinder Geurhinder Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woonen leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. Op 24 juli 2020 is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas’ in werking getreden. In afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied zoals aangegeven op de bij de verordening behorende en gewaarmerkte kaart, als volgt: Plangebied bij Meerlo: 6,0 odour units.
Bedrijventerreinen Klavertje 4-gebied: 14,0 odour units. Overige bebouwde kom: conform wettelijke norm, momenteel 3,0 odour units. Buitengebied: conform wettelijke norm, momenteel 14,0 odour units Het plangebied maakt deel uit van het buitengebied, waardoor hier een geurnorm van 14,0 odour units van toepassing is. In het kader van de gemeentelijke geurverordening heeft de gemeente ook een geurgebiedsvisie opgesteld voor haar gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas. Omdat deze gebiedsvisie en de bijbehorende kaarten een actueel inzicht geven in de huidige situatie omtrent geur, zijn deze gebruikt in de voorliggende toelichting met betrekking tot onderhavig plangebied. Gebiedsvisie: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR642816/1 Verordening: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR642815/1 Kaarten: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2020-80159.html Toetsing De op te richten gebouwen voor o.a. onderzoek, educatie en sportzorg betreffen geurgevoelige objecten, omdat medewerkers hier gedurende de dag voor langere perioden verblijven. De bestaande onderzoeksgebouwen en gebouwen binnen het themapark Aardbeienland zijn ook geurgevoelig, maar omdat dit bestaande geurgevoelige objecten betreffen, hoeven deze niet nogmaals getoetst te worden aan het aspect geur van veehouderijen.
In de directe omgeving is slechts één intensieve veehouderij gelegen aan de Wevertweg 1. Dit betreft een varkenshouderij. Het meest dichtbij gelegen nieuwe gebouw is op ruim 350 meter afstand van deze veehouderij geprojecteerd. Dit betreft een kas van Delphy. De indicatieve
Hoofdstuk 5
47
geurcontour van 14 ou van deze veehouderij reikt blijkens de kaart ‘indicatieve geurcontouren gemeente’ (bijlage C bij de geurgebiedsvisie) niet tot deze bebouwing. In de nabije omgeving zijn voor het overige geen veehouderijen aanwezig. Ook de indicatieve geurcontouren 14 ou van verder weg gelegen veehouderijen reiken niet tot de geurgevoelige gebouwen die in het plangebied mogelijk gemaakt worden. Hierbij dient te worden opgemerkt dat volgens de kaarten bij de geurgebiedsvisie nog veehouderijen aanwezig zijn aan de Kreuzelweg 5a en 9. In werkelijkheid zijn op die adressen geen veehouderijen meer aanwezig. In de vigerende bestemmingsplannen voor deze locaties zijn de voorheen aanwezige veehouderijen wegbestemd, waardoor ook in de toekomst geen veehouderij meer mogelijk zijn op deze adressen. Op basis van het bovenstaande is redelijkerwijs uitgesloten dat de norm van 14 ou in het plangebied wordt overschreden op de geprojecteerd geurgevoelige objecten.
Figuur 13. Indicatieve geurhindercontouren 3 ou en 14 ou (bijlage C bij geurgebiedsvisie Horst aan de Maas)
Volgens de kaart ‘achtergrondbelasting’ (bijlage B bij de geurgebiedsvisie) wordt het woon- en leefklimaat in het plangebied op basis van de indicatieve achtergrondbelasting bovendien beoordeeld als goed.
Hoofdstuk 5
48
Figuur 14. Kaart 'Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder (bijlage B bij geurgebiedsvisie Horst aan de Maas)
Conclusie Vanuit het aspect geurhinder van veehouderijen zijn er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen in het plangebied. In de bestaande en te realiseren geurgevoelige gebouwen zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Tevens worden veehouderijen in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering beperkt als gevolg van de ontwikkeling. 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.
Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied;
Hoofdstuk 5
49
2. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. De richtafstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen.
De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie. Toetsing Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een functieverruiming van de gronden ter plaatse van het huidige Aardbeienland en de toevoeging van bouwmogelijkheden op de gronden van de agrarische onderzoekscentra binnen het plangebied. Dit betreffen geen milieugevoelige functies, maar wel functies die gezoneerd dienen te worden ten opzichte van gevoelige functies (woningen) in de omgeving. Toetsing aan milieuzonering is dan ook vereist om te kunnen beoordelen of in de omliggende woningen sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een diversiteit aan functies, waaronder agrarische en niet-agrarische bedrijven, horeca, sport, recreatie en woningen. Daarnaast liggen er enkele belangrijke doorgaande wegen langs de plangrenzen, te weten de A73 en de Tienrayseweg. In het plangebied zelf zijn een themapark en drie onderzoekscentra aanwezig. Op basis hiervan kan de omgeving van het plangebied worden gekwalificeerd als een gemengd gebied en mogen de richtafstanden in de VNG-brochure met één afstandsstap worden verlaagd.
De agrarische onderzoekscentra, die zich allen richten op onderzoek binnen de fruitteelt, kunnen op basis van de VNG-brochure worden ingedeeld in milieucategorie 2 (categorie ‘Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)’. Op basis van de ligging in gemengd gebied wordt hiervoor een richtafstand van 10 meter geadviseerd voor het aspect geluid en 0 meter voor de overige aspecten (geur, stof en gevaar). Binnen deze afstand zijn geen woningen gelegen. Ten zuiden van de onderzoekscentra NAK Tuinbouw en de Vermeerderingstuinen liggen weliswaar bestaande woningen aan de Tienrayseweg 9 en 11, maar de onderzoeksactiviteiten komen niet dichter bij deze woningen te liggen dan in de huidige situatie het geval is. Op deze woningen wordt dan ook geen negatieve invloed uitgeoefend middels voorliggend plan. De uitbreiding in
Hoofdstuk 5
50
bouwmogelijkheden van de onderzoekscentra vindt plaats aan de noordzijde van de bestaande bedrijfslocatie. Aan die zijde van het plangebied zijn geen woningen gelegen. De huidige activiteiten op het terrein van Aardbeienland (themapark met ondergeschikte winkel en horeca/terras) zijn qua milieubelasting vergelijkbaar met milieucategorie 1 en 2. De beoogde activiteiten op het terrein van Aardbeienland (sportzorg, clubhuis, educatieve activiteiten) betreffen eveneens activiteiten van milieucategorie 1 en 2 en hebben daarmee een vergelijkbare invloed op de omgeving als de bestaande activiteiten. Hiervoor wordt een richtafstand van 10 meter geadviseerd op basis van de ligging in gemengd gebied, waaraan wordt voldaan. Wat betreft de woning aan de Kreuzelweg 2 dient te worden opgemerkt dat deze net binnen de richtafstand tot het parkeerterrein is gelegen. In de bestaande situatie zijn deze gronden ook al in gebruik als parkeerterrein en bestemd voor een recreatieve functie ten behoeve van Aardbeienland. Ten opzichte van deze bestaande planologische situatie vindt er dan ook geen verslechtering plaats in het woon- en leefklimaat in deze woning. Tot slot blijft de bedrijfswoning die wordt omgezet naar een burgerwoning, aan de Tienrayseweg 9, haar huidige functie (voor woondoeleinden) behouden en kan ervan uit worden gegaan dat het woon- en leefklimaat niet wijzigt.
Ten opzichte van deze bestaande planologische situatie vindt er dan ook geen verslechtering plaats in het woon- en leefklimaat in deze woning. Met deze omzetting van bedrijfs- naar burgerwoning zouden agrarische bedrijven in de nabijheid beperkt kunnen worden in hun planologische gebruiksmogelijkheden. Echter, er zijn al meerdere bestaande woningen nabij de bedrijven gelegen. Een woning bevindt zich op het direct aangrenzende perceel 149 aan de zuidzijde en een oostelijk gelegen op perceel 147 aan de overkant van de straat op 11 meter afstand van het onderhavige perceel. De bestaande bedrijven worden met deze omzetting dus niet verder beperkt. Conclusie Concluderend kan worden gesteld dat de activiteiten binnen het plangebied op voldoende afstand ten opzichte van omliggende woningen plaatsvinden. In de woningen in de omgeving zal daarom sprake blijven van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect milieuzonering zijn er hiermee geen belemmeringen voor de ontwikkelingen in het plangebied. 5.2.6 Externe veiligheid Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.
Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels