06c Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Berry Briljant’ Gemeente Horst aan de Maas Ontwerp
Bestemmingsplan ‘Berry Briljant’ Gemeente Horst aan de Maas Ontwerp
Rapportnummer:
P03501
Idn nr.
NL.IMRO.1507.HOBerryBriljant-BP01
Datum:
april 2023
Opdrachtgever:
Stg. Berry Promotions
Projectteam BRO:
BPa, DAd
Trefwoorden:
Functieverruiming, themapark, onderzoek, educatie, sportzorg, fruitteelt, Horst, gemeente Horst aan de Maas
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 3
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan ten behoeve van de transitie van het gebied rondom het themapark Aardbeienland in Horst (gemeente Horst aan de Maas) naar een onderzoeks-, educatie- en kenniscluster op het gebied van zacht en hard fruit en de omzetting van een bedrijfswoning naar een reguliere woning.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
TOELICHTING
2
INHOUDSOPGAVE
1.
2.
INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen
4 4 4 6
1.3.1 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ 1.3.2 Bestemmingsplan ‘Tienrayseweg 9a Horst’ 1.3.3 Tijdelijke omgevingsvergunning Delphy en Stichting Joutou 1.3.4 Conclusie 1.4 Leeswijzer
6 8 8 9 9
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Ruimtelijke structuur 2.2 Functionele structuur 2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie
10 10 10 13
2.3.1 Historische ontwikkeling 2.3.2 Cultuurhistorie
3.
4.
13 13
BELEID 3.1 Inleiding 3.2 (Europees) en Rijksbeleid
15 15 15
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) 3.2.5 Wet milieubeheer 3.3 Provinciaal beleid
15 17 17 17 19 19
3.3.1 Provinciale omgevingsvisie (POVI) Limburg 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 3.3.4 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) 3.4 Gemeentelijk beleid
19 22 22 24 24
3.4.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ 3.4.2 Gemeentelijk kwaliteitsmenu 3.4.3 Beleidsnotitie Teelt ondersteunende Voorzieningen 3.4.4 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 3.4.5 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 3.6 Conclusie
24 25 30 31 32 33
PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan
34 34
4.1.1 Visie
Inhoudsopgave
34
1
5.
4.1.2 Verbreding activiteiten Aardbeienland 4.1.3 Ontwikkelingsmogelijkheden onderzoekscentra 4.1.4 Functiewijziging Tienrayseweg 9 4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten
35 38 39 39
SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding 5.2 Milieuaspecten
43 43 43
5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit 5.2.2 Geluid 5.2.3 Luchtkwaliteit 5.2.4 Geurhinder 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering 5.2.6 Externe veiligheid 5.2.7 Milieueffectrapportage 5.3 Waterparagraaf
43 45 45 47 49 51 55 60
5.3.1 Beschrijving van waterrelevant beleid 5.3.2 Ligging plangebied in relatie tot waterbelangen 5.3.3 Waterhuishoudkundige situatie 5.3.4 Planvoornemen in relatie tot waterhuishoudkundige aspecten 5.3.5 Infiltratieonderzoek 5.4 Kabels en leidingen 5.5 Ecologie
60 61 62 63 64 64 65
5.5.1 Beleid 5.5.2 Toetsing 5.6 Archeologie en cultuurhistorie
65 66 67
5.6.1 Archeologie 5.6.2 Cultuurhistorie 5.7 Verkeer en parkeren
67 70 71
5.7.1 Ontsluiting 5.7.2 Parkeren 5.7.3 Verkeersgeneratie 5.8 Duurzaamheid 5.9 Gezondheid
71 71 72 72 73
5.9.1 Endotoxinen 5.9.2 Geitenhouderij 5.9.3 Spuitzones
73 73 74
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Handhaving 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
75 75 75 76
7.
JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken
78 78
Inhoudsopgave
2
7.2 Toelichting op de verbeelding 7.3 Toelichting op de regels
78 78
7.3.1 Algemeen 7.3.2 Artikelsgewijze toelichting planregels
78 79
SEPARATE BIJLAGEN
Ron Janssen, Erf- en Landschapsverfraaiing, Landschaps-compensatieplan Berry Briljant, rapport: Plan26-11-2022, d.d. 26 november 2022. Econsultancy, Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Kreuzelweg 3 te Horst, rapportnummer: 17684.001, d.d. 19 april 2022. Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek Tienrayseweg 9 te Horst, rapportnummer: 17684.006, d.d. 5 januari 2023 Econsultancy, Watertoets Berry Briljant Kreuzelweg 3 te Horst, rapportnummer: 17684.004, d.d. 9 mei 2022. BRO, Quickscan flora en fauna Fruitcampus Horst, projectnummer: P03501, d.d. 13 mei 2022. Econsultancy, Archeologisch bureauonderzoek en verkennend bodemonderzoek herontwikkeling Aardbeienland aan de Kreuzelweg 3, rapportnummer: 17684.002, d.d. 2 augustus 2022. BRO, AERIUS-berekening Aardbeienland Berry Briljant_P03501, d.d. 9 maart 2023. Omgevingsdialoog d.d. 12 april 2022.
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Het voornemen bestaat om het gebied rondom het bestaande themapark Aardbeienland door te ontwikkelen tot een onderzoeks-, educatie- en kenniscluster op het gebied van zacht en hard fruit. Daarnaast zal vanuit dit gebied de profilering en promotie van fruit in de regio en omstreken worden vormgegeven en uitgedragen. Het Aardbeienland zelf zal hierin een centrale rol gaan vervullen als visitekaartje voor het gebied, waar de verbinding wordt gelegd tussen boer en burger en de fruitsector toegankelijk wordt gemaakt voor het publiek. Het Aardbeienland krijgt hierbij tevens een maatschappelijke functie voor o.a. educatie, leer-werktrajecten en sportzorg. In het gebied van circa 22 Ha zijn diverse bedrijven aanwezig die zich richten op onderzoek binnen de fruitteelt. Naast de 4 Ha van de Stichting Berry Promotions betreffen dit onder andere de Vermeerderingstuinen (12 Ha) en NAK Tuinbouw (2 Ha), die direct ten westen van Aardbeienland zijn gelegen. Tevens heeft recent het onderzoeksinstituut Delphy zich gevestigd op de gronden (4Ha) aansluitend aan Aardbeienland, als eerste stap in de verdere ontwikkeling van dit gebied. Deze onderzoeksbedrijven hebben behoefte aan toekomstbestendige ontwikkelmogelijkheden, om ook in de toekomst hun wereldwijde koppositie op het gebied van onderzoek en innovatie in de fruitteelt te waarborgen.
Naast de beoogde ontwikkeling van Aardbeienland zal de bestaande bedrijfswoning aan Tienrayseweg 9 meegenomen worden in onderhavig bestemmingsplan. De bestaande bedrijfsactiviteiten worden stopgezet en de bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning conform de wijzigingsvoorwaarden uit het vigerende bestemmingsplan. De gewenste ontwikkelingen zijn binnen de geldende bestemmingsplannen niet allemaal rechtstreeks mogelijk. Middels het opstellen van een nieuw bestemmingsplan kan de gewenste transitie van het gebied rondom Aardbeienland planologisch mogelijk worden gemaakt. In het voorliggende bestemmingsplan wordt zodoende de nieuwe bestemming voor de gronden wettelijk geregeld. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de bijbehorende regels en onderhavige toelichting.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de noordoostelijke zijde van Afslag 10 (Horst-Noord) van de A73. Het gebied wordt globaal begrensd door de A73 aan de westzijde, de Tienrayseweg aan de zuidzijde, de Doevenbosweg en Kreuzelweg aan de oostzijde en de Groote Molenbeek aan de noordzijde. Op de navolgende topografische kaart is de globale ligging van de projectlocatie weergegeven. Op de navolgende luchtfoto is de begrenzing van het plangebied ingetekend.
Hoofdstuk 1
4
Figuur 1. Uitsnede topografische kaart met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)
Figuur 2. Luchtfoto plangebied (rood omlijnd) en directe omgeving
De A73 en de Groote Molenbeek vormen de westelijke begrenzing van de projectlocatie. Aan de zuidzijde grenst de projectlocatie aan de Tienrayseweg. De Doevenbosweg en de Kreuzelweg vormen globaal gezien de oostelijke plangrens. Langs de Kreuzelweg liggen enkele woonpercelen, die geen onderdeel uitmaken van het projectgebied. Aan de noordzijde grenst de projectlocatie aan agrarische gronden en een bosperceel.
Hoofdstuk 1
5
Het projectgebied bestaat uit de gronden die deel uitmaken van het huidige Aardbeienland. Daarnaast maken de gronden waar op drie onderzoekscentra NAK Tuinbouw, de Vermeerderingstuinen en Delphy zijn gevestigd deel uit van de projectlocatie. Tot slot maken de gronden van de bestaande bedrijfslocatie aan Tienrayweg 9 ook onderdeel uit van het projectgebied.
1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.3.1 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ Het merendeel van het plangebied valt onder werking van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ (vastgesteld op 19 december 2017). Dit bestemmingsplan is op onderdelen herzien middels het ‘Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020’ (vastgesteld op 8 september 2020). Deze partiële herziening heeft voor het projectgebied uitsluitend enkele wijzigingen in de regels tot gevolg. Daarnaast is op 22 oktober 2021 het ‘Veegplan 2021’ als ontwerp ter inzage gelegd. Dit bestemmingsplan heeft voor het projectgebied geen wijzigingen tot gevolg. Omdat dit plan nog niet is vastgesteld, heeft het op dit moment bovendien nog geen formele status. Bedrijfsactiviteiten Het merendeel van de gronden, waaronder de bedrijfslocatie van Delphy en de landbouwgronden in het noordelijk deel van het plangebied, zijn in dit bestemmingsplan bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’ zonder bouwvlakken. Ter plaatse van de Vermeerderingstuinen geldt de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Agrarisch onderzoekscentrum’. Op de bedrijfslocatie ligt een bouwvlak ter grootte van het volledige bestemmingsplan.
Op de voor ‘Agrarisch met waarden’ bestemde gronden ligt geen bouwvlak, waardoor ter plaatse uitsluitend een aantal specifiek benoemde bouwwerken, geen gebouw zijnde, gebouwd mogen worden, waaronder erfafscheidingen en bouwwerken ten behoeve van extensief dagrecreatief medegebruik. De huidige bebouwing en activiteiten van Delphy zijn mogelijk gemaakt door middel van een tijdelijke omgevingsvergunning (zie paragraag 1.3.3 voor een nadere toelichting). De uitbreidingswensen van Delphy zijn echter niet mogelijk op grond van deze vergunning en binnen de geldende bestemming ‘Agrarisch met waarden’. De gronden waarop de uitbreidingen van de Vermeerderingstuinen zijn voorzien, liggen eveneens binnen deze bestemming en zijn daar gelet op het bovenstaande ook niet toegestaan. Recreatieve activiteiten Het huidige Aardbeienland en de aansluitend gelegen gronden aan de Tienrayseweg en Kreuzelweg zijn bestemd tot ‘Recreatie – Dagrecreatie’. Op het Aardbeienland en het aansluitende bosperceel is daarbij de nadere functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – aardbeientuin’ van toepassing. Wat betreft de gewenste mogelijkheden voor teeltondersteunende voorzieningen in het noordelijk deel van het plangebied geldt dat deze binnen de vigerende bestemming ‘Agrarisch met waarden’ niet zijn toegestaan.
Binnen de huidige bestemming voor Aardbeienland, ‘Recreatie – Dagrecreatie’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – aardbeientuin’ is een dagrecreatieve functie
Hoofdstuk 1
6
toegestaan in de vorm van een aardbeientuin. Daarbij zijn detailhandel en horeca als nevenactiviteit toegelaten, met dien verstande dat de openingstijden van de horeca liggen tussen 7.00 en 21.00 uur. Tot slot zijn de daarbij behorende tuinen, erven en terreinen, paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen, natuur en landschapselementen toegestaan. De beoogde functieverruiming binnen Aardbeienland, waarbij een sportzorgcentrum, een ambachtelijke fabriek t.b.v. de verwerking van fruit tot streekproducten, educatieve activiteiten en het clubhuis zijn binnen deze bestemming niet mogelijk. Tienrayseweg 9 Aan de Tienrayseweg 9 zijn de gronden bestemd als ‘Bedrijf’ met de functieaanuiding ‘specifieke vorm van bedrijf – aannemersbedrijf’. Het beoogde gebruik van de gronden voor bewoning is niet direct mogelijk.
Figuur 3. Uitsnede verbeeldingen vigerende bestemmingsplannen met begrenzing plangebied (rood omlijnd)
Stedenbouwkundige inpassing Op het terrein van Aardbeienland, met uitzondering van het bosperceel aan de zuidzijde, ligt een ruim bouwvlak. Uitsluitend binnen dit bouwvlak mogen gebouwen worden opgericht tot een maximum oppervlakte ter grootte van de bestaande oppervlakte. Met ‘bestaand’ wordt hier bedoeld de oppervlakte zoals die aanwezig was ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan (op 19 december 2017). De bebouwing had toentertijd een oppervlakte van
Hoofdstuk 1
7
8.268 m2. De goothoogte van de bebouwing mag maximaal 7 meter bedragen en de bouwhoogte maximaal 11 meter. Voor het overige legt het bestemmingsplan geen beperkingen op aan de toegestane bebouwing. De beoogde nieuwbouw ligt voor het merendeel binnen het bestaande bouwvlak. De locatie voor het clubhuis ligt in het bos, daar is geen bouwvlak aanwezig. Het clubhuis mag daar kortom niet rechtstreeks worden gebouwd. Ook voldoet de nieuwbouw voor het merendeel aan de genoemde maximale goot- en bouwhoogtes. Een uitzondering hierop is de uitkijktoren, waarvoor een bouwhoogte is voorzien van 12 meter. 1.3.2 Bestemmingsplan ‘Tienrayseweg 9a Horst’ De gronden ter plaatse van de huidige bedrijfslocatie van NAK Tuinbouw vallen onder werking van het bestemmingsplan ‘Tienrayseweg 9a Horst’, dat op 5 juni 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad van Horst aan de Maas. Deze gronden zijn bestemd tot ‘Agrarisch met waarden - Agrarisch onderzoekscentrum’. Op het perceel ligt een ruim bouwvlak van circa 3 ha, waarbinnen o.a. bedrijfsgebouwen en kassen zijn toegestaan tot een maximum oppervlakte van 17.500 m². Voor bedrijfsgebouwen geldt een maximum goothoogte van 6 meter en een maximum bouwhoogte van 10 meter. Voor kassen geldt een maximum bouwhoogte van 7,5 meter.
De uitbreidingsplannen op het terrein van NAK Tuinbouw passen zowel functioneel als qua bouwregels binnen dit geldende bestemmingsplan. Voor de gronden van NAK Tuinbouw wordt daardoor in principe niet afgeweken van het geldende bestemmingsplan. 1.3.3 Tijdelijke omgevingsvergunning Delphy en Stichting Joutou De bouw van het onderzoekscentrum van Delphy en de huidige sportzorgactiviteiten Stichting Joutou zijn momenteel middels een tijdelijke omgevingsvergunning mogelijk gemaakt. Deze ontwikkelingen zijn op basis van de geldende bestemmingsplannen niet rechtstreeks mogelijk, zoals in paragraaf 1.3.1 reeds is beschreven. Vooruitlopend op de vaststelling van het voorliggende nieuwe bestemmingsplan voor de totale ontwikkelingen rondom Aardbeienland zijn deze ontwikkelingen tijdelijk vergund voor een periode van 10 jaar. Delphy mag op basis van deze tijdelijke omgevingsvergunning op de gronden aan de noordzijde van het huidige Aardbeienland een onderzoeks- en innovatiecentrum bouwen voor gewassen in de zacht fruitsector. Op de percelen met nummers 1247 en 1248 worden een kas van 3.000 m2 met inpandige werkruimte, 3.000 m 2 aan containerveld, 2.000 m 2 aan stellingen en 2.000 m2 aan hagelnetten gerealiseerd. Daarnaast worden bijbehorende voorzieningen als een waterbassin, wadi, verhardingen en een ontsluitingsweg gerealiseerd.
Een deel van de bestaande kas van Aardbeienland is in het kader van deze ontwikkeling van Delphy gesloopt. Aangezien het een tijdelijke omgevingsvergunning betreft, zijn de bovengenoemde bouw- en gebruiksmogelijkheden niet permanent toegelaten op deze locatie. Voor de langere termijn is daarom een structurele oplossing nodig. Stichting Joutou begeleidt primair mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt door middel van sportzorg, dagbesteding en leer-werktrajecten in een veilige en vertrouwde omgeving. Doel hiervan is om de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen, door mensen vaardigheden te leren en zelfvertrouwen te geven. Sport wordt hierbij ingezet als stimuleringsmiddel om mensen
Hoofdstuk 1
8
lichamelijk fitter te krijgen en zich beter te laten voelen. Hierdoor worden deze mensen ook meer gemotiveerd om andere activiteiten te doen. Vanuit Stichting Joutou zijn diverse mensen aan het werk bij het themapark Aardbeienland. Zij verzorgen o.a. het onderhoud van het park en zorgen voor de bediening van gasten op het terras. Op basis van de verleende omgevingsvergunning mag een tijdelijke voorziening worden gerealiseerd ten behoeve van dagopvang op het terrein van Aardbeienland, waardoor de sportzorg activiteiten mogelijk worden gemaakt. Hiertoe wordt een gebouw gerealiseerd van 625 m2 met inpandige sport- en lesruimtes op de plek waar voorheen de kassen stonden. Aangezien het een tijdelijke omgevingsvergunning betreft, is het bovengenoemde gebruik voor dagopvang en sportzorg niet permanent toegelaten op deze locatie. Voor de langere termijn is daarom een structurele oplossing nodig in de vorm van het voorliggende, nieuwe bestemmingsplan. 1.3.4 Conclusie Zoals in de voorgaande subparagrafen is beschreven, is de voorliggende transitie van het gebied rondom Aardbeienland op enkele onderdelen niet mogelijk binnen de geldende bestemmingsplannen voor dit gebied. Deze bestemmingsplannen bevatten ook geen binnenplanse afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden waarmee de ontwikkelingen alsnog mogelijk gemaakt kunnen worden.
Daarom is een nieuw bestemmingsplan nodig om deze ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet daarin.
1.4 Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd. In het volgende hoofdstuk vindt een beschrijving van het plangebied plaats. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie en wordt tevens ingegaan op het wettelijke onderzoekskader. Hoofdstuk 4 beschrijft vervolgens de gewenste ruimtelijke en stedenbouwkundige ontwikkeling. Hoofdstuk 5 bevat een verantwoording van de diverse sectorale aspecten. In hoofdstuk 6 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. In hoofdstuk 7 is tot slot de wijze van bestemmen opgenomen.
Hoofdstuk 1
9
2.
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
2.1 Ruimtelijke structuur Het voorliggende plangebied ligt aan de noordoostelijke zijde van Afslag 10 (Horst-Noord) van de A73, ten noorden van de kern Horst. Aan de zuidzijde van het plangebied loopt de Tienrayseweg, de doorgaande weg die de verbinding vormt met de kernen Horst en Tienray. Gezien deze ligging is de bereikbaarheid van het plangebied voor autoverkeer zeer goed te noemen. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Grote Molenbeek en de A73. Ten noordwesten van het plangebied ligt een bosperceel en aan de noordzijde liggen landbouwgronden. Aan de noordoostzijde van het plangebied liggen twee voormalige agrarische bedrijven aan de Kreuzelweg 9 en de Kreuzelweg 5a. Beide zijn recent beëindigd, waarbij de agrarische bedrijfswoningen zijn omgezet naar burgerwoningen. Op het adres Kreuzelweg 5a is daarnaast een licht bedrijfsfunctie (max. milieucategorie 2) toegelaten. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door een bosperceel en aan de zuidzijde door de Tienrayseweg. Aan de overzijde van deze weg zijn diverse functies gelegen, waaronder wonen, horeca, bedrijvigheid, recreatie en sport.
Figuur 4. Luchtfoto plangebied (rood omlijnd) en directe omgeving
2.2 Functionele structuur De omgeving van het plangebied betreft een bosrijk gebied waar een mix van diverse functies aanwezig is, waaronder landbouw, dagrecreatie, sport en natuur. Het plangebied zelf bestaat
Hoofdstuk 2
10
deels uit agrarische gronden (akkerbouw- en weidegrond). Daarnaast vindt onderzoek, kennisontwikkeling en innovatie in de fruitteelt plaats op de bedrijfslocaties van de drie onderzoekscentra NAK Tuinbouw, de Vermeerderingstuinen en Delphy. De gronden die deel uitmaken van het huidige Aardbeienland zijn in gebruik voor het themapark. Daar werken o.a. mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, die worden begeleid door middel van sportzorg door Stichting Joutou. Dit vindt eveneens plaats op het terrein van Aardbeienland. Verder zijn verspreid in het gebied bomenrijen en enkele bospercelen aanwezig. Het meest westelijke deel van het plangebied, grenzend aan de A73 en de Groote Molenbeek, is in gebruik door NAK Tuinbouw. Deze percelen zijn deels bebouwd met kassen. NAK Tuinbouw betreft een keuringsdienst van teeltmateriaal (zaaizaad en plantgoed) van bloemen, groenten en bomen. Daarnaast vindt onderzoek plaats naar de gezondheid van plantmateriaal en landbouw- en groenterassen. NAK Tuinbouw is tevens een kenniscentrum, waar kennis over dit vakgebied gedeeld wordt met de overheid en het bedrijfsleven en opleidingen en trainingen worden gegeven. De locatie in Horst betreft een toetscentrum en richt zich met name op houtachtige planten, zoals appel, peer, aardbei, framboos en roos, maar ook sierbomen.
De gronden ten zuiden van de NAK Tuinbouw, ten zuiden van Aardbeienland (Tienrayseweg 9) zijn momenteel in gebruik als aannemersbedrijf met bedrijfswoning.
Figuur 5. Foto westzijde plangebied, gezien vanuit de A73 (Bron: Google Streetview, okt. 2021)
De gronden ten oosten van NAK Tuinbouw zijn in gebruik door de Vermeerderingstuinen. Dit bedrijf maakt enthout en oculatiehout van fruitgewassen, laanbomen en houtige siergewassen en levert deze wereldwijd aan professionele kwekers. Op de voorliggende locatie in Horst ligt het accent op de productie van enthout en oculatiehout van fruitgewassen. Het betreft vooral appel- en perenrassen, met daarnaast kers en pruim en een aantal kleinere gewassen. De productie is verspreid over een groot aantal percelen in de nabije omgeving van Horst, die buiten het projectgebied zijn gelegen. De gronden van de Vermeerderingstuinen zijn deels bebouwd met bedrijfsgebouwen.
Hoofdstuk 2
11
Delphy heeft zich recent in het oostelijk deel van het projectgebied gevestigd, op de gronden ten noordoosten van de Vermeerderingstuinen. Delphy richt zich op kennisontwikkeling en -implementatie over het telen van gewassen en het optimaliseren van de teeltomstandigheden. Op basis van een tijdelijke omgevingsvergunning hebben zij in het projectgebied een hightech onderzoeklocatie gerealiseerd voor gewassen in de zacht fruitsector. Op de percelen met nummers 1247 en 1248 zijn een kas van 3.000 m 2 met inpandige werkruimte, 3.000 m 2 aan containerveld, 2.000 m2 aan stellingen en 2.000 m 2 aan hagelnetten gerealiseerd. Het zuidoostelijke deel van het projectgebied omvat het huidige Aardbeienland. Deze gronden zijn deels bebouwd met een kas, met aansluitend een winkel en terras. Daarnaast maken een aardbeientuin en een bos deel uit van het Aardbeienland. Het themapark is voornamelijk gericht op kinderen in de basisschoolleeftijd en hun (groot)ouders. In de kas en het bos zijn diverse attracties en bezienswaardigheden rondom de aardbei. Kinderen kunnen hierdoor spelenderwijs alles leren over de aardbei. Een deel van de bestaande kassen is recent gesloopt om de ontwikkeling van Delphy mogelijk te kunnen maken. Op de plek van de gesloopte kassen realiseert de stichting Joutou een sportzorgcentrum van 625 m2 waarvoor een tijdelijke bouwvergunning is verleend.
Figuur 6. Foto zuidoostzijde plangebied, gezien vanuit de Kreuzelweg (Bron: Google Streetview okt. 2021)
Het meest noordelijke deel van het projectgebied bestaat uit agrarische gronden, die in gebruik zijn als akkerbouw- en weidegrond. Verspreid in het gebied zijn bomenrijen en enkele bospercelen aanwezig.
Hoofdstuk 2
12
2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie 2.3.1 Historische ontwikkeling Het dorp Horst is in de middeleeuwen (ca. 500 tot ca. 1500 NC) ontstaan op de hogere zandgronden tussen de Peel en de Groote Molenbeek. De oorspronkelijke naam was Berkele. In de 11e eeuw was er in Berkele al een kapel. Rondom deze kapel vestigden zich winkeliers en handelaren. Van de gehuchten Berkele, Hegelsum, Meldersloo, Meterik, Middelijk, Oostenrijk en Schadijk was Berkele door zijn centrale ligging het belangrijkste. Door het ontstaan van het kasteel Huys ter Horst (ca. 1300) neemt de centrale nederzetting Berkele waarschijnlijk de naam Horst aan. Deze kasteelruïne ligt ruim 600 meter ten zuiden van het plangebied. Horst en de andere dorpen van de gemeente Horst aan de Maas behoorden tot het Overkwartier van Gelre of Spaans Opper-Gelre. Tijdens de Spaanse Successieoorlog werd het door Staatse troepen bezet, waarna het in 1713 werd overgedragen aan de Pruisische bondgenoot. Zo bleef het als deel van Pruisisch Opper-Gelre ongeveer een eeuw lang Duits (tot 1814). Uit historisch kaartmateriaal (bron: topotijdreis.nl) blijkt dat het voorliggende plangebied al vanaf omstreeks 1850 in gebruik is als agrarische grond zonder bebouwing. Op oudere kaarten zijn daarnaast al het kasteel Huys ter Horst en een weg/pad ter hoogte van de huidige Tienrayseweg zichtbaar.
Tot ongeveer 1950 wijzigt het gebruik van het plangebied nauwelijks. In de jaren ’50 is er in het plangebied en directe omgeving meer bebouwing opgericht, onder andere langs de Tienrayseweg en Kreuzelweg. Het plangebied bleef echter hoofdzakelijk in agrarisch gebruik. Vanaf eind jaren ’70 vinden in het plangebied ook agrarische onderzoeksactiviteiten plaats. Ter plaatse van het huidige Aardbeienland is eind jaren ’70 bedrijfsmatige bebouwing opgericht. De huidige kas is op kaartmateriaal van eind jaren ’90 voor het eerst zichtbaar. Rond die periode is ook de A73 aangelegd ten westen van het plangebied. In de jaren ’90, 2000 en 2010 hebben ook de meeste uitbreidingen van de onderzoeksbedrijven in het plangebied plaatsgevonden. 2.3.2 Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn, mede op basis van de kaarten van de provincie Limburg en de Atlas van de Leefomgeving geen monumenten of aangewezen karakteristieke c.q. beeldbepalende elementen aanwezig. Ook in de directe omgeving zijn dergelijke elementen niet aanwezig, waarop het bestemmingsplan van invloed zou kunnen zijn. Cultuurhistorische waarden worden door het initiatief dan ook niet aangetast. Een verder afweging vindt plaats in paragraaf 5.6.
Hoofdstuk 2
13
Figuur 7. Uitsneden topografische kaarten jaartallen 1850 (linksboven), 1900 (rechtsboven), 1950 (linksonder) en 1980 (rechtsonder)
Hoofdstuk 2
14
3.
BELEID
3.1 Inleiding In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 3.2, § 3.3, § 3.4 en § 3.5). Bij het rijksbeleid wordt onder andere ingegaan op de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Voor het provinciaal beleid wordt onder andere gebruik gemaakt van Provinciale Omgevingsvisie 2021 (POVI), een overkoepelend beleidsstuk. In het kader van het gemeentelijk beleid wordt onder andere ingegaan op de Structuurvisie Horst aan de Maas en de ontwerp Omgevingsvisie
3.2 (Europees) en Rijksbeleid 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (behalve paragraaf 4.9). De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen.
Hoofdstuk 3
15
De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaat-bestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16.
Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agro-productie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (in-ter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Voor de voorliggende ontwikkeling zijn met name de prioriteiten ‘duurzaam economisch groeipotentieel en ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’ van belang. Middels de transitie van het gebied rondom Aardbeienland wordt dit gebied het centrum voor kennisontwikkeling, kennisdeling en innovatie binnen de fruitteelt. De ontwikkeling draagt hierdoor bij aan de nationale belangen ‘waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat’ en ‘ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie’. De transitie wordt daarnaast gekenmerkt door een combinatie van functies (economische en maatschappelijke doelen), waarbij het gebied in samenhang wordt ontwikkeld. Dit is eveneens in lijn met de principes van de NOVI.
Tot slot wordt middels de transitie bijgedragen aan de realisatie van een goede omgevingskwaliteit, doordat het gebied een kwaliteitsimpuls krijgt en ontwikkelmogelijkheden voor de toekomst goed worden geregeld. Voor het overige zijn gezien de aard en schaal van deze ontwikkeling geen nationale belangen uit de NOVI in het geding. De ontwikkeling is kortom in overeenstemming met de NOVI.
Hoofdstuk 3
16
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, de uitoefening van defensietaken, veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Afweging Op dit bestemmingsplan werken geen van de genoemde rijksbelangen rechtstreeks door.
In het plangebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het plan is dan ook in lijn met het Barro. 3.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Als gevolg van deze regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Horst aan de Maas. Binnen deze zone is een maximum gesteld aan de bouwhoogte voor windturbines van 114 meter +NAP. Afweging Aangezien onderhavig bestemmingsplan geen windturbines hoger dan 114 meter +NAP toestaat vormt de ligging binnen het radarverstoringsgebied geen belemmering. 3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: ‘De ruimtelijke ont-
Hoofdstuk 3
17
wikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ Uit de jurisprudentie1 komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: ‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’ (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging Het voorliggende bestemmingsplan maakt de toekomstbestendige doorontwikkeling en uitbreidingsmogelijkheden voor de bestaande onderzoeksbedrijven NAK Tuinbouw, Vermeerderingstuinen en Delphy mogelijk in het plangebied. Deze agrarische onderzoeksinstellingen richten zich specifiek op onderzoek en innovatie binnen de fruitteelt.
In de vigerende bestemmingsplannen, alsook in het voorliggende bestemmingsplan, is aan de bedrijfslocaties een agrarische bestemming toegekend. Het toekennen van een agrarische bestemming is in lijn met de uitspraak2 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Op het terrein van Aardbeienland wordt een verruiming van de toegestane activiteiten mogelijk gemaakt. De gronden zijn in het vigerende bestemmingsplan uitsluitend bestemd voor dagrecreatie in de vorm van een aardbeientuin. Middels het voorliggende nieuwe bestemmingsplan worden, naast het bestaande themapark, een clubhuis (gericht op gastronomie, educatie en promotie), een sportzorgcentrum, een ambachtelijke fabriek (verwerking van fruit en educatie) mogelijk gemaakt. Ten behoeve van deze functies zijn in het voorliggende bestemmingsplan specifieke aanduidingen opgenomen. Bovendien worden het ruimtebeslag en de bouwmogelijkheden op het terrein van Aardbeienland niet vergoot ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden. Tot slot worden de bestaande bedrijfsactiviteiten aan de Tienrayseweg 9 beëindigd en wordt de bedrijfswoning gewijzigd naar reguliere woning.
Hierdoor is er geen sprake van nieuw ruimtebeslag voor stedelijke functies en is de ladder voor duurzame verstedelijking daarom niet van toepassing. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat bij de voorliggende ontwikkeling sprake is van een clustering van specifieke, aan de agrarische functie gerelateerde ontwikkelingen, die een samenhangend concept vormen. Doordat deze ontwikkelingen zijn gerelateerd aan de agrarische sector, dienen deze bij uitstek in het buitengebied, en daarmee buiten het bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. Omdat hierbij sprake is van een locatie die reeds wordt gebruikt als themapark en agrarische onderzoekslocatie, en de nieuwe ontwikkelingen deels binnen het bestaande ruimtebeslag van deze functies, en deels direct aansluitend daarop plaatsvinden, is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik in lijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking. 1
2
o.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319) Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Uitspraak 201608869/1/R3, ECLI:NL:RVS:2017:1724, 28 juni 2017.
Hoofdstuk 3
18
3.2.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. Die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. Ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.
van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten, maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. Afweging De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plicht van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 5.2.7.
3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Provinciale omgevingsvisie (POVI) Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg is op 1 oktober 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Daarnaast is reeds een omgevingsverordening vastgesteld op 17 december 2021 om het beleid juridisch te verankeren. Deze wordt verder behandeld onder paragraaf 3.3.3. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 juli 2023. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening Limburg 2014 van kracht.
Hoofdstuk 3
19
Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn hoofdzakelijk de thema’s ‘land- en tuinbouw’ en ‘economie’ relevant. Daarnaast wordt ingezoomd op de relevante aspecten binnen het thema ‘veiligheid en gezondheid’.
Land- en tuinbouw De POVI Limburg beschouwt de agribusiness als een belangrijke economische en innovatieve motor en beheerder van het landelijk gebied. Ook in de toekomst willen de provincie in Limburg een gunstig ondernemersklimaat voor de land- en tuinbouw bieden. De provincie biedt ruimte voor het uitbouwen van de positie als toonaangevende agrarische regio tot een sector die duurzame oplossingen voor maatschappelijke opgaven biedt. In verbinding en samenwerking met andere kennisregio’s wordt hier de nieuwe standaard ontwikkeld voor moderne, duurzame en circulaire, vraaggestuurde land- en tuinbouw, die in balans is met en bijdraagt aan een gezonde en duurzame leefomgeving. Met deze ambitie kiest Limburg, in lijn met het nationale beleid, voor een betekenisvolle transitie in de agrifoodsector. Economie Wat betreft het thema economie blijft versterking van de regionale economische structuur binnen een excellent vestigingsklimaat het uitgangspunt voor de economische ontwikkeling van Limburg. Daarnaast streeft de provincie het behouden en uitbouwen van breed, toekomstbestendig en kwalitatief goed onderwijs. Wat betreft de vrijetijdseconomie kiest de provincie voor het verhogen van de kwaliteit van het aanbod. In het buitengebied en de groenblauwe mantel zijn alleen initiatieven voor vrijetijdseconomie mogelijk die daar functioneel aan gebonden zijn.
Hoofdstuk 3
20
Gezondheid Voor de voorliggende ontwikkeling is daarnaast ook het thema gezondheid relevant, dat in de POVI Limburg in samenhang met het thema veiligheid wordt besproken. Met de inrichting van de leefomgeving wil de provincie bijdragen aan een gezonde en veilige omgeving die bewegen, ontmoeten, zelfredzaamheid, educatie en een gezonde levensstijl stimuleert. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil.
Afweging Om de provincie ambities voor de land- en tuinbouw te kunnen verwezenlijken, is onderzoek en innovatie in deze sector van groot belang. De voorliggende ontwikkelingen in het projectgebied dragen bij uitstek bij het bereiken van deze ambitie, doordat de drie onderzoeksbedrijven in het bestemmingsplan ruimere ontwikkelingsmogelijkheden krijgen om de kennisontwikkeling in deze sector toekomstbestendig voort te zetten. daarnaast mogelijkheden voor doorontwikkeling van innovatie onderzoeksinstituten belangrijk voor behoud van een aantrekkelijk vestigingsklimaat en economische ontwikkeling. Middels de beoogde educatie en sportzorg activiteiten wordt het bewegen, gezonde voeding en een gezonde levensstijl gestimuleerd. Het plan draagt hierdoor ook bij aan de provinciale doelen op het gebied van gezondheid. De transitie van Aardbeienland zorgt daarnaast voor een kwaliteitsslag voor deze bestaande, aan het buitengebied gebonden dagrecreatieve activiteit. Bovendien wordt middels de transitie van Aardbeienland de verbinding gelegd tussen de agrarische sector en het bredere publiek. Het project levert daarmee ook een positieve bijdrage aan het maatschappelijk draagvlak voor de sector en biedt meerwaarde doordat maatschappelijke doelen als educatie, sport en gezondheid hand in hand gaan met de economische doelen van de sector.
Tot slot wordt de bestaande bedrijfswoning aan de Tienrayseweg 9 omgezet naar een reguliere woning en worden de bedrijfsactiviteiten stopgezet. De feitelijke situatie wijzigt niet, omdat er momenteel al sprake is van een vrijstaande woning. Enkel de functie wijzigt. De voorliggende ontwikkeling sluit kortom naadloos aan bij de provinciale ambities op het gebied van de land- en tuinbouw, economie, gezondheid en wonen. Doordat de ontwikkelingen in het plangebied in samenhang worden opgepakt, wordt tevens meerwaarde bewerkstelligd doordat verbindingen plaatsvinden tussen de verschillende planonderdelen en activiteiten.
Hoofdstuk 3
21
3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De Omgevingsverordening Limburg 2014 is op 12 december 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) juridische binding te geven. Het POL2014 is inmiddels vervangen door de POVI, welke is beschreven onder paragraaf 3.3.1. De huidige Omgevingsverordening 2014 blijft echter van kracht totdat de nieuwe Omgevingswet in werking treedt. Milieubeschermingsgebieden Het gehele plangebied is volgens de kaarten bij de Omgevingsverordening gelegen binnen de milieubeschermingszone ‘Boringsvrije zone Venloschol’. Het is in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering.
De bosstrook tussen de percelen van NAK Tuinbouw en de Vermeerderingstuinen, en de Groote Molenbeek ten westen van de gronden van NAK Tuinbouw, zijn in de omgevingsverordening aangewezen als ‘bronsgroene landschapszone’ gelegen. Volgens artikel 2.7.2 dient de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de bronsgroene landschapszone, een beschrijving te bevatten van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Binnen deze zone zijn echter geen ontwikkelingen voorzien, waardoor de ligging van deze gronden binnen de bronsgroene landschapszone geen belemmering vormt. Diezelfde delen van het plangebied maken daarnaast deel uit van een ‘extensiveringsgebied intensieve veehouderij’. Ter plaatse is de vestiging of wijziging van intensieve veehouderijen niet toegestaan. Het voorliggende plan voorziet echter niet in de realisatie van intensieve veeteelt. De ligging van een klein deel van het plangebied binnen dit extensiveringsgebied vormt hierdoor geen belemmering. Afweging Voor het overige is het plangebied niet gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap.
Onderhavig plan is dan ook in overeenstemming met de uitgangspunten uit de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’. 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze Omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen. De inwerkingtreding is voorzien wanneer naar verwachting ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden.
Hoofdstuk 3
22
Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het plangebied binnen het ‘Buitengebied’ en binnen de thema’s detailhandel, kantoren, toerisme, werklocaties, verstedelijking en wonen. Conform artikel 12.6 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor de vrijetijdseconomie het volgende beschrijven: ‘Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad of planvoorraad vrijetijdseconomie alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 15 (Landschap) van de provinciale omgevingsvisie en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg’.
Het voorliggende bestemmingsplan voegt geen vestigingsmogelijkheden toe voor de vrijetijdseconomie, maar omvat de functieverruiming van een bestaand themapark (dagrecreatie) met activiteiten op het gebied van o.a. gastronomie, educatie en sportzorg. Artikel 12.6 is dan ook niet van toepassing op de voorliggende ontwikkeling. Voor de overige activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt zijn de omgevingsverordening geen instructieregels opgenomen. Conform artikel 12.1 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende beschrijven: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e.
realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Het voorliggende bestemmingsplan voegt geen nieuwe woningen toe. De bestaande bedrijfswoning aan de Tienrayseweg 9 wordt enkel gewijzigd naar reguliere woning en de bedrijfsactiviteiten worden stopgezet. Het plangebied ligt daarnaast binnen de boringsvrije zone Venloschol. De regels hieromtrent zijn ongewijzigd ten opzichte van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Kortheidshalve wordt dan ook verwezen naar paragraaf 3.2.2, waaruit blijkt dat deze ligging geen belemmering vormt.
Hoofdstuk 3
23
Afweging Vanuit de Omgevingsverordening Limburg (2021) zijn er geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling. 3.3.4 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op het idee dat bebouwingsontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. De doelstelling is dan ook het combineren van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Limburg. Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld. De verantwoordelijkheid en de uitvoering van het Kwaliteitsmenu wordt in handen van de gemeenten gelegd. Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour die middels een bestemmingsplanwijziging mogelijk worden gemaakt. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied. Afweging De gemeente Horst aan de Maas heeft het LKM 'doorvertaald' naar eigen beleid door in de Structuurvisie Horst aan de Maas een gemeentelijk kwaliteitsmenu op te nemen. Voor een nadere afweging hieromtrent zie paragraaf 3.4.1.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig: De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn; De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden; De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de in-
Hoofdstuk 3
24
woners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Eén van de speerpunten van het gemeentelijk beleid is het versterken van de concurrentiepositie van duurzame agribusiness, door gebruik te maken van het innovatief vermogen van bedrijven en door in te zetten op de praktische toepassing van wetenschappelijk onderzoek. De voorliggende ontwikkelingen in het projectgebied passen naadloos binnen dit beleidsuitgangspunt, doordat de drie onderzoeksbedrijven in het projectgebied de mogelijkheid wordt geboden om de kennisontwikkeling in deze sector toekomstbestendig voort te zetten. Een ander speerpunt van de gemeente is het realiseren van een kwaliteitsslag op het gebied van toerisme, recreatie en horeca. Ingezet wordt op een divers en een kwalitatief hoogwaardig aanbod. Belangrijke uitgangspunten zijn: Verantwoord doorontwikkelen van bestaande recreatiebedrijven; Verantwoord ontwikkelen van horecabedrijven; Nieuwe initiatieven moeten onderscheidend en vernieuwend zijn. Aardbeienland betreft een bestaand dagrecreatief bedrijf (themapark) met ondergeschikte horeca in de vorm van het terras. De voorliggende transitie van het themapark betreft een onderscheidend en vernieuwend initiatief, dat uniek is in de regio.
De activiteiten van het Aardbeienland worden verbreed met o.a. educatie, promotie en profilering van zachtfruit en een maatschappelijke functie op het gebied van o.a. sportzorg, leer-werktrajecten en gezondheid. Middels deze functieverruiming kan dit bestaande recreatiebedrijf verantwoord worden doorontwikkeld tot een voorziening die veel meer omvat dan alleen recreatie. Hierbij wordt economische en maatschappelijke meerwaarde gecreëerd voor diverse partijen, waaronder de fruitsector en het onderwijs. Wat betreft zorg en welzijn is leefbaarheid een van de speerpunten van het gemeentelijke beleid. De nadruk ligt in het beleid op jeugd (ontwikkelen, spelen, gezond en veilig opgroeien) en ouderen (langer meedoen, zo lang mogelijk meedoen en zelfstandig kunnen functioneren). Ook voor kwetsbare doelgroepen is extra aandacht. De meeste aandacht gaat uit naar kwalitatief goede basisvoorzieningen in de dorpen. Bij de voorliggende ontwikkeling worden maatschappelijke doelen als onderwijs/educatie, sportzorg, beweging, begeleiding in de vorm van o.a. leerwerktrajecten en gezondheid gekoppeld aan het thema fruit. De ervaring van het bestaande themapark Aardbeienland leert dat er een grote behoefte is binnen de maatschappij aan dit soort voorzieningen. Educatie aan o.a.
schoolgaande kinderen over fruit (en in bredere zin, waar ons voedsel vandaan komt) en begeleiding en sportzorg aan kwetsbare doelgroepen wordt hier gecombineerd. Afweging Het project draagt gezien het bovenstaande bij aan de beleidsdoelen op het gebied van zorg, welzijn en leefbaarheid. 3.4.2 Gemeentelijk kwaliteitsmenu In de Structuurvisie Horst aan de Maas is tevens het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM) vastgelegd. Het GKM heeft als doel om bij ruimtelijke ontwikkelingen, die leiden tot een verlies aan
Hoofdstuk 3
25
omgevingskwaliteit, een kwaliteitsbijdrage te vragen, waardoor de omgevingskwaliteit en leefbaarheid per saldo wordt versterkt. Het GKM is van toepassing op alle ontwikkelingen die niet binnen de vigerende bestemmingsplannen zijn toegestaan en door middel van een bestemmingsplanwijziging of uitgebreide omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt. In het GKM is het grondgebied van de gemeente onderverdeeld in 21 deelgebieden, geclusterd onder 8 hoofdcategorieën. Per deelgebied heeft de gemeente aangeven wat de ruimtelijke wenselijkheid is van bepaalde typen ontwikkelingen in het betreffende deelgebied. Het GKM bestaat uit een aantal modules voor verschillende typen ontwikkelingen (zoals de uitbreiding van agrarische bedrijven, recreatie-initiatieven, etc.). Op basis van de ruimtelijke wenselijkheid van een type ontwikkeling (module) in een specifiek deelgebied wordt bepaald of: 1. De gemeente medewerking wil verlenen; 2. Hoe hoog de kwaliteitsbijdrage dan moet zijn.