06c Toelichting
Tekst van het document
Landschappelijke inpassing
3
BRO, Landschappelijke inpassing Klassenweg ong. te Sevenum, gemeente Horst aan de Maas, projectnummer P01304, 22 maart 2021
Hoofdstuk 4
27
De bestaande beukenhaag langs de zuid- en westgrens van het plangebied blijft in deze inpassing behouden. Daarnaast blijft de struweelhaag aan de noordzijde behouden en wordt deze doorgetrokken langs de volledige noordelijke perceelsgrens. Voor het overige wordt voorzien in een knip- en scheerhaag langs de oostelijke perceelgrens en een landschapsboom in de zuidwestelijke hoek van het woonperceel. De inpassing bestaat volledig uit inheemse soorten. De bestaande bomen langs de oostrand van het plangebied worden verwijderd. Voor meer informatie over de inpassingsmaatregelen wordt verwezen naar het volledige landschappelijk inpassingsplan, dat als bijlage bij de regels is gevoegd. De realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing is in de regels van het voorliggende bestemmingsplan gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting. Daarnaast is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, aan de hand waarvan een gelijkwaardige inpassing van minimaal dezelfde kwaliteit gerealiseerd kan worden.
Hoofdstuk 4
28
5.
SECTORALE ASPECTEN
5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten die aan de orde zijn bij het voorliggende initiatief. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan bod: milieu (geluid, bodem, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid, geur en de m.e.r.-beoordeling), waterhuishouding, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren, kabels en leidingen, duurzaamheid en ecologie.
5.2 Milieuaspecten Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. 5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de wijziging van de bestemming. Hiertoe is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied aan de Klassenweg. De onderzoeksresultaten worden hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage4. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met zink en plaatselijk tevens met cadmium.
In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium, koper en zink. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. De aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond kunnen wel bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. 4
Aeres Milieu, Verkennend bodemonderzoek Klassenweg (ong.) te Sevenum, projectnummer AM19307, 5 september 2019
Hoofdstuk 5
29
Wat betreft de locatie aan de Konijnenweg, die in het voorliggende bestemmingsplan wordt bestemd tot ‘Agrarisch’, is geen sprake van een bestemmingswijziging naar een gevoeliger gebruik. Bovendien heeft deze locatie altijd een agrarisch gebruik gekend. Hierdoor zal de milieuhygiënische bodemkwaliteit in overeenstemming zijn met deze functie en is een bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk. 5.2.2 Geluid In de Wet geluidhinder wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van (spoor)wegverkeer en gezoneerde industrieterreinen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Spoorwegverkeer Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten nabij een spoorlijn dient het spoorwegverkeerslawaai betrokken te worden. Industrielawaai Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein dient het industrielawaai betrokken te worden.
Toetsing Woningen zijn geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. De wegen in de omgeving van het plangebied aan de Klassenweg, waar de woning is geprojecteerd, zijn echter uitsluitend 30 km/uur-wegen, die geen geluidzone hebben volgens de Wgh. Omdat het plangebied niet is gelegen binnen de onderzoekszone van omliggende wegen, is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Op de locatie aan de Konijnenweg worden geen geluidgevoelige objecten meer mogelijk gemaakt, waardoor akoestisch onderzoek voor deze locatie niet nodig is. Wat betreft spoorwegverkeerslawaai en industrielawaai wordt opgemerkt dat in de wijde omgeving van het plangebied geen spoorwegen zijn gelegen en het plangebied niet is gelegen binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Vanuit dat kader zijn er dan ook geen belemmeringen. In paragraaf 5.2.5 (bedrijven en milieuzonering) wordt ingegaan op (geluid)hinder als gevolg van de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende bedrijven, met name het naastgelegen agrarisch bedrijf aan de Klassenweg 31/33. 5.2.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm) staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van
Hoofdstuk 5
30
de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof als NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM); b.
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
NIBM-grens woningbouwlocaties: 3% criterium: ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van één bouwkavel voor woningbouw. Hierbij wordt de bovenstaande NIBM-grens bij lange na niet overschreden. De ontwikkeling draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Het toekennen van de agrarische bestemming aan de gronden aan de Konijnenweg draagt eveneens ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de concentratie fijn stof (PM10) ter plaatse gelegen tussen 18 en 20 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM2,5) tussen 10 en 12 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen 15 en 20 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaarge-
Hoofdstuk 5
31
middelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ en voor PM2,5 25 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Conclusie Dit bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van één bouwkavel voor een vrijstaande woning. Het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor het beoogde gebruik. 5.2.4 Geur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woonen leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij.
De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft op 30 juni 2020 een gemeentelijke geurverordening vastgesteld. Hierin is het grondgebied van de gemeente onderverdeeld in een aantal deelgebieden, waarvoor de volgende geurnormen zijn vastgesteld: Plangebied bij Meerlo: 6,0 odour units. Bedrijventerreinen Klavertje 4-gebied: 14,0 odour units. Overige bebouwde kom: conform wettelijke norm, momenteel 3,0 odour units. Buitengebied: conform wettelijke norm, momenteel 14,0 odour units Toetsing Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor een nieuwe geurgevoelig object mogelijk aan de Klassenweg. Dit betekent dat toetsing aan de geurnormen van nabijgelegen veehouderijen voor dit planonderdeel noodzakelijk is. Aan de Konijnenweg worden geen geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Voor dat planonderdeel is toetsing aan het aspect geur dan ook niet noodzakelijk. Het plangebied aan de Klassenweg is gelegen binnen het deelgebied ‘overige bebouwde kom’. Hiervoor geldt een norm van 3,0 odour units. In de omgeving zijn geen intensieve veehouderijen gelegen. De meest dichtbij gelegen intensieve veehouderijen liggen op circa 520 meter ten zuiden van het plangebied en hebben gezien deze afstand geen invloed op het woon- en leefklimaat in het plangebied.
Hierdoor is redelijkerwijs uitgesloten dat de norm van 3,0 odour units in het plangebied wordt overschreden. Het aspect geur vormt hiermee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 5
32
5.2.5 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied; 2.
Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. De richtafstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen.
De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Een woning is een milieugevoelige functie. Daarom moet getoetst worden of in de woning aan de Klassenweg sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet worden belemmerd door de ontwikkeling. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan een grondgebonden agrarisch bedrijf, dat is gelegen aan de Klassenweg 31/33. Om te kunnen bepalen of de hindercirkel van het naastgelegen
Hoofdstuk 5
33
agrarische bedrijf over de bouwkavel ligt, heeft K+ in 2018 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport5. Uit het onderzoek is geconcludeerd dat: In de bestaande situatie de geluidbelasting niet voldoet aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit; Indien de condensor buitenunit wordt vervangen door een exemplaar dat een bronvermogen heeft van ten hoogste 70 dB(A) en de tractor niet meer langszij de loods wordt ingezet, de geluidbelastingen wél aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit voldoen. Met de eigenaar van het agrarische bedrijf zijn afspraken gemaakt, waardoor is gewaarborgd dat deze maatregelen ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. De geluidbelasting vanwege het bedrijf vormt daarmee geen belemmering meer voor realisering van de Ruimte voor Ruimte woning. Op circa 350 meter ten zuidoosten van het plangebied is een glastuinbouwbedrijf gelegen aan de Klassenweg 47. Dit betreft een activiteit van milieucategorie 2 (categorie tuinbouw, kassen met gasverwarming). Hiervoor wordt een richtafstand van 30 meter geadviseerd voor geluid en 10 meter voor stof, geur en gevaar. Aan deze afstanden wordt ruimschoots voldaan.
Voor het overige zijn er in de omgeving van het plangebied aan de Klassenweg geen bedrijven gelegen met een dusdanige hinderzone dat zij een belemmering vormen voor de ontwikkeling in het plangebied. In de woning zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en er worden geen omliggende bedrijven in hun functioneren beperkt. De locatie aan de Konijnenweg wordt bestemd tot ‘Agrarisch’ zonder bouwmogelijkheden. Dit betreft geen milieugevoelige functie en ook geen milieubelastende functie waarvoor op basis van de VNG-publicatie richtafstanden worden geadviseerd ten opzichte van gevoelige functies. Voor deze bestemmingswijziging is verdere toetsing aan het aspect milieuzonering daarom niet nodig. Spuitzones Wat betreft spuitzones vanwege het gebruik van drift veroorzakende chemische gewasbeschermingsmiddelen op omliggende agrarische percelen dient te worden opgemerkt dat het plangebied aan de west- en noordzijde wordt begrensd door woonpercelen. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan een agrarisch bedrijf. Aan deze zijden is kortom geen sprake van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Op het perceel aan de overzijde van de Klassenweg, ten zuiden van het plangebied, vindt akkerbouw plaats. De afstand tussen het plangebied en het akkerbouwperceel is circa 7 meter en de afstand van het bouwvlak tot het akkerbouwperceel is circa 15 meter.
De verwaaiing van spuitvloeistoffen (drift) vanwege het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen is met name aan de orde in de boom- en fruitteelt. Deze gewassen wordt doorgaans vanaf grotere hoogte bespoten dan akkerbouwgewassen, waardoor hierbij meer kans
5
K+ Adviesgroep, Akoestisch onderzoek geluiduitstraling agrarisch bedrijf Raedts, Klassenweg 31/33 te Sevenum, gemeente Horst aan de Maas, projectnummer M17 629.401.1, 2 juli 2018
Hoofdstuk 5
34
bestaat dat de vloeistof deels wegwaait. Bij akkerbouwgewassen, die vanaf een lage hoogte worden bespoten, is slechts zeer beperkt sprake van drift. Op basis van de actuele wet- en regelgeving mogen uitsluitend nog driftarme spuitdoppen worden gebruikt bij de teelt van gewassen in de open lucht. Volgens artikel 3.78a van het Activiteiten-besluit milieubeheer dient bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij dergelijke teelten een techniek te worden gebruikt die een driftreductie bereikt van ten minste 75%. Hierdoor zijn eventuele risico’s als gevolg van drift vanuit het akkerbouwperceel op de woning in het plangebied redelijkerwijs uitgesloten. In het geldende bestemmingsplan voor het akkerbouwperceel, het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020’, is vastgelegd dat het gebruik van de gronden voor fruitteelt en boomteelt, voor zover gebruik wordt gemaakt van een op- en zijwaartse spuittechniek voor het aanbrengen van gewasbeschermingsmiddelen, niet is toegestaan binnen een afstand van 30 meter tot voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies (zoals woningen). In de huidige situatie grenzen er reeds bestaande woonpercelen aan de west-, noordwest en oostzijde aan dit akkerbouwperceel.
Hierdoor heeft de akkerbouwer feitelijk al zeer beperkte mogelijkheden om dit perceel te mogen gebruiken voor fruit- en boomteelt met gebruikmaking van chemische gewasbeschermingsmiddelen. De woningbouw in het plangebied legt hierdoor geen extra beperkingen op aan de gebruiksmogelijkheden voor de akkerbouwer. Samengevat zijn er vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen plannen. 5.2.6 Externe veiligheid Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden.
De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hierlangs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant).
Hoofdstuk 5
35
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10 -6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de orientatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit.
Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants 6. Woningen zijn kwetsbare objecten volgens artikel 1 van het Bevi. Toetsing aan externe veiligheid is dan ook vereist voor de woonkavel aan de Klassenweg, waar één woning mogelijk wordt gemaakt. Hiernavolgend is daarom in beeld gebracht of er in of in de nabijheid van dit deelgebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes). Op het perceel aan de Konijnenweg, dat wordt bestemd ‘Agrarisch’ zonder bouwmogelijkheden, worden geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt zoals bedoeld in het Bevi. Toetsing van dit planonderdeel aan externe veiligheid is daarom niet noodzakelijk.
Risicokaart Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven en objecten zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPGtankstations enz. Inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied komen geen inrichtingen voor met een verhoogd risico ten aanzien van de externe veiligheid. De dichtst bijgelegen risicovolle inrichting is een LPG-tankstation aan de Venloseweg 16. Deze inrichting heeft een invloedsgebied van 150 meter. De afstand van het tankstation tot het plangebied bedraagt circa 520 meter. Hiermee ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van de inrichting. 6
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen
Hoofdstuk 5
36
Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied Klassenweg (blauwe pijl)
Aan de Venloseweg 35 is daarnaast een bovengrondse propaantank gelegen bij het agrarisch bedrijf Mts Benders-Hermans. Deze inrichting ligt op circa 690 meter ten noordoosten van het plangebied en heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 25 meter. Gezien deze grote afstand ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn volgens het vigerende bestemmingsplan en de risicokaart geen buisleidingen gelegen. In het kader van externe veiligheid behoeft hier dan ook niet verder naar gekeken te worden. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per spoor In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De spoorlijn Venlo-Eindhoven ligt op circa 1,75 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Gezien deze grote afstand ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn. Over de weg Over de Venloseweg (N556), die op circa 670 meter ten noordoosten van het plangebied is gelegen, vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van
Hoofdstuk 5
37
deze weg bedraagt 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Gezien deze afstand en de aard van de stoffen die over de N556 worden vervoerd, ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Voor het overige zijn er geen wegen in de omgeving gelegen, waarover risicovol transport plaatsvindt. Over water In de wijde omgeving van het plangebied zijn geen waterwegen gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt in het kader van het voorliggende bestemmingsplan. 5.2.7 Milieueffectrapportage Toets m.e.r.-plicht In het plangebied wordt één bouwkavel voor een nieuwbouwwoning gerealiseerd aan de Klassenweg. Hiertoe wordt de bestaande bouwtitel aan de Konijnenweg verplaatst en wordt dat betreffende perceel bestemd tot ‘Agrarisch’ zonder bouwmogelijkheden. Het bouwen van woningen komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r.
procedure moet worden gevolgd. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (categorie D11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Hiervoor geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer. Deze drempelwaarden worden bij de voorliggende ontwikkeling bij lange na niet overschreden. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. Hierdoor kan voor dit plan desondanks toch sprake zijn van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van één bouwkavel voor een nieuwbouwwoning.
Gezien de kleinschaligheid van het project en het feit dat geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 5), kan worden beargumenteerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Er
Hoofdstuk 5
38
hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Het toekennen van een agrarische bestemming aan een perceel is niet opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Voor dit planonderdeel geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. 5.2.8 Gezondheid Als gevolg van de ligging ten opzichte van veehouderijen kan sprake zijn van een verhoogd gezondheidsrisico als gevolg van endotoxinen. Dit is met name aan de orde bij pluimvee- en varkenshouderijen. In de nabijheid van het plangebied zijn geen pluimvee- en varkenshouderijen aanwezig, waardoor het aspect endotoxinen geen belemmering vormt voor het initiatief. Daarnaast is uit het VGO-2 onderzoek gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. Er is dan ook geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Conclusie Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan.
5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beschrijving van waterrelevant beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022 2027 van het waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg, het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht.
Hoofdstuk 5
39
Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid is nader geconcretiseerd in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 op grond van de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit plan maakt onderdeel uit van het tweede (inter)nationale Stroomgebiedbeheerplan Maas. In Nederland zijn vijf instanties betrokken bij het waterbeheer en de watervoorziening. Op grond van de Waterwet (2009) en het Bestuursakkoord Water (2011) is de verantwoordelijkheid als volgt verdeeld: 1. Het Rijk is verantwoordelijk voor beleid en wetgeving op nationaal niveau en voor het beheer van het hoofdwatersysteem: de zee en de grote rivieren, meren en kanalen. 2. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid en regelgeving voor de regionale gronden oppervlaktewatersystemen, en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare watervoorziening, de grotere industriële onttrekkingen en die voor energieopslagsystemen. 3. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, de zuivering van afvalwater en de zorg voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid langs de Maas. De waterschappen concretiseren de provinciale beleidskaders in een waterbeheerplan dat het karakter krijgt van een uitvoeringsprogramma. 4.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor rioleringbeheer en hebben de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. 5. Het drinkwaterbedrijf is wettelijk verantwoordelijk voor de productie en distributie van drinkwater. Voldoende en schoon water is een economische factor van betekenis en onmisbaar voor mens en natuur. De burger stelt steeds hogere eisen aan de waterveiligheid, het gebruik en de beleving van water. Waterschap Limburg Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg beschrijft de uitwerking van het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma. Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zin om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met dit waterbeheerprogramma geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. De taken van het waterschap, welke doelen zij per taak wil bereiken en welke maatregelen zij daarvoor inzet, is beschreven in het Waterbeheerprogramma. Daarbij is onderscheid gemaakt in de taken hoogwaterbescherming, klimaatadaptatie, waterkwaliteit en zuiveren. Keur waterschap Limburg Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het waterschap Limburg van toepassing.
In de Keur worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q. bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang. Concreet voor dit plangebied geldt dat het in de omgeving aanwezige oppervlaktewater op voldoende afstand is gelegen en hierop geen invloed op wordt uitgeoefend. Gemeentelijk beleid De gemeente Horst aan de Maas volgt zo veel mogelijk het beleid zoals dit is vastgelegd door het waterschap Limburg. Belangrijke aandachtspunten in het beleid zijn het scheiden van vuil-
Hoofdstuk 5
40
en schoonwaterstromen, het vasthouden van gebiedseigen (regen)water, het doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer’ en het zichtbaar en aantrekkelijk maken van water in de gemeente. Voor dit plan zijn alle genoemde onderwerpen relevant. Hergebruik Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met bestaande proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1.000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving op dit vlak maakt het hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. Onderhavig plan is dan ook niet geschikt om deze voorziening toe te passen. Infiltratie, buffering en afvoer In principe is het de bedoeling dat al het hemelwater in het gebied wordt vastgehouden. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelen afvalwater.
Grondwater en bodem De bodem in het deelgebied aan de Klassenweg bestaat blijkens het uitgevoerde infiltratieonderzoek (zie onder het kopje ‘hemel- en afvalwater’) uit een humushoudende zandlaag van ca. 90 tot 110 centimeter diep. Hieronder is een zeer fijne, zwak siltige zandlaag aanwezig welke een toenemende roestkleur heeft tot ca. 1,8-2 m-mv. Ter plaatse van boring 1 is hieronder een zwak siltig, zeer fijne licht grijze zandlaag aanwezig. Ter plaatse van boring 2 is op 1,8-2 m-mv een matig zandige leemlaag aangetroffen. Het plangebied aan de Klassenweg ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied of binnen een boringsvrije zone. Het perceel aan de Konijnenweg ligt wel binnen de boringsvrije zone Venloschol. In paragraaf 3.3.3 is hier reeds op ingegaan en blijken er geen belemmeringen vanwege de ligging binnen de boringsvrije zone. De regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn vertaald in dit bestemmingsplan middels de aanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ die van toepassing is verklaard op dit deelgebied. Oppervlaktewater In het plangebied (beide deelgebieden) en in de directe omgeving is geen primair oppervlaktewater aanwezig.
Hemel- en afvalwater Het (huishoudelijk) afvalwater van de woning aan de Klassenweg dient conform het Gemeentelijk Rioleringsplan Horst aan de Maas 2022-2026 te worden aangesloten op de riolering. Aan de Konijnenweg wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt waarbij afvalwater kan vrijkomen. Een rioolaansluiting is voor dat perceel daarom niet nodig.
Hoofdstuk 5
41
Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing wordt in eerste instantie niet afgevoerd via het riool. Per locatie wordt bekeken op welke wijze het hemelwater kan worden verwerkt, waarbij infiltratie de voorkeur heeft. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt het hemelwater vastgehouden en vertraagd afgevoerd. Het Waterschap Limburg hanteert als uitgangspunt dat toekomstige hemelwatervoorzieningen (vereist vanaf een verhardingstoename >2.000 m2) gedimensioneerd dienen worden op een bui van 100 mm met een leegloop/beschikbaarheid binnen 24 uur. Gezien de verwachte beperkte toename aan verhard oppervlak (<2.000 m 2) is vanuit Waterschap Limburg geen aanvullende hemelwatervoorziening vereist. De gemeente Horst aan de Maas hanteert vooralsnog een bergingseis van 53 mm en indien afstroming kan plaatsvinden naar probleemlocaties een bergingseis van 100 mm. Door middel van een infiltratieonderzoek is de geschiktheid voor de bodem op de locatie aan de Klassenweg voor de infiltratie van hemelwater bepaald. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage 7. Samenvattend blijkt uit de resultaten van het infiltratieonderzoek dat binnen het plangebied aan de Klassenweg een matige infiltratiesnelheid aanwezig is.
De zeer fijn zandige ondergrond met rond 2 m-mv een leemlaag laten voornamelijk horizontale verspreiding toe. Ter plaatse kan hemelwater verwerkt worden middels een infiltratievoorziening. Voor de dimensionering van een infiltratievoorziening kan veiligheidshalve (factor 2) gerekend worden met een k-waarde van 0,85 m/dag. Op basis van de veldwaarnemingen en bodemopbouw vormt de humeuze toplaag geen belemmering in de doorlatendheid van de bodem. De GHG binnen het plangebied is op ca. 1,1 m-mv te verwachten. Voor de nieuwbouw wordt een vloerpeil van bij voorkeur 20 cm boven het maaiveld / de kruin van de weg geadviseerd. Hierdoor vormt afstromend hemelwater ook geen probleem bij de nieuwbouwwoning. Gezien de ligging van het oppervlaktewater vindt de hemelwaterverwerking bij voorkeur noordelijk op het perceel plaats. De afstroming kan bovengronds (lijngoten) of ondergronds (hemelwaterleiding) plaatsvinden. Gezien de GHG en plaatselijke ophoging kan dit tevens een IT-leiding zijn. Binnen het perceel is voldoende ruimte aanwezig om het hemelwater te verwerken. De uiteindelijke voorziening dient afgestemd te zijn op het uiteindelijk verhard oppervlak. De manier waarop het hemelwater wordt geïnfiltreerd is in dit stadium nog niet voldoende uitgewerkt om dit uitgebreid te kunnen beschrijven. De richtlijnen, zoals hierboven beschreven, dienen in elk geval in acht te worden genomen.
Op het perceel is voldoende ruimte om op eigen terrein te kunnen voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening voor het hemelwater van de nieuwe bebouwing en verhardingen. De exacte vormgeving, ligging en dimensionering van eventuele benodigde voorzieningen wordt uitgewerkt in het kader van een concreet bouwplan voor de woning. Op het perceel aan de Konijnenweg worden middels het voorliggende bestemmingsplan geen bebouwing of verhardingen mogelijk gemaakt. Het perceel is in de bestaande situatie geheel onbebouwd en onverhard. Er zijn dan ook geen voorzieningen benodigd op dit perceel voor de omgang met hemelwater, aangezien het water ter plaatse in de onverharde bodem kan infiltreren.
7
Aeres Milieu, Infiltratieonderzoek Klassenweg te Sevenum, projectnummer AM19703, 8 oktober 2019
Hoofdstuk 5
42
Overleg waterbeheerder Het plangebied is niet gelegen in een speciaal aandachtsgebied van het waterschap. De hoeveelheid bebouwing en verharding zal toenemen ten opzichte van de bestaande (onbebouwde en onverharde) situatie. Deze toename bedraagt, gezien de omvang van het plangebied aan de Klassenweg (circa 1.121 m2), minder dan 2.000 m2. Hierdoor, en omdat er voor het overige geen waterschapsbelangen in het geding zijn, hoeft het bestemmingsplan niet te worden voorgelegd aan het Waterschap Limburg. Conclusie Er bestaan geen knelpunten tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer.
5.4 Kabels en leidingen In (of in de directe omgeving van) het deelgebied aan de Klassenweg komen geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij de ontwikkeling van de bouwkavel belemmeren. Ten westen van de locatie aan de Konijnenweg is een bovengrondse hoogspanningsverbinding gelegen van 150 kV. Voor het meest westelijke deel van dit deelgebied is daarom in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ opgenomen. Middels het voorliggende bestemmingsplan worden op deze locatie geen functies (zoals woningen) mogelijk gemaakt die hinder kunnen ondervinden van de hoogspanningsverbinding. De belangen van de verbinding worden evenmin geschaad door het agrarisch grondgebruik dat in het plangebied wordt mogelijk gemaakt. Wel wordt de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ opgenomen voor het meest westelijke deel van dit deelgebied, overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan. Voor het overige zijn er geen kabels of leidingen in de omgeving van het plangebied gelegen die een belemmering kunnen vormen voor de beoogde ontwikkelingen.
5.5 Ecologie 5.5.1 Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze
Hoofdstuk 5
43
vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg en de Omgevingsverordening Limburg (tot de inwerkingtreding van de nieuwe verordening geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014). Beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.
Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. 5.5.2 Toetsing Om te beoordelen of het initiatief in overeenstemming met de natuurwetgeving en het natuurbeleid kan worden uitgevoerd, heeft BRO in het plangebied een quickscan flora en fauna uitge-
Hoofdstuk 5
44
voerd voor het deelgebied aan de Klassenweg. In het gebied aan de Konijnenweg vinden feitelijk geen wijzigingen plaats. Deze gronden worden overeenkomstig het huidige gebruik bestemd tot ‘Agrarisch’. Gelet op dit gebruik, en het feit dat het bestemmingsplan geen andere activiteiten mogelijk maakt die negatieve effecten kunnen hebben op beschermde gebieden en soorten, is een ecologisch onderzoek voor het perceel aan de Konijnenweg niet nodig. De resultaten van de quickscan voor de locatie aan de Klassenweg zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage 8. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Deurnesche Peel & Mariapeel’, bevindt zich op circa 7 kilometer afstand ten noorden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Omdat de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van één Ruimte voor Ruimte-kavel betreft, is een lichte toename aan verkeersbewegingen te verwachten.
Door moderne standaarden voor nieuwbouw (onder andere gasloos bouwen) zal deze geen uitstoot veroorzaken. Gezien de geruime afstand tot het Natura 2000-gebied is een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied uitgesloten. Een effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is daarmee uitgesloten. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 1,7 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Daarnaast is het plangebied niet gelegen binnen de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone. Vervolgonderzoek op basis van het provinciaal natuurbeleid wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden bevat, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Wel dient rekening gehouden te worden met het gemeentelijk kapbeleid indien bomen worden gekapt.
Soortenbescherming Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen. Ten aanzien van broedvogels dient het bouwrijp maken van het terrein buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. 8
BRO, Quickscan flora en fauna ‘Klassenweg’ te Sevenum, projectnummer P01304, 23 juli 2019
Hoofdstuk 5
45
5.5.3 Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimte kavel. Ten aanzien van het onderdeel soortenbescherming dient de algemene zorgplicht in acht genomen te worden en dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Het plangebied en de omgeving is in het voormalige POL2014 aangewezen als archeologisch aandachtsgebied. De provinciale archeologische aandachtsgebieden betreffen representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De provincie zet zich in voor onderzoek naar en behoud van de archeologische waarden in deze aandachtsgebieden. Dit gebeurt door toe te zien dat de aandachtsgebieden geborgd worden bij ruimtelijke ontwikkelingen, in gemeentelijke bestemmingsplannen. Volgens de op 26 mei 2015 door de gemeenteraad van Horst aan de Maas vastgestelde Archeologische maatregelenkaart is het plangebied aan de Klassenweg gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde (categorie 3). Voor dergelijke gebieden geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 50 cm/-mv. Omdat het plangebied groter is dan de genoemde 500 m 2 kunnen deze ondergrenzen in theorie worden overschreden bij bouwwerkzaamheden en bodemingrepen in het plangebied. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan het in ontwikkeling zijnde woongebied De Krouwel. In dat gebied hebben in het verleden meerdere archeologische onderzoeken plaatsgevonden.
Tijdens deze onderzoeken zijn meerdere resten uit de ijzertijd aangetroffen, waarbij een vindplaats waarschijnlijk doorloopt tot in het voorliggende plangebied. Hierdoor bestaat de kans dat aanvullende informatie in de vorm van sporen en vondsten aanwezig kunnen zijn binnen het plangebied. Om die reden is geadviseerd om in het plangebied direct een proefsleuvenonderzoek uit te voeren op basis van een goedgekeurd Programma van Eisen. Aeres Milieu heeft voor dit proefsleuvenonderzoek een Programma van Eisen 9 opgesteld, dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag. In juni 2021 is het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage10. Uit het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat binnen het plangebied sprake is van een zogenaamd AC-profiel. AC-profielen zijn kenmerkend voor meer of mindere mate van verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel. Omdat in de directe omgeving een goed geconserveerde vindplaats is aangetroffen onder een gelijkwaardig AC-profiel is een proefsleuf aangelegd. In deze proefsleuf is, naast enkele moderne en natuurlijke verkleuringen en verstoringen, één onderzijde van een kuil aangetroffen. Het is niet duidelijk hoe deze kuil geduid dient te worden
9
Aeres Milieu, Programma van Eisen Klassenweg (ong.) te Sevenum, projectnummer AM19307, 25 maart 2021 Aeres Milieu, Archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven Klassenweg te Sevenum (gemeente Horst aan de Maas), projectnummer AM19307-2, 3 februari 2022
10
Hoofdstuk 5
46
door het ontbreken van een context en diagnostisch vondstmateriaal. Er kan binnen het plangebied niet gesproken worden van een vindplaats. Op basis van de bovenstaande bevindingen wordt aanbevolen dat de AMZ-cyclus voor het plangebied wordt afgerond. Dit betekent dat verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Het bevoegd gezag (de gemeente Horst aan de Maas) heeft naar aanleiding van deze onderzoeksresultaten besloten het plangebied archeologisch vrij te geven. De vigerende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ is dan ook niet meer opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Uit het oogpunt van archeologie bestaan er hiermee geen belemmeringen voor de realisatie van de woningbouwkavel. Mochten tijdens de uitvoering van (bouw)werkzaamheden in het plangebied desondanks archeologische resten worden aangetroffen, dan is een meldingsplicht van toepassing conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming). Het plangebied aan de Konijnenweg is volgens de Archeologische eveneens gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde (categorie 3). Binnen dit deelgebied zijn, behoudens het normale agrarische gebruik, geen bodemingrepen voorzien en wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt.
Aangezien het normale agrarisch gebruik de genoemde ondergrenzen voor archeologisch onderzoek niet overschrijdt, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Bovendien heeft deze locatie op basis van het vigerende bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming. Blijkens de toelichting van dit plan heeft in de onmiddellijke nabijheid van deze locatie een archeologisch onderzoek plaatsgevonden, waaruit blijkt dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn. In het voorliggende bestemmingsplan wordt voor dit perceel geen archeologische dubbelbestemming opgenomen, conform het vigerende plan. Cultuurhistorie In het plangebied (beide deelgebieden) en in de directe omgeving zijn blijkens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle objecten gelegen. Uit een oogpunt van cultuurhistorie bestaan er hiermee geen belemmeringen voor de realisatie van de Ruimte voor Ruimte kavel voor een vrijstaande nieuwbouwwoning.
5.7 Verkeer en parkeren Het plangebied wordt ontsloten via de Klassenweg, die aan de zuidzijde van het plangebied is gelegen. Deze weg kan de zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van één woning goed verwerken. Voor de woningen geldt op basis van de op 3 juli 2019 vastgestelde Nota Parkeernormen Horst aan de Maas een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. Op de bouwkavel is voldoende ruimte om te kunnen voorzien in minimaal twee parkeerplaatsen op eigen terrein. De locatie aan de Konijnenweg is ontsloten via de weg Gussekuulke, die aan de zuidoostzijde van dit perceel ligt en daar doodloopt. Daarnaast is aan de westzijde van deze locatie een onverhard pad gelegen. Voor een agrarisch perceel gelden geen parkeernormen. Er is ook geen sprake van een parkeerbehoefte of verkeersaantrekkende werking bij deze functie. Het perceel zal naar verwachting incidenteel bezocht worden door landbouwvoertuigen om de gronden te
Hoofdstuk 5
47
bewerken. Dit betreffen echter incidentele verkeersbewegingen en geen structurele verkeersgeneratie. Samengevat zijn er vanuit de aspecten verkeer en parkeren geen belemmeringen bij het voorliggende plan.
5.8 Duurzaamheid Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen. Duurzaam bouwen bespaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om: Gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers; Een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; prettige en leefbare huizen, gebouwen, wijken en steden; Duurzaam slopen, om de materialen die vrijkomen bij de sloop opnieuw te kunnen gebruiken (hergebruik en recycling); Verantwoord watergebruik; Voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken. Voor de bouw van de woning zullen in ieder geval de wettelijke duurzaamheidseisen worden toegepast.
Hoofdstuk 5
48
6.
UITVOERBAARHEID
6.1 Economische uitvoerbaarheid In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De gemeente kan hiervan afzien indien: Het kostenverhaal anderszins is verzekerd; Het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Bij het voorgenomen initiatief is sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro en geldt er dus een verplichting tot kostenverhaal. Het kostenverhaal is reeds geregeld op basis van in het verleden gemaakte afspraken in het kader van Ruimte voor Ruimte. Er wordt dan ook uitsluitend een planschadeovereenkomst afgesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer
6.2 Handhaving De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012 - 2015). Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt om gegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.