06c.17 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Dit vanwege het feit dat het reeds vergunde zonnepark tevens voor onbepaalde tijd vergund is.
3.4.3 Bestemmingsplan Californië I Uitbreiding zonnepark Op basis van het vigerend bestemmingsplan 'Californië I' is het projectgebied deels bestemd als 'Agrarisch Projectvestiging glastuinbouw', 'Agrarisch', 'Water' (deels in combinatie met de functieaanduiding 'specifieke vorm van water - gietwaterbassin') en 'Wonen'. Op basis van de bestemmingsregels is de uitbreiding van het vergunde zonneveld ter plaatse van de als 'Agrarisch', 'Water' en 'Wonen' bestemde gronden planologisch-juridisch gezien niet toegestaan. Om deze reden wordt van het bestemmingsplan afgeweken. In dit kader is in voorgaande reeds onderbouwd dat het voornemen past binnen de beleidskaders van verschillende overheden. Ook uit toetsing van de milieu- en omgevingsaspecten (zie Hoofdstuk 4) blijkt dat het plan passend is binnen de omgeving.
Hekwerk
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
31
Een deel van het zonnepark wordt deels omsloten met een hekwerk ter hoogte van 2 meter. Ook voor het oprichten van het hekwerk, dient van het vigerend bestemmingsplan te worden afgeweken. In het bestemminsgplan is namelijk bepaald dat ter plaatse van de gronden die bestemd zijn als 'Agrarisch Projectvestiging glastuinbouw' de hoogte van terrein- en erfafscheiding voor de voorgevel of het verlengde daarvan niet meer mag bedragen dan 1 meter. Er kan voor het realiseren van terreinafscheidingen worden afgeweken van het bestemmingsplan voor het toestaan van een grotere hoogte met gebruikmaking van art. 4, lid 4.4, onder a van het bestemmingsplan, mits: 1. 2.
Deze hogere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, noodzakelijk zijn voor een goede bedrijfsvoering; Geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de in de directe omgeving gesitueerde percelen plaatsvindt.
Met betrekking tot de eerste voorwaarde kan gesteld worden dat een hogere terreinafscheiding noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering. Voor een deugdelijke afscheiding om te voorkomen dat onbevoegden het terrein betreden is een afscheiding van 2 meter hoog van wezenlijk belang. Een zonneveld betreft een kostbare installatie welke beschermd moet worden tegen diefstal en beschadiging (vernieling). Daarnaast is in het kader van veiligheid een terreinafscheiding van 2 meter noodzakelijk in verband met de aanwezigheid van transformatoren. Daarnaast geldt dat een terreinafscheiding van 2 meter vereist is om het zonnepanelenveld te kunnen verzekeren. Met betrekking tot de tweede voorwaarde geldt dat de buurpercelen in gebruik zijn als grasland en akkerland. Het gebruik van deze percelen ondervindt geen beperkingen als gevolg van het hogere hekwerk. Het betreft immers een hekwerk binnen de eigen perceelsgrenzen.
Herprofilering bodem Binnen het projectgebied worden grondwerkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van de verlegging van de Achterste Vlinkenpeel en herprofilering van de Gekkengraaf. Verder geldt dat binnen het projectgebied berging en infiltratie van hemelwater plaatsvindt. Voor het verbeteren van de natuurlijke infiltratie is herprofilering van de bodem noodzakelijk. Natuurlijke afvloeiing van hemelwater wordt bevorderd en gereguleerd, waarbij willekeurige afstroming(en) en plasvorming(en) worden voorkomen. Door herprofilering en/of egaliseren van het maaiveld zal het oppervlakkig afvloeiend regenwater van de panelen afstromen naar lager gelegen terreindelen in het projectgebied, alwaar het hemelwater kan infiltreren in de bodem. Op basis van artikelen 3.7.1 en 11.3.1 van het vigerend bestemmingsplan is herprofilering ter plaatse van de als 'Agrarisch' en 'Water' bestemde gronden niet toegestaan zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning.
Criteria voor verlening van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van de herprofilering ter plaatse van de als 'Agrarisch' bestemde gronden betreffen: Aangetoond wordt dat de werkzaamheid noodzakelijk is in het kader van de agrarische bedrijfsexploitatie dan wel in het kader van natuur en/of landschapsbeheer; Doel van de herprofilering is het optimaal benutten van de gronden ten behoeve van het zonnepark, het verbeteren de natuurlijke infiltratie en het voorkomen van ongewenste afstroming van overtollig hemelwater op naastgelegen percelen. De cultuurhistorische verkaveling mag niet onevenredig worden aangetast; De herprofilering vindt plaats binnen de huidige kadastrale grenzen. De cultuurhistorische verkaveling wordt dan ook niet onevenredig aangetast.
32
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
De potentiële waterbergingsfunctie van het beekdal wordt niet onevenredig aangetast; Door verlegging van de Achterste Vlinkenpeel, herprofilering van de Gekkengraaf en herprofilering van de bodem wordt natuurlijke infiltratie op het terrein geoptimaliseerd. Er vindt geen verharding van het oppervlak plaats. De potentiële waterbergingsfunctie van het beekdal wordt niet onevenredig aangetast. De doelstellingen van het Nieuw Limburgs Peil niet aangetast worden; Door herprofilering wordt de natuurlijke laagte in het noordoosten van het projectgebied benadrukt en zal de capaciteit om tijdelijk water te bufferen worden vergroot. Dit is conform de doelstellingen van het Nieuw Limburgs Peil. Er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de aanwezige landschaps- en natuurwaarden; Naast bevordering van de infiltratie van hemelwater in het projectgebied, heeft de beoogde herprofilering een positief effect op creëren van een rustiger landschapsbeeld en blijft het roeren van de grond beperkt tot de huidige bouwvoor, waardoor mogelijke archeologische waarden worden gerespecteerd. De aanwezige landschaps- en natuurwaarden worden dan ook niet aangetast ten gevolge van de herprofilering.
Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de waterhuishouding; Na de uitbreiding van het zonneveld is sprake van afstromend hemelwater dat vanaf de zonnepanelen valt op de onverharde ondergrond, waar het conform de huidige situatie kan infiltreren. De natuurlijke infiltratie verbetert door de herprofilering. Als gevolg van de ontwikkeling is verder geen sprake van afvalwater en er wordt geen grondwater onttrokken. Er vindt derhalve geen onevenredige aantasting van de waterhuishouding plaats. Het criterium voor verlening van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van de herprofilering ter plaatse van de als 'Water' bestemde gronden betreft dat de werken of werkzaamheden slechts toelaatbaar zijn, indien de directe of indirecte gevolgen van deze werken/werkzaamheden niet mogen leiden tot een verstoring van het archeologisch materiaal; hiertoe wordt de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek gehoord of een andere door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen onafhankelijke erkende ter zake deskundige. In paragraaf 4.11.1 is nader onderbouwd dat tijdens het karterend onderzoek in 2004/2005 geen archeologische waarden binnen het projectgebied zijn aangetroffen. Het uitvoeren van aanvullend archeologisch onderzoek biedt geen meerwaarde.
Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de werkzaamheden ten behoeve van de herprofilering van de bodem niet leiden tot indirecte of directe verstoring van het archeologisch materiaal. Gelet op bovenstaande wordt geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling voldoet aan de criteria op basis waarvan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van de herprofilering ter plaatse van de als 'Agrarisch' en 'Water' bestemde gronden kan worden verleend.
Hoogspanningsverbinding Binnen het projectgebied is een hoogspanningsverbinding (150 kV) aanwezig. In het vigerend bestemmingsplan is de hoogspanningsverbinding planologisch-juridisch gezien beschermd middels de dubbelbestemming 'Leiding' in combinatie met de aanduiding 'specifieke vorm van leiding hoogspanningsverbinding en bebouwingsvrije zone'. Binnen de als 'Leiding' bestemde gronden zijn gebouwen niet toegestaan en zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde uitsluitend toegestaan indien deze worden opgericht ten dienste van de bestemming (zoals meet- en regelkasten, afsluiterputten en
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
33
hoogspanningsmasten). Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning hiervan afwijken ten behoeve van het oprichten van bouwwerken voor de op deze gronden liggende hoofdbestemmingen, mits hierbij uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leidingen geen bezwaar bestaat. Hiervoor wordt door Burgemeester en Wethouders de beheerder van de betreffende leiding gehoord. TenneT TSO B.V. (hierna TenneT) is de bij wet aangewezen beheerder van het Nederlandse 110 kV-, 150 kV-, 220 kV-, en 380 kV- hoogspanningsnet (HS-net) en verantwoordelijk voor een betrouwbare bedrijfsvoering van het hoogspanningsnet. De hoogspanningsverbindingen (HS-verbindingen) zijn van vitaal belang voor de elektriciteitsvoorziening in Nederland. TenneT wenst als netbeheerder dan ook geen (extra) risico te ondervinden op uitval hiervan. De inrichting van het uit te breiden zonnepark Vinkenpeelweg bevindt zich gedeeltelijk binnen een strook grond die ten behoeve van de bovengrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding Boekend - Californie is belemmerd met een zakelijk recht. Deze "belemmerde" strook wordt begrensd door zijden op 20 meter ter weerszijden van de hartlijn van de hoogspanningsverbinding (totale breedte 40 meter).
Als voorwaarden voor de uitbreiding van het zonnepark binnen deze strook stelt TenneT het volgende: De hoogspanningsmasten 14 en 15 moeten altijd (24 uur per dag) bereikbaar zijn en blijven, evenals de afspanportalen: 14A en 14B. Er dient daarom altijd een strook grond vrij te blijven voor de uitvoering van werkzaamheden, inspecties en dergelijke. Deze dient 40 x 40 meter te bedragen en moet vanaf de openbare weg via een vrije strook grond met een breedte van minimaal 5 meter bereikbaar zijn; T.b.v. de brandwerendheid dienen de PV-panelen aantoonbaar gecertificeerd (typetest) te zijn en daarmee te voldoen aan de eisen als gesteld in de norm IEC-61730-2 klasse A; In de nabijheid van de hoogspanningsverbinding kunnen EMC verschijnselen en/of interferentie optreden in en/of nabij de installatie(s) en/of bouwwerken van het te realiseren zonnepark. Indien blijkt dat maatregelen aan de installaties en/of het bouwwerk moeten worden getroffen om (EMC) beïnvloeding van de hoogspanningsverbinding te voorkomen, zijn de kosten voor deze te treffen maatregelen voor rekening van de eigenaar/ontwikkelaar van het te realiseren zonnepark; Afrastering geplaatst in de lengterichting van de hoogspanningsverbinding dient ten minste om de 100 meter geaard te worden.
Bij meer dan 1000 meter afrastering in de lengterichting van de hoogspanningsverbinding dient er door middel van het opnemen van isolatoren gesectioneerd te worden; Het plaatsen van een trafostation in de belemmerde strook is niet toegestaan; De eigenaar van het zonnepark is te allen tijde verantwoordelijk voor het veilig stellen van de installaties op het zonnepark ten behoeve van het door TenneT veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden aan de hoogspanningsverbindingen; Indien het zonnepark op onderhavige locatie wordt gerealiseerd, worden TenneT en haar rechtsopvolgers gevrijwaard voor vorderingen tot vergoeding van schade door de aanwezigheid van en/of door uit te voeren werkzaamheden aan de hoogspanningsverbinding. Voorbeelden waarbij mogelijke schade (aan materieel) kan ontstaan zijn bijvoorbeeld het neervallen van materialen, ijs/sneeuw, drupwater(vervuiling), drones, vogels en/of andere nadelige beïnvloeding van de elektriciteitsopbrengst door bijvoorbeeld inductie, tijdelijk afdekken van de panelen, e.d. Hetzelfde geldt ook voor mogelijke schade zoals opwekkingsverliezen die kunnen gaan optreden als gevolg van onderhoud en/of beheer aan de hoogspanningsmasten, bijvoorbeeld als de masten periodiek (normaliter om de 10 jaar) worden geschilderd, waarbij mogelijk een gedeelte van de zonnepanelen moet worden afgedekt om verfspatten op te vangen.
Het zonnepark wordt voorzien van een hekwerk met een afsluitbaar toegangshek. Voor de bereikbaarheid van de masten wordt aan de netbeheerder toegang verschaft bij het toegangshek. Het hekwerk dient geopend te kunnen worden met een zogenaamde 'hoogspanningssleutel' zodat bevoegden van het zonnepark en/of netbeheerder zelf het hekwerk kunnen openen indien dat nodig wordt geacht. Dat kan door toepassing van een sleutelkastje. Indien genoemde voorwaarden in acht worden genomen, wordt geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling
34
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
voldoet aan de criteria op basis waarvan de omgevingsvergunning voor het oprichten van bouwwerken geen gebouw zijnde binnen de beschermingszone van de hoogspanningsverbinding kan worden verleend. Op basis van de meest recente inrichtingstekening is een akkoord gekregen van TenneT. Vanuit TenneT bestaat de wens om het definitieve ontwerp voor de daadwerkelijke realisatie nog een keer te zien. Aan deze wens wordt invulling gegeven.
Voorwaardelijke verplichting De algemene aanduidingsregels voor de aanduiding 'zone voorwaardelijke verplichting' (artikel 17.2) geven aan dat het gebruik volgens de bestemming alleen mogelijk is onder voorwaarden dat rekening moet worden gehouden met aanwezige (beschermde) flora en fauna, compenserende maatregelen voor de patrijs worden uitgevoerd en werkzaamheden onder toezicht worden uitgevoerd. In het plangebied Californië I was sprake van een leefgebied voor de Patrijs. Buiten het gebied was een kleine populatie kamsalamanders aangetroffen. Voor de ontwikkelingen in het gebied zijn destijds compenserende maatregelen getroffen (uitgevoerd in 2006) en ontheffingen van de Flora- en Faunawet verleend. Inmiddels is sprake van de Wet natuurbescherming. Uit zorgvuldigheid (algemene zorgplicht) en om te voldoen aan de algemene aanduidingsregels van het bestemmingsplan 'Californië 1' is voor de realisatie van zonnepark Vinkenpeelweg door Staro Natuur en Buitengebied een actualiserende quickscan flora en fauna uitgevoerd. De bevindingen en conclusies uit het onderzoek zijn nader toegelicht in paragraaf 4.10. Op basis van diverse flora en faunaonderzoeken wordt gesteld dat in het projectgebied mogelijk verschillende soorten voorkomen die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming.
Om mogelijke effecten te voorkomen zijn maatregelen voorgesteld die moeten worden gerespecteerd in het project en de aanvraag: Werkzaamheden i.c. bouwrijp maken, moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd; Het dempen van de sloten mag alleen in de winterperiode tussen oktober t/m februari gebeuren of eerder als de sloten geheel droog zijn gevallen. Hiermee wordt aan de voorwaardelijke verplichting voldaan.
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
35
36
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
Hoofdstuk 4 4.1
Sectorale aspecten
Milieu algemeen
Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Voorgaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder. Voor de toetsing kan onder meer gebruik worden gemaakt van de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' waarin voor de onderscheiden bedrijfsactiviteiten generieke afstandsnormen zijn opgenomen. Dit betreffen conform jurisprudentie richtafstanden. Bij de toetsing van concrete situaties kan maatwerk nodig zijn. Afwijking van de generieke richtafstanden uit de VNG publicatie is hierbij mogelijk, mits dit goed kan worden gemotiveerd.
Hindergevoelige functie Een zonneveld wordt niet aangemerkt als hindergevoelige functie. Milieubelasting uit de omgeving hoeft om deze reden niet te worden beoordeeld. Daarnaast geldt dat de realisatie van het zonneveld ook niet leidt tot belemmeringen voor omliggende functies. Ook hier geldt dat met de realisatie van een zonneveld geen sprake is van een hindergevoelige functie en dat er daarom geen beperkingen optreden ten aanzien van de duurzame ontwikkeling van omliggende hinderveroorzakende functies.
Hinderveroorzakende functie Een zonneveld vormt geen milieuhinderlijke bedrijfsactiviteit in termen van milieuzonering. Eventuele geluidhinder zou door transformatoren kunnen ontstaan. Hiervoor kan worden aangesloten bij “Elektriciteitsdistributiebedrijven” (SBI 35) uit de VNG-publicatie “Handreiking Bedrijven en Milieuzonering”. Het gehele zonnepark wekt in totaal maximaal 28 MW op (dit is het piekvermogen bij optimale omstandigheden). Als sprake is van één installatie kan worden aangesloten bij categorie C2 (10-100 MVA) uit SBI 35, waarvoor een richtafstanden gelden van 50 meter voor geluid en 30 meter voor gevaar. Echter zijn de individuele transformatoren van zonneparken vergelijkbaar met die in woonwijken, ongeacht de grootte van een zonnepark, dus bij categorie C1 (< 10 MVA). Dit wordt door jurisprudentie bevestigd (201809430/1/A1). De te hanteren richtafstanden bedragen hiermee 30 meter voor het aspect geluid en 10 meter voor het aspect gevaar. Voor de op te richten transformatorstations wordt deze minimale afstand gehanteerd tot de meest dichtbij gelegen gevoelige bestemmingen. Onderhavige ontwikkeling leidt daarmee niet tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies.
Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering de ontwikkeling niet in de weg staat.
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
37
4.3
Bodem
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik.
Actualiserend vooronderzoek Voor bestemmingsplan 'Californië 1' is door Arcadis in 2012 een actualiserend vooronderzoek uitgevoerd voor de periode 2005 tot 2012 (zie ook bijlage Bijlage 7). Op basis van het actualiserend vooronderzoek is geconcludeerd dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkelingen binnen het onderzochte deel van het plangebied.
Historisch bodemonderzoek Om inzichtelijk te krijgen of in de periode tussen 2012 en januari 2020 eventueel bodembedreigende en/of, bodemverontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden die van invloed zijn op de bodemkwaliteit of dat relevante bodemonderzoeken zijn uitgevoerd, is door Aelmans Eco een actualiserend historisch bodemonderzoek uitgevoerd (d.d. 20 juni 2019, rapportnr. E198639.002, tevens toegevoegd als Bijlage 8). De onderzoekslocatie van dit historisch bodemonderzoek wordt gevormd door o.a. de restpercelen Horsterweg Noord, Horsterweg Zuid en Sevenumseweg. Het doel van het historisch bodemonderzoek is het verkrijgen van een indicatie of de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie is verontreinigd. Op basis van het verrichte historisch bodem onderzoek kan het volgende worden gesteld. Uit de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt, dat de bodem alhier niet tot licht verontreinigd is met enkele parameters (zware metalen, PAK en minerale olie). Het grondwater is plaatselijk licht tot sterk verontreinigd met diverse zware metalen. Deze grondwaterverontreiniging kan als gebiedseigen beschouwd worden, daar door de slechte buffering van de zandgrond de neergeslagen zware metalen uit de lucht snel uitspoelen naar het grondwater. Derhalve is een nader onderzoek naar het grondwater niet noodzakelijk en doelmatig.
Op basis van de historische gegevens en de terreininspectie, worden geen bodemverontreinigingen verwacht die veroorzaakt zijn door een additionele puntbron. De onderzoeksresultaten van de eerder uitgevoerde onderzoeken zijn nog steeds representatief voor de huidige situatie. Er zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen en/of bezwaren tegen het oprichten van een zonnepark alhier. Er geldt dat niet alle gronden binnen het projectgebied zijn onderzocht. Het perceel kadastraal bekend als gemeente Grubbenvorst, sectie L, nummer 1004 en de gronden die zijn gelegen tussen het reeds vergund zonnepark Vinkenpeelweg en de restpercelen Horsterweg Noord, Horsterweg Zuid en Sevenumseweg zijn buiten de scope van het actualiserende historisch bodemonderzoek gebleven. Dit komt omdat de uitbreiding van het zonneveld oorspronkelijk niet op deze gronden was voorzien. Voor deze gronden geldt dat op basis van het onderzoek van Arcadis d.d. 2012 is geconcludeerd dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de gronden geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkelingen. Uit de voorhanden zijnde historische informatie, zijn er geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten die na 2012 binnen dit deel van het projectgebied hebben plaatsgevonden.
Daarnaast zijn tijdens de terreininspectie op naastgelegen percelen geen aanwijzingen geweest welke zouden kunnen wijzen op enige vorm van bodemverontreiniging. Ook ten aanzien van deze locatie zijn daarom vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen en/of bezwaren tegen het oprichten van een zonnepark te verwachten.
Aanvulling Historisch bodemonderzoek Op 3 juni 2021 heeft een aanvulling c.q. update op het historisch bodemonderzoek plaatsgevonden (Aelmans
38
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
Eco, rapportnr. E190715.005.R1/TRE, zie ook bijlage). Het doel van het historisch bodemonderzoek, is inzicht te krijgen of op de locatie en de directe omgeving hiervan potentieel bodem verontreinigende en/of bodembedreigende (bedrijfsmatige) activiteiten hebben plaatsgevonden, die van invloed zijn geweest op de lokale milieu hygiënische bodemkwaliteit. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van de eventuele bodemverontreinigingen en/of verontreinigingsbronnen. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van de richtlijnen die gehanteerd zijn in de Nederlandse Voornorm 5725 (NEN-5725:2017); "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieu hygiënisch vooronderzoek". Gedurende het onderzoek zijn geen wijzigingen aangetroffen ten opzichte van het eerder uitgevoerde historisch bodemonderzoek die duiden op de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten. Daarnaast zijn tijdens de terreininspectie, geen aanwijzingen geweest welke zouden kunnen wijzen op enige vorm van bodemverontreiniging. Er is geen aanleiding om aan te nemen, dat er sterke verontreinigingen aanwezig zijn, die veroorzaakt zijn door eventuele puntbronnen. Er zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen c.q. bezwaren voor het ontwikkelen van een zonnepark.
Conclusie Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen en/of bezwaren tegen het oprichten van een zonnepark binnen het projectgebied te verwachten. Verder geldt dat op locatie geen sprake is van gedempte sloten of puinpaden, waardoor het gebied onverdacht is voor asbest of andere bodemverontreinigingen die de ontwikkeling onmogelijk zouden maken. Bodemonderzoeken die zijn uitgevoerd ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan bevestigen de aannames. Aangezien een zonneveld met alle componenten geen bodemgevoelige functie betreft, is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.4
Geluid
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder onderzocht te worden of sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer of bedrijven. Bij een zonnepanelenweide produceren transformatoren geluid. Het gaat hier om een licht zoemend geluid, maar dit is geen relevante geluidsbelasting. Het betreft hierbij transformatoren die vergelijkbaar zijn aan die in woonwijken. Dit wordt door jurisprudentie bevestigd (201809430/1/A1). Voor transformatorstations geldt conform de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzoneringen' een te hanteren afstand van 30 meter ten aanzien van het aspect geluid. De situering van de transformatorstations wordt zorgvuldig gekozen zodat deze minimale afstand tot de meest dichtbij gelegen gevoelige bestemmingen gehanteerd wordt. Dat wil zeggen: er worden geen transformatorstations opgericht binnen een afstand van 30 meter tot het bouwvlak van omliggende gevoelige bestemmingen (zoals woningen). Zoals te zien op de inrichtingstekening (Bijlage 5) bevinden de transformatorstations zich op een afstand van > 30 m tot aan de meest nabijgelegen woonbestemming. Daarnaast vormt het zonnepanelenpark op zichzelf geen geluidgevoelig object. Onderhavige ontwikkeling voorziet dan ook niet in het toevoegen van een geluidsgevoelig object.
Het aspect geluid vormt derhalve op basis van het voorgaande geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
39
4.5
Luchtkwaliteit
Op basis van de Wet luchtkwaliteit, welke onderdeel uitmaakt (hoofdstuk 5) van de Wet Milieubeheer, gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden vastgelegd voor de luchtverontreinigingcomponenten stikstofdioxide (NO2), zwevende deeltjes (PM10 of fijnstof), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), benzeen (C6H6) en koolmonoxide (CO). De grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die „Niet in betekenende mate" (NIBM) en „In betekenende mate" (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een ontwikkeling strekt tot het realiseren of wijzigen van bronnen van luchtverontreiniging, die leiden tot een toename van de hoeveelheid luchtverontreiniging, dan moet onderzoek naar de exacte gevolgen voor de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In de Regeling NIBM zijn categorieën van gevallen aangewezen die worden aangemerkt als NIBM projecten. Voor plannen die niet bestaan uit louter kantoren en/of woningen, de zogenoemde gemengde programma's met bijv. winkels en (agrarisch)bedrijven, biedt de wet (art.
5.16 Wm, eerste lid, onder c) de mogelijkheid om het aannemelijk te maken dat die plannen in niet-betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het project gaat in de gebruiksfase niet gepaard met verbranding van (fossiele)brandstoffen. Ook is er geen sprake van een significante verkeersaantrekkende werking. In de gebruiksfase vindt incidenteel verkeer plaats die samenhangt met het beheer en onderhoud van de zonnepanelenweide. Luchtverontreinigende stoffen zijn daardoor niet aan de orde. Voor de beperkte uitbreiding van het reeds vergunde zonneveld dient dus aannemelijk te worden gemaakt dat deze NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Dit wordt gedaan aan de hand van de zogeheten NIBM-tool. Uit de NIBM-tool blijkt dat tot een verkeersgeneratie van 1.055 voertuigbewegingen per etmaal, waarvan het aandeel vrachtverkeer 5% bedraagt, een ontwikkeling NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
Figuur 17: Weergave NIBM-tool
Het voornemen leidt tot een aanzienlijk kleinere toename aan verkeersbewegingen. Het plan kan derhalve worden aangemerkt als NIBM. Het aspect luchtkwaliteit staat de realisatie van het plan dan ook niet in de
40
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
weg
4.6
Externe veiligheid
De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van industriële activiteiten met opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Burgers mogen voor de veiligheid van hun omgeving rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron.
BEVI De risiconormen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in het BEVI. In dit besluit zijn milieukwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Het BEVI verplicht het bevoegd gezag op basis van de Wet milieubeheer om veiligheidsafstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. In het besluit zijn gevoelige objecten gedefinieerd als kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Bevt Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. Nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico.
Conclusie Een zonnepanelenweide is geen kwetsbaar of bekend kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Besluit externe veiligheid transportroutes (er zijn geen personen aanwezig). Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.7
(Brand)veiligheid, beheer en onderhoud
Vanuit veiligheidsoverwegingen worden, mede in overleg met de brandweer, de pv-panelen in vakken van maximaal 2.500 m² in een oost-westopstelling opgesteld. Tussen deze vakken worden brandgangen c.q. onderhoudspaden van circa 2,5 meter breedte aangelegd. Daarnaast is tussen de onderlinge rijen van pv-panelen een tussenruimte van 0,1 meter voorzien. De trafo's worden in het centraal gelegen, nog aan te leggen circa 4 à 5 meter brede onderhoudspad (oost-west) gepositioneerd. Vooralsnog wordt bij brand in het zonnepark uitgegaan van gecontroleerd 'uitbranden' van een pv-vak. Bij de definitieve detailuitwerking wordt op basis van de installatie beoordeeld of een alternatief voor uitbranden wordt toegepast. Bij de afweging wordt rekening gehouden met de veiligheidsaspecten en aandachtspunten die de veiligheidsregio/ brandweer heeft meegegeven voor brand in de panelen, de omvormers, de trafo's en de groenvoorzieningen. Deze aandachtspunten worden ook meegenomen bij de inrichting en het beheer van de groenstroken rondom
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
41
het park. De afschakelvoorzieningen zijn hierbij in het bijzonder van belang. Ook wordt rekening gehouden met het realiseren van blusvoorzieningen. Dit wordt gedaan door het maken van goede opstelplaatsen voor de brandweer op locatie zodat ze ongehinderd water uit de diverse omliggende sloten kunnen pompen (> 60 m³ / uur ). Beheer en onderhoud van de panelen vindt handmatig dan wel machinaal van bovenaf plaats. Dit wordt mede mogelijk gemaakt door werkplateaus die over de panelen heen kunnen rijden, vergelijkbaar met dak-wassers over glastuinbouwbedrijven. Dit is mogelijk in verband met de oost-westopstelling van de panelen. Daarnaast worden de panelen op frames gemonteerd, die minimaal 1,3 meter boven maaiveld staan. Beheer en onderhoud van groen-stroken dan wel bestrijding van ongedierte vindt handmatig onder de panelen plaats. Bovendien zal onder de panelen in verband met de beperkte lichtinval nauwelijks beheer nodig zijn. De installatietekeningen met maatvoering worden in het kader van de omgevingsvergunning bouwen aangereikt.
Overleg brandweer Naar aanleiding van de opmerkingen vanuit de veiligheidsregio is overleg gevoerd met de regionale Brandweer (d.d. 29 april 2021). Hierbij is uitleg gegeven over het project en zijn op basis van het gesprek een aantal zaken aangepast. Hoofdzakelijk gaat het om: Alle stations (transformatoren en inkoopstations) worden goed bereikbaar ogpesteld, aan een weg (puinverharding). De wegen zijn bereikbaar met zwaar materieel, zoals ook bluswagens; De omvormers staan verspreid door het veld en niet samen gegroepeerd; Noodschakelaars op inkoopstation/trafo's/omvormers zijn niet wenselijk in verband met vandalisme en aanvullend brandrisico door de schakelaars zelf. Bij de ingang van het terrein wordt daarom duidelijk vermeld via welk nummer de netbeheerder kan worden bereikt. Zij kunnen op afstand het gehele systeem afschakelen. Op dat moment blijven alleen de DC-delen onder spanning staan, maar dit is onvermijdelijk; De transformatoren bevinden zich in containers. Deze 30 minuten WBDBO maken is in de praktijk niet haalbaar gezien de ventilatiebehoefte van de trafo's. Wel wordt gezorgd voor tenminste 1,50 m vrije ruimte rondom de container, waar bovendien geen begroeiing aanwezig is (puinverharding). Trafo's staan in alle gevallen ver weg van andere (brandbare) apparatuur; De tussenafstanden tussen de verschillende 'tafels' variëren tussen de 1 - 2 meter.
Hier tussenin groeit langzaamgroeiend gras, dat altijd kort wordt gehouden. Dit tezamen met de praktisch onbrandbare glas-glas zonnepanelen maakt brandoverslag tussen tafels vrijwel onmogelijk; Er wordt voorzien in vlamdovende bekabeling tussen de vakken, aangezien kabels steeds ondergronds oversteken tussen tafels, met een dekking van tenminste 50cm; Bluswatervoorziening: er worden twee putten geslagen met voldoende bluswatervoorziening; De transformatorstations bevinden zich niet in de beschermde zone onder de hoogspanningskabels. De aanpassingen zijn in de inrichtingstekening opgenomen (zie ook Bijlage 5 en verzonden aan de regionale Brandweer, die vervolgens zijn akkoord heeft gegeven.
42
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
4.8
Lichtreflectie en schittering
Het glazen oppervlak van zonnepanelen kan zorgen voor reflectie en daarmee voor hinder voor de omwonenden of gebruikers van de openbare ruimte. De hinder hangt af van de locatie (stand en hoogte spiegelend vlak) en de stand van de zon (de tijd en de tijd van het jaar). De hinder hangt af van de hoek van de invallende lichtstraal en daarmee van de hoek van de uitvallende lichtstraal. Hoe steiler de helling van de panelen, hoe groter de kans op hinder. Bij onderhavige uitbreiding van het zonneveld gaat het om een relatief lage maaiveldopstelling. Door de gekozen opstelling is de hellingshoek in onderhavige situatie maximaal circa 10 graden. Hinder door reflectie in de voorziene maaiveldopstelling is derhalve niet tot nauwelijks te verwachten. Daarnaast wordt gekozen voor zwarte panelen welke minder zonreflectie tot gevolg hebben. Tegenwoordig wordt ook gebruik gemaakt van hoogwaardige panelen die voorzien zijn van een anti-reflectieglas (gecoat glas). Dit heeft als voordeel dat de opgevangen energie zoveel mogelijk geabsorbeerd wordt en zodoende een hoog rendement oplevert. Gelet op bovenstaande zal van hinder in de omgeving door lichtreflectie, spiegeling of schittering nauwelijks sprake zijn, zelfs niet in de wintermaanden wanneer bomen en struiken winterkaal zijn. Verder zal het zonneveld door de voorgenomen inpassingsmaatregelen beperkt zichtbaar zijn.
Hierdoor wordt zal de mogelijkheid dat lichtschittering hinder oplevert beperkt.
4.9
Elektromagnetische straling
Het elektromagnetisch veld dat de pv-panelen zelf opwekken is erg zwak. Om de laagspanning van zonnepanelen geschikt te maken voor het elektriciteitsnet, zijn omvormers nodig. De omvormers bij zonnepanelen worden zowel in grootschalige zonnepanelen velden alsook op daken van woningen gebruikt en moeten zijn gecertificeerd. Magnetische velden van gecertificeerde omvormers liggen ruim onder de blootstellinglimiet ter voorkoming van nu bekende nadelige effecten voor de gezondheid ('state of the art'). In de blootstellingslimieten is rekening gehouden met de onzekerheden die in het wetenschappelijk onderzoek zitten door veiligheidsmarges op te nemen in de gecertificeerde toegestane limieten De internationale commissie International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP) heeft blootstellingslimieten opgesteld voor elektromagnetische velden, die regelmatig worden geverifieerd. De limieten zijn gebaseerd op wetenschappelijk vastgestelde effecten die tijdens of kort na blootstelling kunnen optreden. De Europese Unie heeft alle lidstaten aanbevolen om de blootstellingslimieten van de ICNIRP na te leven ter bescherming van de bevolking. Deze limieten vormen ook een onderdeel voor de productveiligheidseisen voor apparatuur die in de handel worden gebracht.
De aanbevolen blootstellingslimiet voor magnetische velden van elektrische apparaten in en om het huis is 100 microtesla. Dat geldt ook voor elektriciteitsnetwerken (o.a. hoogspanningslijnen) in de buurt van woningen. Deze velden hebben een extreem lage frequentie van 50 hertz. De waarde van 100 microtesla wordt in Nederland op voor het publiek toegankelijke plaatsen bij het elektriciteitsnetwerk nergens overschreden. Daarnaast geven leveranciers van de gebruikte omvormers en transformatoren aan dat het elektromagnetisch veld binnen enkele tientallen meters in alle gevallen lager is dan 0,4 microtesla. Dit betekent dat dit elektromagnetisch veld in de buurt bij de omliggende gevoelige bestemmingen (woningen) reeds lang verdwenen is en ook niet meer meetbaar is. Het is lastig om standaardwaarden bij de diverse componenten te noteren omdat het elektromagnetisch veld niet alleen door de trafo en de omvormen wordt bepaald, maar ook door de plaatsing en de directe omgeving. De transformatorstations worden op ruime afstand van omliggende woningen gerealiseerd. Met het uitbreiden van het zonneveld is daarom niet te verwachten dat het elektromagnetisch veld tot problemen zou kunnen leiden. Aangetoond is dat van hinder voor omwonenden door elektromagnetische straling geen sprake zal zijn.
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
43
4.10
Natuur
Bij nieuwe ruimtelijke ingrepen en activiteiten dient te worden nagegaan of deze ingrepen en /of activiteiten eventueel gevolgen hebben voor beschermde natuurgebieden en/of aanwezige dier- en plantensoorten (in de omgeving). Voor bescherming van gebieden en soorten is sinds 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van belang. Daarnaast is gebiedsbescherming vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen EHS genoemd). Wet- en regelgeving is bedoeld om soorten te beschermen, niet individuele planten of dieren. Het gaat erom dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. Te allen tijde geldt dat de algemene zorgplicht van toepassing is. Dit houdt in dat handelingen die niet noodzakelijk zijn met betrekking tot de voorgenomen ingreep en die nadelig zijn voor de in en om het plangebied voorkomende flora en fauna, achterwege moeten blijven. Voor onderhavig projectgebied zijn in de afgelopen jaren verschillende flora- en fauneonderzoeken uitgevoerd. In onderstaande paragrafen zijn de relevante conclusie en bevindingen voor de gebieds- en soortenbescherming en de te nemen matregelen opgenomen. Voor gedetailleerde beschrijvingen wordt verwezen naar de betreffende bijlagen.
4.10.1 Soortenbescherming Onderzoek Natuurbalans-Limes (2003-2006) Voor het bestemmingsplan 'Californië 1' is door Bureau Natuurbalans-Limes Divergens in 2003 een onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van flora en fauna. Hiertoe heeft in 2003, 2005 en 2006 (veld)onderzoek plaatsgevonden. In het plangebied Californië was sprake van een leefgebied voor de Patrijs. Buiten het gebied was een kleine populatie kamsalamanders aangetroffen. Voor de ontwikkelingen in het gebied zijn destijds compenserende maatregelen getroffen (uitgevoerd in 2006) en ontheffingen van de Flora- en Faunawet verleend (zie bijlage Bijlage 10).
Actualiserend onderzoek Staro (2019) Inmiddels is sprake van de Wet natuurbescherming. Uit zorgvuldigheid (algemene zorgplicht) en om te voldoen aan de algemene aanduidingsregels van het bestemmingsplan 'Californië 1' is voor de realisatie van de vier zonnevelden Californië (Nieuw Erf, Horsterweg Noord, Horsterweg Zuid en Sevenumseweg), door Staro Natuur en Buitengebied een actualiserende quickscan flora en fauna uitgevoerd (bijlage Bijlage 11). Op basis van de quickscan flora en fauna wordt het volgende geconcludeerd c.q. geadviseerd: 1. 2.
3.
4.
5.
44
Het bouwrijp maken van de akkers dient te gebeuren buiten het broedseizoen van vogels en wanneer er zeker geen broedgeval aanwezig is. Mogelijk komt teunisbloempijlstaart voor in de akkerranden. Indien de akkerranden met teunisbloem worden vernietigd bij de voorgenomen plannen, dient nader onderzoek plaats te vinden naar de aanwezigheid van teunisbloempijlstaart. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd door het zoeken naar rupsen op de waardplanten in de periode juni - september. Ook wordt geadviseerd om de randen van het zonnepark in te zaaien met onder andere teunisbloem. Voor vleermuizen zijn de laanbomen mogelijk onderdeel van vliegroutes, indien de bomen aan de rand van het plangebied worden gekapt is nader onderzoek nodig en mogelijk moet een ontheffing worden aangevraagd. Voor kamsalamander, vinpootsalamander, Alpenwatersalamander en poelkikker is het plangebied mogelijk geschikt als voortplantingshabitat en land- en overwinteringshabitat. Indien de structuurrijke akkerranden niet behouden blijven, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd. Uit het nader onderzoek blijkt wat de effecten van de werkzaamheden zijn en of een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming dient te worden aangevraagd. Mogelijk komen in de akkerranden en het structuurrijke gedeelte in het zuidoosten van het plangebied
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
6.
hazelworm en levendbarende hagedis voor. In de provincie Limburg geldt buiten de kwetsbare periode voor deze soorten een vrijstelling. Dit houdt in dat bij werkzaamheden in de periode 15 augustus t/m september geen extra rekening gehouden hoeft te worden met deze soorten. Buiten deze periode wel en is mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Voor alle soorten in het plangebied geldt de Algemene zorgplicht, bij uitvoering van handelingen moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Bij het verwijderen van vegetatie dient rekening gehouden te worden met kleine zoogdieren en amfibieën die daar mogelijk verblijven.
Om de biodiversiteit te behouden en te vergroten in het plangebied kan nog een aantal maatregelen worden genomen: om het foerageergebied van vogels, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren te verbeteren kan gekozen worden voor het inzaaien van de randen van de zonneakkers met een bloemrijk zaadmengsel. Indien voor plantensoorten gekozen wordt waar tussen grondbroedende vogels kunnen schuilen voor roofdieren biedt dit veel meerwaarde. Ook kan worden gekozen voor een bloemenrijk zaadmengsel zodat insecten (bijen, vlinders, zweefvliegen en dergelijke) worden aangetrokken tot het zonnepark. De insecten kunnen weer dienen als voedsel voor onder andere vogels, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren. Voor vogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en amfibieën zijn de structuuren bloemrijke akkerranden een belangrijk onderdeel van het leefgebied (foerageer- en verblijfmogelijkheden). Het is aan te raden deze akkerranden te behouden. Voor steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel zijn de akkerranden mogelijk belangrijke migratieroutes.
Aanvullende memo flora en fauna (2020) Aanvullend op de quickscan flora en fauna die in 2019 door Staro is uitgevoerd, is door Staro een memo opgesteld waarin een aanvullend onderzoek en de resultaten hiervan zijn beschreven in verband met een extra uitbreiding van het plangebied. De extra uitbreiding heeft betrekking op de gronden die tussen het reeds vergund zonnepark Vinkenpeelweg en de restpercelen Horsterweg Noord, Horsterweg Zuid en Sevenumse weg zijn gelegen. Het aanvullend memo is als bijlage Bijlage 12 bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Op basis van het aanvullend memo wordt geconcludeerd dat de volgende maatregelen dienen te worden genomen om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden in het plangebied: 1.
2. 3. 4.
Indien delen van de ruigtevegetatie en niet behouden kunnen blijven, dient ook rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van levendbarende hagedis en met steenmarter door deze te verwijderen tussen 15 augustus en 15 oktober; Het dempen van de sloten dient te worden uitgevoerd in de periode begin oktober tot eind februari. Of eerder als de sloten geheel droog zijn gevallen; Het zonnepark wordt ingezaaid met een inheems bloemrijk kruidenrijkmengsel, waardoor het plangebied beschikbaar blijft als leefgebied en migratieroute voor insecten, amfibieën en kleine zoogdieren; Door faunapassages te creëren in het hekwerk kunnen kleine grondgebonden zoogdieren door het plangebied migreren en het zonnepark als onderdeel van het leefgebied gebruiken. Tevens kan voor deze soorten dekking worden gerealiseerd in het zonnepark, door kruidachtige vegetatie zoveel mogelijk te behouden en aan te leggen, inheems bloemrijk/kruidenrijk grasland in te zaaien, takkenrillen te plaatsen en struweel aan te planten.
Er geldt dat niet alle gronden binnen het projectgebied zijn onderzocht. Het perceel kadastraal bekend als gemeente Grubbenvorst, sectie L, nummer 1004 is buiten de scope van de quickscan flora en fauna en de aanvullende memo gebleven. Dit komt omdat de uitbreiding van het zonneveld oorspronkelijk niet ter plaatse van dit perceel voorzien was. Ten aanzien van ditt perceel geldt dat deze dezelfde landschaps-/gebiedskarakteristieken heeft als de aangrenzende, reeds onderzochte gronden. Om deze reden
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
45
worden vorenstaande conclusies ook voor dit perceel overgenomen.
Conclusie Binnen het projectgebied is met de diverse flora en faunaonderzoeken gesteld dat in het projectgebied mogelijk verschillende soorten voorkomen die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. De conclusies en mitigerende maatregelen uit de onderzoeken dienen te worden gecombineerd en nageleefd. Indien dit wordt gedaan wordt een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.10.2
Gebiedsbescherming
4.10.2.1 Natuurgebieden Het projectgebied ligt op ca. 5 km afstand tot Natura 2000-gebied Maasduinen. Gezien deze relatief grote afstanden en de lokale aard van de voorgenomen ontwikkeling is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op dit Natura 2000-gebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Dit betekent dat directe aantasting van Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouwwerkzaamheden (storingsfactoren; oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering en mechanische verstoring, verstoring door geluid, licht, trillingen en visuele hinder) en het gebruik van het projectgebied op voorhand kan worden uitgesloten. Hierdoor kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking i.c. verzuring en vermesting door stikstof-depositie. Daarnaast maakt het projectgebied ook geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en ligt op circa 70 meter van het meest nabijgelegen deel van het NNN. Het NNN is aan de overzijde van de Sevenumseweg gelegen. Door de barrièrewerking van de weg en de aard van onderhavige ontwikkeling, hebben de voorgenomen plannen geen (significant) negatief effect tot gevolg op de kernkwaliteiten van het NNN. Verder geldt dat het projectgebied niet is gelegen binnen of nabij de zilvergroene of bronsgroene landschapszones zoals aangeduid in het provinciaal omgevingsplan 2014 (POL).
4.10.2.2 Toets vergunningplicht Wnb De voorgenomen bouw- en gebruiksactiviteiten voor het zonnepark kunnen leiden tot een toename in stikstofdepositie op beschermde Natura2000-gebieden, bijvoorbeeld door NOx-emissies afkomstig van verkeersbewegingen en mobiele werktuigen. Omdat natuurgebieden vaak gevoelig zijn voor stikstofdepositie en de stikstofbelasting nu al (te) hoog is, geldt een strikt beschermingsregime. Vanwege de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 dient vooraf te worden beoordeeld of door de uitbreiding van het zonnepark sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en of dat een natuurvergunning is vereist. Hiertoe is door Pouderoyen Tonnaer (d.d. 14 december 2020) een voortoets c.q. beoordeling ten aanzien van het aspect stikstof uitgevoerd. De voortoets c.q. beoordeling stikstof (inclusief toelichting) is als Bijlage 13 bij deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Op basis van de voortoets c.q. beoordeling stikstof blijkt dat negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstof-depositie (NOx en NH3 ) met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Ook andere negatieve effecten, zoals bijvoorbeeld verstoring, verdroging etc., zijn vanwege de afstand tot Natura 2000-gebieden met zekerheid uit te sluiten. De Wet natuurbescherming staat de ontwikkeling van het zonnepark dan ook niet in de weg.
46
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
4.11
Archeologie en cultuurhistorie
4.11.1 Archeologie Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Dit vloeit voort uit het Europese Verdrag van Valetta (1992) inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed. Hieruit volgt dat bekende archeologische monumenten niet aangetast mogen worden en moet bij voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde, inventariserend en waarderend vooronderzoek plaatsvinden. Eventueel aangetroffen waarden dienen primair ter plekke (in situ) beschermd te worden dan wel - indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is - door een opgraving (ex situ) te worden veilig gesteld. De gemeente Horst aan de Maas beschikt over archeologisch beleid. Op basis hiervan wordt bepaald of voor een nieuwe ontwikkeling archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Met dit onderzoek wordt dan bepaald of in een gebied de archeologische resten aanwezig zijn die beschermd moeten worden.
Figuur 18: Uitsnede archeologische beleidskaart Horst aan de Maas (2014)
Het projectgebied is gelegen in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde. Ten tijde van de uitwerking van bestemmingsplan 'Californië I' is in 2004/2005 reeds door RAAP een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 14). Het inventariserend onderzoek heeft binnen het plangebied 'Californië I' 14 vindplaatsen opgeleverd, die hoofdzakelijk vuurstenen werktuigen uit de Steentijd betreffen (Laat Paleolithicum, Mesolithicum en/of Neolithicum). Deze werktuigen zijn waarschijnlijk achtergebleven in het onderzoeksgebied tijdens de jacht en het verzamelen van voedsel. Derhalve representeren ze hoogstwaarschijnlijk geen archeologische vindplaatsen zoals kampementen, met uitzondering van één locatie, waar twee vuurstenen werktuigen tezamen zijn aangetroffen (vindplaats 9). Daarnaast zijn twee aardewerk fragmenten uit de Late Middeleeuwen aangetroffen. Deze kunnen hoogstwaarschijnlijk als bemestingsaardewerk geïnterpreteerd worden, dat via huisvuil op de akkers is terecht gekomen. Het aardewerk duidt dan niet op bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen. Archeologische indicatoren uit de archeologische perioden sinds de Steentijd tot en met de Vroege Middeleeuwen zijn niet gevonden. De archeologische vindplaatsen zijn onderzocht in relatie tot het bodemprofiel.
Landbouw activiteiten zoals ploegen en egalisatiewerkzaamheden hebben de bodemprofielen bij alle archeologische vindplaatsen matig tot sterk verstoord. Derhalve zijn alle archeologische vindplaatsen gedeeltelijk aangetast of volledig vernietigd. Daarbij komt dat de vindplaatsen buiten het besluitgebied liggen.
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
47
Op basis van het archeologisch onderzoek is geconcludeerd dat ten aanzien van verstoorde gebieden met alleen vuursteen vindplaatsen en gebieden die duidelijke buiten de archeologische vindplaatsen liggen, geen restricties gelden ten aanzien van planvorming. Daarom wordt voor de realisatie van het zonneveld Nieuw Erf géén archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Er gelden voor deze locatie ook geen restricties ten aanzien van planvorming. Om bovenstaande te verifiëren heeft KSP Archeologie een kort advies uitgebracht in relatie tot het bestaande archeologisch onderzoek dat is uitgevoerd voor de ontwikkeling van Californië. Aangegeven wordt dat, ondanks de wijzigingen in de onderzoeksopzet voor karterend onderzoek (2006, 2012), het onderhavige gebied voldoende is onderzocht door oppervlaktekartering
Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het projectgebied tijdens het onderzoek in 2004/2005 geen archeologische waarden zijn aangetroffen. Het uitvoeren van aanvullend archeologisch onderzoek biedt, mede in relatie tot de realisatie van een zonnepark, geen meerwaarde. Het aspect 'Archeologie' vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.11.2 Cultuurhistorie Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in Werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt het Bro (artikel 3.6.1, lid 2). Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. Dit is inmiddels ook doorvertaald in de Erfgoedwet. In een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het bevoegd gezag is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Binnen het projectgebied zijn geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten aanwezig. Verder is het besluitgebied niet aangewezen als beschermd dorps- danwel stadsgezicht en is het besluitgebied niet gelegen nabij historische kernen en gehuchten. De ruimtelijke impact van het planvoornemen is beperkt door de landschappelijke inpassing. Het aspect cultuurhistorische vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.12
Water
4.12.1 Beleid en regelgeving waterschap Limburg Het projectgebied valt onder het beheer van Waterschap Limburg. Het beleid van het waterschap is gericht op het zo lang mogelijk vasthouden van gebiedseigen water, gecombineerd met het zoveel mogelijk scheiden van schoon en verontreinigd water. Het beleid van het waterschap is opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2021. Het waterbeheerplan beschrijft de doelen en inspanningen van het waterschap binnen de planperiode. In het geval van een toename van het verhard oppervlak moet worden voldaan aan de regels die het waterschap hieraan stelt. Ten aanzien van initiatieven waarbij het verhard oppervlak toeneemt dient een zogenaamde watertoets te worden uitgevoerd. 4.12.2 Watertoets Omvang ontwikkeling
48
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
Onderhavige ontwikkeling voorziet in een beperkte uitbreiding van een reeds vergund zonneveld Vinkenpeelweg. Het reeds vergund oppervlak aan zonnepanelen bedraagt ca. 127.000 m2 . Het oppervlak aan zonnepanelen dat met onderhavige uitbreiding voorzien is bedraagt ca. 68.000 m2 . Na de uitbreiding bedraagt het totale oppervlakte aan zonnepanelen ter plaatse van het zonneveld Vinkenpeelweg ca. 195.000 m2 . Hoewel sprake is van afstromend hemelwater dat valt op de onverharde ondergrond, waar het conform de huidige situatie kan infiltreren in de bodem, is een waterplan opgesteld. Het waterplan bouwt voort op waterplan dat in het kader van het reeds vergunde zonneveld is ontworpen. Middels het aangepaste waterplan wordt een integrale oplossing geboden voor de waterbergingsopgave ten gevolge van de totaalontwikkeling van het zonneveld Vinkenpeelweg. Het waterplan is toegevoegd als Bijlage 15. Als gevolg van onderhavige ontwikkeling is geen sprake van afvalwater. Het waterplan gaat dan ook enkel in op de wijze van opvang en afhandeling van het hemelwater ter voorkoming na afstroming naar naastgelegen percelen/cq buiten het projectgebied.
Berging hemelwater Voor de berekening van de waterberging is uitgegaan van: Waterberging t.b.v. een bui van 100 mm in 24 uur. Het verhard oppervlak binnen het projectgebied bedraagt ca. 195.000 m2 . Voor het project geldt derhalve bij een bui van 100 mm in 24 uur dat sprake is van 19.500 m³ regenwater dat afstroomt vanaf verhard oppervlak; Op basis van een k-waarde van 0,45 – 0,75 m/dag zal het regenwater deels ter plekke naast en onder de panelen infiltreren. Daarnaast zal bij zware neerslag mogelijk sprake zijn van plasvorming en oppervlakkige afstroming; Op basis van de Bodemkaart van Nederland is binnen het plangebied sprake van grondwatertrap V en gedeeltelijk VI. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (trap V) bevindt zich op 0,4 m beneden maaiveld, de gemiddeld laagste grondwaterstand op meer van 1,2 m beneden maaiveld; Regenwater valt in de huidige situatie op het onverharde maaiveld waar het infiltreert in de bodem. Op basis van de grondwatertrap en de k-waarde is de verwachting dat de bodem voldoende capaciteit heeft om hemelwater te kunnen bergen middels wegzijging; Mocht water onverhoopt oppervlakkig afstromen, dan zal het water afstromen naar gecreëerde laagtes in het terrein, alwaar het water wordt vastgehouden en ter plekke kan infiltreren in de bodem.
Het plan voorziet in de volgende maatregelen om het hemelwater dat valt binnen het projectgebied binnen de projectgrenzen op te vangen en te laten infiltreren conform de huidige situatie: Natuurlijke infiltratie op gehele veld tussen de panelen op het onverharde maaiveld. In eerste instantie wordt ervan uitgegaan dat de bodem ter plekke voldoende capaciteit heeft op het hemelwater ter plekke te laten infiltreren. Het totale projectgebied heeft een oppervlakte van ongeveer 235.000 m². De bodem heeft een k-waarde van 0,45 tot 0,75 m/dag, het grondwater bevindt zich op minstens 0,4 m beneden maaiveld. Ter plekke is sprake van een zandige bodem (met poriën van ongeveer 40%). Ter plekke kan in de bodem minstens (bij de hoogste grondwaterstand) 37.600 m³ aan hemelwater via wegzijging worden geborgen (= 235.000 m² x 0,4 m x 40%). De bodem zal derhalve voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen bergen; Verbetering van de natuurlijke infiltratie door: 1. Herprofilering van het maaiveld ter bevordering van de infiltratie ter plekke naast en onder de panelen; 2. Natuurlijke afvloeiing van hemelwater bevorderen en reguleren, waarbij willekeurige afstroming(en) en plasvorming(en) worden voorkomen; 3. Het neerslagoverschot dat ter plaatse niet infiltreert, zal oppervlakkig afstromen naar lager gelegen
omgevingsvergunning Uitbreiding zonnepark Vinkenpeelweg, Grubbenvorst
49
4.
delen van het projectgebied waar het tijdelijk wordt opgevangen en ter plaatse kan infiltreren; De watergang Achterste Vlinkenpeel wordt verlegd in zuidelijke richting. De voormalige watergang wordt gedempt tot infiltratiegreppel. Binnen deze greppel zal het afvloeiende hemelwater worden opgevangen, alwaar het kan infiltreren in de bodem.