CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

06c.1 Toelichting

Gemeenteraad 10 september 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Aan de Kabroeksebeek.29.302 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Zowel het aantal inwoners als het aantal huishoudens neemt nog toe in zowel gemeente Horst aan de Maas als de secundaire regio. Het aantal huishoudens groeit iets sneller, door de alsmaar kleinere huishoudens.

Als de harde plancapaciteit wordt afgetrokken van de benodigde woningvoorraad is in gemeente Horst aan de Maas sprake van een aanvullende woningbehoefte van circa 522 woningen.

Volgens onderzoek van STEC (2020) groeit de kern Horst het hardst van alle kernen in de gemeente Horst aan de Maas. Daarom zal een groot deel van de resterende behoefte ook ingevuld moeten worden in de kern Horst.

In de secundaire regio is sprake van een aanvullende woningbehoefte van circa 4.255 woningen.

Dus er is zowel een kwantitatieve behoefte in de regio, gemeente en de kern Horst.

Daarnaast is er behoefte aan een openbaar kindcentrum te realiseren omdat er een wachtlijst is voor de schoolaanmeldingen. Een uitbreiding van de school is nodig.

Kwalitatieve behoefte aangetoond Het initiatief om 46 appartementen te realiseren in het segment sociale huur, vrije sector huur en koopsegment voor de doelgroep voorziet in een kwalitatieve behoefte: 

Door de demografische ontwikkeling (vergrijzende bevolking en afname van jongeren en huishoudens zonder kinderen) is in de regio Noord-Limburg én specifiek in de kleine kernen een nadrukkelijke behoefte aan woningen welke geschikt zijn voor ouderen, jongeren en gezinnen. Horst groeit de komende tien jaar het hardst van alle kernen in de gemeente Horst aan de Maas.

Van belang is dat de toekomstbestendigheid en leefbaarheid van kernen en woningen in acht wordt genomen. Kernpunten zijn om levensloopbestendig te bouwen en de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen. Het initiatief geeft hier invulling aan door levensfasebestendige woningen (appartementen) toe te voegen aan de woningvoorraad.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

49

Er is behoefte aan een mix van woontypologieën en segmenten. Enerzijds is er behoefte aan levensloopbestendige woningen voor ouderen, en indirect zodat hierdoor woningen voor starters vrijkomen (doorstroming). Anderzijds is er behoefte aan een mix van typologieën om de leefbaarheid van de kern op peil te houden (diversiteit in de kern). Met dit initiatief zullen appartementen worden gerealiseerd, hierdoor wordt er voor een deel bijgedragen aan de kwalitatieve behoefte.

De behoefte aan levensloopbestendige woningen (appartementen) wordt meermaals benadrukt. Bij nieuwbouw is het van belang om in te zetten op woningen die qua omvang en uitstraling interessant zijn voor starters, maar tegelijkertijd volledig geschikt zijn (of geschikt te maken) voor ouderen.

Tot slot is er de behoefte om nieuwbouwplannen toekomstbestendig te ontwikkelen. De gemeente hanteert een beleid voor nieuwbouwplannen dat moet bestaan uit 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koop, met ruimte voor maatwerk. Het initiatief Aan de Kabroeksebeek wordt gerealiseerd volgens deze verdeling.

De schoolfunctie die nu op de Schoolstraat in Horst is gevestigd, is verouderd. Het vernieuwen en moderniseren van het pand is echter niet mogelijk op de huidige locatie. Gezien het verzorgingsgebied van de kinderen (postcodes 750 meter rondom de oude en nieuwe locatie) is deze locatie passend. De gemeente en de scholengroep hebben gezamenlijk de nieuwe locatie onderschreven.

Geen onaanvaardbare leegstandseffecten Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het realiseren van 46 woningen onaanvaardbare leegstandseffecten zullen optreden. De woningbehoefte is immers dusdanig groot dat ook na het realiseren van het planinitiatief behoefte blijft bestaan voor het realiseren van nieuwe woningen. Bovendien heeft een gezonde woningmarkt 2 procent leegstand volgens het Planbureau voor de Leefomgeving. De gemeente Horst aan de Maas had in 2022 een woningleegstand van 2%. Bovendien zal van de gemeente de kern Horst naar verwachting de sterkste stijging in bevolking en huishoudens doormaken tot 2030, waardoor zeker in deze kern de kans op onaanvaardbare leegstand zeer klein zal zijn. Conclusie De ontwikkeling voldoet aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. 

Het initiatief voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte.

De locatie valt binnen bestemming ‘Agrarisch’, maar is omsloten door stedelijke functies (Bedrijf en Wonen) en is daarmee onderdeel van het stedelijk gebied.

Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het initiatief onaanvaardbare leegstandseffecten zullen optreden. De woningbehoefte is immers dusdanig groot dat ook na het realiseren van het planinitiatief behoefte blijft bestaan voor het realiseren van nieuwe woningen.

5.2.8

Milieueffectrapportage

Toets m.e.r.-plicht In het plangebied vindt woningbouw plaats in de vorm van maximaal 46 woningen en een openbaar kindcentrum. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

50

Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De voorgenomen ontwikkeling van 46 woningen en een openbaar kindcentrum valt onder onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. in de categorie D11.2: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien sprake is van een oppervlakte van 100 hectare of meer, de ontwikkeling een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of een bedrijfsoppervlakte van 200.000 m 2 of meer betreft. Deze drempelwaarden worden bij de voorliggende ontwikkeling bij lange na niet overschreden. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden.

Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van het potentiële effect. Tabel: Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling Kenmerken van het project  Omvang van het project  Cumulatie met andere projecten  Gebruik van natuurlijke grondstoffen  Productie van afvalstoffen  Verontreiniging en hinder  Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project  Bestaand grond gebruik  Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied  Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect    

Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

Aan de Kabroeksebeek te Horst

51

Omdat het plan wel voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het aantal woningen ruimschoots onder de drempelwaarde valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

De ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van maximaal 46 woningen en een openbaar kindcentrum. Daarnaast worden parkeerplaatsen gerealiseerd en wordt het plangebied groen ingericht. De bedrijfswoning aan de Almeweg 14 wordt herbestemd naar een reguliere woning.

Cumulatie met andere projecten

Nee. Het betreft uitsluitend de voorliggende ontwikkeling van een woningbouwlocatie.

Gebruik van natuurlijke grondstoffen

N.v.t.

Productie van afvalstoffen

N.v.t.

Verontreiniging en hinder

Bodem: Op basis van de huidige analyseresultaten in combinatie met de onderzoeksresultaten van het eerder uitgevoerd verkennend bodemonderzoek wordt de sterke verontreiniging met lood en zink in de grond zowel in horizontaal vlak als in verticaal vlak als voldoende afgeperkt beschouwd. Op basis van deze analyseresultaten wordt gesteld dat op de onderzoekslocatie één sterke verontreinigingsspot lood en zink aanwezig is. Econsultancy adviseert de aangetroffen sterk met lood en zink verontreinigde grond, op termijn/ten tijde van de nieuwbouw, onder milieukundige begeleiding te ontgraven en af te voeren naar een erkend verwerker. Voorafgaand aan de sanering dient er een Plan van Aanpak te worden opgesteld. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd, wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er echter géén reden voor een nader onderzoek. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging in de bodem op de onderzoekslocatie te verwachten. Econsultancy acht een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 dan ook niet noodzakelijk. (zie par. 5.2.1).

Aan de Kabroeksebeek te Horst

52

Geluid: Het maximaal optredend gecumuleerd geluidniveau (alle omliggende wegen en De Riet entertainment), omgerekend naar wegverkeerslawaai-dosis, bedraagt: LCUM = 52 dB. Dit is ter plaatse van de meest oostelijke gevel van het meest oostelijke appartementengebouw (3e/ 4e verdieping). Op die locatie is sprake van een ‘redelijk’ woon- en leefklimaat en op alle overige locaties is sprake van een ‘goed’ woon- leefklimaat. Uitgaande van de minimale gevelweringseis (GA;k) in het Bouwbesluit van >20 dB, wordt voldaan aan het maximale binnenniveau van 33 dB. Er kan worden voldaan aan de voorwaarden in zowel de Wet/Besluit geluidhinder. Hierdoor kan worden gesteld dat uit oogpunt van de ruimtelijke ordening het akoestisch woon- en leefklimaat ten gevolge van het gecumuleerde wegverkeer- en industrielawaai, zowel binnen als buiten de woningen als redelijk tot goed betiteld kan worden. Met het in acht nemen van voldoende afstand van de geplande nieuwbouw tot het bedrijf aan de Weltersweide 22 (De Riet entertainment), wordt de bouw van het nieuwbouwplan mogelijk geacht. Daarbij wordt De Riet entertainment niet beperkt in hun feitelijke maximale gebruik en kan een acceptabel woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen, school en kinderopvang gegarandeerd worden.

Op de beoogde locatie is de realisatie van een integraal kindcentrum onder voorwaarden ruimtelijk inpasbaar te noemen vanuit akoestisch oogpunt. Bij toepassing van de voorgenomen indeling of een alternatieve gebouwvorm is het niet redelijkerwijs mogelijk om bronmaatregelen te treffen zodat aan de (strengere) richtwaarde uit stap 2 kan worden voldaan. Om alsnog te kunnen voldoen aan deze richtwaarde, zal een relatief groot scherm moeten worden geplaatst aan de rand van het buitenterrein. De geluidsbelasting als gevolg van de representatieve bedrijfssituatie overschrijdt de richtwaarde uit stap 2 voor woningen in het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. Aan de richtwaarde uit stap 3 wordt wel voldaan. Gelet op het heersende omgevingsgeluid wordt gesteld dat ook bij toepassing van de richtwaarde uit stap 3 onverminderd sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, en dat het treffen van maatregelen om te kunnen voldoen aan de richtwaarde uit stap 2 niet noodzakelijk wordt geacht. (zie par. 5.2.2).

Aan de Kabroeksebeek te Horst

53

Luchtkwaliteit: het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen (zie par. 5.2.3). Geur: Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen (zie par. 5.2.4). Milieuzonering: Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen (zie par. 5.2.5).

Risico van ongevallen

Het voorliggend plan maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk. Daarnaast zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied vanwege risicovolle inrichtingen en transportroutes in de omgeving.

Conclusie Vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. In de nieuwe woningen is daarnaast sprake van een goed woon- en leefklimaat. Plaats van het object Criteria

Toets

Bestaand grondgebruik

In de huidige situatie bestaat het plangebied hoofdzakelijk uit glastuinbouwkassen. In het zuiden van het plangebied is een houtopstand aanwezig. In de omgeving zijn voornamelijk woningen gelegen.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en

N.v.t.

het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder dacht voor:  Gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)  Gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkings-

Het plangebied is niet gelegen in een gevoelig gebied als bedoeld in artikel 1 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.

Er is geen sprake van gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden. N.v.t.

dichtheid Landschappen van historisch, cultu-

Het plangebied maakt geen deel uit van een landschap van

reel of archeologisch belang

historisch of cultureel belang (zie par. 5.6).

Conclusie Vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

54

Gevoelig gebied9 (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Beschermd natuurmonument

Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een beschermd natuurmonument.

Habitat en vogelrichtlijngebieden

Het plangebied is niet gelegen binnen een Habitat en Vogelrichtlijngebied (zie par. 5.5). Gezien de aard van de ontwikkeling en de ligging tegen de kern aan worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden in de omgeving. Door middel van een Aerius-berekening is aangetoond dat negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie op voorhand zijn uitgesloten.

Watergebied van internationale

Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een

betekenis

watergebied van internationale betekenis.

NNN

Het plangebied is niet gelegen in het NNN.

Landschappelijk waardevol gebied

Nee. Het gebied is niet als zodanig bestemd.

Waterwinlocaties, waterwingebieden

Het plangebied niet gelegen binnen dergelijke gebieden.

en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument

Er is geen sprake van een beschermd monument.

Belvédère-gebied

Er is geen sprake van een Belvédère gebied.

Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn.

Criteria

Toets

Bereik van het effect (geografische

Er zijn geen effecten te verwachten die uit te drukken zijn in

zone en grootte van de getroffen be-

geografische zone en/of grootte van de getroffen bevolking.

volking) Grensoverschrijdende karakter van

Er is sprake van een kleinschalig initiatief dat geen grens-

het effect

overschrijdend karakter heeft.

Waarschijnlijkheid van het effect

Geen effecten te verwachten.

Duur, frequentie en de omkeerbaar-

De effecten van de woningbouw en het openbare kindcen-

heid

trum zijn blijvend maar niet van dien aard dat sprake is van

van het effect

significant negatieve effecten op het milieu, die het opstellen van een MER noodzakelijk zouden maken.

9

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

55

Kenmerken van het potentiële effect Conclusie 1. De ontwikkeling van woningen komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; 2. De activiteiten vallen wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De in kolom 2 bij categorie D11.2 genoemde drempelwaarde wordt bij lange na niet overschreden; 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient voor dit plan wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 4. Uit de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

Waterparagraaf Beschrijving van waterrelevant beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie 2021, het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: 

Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);

Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht. Provinciaal Waterplan 2016 - 2021 Het provinciaal waterbeleid is nader geconcretiseerd in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 op grond van de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit plan maakt onderdeel uit van het tweede (inter)nationale Stroomgebiedbeheerplan Maas. In Nederland zijn vijf instanties betrokken bij het waterbeheer en de watervoorziening. Op grond van de Waterwet (2009) en het Bestuursakkoord Water (2011) is de verantwoordelijkheid als volgt verdeeld: 1. Het Rijk is verantwoordelijk voor beleid en wetgeving op nationaal niveau en voor het beheer van het hoofdwatersysteem: de zee en de grote rivieren, meren en kanalen. 2. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid en regelgeving voor de regionale grondenoppervlaktewatersystemen, en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare watervoorziening, de grotere industriële onttrekkingen en die voor energieopslagsystemen.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

56

3. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, de zuivering van afvalwater en de zorg voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid langs de Maas. De waterschappen concretiseren de provinciale beleidskaders uit het POL en het provinciaal waterplan in een waterbeheerplan dat het karakter krijgt van een uitvoeringsprogramma. 4. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor rioleringbeheer en hebben de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. 5. Het drinkwaterbedrijf is wettelijk verantwoordelijk voor de productie en distributie van drinkwater. Voldoende en schoon water is een economische factor van betekenis en onmisbaar voor mens en natuur. De burger stelt steeds hogere eisen aan de waterveiligheid, het gebruik en de beleving van water. Duurzaamheid en publieke participatie zijn daarom volgens het POL2014 belangrijke uitgangspunten. Waterschap Limburg Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg beschrijft de uitwerking van het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma. Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zin om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden.

Met dit waterbeheerprogramma geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. De taken van het waterschap, welke doelen zij per taak wil bereiken en welke maatregelen zij daarvoor inzet, is beschreven in het Waterbeheerprogramma. Daarbij is onderscheid gemaakt in de taken hoogwaterbescherming, klimaatadaptatie, waterkwaliteit en zuiveren. Keur waterschap Limburg Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het waterschap Limburg van toepassing. In de Keur worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q. bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang. Gemeentelijk beleid De gemeente Horst aan de Maas volgt zo veel mogelijk het beleid zoals dit is vastgelegd door het waterschap Limburg. Belangrijke aandachtspunten in het beleid zijn het scheiden van vuilen schoon-waterstromen, het vasthouden van gebiedseigen (regen)water, het doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer’ en het zichtbaar en aantrekkelijk maken van water in de gemeente. Voor dit plan zijn alle genoemde onderwerpen relevant. Hergebruik Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater).

De ervaringen met bestaande proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1.000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving op dit vlak maakt het hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. Onderhavig plan is dan ook niet geschikt om deze voorziening toe te passen.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

57

Infiltratie, buffering en afvoer Door de hoge grondwaterstanden het intensieve gebruik van het plangebied, kan het hemelwater maar deels worden opgevangen binnen het plangebied. Aansluitend aan het plangebied ligt een wadi die nog niet in gebruik is genomen en eigendom is van de gemeente Horst aan de Maas. Middels een infiltratiebuis wordt het overtollige afgevoerd naar deze wadi, waar het water dan kan infiltreren. De wadi heeft een inhoud van circa 1500-1800 m3. Hiermee wordt aan de minimale verwerkingseis voor hemelwater van 100mm per m2 in 24 uur voldaan. Kenmerken plangebied Door Aeres Milieu is een watertoets10 opgesteld. De watertoets is als separate bijlage bij onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Grondwater en bodemopbouw Het plangebied ligt op de overgang tussen de Venloslenk en de Peelhorst. Volgens de Geomorfologische Kaart van Nederland ligt het plangebied op een dalvormige laagte nabij het beekdal van de Kabroekse beek. Binnen het plangebied wordt naar verwachting een hoge zwarte enkeerdgrond aangetroffen bestaande uit lemig fijn zand (zEZ23). Het plangebied ligt binnen de boringsvrije zone van de Venloschol waarbij onderstaande activiteiten beneden 5 meter boven NAP verboden: 

een boorput te maken of te hebben;

de grond te roeren;

een gesloten bodemenergiesysteem te maken of te hebben;

werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten;

een aardwarmtesysteem te maken of te hebben.

Naar verwachting zal bij de ontwikkeling hier niet aan geraakt worden. Indien er niet aan voldaan wordt, dient een vergunning aangevraagd te worden bij de provincie. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig maar wel direct nabij het plangebied. Westelijk parallel aan de Almeweg is een droogvallende gracht aanwezig. Noordelijk vormt de Kabroekse Beek de noordelijke grens van het plangebied. Aanliggend oostelijk stroomt de watergang “Voor America” welke noordoostelijk nabij het plangebied uitmondt in de “Kabroekse Beek”. Beide primaire watergangen zijn voorzien van een profiel van vrije ruimte. Een deel van dit profiel ligt binnen het plangebied. Het beheer en onderhoud aan deze beken wordt door waterschap Limburg uitgevoerd. Bij werkzaamheden of aanpassingen binnen of nabij het oppervlaktewater dient afhankelijk van de werkzaamheden een watervergunning te worden aangevraagd.

10

Aeres Milieu, Waterparagraaf Almeweg te Horst, projectnr.: AM23103, d.d. 7 september 2023

Aan de Kabroeksebeek te Horst

58

In het noordoostelijke deel van het plangebied ligt een waterberging waarin hemelwater opgevangen wordt voor het hergebruik in de kassen. Naar verwachting is op deze voorziening een overloop naar het oppervlaktewater aanwezig. Hemelwater Momenteel is het plangebied bijna geheel verhard, voornamelijk door de tuinbouwkas met noordoostelijk een waterbassin en westelijk een woning met aansluitend een betonverhard buitenterrein. Hierdoor wordt hemelwater grotendeels niet op natuurlijke wijze verwerkt. Het hemelwater van de kassen wordt opgevangen en afgevoerd naar de aanwezige waterreservoir voor hergebruik. De buitenverharding en deze van de woning stroomt naar verwachting af naar het omliggend groen en de greppel en uiteindelijk naar het oppervlaktewater. Afvalwater Het afvalwater van de bestaande woning en het bedrijfspand (beperkte afvoer) is aangesloten op het westelijk aanwezige gemengd rioolstelsel. Bij nieuwbouw dient op eigen perceel een 100% gescheiden stelsel aangelegd te worden waarbij het afvalwater separaat op het gemeentelijk stelsel aangesloten wordt. Hemelwater dient waar mogelijk op eigen perceel verwerkt te worden. Infiltratieonderzoek Almeweg 14 Ter plaatse van de woning aan de Almeweg 14 heeft een infiltratieonderzoek plaatsgevonden. Het volledige rapport is toegevoegd in de bijlagen. Hierna wordt de conclusie van het onderzoek weergegeven.

De woning Almeweg 14 te Horst wordt als onderdeel van een groter plan (beëindigen glastuinbouwbedrijf en realisatie woontorens en school) gewijzigd van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Daar de woning reeds bestaand is en door de beëindiging van het glastuinbouwbedrijf de totale erfverharding op de locatie afneemt vindt er geen toename plaats in het totale verhard oppervlak op de locatie. Daar de locatie in het plan “aan de Kabroeksebeek” losgekoppeld wordt van de overige gronden is gekozen een individuele beoordeling op te stellen voor de hemelwaterafvoer op de locatie Almeweg 14. Uit de infiltratieberekening blijkt dat de hoeveelheid hemelwaterinfiltratie die benodigd is binnen de locatie gerealiseerd kan worden. Daar initiatiefnemer nog geen volledige duidelijkheid heeft over de nieuwe indeling van de locatie Almeweg 14 is op dit moment nog geen definitieve locatie bekend van de te realiseren wadi of infiltratiebox. Conclusie Bij de planontwikkeling zal het verhard oppervlak binnen het plangebied afnemen, waardoor de ontwikkeling hydrologisch gezien reeds positief is. Gezien het voormalige gebruik als tuinbouwkas met hergebruik dient het toekomstig verhard oppervlak bij de planontwikkeling conform het beleid van waterschap Limburg op eigen perceel gecompenseerd te worden. Hiervoor dient een voorziening aangelegd te worden welke een bui van 100 mm kan verwerken.

Op basis van het toekomstig verhard oppervlak bedraagt de benodigde waterverwerking binnen het plangebied ca. 838 m3.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

59

Uit het onderzoek ter plaatse van de Almeweg 14 is gebleken dat er voldoende ruimte is voor het realiseren van een infiltratievoorziening.

Kabels en leidingen In (of in de directe omgeving van) het plangebied komen geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij de beoogde woningbouwontwikkeling belemmeren.

Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in de POVI en de Omgevingsverordening Limburg 2014 en 2021.

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.

Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is

Aan de Kabroeksebeek te Horst

60

waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Toetsing Soortenbescherming Quickscan flora en fauna Door Econsultancy is een quickscan flora en fauna11 uitgevoerd. Hieronder zal een samenvatting worden weergegeven van het onderzoek.

Het volledige rapport is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

11

Econsultancy, ‘Quickscan Wet natuurbescherming Almeweg 14, projectnr.: 20196.003 , d.d. 30 maart 2023.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

61

Aan de Kabroeksebeek te Horst

62

Conclusie Voorafgaand aan de voorgenomen plannen zal een aanvullend ecologisch onderzoek benodigd zijn naar boombewonende en gebouwbewonende vleermuizen, huismus, kerkuil, steenuil, ringmus en Alpenwatersalamander. Ten aanzien van de steenmarter en eekhoorn wordt aanbevolen om de werkzaamheden in de vrijstellingsperiode uit te voeren. Wanneer dit niet mogelijk is dient contact opgenomen worden met een ecologisch deskundige en zal een ontheffing bij de provincie Limburg aangevraagd moeten worden. Indien (meander)werkzaamheden aan de Kabroeksebeek of bijbehorende elementen (duikers en bruggen) worden uitgevoerd, dient aanvullend onderzoek naar de grote gele kwikstaart uitgevoerd te worden en wordt geadviseerd om contact op te nemen met een ecologische deskundige met betrekking tot het voorkomen van beschermde vissen (grote modderkruiper), beschermde planten (drijvende waterweegbree) en vliegroutes voor vleermuizen. Indien het bosschage op de onderzoekslocatie toch wordt behouden en ter plaatse géén verstorende werkzaamheden gaan plaatsvinden (o.a. bomenkap, werkzaamheden op maaiveldniveau, verlichting, aanleg wandel-, of fietspad), is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk naar verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, mits bij de voorgenomen werkzaamheden alsook in de eindfase ook geen toename van nachtelijke verlichting optreedt naar de bomen in het bosschage.

Verder zal dan ook geen aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn naar essentieel leefgebied voor de ringmus, voortplantingsplaatsen van de huismus ter plaatse van het bos

Aan de Kabroeksebeek te Horst

63

en geschikt landhabitat voor de Alpenwatersalamander. De voortplantingsplaatsen van de Alpenwatersalamander dienen nog wel nader onderzocht te worden. Tot slot zal het werken in de vrijstellingsperiode ten aanzien van de eekhoorn en steenmarter ook niet aan de orde zijn. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of door voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck uit te voeren. Het wordt geadviseerd om materiaalopslag buiten het broedseizoen te verwijderen. Verder geldt te allen tijde de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden en verwonden van individuen te voorkomen. Met betrekking tot Natura 2000-gebieden wordt geadviseerd om middels een Aerius berekening de effecten van stikstofdepositie door de voorgenomen ingreep op Natura 2000-gebieden nader te onderzoeken. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden worden bij de voorgenomen werkzaamheden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen hertontwikkeling op de onderzoekslocatie. Wel geldt er mogelijk een gemeentelijke kapverordening. Aanvullend ecologisch onderzoek deel 1 Naar aanleiding van de quickscan flora en fauna is een vervolgonderzoek12 uitgevoerd.

De conclusies van het ecologisch onderzoek worden hierna samengevat. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Voorgenomen ingreep De initiatiefnemer is voornemens twee appartementencomplexen en een schoolgebouw met bijbehorende (parkeer)voorzieningen op de locatie te ontwikkelen. Hiervoor wordt de tuinderskas gesloopt. Mogelijk wordt ook het bosschage ten zuiden van de kas (deels) gekapt. Verder worden de oevers van de Kabroekse beek op een aantal plaatsen aangepast. Tot slot wordt de beek ten oosten van de tuinderskas gehermeanderd. In onderhavig onderzoek zijn alleen de beschermde soorten onderzocht die mogelijk negatieve effecten ervaren van het slopen van de tuinderskas met opslagloods en het dempen van het waterbassin. Onderzoek naar de effecten van werkzaamheden aan de beken en aan het bosschage op beschermde soorten zijn nog in uitvoering (bekend onder projectnr. 20196.012). Functie onderzoekslocatie voor beschermde soorten Er zijn geen vaste verblijfs- en/ of voortplantingsplaatsen en nestlocaties van gebouwbewonende vleermuizen, huismus, steenuil, kerkuil en Alpenwatersalamander binnen de onderzoekslocatie vastgesteld. Nestlocaties van huismussen in de nabije bebouwing zullen, gezien

12

Ecologie, ‘Rapport aanvullend ecologisch onderzoek Almeweg, Horst’, rapportnr.: 20196.010, d.d.16 oktober 2023.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

64

de onderlinge afstand en de aard van de werkzaamheden, geen hinder ondervinden van de geplande sloopwerkzaamheden op de onderzoekslocatie. Ook het nabijgelegen territorium van de steenuil (op 200 meter ten westen van de onderzoekslocatie, nabij de Kabroekse beek, gelegen tussen de openbare wegen Meterikseweg en Janssenweg) zal wegens de afstand tot de onderzoekslocatie geen hinder ondervinden van de voorgenomen werkzaamheden. Conclusies Econsultancy verwacht dat juridisch gezien er geen overtreding van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming aan de orde is en dat een ontheffing niet noodzakelijk is. Door de voorgenomen werkzaamheden (slopen tuinderskas met opslagloods en dempen waterbassin) zullen geen vaste rust- en/of verblijfplaatsen en nestlocaties van gebouwbewonende vleermuizen, huismus, steenuil, kerkuil en alpenwatersalamander worden verstoord dan wel vernietigd. Aanbevelingen Gedurende de werkzaamheden dient te allen tijde de algemene zorgplicht in acht te worden genomen. Eventueel ten tijde van de werkzaamheden op de onderzoekslocatie aanwezige dieren dienen de mogelijkheid te krijgen om weg te komen. Aanvullend ecologisch onderzoek deel 2 Naar aanleiding van de quickscan flora en fauna is nader onderzoek 13 uitgevoerd. De conclusies van het ecologisch onderzoek worden hierna samengevat. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.

Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en naar aanleiding van de resultaten van de quickscan Wet natuurbescherming die Econsultancy op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport quickscan Wet natuurbescherming Almeweg (ong.) te Horst, rapportnummer 20196.003, versie D3, d.d. 8 juni 2023). Uit de quickscan blijkt dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Omgevingswet er omtrent de aanwezigheid van boombewonende vleermuizen, vliegroute, ringmus, grote gele kwikstaart, drijvende waterweegbree en grote modderkruiper meer informatie is benodigd. Deze beschermde soorten kunnen door de voorgenomen werkzaamheden aan de beken en aan het bosschage mogelijk negatieve effecten ervaren. In een eerder uitgevoerd aanvullend ecologisch onderzoek, rapportnummer 20196.010, d.d. 16 oktober 2023, zijn beschermde soorten onderzocht die mogelijk negatieve effecten ervaren van het slopen van de tuinderskas met opslagloods en het dempen van het waterbassin. Destijds is geconcludeerd dat er geen vaste verblijfs- en/ of voortplantingsplaatsen en nestlocaties van gebouwbewonende vleermuizen, huismus, steenuil, kerkuil en Alpenwatersalamander binnen de onderzoekslocatie zijn vastgesteld.

Nestlocaties van huismussen in de nabije bebouwing zullen, gezien de onderlinge afstand en de aard van de werkzaamheden, geen hinder ondervinden van de geplande sloopwerkzaamheden op de onderzoekslocatie. Ook het nabijgelegen territorium

13

Econsultancy, ‘Rapport aanvullend ecologisch onderzoek Almeweg (ong.), Horst, projectnr.: 20196.012, d.d. 5 augustus 2024.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

65

van de steenuil (op 200 meter ten westen van de onderzoekslocatie, nabij de Kabroekse beek, gelegen tussen de openbare wegen Meterikseweg en Janssenweg) zal wegens de afstand tot de onderzoekslocatie geen hinder ondervinden van de voorgenomen werkzaamheden. Functie onderzoekslocatie voor beschermde soorten Er zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen aangetroffen van boombewonende vleermuizen op de onderzoekslocatie. Ook een vliegroute is niet vastgesteld ter plaatse van de waterlopen. Nestlocaties van ringmus, en grote gele kwikstaart en standplaatsen van de drijvende waterweegbree zijn eveneens niet waargenomen. Daarnaast zijn geen eDNA sporen aangetroffen van de grote modderkruiper. Vanwege de aanwezigheid van foeragerende vleermuizen dient tijdens de uitvoeringsfase als ook in de eindfase te allen tijde geen toename van verlichting op te treden tussen zonsondergang en zonsopgang op en nabij de waterlopen alsook ter plaatse van de bosschage. Verder dienen werkzaamheden ter plaatse van de bosschage uitgevoerd te worden in de vrijstellingsperiode van de steenmarter en eekhoorn. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of door voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck uit te voeren. Het wordt verder geadviseerd om materiaalopslag buiten het broedseizoen te verwijderen.

Verder geldt te allen tijde de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden en verwonden van individuen te voorkomen. Conclusies Econsultancy verwacht dat juridisch gezien er geen overtreding van de verbodsartikelen uit de Omgevingsweg aan de orde is en dat een ontheffing niet noodzakelijk is. Door de voorgenomen werkzaamheden worden geen vaste rust- en/of verblijfplaatsen en nestlocaties van boombewonende vleermuizen, vliegroutes, ringmus, grote gele kwikstaart, grote modderkruiper en drijvende waterweegbree verstoord dan wel vernietigd. Aanbevelingen Gedurende de werkzaamheden dient te allen tijde de algemene zorgplicht in acht te worden genomen. Eventueel ten tijde van de werkzaamheden op de onderzoekslocatie aanwezige dieren dienen de mogelijkheid te krijgen om weg te komen. Gebiedsbescherming Door M-tech is een stikstofdepositie onderzoek 14 uitgevoerd. Het rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting.

14

M-tech, ‘Depositieberekeningen voor een planologische procedure voor het bouwplan aan de Almweg te Horst’, rapportnr.: Alm.Hor.23.DO.WnB.01, d.d. 30 juni 2023, geactualiseerd 3 mei 2024.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

66

Aan de hand van de aangevraagde bedrijfssituatie is een rekenmodel opgesteld. Middels dit rekenmodel zijn de effecten van de stikstofdepositie van de aangevraagde activiteiten inzichtelijk gemaakt. Op basis van de AERIUS-berekeningen wordt geconcludeerd dat in de aanlegfase en gebruiksfase in geen enkel Natura 2000-gebied sprake is van meer dan 0,00 mol N/ha/jr stikstofdepositie als gevolg van beoogde werkzaamheden en gebruiksfase. Zodoende is er geen sprake van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie in de bouwfase en gebruiksfase. Conclusie Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1

Archeologie

Archeologisch bureau- en verkennend onderzoek Door Econsultancy is een archeologisch onderzoek 15 uitgevoerd voor het plangebied in de vorm van een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek. Het volledige rapport is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is.

Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge gespecificeerde archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Laat Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Resultaten inventariserend veldonderzoek Op basis van de sterk verstoorde bodemopbouw, waarbij in een deel van de boringen geen plaggendek bewaard is gebleven en bij alle boringen de oorspronkelijke top van de C-horizont is verstoord. Dit samen met de natte omstandigheden van het plangebied maakt de kans dat in het plangebied nog (onverstoorde) archeologische resten zijn klein. De aanwezigheid van gley-

15

Econsultancy, ‘Rapport archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Almeweg, Horst, gemeente Horst aan de Maas’, rapportnr.: 20196.009, d.d. 5 juli 2024.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

67

verschijnselen in de verstoorde afzettingen duiden erop dat het plangebied min of meer permanent periodiek hoge grondwaterstanden kent. Dit beeld is ook waargenomen bij eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied. Op basis van de natte omstandigheden in het plangebied en de aangetroffen verstoringen kan de gespecificeerde verwachtingswaarde van het plangebied worden bijgesteld naar laag voor alle perioden. Conclusie Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de natte omstandigheden in het plangebied kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Als het plangebied door de gemeente Horst aan de Maas wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Selectieadvies Het archeologisch rapport is ter beoordeling voorgelegd aan de gemeente Horst aan de Maas. In het selectiebesluit16 is aangegeven dat het advies van Econsultancy kan worden onderschreven en dat daarmee het plangebied kan worden vrijgegeven. 5.6.2

Cultuurhistorie

Binnen of direct buiten het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt het plangebied (deels) beschreven als ‘Gebied met sedert 1830 matig veranderd verkavelingspatroon’, ‘enkeergrond’ en ‘cultuurlandschap’. In de huidige situatie zijn de huidige historische waarden niet volledig meer aanwezig. Met onderhavige ontwikkeling worden deze landschappelijke waardevolle gebieden niet verder aangetast. Tot slot is de Almeweg beschreven als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Het verloop en profiel van deze weg wordt niet gewijzigd middels onderhavig initiatief. Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten op deze weg.

16

Vestigia, ‘beoordeling concept-rapport ‘archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Almeweg, Horst, gemeente Horst aan de Maas’ en AMZ-advies’, kenmerk: V22-37829/1285-408/CWK, d.d. 10 mei 2023.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

68

Verkeer en parkeren Het plangebied is gelegen binnen de categorie ‘rest bebouwde kom’. Daarnaast is de gemeente Horst aan de Maas een weinig stedelijke gemeente. Parkeren Er worden 46 appartementen gebouwd. In de Nota Parkeernormen van de gemeente Horst aan de Maas wordt geen onderscheid gemaakt in het prijssegment van de appartementen en of het huur of koopwoningen zijn. Voor alle apartementen op deze locatie geldt derhalve een parkeerbehoefte van 1,8 per appartement. Dit resulteert in een totaal van 83 parkeerplaatsen. Ten behoeve van de basisschool worden 18 lokalen gerealiseerd, waarbij een parkeernorm van 0,8 per lokaal van toepassing is. Dit levert een parkeerbehoefte op van 15 parkeerplaatsen. Voor zowel het kinderdagverblijf als de BSO wordt aansluiting gezocht bij de parkeernorm voor een kinderdagverblijf (crèche). Het kinderdagverblijf en de BSO hebben een gezamenlijk oppervlak van 571 m 2. De parkeerbehoefte van de kinderopvang en BSO komt daarmee op ( 5,71 x 1,4 = 7,9) 8 parkeerplaatsen. Totaal is er sprake van een parkeerbehoefte van 106 parkeerplaatsen. Bij de appartementen worden 18 parkeerplaatsen aangelegd onder het gebouw. Tevens kunnen wij stellen dat de parkeerplaatsen ten behoeve van de schoollokalen en BSO grotendeels buiten de uren vallen dat de bewoners van de appartementen de parkeerplaatsen gebruiken.

Er kan hier gesproken worden van dubbel gebruik van 23 parkeerplaatsen. Merendeel van de leerlingen woont binnen een straal van 750 meter van de school. Waardoor lopen en fietsen een prima alternatief is om je te verplaatsen naar de school. Er is extra aandacht voor de fiets, waarbij vanuit alle kanten een veilige fietsroute naar de school wordt gecreëerd. Hierdoor is het ook aantrekkelijker om met de fiets naar de school te komen en de auto te ontmoedigen. Daarnaast wordt er een kiss&ride strook aangelegd om scholieren af te zetten die gebracht worden met de auto. Voor het ophalen van de scholieren kan het dubbelgebruik van de parkeerplaatsen worden toegepast. Er zijn 17 parkeerplaatsen gerealiseerd op de Vijverlaan ten behoeve van de Weisterbeekschool. Deze eerder gerealiseerde plekken kunnen ook gebruikt worden voor deze nieuwe locatie. Hiervoor wordt ook een verbinding gemaakt naar de projectlocatie. In verband met de afstand, die meer dan 100 meter betreft, worden deze parkeerplaatsen niet meenomen in de parkeernorm.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

69

Het totaal te realiseren parkeerplaatsen kan derhalve met 23 parkeerplaatsen worden verminderd: Totaal aantal te realiseren

:

106 parkeerplaatsen

Aantal onder appartementen

:

18 parkeerplaatsen

Aantal dubbel te gebruiken

:

23 parkeerplaatsen

:

65 parkeerplaatsen te realiseren in openbare ruimte

------Totaal na vermindering

In het definitieve ontwerp buitenruimte zijn er 65 parkeerplaatsen ingetekend. Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte.

Figuur 5.3: definitief ontwerp buitenruimte met ligging parkeerplaatsen

Almeweg 14 De bedrijfswoning aan de Almeweg 14 wordt bestemd tot reguliere woning. De parkeerbehoefte wijzigt hierdoor niet en kan op eigen terrein worden voorzien.

Verkeer De woonontwikkeling van 46 nieuwe wooneenheden gaat gepaard met een verwachte verkeersgeneratie van 320 mvt per etmaal. De typen van de beoogde appartementen zijn verdeeld conform het gemeentelijk beleid. Dit resulteert in 15 sociale huur appartementen, 15 huur appartementen in de vrije huursector en 20 koopappartementen. De 15 sociale huur appartementen leveren een verkeersgeneratie op van (15 x 4,5 = 67,5) 68 mvt per etmaal. Voor

Aan de Kabroeksebeek te Horst

70

de 15 huur appartementen in de vrije sector geldt een verkeersgeneratie van (15 x 6,4 = 96) 96 mvt/etmaal. Tot slot leveren de 20 koopappartementen, uitgaande van het dure segment, een verkeersgeneratie op van (7,8 x 20 = 156) 156 mvt/etmaal. Voor het openbaar kindcentrum geldt dat dit een verkeersgeneratie van 326 mvt per etmaal met zich mee brengt. Voor de basisschool is uitgegaan van 18 klaslokalen. Aangezien er in de CROW publicatie geen verkeersnormen zijn opgenomen voor een basisschool, is er vanuit gegaan dat het aantal benodigde parkeerplaatsen 4 keer per dag wordt gebruikt voor het halen en brengen van de kinderen. Er geldt voor een basisschool een parkeerbehoefte van 13,6 parkeerplaatsen. De verkeersgeneratie komt daarmee op (13,6 x 4 x 2 = 108,8) 109 voertuigbewegingen per etmaal. Voor de kinderopvang en BSO is aangesluiting gezocht bij de verkeersnormen van een creche. Samen hebben deze functies een oppervlakte van 571 m2. Er geldt een verkeersnorm van 38 mvt/etmaal per 100 m 2 BVO. De kinderopvang en BSO leveren derhalve verkeersgeneratie op van (5,71 x 38 = 216,98) 217 mvt/etmaal. De wijkfunctie zal niet tijdens de reguliere schooltijden gebruikt worden. Derhalve is deze niet separaat meegenomen in de verkeersgeneratie. Worstcase worden er 645,7 motorvoertuigbewegingen (afgerond 646 motorvoertuig-bewegingen) per etmaal verwacht.

De ontsluiting vindt plaats via de Almeweg. Deze weg kan de extra verkeersintensiteiten zonder problemen afwikkelen via de Almeweg. Verkeersontsluiting De nieuwbouwlocatie van OKC Weisterbeek in De Afhang en de woningbouwontwikkeling van de twee appartementencomplexen is voorzien op een locatie waar nu een glastuinbouwbedrijf is gevestigd. Ten behoeve van de bereikbaarheid van beide functies (onderwijs en wonen) wordt een nieuwe aansluiting gerealiseerd op de Almeweg, tegenover de aansluiting van de Janssenweg. Deze nieuwe aansluiting vormt zowel de toegang als uitgang voor alle verkeer. Voor langzaam verkeer (fietsers en voetgangers) is eveneens nog een directe verbinding voorzien richting de Grad Roosenstraat / Westsingel, via de zuidoostzijde van het plangebied. Binnen het plangebied wordt ook de volledige parkeervraag gerealiseerd, waardoor de parkeerdruk in de omgeving niet toeneemt. De volledige woonwijk waarin de ontwikkeling is voorzien betreft een 30km/h zone. De route door de wijk is géén sluiproute en zal nagenoeg uitsluitend worden gebruikt door wijkbewoners of overig verkeer dat een herkomst of bestemming heeft in de wijk. Uit recente verkeerstellingen is gebleken dat het aantal voertuigen op beide wegvakken relatief laag is (< 1.000 voertuigen per etmaal).

Op dergelijke wegen (erftoegangswegen binnen de bebouwde kom) zijn intensiteiten tot circa 4.500 motorvoertuigen per etmaal normaliter probleemloos af te wikkelen.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

71

Figuur 5.4: Huidige verkeersintensiteiten, gemiddelde werkdag De belangrijkste aanrijroutes van en naar de ontwikkellocatie per auto vinden via de Almeweg en/of de Beekstraat plaats. Daarnaast zullen kinderen ook ten dele te voet of te fiets naar het openbaar kindcentrum gaan. Uit een analyse van de postcodes van de schoolgaande leerlingen blijkt immers dat een groot deel van de kinderen binnen een afstand van 750m van de nieuwe schoollocatie woont. Op basis hiervan mag worden aangenomen dat de route te voet of te fiets in veel gevallen een volwaardig alternatief is voor de auto.

Figuur 5.5: Analyse afstanden van adressen leerlingenbestand tot aan nieuwe schoollocatie

Aan de Kabroeksebeek te Horst

72

Op basis van ken- en ervaringscijfers is een inschatting gemaakt van de verwachte dagelijkse verkeersgeneratie (voertuigbewegingen) ten gevolge van het planvoornemen: -

Woningen, 46 stuks:

Ca. 250 voertuigbewegingen per etmaal.

-

Kinderdagverblijf:

Ca. 100 voertuigbewegingen per etmaal.

-

Basisschool:

Ca. 300 voertuigbewegingen per etmaal.

Met de verwachte maximale toename van verkeer (circa 650 voertuigbewegingen per etmaal) blijft de hoeveelheid verkeer op de Almeweg en Beekstraat nog ruimschoots binnen de waarden die acceptabel worden geacht voor de toegekende functie. Gezien de relatief korte afstand tussen het openbaar kindcentrum en de woonadressen van leerlingen wordt het gebruik van de fiets en te voet gestimuleerd, ook voor het brengen en halen van kinderen. De ouders zijn daarmee zelf mede verantwoordelijk voor een veilige omgeving van het openbaar kindcentrum. Het bestuur van het openbaar kindcentrum en de gemeente kunnen hierin actief ondersteunen met voorlichting en communicatie uitingen richting de ouders. Aanvullende ingrepen in de verkeersstructuur worden vooralsnog dan ook niet noodzakelijk geacht, ondanks dat ten tijde van het halen en brengen van schoolgaande jeugd drukte kan worden ervaren. Mocht na de ingebruikname van het planvoornemen blijken dat alsnog onacceptabele knelpunten ontstaan, dan kunnen verkeerskundige ingrepen worden doorgevoerd. De verwachting is echter dat dit niet noodzakelijk zal zijn. Ondanks dat uit onderzoek blijkt dat aanvullende ingrepen niet noodzakelijk worden verwacht, neemt de gemeente Horst aan de Maas wel enkele maatregelen ten behoeve van de veiligheid. De verkeersingrepen zitten met name in de nieuwe verbinding op de Almeweg.

Er komt een verkeersplateau, een eenrichting lus met drempels en een oversteekplaats. De Almeweg – Beekstraat naar het noorden wordt ingericht als een auto-te-gast-straat. Daarnaast komt er vanaf de Westsingel een losliggend fietspad langs de beek richting de school te liggen. De Almeweg krijgt vanaf de Janssenweg richting de Meterikseweg een losliggend voetpad. Daarnaast komt er een losliggend voetpad langs de weg het plangebied in. Indien na ingebruikname blijkt dat alsnog maatregelen nodig zijn omdat er sprake is van overmatige overlast, dan treft de gemeente hiervoor aanvullende verkeersmaatregelen. Almeweg 14 De bedrijfswoning aan de Almeweg 14 wordt bestemd tot reguliere woning. De verkeersaantrekkende werking wijzigt voor deze woning derhalve niet. Conclusie Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Duurzaamheid Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen.

Aan de Kabroeksebeek te Horst

73

Duurzaam bouwen bespaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om:  gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers;  een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; prettige en leefbare huizen, gebouwen, wijken en steden;  duurzaam slopen, om de materialen die vrijkomen bij de sloop opnieuw te kunnen gebruiken (hergebruik en recycling);  verantwoord watergebruik;  voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken. Bij de bouw van de woningen en het openbare kindcentrum die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, zullen in ieder geval de wettelijke duurzaamheidseisen worden toegepast.

Gezondheid 5.9.1

Endotoxinen

In de onderhavige situatie is sprake van de realisatie van 46 woningen in Horst. De beoogde realisatie heeft geen invloed op de endotoxine belasting en dit vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Daarbij is gekeken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s. In onderhavig geval kan worden gesteld dat er geen overschrijdingen plaatsvinden van de gestelde norm van Gezondheidsraad, doordat de dichtstbijzijnde varkens- of pluimveehouderij op meer dan 1 kilometer van het plangebied is gelegen. Zodoende kan ook geconcludeerd worden dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.9.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14433585/5