06c.1 Toelichting
Tekst van het document
Hiervoor moet worden aangesloten bij de stedenbouwkundige ruimtelijke aspecten zoals die zijn beschreven in paragraaf 4.2. Afweging In het kader van de concrete bouwplannen voor de beoogde woningen en het openbaar kindcentrum binnen het plangebied zal een welstandstoets plaatsvinden.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
26
3.4.5
Nota Parkeernormen Horst aan de Maas
Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. Op 31 januari 2020 is het ontwerpbestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren Horst aan de Maas’ ter inzage gelegd, waarin de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas is opgenomen als Bijlage 1. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers (CROW publicatie 317 Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). In afwijking van de CROW-publicatie is in de Nota Parkeernormen voor alle type appartementen en woonhuizen, ongeacht de prijsklasse en eigendomssituatie, één parkeernorm opgenomen. Vanwege de landelijke ‘setting’ van de gemeente Horst aan de Maas heeft het type woning en prijsklasse van de woning nauwelijks invloed op het autobezit. Vandaar dat gekozen is voor één categorie ‘wonen’. Basis blijft dat ontwikkelingen moeten voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein. Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan worden in totaliteit maximaal 46 woningen en een kindcentrum mogelijk gemaakt. De totale gemeente Horst aan de Maas kan getypeerd worden als ‘weinig stedelijk’. Binnen de Nota Parkeernormen is zodoende uitgegaan van één stedelijkheidsgraad (weinig stedelijk gebied) voor de totale gemeente.
Onderhavig plangebied is gezien de ligging te typeren als ‘Rest bebouwde kom’. Voor een nadere afweging ten aanzien van verkeer en parkeren wordt verwezen naar paragraaf 5.7 van dit bestemmingsplan. 3.4.6
Gemeentelijk groenbeleid
Beleidsplan Openbaar Groen 2020 Het BOG 2020 geeft op hoofdlijnen aan op welke wijze de gemeente Horst aan de Maas met het openbaar groen binnen de bebouwde kommen wenst om te gaan. Het gaat hierbij zowel om het in stand houden van groen (groenonderhoud) als ook het renoveren van groen en nieuwe aanleg van groenvoorzieningen. Het beleidsplan geeft een algemeen beeld van de waarde die groen heeft voor de gemeenschap en wat de eisen zijn om de juiste kwaliteit groen dat voldoet aan de gewenste functie te garanderen. De belangrijkste uitgangspunten binnen het vastgestelde Beleidsplan Openbaar Groen 2020 zijn klimaatadaptatie, biodiversiteitsherstel en belevingswaarde, kwantiteit en maatschappelijke baten van groen, duurzaamheid en milieuvriendelijk groenbeheer. Voor Horst gelden de volgende uitgangspunten:
Samenhangende hoofdgroenstructuur: Meer binding tussen het landelijk gebied, de verschillende wijken en het centrumgebied.
Herkenbare bomenstructuur binnen de kern en aanvullen ontbrekende delen.
Behouden en ontwikkelen groene parels.
Verhogen van de hoeveelheid verblijfsgroen in de huidige wijken aan de westzijde van de kern.
Kabroeksebeek (noord) en Voor America (oost) als duidelijk herkenbare drager van de hoofdgroenstructuur: meer gebruik maken van de recreatieve en ecologische functie van de beek.
Verbetering van de toegankelijkheid en het gebruik het openbaar groen.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
27
Ondersteunende groenstructuur: versterken groen in de buurten.
Groenstructuurvisie 2020 Om richting en focus aan te brengen in de invulling van het openbaar groen op basis van de randvoorwaarden die in het Beleidsplan Openbaar Groen 2020 zijn gesteld, is de Groenstructuurvisie 2020 opgesteld. Een van de belangrijkste doelen is om de integrale samenhang van te behouden de te ontwikkelen groenblauwe structuren in beeld te brengen en af te stemmen op andere opgaves. De groenvoorziening in het openbare gebied in de Gemeente Horst aan de Maas wordt ingedeeld in vier categorieën, te weten hoofdgroenstructuur, groene parels, ondersteunende groenstructuur en nevenstructuur. Een van de richtinggevende voorwaarden is de kwantiteitsnorm en de invloeden die deze norm bepalen. Voor de gemeente Horst aan de Maas is uitgegaan van een norm van 35 m2 per inwoner of 73,5 m2 openbaar groen per woning. Gebleken is dat in de kleinere kernen deze norm niet gehaald wordt. Echter door het feit dat het landschap hier nog goed bereikbaar is en de privétuinen nog een redelijk oppervlakte omvatten kan de norm voor de kleinere kerkdorpen ook lager zijn. Daarom wordt hier uitgegaan 52,5 m2 per woning voor de nieuwe uitbreidingen. In de Groenstructuurvisie kan gekeken worden waar de hiaten in de groenstructuur zitten en worden voorstellen gedaan om deze aan te vullen. Verder kan er voor de toekomst een gewenste groenstructuur worden opgezet.
Afweging In Horst wordt een kwantitatieve norm gehanteerd van minimaal 73,5 m2 aanwezig openbaar groen per woning binnen de bebouwde kom. Het openbaar groen is minimaal 6.000 m2, waardoor er ruim aan de kwantitatieve groennorm wordt voldaan. Kwalitatief is er zorgvuldig over het plan nagedacht, omdat het groen een kernkwaliteit van het plan moet zijn. Door de aanwezige omgevingskwaliteit van de beek is het mogelijk om de groenblauwe structuur te versterken en uit te breiden ten behoeve van de waterbergings- en afvoersituatie en tegelijkertijd de beleefbaarheid van de groenblauwe ruimte in het plangebied een impuls te geven. Tenslotte draagt een kwalitatieve invulling van het groen bij aan de biodiversiteit. Het vergroten van de groenblauwe ruimte voor water en ontmoeting is een belangrijk uitgangspunt in het stedenbouwkundig ontwerp van het plan. 3.4.7
Integraal huisvestingsplan Onderwijs Horst aan de Maas 2020-2035
Dit IHP 2020-2035 geeft invulling aan de wettelijke zorgplicht van de gemeente ten aanzien van adequate huisvesting voor onderwijs. Belangrijker nog, het beschrijft de gezamenlijke en éénduidige visie van gemeente en schoolbesturen op de gewenste toekomstsituatie ten aanzien van huisvesting. Het IHP 2020 – 2035 geeft een meerjarige invulling over hoe te anticiperen op demografische ontwikkelingen, onderwijsontwikkelingen, de (kwaliteit van de) huisvestingsstructuur in gemeente Horst aan de Maas en de verbondenheid met partners. Daarbij vindt ook de financiële vertaling plaats naar een meerjarig perspectief. Ook geeft het oplossingen voor soms heel praktische problemen, zoals een tekort aan lokalen of juist een overschot daaraan.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
28
Het integraal huisvestingsplan onderwijs bestaat uit een tweetal onderdelen: een beleidsinhoudelijk deel waar de uitgangspunten voor de onderwijshuisvesting voor de langere termijn worden bepaald. Daaraan gekoppeld is een uitvoeringsprogramma (deel 2). In het uitvoeringsprogramma zijn een aantal knelpunten opgenomen die we op korte termijn gaan oppakken (20202023). Gemeente en Dynamiek spraken af in de periode 2020-2024 te komen tot nieuwbouw van het Openbaar Kindcentrum de Weisterbeek. In eerste instantie was dit op de huidige locatie voorzien. Echter, onder andere ruimtegebrek en hoge kosten heeft de gemeente samen met het schoolbestuur doen besluiten een andere locatie te kiezen. Deze ligt, net als de huidige locatie, eveneens midden in het voedingsgebied van het openbaar kindercentrum en was snel beschikbaar. Situatieschets Voor basisschool de Weisterbeek is sprake van een verwachte structurele groei van het aantal leerlingen. In de huidige situatie is het hoofdgebouw te klein om alle leerlingen te huisvesten. Daarnaast is er op het vlak van kwaliteit en duurzaamheid nog winst te behalen. Door het naastgelegen voormalige ING kantoor tijdelijk te gebruiken als dependance, is er voor alle leerlingen plaats. Desondanks is er momenteel sprake van een leerlingenstop vanwege ruimtegebrek. De verwachte structurele groei is hier niet op te vangen.
Het schoolbestuur ziet liever een permanente oplossing waarbij alle leerlingen in één gebouw passen. Vanuit het accommodatiebeleid wordt gevraagd om toekomstbestendige keuzes, op centrale plaatsen waarbij accommodaties functies volgen. En waarbij duurzaamheid, kwaliteit en maatwerk belangrijke kernwaarden zijn. Verkenning mogelijkheden In eerste aanzet zijn de volgende opties verkend:
Huidige Weisterbeek uitbreiden;
Nieuwbouw op huidige locatie of elders;
Verhuizen naar het Junior College.
Afweging Het beoogde plan omvat de realisatie van verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen, openbaar groen, een openbaar kindcentrum en 46 woningen. Hiermee sluit het aan bij de mogelijkheid om nieuwbouw te creëren voor de Weisterbeek en de voorziene groei van het aantal leerlingen voor de Weisterbeek.
Conclusie De gewenste woningbouwontwikkeling, de realisatie van het openbare kindcentrum binnen het plangebied en het omzetten van de bedrijfswoning aan de Almeweg 14 naar een reguliere woning past, met uitzondering van de kaders van het vigerende bestemmingsplan, passen binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie, de regio als de gemeente Horst aan de Maas zelf.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
29
4
Planbeschrijving Uitgangspunten en doelstellingen van het plan
Het initiatief ziet op de realisatie van maximaal 46 woningen. De woningen zijn voorzien in twee appartementencomplexen bestaande uit een mix van 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koopwoningen. Een appartementencomplex wordt maximaal 14 meter hoog en de andere maximaal 17 meter. Daarnaast wordt de realisatie van een openbaar kindcentrum met wijkfunctie en kinderopvang (dagopvang en buitenschoolse opvang) gerealiseerd (tweelaags gebouw, 18 lokalen en installaties op het dak met buitenruimte). De hoogte van het kindercentrum bedraagt 8 meter, inclusief techniek wordt dit 12 meter. De appartementencomplexen hebben een maximum toegestane bouwhoogte van 20 meter en 26 meter. Deze marge t.o.v. het respectievelijk 14 en 17 meter hoge appartementencomplex is opgenomen om eventueel waar nodig installaties op het dak te kunnen realiseren. Tussen de appartementencomplexen en het openbare kindcentrum wordt een parkeerterrein aangelegd. Het plangebied zal wat betreft het autoverkeer enkel worden ontsloten via de Almeweg. Verder wordt er een fiets- en wandelpad aangelegd langs de Voor America. Voor het overige wordt het plangebied groen ingericht. Daarnaast worden de kwaliteiten van de beek versterkt. Almeweg 14 De bedrijfswoning ter plaatse van de Almeweg 14 wordt omgezet naar een reguliere woning, aangezien de bedrijfsruimte (het kassencomplex) verdwijnt.
Verder wijzigt er niets aan de feitelijke situatie.
Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 46 woningen en een openbaar kindcentrum mogelijk. Vanuit functioneel opzicht is woningbouw passend op deze locatie, gezien de ligging binnen ontwikkellocatie De Afhang. Middels onderhavig plan wordt kwalitatief hoogwaardige bebouwing ter plaatse van het plangebied gerealiseerd. Dit heeft een positieve invloed op het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Ook door het amoveren van de glastuinbouwlocatie midden in het woongebied vindt er een kwaliteitsverbetering plaats van de omgeving. De nieuwbouw is van hoge kwaliteit en zorgt ervoor dat de indeling van het plangebied een samenhangend stedenbouwkundig geheel vormt en goed is ingepast in zijn omgeving. Hierbij is rekening gehouden met de omliggende functies en de functies van de aangrenzende gronden. De belangrijke functies in de omgeving is met name de omliggende woningbouw. Aan de Kabroeksebeek vormt de afronding van De Afhang. Daarnaast is de beleving van het water een primaire kwaliteit in het plangebied. Het water moet dan ook ten alle tijden een prominente rol spelen in het ontwerp. De waterrand moet (grotendeels) publiek toegankelijk worden gemaakt. Regenwater wordt door middel van het cascade-effect verwerkt in het plangebied.
Woningen kunnen wel uitzicht hebben op het water, maar er kunnen geen privétuinen tot de waterrand worden ingetekend. De overgang van privé ruimtes naar de openbare ruimte dient op een natuurlijke en groene manier vorm te krijgen. Groen speelt een belangrijke rol in de beleving van
Aan de Kabroeksebeek te Horst
30
de wijk. Het groen is samen met de beek de drager van de ruimtelijke kwaliteit, klimaatadaptatie en bevorderen van flora en fauna in het gebied. Op deze manier is de omgevingskwaliteit water niet alleen functioneel, maar ook beleefbaar. Deze primaire gebiedskwaliteit van de beek door het gebied moet daarnaast aansluiten op de inrichting en ordening van de openbare ruimte. De openbare ruimte is bepalend voor het gebruik en functioneren van de nieuwe wijk. Deze dient dan ook op een natuurlijke wijze in elkaar over te gaan met een herkenbare centrale ontmoetingsplek aan de rand van het plangebied. In deze centrale plek komt groen en water bij elkaar. Het optimaliseren van de ruimte om daar prettig in te verblijven en het gebruik van de auto te minimaliseren. Hiervoor zijn goede wandel en fietsverbindingen met de omgeving (naar het centrum, langs het water en naar het buitengebied) cruciaal. Waar de auto veel ruimte kreeg op De Afhang, krijgen in het plangebied Aan de Kabroeksebeek de fietser en voetganger voorrang in het ontwerp waarin deelmobiliteit ook van groot belang is. Parkeervoorzieningen liggen niet in het zicht en niet aan het water.
Gezien Aan de Kabroeksebeek de afronding is van de Afhang, maar ook zijn eigen karakter heeft, door het uitzicht op de beek en de historie als agrarisch kassenlandschap, opent zich een mogelijkheid om met moderne architectuurprincipes en stijlkenmerken een duidelijke samenhang te ontwikkelen. Hierin is een referentie naar de inrichting van het gebied als kas goed voorstelbaar. De kassen moeten als inspiratiebron dienen en bieden een kans om een verwijzing naar het verleden te vereeuwigen. De beekzone zorgt voor een natuurlijke en organische vorm waar de inrichting van de straten en bebouwing naadloos op aangrijpen. Het betreft hier een afzonderlijk gebied dat een eigen identiteit verdient. De schaal aan de beek kan van een grotere orde zijn (hoger en massaler) zolang de beek zichtbaar en bereikbaar blijft. Grotere woonblokken zijn alzijdig georiënteerd en ontworpen. Concluderend kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt passend in de omgeving is. De realisatie van het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten tot gevolg op de omgeving.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
31
5
Sectorale aspecten Inleiding
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten die aan de orde zijn bij het voorliggend initiatief. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan bod: milieu (geluid, bodem, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid en geur), waterhuishouding, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren, kabels en leidingen, duurzaamheid en ecologie.
Milieuaspecten Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. 5.2.1
Bodem
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de wijziging van de bestemming. Aangezien onderhavige ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, wat gevoelige functies betreffen dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. Verkennend bodemonderzoek Door Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek 3 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hierna worden de conclusies van het onderzoek weergegeven. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, heterogeen niet lijnvormig" (VED-HE-NL). De bodem bestaat voornamelijk uit matig tot sterk siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond (tot maximaal 2,0 m -mv) is bovendien (plaatselijk) zwak humeus, zwak kolengruishoudend en/of zwak baksteen-houdend. De ondergrond is plaatselijk matig gleyhoudend, matig kooldeeltjeshoudend en zwak baksteenhoudend. Verder bestaat de bodem bij boring 45 uit sterk zandig klei en is bovendien matig gleyhoudend. De bovengrond is (plaatselijk) licht verontreinigd met cadmium, koper, lood, zink, alfa-Endosulfan, drins, DDD, DDE, DDT en OCB.
3
Econsultancy, ‘Rapportage verkennend bodemonderzoek Almeweg, Horst’, rapportnr.: 20196.001, d.d. 3 april 2023.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
32
De ondergrond is plaatselijk sterk verontreinigd met lood en zink, en verder (plaatselijk) licht verontreinigd met kobalt, koper, nikkel, drins en/of PAK. Het grondwater is plaatselijk matig tot sterk verontreinigd met nikkel. Mogelijk wordt de sterke tot matige nikkelverontreiniging in de ondergrond veroorzaakt door een natuurlijke bron. In de pleistocene rivierafzettingen komt plaatselijk van nature pyriet voor. Bij oxidatie van pyriet (bijvoorbeeld ten gevolge van verzuring) kan nikkel als een van de sporenelementen vrijkomen. Dit natuurlijke proces is waarschijnlijk de oorzaak voor de aangetroffen lichte nikkelverontreiniging. Daarnaast is het grondwater plaatselijk licht verontreinigd met barium, cadmium en/of kobalt. Conclusie en advies De voorafgestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Gelet op de aangetoonde sterke verontreiniging met lood en zink, bestaat er reden voor een nader onderzoek. Econsultancy adviseert om op termijn een nader onderzoek te laten instellen naar de aard en de omvang van de geconstateerde verontreiniging met lood en zink, ter plaatse van boring 21.
Asbest Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Econsultancy acht een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 dan ook niet noodzakelijk. Nader bodemonderzoek Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is door Econsultancy is een nader bodemonderzoek4 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hierna worden de conclusies van het onderzoek weergegeven. Bodemopbouw De bovengrond bestaat voornamelijk uit zwak humeus, matig siltig, matig fijn zand. De ondergrond bestaat uit matig tot sterk siltig, matig tot uiterst fijn zand. In de ondergrond komen plaatselijk sterk zandige kleilagen voor met een maximale dikte van 0,7 meter. De ondergrond is plaatselijk zwak tot sterk gleyhoudend. In het opgeboorde materiaal van boring 1001 zijn in verschillende gradaties baksteen, glas en metaal aangetroffen. Verder zijn er in de overige boringen geen zintuiglijke verontreinigingen waargenomen. Analyseresultaten Uit de analyseresultaten is gebleken dat in de omliggende boringen geen verontreinigingen zijn aangetoond met lood en zink.
In de kern is over een traject van 1,50 - 1,80 m -mv een lichte verontreiniging met minerale olie aangetoond.
4
Econsultancy, ‘Rapport nader bodemonderzoek Almeweg, Horst, rapportnr.: 20196.011, d.d. 26 mei 2023.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
33
Verontreinigingssituatie Op basis van de huidige analyseresultaten in combinatie met de onderzoeksresultaten van het eerder uitgevoerd verkennend bodemonderzoek (rapport 20196.001; d.d. 3 april 2023), wordt de sterke verontreiniging met lood en zink in de grond zowel in horizontaal vlak als in verticaal vlak als voldoende afgeperkt beschouwd. Op basis van deze analyseresultaten wordt gesteld dat op de onderzoekslocatie één sterke verontreinigingsspot lood en zink aanwezig is. De sterke lood en zinkverontreiniging in de grond bevindt zich in (en beperkt rondom) de kern van boring 1001, over een traject van 1,8-2,0 m. De maximale oppervlakte van de sterke lood en zinkverontreiniging op de onderzoekslocatie bedraagt circa 25 m2. De omvang van de totale omvang wordt geraamd op ± 5 m³. De verontreiniging is naar verwachting ontstaan voor januari 1987, waardoor er géén sprake is van zorgplicht (artikel 13 Wet Bodembescherming). Uitgaande van de mate en het volume van de geconstateerde grondverontreiniging op de onderzoekslocatie (minder dan 25 m³ sterk verontreinigde grond) wordt gesteld dat het hier in het kader van de Wet Bodembescherming géén geval van ernstige bodemverontreiniging betreft.
Conclusie en advies Econsultancy adviseert de aangetroffen sterk met lood en zink verontreinigde grond, op termijn/ten tijde van de nieuwbouw, onder milieukundige begeleiding te ontgraven en af te voeren naar een erkend verwerker. Voorafgaand aan de sanering dient er een Plan van Aanpak te worden opgesteld. Verkennend bodemonderzoek Almeweg 14 Door Econsultancy is een verkennend bomenonderzoek5 uitgevoerd ter plaatse van de woning aan de Almeweg 14. In deze paragraaf wordt de samenvatting van het onderzoek weergegeven. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). De bodem bestaat voornamelijk uit sterk siltig, matig fijn zand. Bovendien is vrijwel de gehele bovengrond zwak humeus. Ook de ondergrond tot 1,0 m -mv is grotendeels zwak humeus en de diepere ondergrond tot maximaal 1,5 m -mv is zeer plaatselijk zwak humeus. Verder is de bodem plaatselijk tevens zwak tot matig grindig. In de ondergrond komen bovendien in veel bodemlagen in zwakke tot sterke mate gleyverschijnselen voor.
Tussen de klinkerverharding enerzijds en de bodem anderzijds bevindt zich een 5 cm dunne, licht crème-beige gekleurde laag vulzand bestaande uit zwak grindig, zwak siltig, matig grof
5
Econsultancy, ‘
Aan de Kabroeksebeek te Horst
34
zand. Direct onder de asfaltverharding bevindt zich eveneens plaatselijk een laag vulzand. Deze laag vulzand bestaat uit sterk grindig, zwak tot matig siltig, zeer grof zand. Plaatselijk is deze laag vulzand gemengd met zintuiglijk bodemvreemd materiaal. Tijdens de veldwerkzaamheden is ter plaatse van de asfaltverharding plaatselijk een volledige baksteenlaag aangetroffen. Deze volledige baksteenlaag is zwak tot matig grind- en zandhoudend. Tussen de asfaltverharding enerzijds en de volledige baksteenlaag anderzijds bevindt zich plaatselijk de bovengenoemde laag vulzand bestaande uit sterk grindig, zwak tot matig siltig, zeer grof zand. De bodem tot maximaal 1,0 m -mv is plaatselijk zwak tot sterk baksteenhoudend en/of zwak tot matig kolengruishoudend. Bovendien is de bodem van boring 8 over het traject 0,11-0,4 m -mv sterk betonhoudend. Verder is de bovengrond zeer plaatselijk zwak glashoudend. De aanwezige, zintuiglijk waargenomen bodemvreemde bijmengingen zijn door de monsternemer (gecertificeerd voor protocol 2018) eenduidig beoordeeld als baksteen, kolengruis, beton en glas en niet als ongedefinieerd, gemengd puin van bouw- en sloopafval of betonpuin van funderingen.
Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem en de aangetroffen volledige baksteenlaag, geen ongedefinieerde, gemengde puin(resten) van bouw- en sloopafval, betonpuin van funderingen of andere asbestverdachte (plaat)-materialen aangetroffen. De zintuiglijk verontreinigde, verdachte bodemlaag is licht verontreinigd met cadmium en zink en plaatselijk licht verontreinigd met kobalt, koper, lood en/of PAK. De zintuiglijk schone ondergrond is licht verontreinigd met PAK. De te verwachte bodemkwaliteitsklasse voor de grond tot 1,0 m -mv betreft "Industrie". De overige ondergrond kan als "Altijd Toepasbaar" beschouwd worden. In het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Conclusie en advies De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd, wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er echter géén reden voor een nader onderzoek. Asbest Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging in de bodem op de onderzoekslocatie te verwachten. Econsultancy acht een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
35
5.2.2
Geluid
De Wet geluidhinder, als ook een goede ruimtelijke ordening, bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Tevens dient daarbij onderzoek te worden gedaan naar de doeltreffendheid van verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat eventueel optredende geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de wettelijke waarden te boven gaat. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten immers de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het weg-, railverkeer- en industrielawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder). Onderzoek Door M-tech is een akoestisch onderzoek wegverkeer- en industrielawaai6 uitgevoerd. Het bijbehorend rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt ingegaan op een samenvatting van het onderzoek. Wet geluidhinder Wegverkeerslawaai Toetsing van de berekende geluidbelastingen aan de voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde dient per geluidbron (weg) afzonderlijk te geschieden op de gevels van de geluidgevoelige bestemming.
De voorkeursgrenswaarde bedraagt bij nieuwe bestemmingen met een woon- of onderwijsfunctie 48 dB. Verder is bij aanwezige wegen en nog niet geprojecteerde geluidgevoelige functie onder bepaalde voorwaarden een ontheffing tot maximaal 63 (weg binnen de bebouwde kom) mogelijk bij een nieuwe ontwikkeling. Uit de resultaten blijkt dat de hoogste geluidsbelasting op de gevels 38 dB bedraagt, ten gevolge van de Weltersweide. De geluidsbelastingen zijn inclusief de wettelijke correctie conform artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt nergens overschreden. Dit betekent dat ook de maximale ontheffingswaarde van 63 dB nergens wordt overschreden. Dit betekent dat de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen geluidonbelast zijn ten gevolge van wegverkeerslawaai. Ruimtelijke ordening Wegverkeerslawaai De gecumuleerde geluidbelasting inclusief alle omliggende 30-km wegen exclusief aftrek (art. 110g Wgh) is maximaal 47 dB ter plaatse van de zuidelijke gevel van het schoolgebouw/kinderopvang. En maximaal 45 dB ter plaatse van meest westelijke gevel van het meest westelijke appartementengebouw (2e t/m 4e verdieping).
6
M-tech, ‘Akoestisch onderzoek wegverkeer en industrielawaai’, rapportnr.: Alm.hor.23.AO BP-02, d.d. 7 februari 2024.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
36
Industrielawaai (De Riet Entertainment) Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Het hoogste gemiddelde geluidsniveau (langtijdgemiddelde beoordelingsniveau) op omliggende woningen bedraagt 50 dB(A) etmaalwaarde (45 dB(A) in de avondperiode) ter plaatse van de meest oostelijke gevel van het meest oostelijke appartementengebouw (3e/ 4e verdieping). Er wordt dus ten aanzien van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau overal voldaan aan de gestelde streefwaarden, volgens stap 2 (VNG-brochure). Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Maximale geluidniveau De hoogste piekgeluiden (maximale geluidniveau) op woningen bedragen 56, 45 en 45 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode ter plaatse van de maatgevende appartementen. De hoogste piekgeluiden (maximale geluidniveau) op het schoolgebouw/ kinderopvang bedragen 51, 34 en 34 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode ter plaatse van de maatgevende gevels. Er wordt dus ook voldaan aan de gestelde streefwaarden ten aanzien van de piekgeluiden (LAmax) volgens stap 2 (VNG-brochure). Gecumuleerde geluidbelastingen De methode Miedema is een hulpmiddel om een geobjectiveerd oordeel te geven over de kwaliteit van het woon- en leefklimaat, althans voor het aspect geluidhinder. De kwalitatieve beoordeling gebeurt door de indeling in categorieën, van uitstekend tot zeer slecht.
Een gecumuleerd geluidniveau van 45-50 dB heeft het label ‘goed’ en 51-55 dB heeft het label ‘redelijk’. Een geluidniveau van 56-60 dB kwalificeert als ‘matig’ en 61-65 dB als ‘tamelijk slecht’. Het maximaal optredend gecumuleerd geluidniveau (alle omliggende wegen en De Riet entertainment), omgerekend naar wegverkeerslawaai-dosis, bedraagt: LCUM = 52 dB. Dit is ter plaatse van de meest oostelijke gevel van het meest oostelijke appartementengebouw (3e/ 4e verdieping). Op die locatie is sprake van een ‘redelijk’ woon- en leefklimaat en op alle overige locaties is sprake van een ‘goed’ woon- leefklimaat. Uitgaande van de minimale gevelweringseis (GA;k) in het Bouwbesluit van >20 dB, wordt voldaan aan het maximale binnenniveau van 33 dB. Er kan worden voldaan aan de voorwaarden in zowel de Wet/Besluit geluidhinder. Hierdoor kan worden gesteld dat uit oogpunt van de ruimtelijke ordening het akoestisch woon- en leefklimaat ten gevolge van het gecumuleerde wegverkeer- en industrielawaai, zowel binnen als buiten de woningen als redelijk tot goed betiteld kan worden. Verkeersaantrekkende werking Gezien de situering van het plan waar de woningen / school beoogd zijn, zijn de geluidbelastingen ten gevolge van het verkeer op de openbare weg van en naar De Riet indoor entertainment
Aan de Kabroeksebeek te Horst
37
(verkeersaantrekkende werking), niet relevant. De route, welke de auto’s rijden van en naar De Riet entertainment ligt op relatief grote afstand van het nieuwe plan. De indirecte hinder is daarom niet relevant. Omgekeerde werking Bij de beoordeling van de belangen van de bestaande bedrijven zijn de akoestische ‘milieurechten’ van het bedrijf in het milieukader (milieuvergunning) leidend. De akoestische milieurechten van het bestaande bedrijf zijn op basis van o.a. het Activiteitenbesluit. Met het in acht nemen van voldoende afstand van de geplande nieuwbouw tot het bedrijf aan de Weltersweide 22 (De Riet entertainment), wordt de bouw van het nieuwbouwplan mogelijk geacht. Daarbij wordt De Riet entertainment niet beperkt in hun feitelijke maximale gebruik en kan een acceptabel woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen, school en kinderopvang gegarandeerd worden. Industrielawaai openbaar kindcentrum Daarnaast is door Econsultancy een akoestisch onderzoek industrielawaai7 uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen realisatie van de openbaar kindcentrum. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlage. Hierna wordt een samenvatting van de conclusie weergegeven. Op de beoogde locatie is de realisatie van een integraal kindcentrum onder voorwaarden ruimtelijk inpasbaar te noemen vanuit akoestisch oogpunt.
Bij toepassing van de voorgenomen indeling of een alternatieve gebouwvorm is het niet redelijkerwijs mogelijk om bronmaatregelen te treffen zodat aan de (strengere) richtwaarde uit stap 2 kan worden voldaan. Om alsnog te kunnen voldoen aan deze richtwaarde, zal een relatief groot scherm moeten worden geplaatst aan de rand van het buitenterrein. De geluidsbelasting als gevolg van de representatieve bedrijfssituatie overschrijdt de richtwaarde uit stap 2 voor woningen in het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. Aan de richtwaarde uit stap 3 wordt wel voldaan. Deze richtwaarde komt qua ordegrootte overeen met de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit, die van toepassing zijn op de functionele inrichting in het kader van vergunningverlening. Bij toetsing aan het Activiteitenbesluit blijft echter stemgeluid als gevolg van kinderen op schoolpleinen vanaf 1 uur voor opening tot 1 uur na sluiting buiten beschouwing. Daardoor zal het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten behoeve van die toets lager zijn en wordt voldaan aan de grenswaarde. Wanneer kan worden voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit is het redelijk te stellen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Gelet op het heersende omgevingsgeluid wordt gesteld dat ook bij toepassing van de richtwaarde uit stap 3 onverminderd sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, en dat het treffen van maatregelen om te kunnen voldoen aan de richtwaarde uit stap 2 niet noodzakelijk wordt geacht.
7
Econsultancy, ‘Onderzoek industrielawaai Almeweg Horst’, rapportnr.: 20196.013, d.d. 24 mei 2024.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
38
Conclusie Het aspect ‘geluid’ vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2.3
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm) staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof als NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a.
Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM). b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
NIBM-grens woningbouwlocaties: 3% criterium: ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van maximaal 46 woningen. Hierbij wordt de bovenstaande NIBM-grens bij lange na niet overschreden. De ontwikkeling draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
39
Achtergrondwaarden In het kader van de voorgenomen ontwikkeling dient daarnaast te worden beschouwd of de luchtkwaliteit in het plangebied voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ (2020) is de concentratie fijn stof (PM10) ter plaatse tussen de 15 en 16 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM2,5) tussen de 9 en 10 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen 12 en 14 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ en voor PM2,5 25 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m³. Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Almeweg 14 Aangezien ter plaatse van de Almeweg 14 enkel de bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning, mag worden gesteld dat in het kader van luchtkwaliteit sprake is van een nibmproject (niet in betekenende mate). Het aantal woningen blijft op deze locatie namelijk gelijk. Conclusie Onderhavig initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoende voor de beoogde woonfunctie.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan kortom geen belemmeringen. 5.2.4
Geurhinder
Geurhinder Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woonen leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
40
Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. Op 24 juli 2020 is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas’ in werking getreden. In afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied zoals aangegeven op de bij de verordening behorende en gewaarmerkte kaart, als volgt:
Plangebied bij Meerlo: 6,0 odour units;
Bedrijventerreinen Klavertje 4-gebied: 14,0 odour units;
Overige bebouwde kom: conform wettelijke norm, momenteel 3,0 odour units;
Buitengebied: conform wettelijke norm, momenteel 14,0 odour units
Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Dit betekent dat toetsing aan de geurnormen van nabijgelegen veehouderijen noodzakelijk is. De gemeente Horst aan de Maas is echter momenteel bezig met de ontwikkeling van een geurgebiedsvisie ten behoeve van de gebiedsontwikkeling Klavertje 4. Deze gebiedsvisie heeft niet alleen betrekking op de omgeving van het Klavertje 4, maar op het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas. Deze heeft tot 7 mei 2020 ter inzage gelegen. Omdat deze gebiedsvisie en de bijbehorende kaarten een actueel inzicht geven in de huidige situatie omtrent geur, zijn deze gebruikt in de voorliggende toelichting met betrekking tot onderhavig plangebied. Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Conform ‘Kaartbijlage A locaties veehouderijen’ blijkt dat er in de wijde omgeving rondom het plangebied geen intensieve veehouderijen zijn gelegen. Er zijn derhalve binnen een straal van 100 meter rondom het plangebied geen veehouderijen gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten. Ook is er geen sprake van de beperking van de vergunde milieuruimte van veehouderijen.
Onderhavig plangebied is zodoende niet gelegen binnen de indicatieve geurhindercontouren (vergunde situatie), zoals weergegeven op de Kaartbijlage C indicatieve geurcontouren. In de bijlagen behorende bij de geurgebiedsvisie van de gemeente Horst aan de Maas is een kaart gevoegd (Kaartbijlage B achtergrondbelasting) van de actuele achtergrondbelasting geur. Op basis van deze kaart (zie onderstaande afbeelding) kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft geur, een zeer goed woon- en leefklimaat heerst (0,0-3,0 OU/m3). De achtergrondbelasting geur vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
41
Figuur 5.1: Uitsnede Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)
Conclusie Het aspect ‘geurhinder’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.2.5
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied;
Aan de Kabroeksebeek te Horst
42
2. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. De richtafstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen.
De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Woningen en onderwijsinstellingen zijn milieugevoelige functies. Aangezien onderhavig plan voorziet in de realisatie van een openbaar kindcentrum en maximaal 46 woningen dient getoetst te worden of in deze woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven niet worden gehinderd door de ontwikkeling. Toetsing Bestemmingen binnen 300 meter Binnen dorpskernen of aan de randen daarvan kunnen normaliter bestemmingen tot en met milieucategorie 4.2 aanwezig zijn. De bijhorende richtafstand bedraagt 300 meter. Inrichtingen in hogere milieucategorieën horen doorgaans thuis op bedrijventerreinen of krachtens de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterreinen en worden in de volgende paragraaf behandeld. Nabij het plangebied ligt een maatschappelijke bestemming met functieaanduiding yogacentrum. Het betreft een kleinschalige, aan huis gebonden, yogastudio. Voor dergelijke bestemmingen geldt een richtafstand van 30 meter. Aangezien de afstand tot het plangebied circa 80 meter betreft worden er geen belemmeringen voorzien.
Daarbij kan worden opgemerkt dat er ten gevolge van een yoga-studio geen belemmering wordt verwacht aangezien er reeds bestaande woonbestemmingen dichter bij de yogastudio zijn gesitueerd dan het plan. Verder ten noorden, op circa 125 meter van het plangebied ligt een bedrijfsbestemming. Volgens het bestemmingsplan ‘Peelkernen’, waar de bedrijfsbestemming binnen valt, zijn op dergelijke bestemmingen uitsluitend bedrijven van milieucategorie 1 en 2 mogelijk. De maatgevende richtafstand betreft in dat geval 30 meter. De woningen worden op circa 30 meter van de bedrijfsbestemming gerealiseerd. Belemmeringen ten gevolge van de bedrijfsbestemming kunnen derhalve worden uitgesloten.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
43
Op circa 110 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een recreatiebestemming. Het betreft een indoor amusementshal met een trampolinepark, bowling, minigolf en indoor voetbal. Voor vergelijkbare (indoor) inrichtingen (sporthallen, bowlingcentra) geldt een richtafstand van 50 meter. Ten aanzien van deze inrichting is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.2.2. Daarnaast is nabij het plangebied een agrarische bestemming gesitueerd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Peelkernen’ en het bestand veehouderijen van de provincie Limburg is hier geen veehouderij gelegen, worden er geen dieren gehouden en vindt er geen akker- of tuinbouw plaats. Op basis van luchtfoto’s lijkt er op het perceel uitsluitend een loods/stalling aanwezig te zijn. Op basis van voorgaande informatie kan volgens het VNG worden uitgegaan van een richtafstand van 50 meter. Aangezien het te realiseren openbare kindcentrum op circa 50 meter ligt van de schuur, kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Daarnaast geldt dat direct grenzend aan het agrarische perceel, ten noorden en zuiden, reeds bestaande woonbestemmingen zijn gelegen. Op circa 250 meter van het plangebied ligt een maatschappelijke bestemming. Op basis van de luchtfoto’s is hier een clubgebouw van Jong Nederland (scouting) gelegen. Voor clubhuizen geldt een richtafstand van 30 meter.
Derhalve worden er geen belemmeringen voorzien ter plaatse van het plangebied. Bestemmingen op meer dan 300 meter Inrichtingen tot milieucategorie 4.2 kennen een richtafstand tot ten hoogste 300 meter. Op grotere afstand zijn derhalve alleen inrichtingen vanaf categorie 5.1 potentieel belemmerend in relatie tot het plangebied. De grootste richtafstand voor een rustig gebied bedraagt 1.500 meter. In een bereik van 300 tot 1.500 meter afstand van het plan zijn diverse andere bestemmingen gelegen. Het gaat onder andere om de bestemmingen binnen de kern van Horst en Meterik. Aangezien binnen dorpskernen geen bestemmingen zullen voorkomen met een richtafstand groter dan 300 meter, worden deze bestemmingen niet nader toegelicht. Op circa 470 meter in westelijke richting is een agrarisch hulpbedrijf gesitueerd. Voor een dergelijke inrichtingen geldt maximaal milieucategorie 3.1, met een bijhorende richtafstand van 50 meter. Derhalve is deze bestemmingen met betrekking tot de realisatie van het voorliggend plan niet relevant. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een bedrijfsbestemming met functieaanduiding mestverwerking op regionaal niveau. Voor dergelijke bedrijven geldt milieucategorie 5.1 met een richtafstand van 500 meter. Aangezien het plan op circa 900 meter ligt van het bedrijf vandaan ligt, wordt ruim voldaan aan de richtafstand.
Er worden derhalve geen belemmeringen voorzien met betrekking tot deze bedrijfsbestemming. Daarnaast liggen er in het buitengebied van Horst een aantal andere bedrijfsbestemmingen op minimaal 600 meter afstand van het plangebied. Dit betreft onder andere agrarische (hulp)bedrijven, kantoren, verpakkingsbedrijven, opslag, hoveniersbedrijven en tuincentra. Ook ten gevolge van deze bedrijven wordt geen hinder verwacht binnen het te realiseren plangebied.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
44
Conclusie In het kader van de realisatie van het plangebied in Horst is middels een quickscan onderzocht of in de nabijheid van het plangebied bestemmingen aanwezig zijn die het woon- en leefklimaat nadelig kunnen beïnvloeden. Op basis van het onderzoek is gebleken dat de bestemmingen in de omgeving van het plan niet voor belemmeringen zullen zorgen. Nader onderzoek naar de hinderaspecten geur, stof, geluid en/of gevaar worden derhalve niet noodzakelijk geacht. 5.2.6
Externe veiligheid
Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hierlangs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de orientatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Aan de Kabroeksebeek te Horst
45
In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants 8. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 46 woningen. Derhalve voorziet onderhavig plan in de realisatie van kwetsbare objecten. Er dient zodoende een toetsing aan het aspect externe veiligheid plaats te vinden. Omgevingswet Onder de omgevingswet moet er getoetst worden aan de nieuwe veiligheidsregels, omdat de veiligheidsregels wel vanaf 1 januari gelden. Onderstaand wordt er ingegaan op de veranderende veiligheidsregels.
Zelfredzaamheid Bij de inrichting van een gebied houdt het bevoegd gezag rekening met onder meer zelfredzaamheid. Dit is het vermogen van mensen om zich in veiligheid te brengen in een gebied waar een ramp of zwaar ongeval optreedt. Ook houdt het bevoegd gezag rekening met de mogelijkheden tot hulpverlening. Hierbij gaat het om:
de toegankelijkheid van het gebied voor de hulpdiensten (brandweer, ambulance en politie)
de mogelijkheden voor de rampbestrijding (bestrijdbaarheid en bluswatervoorzieningen)
voldoende schuilmogelijkheden in de omgeving.
Vitale infrastructuur Daarnaast houdt het bevoegd gezag rekening met de mogelijke effecten van een ramp of zwaar ongeval op vitale infrastructuur. Een ramp of zwaar ongeval kan er bijvoorbeeld toe leiden dat:
een groot gebied zonder stroom komt te zitten
of de drinkwatervoorziening uitvalt.
Andere effecten kunnen zijn dat een belangrijke verkeersader uitgeschakeld raakt of een gebied niet langer bereikbaar is voor mobiel telefoonverkeer. Die effecten op de infrastructuur leiden dan tot (verdere) maatschappelijke ontwrichting.
Plaatsgebonden risico
8
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen
Aan de Kabroeksebeek te Horst
46
Bij het vaststellen van het omgevingsplan moeten gemeenten voldoen aan regels over externe veiligheid. Enerzijds moeten ze in het omgevingsplan een grenswaarde in acht nemen voor het plaatsgebonden risico. Dit speelt bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Daarnaast moeten gemeenten in het omgevingsplan voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties rekening houden met de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. Anderzijds gelden er aandachtsgebieden voor bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden Binnen een aandachtsgebied moet de gemeente rekening houden met het groepsrisico. Ook gaat het om het afwegen van beschermende maatregelen voor mensen die in dat gebied wonen, werken of recreëren. De aandachtsgebieden gelden zodra de activiteit wordt verricht. Het bevoegd gezag kan in een omgevingsplan een locatie waar een brand- of explosieaandachtsgebied geldt, aanwijzen als een brand- of explosievoorschriftengebied. Binnen de voorschriftengebieden gelden dan bouwvoorschriften voor nieuwe bouwwerken bovenop de standaard bouweisen. Het gaat daarbij om bouweisen die extra beschermen tegen de gevolgen van een van buiten komende brand of explosie. Deze extra bouweisen gelden dan alleen voor nieuwbouw.
Het aanwijzen van een voorschriftengebied is verplicht als op die locatie ook zeer kwetsbare gebouwen (zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven) zijn toegelaten. Het werken met aandachtsgebieden is een andere manier van omgaan met het groepsrisico. De regels hiervoor staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regels over extra bouweisen bij nieuwbouw in een (brand- of explosie)voorschriftengebied staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Toetsing Transport Op circa 1.5 km ten noordwesten van het plangebied is buisleiding Z-541-22 gelegen. De buisleiding heeft een uitwendige diameter van 324 mm en een maximale werkdruk van 4000 kPa. Hiervoor geldt een 1%-letaliteitsgrens van 140 meter. Het plangebied ligt buiten deze grens gelegen en vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief. Inrichtingen Op circa 1,1 km ten zuidwesten van het plangebied is een risicovolle inrichting gelegen in de vorm van een propaantank. De propaantank heeft een invloedsgebied van 25 meter. Gelet op de afstand tot het plangebied vormt deze inrichting geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Op circa 1 km ten noorden van het plangebied is eveneens een propaantank gelegen en heeft een invloedsgebied van 25 meter. Het plangebied ligt op een grote afstand van de inrichting en vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
47
Tot slot ligt op circa 1,1 km ten noordoosten van het plangebied een LPG-vulpunt met een risicocontour 10-6 van 35 meter. Gelet op de afstand van de inrichting tot het plangebied vormt de inrichting geen belemmering voor het planvoornemen.
Figuur 5.2: Uitsnede kaart met ligging inrichtingen gevaarlijke stoffen, plaatsgebonden risico (10 -6 contour, transport gevaarlijke stoffen buisleidingen en transport gevaarlijke stoffen wegen, spoor en water met ligging plangebied (rood omcirkeld)
Almeweg 14 Het initiatief ziet aan de Almeweg 14 op het herbestemmen van een bedrijfswoning naar een reguliere woning. Er wordt daarbij geen woning toegevoegd. Aan de feitelijk situatie wijzigt er derhalve niets. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.2.7
Toets ladder voor duurzame verstedelijking
Nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied Het initiatief geldt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling omdat de beoogde functie niet is toegestaan in het huidige bestemmingsplan, er een functiewijziging nodig is en er 12 of meer woningen worden toegevoegd.
Aan de Kabroeksebeek te Horst
48
Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch’ en is onderdeel van het uitbreidingsgebied De Afhang. Rondom de agrarische kavel is het aan alle kanten woonwijk geworden. Bovendien ligt de functieaanduiding ‘glastuinbouw’ op de planlocatie. Dit betekent dat het plangebied geen stedelijke functie heeft. In de directe omgeving zijn echter stedelijke functies gelegen. Op de aangrenzende percelen zijn de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’ vigerend. Dat betekent dat het gebied wordt omsloten door stedelijke functies. Gezien het voorgaande is sprake van een ligging ‘binnen bestaand stedelijk gebied’ en is een verder motivering op dit punt niet nodig. Ruimtelijk verzorgingsgebied Voor dit onderzoek is de gemeente Horst aan de Maas beschouwd als het primair verzorgingsgebied. In de kwantitatieve en kwalitatieve analyse is daarom primair gekeken naar de eigen gemeente. De gehele woonregio Venray (Horst aan de Maas, Venray) en de woonregio Venlo (Venlo, Peel en Maas, Beesel) vormen het secundaire verzorgingsgebied. Kwantitatieve behoefte aangetoond De beoogde ontwikkeling van maximaal 46 woningen voorziet in een kwantitatieve behoefte: