CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05d Toelichting

Gemeenteraad 7 juli 2026, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Bijlagen18.624 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

32

4. Omgevingsaspecten Het omgevingsplan dient te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor onderhavig initiatief betekent dit dat onderzocht moet worden hoe dat op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. Hiervoor dienen zowel de effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving als de effecten van de omgeving op het initiatief onderzocht te worden. In de volgende paragrafen wordt het initiatief getoetst aan relevante milieu- en planologische aspecten.

4.1.

Bodem

Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet worden de regels voor de bodem onderdeel gemaakt van de omgevingswet. Het wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: 1. Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie) 2. Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies) 3. Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen) Elke pijler kent zijn eigen instrumenten die ontleend worden uit de omgevingswet. De nieuwe regels komen in de plaats van de voormalige regels voor het beheer van de bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. Voor de initiatieven is met name pijler 2 van belang, in paragraaf 5.1.4.5. van het Bkl heeft het rijk instructieregels vastgelegd voor het toelaten van bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelig gebouw betreft een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover het aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn.

Bij functiewijzigingen en/of de toevoeging van een nieuwe gevoelige functie in het kader van het aspect ‘bodemkwaliteit’ dient te worden bepaald of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik en of geen vervuilingen in de bodem of het grondwater aanwezig zijn die kunnen leiden tot negatieve effecten voor de gezondheid van personen.

4.1.1. Stokterweg 10 In het kader van het aspect ‘bodemkwaliteit’ dient te worden bepaald of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik en of geen vervuilingen in de bodem of het grondwater aanwezig zijn die kunnen leiden tot negatieve effecten voor de gezondheid van personen. Het planvoornemen voorziet in de wijziging van de enkelbestemming “Agrarisch met waarden” in de enkelbestemming “Wonen”. Het agrarisch bedrijf binnen het plangebied zal worden gesaneerd. De aanwezige bedrijfsgebouwen zijn voorzien van opslagkelders voor de opslag van dierlijke mest en worden volledig gesloopt. Vervolgens wordt de bouwput aangevuld met nieuwe grond tot maaiveldniveau. Er vinden geen andere verstoringen van de bodem plaats.

33

De bestaande woning blijft als woning in gebruik en hier zijn geen wijzigingen. De nieuwe woning komt ter plaatse van de huidige bedrijfsgebouwen van de varkenshouderij. Een ‘Eindsituatie bodem’ is verplicht na het beëindigen van een bodembedreigende activiteit; hiermee wordt vastgesteld welke (potentiële) verontreinigende stoffen in de bodem te vinden zijn ter plaatse van de activiteit. Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van de activiteit wordt een rapport van het bodemonderzoek verstrekt aan het bevoegd gezag. Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.1.2. Horsterdijk 112 De varkenshouderij op deze locatie wordt beëindigd. Agrarische activiteiten blijven behouden in de bestaande gebouwen. Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.1.3. Horsterweg 23/23b In het kader van het aspect ‘bodemkwaliteit’ dient te worden bepaald of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik en of geen vervuilingen in de bodem of het grondwater aanwezig zijn die kunnen leiden tot negatieve effecten voor de gezondheid van personen. Het planvoornemen voorziet in de wijziging van de enkelbestemming “Agrarisch met waarden” in de enkelbestemming “Wonen”. Het agrarisch bedrijf binnen het plangebied zal worden gesaneerd. De aanwezige bedrijfsgebouwen zijn voorzien van opslagkelders voor de opslag van dierlijke mest en worden volledig gesloopt. Vervolgens wordt de bouwput aangevuld met nieuwe grond tot maaiveldniveau. Er vinden geen andere verstoringen van de bodem plaats. De bestaande woning blijft als woning in gebruik en hier zijn geen wijzigingen. De nieuwe woning komt in het huidige gebouwvolume van de langgevelboerderij. Een ‘Eindsituatie bodem’ is verplicht na het beëindigen van een bodembedreigende activiteit; hiermee wordt vastgesteld welke (potentiële) verontreinigende stoffen in de bodem te vinden zijn ter plaatse van de activiteit. Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van de activiteit wordt een rapport van het bodemonderzoek verstrekt aan het bevoegd gezag. Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.2.

Activiteiten en milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze 34

richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: • •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Als de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ wordt gedefinieerd als: “een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.” In zo’n geval is het ruimtelijke aanvaardbaar dat de richtafstanden met één stap worden verlaagd.

4.2.1. Stokterweg 10 De bestemming van de locatie wordt deels gewijzigd naar wonen. Nabij het plangebied zijn woonbestemmingen, een tuinbouwbedrijf, een recreatiebestemming en een manege gelegen. Bedrijven en milieuzonering Milieucategorie

Locatie

Functie

Stokterweg 6

tuinbouwbedrijf

2

Afstanden (m)

Geur: 10 Stof: 10 Geluid: 30 Gevaar:10 Stokterweg 14 Manege 3.1 Geur: 50 Stof: 30 Geluid: 30 Gevaar:0 Tabel 1. Uitwerking richtafstanden bedrijven en milieuzonering in omgeving plangebied

Feitelijke afstand tot plangebied (m) 94

88

Zoals blijkt uit de tabel is het plangebied buiten de richtafstanden gelegen voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Hierbij is de verlaging van 1 stap vanwege gemengd gebied nog buiten beschouwing gelaten. Hiermee vormt het planvoornemen geen beperking voor de bedrjfsvoering van de nabij gelegen bedrijven en gronden en zorgen de de nabijgelgen bedrijven nier voor beperkingen voor onderhavig planvoornemen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.2.2. Horsterdijk 112 Op de locatie Horsterdijk 112 wordt de aanwezige internsieve veehouderij beeindigd. Op de locatie vinden in de nieuwe situatie alleen nog agrarische activiteiten plaats in de bestaande bebouwing. Hierdoor vervallen de beperkingen die de locatie als

35

varkenshouderijlocatie op nabijgelegen bestemmingen had. Tevens vormt de locatie door de beeindiging geen enventuele beperking voor de de nabijgelegen bedrijven en gronden. 4.2.3. Horsterweg 23/23b De bestemmnig van de locatie wordt gewijzigd naar wonen. Nabij het plangebied zijn een champignonnenkwekerij, een agrarisch hulpbedrijf, woonbestemmnigen en bedrijfsloods met agrarische nevenactiviteit gelegen. In het gebied komen naast woonbestemmingen, in de lint bebouwing van de Horsterweg, een verscheidenheid aan functies voor. Hierdoor kan gesporken worden over gemengd gebied. Bedrijven en milieuzonering Milieucategorie

Locatie

Functie

Horsterweg 21A

Loods tbv kleinschalige bedrijvigheid binnen agrarische bestemming Champignonskwekerij

Roamweg 17

2

2

Afstanden (m) (1 stap verlaagd ivm gemengd gebied) Geur: 0 Stof: 0 Geluid: 10 Gevaar:0

Geur: 30 Stof: 10 Geluid: 30 Gevaar:10 Tabel 2. Uitwerking richtafstanden bedrijven en milieuzonering in omgeving plangebied

Feitelijke afstand tot plangebied (m) 14

88

Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden van de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG. Een acceptabel woon- en leefklimaat voor functies in de directe omgeving is gegarandeerd Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3.

Geluid

Mensen verblijven voor lange tijd in of bij hun woning. Sommige bezigheden vragen om rust. Zoals het voeren van een gesprek, lezen, leren en slapen. Geluid kan deze bezigheden verstoren. Slaapverstoring door geluid kan ziekte veroorzaken. Voor een aanvaardbaar woon en leefklimaat, mag er daarom niet te veel geluid van buiten in de woning komen. Bij het inpassen van een woning op een locatie moet de geluidkwaliteit aanvaardbaar zijn. De regels in het omgevingsplan borgen de geluidkwaliteit van de woningen. Daarnaast mogen de woningen de mogelijkheden van andere activiteiten niet al te zeer beperken, zoals bijvoorbeeld bedrijven. In het Omgevingsplan (bruidsschat) is het aspect geluid opgenomen in paragraaf 22.3.4. Hierin zijn de regels opgenomen voor geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegestaan. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beschermt via instructieregels woningen tegen geluid. Er zijn instructieregels per type geluidbron. Deze instructieregels verschillen (deels) per geluidbron. Ook moet gekeken worden naar het geluid van alle geluidbronnen samen.

36

De instructieregels uit het Bkl richten zich bij het inpassen van een woning op de bescherming van de gezondheid. Met paragraaf 5.1.4.2a.4 uit het Bkl bepaalt de gemeente of het geluid van de gemeentelijke weg op de nieuwe woning(en) aanvaardbaar is. De hoeveelheid geluid van een gemeentelijke weg wordt onder andere bepaald door de verkeersintensiteit van de weg. Deze wordt meestal bepaald via een verkeersmodel voor een evenwichtige toedeling van functies. Besluit kwaliteit leefomgeving Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, voorziet erin dat het geluid vanwege wegverkeer op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, zoals bedoeld in tabel 3.1. Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, kan erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de standaardwaarde als: - geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; - de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; - het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, zoals bedoeld in tabel 3.1.

Standaardwaarden en grenswaarden Bkl wegverkeer Geluidbronsoort Gemeentewegen en waterschapswegen Provinciale wegen en rijkswegen

Standaardwaarde 53 dB 50 dB

Grenswaarde 70 dB 60 dB

Tabel 3. Uitwerking richtafstanden bedrijven en milieuzonering in omgeving plangebied

4.3.1. Stokterweg 10 In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt één nieuw geluidsgevoelige object gerealiseerd. De bestaande woning Stokterweg 10 vinden geen functionele wijzigingen plaats en wordt alleen gewijzigd van bedrijfswoning naar burgerwoning (artikel 5.78r Bkl). Bestaande woning Een toetsing aan het Bkl is daarom niet benodigd. Het aspect geluid vormt derhalve geenbelemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies toegevoegd. Nieuwe woning Gezien de afstand van > 30 meter van de Stokterweg welke een 60km weg betreft is lhet aannemelijk dat bij de bouw van de nieuwe woning wordt voldaan aan de ongecorrigeerde totale geluidbelasting nergens hoger ligt dan 53 dB. Aangezien voor de nieuwe woning nog moet worden gerealiseerd zal bij de aanvraag voor de bouwactiviteit de toetsing volgens het Besluit Bouwwerken Leefomgeving BBL plaatsvinden. Volgens de regels uit het BBL dient zondermeer te worden voldaan aan de eisen en eventuele maatregelen voortkomende uit het BBL. Een aanvaardbaar woon-/leefklimaat in het kader van de Omgevingswet/BBL is dan ook gewaarborgd. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 37

4.3.2. Horsterdijk 112 Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies toegevoegd. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3.3. Horsterweg 23/23b In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt één nieuw geluidsgevoelige object gerealiseerd. De bestaande woning Stokterweg 10 vinden geen functionele wijzigingen plaats en wordt alleen gewijzigd van bedrijfswoning naar burgerwoning (artikel 5.78r Bkl). Bestaande woning Een toetsing aan het Bkl is daarom niet benodigd. Het aspect geluid vormt derhalve geenbelemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies toegevoegd. Nieuwe woning Gezien de afstand van > 40 meter van de Horsterweg welke een 60km weg betreft is lhet aannemelijk dat bij de bouw van de nieuwe woning wordt voldaan aan de ongecorrigeerde totale geluidbelasting nergens hoger ligt dan 53 dB. Aangezien voor de nieuwe woning nog moet worden gerealiseerd zal bij de aanvraag voor de bouwactiviteit de toetsing volgens het Besluit Bouwwerken Leefomgeving BBL plaatsvinden. Volgens de regels uit het BBL dient zondermeer te worden voldaan aan de eisen en eventuele maatregelen voortkomende uit het BBL. Een aanvaardbaar woon-/leefklimaat in het kader van de Omgevingswet/BBL is dan ook gewaarborgd. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4.

Gezondheid (Algemeen)

Om het bevoegd gezag te ondersteunen in de besluitvorming over veehouderijen in relatie tot de gezondheid van omwonenden is de Handreiking veehouderij en gezondheid omwonenden (2023) opgesteld. De handreiking bevat een overzicht van de belangrijkste gevonden verbanden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden laat zien wat decentrale overheden kunnen doen om gezondheidsrisico’s van veehouderijen mee te wegen in besluitvorming. De handreiking geeft enkele globale stappenplannen voor het meenemen van mogelijke gezondheidsrisico’s in omgevingsplannen, onder andere een stappenplan voor realisatie van nieuwe woningen in de buurt van veehouderijen. In het stappenplan komen onderwerpen als geurhinder, fijnstof, endotoxine en veehouderijensectoren aan de orde. Op basis van de VGO onderzoeken en de handreiking veehouderij en volksgezondheid zijn de onderwerpen bepaald die relevant zijn voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat. In dit rapport worden in onderstaande hoofdstukken de volgende thema’s behandeld: geur, fijnstof, endotoxine in reactie tot de ontwikkeling en de veehouderijen in de omgeving.

38

4.5.

Geur

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet. Gemeentes kunnen geurregels opnemen voor veehouderijen in het omgevingsplan. Een regel over geurbelasting door veehouderij op een geurgevoelig object in een gemeentelijke verordening (artikel 6, Wgv) wordt bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 4.6, lid 1, van de Invoeringswet Omgevingswet. De Verordening geurhinder en veehouderij 2024 en de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas zijn per 7 november 2024 in werking getreden en vormen het toetsingskader. ACHTERGRONDBELASTING Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas Bij het beoordelen van: -

ruimtelijke initiatieven en plannen waar er sprake is van een nieuw voor geurhinder gevoelige functie zoals aangeduid in artikel 3 van de “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas” wordt als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect achtergrondbelasting geur uit stallen van veehouderijen, onderstaande waarden gehanteerd:

Toetswaarde Achtergrondbelasting (Ou’s, cumulatief, 98percentiel)

Deelgebied A

Deelgebied B

Woongebied, plangebied wonen, landelijke kern

Bedrijventerrein Greenport Venlo Ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij Overige bedrijventerreinen en buitengebied

Voldoende Onvoldoende

< 10 > 10

< 20 > 20

Voor de aanduiding van de begrenzing van de deelgebieden wordt verwezen naar de bij de “Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas 2024 ” behorende kaart. Als de achtergrondbelasting geur geclassificeerd kan worden als ‘voldoende’ zoals beschreven in artikel 4, dan zijn er vanuit het deelaspect ‘cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen’ geen belemmeringen om mee te werken aan een ruimtelijk initiatief.

4.5.1. Stokterweg 10 De locatie is momenteel in gebruik als varkenshouderijlocatie en landbouwactiviteiten. Op de locatie is een bestaande bedrijfswoning aanwezig en dit wordt een burgerwoning. De bestaande woning was en is een bestaande geurgevoelige functie.

39

Er wordt een nieuwe voor geurhinder gevoelige functie toegevoegd met de nieuwe levensloopbestendige woning. De nieuwe woning binnen het initiatief betreft een nieuwe voor geur gevoelige functie. Uit onderstaande inventarisatie blijkt dat er vanuit het aspect gezondheid/geur geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling zijn. ACHTERGRONDBELASTING Het initiatief is gelegen in Deelgebied B in het buitengebied. Hiervoor is de norm gesteld van <20 Ou’s, cumulatief, 98-percentiel. De meest nabijgelegen veehouderij betreft de varkenshouderijlocatie Horsterweg 23/23b. deze veehouderijlocatie is eigendom van initiatiefnemer en de sanering van deze locatie vormt onderdeel van dit Omgevingsplan. Verdere toetsing rekening houdende met de locatie Horsterweg 23/23b hoeft dan ook niet plaats te vinden. De veehouderij Wielder 11 in Lottum is verder het enige veehouderijbedrijf met geurnormen binnen 2 km (1,4 km) en heeft daardoor een zeer beperkte bijdrage van geur die zeker lager zal zijn dan 20 Oue op het initiatief. Verdere toetsing rekening houdende met de locatie Wielder 11 hoeft dan ook niet plaats te vinden. De achtergrondbelasting geur kan geclassificeerd worden als ‘voldoende’. De overige veehouderijbedrijven binnen 2 km zijn allen paardenhouderijen en/of rundveehouderijen. De dichtstbij gelegen paardenhouderij aan de Hombergerweg 15 in Lottum is gelegen op ca. 500 meter afstand.

In het kader van de geurregelgeving gelden voor paardenhouderijen en/of rundveehouderijen geen geurnormen maar vaste afstanden van minimaal 50 meter. Aan deze minimale afstand wordt ruimschoots voldaan.

40

Afbeelding 14. Overzicht agrarische bedrijven < 2 km (Bron https://viewer.igoview.nl/kaartviewer/?@KRD#)

Effect voor veehouderijen in de omgeving De meest nabijgelegen veehouderij betreft de varkenshouderijlocatie op de locatie Wielder 11 in Lottum. De afstand tot deze veehouderij bedraagt circa 1,4 km. Er zijn meerdere bestaande woningen gelegen tussen het plangebied en de veehouderijlocatie Wielder 11. Deze bestaande geurgevoelige gebouwen zijn de bepalende objecten voor eventuele toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderij. De nieuwe woning heeft daarom geen beperkende invloed voor wat betreft de ontwikkelingsmogelijkheden van deze of andere veehouderijen. Er wordt voldaan aan de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas. Uit inventarisatie blijkt dat er vanuit het aspect gezondheid/geur geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling zijn.

4.5.2. Horsterdijk 112 De varkenshouderij op deze locatie wordt beëindigd. Agrarische activiteiten blijven behouden in de bestaande gebouwen. De aanwezige bedrijfsgebouwen zijn geen geurgevoelig gebouwen. Verdere toetsing aan het geurbeleid is voor dit deel van het initiatief niet van toepassing.

41

4.5.3. Horsterweg 23/23b De locatie is momenteel in gebruik als varkenshouderijlocatie en landbouwactiviteiten. De bestaande langgevelboerderij wordt gesplitst in 2 wooneenheden. De bestaande bedrijfswoning is en blijft een geurgevoelig gebouw. Dit betreft een bestaand geurgevoelig gebouw. Met het toevoegen van de tweede woning na splitsing wordt een nieuw voor geurhinder gevoelige functie toegevoegd. ACHTERGRONDBELASTING Het initiatief is gelegen in Deelgebied B in het buitengebied. Hiervoor is de norm gesteld van <20 Ou’s, cumulatief, 98-percentiel. De meest nabijgelegen veehouderij met geurnormen betreft de varkenshouderijlocatie Heideweg 2a in Broekhuizenvorst. De veehouderij Heideweg 2a in Broekhuizenvorst is het enige veehouderijbedrijf met geurnormen binnen 2 km (1,7 km) en heeft daardoor een zeer beperkte bijdrage van geur die zeker lager zal zijn dan 20 Oue op het initiatief. Verdere toetsing rekening houdende met de locatie Heideweg 2a in Broekhuizenvorst hoeft dan ook niet plaats te vinden. De achtergrondbelasting geur kan geclassificeerd worden als ‘voldoende’. De overige veehouderijbedrijven binnen 2 km zijn allen paardenhouderijen en/of rundveehouderijen. De dichtstbij gelegen paardenhouderij aan de Horsterweg 19 in Broekhuizen is gelegen op ca. 170 meter afstand.

In het kader van de geurregelgeving gelden voor paardenhouderijen en/of rundveehouderijen geen geurnormen maar vaste afstanden van minimaal 50 meter. Aan deze minimale afstand wordt ruimschoots voldaan.

42

Afbeelding 15. Overzicht agrarische bedrijven < 2 km (Bron https://viewer.igoview.nl/kaartviewer/?@KRD#)

Effect voor veehouderijen in de omgeving De meest nabijgelegen veehouderij betreft de varkenshouderijlocatie op de locatie Heideweg 2a in Broekhuizenvorst. De afstand tot deze veehouderij bedraagt circa 1,7 km. Er zijn meerdere bestaande woningen gelegen tussen het plangebied en de veehouderijlocatie Heideweg 2a in Broekhuizenvorst. Deze bestaande geurgevoelige gebouwen zijn de bepalende objecten voor eventuele toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderij. De nieuwe woning heeft daarom geen beperkende invloed voor wat betreft de ontwikkelingsmogelijkheden van deze of andere veehouderijen. Er wordt voldaan aan de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 Horst aan de Maas. Uit inventarisatie blijkt dat er vanuit het aspect gezondheid/geur geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling zijn.

43

4.6.

Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit heeft een grote invloed op de volksgezondheid. De luchtkwaliteit wordt mede bepaald door fijnstof. Veehouderijen en verkeer dragen bij aan de directe (primaire) uitstoot van fijnstof, bijvoorbeeld via stofdeeltjes vanuit mest, huidschilfers, veren, voer, haren en strooisel. Daarnaast reageert ammoniak (uit met name mest en stallen) met andere stoffen in de lucht tot secundair fijnstof. Zowel primair als secundair fijnstof kunnen gezondheidseffecten veroorzaken. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn een aantal regels rond lucht verandert. De overheid toetst minder (ruimtelijke) projecten aan de regels voor luchtkwaliteit. Ook de monitoring van de luchtkwaliteit is in een kleiner gebied nodig. Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Net als eerder is er een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Daarom is het niet nodig deze 'standaardgevallen' te toetsen aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Voor de volgende activiteiten geeft het Bkl in artikel 5.54 grenzen aan.

Als een activiteit binnen deze grenzen valt, is geen toetsing nodig aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10). Want de activiteit draagt dan per definitie NIBM bij aan de luchtverontreiniging. Het gaat om: •

woningen

•

kantoren

•

een combinatie van woningen en kantoren

•

het telen van gewassen

•

het aanleggen of wijzigen van een spoorwegemplacement

Woningen zijn NIBM, als de omvang onder een vastgelegde grens ligt. Het aantal NIBM-woningen is afhankelijk van het aantal ontsluitingswegen. Bij 2 ontsluitingswegen zijn meer woningen mogelijk dan bij 1 ontsluitingsweg. Want twee ontsluitingswegen zorgen voor een betere spreiding van de uitstoot, als het verkeer zich (gelijkmatig) verdeelt over de wegen.

Woonfunctie Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal: 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen

4.6.1. Stokterweg 10 De locatie is in gebruik als varkenshouderijlocatie en landbouwactiviteiten. Het saneren van de varkenshouderijlocatie draagt zondermeer bij aan het verminderen van de fijnstof emissie per jaar en levert daarmee een bijdrage aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit.

44

Woonfuncties zijn NIBM als het gaat om maximaal 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg In voorliggend plan wordt slechts één nieuwe woning gerealiseerd. Met het plan wordt daarmee ruimschoots onder de NIBM aantallen gebleven. Het realiseren van de woning draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect gezondheid/luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling 4.6.2. Horsterdijk 112 De locatie is in gebruik als varkenshouderijlocatie. De locatie blijft in gebruik voor agrarische activiteiten zonder intensieve veehouderijactiviteiten. Het saneren van de intensieve veehouderijactiviteiten draagt daarmee bij aan de luchtkwaliteit. De agrarische activiteiten dragen NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect gezondheid/luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling 4.6.3. Horsterweg 23/23b De locatie is in gebruik als varkenshouderijlocatie en landbouwactiviteiten. Het saneren van de varkenshouderijlocatie draagt zondermeer bij aan het verminderen van de fijnstof emissie per jaar en levert daarmee een bijdrage aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Woonfuncties zijn NIBM als het gaat om maximaal 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg. In voorliggend plan wordt slechts één nieuwe woning gerealiseerd. Met het plan wordt daarmee ruimschoots onder de NIBM aantallen gebleven.

Het realiseren van de woning draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect gezondheid/luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling

4.7.

Endotoxine

Uit onderzoeken is aangetoond dat omwonenden rondom veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen. Veehouderijen stoten (fijn)stof uit naar de omgeving. Pluimveehouderijen stoten meer (fijn) stof uit dan varkenshouderijen. Varkenshouderijen stoten weer meer uit dan andere veehouderijtakken. Endotoxine is een van de stoffen die wordt verspreid in de omgeving van veehouderijen. Het Endotoxinerapport en het gezondheidsonderzoek van het RIVM (VGO) tonen aan dat gezondheidsrisico’s kleven aan de verspreiding van stoffen uit stallen. Op grond van het onderzoek Intensieve-veehouderij en Gezondheid (IVG: de voorloper van het VGO-onderzoek) ziet de Gezondheidsraad endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op luchtwegen. Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van maximaal 30 EU/m³ (Endotoxin

45

Units) vast te stellen. De Gezondheidsraad is het adviesorgaan voor het Rijk aangaande complexe gezondheidsvraagstukken. Binnen gemeente Horst aan de Maas worden ruimtelijke ontwikkelingen tevens getoetst aan het endotoxine toetsingskader. Uitgangspunt hierbij is het voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden en het voorkomen van nieuwe overschrijdingen. Van de endotoxinen-norm gaat ook een omgekeerde werking uit. Dit betekent concreet dat voor de ontwikkelingen van veehouderijlocaties bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat endotoxines moeten worden meegewogen en dat wordt gemotiveerd of deze ontwikkeling geen extra belemmeringen oplevert voor omliggende veehouderijen i.v.m. hun endotoxines-uitstoot. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat geitenhouderijen de grootste bron voor endotoxine uitstoot zijn en dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Niet onomstotelijk is aangetoond dat de verhoging van het aantal gevallen van longontsteking een direct gevolg is van de aanwezigheid van geitenhouderij bedrijven, echter is het vanuit het voorzorgsprincipe wenselijk om hieraan te toetsen.

4.7.1. Stokterweg 10 De locatie is in gebruik als varkenshouderijlocatie en landbouwactiviteiten. Het saneren van de varkenshouderijlocatie draagt bij aan het verminderen van fijnstof emissie per jaar. Gezien de relatie Fijnstof-Endotoxine draagt deze afname bij aan het verbeteren van de gezondheidssituatie in Horst aan de Maas en met name de omgeving rondom Lottum. In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijbedrijven gelegen. Op een afstand van ca. 1,7 km ligt het dichtstbij gelegen varkensbedrijf Heideweg 2a in Broekhuizenvorst. Het betreft bovendien een locatie vergund voor slechts 15 vleesvarkens. Uit de inventarisatie (Bron voor PM10: KRD bedrijven) en door berekening (Bron: Endotoxine toetsingskader 2.0) blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de minimale afstanden. Hierdoor vormt de beoogde ontwikkeling zowel voor het plangebied als voor de omliggende veehouderijen geen belemmering. Gesteld kan worden dat de afstand tussen het plangebied en deze veehouderij voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen op het gebied van volksgezondheid. Vanuit het aspect gezondheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Locatie Wielder 11

Veehouderijen met endotoxine-uitstoot Functie PM10 kg/jaar Minimale afstanden tot plangebied (m) Varkenshouderij 153 70

Feitelijke afstand tot plangebied (m) 1.400

Tabel 1 Uitwerking bedrijven met endotoxine-uitstoot

In een omtrek van 2 kilometer rond het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen, hiervoor is de kernregistratie dierverblijven van de provincie Limburg geraadpleegd. De dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen op een afstand van ruim 4,5 kilometer (Losbaan

46

42 Lottum). Op basis hiervan is aan te nemen dat de aanwezigheid van geitenhouderijen geen belemmeringen vormen voor het initiatief.

4.7.2. Horsterdijk 112 De locatie is in gebruik als varkenshouderijlocatie. De locatie blijft in gebruik voor agrarische activiteiten zonder intensieve veehouderijactiviteiten. Het saneren van de intensieve veehouderijactiviteiten draagt daarmee bij aan het verbeteren van de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect gezondheid/endotoxine zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.7.3. Horsterweg 23/23b De locatie is in gebruik als varkenshouderijlocatie en landbouwactiviteiten. Het saneren van de varkenshouderijlocatie draagt bij aan het verminderen van fijnstof emissie per jaar. Gezien de relatie Fijnstof-Endotoxine draagt deze afname bij aan het verbeteren van de gezondheidssituatie in Horst aan de Maas en met name de omgeving rondom Broekhuizen. Inde omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijbedrijven gelegen. Op een afstand van ca. 1,7 km ligt het dichtstbij gelegen varkensbedrijf Heideweg 2a in Broekhuizenvorst. Het betreft bovendien een locatie vergund voor slechts 15 vleesvarkens. Uit de inventarisatie (Bron voor PM10: KRD bedrijven) en door berekening (Bron: Endotoxine toetsingskader 2.0) blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de minimale afstanden. Hierdoor vormt de beoogde ontwikkeling zowel voor het plangebied als voor de omliggende veehouderijen geen belemmering.

Gesteld kan worden dat de afstand tussen het plangebied en deze veehouderij voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen op het gebied van volksgezondheid. Vanuit het aspect gezondheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Locatie Heideweg 2a

Veehouderijen met endotoxine-uitstoot Functie PM10 kg/jaar Minimale afstanden tot plangebied (m) Varkenshouderij 2,3 >45

Feitelijke afstand tot plangebied (m) 1.700

Tabel 5. Uitwerking bedrijven met endotoxine-uitstoot

In een omtrek van 2 kilometer rond het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen, hiervoor is de kernregistratie dierverblijven van de provincie Limburg geraadpleegd. De dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen op een afstand van ruim 4,6 kilometer (Losbaan 42 Lottum). Op basis hiervan is aan te nemen dat de aanwezigheid van geitenhouderijen geen belemmeringen vormen voor het initiatief.

47

4.8.

Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. De regels voor externe veiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 zijn van toepassing op het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit als bedoeld in die paragrafen die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen en (ondergrondse) buisleidingen.

Horsterweg

Afbeelding 16 Uitsnede plangebied Veilige omgeving (Bron: Atlas Leefomgeving).

Het plaatsgebonden risico is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Het groepsrisico beschrijft de kans dat ten minste 10 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloed gebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. Het groepsrisico is hierbij een indicator van de mogelijke maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.

48

Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (10, 100 of bijvoorbeeld 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (geen norm). Deze oriëntatiewaarde is een richtwaarde waar het bevoegd gezag zich zoveel mogelijk aan moet houden, maar men mag hiervan wel goed onderbouwd afwijken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Ruimtelijke plannen moeten worden getoetst aan het BEVI en de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels en restaurants. 4.8.1. Stokterweg 10 De toevoeging van 1 woning zorgt niet voor een toename van het groeps- of plaatsgebonden risico. De locatie is niet gelegen binnen een 10-6 contour en de beoogde activiteiten zorgen niet voor een toename is het groepsrisico. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.8.2. Horsterdijk 112 De locatie blijft in gebruik voor agrarische activiteiten zonder intensieve veehouderijactiviteiten. De wijzigingen zorgen niet voor een toename van het groeps- of plaatsgebonden risico. De locatie is niet gelegen binnen een 10-6 contour en de beoogde activiteiten zorgen niet voor een toename is het groepsrisico. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.8.3. Horsterweg 23/23b De toevoeging van 1 woning zorgt niet voor een toename van het groeps- of plaatsgebonden risico. De locatie is niet gelegen binnen een 10-6 contour zoals uit onderstaande afbeelding blijkt. De beoogde activiteiten zorgen niet voor een toename is het groepsrisico. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

49

Horsterweg

Afbeelding 17 Uitsnede Horsterweg 23/23b Veilige omgeving (Bron: Atlas Leefomgeving).

4.9.

Cultuurhistorie en archeologie

In 2025 is het Programma Erfgoed vastgesteld voor de gemeente Horst aan de Maas. Het programma geeft uitwerking aan en organiseert de uitvoering van de ambities in de omgevingsvisie en de zorgplicht voor erfgoed zoals vastgelegd in de Omgevingswet. In de Omgevingsvisie is opgenomen dat erfgoed een van de dragers van de omgevingskwaliteit en identiteit van Horst aan de Maas is. Met het programma beoogt de gemeente een zorgvuldige omgang met de fysieke resten van het verleden van Horst aan de Maas en werken we aan het beleefbaar en toegankelijk maken van dit erfgoed. Het doel is daarbij niet om een stolp over de waarden in onze omgeving te leggen, maar om zorg te dragen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt de koppeling gelegd met andere gemeentelijke ambities, zoals die op het vlak van toerisme, economie, milieu en natuur. Door nieuwe functies, bijvoorbeeld bij herbestemming van gebouwen, mogelijk te maken kan tegelijk geïnvesteerd worden in behoud en beleving van het erfgoed zelf. Daarbij is het behoud van het ensemble waar het erfgoed deel van uitmaakt net zo belangrijk als het erfgoed zelf.

50

Het Programma Erfgoed sluit aan bij de begripsbepaling van erfgoed uit de Omgevingswet: archeologische monumenten (archeologie – te verwachten en bekende waarden in het bodemarchief), cultuurlandschappen (cultuurlandschap – de structuur en elementen in het bovengrondse landelijk gebied), en monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna te noemen gebouwd erfgoed, waaronder zowel bouwkunst als stedenbouwkundige ensembles). Afweging bij initiatieven: De gemeente beschikt over beleidskaarten per erfgoedthema, deze vormen de basis voor het afwegingskader in de omgang met erfgoed in geval van initiatieven. Het beleid wordt hierna per erfgoedthema samengevat. Archeologie: De waarden en verwachtingen zijn vertaald naar beleidscategorieën waaraan vrijstellingsgrenzen zijn gekoppeld. Indien de oppervlakte van het plangebied en de diepte van voorgenomen ingrepen de vrijstellingsgrenzen overschrijden is onderzoek noodzakelijk. In de kaart zijn bovendien aanduidingen opgenomen: in het onderzoek dient rekening gehouden te worden met de betreffende aanduiding. Cultuurlandschap: De gemeente hanteert op basis van de waardering en onderliggende kenmerken drie beleidszones. • In gebieden met een zeer hoge waarde heeft het cultuurlandschap een zeer hoge prioriteit ten opzichte van andere belangen.

Aan een initiatief kan alleen worden meegewerkt als de cultuurhistorische waarden op de betreffende locatie niet onevenredig worden aangetast en bij voorkeur nog verder versterkt. • In gebieden met een hoge waarde heeft het erfgoedbelang een hoge prioriteit ten opzichte van andere belangen, waarbij ontwikkelingen de cultuurhistorische betekenis versterken. Een beperkte aantasting van cultuurhistorische waarden op ondergeschikte aspecten is toelaatbaar mits een compensatie van gelijkwaardige aard kan worden gevonden Is een impact van een ontwikkeling groot, dan is de mogelijkheid tot compensatie elders niet mogelijk. • In gebieden met een positieve en basiswaarde geldt dat het cultuurhistorisch belang als één van de deelbelangen in de afweging meedoet. Hierbij letten we op kansen in het ontwerp om de kwaliteit van het landschap te verbeteren via herstel van landschapselementen of kenmerken. De afweging richt zich in alle gevallen zowel op gebiedskenmerken als op het behoud van aanwezige en/of herstel van herkenbare of verdwenen cultuurhistorische landschapselementen. Initiatiefnemers dienen op beide aspecten te verantwoorden hoe zij hiermee in hun plan omgaan. Historisch stedenbouwkundige ensembles: Dit betreft de gebieden waar het gebouwde erfgoed relatief gaaf bewaard gebleven is en er sprake is van een duidelijke ruimtelijke samenhang.

De gemeente hanteert hier twee beleidszones: • In ensembles met een zeer hoge cultuurhistorische waarde krijgt het erfgoedbelang een zeer hoge prioriteit bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij getoetst wordt aan de kernwaarden van het ensemble.

51

• In ensembles met een hoge cultuurhistorische waarde krijgt het erfgoedbelang een hoge prioriteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hierbij wordt getoetst aan de hoofdlijn van kernwaarden in het gebied. De gemeente beschikt tot slot over een register van gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden. Erfgoedverordening Vanwege de implementatie van de Omgevingswet is de Erfgoedverordening in 2023 geactualiseerd. Deze verordening bevat een vangnetbepaling archeologie. De verordening bevat daarnaast met name bepalingen ten aanzien van de aanwijzing en bescherming van gemeentelijk erfgoed. Vanuit het erfgoedthema archeologie is ter plaatse van de drie locaties sprake van archeologische waarden. Deze worden hierna nader toegelicht. Vanuit de erfgoedthema’s cultuurlandschap en historisch stedenbouwkundige ensembles is er ter plaatse van beide locaties geen sprake van hogere waarden en complexe ingrepen. Deze aspecten vormen geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling op beide locaties. 4.9.1. Stokterweg 10 Toevoegen op grond van de programma Erfgoed en de nieuwe archeologische beleidskaart worden de regels ten aanzien van archeologie aangepast. Perceel valt binnen het gebied met beleidscategorie 3, hier geldt een onderzoeksplicht bij verstoringen vanaf 500 m2/ 40 cm onder maaiveld. 4.9.2.

Horsterdijk 112 Op grond van het programma Erfgoed en de nieuwe archeologische beleidskaart worden de regels ten aanzien van archeologie aangepast. Perceel valt binnen het gebied met beleidscategorie 5, hier geldt een onderzoeksplicht bij verstoringen vanaf 10.000 m2 en/of MER-plichtige projecten/ 40cm onder maaiveld. Ten opzichte van het oude archeologiebeleid is voor deze locatie sprake van een versoepeling. 4.9.3. Horsterweg 23/23b Op grond van het programma Erfgoed en de nieuwe archeologische beleidskaart worden de regels ten aanzien van archeologie aangepast. Binnen dit deel van het plangebied zijn verschillende aanduidingen relevant:  Beleidscategorie waarde 2 (hoofdzakelijk nr. 21a maar deze maakt ook deel uit van het plangebied), hier geldt een onderzoeksplicht bij verstoringen vanaf 100m2 /30 cm onder maaiveld  Beleidscategorie waarde 3, hier geldt een onderzoeksplicht bij verstoringen vanaf 500 m2/ 40 cm onder maaiveld.  Beleidscategorie waarde 5 (regel waarde 6) hier geldt een onderzoeksplicht bij verstoringen vanaf 10.000 m2 en/of MER-plichtige projecten/ 40cm onder maaiveld.

52

4.10. 4.10.1.

Natura-2000 activiteiten Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000- gebieden. Op grond van artikel 2.43 van de Omgevingswet zijn de instandhoudingsdoelstelling vastgelegd. Gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden) van belang.

Stokterweg

Horsterweg

StokHorsterdijk

Afbeelding 18 Overzicht locaties en Natura2000 gebieden (Bron: AERIUS calculator).

4.10.2.

Stokterweg 10

Ten oosten van het plangebied is het Natura2000 gebied Maasduinen gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura2000 gebied bedraagt ongeveer 1,5 kilometer. Beoordeeld moet worden of het planvoornemen significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Natura2000 activiteiten beschermd moeten worden. De locatie is in gebruik voor varkenshouderijactiviteiten en landbouwactiviteiten. 53

Beoordeeld moet worden of het planvoornemen significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Natura2000 activiteiten in de Omgevingswet beschermd moeten worden. Gezien de afstand en de beperkte omvang van het initiatief is het niet te verwachten dat de ontwikkeling leidt tot verstoring, oppervlakteverlies, verontreiniging of andere negatieve effecten op het natura2000-gebied. Een ander belangrijk aspect voor natuur is stikstof. Om het effect van de ontwikkeling op de stikstofdepositie in beeld te brengen is een AERIUS-berekening van het projecteffect gemaakt. Uit de berekening van de AERIUS Calculator volgt dat er voor de gebruiksfase en de aanlegfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn op Natura 2000gebieden. Er zijn voor de aanlegfase en de gebruiksfase geen significante negatieve effecten te verwachten zijn (zie bijlage 1). Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.10.3.

Horsterdijk 112

De varkenshouderij op deze locatie wordt beëindigd. Agrarische activiteiten blijven behouden in de bestaande gebouwen. Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.10.4.

Horsterweg 23/23b

Ten oosten van het plangebied is het Natura2000 gebied Maasduinen gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt ongeveer 2,3 kilometer. Beoordeeld moet worden of het planvoornemen significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. Gezien de afstand en de beperkte omvang van het initiatief is het niet te verwachten dat de ontwikkeling leidt tot verstoring, oppervlakteverlies, verontreiniging of andere negatieve effecten op het natura2000-gebied. Een ander belangrijk aspect voor natuur is stikstof. Om het effect van de ontwikkeling op de stikstofdepositie in beeld te brengen is een AERIUS-berekening van het projecteffect gemaakt. Uit de berekening van de AERIUS Calculator volgt dat er voor de gebruiksfase en de aanlegfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn op Natura 2000gebieden. Er zijn voor de aanlegfase en de gebruiksfase geen significante negatieve effecten te verwachten zijn (zie bijlage 2). Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

54

4.10.5.

Soortenbescherming

De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Omgevingswet. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. In afdeling 11.2 van het Bal zijn regels opgenomen voor activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name de regels de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.4 van belang. •

•

•

Paragraaf 11.2.2 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Paragraaf 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn. Dit zijn soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn. Paragraaf 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten. Dit zijn alle in Nederland in het wild levende soorten waaronder zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zoals genoemd in het Bal, bijlage IX.

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een planvoornemen waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Bij alle activiteiten geldt dat deze mogelijk nadelige gevolgen hebben voor natuurbescherming. Iemand die dat weet, of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)).

4.10.6.

Stokterweg 10

De locatie is al jarenlang in gebruik als varkenshouderijlocatie met landbouwactiviteiten. Voor de sloopactiviteiten op de locatie is een separate sloopmelding gedaan. Het bouwland wordt bewerkt en zodoende meerdere keren per jaar verstoord. Uit Natuurgegevens van de provincie Limburg blijken geen rode lijst of aandachtsoorten ter plaatse van het initiatief voor te komen. Hierdoor is de aanwezigheid van beschermde flora en fauna vrijwel uitgesloten.

Voor de locatie is een quick scan flora en fauna uitgevoerd voor de sloop van 3 stallen op een perceel aan de Stokterweg 10 in Lottum. De uitvoering van de quick scan is een eerste stap om te vermijden dat soorten verstoord of vernietigd kunnen worden bij de uitvoering van nieuwe ontwikkelingen. Met een bureauonderzoek en veldwerkonderzoeken wordt vastgesteld of er bij de plannen sprake kan zijn op overtreding van de Omgevingswet, of dat deze met eenvoudige maatregelen zijn te voorkomen. In verband met de sloop op de locatie dient te worden aangetoond dat er geen negatieve consequenties gelden voor de natuurwaarden in het gebied.

55

Door het literatuuronderzoek van de inventarisatie is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen (zie inventarisatie Natuurloket). In de nabijheid van de stallen en loods zijn tijdens het veldbezoek in februari 2025 echter geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten (waaronder jaarrond beschermde soorten, zoals bijvoorbeeld Huismussen, (nesten van) Gierzwaluwen, uilen en vleermuissoorten. Het veldonderzoek, uitgevoerd in de dagperiode op 27 februari 2025, is buiten het broedvogelseizoen uitgevoerd. Daarom is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten, achtergebleven nestmaterialen en vraatsporen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd. Bij de inventarisaties is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. De te slopen stallen zijn goed dichtgezet en niet kansrijk voor de aanwezigheid van soorten. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor verblijfplaatsen van fauna.

De afstanden tot de ecologische verbindingszones zijn voldoende groot om te kunnen stellen dat de ontwikkelingen in het plangebied een positieve invloed zullen hebben op de beschermde natuurgebieden. Door de sloop van de stallen op de locatie, wordt het karakter van het gebied positief beïnvloed. Door het wegvallen van de stikstofdepositie van de stallen zal een positief effect worden bewerkstelligd op de natuurwaarden. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden door de sloop, gezien de resultaten van het veldonderzoek. De quick scan flora en fauna is als bijlage 3a bijgevoegd. Vanuit het aspect soortenbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.10.7.

Horsterdijk 112

De locatie blijft in gebruik voor agrarische activiteiten zonder intensieve veehouderijactiviteiten. Vanuit het aspect soortenbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.10.8.

Horsterweg 23/23b

De locatie is al jarenlang in gebruik als varkenshouderijlocatie met landbouwactiviteiten. Voor de sloopactiviteiten op de locatie is een separate sloopmelding gedaan. Het bouwland wordt bewerkt en zodoende meerdere keren per jaar verstoord. Uit Natuurgegevens van de provincie Limburg blijken geen rode lijst of aandachtsoorten ter plaatse van het initiatief voor te komen. Hierdoor is de aanwezigheid van beschermde flora en fauna vrijwel uitgesloten.

Door het literatuuronderzoek van de inventarisatie is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen (zie inventarisatie Natuurloket). 56

In de nabijheid van de stallen, schuur en afdak zijn tijdens het veldbezoek in februari 2025 echter geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten (waaronder jaarrond beschermde soorten, zoals bijvoorbeeld Huismussen, (nesten van) Gierzwaluwen, uilen en vleermuissoorten. Het veldonderzoek, uitgevoerd in de dagperiode op 28 februari 2025, zijn buiten het broedvogelseizoen uitgevoerd. Daarom is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten, achtergebleven nestmaterialen en vraatsporen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd. Bij de inventarisaties is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. De te slopen stallen, schuur en afdak zijn aan alle zijden open en niet kansrijk voor de aanwezigheid van soorten. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor verblijfplaatsen van fauna. De afstanden tot de ecologische verbindingszones zijn voldoende groot om te kunnen stellen dat de ontwikkelingen in het plangebied een positieve invloed zullen hebben op de beschermde natuurgebieden.

Door de sloop van de stallen, schuur en afdak op de locatie, wordt het karakter van het gebied positief beïnvloed. Door het wegvallen van de stikstofdepositie van de stallen zal een positief effect worden bewerkstelligd op de natuurwaarden. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden door de sloop, gezien de resultaten van het veldonderzoek. De quick scan flora en fauna is als bijlage 3b bijgevoegd. Vanuit het aspect soortenbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

57

4.11.

Landschappelijke inpassing

De landschappelijke inpassing van het beoogde initiatief is afgestemd op de kwaliteiten en kenmerken van het landschap in de omgeving van het plangebied. Met landschappelijk inpassing wordt voldaan aan de eisen voor kwaliteitsverbetering vanuit de provincie en gemeente. In afbeelding 10 en 11 is het bestaande landschap ter plaatse van de locaties Stokterweg 10 en Horsterweg 23/23b weergeven. .

4.11.1.

Stokterweg 10

Het realiseren van een nieuwe woning op de plek van de varkensstallen wordt vanuit de architectuur kwaliteit toegevoegd. Gezien de aanwezige inpassing ter plaatse en het saneren van de bedrijfsgebouwen voor de varkenshouderijactiviteiten wordt invulling gegeven aan de eisen voor kwaliteitsverbetering. In afbeelding 19 en 20 is het bestaande landschap ter plaatse weergeven.

Afbeelding 19 Aanwezige Landschappelijk inpassing Stokterweg 10

58

Afbeelding 20 Aanwezige Landschappelijk inpassing Stokterweg 10

4.11.2.

Horsterdijk 112

De locatie blijft in gebruik voor agrarische activiteiten zonder intensieve veehouderijactiviteiten. Vanuit het aspect Landschappelijke inpassing zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.11.3.

Horsterweg 23/23b

Met het realiseren van een nieuwe woning binnen het volume van de langgevelboerderij wordt vanuit de architectuur kwaliteit toegevoegd. Gezien de aanwezige inpassing ter plaatse en het saneren van de bedrijfsgebouwen voor de varkenshouderijactiviteiten wordt invulling gegeven aan de eisen voor kwaliteitsverbetering. In afbeelding 21 en 22 is het bestaande landschap ter plaatse weergeven.

59

Afbeelding 21 Aanwezige Landschappelijk inpassing Horsterweg 23/23b

Afbeelding 22 Aanwezige Landschappelijk inpassing Horsterweg 23/23b

60

4.12. 4.12.1.

Waterparagraaf Relevant waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. Per 18 maart 2022 is het Nationaal Waterprogramma 20222027 vastgesteld. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de Stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. De wateropgaven waar Nederland voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor de 3 hoofdambities van het NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta; • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. 4.12.2.

Provinciaal waterplan Limburg

Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal waterprogramma 20162021. Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die de Provincie de komende planperiode willen bereiken op het gebied van Water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. De provincie Limburg legt de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid.

Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen. 4.12.3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17078335/1