CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05c Toelichting bp Helenaveenseweg

Gemeenteraad 2 juli 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Helenaveenseweg 31 te Evertsoord20.164 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het plangebied is 3,8 hectare groot en is op onderstaande afbeelding weergegeven. De gronden binnen het plangebied zijn eigendom van de initiatiefnemers.

20

Figuur 7: Plangebied

Figuur 6: Huidige situatie (google maps)

21

Ruimtelijke structuur Het plangebied ligt in het uitgestrekte buitengebied van Evertsoord. Dit gebied kenmerkt zich vanaf de jaren ’50 als een van de primaire agrarische gebieden. De ruimtelijke structuur is door de veenontginningen die in de eerste decennia van de 20 ste eeuw hebben plaatsgevonden in het gebied grootschalig en rechtlijnig. In het gebied is sprake van een relatief hoge mate van agrarische bedrijvigheid. De gronden worden voornamelijk gebruikt voor de agrarische productie. De bebouwing in het gebied bestaat hoofdzakelijk uit Limburgse langgevelboerderijen uit de jaren ’50 en ’60 en agrarische bedrijfsbebouwing. De langgevelboerderij uit de jaren ’60 wordt gebruikt als bedrijfswoning. Aan de achterzijde van de langgevelboerderij zijn in de loop van de jaren diverse bedrijfsgebouwen gebouwd. Op het bedrijf staan vier loodsen en twee mestsilo’s. Achter deze bedrijfsbebouwing staan circa 17.600 m2 sheds van de voormalige pelsdierhouderij. De wegenstructuur is rechtlijnig. De verkavelingsstructuur is eveneens rechtlijnig en grootschalig van opzet. Groenstructuren zijn geconcentreerd langs de wegenstructuur en rondom de bestaande bebouwing in het gebied en hebben daarmee een hoofdzakelijk functioneel karakter. Door het ontbreken van natuurlijke groenstructuren is er sprake van een grote mate van openheid in het gebied.

Functionele structuur De gronden binnen het plangebied werden tot 2021 gebruikt ten behoeve van de pelsdierhouderij. De sheds aan de achterzijde werden gebruikt voor de huisvesting van de nertsen. De loodsen aan de voorzijde worden gebruikt voor de stalling van machines en bedrijfsmaterialen. Deze loodsen worden hergebruikt. De bedrijfswoning blijft zijn functie behouden.

22

3.2 Projectbeschrijving Dit bestemmingsplan voorziet in een nieuw planologisch-juridisch kader voor Helenaveenseweg 31 in Evertsoord. In dit bestemmingsplan zijn de in het kader van de saneringsregeling gemaakte afspraken en gewenste toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden vastgelegd. Het bestemmingsplan voorziet tevens in een mogelijkheid om de locatie te herontwikkelen tot een paardenhouderij. Hiervoor is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Regeling subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij Door de uitbraak van het coronavirus en het hoge aantal besmettingen op nertsenhouderijen is het verbod op pelsdierhouderijen in 2024 vervroegd naar 8 januari 2021. Om nertsenhouders te helpen met de sloop en/of ombouw van hun nertsenhouderij is de “Regeling subsidiëring sloop- en ombouw pelsdierhouderij” in het leven geroepen. Ook het bedrijf op de Helenaveenseweg 31 is ingeschreven voor de subsidieregeling. Een deel van de saneringskosten wordt echter niet gedekt door de subsidieregeling. Ook het verlies van inkomen in de periode tot 2024 is niet gedekt door de subsidieregeling. Herontwikkeling van de voormalige pelsdierhouderij kan het verlies van inkomen op lange termijn compenseren.

In het kader van de Saneringsregeling varkenshouderij heeft de gemeente Horst aan de Maas flankerend beleid opgesteld om stoppende varkenshouders te ondersteunen in de herontwikkelingsmogelijkheden. Ook stoppende pelsdierhouders kunnen gebruik maken van dit flankerend beleid waarmee ruimere hergebruiksmogelijkheden worden toegestaan. Na inschrijving voor de saneringsregeling hebben diverse overleggen met de gemeente plaatsgevonden om de herontwikkelingsmogelijkheden te verkennen. Gezien de leeftijd van de initiatiefnemers is het enkel saneren van de locatie geen haalbare optie gebleken. De overleggen hebben geleid tot een herontwikkelingsrichting. Deze herontwikkeling voorziet de initiatiefnemers en hun opvolgers in de toekomst in structureel inkomen en in verdere compensatie van de kosten als gevolg van sanering van de pelsdierhouderij. Tussen de gemeente Horst aan de Maas en de initiatiefnemers zijn de gemaakte afspraken vastgelegd in een anterieure overeenkomst, hierna te noemen ‘saneringsovereenkomst’. In deze overeenkomst zijn wederzijdse rechten en plichten ten aanzien van de saneringsregeling en hergebruiksmogelijkheden vastgelegd. Een deel van de rechten en plichten betreft harde afspraken, zoals de verplichting tot het slopen van bebouwing en het intrekken van de vigerende (milieu-)vergunningen.

Andere delen van de verplichtingen zijn verder uitgewerkt in dit bestemmingsplan. De belangrijkste afspraken uit de saneringsovereenkomst zijn: • Beëindiging van de pelsdierhouderij; • Sanering van de sheds; • Intrekking van de vigerende milieuvergunningen; • Andere intensieve veehouderij activiteiten uitsluiten door aanduiding ‘intensieve veehouderij’ te verwijderen; • Hergebruik van de locatie voor agrarische op- en overslag; • Opnemen wijzigingsbevoegdheid om locatie te wijzigen naar paardenhouderij; • Behoud van vigerende vergunning voor huisvesting van 12 internationale werknemers; Milieuwinst Met deelname aan de subsidieregeling is op verschillende vlakken forse milieuwinst behaald. De winst bedraagt onder andere: • Afname van geurbelasting op de directe omgeving; • Afname van stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden; • Afname van fijnstofemissie op de omgeving;

23

De overleggen met de gemeente hebben geresulteerd in een gedragen plan voor nieuwe toekomstige ontwikkelingen op de saneringslocatie. De verschillende onderdelen van het planvoornemen worden hieronder toegelicht. Agrarische op- en overslag De locatie wordt herontwikkeld tot locatie voor agrarische op- en overslagactiviteiten. Binnen het plangebied worden op de locatie van de bestaande sheds twee loodsen gebouwd. De loodsen, elk 2.400 m2, worden gebruikt voor de opslag van agrarisch gerelateerde producten. Doordat de loodsen voorzien worden van klimaatgestuurde systemen kunnen op locatie gedurende langere tijd producten als aardappelen, uien, wortelen e.d. worden opgeslagen. De loodsen kunnen afhankelijk van de behoefte worden ingedeeld in compartimenten van verschillende afmetingen voor diverse klanten. Rondom de loodsen wordt verharding aangelegd om de loodsen toegankelijk te maken voor vrachtverkeer en laden en lossen te vergemakkelijken. De loodsen worden verhuurd aan één of meerdere klanten die hun producten op locatie gedurende langere tijd, geconditioneerd, gecontroleerd en veilig kunnen opslaan. De loodsen zijn bereikbaar via het bestaande zandpad aan de oostzijde van het bedrijf. Vanaf het bestaande zandpad, dat wordt verhard, wordt een nieuwe toegang naar het achterliggende terrein gemaakt.

Op deze wijze kunnen de bedrijfsmatige bewegingen gescheiden blijven van de privé-bewegingen rondom de bedrijfswoning. De nieuwe loodsen, elk 30 meter bij 80 meter, worden binnen de bestaande bebouwingscontouren van de pelsdierhouderij gebouwd. Een minimale goothoogte van 7 meter en bouwhoogte van 12,5 meter is noodzakelijk om intern laden en lossen en de opslag van grote hoeveelheden geconditioneerde opslag mogelijk te maken. In het flankerend beleid zijn hergebruiksmogelijkheden opgenomen voor agrarisch verwante bedrijfsactiviteiten en niet-agrarische bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 1 en 2. De agrarische op- en overslag past binnen deze hergebruiksmogelijkheden. Op de daken van de loodsen worden op termijn zonnepanelen geplaatst om te voorzien in de eigen energiebehoefte. Paardenhouderij De planlocatie ligt in een omgeving waar de ontwikkeling van de hippische sport een belangrijke rol speelt. Het internationale hippisch sportcentrum Grandorse ligt op korte afstand van het plangebied en heeft een sterke aantrekkende werking op paardenhouderijen. Veel voormalige agrarische bedrijven in Evertsoord zijn verkocht en herontwikkeld tot paardenhouderij. De initiatiefnemers wensen de mogelijkheid te behouden om de locatie te kunnen wijzigen naar een paardenhouderij. Door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid blijft deze mogelijkheid behouden.

De wijzigingsbevoegdheid maakt enkel de vestiging van een paardenhouderij mogelijk. Huisvesting internationale werknemers Op de locatie is de huisvesting van 12 internationale werknemers vergund. De huisvestingsvoorziening is opgericht ten behoeve van de huisvesting van werknemers van de pelsdierhouderij. De mogelijkheid voor de huisvesting van internationale werknemers die al dan niet werkzaam zijn op het agrarisch open overslagbedrijf, blijft behouden. De vergunning wordt vertaald in een planologisch-juridische regeling en de huisvesting van maximaal 12 internationale werknemers kan in de toekomst verder worden doorgezet. Planologisch-juridische regeling In dit bestemmingsplan zijn bovenstaande ontwikkelingen in planologisch-juridische zin geborgd. Bedrijfsbestemming Het gehele plangebied heeft de enkelbestemming “Bedrijf”. Deze enkelbestemming vormt de basis voor de planologisch-juridische regeling. Het bouwvlak van het agrarisch bedrijf is overgenomen en vormt nu het bouwvlak van de enkelbestemming “Bedrijf”. In de regels is geborgd dat enkel een agrarisch op- en overslagbedrijf op deze locatie is toegestaan. Binnen het bouwvlak is de maatvoering ‘maximum oppervlakte: 7.940 m2’ opgenomen. De bestaande oppervlakte aan bebouwing bedraagt 7.219 m2. In de planologisch-juridische regeling is rekening 24

gehouden met een eenmalige uitbreiding van 10% van de totale oppervlakte tot maximaal 7.940 m 2. De oppervlakte bedrijfsgebouwen is op deze wijze beperkt tot 7.940 m2. Door het opnemen van een bouwvlak behouden de initiatiefnemers de ruimte om bebouwing te verplaatsen als dit gewenst is. In onderstaande tabel is een overzicht van de totale oppervlakte van de nieuwe bebouwing opgenomen. Gebouw Bedrijfswoning Bijgebouw 1 bedrijfswoning Bijgebouw 2 bedrijfswoning Loods 1 Loods 2 Loods 3 Loods 4 Loods 5 Loods 6 Watersilo Totaal

Bestaand/nieuw Bestaand Bestaand Bestaand Bestaand Bestaand Bestaand Bestaand Nieuw Nieuw Bestaand

Oppervlakte (m2) 323 218 53 170 593 600 278 2400 2400 184 7219

Huisvesting internationale werknemers Binnen het bouwvlak is de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – huisvesting internationale werknemers’ opgenomen. Deze aanduiding maakt de huisvesting van maximaal 12 internationale werknemers in planologisch-juridische zin mogelijk. Hiermee is de beschikking voor de seizoensarbeiders vertaald en geborgd in het bestemmingsplan. Intensieve veehouderij De aanduiding ‘intensieve veehouderij is geheel vervallen. Wijzigingsbevoegdheid paardenhouderij In de regels is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die de wijziging van de bedrijfsbestemming naar een paardenhouderij mogelijk maakt. Aan de wijziging van de bestemming zijn voorwaarden verbonden die in de wijzigingsbevoegdheid zijn opgenomen. Overige dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen Binnen het plangebied zijn, conform het oude bestemmingsplan, de volgende dubbelbestemmingen en/of gebiedsaanduidingen opgenomen: • Dubbelbestemming: ‘Waarde – Zone bronsgroene landschapszone’; • Gebiedsaanduiding: ‘Milieuzone – Hydrologische beschermingszone’; • Gebiedsaanduiding: Overige zone – Veenontginning’; • Gebiedsaanduiding: Reconstructiewetzone – Extensiveringsgebied’; Landschappelijke inpassing Een landschappelijk inpassingsplan is onderdeel van dit bestemmingsplan. In dit landschappelijk inpassingsplan is de te leveren kwaliteitsbijdrage en groenaanplant beschreven en vastgelegd.

Om de landschappelijke inpassing ook juridisch te borgen is een voorwaardelijke verplichting ‘landschappelijke inpassing’ opgenomen op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan. Het landschappelijk inpassingsplan is ook geborgd in een tussen de initiatiefnemer en de gemeente gesloten anterieure overeenkomst. Op deze wijze is de landschappelijke inpassing juridisch verankerd en zijn realisatie en instandhouding gegarandeerd. Het waterplan is ook onderdeel van het landschappelijk inpassingsplan en is eveneens geborgd door de voorwaardelijke verplichting en de anterieure overeenkomst.

25

Verbeelding De verbeelding van het bestemmingsplan is in figuur 8 weergegeven.

Figuur 8: Verbeelding bestemmingsplan

26

Stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten Ten behoeve van het planvoornemen is een stedenbouwkundige visie opgesteld. In deze visie zijn de stedenbouwkundige uitgangspunten geformuleerd. De stedenbouwkundige visie heeft geleid tot onderstaande concept.

Figuur 9: Eerste uitwerking stedenbouwkundige visie

De basis van de stedenbouwkundige visie bestaat uit twee loodsen van 80 meter bij 30 meter. Beide loodsen zijn noord-zuid georiënteerd om de impact vanaf de Helenaveenseweg zo beperkt mogelijk te houden. De loodsen worden gerealiseerd op de plek van de bestaande sheds. Tussen de twee nieuw te realiseren loodsen blijft een tussenruimte van 30 meter behouden om voldoende manoeuvreerruimte voor landbouwvoertuigen en vrachtverkeer te kunnen garanderen. Om de loodsen toegankelijk te maken voor landbouwvoertuigen en vrachtverkeer en intern laden en lossen mogelijk te maken is een minimale goothoogte van 7 meter en bouwhoogte van 14 meter vereist. De bestaande bouwregels van de enkelbestemming “Agrarisch met waarden” wordt overgenomen in de nieuwe enkelbestemming “Bedrijf”. De loodsen worden niet volledig aan de buitenranden van het plangebied geplaatst om de visuele impact beperkt te houden. Door de loodsen op deze wijze te situeren wordt het zicht door de bestaande bebouwing geblokkeerd. Door de juiste kleurstellingen en toepassing van cosmetische ingrepen wordt de impact van de bebouwing verder beperkt. De bestaande loodsen aan de voorzijde van de sheds blijven behouden voor de toekomstige bedrijfsactiviteiten. Een van de bestaande mestsilo’s wordt gesloopt. De andere mestsilo blijft behouden voor de opslag van hemelwater van bebouwing en verhardingen.

Groenstructuur De planlocatie ligt in een Veenontginningslandschap. Deze gebieden kenmerken zich door een grote mate van openheid. De groenstructuren bestaan voornamelijk uit bomenrijen en singelbeplanting langs de (voormalige) hoofdinfrastructuur zoals wegen en kanalen. De (voormalige) agrarische bedrijven zijn 27

ingepast door robuuste singelbeplating aan de buitenzijde van de bedrijven. De verkaveling, is net als de groenstructuren, rationeel en rechtlijnig van opzet en staat in de meeste gevallen haaks op de wegenstructuur. Door de landschappelijke inpassing wordt optisch gezien een separaat bedrijfskavel gecreëerd. De voorzijde van het erf met daarop de boerderij en de bestaande loodsen blijft in omvang, uitstraling en aanzicht het ‘oude’ boerenerf behorende bij de cultuurhistorisch waardevolle ontginningsboerderij. Aan de achterzijde van het bestaande boerenerf wordt de landschappelijke inpassing aan de westzijde ook aan de oostzijde verder doorgetrokken. Door opgaande en hoge beplanting wordt een gedeelte van de loodsen uit het zicht onttrokken. Daarnaast wordt een heldere en duidelijke grens van het oude boerenerf gecreëerd zoals deze in de gehele omgeving duidelijk herkenbaar zijn. De landschappelijke inpassing wordt in deze concept rond het bestaande bedrijfskavel geplaatst. De landschappelijke inpassing aan de zijkanten van het bedrijfskavel bestaat uit robuuste en gebiedseigen groenstructuren. Ook aan de achterzijde van de loodsen wordt deze robuuste inpassing doorgetrokken.

Het initiatief ligt in het ‘Rivierdallandschap’ waarvoor de volgende doelstellingen zijn geformuleerd: • Goed omgaan met de beperkte opnamecapaciteit voor nieuwe functies (met name verstedelijking), dreigende ecologische verarming en het verdwijnen van solitaire bomen en struiken; • Aansluiten bij bestaande landschapssstructuur, waarborgen cultuurhistorisch waardevolle gebieden en specifieke natuurwaarden, stimuleren van recreatief medegebruik en ontwikkelen duurzaam landbouwkundig gebruik; • Nieuwe functies zijn mogelijk, mits ze een landschappelijke meerwaarde opleveren. De groenstructuren in de directe omgeving zijn beperkt tot laanbeplanting langs de rationeel opgezette wegenstructuur. Deze groenstructuren worden enkel doorbroken door de natuur in de Deurnsche Peel en Mariapeel. Daarnaast beperken de groenstructuren zich tot beplanting rondom bestaande bebouwing die in het geval het de planlocatie onderdeel is van de landschappelijke inpassing. Het gebied kenmerkt zich door een hoge mate van openheid. Verkeersstructuur Ter plaatse is sprake van een goede ontsluitingsstructuur. Het plangebied wordt ontsloten via de Helenaveenseweg. De Helenaveenseweg ontsluit het gebied in oostelijke richting naar de provinciale weg N277 en de A67. In oostelijke richting wordt het gebied ontsloten via de kern Helenaveen naar de A67.

De Helenaveenseweg is door de inrichting als gebiedsontsluitingsweg geschikt voor de ontsluiting van vrachtverkeer en landbouwvoertuigen. Functionele structuur De functionele structuur van het gebied kenmerkt zich hoofdzakelijk door grootschalig agrarisch grondgebruik. In het gebied worden de grote, rechtlijnige percelen, gebruikt voor diverse agrarische doeleinden. In de omgeving liggen een relatief groot aantal intensieve veehouderijen en melkveebedrijven. Ook liggen in de omgeving diverse paardenhouderijen. De agrarische bedrijven worden afgewisseld door enkele burgerwoningen.

28

Historische ontwikkeling Eind 19de eeuw is de ontginning van de Deurnsche Peel aan de Brabantse zijde begonnen. Pas in de jaren ’20 van de vorige eeuw begint de ontginning van het Limburgse deel van de Peel. In de jaren ’50 maken de veenontginningen en waterwegen plaats voor een gestructureerde en planmatige indeling van de oude veenontginningen. In 1959 wordt de ontginningsboerderij binnen het plangebied opgericht. Het bedrijf is tot de jaren ’90 een traditioneel agrarisch bedrijf. Begin jaren ’90 start de ontwikkeling van de pelsdierhouderij. Deze ontwikkeling leidt uiteindelijk tot de huidige bedrijfsomvang.

Figuur 10: Historische ontwikkeling van linksboven met de klok mee 1882 – 1926 – 1958 -2022 (Topotijdreis)

Cultuurhistorie Pas in 1938 wordt gestart met de ontginning van de Peel. In Evertsoord worden twee werkverschaffingskampen opgericht. In 1959 is de ontginning officieel voltooid. In het ontginningsgebied worden in totaal 56 boerderijen gebouwd, waarvan de ontginningsboerderij binnen de planlocatie er één van is. De ontginningsboerderijen zijn naast de ontginningskanalen nog enkele van de herkenningspunten en objecten die terugleiden naar het verleden van de omgeving. Het planvoornemen heeft geen (bouwkundige) wijzigingen van de waardevolle ontginningsboerderij tot gevolg. De Mariapeel ligt op korte afstand van het plangebied en is een waardevol landschap. Het planvoornemen voorziet niet in ontwikkelingen die de kwaliteiten van het gebied aantasten.

29

3.3. Landschappelijke inpassing In het kader van de herontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het landschappelijk inpassingsplan is voor het gehele plangebied opgesteld en voorziet in een robuuste, inheemse en gebiedseigen inpassing. In onderstaande afbeelding is het landschappelijk inpassingsplan weergegeven. De landschappelijke inpassing bestaat uit een groensingel die rondom de nieuw te bouwen loodsen wordt aangeplant. In de groensingel wordt gebiedseigen en inheemse beplanting aangeplant en bestaat uit zowel struik- als boomvormers. De groensingel ontneemt het zicht op de nog te realiseren loodsen. Daarnaast wordt een duidelijke scheiding tussen het oude boerenerf aan de voorzijde en de nieuwe bedrijfsactiviteiten aan de achterzijde gecreëerd.

Figuur 11: Landshcappelijke inpassing

De landschappelijke inpassing en het waterplan zijn middels een voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage toegevoegd aan dit bestemmingsplan.

30

4. 4.1.

Sectorale aspecten Inleiding

Bij de realisatie van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met de mogelijke (milieu)effecten van het beoogde planvoornemen op de omgeving en vanuit de omgeving. In dit hoofdstuk komen alle voor het planvoornemen relevante milieuaspecten aan bod. Voor dit planvoornemen betreft het in ieder geval de aspecten geluid, bodem en grondwaterkwaliteit, gebiedsbescherming Natura2000gebieden en soortenbescherming, woon- en leefklimaat en de milieu-invloed van bedrijvigheid. In het kader van de subsidieregeling en de herontwikkeling heeft uitgebreid overleg en afstemming met de gemeente plaatsgevonden. Deze overleggen hebben geleid tot het planvoornemen zoals beschreven in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Ook over de uit te voeren onderzoeken heeft vooraf overleg plaatsgevonden. Ten behoeve van het planvoornemen zijn de noodzakelijke milieumeldingen ingediend.

4.2.

Milieuaspecten

Omgevingsvergunning milieu Voor de locatie is een milieuvergunning voor de nertsenhouderij van kracht. De milieuvergunning wordt in het kader van de herontwikkeling ingetrokken. Voor de nieuwe bedrijfsactiviteiten wordt een melding in het kader van het Activiteitenbesluit ingediend. Milieueffectrapportage Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Het planvoornemen voorziet in de herontwikkeling van een voormalige agrarische bedrijfslocatie in een niet-agrarische bedrijfslocatie met een bedrijfsvloeroppervlakte van circa 6.400 m2. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of; • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”. Aangezien in dit geval sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 2.000 woningen omvat, is geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Het planvoornemen voorziet niet in de realisatie van een activiteit die een van de grenswaarden in categorie D11.2 overschrijd. De bedrijfsvloeroppervlakte van de nieuwe bebouwing is na realisatie maximaal 6.400 m2. De bestaande bedrijfsvloeroppervlakte bedraagt meer dan 20.000 m 2. Er is dan ook geen sprake van een MER-beoordelingsplicht voor het planvoornemen. Op basis van bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling is een beoordeling alsnog noodzakelijk indien activiteiten wel voorkomen in de C- en D-tabellen van het Besluit milieueffectrapportage maar de grenswaarden niet overschrijden. In dat geval is een zogenaamde vormvrije MER-beoordeling noodzakelijk. Met deze vormvrije MER-beoordeling dient te worden aangetoond dat het planvoornemen geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In deze toelichting en bijlagen heeft een beoordeling van verschillende relevante milieuaspecten plaatsgevonden.

In dit bestemmingsplan wordt dan ook ingegaan op alle in de EU richtlijn milieubeoordeling aangegeven criteria die hieronder zijn opgenomen: 31

1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die het project kan hebben; Omdat alle relevante aspecten in de toelichting bij dit bestemmingsplan aan de orde komen is dit bestemmingsplan tevens de vormvrije MER-beoordeling. Hieronder is beschreven in welke hoofdstukken en paragrafen de hierboven genoemde criteria zijn opgenomen. 1. De kenmerken van het project; De omschrijving en kenmerken van het project zijn te vinden in hoofdstuk 1 waar een globale beschrijving van het planvoornemen is opgenomen. In hoofdstuk 3 is een uitgebreide (milieukundige) planbeschrijving opgenomen. In hoofdstuk 5 zijn de milieukundige gevolgen van het planvoornemen (geur, geluid, fijnstof, ammoniak, verkeer, externe veiligheid, bodem, lucht en water) beschreven. 2. De plaats van het project; De plaats van het project is beschreven in hoofdstuk 1 en 3. In hoofdstuk 3.2 is de landschappelijke inpassing van het project in de omgeving beschreven. 3. De kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die het project kan Hebben. De mogelijke gevolgen van het planvoornemen op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 5 van deze toelichting en in de bijbehorende bijlagen bij dit bestemmingsplan zoals de Aeriusberekeningen en de verschillende andere milieubeoordelingen.

De maximale planologische mogelijkheden zijn in het bestemmingsplan beperkt doordat binnen het bouwvlak een maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing is opgenomen. Daarnaast is het bouwvlak van het voormalig agrarisch bedrijf overgenomen waardoor niet voorzien wordt in ruimere bouwmogelijkheden. Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen en volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand precies (minimaal) aangehouden moet worden, is niet wettelijk vastgelegd. Welke afstand aanvaardbaar is, hangt op grond van de rechtspraak af van de onderbouwing die hieraan ten grondslag ligt. Het planvoornemen voorziet niet in de realisatie van een nieuwe gevoelige objecten zoals woningen. Wel kunnen binnen de enkelbestemming “Bedrijf” en de vergunde bedrijfsgebouwen personen voor langere tijd verblijven. De aan het plangebied grenzende gronden worden historisch gezien enkel gebruikt voor de teelt van typische akkerbouwgewassen zoals aardappelen, mais, prei, bieten e.d. Deze gewassen worden over het algemeen ‘laag’ gespoten. Bij het spuiten van deze gewassen is de drift van gewasbeschermingsmiddelen naar de nieuwe bedrijfsbebouwing beperkt.

De te hanteren richtafstand hangt voor een groot deel af van de frequentie en de wijze van spuiten en de toxiciteit van het middel dat gebruikt wordt bij het bespuiten van de gewassen. De boven beschreven teelten worden hoogstens enkele keren per jaar gespoten. De drift is relatief beperkt, aangezien laag bij de grond en neerwaarts wordt gespoten. Op dit moment is er ook geen enkele reden om aan te nemen dat de omliggende percelen in de nabije toekomst op een manier worden bespoten die een grote drift of het gebruik van andere of meer toxische gewasbeschermingsmiddelen tot gevolg heeft. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij gebruik van de percelen voor fruit- of boomteelt. In het vigerend bestemmingsplan van de directe aangrenzende gronden rondom het plangebied is in de gebruiksregels van de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ de volgende regel opgenomen: “Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: het gebruik van de gronden voor fruitteelt en boomteelt binnen een afstand van 50 m tot (bedrijfswoningen inclusief tuinen en erven, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen, uitgezonderd en voor zover: 1. bestaand gebruik waarbij de bestaande afstand als minimale afstand dient te worden aangehouden; 2. het herplant van houtopstanden van bestaande fruitteelt en boomteelt betreft; 3.

aangetoond is dat geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, dan wel indien gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast wordt voorzien in een windsingel, gebruik wordt gemaakt van driftarme spuitdoppen en het woon- en leeflkimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies niet onevenredig worden aangetast; 32

Op de omliggende percelen vindt op dit moment geen fruit- of boomteelt plaats. Zouden de gronden in de toekomst toch (deels ) in gebruik worden genomen voor de fruit- en/of boomteelt dan zullen minimale afstanden van 50 meter tot de woonbestemming moeten worden aangehouden om mogelijke negatieve effecten van het spuiten van de (fruit)bomen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tot een minimum te beperken. 33

Daarnaast heeft het kabinet de volgende maatregelen genomen om de blootstelling van omwonenden aan gewasbeschermingsmiddelen te verminderen: • toelatingsprocedure: alle gewasbeschermingsmiddelen worden vóór goedkeuring van de werkzame stof en vóór toelating in een lidstaat beoordeeld op risico’s voor mens, dier en milieu. Anders dan voorheen kent de toelatingsprocedure nu een aparte beoordeling van de risico’s voor omwonenden; • verduurzaming van de landbouw: door onder meer het toepassen van geïntegreerde gewasbescherming (meer biologische gewasbescherming) kan gebruik van (chemische) gewasbeschermingsmiddelen verminderen; • driftarme spuittechnieken: hiermee wordt verwaaiing van gewasbeschermingsmiddelen beperkt. Met het oog op bescherming van het oppervlaktewater is in het Activiteitenbesluit milieubeheer een verplichte driftreductie opgenomen. Deze verplichte driftreductie is per 1 januari van dit jaar aangescherpt van 50% naar minimaal 75%. Anders dan voorheen, gaat deze verplichte driftreductie gelden voor het gehele perceel, ongeacht of het perceel grenst aan oppervlaktewater. De mogelijke (toekomstige) aanwezigheid van spuitzones is geen belemmering voor het planvoornemen.

Bodem- en grondwaterkwaliteit In artikel 3.1.6 lid 1, onder d van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening dient te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden de bodem dient geschikt te zijn voor het beoogde gebruik. Bij functiewijzigingen en/of de toevoeging van een nieuwe gevoelige functie in het kader van het aspect ‘bodemkwaliteit’ dient te worden bepaald of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik en of geen vervuilingen in de bodem of het grondwater aanwezig zijn die kunnen leiden tot negatieve effecten voor de gezondheid van personen. Onderhavig planvoornemen voorziet in de wijziging van de enkelbestemming “Agrarisch met waarden” in de enkelbestemming “Bedrijf”. De pelsdierhouderij binnen het plangebied is gesaneerd. Een bodemonderzoek is dan ook noodzakelijk. Bodeminzicht B.V. heeft een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) uitgevoerd voor de gronden binnen het plangebied. Op basis van het onderzoek is vastgesteld dat ter plekke van meetpunt 48 verhoogde concentraties zink en ter plekke van meetpunt 31 verhoogde concentraties zware metalen zijn gemeten. Deze conclusies zijn aanleiding voor nader onderzoek. Door bodeminzicht B.V. is dan ook een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd.

Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat de verhoogde gehaltes zink geen aanleiding geven tot nader onderzoek. De gehaltes aan koper zijn weliswaar verhoogd, maarde concentraties zijn in de periode tussen de twee monsternames licht gezakt. Er is geen aanleiding tot nader onderzoek. De bodem is daarmee geschikt voor het beoogde gebruik. Het bodemonderzoek is bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting. Het aspect ‘bodemkwaliteit’ is geen belemmering voor het planvoornemen. Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan weg- en railverkeer maar ook aan industriële activiteiten. Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan of wijzigingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd indien het plan mogelijkheden biedt voor: • De toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidgevoelige functie binnen de zone van een weg; • De aanleg van een nieuwe weg; • De reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van de weg is afhankelijk van het aantal rijkstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. 34

Het planvoornemen maakt de herontwikkeling van de locatie naar een agrarisch op- en overslagbedrijf mogelijk. In de bestaande en nieuw te bouwen loodsen zullen in de toekomst maar gedurende beperkte tijd mensen verblijven. De bedrijfsgebouwen zijn in het kader van de Wet geluidhinder dan ook geen geluidsgevoelige bestemmingen. Een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. De bedrijfswoning behoud haar status als bedrijfswoning. Ook ten aanzien van de bedrijfswoning is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Wegverkeerslawaai Omdat niet voorzien wordt in de realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder is een toetsing aan het aspect ‘wegverkeerslawaai’ niet noodzakelijk. Industrielawaai De impact van het geluid van de inrichting is gemotiveerd in de paragraaf “Bedrijven en milieuzonering”. Zoals hier is opgenomen is er geen sprake van onevenredige geluiduitstraling vanuit de inrichting naar omliggende geluidgevoelige functies. Het bestemmingsplan voorziet in het mogelijk maken van nieuwe geluidveroorzakende activiteiten. Omdat de toegestane bedrijven en activiteiten in het bestemmingsplan echter beperkt zijn tot de milieucategorieën 1 en 2, daarmee qua milieuimpact vergelijkbare bedrijven en agrarische op- en overslagactiviteiten is de impact van mogelijke geluidhinder zeer beperkt.

Voor bedrijven in deze milieucategorieën betreft de richtafstand ten aanzien van het aspect ‘geluid’ namelijk 50 meter. Binnen een straal van 50 meter van het bouwvlak liggen geen geluidgevoelige objecten. Er wordt dan ook ruimschoots voldaan aan de richtafstanden in het kader van het aspect ‘geluid’. Het aspect ‘geluid’ is dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Er bestaan vanuit het aspect ´Geluid´ dan ook geen belemmeringen voor de gewenste ontwikkeling. Luchtkwaliteit Als primair kader voor onderzoek en beoordeling van de luchtkwaliteit geldt de Wet luchtkwaliteit (Wlk 2007). Deze wet vormt een onderdeel van de Wet milieubeheer en is een vertaling van Europese regelgeving ten aanzien van luchtkwaliteit in de Nederlandse wetgeving. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; • Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. NIBM Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: • Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; • Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2 µg/m3). Met behulp van de NIBM-tool 2022 is in beeld gebracht of het planvoornemen NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In deze berekeningen zijn alle toekomstige verkeersbewegingen als ‘nieuwe’ verkeersbewegingen ingevoerd.

Van deze ‘nieuwe’ verkeersbewegingen mogen normaal de al bestaande verkeersbewegingen, in dit geval die van de voormalige pelsdierhouderij, worden afgetrokken. In de berekening is gerekend met een 20 vervoersbewegingen per dag, waarvan 50% 35

vrachtverkeer. Een uitgebreide onderbouwing van deze vervoersbewegingen is opgenomen in paragraaf 4.7 ‘Verkeer en parkeren’. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het planvoornemen binnen het 3% criterium van de regeling NIBM blijft. Het planvoornemen draagt dan ook NIBM aan de luchtkwaliteit.

Tabel 1: NIBM-tool 2022

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2025

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

20

Aandeel vrachtverkeer

50,0%

NO2 in μg/m3

0,12

PM10 in μg/m3

0,01

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Tabel 2: Grenswaarden Wlk

Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) ligt de concentratie PM2,5 ter plaatse is 8,95 µg/m3. De concentratie PM10 is 16,38 µg/m3. En de concentratie NO2 is 11,84 µg/m3. Volgens de kaarten van het RIVM liggen de jaargemiddelde concentraties ruimschoots binnen de daarvoor gestelde grenzen in de Wet luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit is dan ook ruimschoots voldoende. Daarnaast zal de luchtkwaliteit in de toekomst, mede door de toepassing van betere technieken op tal van gebieden, nog verder verbeteren. Het planvoornemen zelf heeft een stijging van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg. Deze leidt echter niet tot een overschrijding van de NIBM-grens. Aangezien het plan ver onder het NIBM criterium van 3% blijft leidt het aantal verkeersbewegingen dan ook niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plekke en/of in de directe omgeving. Conclusie Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarden van bestaande concentraties van stof. Er wordt dan ook voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Het planvoornemen zelf heeft een stijging van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg. Deze stijging leidt echt niet tot een overschrijding van het NIBM criterium van 3%. Het project draagt ‘niet in 36

betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering is voor onderhavig planvoornemen. Geur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten. Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mag geen inbreuk ontstaan op de milieuruimte van omliggende veehouderijen. Volgens de definitie van de Wgv is een geurgevoelig object een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen en menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Een woning wordt in het kader van de Wgv aangemerkt als een geurgevoelig object. Het maakt in de beoordeling van de Wgv echter niet uit of sprake is van een bedrijfswoning of een burgerwoning. Een uitzondering op deze regel vormen bedrijfswoningen behorende tot of die op of na 19 maart 2000 zijn afgesplitst van een intensieve veehouderij. De bedrijfswoning binnen het plangebied behoorde tot 2021 tot een veehouderij en is in het kader van de Wgv dan ook geen geurgevoelig object. Een toetsing aan de Wgv is dan ook niet noodzakelijk.

Bedrijfsgebouwen waarin voor langere tijd door personen wordt verbleven zijn in het kader van de Wgv geurgevoelige objecten. In paragraaf ‘bedrijven en milieuzonering’ heeft een toetsing aan de richtafstanden in het kader van ‘Bedrijven en milieuzonering’ plaatsgevonden. Het planvoornemen ligt op voldoende afstand van bedrijven in de directe omgeving om te voldoen aan de voor het aspect ‘geur’ opgenomen richtafstanden. Het planvoornemen maakt geen bedrijvigheid of activiteiten mogelijk die geuremissies in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) met zich meebrengen. Het aspect ‘geur’ is geen belemmering voor het planvoornemen. Bedrijven en milieuzonering Algemeen Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het zoveel mogelijk voorkómen van hinder en gevaar en waar mogelijk in een acceptabel ‘woon- en leefklimaat’. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen, zorginstellingen en scholen) kan dit gerealiseerd worden. Daar waar mogelijk dient zoveel mogelijk te worden voorkomen dat hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat. Aan de andere kant dient ook aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet onevenredig in hun activiteiten en ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

Om te kunnen beoordelen of sprake is van voldoende afstand tussen hinderveroorzakende activiteiten en gevoelige functies wordt gebruik gemaakt van het toetsingskader dat is opgenomen in de VNGpublicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (BMZ). In deze publicatie zijn richtafstanden opgenomen voor verschillende aspecten zoals stof, geur, geluid en gevaar. Deze richtafstanden worden gemeten van de grens van de bestemming die de hinderveroorzakende activiteit toelaat tot de uiterste gevel van de gevoelige functie. Indien niet direct kan worden voldaan kan gemotiveerd worden afgeweken van deze richtafstanden door voor die aspecten waarvoor de richtafstanden niet worden gehaald op een andere manier aan te tonen dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Op basis van deze toetsing is het mogelijk om te beoordelen of sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Gebiedstype Het plangebied ligt in een landelijke omgeving met een beperkte mate van functiemenging. In BMZ wordt voor de toetsing gebruik gemaakt van twee gebiedstypen. Voor beide gebieden gelden andere aan te houden richtafstanden tussen hinderveroorzakende en gevoelige functies. Het eerste gebied betreft een omgeving waarin sprake is van een zeer beperkte mate van functiemenging en worden aangemerkt als ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’.

37

Het tweede gebied betreft gebieden met een relatief hoge mate van functiemenging waarin gevoelige functies afgewisseld worden met bedrijfsfuncties, horeca, maatschappelijke voorzieningen e.d. De omgeving kenmerkt zich door een zeer beperkt aantal verschillende functies en wordt daarmee aangemerkt als ‘rustig buitengebied’.

Figuur 12: Uitsnede vigerend bestemmingsplan, plangebied zwart omkaderd

Het bestemmingsplan geeft een goede indicatie van de mate van functiemenging in de directe omgeving van het planvoornemen. In de directe omgeving komen een beperkt aantal andere functies voor. De andere functies zijn beperkt tot agrarische bedrijven en woonbestemmingen. De omgeving is getypeerd als ‘rustig buitengebied’. De toetsing van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ is tweeledig. Het planvoornemen mag geen belemmeringen opleveren voor de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden in de directe omgeving. Andersom mogen de nieuwe bedrijfsactiviteiten die met het planvoornemen mogelijk worden gemaakt geen (extra) belemmeringen opleveren voor omliggende gevoelige objecten zoals bijvoorbeeld burgerwoningen. In het kader van dit planvoornemen heeft een toetsing aan de omliggende bedrijfsbestemmingen plaatsgevonden. Op de Helenaveenseweg 30 is een grondgebonden veehouderijbedrijf gevestigd. Op Helenaveenseweg 32 is een paardenhouderij gevestigd. Binnen het plangebied is enkel de bedrijfswoning aan te merken als een gevoelig object. Ten aanzien van de bedrijfswoning vinden geen veranderingen plaats. De nieuwe bedrijfsbestemming maakt de vestiging van niet-agrarische bedrijvigheid mogelijk. Helenaveenseweg 30, Evertsoord Op deze locatie is een grondgebonden veehouderij gevestigd. Op locatie worden zoogkoeien, vleeskalveren, vleesstieren en fokstieren gehouden.

Dit type bedrijvigheid is ingedeeld in de categorie “Fokken en houden van rundvee” waarvoor de richtafstand van 100 meter voor het aspect ‘geur’ de maatgevende richtafstand is. In figuur 12 is de zonering ten aanzien van het bedrijf aangegeven. Op deze kaart is te zien dat de 100 meter zone enkel over de voorzijde van het plangebied valt. Binnen deze zone staan de huidige bedrijfswoning en loods waarin internationale werknemers worden gehuisvest. Aan de bedrijfswoning verandert in de toetsing ten aanzien van het aspect ‘geur’ niets. Ook de huisvesting van internationale werknemers is vergund. De vergunde situatie wordt in dit bestemmingsplan enkel planologisch-juridisch verankerd. Van een nieuwe situatie, en daarmee van een 38

nieuwe toetsing, is geen sprake. Ten aanzien van de richtafstanden van dit bedrijf bestaan er geen belemmeringen. Helenaveenseweg 34, Evertsoord Op deze locatie is een paardenhouderij gevestigd. Voor paardenhouderijen, die in de categorie “Fokken en houden van overige graasdieren: Paardenfokkerijen” zijn ingedeeld, is de richtafstand van 50 meter voor het aspect ‘geur’ de maatgevende richtafstand. In figuur 12 is te zien dat de 50 meter zonering ver buiten het plangebied blijft. Er bestaan geen belemmeringen ten aanzien van deze bedrijfsbestemming.

Figuur 13: Milieuzonering omliggende bedrijven

Er wordt ruimschoots voldaan aan de aan te houden richtafstanden voor de omliggende bedrijven. Het planvoornemen heeft dan ook geen (extra) belemmeringen voor de bedrijfsvoering en/of dagelijkse ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven tot gevolg. Andersom mogen de nieuwe bedrijfsactiviteiten geen belemmeringen opleveren voor al bestaande omliggende functies. Het planvoornemen voorziet in het mogelijk maken van bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 1 en 2 en daarmee qua impact vergelijkbare bedrijven en activiteiten en agrarische op- en overslagactiviteiten. Voor bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 1 en 2 is een richtafstand van 30 meter (voor verschillende milieuaspecten) de maatgevende afstand. Voor agrarische op- en overslagactiviteiten is geen specifieke bedrijfscategorie opgenomen in de lijst. De activiteiten zijn het best vergelijkbaar met bedrijven in de categorieën “Dienstverlening t.b.v. landbouw: Algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m2”. Voor deze categorie is de richtafstand van 50 meter voor het aspect “geluid” de maatgevende factor. In figuur 13 is de zonering weergegeven. Op deze afbeelding is de te zien dat de afstand van 50 meter voor het aspect geluid vanuit de buitenste randen van de enkelbestemming ruimschoots gehaald wordt.

De afstanden worden gemeten vanaf de rand van de enkelbestemming van het hinderveroorzakend object (Helenaveenseweg 31) tot de gevel van het gevoelig object (de woning op Helenaveenseweg 32).

39

Figuur 14: Uitwaartse zonering

In een cirkel van 50 meter van het plangebied komen geen andere functies voor. Alle andere gevoelige bestemmingen liggen op grotere afstand. Er wordt dan ook ruimschoots voldaan aan de voor deze bedrijfsactiviteiten opgenomen richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Conclusie Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Het planvoornemen levert geen belemmeringen op voor de dagelijkse bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies. Ook heeft het planvoornemen geen negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van omliggende burgerwoningen. Een acceptabel woon- en leefklimaat voor functies in de directe omgeving is dan ook gegarandeerd. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ is geen belemmering voor het planvoornemen. Externe veiligheid Algemeen Het beleid ten aanzien van het aspect ‘externe veiligheid’ is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.

Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren 40

rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende waarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn onder andere woningen, scholen, kantoorgebouwen, ziekenhuizen, hotels, restaurants. Het IPO heeft een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Risicovolle bedrijvigheid Volgens de risicokaart liggen in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bedrijven. Op een afstand van circa 2.600 meter ten westen van het plangebied ligt een buisleiding voor het rapnsport van gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt echter ruim buiten de risicocontour van deze buisleiding.

41

Ten zuiden van het plangebied ligt op circa 1.500 meter de A67 waarover het transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied ligt ook ruimschoots buiten deze risicocontour.

Figuur 15: Uitsnede risicokaart, plangebied in geel aangegeven (Atlas voor de leefomgeving)

Risicovolle buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 of het invloedsgebied van risicovolle buisleidingen. Risicovol transport over het water In de nabijheid van het plangebied liggen geen vaarwegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Risicovol transport over de weg Voor onderhavige ontwikkeling is gekeken naar eventuele aanwezige risicobronnen. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Risicovol transport over het spoor In de nabijheid van het plangebied liggen geen spoorwegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Het planvoornemen zelf voorziet niet in de toevoeging of het plaatsen van risicovolle objecten zoals bijvoorbeeld propaantanks. Er is als gevolg van het planvoornemen dan ook geen toename van het plaatsgebonden risico te verwachten. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ is geen belemmering voor het planvoornemen.

42

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichtring en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het volgens het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie Limburg, het Provinciaal Waterplan, het Nationaal Water Programma 2022 - 2027, het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptie, het Regionaal Water en Bodem programma 2022 – 2027, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water.

Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). De opgave in het POVI inzake het regionale water is het komen tot robuuste en natuurlijk functionerende en veerkrachtige watersystemen. Dit om risico’s tot wateroverlast en watertekort te verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel te blijven. Er dient te worden voldaan aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen de belangrijkste opgave voor het omgaan met huidige en toekomstige watertekorten. Een belangrijke voorwaarde hierbij is de beschikbaarheid van voldoende water met de juiste kwaliteit. Op deze manier zijn problemen op het gebied van watertekort in tijden van schaarste beheersbaar en maatschappelijk acceptabel te houden. Een van de doelen van de provincie is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van de klimaatverandering.

Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Verdroging en waterkwaliteit spelen een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (waar mogelijk) moeten worden verhoogd door peilbeheer. Tevens dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan watergangen en -plassen op de toegekende functies te worden afgestemd. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofd- en nevenfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater te kunnen worden ingepast. Kenmerken watersysteem en bodem Grondwater Het plangebied ligt niet binnen een boringsvrije zone zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat het freatisch grondwater ligt op een diepte van circa 1,0 meter onder maaiveld. Het hemelwater stroomt in noordoostelijke richting in de richting van de Maas. Oppervlaktewater Binnen het plangebied zelf is een natuurvijver aangelegd waarin het hemelwater van de verhardingen wordt opgevangen en kan infiltreren. Binnen het plangebied komen geen andere oppervlaktewateren voor. Direct ten oosten van het plangebied loopt de A-watergang Sevenumse Turfkuilen. Direct ten noorden van het plangebied loopt de A-watergang Aanvoerleiding Evertsoord.

Beide sloten zorgen voor de afwatering van het gebied. De watergang en het kadastrale perceel van het Waterschap liggen niet 43

binnen het plangebied. In het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” is echter binnen het plangebied wel de dubbelbestemming “Waterstaat – Profiel van vrije ruimte” opgenomen om het beheer en onderhoud van de watergang te garanderen. Binnen deze dubbelbestemming is het bouwen van bebouwing, anders dan bebouwing ten behoeve van het gebruik van de beschermingszone en de watergang, niet toegestaan. De dubbelbestemming is overgenomen in dit bestemmingsplan. Het planvoornemen voorziet niet in de bouw van bebouwing binnen deze dubbelbestemming en is derhalve geen belemmering voor het gebruik van de gronden voor het beheer en onderhoud van de watergang. Bodem De bovenlaag bestaat tot een diepte van circa 1 meter uit zand uit de fijne categorie. Tussen 1 meter en 1,50 meter onder maaiveld bestaat de grond uit zand uit de midden categorie waarna deze laag over gaat in zand uit de grove categorie. De bodem is daarmee goed doorlatend. Bodemdoorlatendheid De bodem binnen het plangebied heeft met een k-waarde van 1,5 – 10 m/dag een zeer goede doorlatendheid.

Figuur 16: Kaart bodemdoorlatendheid Waterschap Limburg, plangebied in geel weergegeven

Afkoppeling afval- en hemelwater Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van de bedrijfswoning wordt afgekoppeld via het bestaande rioleringssysteem. Het bedrijfsmatig afvalwater wordt afgekoppeld en opgevangen in daarvoor te realiseren opvangputten op het bedrijf. Deze putten worden periodiek geleegd. Op deze wijze is er geen extra belasting van het aanwezig rioleringsstelsel. Hemelwater Het planvoornemen voorziet in de bouw van nieuwe bedrijfsbebouwing en daarvoor noodzakelijke verharding. De nieuwe verhardingen zijn in onderstaande tabel weergegeven:

44

Tabel 3: Verhard oppervlak bestaande en nieuwe situatie

Verhard oppervlak Bebouwing Verharding Totaal

Oppervlakte bestaande bebouwing 20.000 2.400 22.400

Oppervlakte nieuwe bebouwing (m2) 9.080 8.400 17.480

Op de voormalige pelsdierhouderij was een oppervlakte van circa 22.400 m2 aan verhardingen aanwezig. De toekomstige verharde oppervlakte bedraagt 17.480 m 2 waardoor er per definitie een afname is van de verharde oppervlakte. Minimale opvangcapaciteit Het Waterschap Limburg hanteert een minimale opvangcapaciteit van 100 mm per m 2 op een T-100 van 100 mm in 24 uur op eigen perceel op te kunnen vangen en te laten infiltreren in de bodem. Binnen het plangebied dient dan ook een opvangcapaciteit van 175 m3 te worden gerealiseerd. Natuurvijver In de huidige situatie wordt de bestaande natuurvijver aan de voorzijde van het bedrijf gebruikt om hemelwater op te vangen. Aan de voorzijde van het bedrijf wordt een nieuwe natuurvijver aangelegd om hemelwater op te vangen. De natuurvijver heeft met een gemiddelde diepte van 2 meter een totale opvangcapaciteit van circa 400 m3. Silo Een van de voormalige mestsilo’s op het bedrijf blijft behouden om hemelwater in op te vangen. De mestsilo heeft een inhoud van 600 m 3. Het hemelwater kan in de bedrijfsvoering worden gebruikt voor het schoonspoelen van de loodsen en verhardingen. Daarnaast kan in droge periodes gebruik worden gemaakt van deze opvangbuffer om het groen rondom de bebouwing te bewateren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14295595/1