CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05c Toelichting bp Helenaveenseweg

Gemeenteraad 2 juli 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Helenaveenseweg 31 te Evertsoord20.164 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De totale opvangcapaciteit op het bedrijf bedraagt 1.000 m3 en is hiermee ruim voldoende om het hemelwater afkomstig van de verhardingen op eigen perceel op te kunnen vangen en te laten infiltreren in de bodem. Het water wordt met straatkolken en leidingen naar de verschillende infiltratieleidingen gevoerd. Met pompen wordt het hemelwater in de bestaande silo gepompt en opgevangen. Conclusie Naar aanleiding van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect water voldoende is gewaarborgd. Kabels en leidingen Op een afstand van circa 100 meter van het plangebied loopt een hoogspanningsleiding. Het plangebied ligt echter op voldoende afstand om geen belemmeringen te ondervinden van deze hoogspanningsleiding. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan niet direct in de mogelijkheid om gevoelige objecten op te richten waarin gedurende langere tijd mensen kunnen verblijven en kunnen worden blootgesteld aan straling. In de directe omgeving liggen verder geen boven- of ondergrondse leidingen met een dusdanige omvang dat hiervoor veiligheidsafstanden gelden. Bij de realisatie van onderhavig planvoornemen hoeft hiermee dan ook geen rekening te worden gehouden. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘kabels en leidingen’ geen belemmering vormt voor het onderhavige planvoornemen.

45

Wet natuurbescherming Algemeen De bescherming van de Nederlandse natuurgebieden is geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb), welke op 1 januari 2017 in werking is getreden. Er geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb voor activiteiten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. Vanaf 2008 is de vergunningverlening moeizaam verlopen. Weliswaar daalt de stikstofdepositie op landelijk niveau nog steeds, maar voor individuele gevallen kan vaak niet worden aangetoond dat deze geen significante negatieve gevolgen hebben voor de natuur. In 2015 is de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) inwerking getreden om de vergunningverlening in het kader van de Wet Natuurbescherming weer op gang te brengen. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geconcludeerd dat het PAS niet als toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt.

Op basis van het PAS wordt ‘vooruitlopend’ op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor gebieden. De toebedeling van toekomstige ‘ontwikkelingsruimte’ aan nieuwe projecten is vanaf dat moment niet meer toegestaan. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 (ECLI:RVS:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:RVS:NL:RVS:2019:1604) heeft de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) besloten dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna te noemen “PAS”) niet als basis gebruikt mag worden om toestemming te verlenen voor activiteiten die een stikstoftoename op stikstofgevoelige habitattypen in Natura2000-gebieden tot gevolg hebben. Vervallen bouwvrijstelling Op 2 november 2022 is de algemene bouwvrijstelling door een uitspraak van de Raad van State komen te vervallen. Door de bouwvrijstelling was het niet noodzakelijk om in de sloop-, bouw- en/of aanlegfase de effecten op natura2000-gebieden in beeld te brengen en een natuurvergunning aan te vragen. De Raad van State heeft echter geoordeeld dat het niet uit te sluiten is dat de natuur in de sloop-, bouwen/of aanlegfase schade oploopt. Daarmee voldoet de bouwvrijstelling niet aan het Europees natuurbeschermingsrecht.

Door het vervallen van de bouwvrijstelling dient voor elk plan een voortoets (Aerius-berekening) en indien noodzakelijk een passende beoordeling te worden uitgevoerd om aan te tonen of mogelijke schade aan de natuur optreed. Ook voor onderhavig planvoornemen is middels een Aerius-berekening in beeld gebracht of sprake is van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. Gebiedsbescherming Ten behoeve van het planvoornemen zijn met behulp van de Aerius-calculator, versie 2022 verschilberekeningen uitgevoerd om te bepalen of sprake is van significant negatieve effecten op omliggende Natura2000-gebieden. In de bijlage behorende bij deze toelichting zijn de Aerius-berekeningen, inclusief een onderbouwing van de invoergegevens, opgenomen. Voor het planvoornemen is de gebruiksfase in beeld gebracht met behulp van de Aerius-calculator versie 2022. Uit de uitgevoerde Aerius-berekeningen blijkt dat het planvoornemen geen significant negatieve effecten op Natura2000 gebieden tot gevolg heeft. Conclusie Het planvoornemen heeft geen significant negatieve effecten op natura2000-gebieden. Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is in de Wet natuurbescherming (Wnb) geregeld. Deze bescherming wordt op verschillende manieren uitgevoerd. Zo is er een verbod om beschermde planten te plukken of beschermde dieren te doden of te vangen.

Ook andere handelingen die dier- en plantensoorten kunnen bedreigen zijn verboden of slechts onder voorwaarden toegestaan. De Wet natuurbescherming schrijft voor dat iedereen de algemene zorgplicht voor de in het wild levende planten en dieren in acht moet nemen. Dit houdt in dat handelingen die niet noodzakelijk verband houden met het beoogde doel, maar nadelig zijn voor de flora en fauna, achterwege moeten blijven. Op grond van artikel 1.11 van de wet (die de algemene zorgplicht regelt) moet schade aan soorten zoveel mogelijk 46

worden voorkomen of worden beperkt. Van bedreigde planten- of diersoorten worden lijsten gepubliceerd. Ten behoeve van dit planvoornemen is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Op basis van de uitgevoerde quickscan flora en fauna is het volgende geconcludeerd: Voor het gehele plangebied is een quickscan flora en fauna uitgevoerd binnen het plangebied. Naar aanleiding van de quickscan is de volgende conclusie getrokken: Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Alle sloop- en kapwerkzaamheden dienen bij voorkeur verricht te worden buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli). Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig.

De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. De sloopwerkzaamheden zullen zoveel mogelijk buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. De uitvoering van de landschappelijke inpassing heeft naar verwachting een positief effect op het voorkomen en in stand houden van planten- en diersoorten in de directe omgeving. Door de toepassing van gebiedseigen beplanting wordt het leefgebied van voorkomende diersoorten verbeterd. Het planvoornemen heeft geen significant negatieve effecten op de gunstige instandhouding van (waardevolle) planten- en diersoorten in de directe omgeving. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘soortenbescherming’ geen belemmering is voor het planvoornemen. Houtopstanden Het planvoornemen voorziet niet in het kappen van houdopstanden die vanwege hun omvang, lengte of aantal onder de directe werking van de Wnb vallen. Een toetsing aan de bescherming van houtopstanden is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie De Wet natuurbescherming is geen belemmering voor het planvoornemen.

Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven hoe het Rijk, de provincies en gemeenten om moeten gaan met aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: • De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard. • Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’.

47

De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente heeft op 26 mei 2015 de “Archeologische Maatregelenkaart” vastgesteld. Op basis hier van wordt bepaald of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Deze “Archeologische Maatregelenkaart” is door de gemeente opgenomen in het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” door het opnemen van dubbelbestemmingen. Binnen het plangebied zijn in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” en de daarop volgende herzieningen geen archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Op de archeologische verwachtingskaart, waarvan in figuur 16 een

Figuur 17: Uitsnede archeologische verwachtingskaart, plangebied zwart omlijnd

uitsnede is opgenomen, is te zien dat het plangebied ligt in “Categorie 5: Gebied/terrein met een lage archeologische verwachting”. In deze gebieden is het beschermingsregime ten aanzien van mogelijke archeologische waarden in de bodem zeer beperkt en is geen onderzoeksverplichting van toepassing. Conclusie Het aspect ‘archeologie’ is geen belemmering voor het planvoornemen. In het bestemmingsplan wordt is geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Cultuurhistorie Pas in 1938 wordt gestart met de ontginning van de Peel. In Evertsoord worden twee werkverschaffingskampen opgericht. In 1959 is de ontginning officieel voltooid. In het ontginningsgebied worden in totaal 56 boerderijen gebouwd, waarvan de ontginningsboerderij binnen de planlocatie er één van is. De ontginningsboerderijen zijn naast de ontginningskanalen nog enkele van de herkenningspunten en objecten die terugleiden naar het verleden van de omgeving. Het planvoornemen heeft geen (bouwkundige) wijzigingen van de waardevolle ontginningsboerderij tot gevolg. De Mariapeel ligt op korte afstand van het plangebied en is een waardevol landschap. Het planvoornemen voorziet niet in ontwikkelingen die de kwaliteiten van het gebied aantasten. Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ is geen belemmering voor het planvoornemen.

48

Verkeer en parkeren Verkeer Ontsluitingsstructuur Het bedrijf wordt in de huidige situatie ontsloten via de inrit aan de voorzijde van het bedrijf, ter hoogte van de bedrijfswoning. Het bedrijf is direct bereikbaar via de Helenaveenseweg die het gebied in oostelijke en westelijke richting ontsluit. In oostelijke richting vindt de ontsluiting van het gebied plaats via de provinciale weg N277 in de richting van de kernen Kronenberg en Sevenum en A67. In westelijke richting vindt de ontsluiting in de richting van de kern Helenaveen en de A67 plaats. De Helenaveenseweg is ingericht voor de ontsluiting van landbouw- en vrachtverkeer met twee (nietgescheiden) rijbanen en een vrijliggend fietspad. De weginrichting en de vrijwel directe aansluiting van de Helenaveenseweg op het provinciale en landelijke verkeersnetwerk garandeert een goede ontsluiting van het bedrijf. In de toekomst is het wenselijk de bedrijfsmatige en privé verkeersstromen geschieden van elkaar te houden. De plannen voorzien dan ook in een nieuwe ontsluiting van de loodsen via het zandpad aan de oostzijde van het bedrijf. Dit zandpad wordt tot de nieuwe toegang van de loodsen verhard. Op deze wijze wordt de verkeersstromen binnen het plangebied gescheiden. In onderstaande afbeelding is de gewenste nieuwe ontsluitingsstructuur weergegeven.

Door deze inrichting van de ontsluitingsstructuur zijn geen nieuwe overgangen over Waterschapssloten noodzakelijk. Verkeersbewegingen Naar verwachting hebben de nieuwe bedrijfsactiviteiten gemiddeld 10 vrachtbewegingen per dag tot gevolg. Een deel van deze vrachtbewegingen is geconcentreerd in de oogstperiode van juli t/m oktober. Tijdens de wintermaanden zullen naar verwachting minder vrachtbewegingen plaatsvinden. De vrachtbewegingen zijn noodzakelijk voor de aan- en afvoer van diverse producten die op locatie worden opgeslagen. In totaal genereert de toekomstige bedrijfsvoering 3.650 vrachtbewegingen per jaar. Naast vrachtbewegingen vinden ook bewegingen met personenauto’s plaats. De verkeersgeneratie is naar verwachting 12 bewegingen met personenauto’s per dag gedurende 6 dagen per week. Ook hier geldt dat de verkeersbewegingen gedurende de oogstperiode hoger zullen zijn dan in de rest van het jaar. In totaal hebben de nieuwe bedrijfsactiviteiten dan ook 3.744 lichte verkeersbewegingen tot gevolg. De verkeersbewegingen zijn voornamelijk geconcentreerd gedurende de dagperiode. Tijdens de avondperiode zullen ook nog verkeersbewegingen plaatsvinden tijdens het oogstseizoen. In de huidige situatie was sprake van 4 vrachtbewegingen per dag gedurende 365 dagen per jaar. Deze vrachtbewegingen vonden zowel tijdens de dag-, avond- als nachtperiode.

Dagelijks vonden gemiddeld 16 lichte vervoersbewegingen plaats. In totaal was er sprake van 1.460 vrachtbewegingen en 5.840 lichte vervoersbewegingen per jaar. Het planvoornemen heeft een stijging van 2.190 vrachtbewegingen en een daling van 2.096 lichte vervoersbewegingen tot gevolg. De ontsluiting van het plangebied is goed en de wegenstructuur is ingericht voor gebruik van vrachtverkeer. Door de korte afstand tot de provinciale en landelijke infrastructuur vindt afwikkeling van het stijgend aantal verkeersbewegingen op efficiënte wijze plaats. De stijging van het aantal vrachtbewegingen en lichte vervoersbewegingen heeft naar verwachting geen consequenties voor de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid ter plaatse. Er is dan ook geen sprake van negatieve consequenties voor het aspect ‘verkeer’. Parkeren Parkeren van voertuigen vindt volledig op eigen terrein plaats. In het ontwerp en indeling van de locatie is rekening gehouden met voldoende parkeergelegenheden in en rondom de gebouwen. Ter hoogte van de bedrijfswoning zijn parkeerplekken ingericht voor het parkeren van privévoertuigen. Vrachtverkeer en personenauto’s ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten kunnen in de toekomst parkeren rond de twee nieuw te bouwen loodsen. Rondom de loodsen wordt verharding aangelegd die dient als manoeuvreer- en parkeerruimte.

49

In de Nota Parkeernormen is voor arbeidsextensieve bedrijven een parkeernorm van 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte buiten de bebouwde kom opgenomen. In onderhavige situatie worden op locatie agrarisch gerelateerde producten opgeslagen. Deze vorm van bedrijvigheid is arbeidsextensief. Arbeidsextensieve bedrijven worden in het kader van de nieuwe Omgevingswet door de VNG als volgt gedefinieerd: ‘Arbeidsextensief is een vorm van werken waarbij weinig handkracht nodig is en veel machines worden gebruikt. Voor een arbeidsextensief bedrijf wordt uitgegaan van 30 – 50 m2 voor 1 arbeidsplaats.’. Ten behoeve van de opslag zijn slechts een klein aantal arbeidsplaatsen noodzakelijk. Er is dan ook sprake van een arbeidsextensieve vorm van bedrijvigheid. Op het bedrijf wordt in de toekomst circa 6.600 m2 bedrijfsruimtes gebruikt voor de opslag. De totale parkeerbehoefte is aan de hand van deze gegevens als volgt berekend: 6.600 m2 / 100 m2 bvo = 66 66 * 1,1 = 72,6. De totale parkeerbehoefte is 73 parkeerplaatsen. Deze parkeerbehoefte wordt volledig op eigen terrein ingevuld. Op het terrein is voldoende ruimte beschikbaar om te voorzien in 73 parkeerplaatsen. De nog aan te leggen verharding rondom de nieuwe loodsen wordt multifunctioneel gebruikt als manoeuvreeren parkeerruimte. Er zijn in dit stadium dan ook geen specifieke locaties als parkeerplaats aan te geven.

Het laden, lossen en manoeuvreren van vrachtverkeer vindt volledig op eigen terrein plaats. Vrachtverkeer kan rond de gebouwen rijden waardoor geen verkeersonveilige situaties op de openbare weg of het aangrenzende gebied kunnen ontstaan. Tevens worden op deze wijze mogelijke belemmeringen met de doorstroming op de openbare weg voorkomen. Ondanks een stijging van het aantal vrachtbewegingen heeft het planvoornemen geen (extra) belemmeringen voor de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid ter plaatse tot gevolg. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmering is voor onderhavig planvoornemen. Omgevingsdialoog De initiatiefnemers hebben in het kader van de voorgenomen plannen een omgevingsdialoog gevoerd met de directe omwonenden. In deze omgevingsdialoog zijn de voorgenomen plannen gepresenteerd en zijn omwonenden in de gelegenheid gesteld vragen te stellen en hun reacties en eventuele bezwaren kenbaar te maken. Van de met de omwonenden gevoerde gesprekken zijn door de initiatiefnemer verslagen gemaakt die door de omwonenden zijn ondertekend. Uit de gevoerde gesprekken blijkt dat tegen het planvoornemen geen overwegende bezwaren bestaan. Een verslag van de gevoerde gesprekken is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

Duurzaamheid Het planvoornemen voorziet in een planologisch-juridische regeling die de toekomstige herontwikkeling van de bedrijfslocatie mogelijk maakt. Binnen dit planologisch kader is het mogelijk een agrarisch gerelateerde bedrijfsvoering te voeren en diverse bedrijfsgebouwen op te richten. Daar waar mogelijk is in deze procedure aandacht besteed aan het aspect ‘duurzaamheid’. Zo is aandacht besteed aan het voorkomen van plaatselijke verdroging van de bodem en het tegengaan van vervuiling van schoon hemel- en grondwater. Het hemelwater wordt binnen het plangebied zelf opgevangen en kan ter plekke infiltreren in de bodem. Door gebruik te maken van niet-uitlogende materialen en schoon- en vuilwaterstromen gescheiden te houden wordt vervuiling van hemel- en grondwater en de bodem tegengegaan. De aanplant van groen levert een directe bijdrage aan de instandhouding van landschappen en vergroening van de omgeving. In het ontwerp en bouw van de loodsen wordt gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitlogende materialen, isolatie om energieverbruik te beperken en mogelijk ook zonnepanelen om te voorzien in de eigen energiebehoefte.

50

Het aspect ‘duurzaamheid’ is een integraal onderdeel van de planvorming en geen belemmering voor het planvoornemen.

51

5.

Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid De kosten en de daaraan verbonden financiële risico’s van dit bestemmingsplan zijn voor rekening en risico van de gemeente Horst aan de Maas. In overleg met de gemeente is overeen gekomen dat alle met het bestemmingsplan gemoeide (onderzoeks-)kosten en kosten van eventuele noodzakelijke vergunningverlening voor rekening van de gemeente Horst aan de Maas komen. Ook eventuele planschadeclaims die voortvloeien uit vaststelling van dit bestemmingsplan komen ook voor rekening van de gemeente Horst aan de Maas. Ten behoeve van de uitvoering van dit bestemmingsplan is naast de saneringsovereenkomst ook een planschadeovereenkomst tussen de initiatiefnemers en de gemeente Horst aan de Maas gesloten. In deze planschadeovereenkomst zijn onder andere de verplichting tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing en de maatregelen ter voorkoming van wateroverlast opgenomen.

5.2 Handhaving De doelstellingen van het ruimtelijke beleid kunnen slechts verwezenlijkt worden, indien de regels van het bestemmingsplan worden nageleefd. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst een de Maas en Venray (2012-2015). Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt om gegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot.

Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. De uit deze visie voorvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid

zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid; 2. Preventie gaat boven repressie; 3. Draagvlak creëren; 4. Klantgericht handelen; 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het maatschappelijk veld, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van voor hen geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie. Het jaarlijkse HUP wordt vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter kennis gebracht van de gemeenteraden.

52

5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onderhavig planvoornemen voorziet in een planologisch-juridische regeling waarbij een voormalige pelsdierhouderijlocatie kan worden hergebruikt voor agrarisch gerelateerde activiteiten. De planologisch-juridische regeling is een vertaling van de in het kader van de subsidieregeling gemaakte afspraken en het flankerend beleid dat in dit kader door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld. In de door de initiatiefnemers gevoerde omgevingsdialoog zijn ook geen overwegende bezwaren naar voren gekomen. In de toelichting bij dit bestemmingsplan is aangetoond dat het planvoornemen ruimtelijk en milieukundig geen nadelige effecten heeft voor de exploitatie en/of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies. Ook past het planvoornemen binnen de daarvoor relevante (milieu)wet- en regelgeving. Het planvoornemen is ruimtelijk, stedenbouwkundig en landschappelijk gezien aanvaardbaar en passend in de directe omgeving. Een stedenbouwkundige visie is voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Horst aan de Maas en akkoord bevonden en is de basis geweest voor de planologisch-juridische regeling. Uit de met de direct omwonenden gevoerde omgevingsdialoog is gebleken dat tegen het planvoornemen geen overwegende bezwaren bestaan.

Het staat omwonenden, ondanks de uitkomsten uit de omgevingsdialoog, overigens vrij om hun zienswijzen of bezwaren tegen het planvoornemen kenbaar te maken. Het ontwerp bestemmingsplan is conform de procedure gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze periode hebben belanghebbenden de mogelijkheid om te reageren op het planvoornemen en eventuele zienswijzen in te dienen. Op het ontwerp bestemmingsplan zijn geen zienswijzen ingediend. Conform de procedure wordt ook het vastgesteld bestemmingsplan conform de wettelijke procedure ter inzage gelegd. Gedurende 6 weken hebben belanghebbenden de mogelijkheid om tegen het plan een beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De nieuwe planologisch-juridische situatie blijkt, na een zorgvuldige afweging van diverse belangen, een aanvaardbare invulling van het plangebied. Het planvoornemen zal gezien bovenstaande niet leiden tot overwegende planologische bezwaren. De maatschappelijke uitvoerbaarheid van het planvoornemen is gegarandeerd.

53

6.

Juridische planopzet

6.1 Planopzet Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, een set regels en een toelichting. De regels en verbeelding zijn de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op het bestemmingsplan is niet juridisch binden, maar biedt wel inzicht in de integrale belangenafwegingen die heeft geleid tot de gekozen bestemmingen en geeft goed inzicht in de doelstellingen van het planvoornemen. Conform het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt dit bestemmingsplan geheel (toelichting, regels en verbeelding) digitaal ter inzage gelegd en gepubliceerd de (conform IMRO-normen en SVBP-normen). Regels In de regels is het juridisch instrumentarium opgenomen dat het gebruik van gronden regelt en regels stelt aan de bebouwing en het gebruik van deze bebouwing. Verbeelding Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde enkelbestemmingen, dubbelbestemmingen, functieaanduidingen en gebiedsaanduidingen. De verbeelding is ingetekend op een digitale kadastrale ondergrond. Bij het opstellen van de verbeelding zijn de uitgangspunten uit het SVBP2012 gehanteerd.

Hierbij is aangesloten bij de systematiek die de gemeente Horst aan de Maas hanteert voor bestemmingen zoals opgenomen in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” en de daarop volgende herzieningen. Toelichting De toelichting is geen onderdeel van het juridisch instrumentarium. In de toelichting is het planvoornemen en de wijze waarop het planvoornemen ruimtelijk, milieukundig, stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is.

6.2.

Toelichting op de regels

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken. In deze hoofdstukken worden achtereenvolgend de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangsen slotregels beschreven. Inleidende regels In de inleidende regels zijn in artikel 1 de begripsomschrijvingen van de in het bestemmingsplan gehanteerde begrippen opgenomen. In artikel 2 ‘Wijze van meten’ is aangegeven op welke wijze in het bestemmingsplan dient te worden gemeten en te worden gerekend. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 komen de specifieke bestemmingsregels aan de orde. In dit hoofdstuk zijn per enkelbestemming de volgende regels opgenomen: 1. Bestemmingsomschrijving 2. Bouwregels 3. Afwijken van de bouwregels 4. Specifieke gebruiksregels 5. Afwijken van de gebruiksregels 6. Wijzigingsbevoegdheden In dit hoofdstuk is een nadere beschrijving van de enkelbestemmingen en toegestane gebruiksactiviteiten en bouwmogelijkheden opgenomen.

54

Algemene regels In hoofdstuk 3 zijn regels met een algemeen karakter opgenomen. Deze regels zijn van toepassing op het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels. De algemene regels bestaan uit: 1. Anti-dubbeltelregeling 2. Algemene bouwregels 3. Algemene gebruiksregels 4. Algemene aanduidingsregels 5. Algemene wijzigingsregels 6. Overige regels Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en slotregels opgenomen. In deze regels is het overgangsrecht geregeld.

6.3.

Toelichting op de bestemmingen en aanduidingen

Bedrijf Voor de bestemming “Bedrijf” is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” en de daarop volgende herzieningen. In artikel 3.1 lid a is opgenomen dat ter plaatse van het plangebied een agrarisch op- en overslagbedrijf is toegestaan. Andere vormen van niet-agrarische bedrijvigheid binnen het plangebied zijn uitgesloten. Voor de bouwregels voor hoofd- en bijgebouwen is aansluiting gezocht bij de bestaande regeling in de enkelbestemming “Agrarisch met waarden”. In de bouwregels van deze enkelbestemming is de totale oppervlakte bedrijfsgebouwen beperkt tot de bestaande oppervlakte, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘oppervlakte (m2)’ waarvoor geldt dat de maximale oppervlakte niet meer mag bedragen dan is aangegeven. Op de verbeelding is dan ook een aanduiding ‘oppervlakte (7.940 m2) opgenomen. Binnen de enkelbestemming “Bedrijf” is tevens de aanduiding ‘bouwvlak’ opgenomen waarbinnen het oprichten van bedrijfsgebouwen en bouwwerken is toegestaan. Huisvesting internationale werknemers De vigerende omgevingsvergunning voor 12 logiesplekken op het voormalig agrarisch bedrijf is in dit bestemmingsplan in planologisch-juridische zin verankerd. In het bestemmingsplan is hiervoor op de verbeelding de aanduiding ‘Specifieke vorm van bedrijf – Huisvesting internationale werknemers’ opgenomen.

In artikel 3.1 lid b is hieraan het volgende artikel gekoppeld: “ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – huisvesting internationale werknemers’ is tevens de huisvesting van maximaal 12 internationale werknemers, die al dan niet op het bedrijf zelf werkzaam zijn, toegestaan. Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Het landschappelijk inpassingsplan is dekkend voor het gehele plangebied waardoor delen binnen de enkelbestemmingen “Bedrijf” en “Agrarisch met waarden” worden opgericht. Binnen beide bestemmingen is de voorwaardelijke verplichting ook van toepassing. De voorwaardelijke verplichting ten aanzien van realisatie, beheer en de instandhouding van de landschappelijke inpassing is derhalve opgenomen in de algemene aanduidingsregels. Voorwaardelijke verplichting waterberging In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting voor de realisatie van voldoende waterberging binnen het plangebied opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting is met een aanduiding ‘voorwaardelijke verplichting – waterberging’ opgenomen op het gehele plangebied. De voorwaardelijke verplichting is verankerd in de regels en verzekert de realisatie van infiltratievoorzieningen met een minimale inhoud van 190 m3 binnen het plangebied.

55

Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Helenaveenseweg 31, Evertsoord

56

Bijlage 2: Bodemonderzoek Helenaveenseweg 31, Evertsoord

57

Bijlage 4: Aerius-berekeningen Helenaveenseweg 31, Evertsoord

58

Bijlage 5: Quickscan Flora en Fauna Helenaveenseweg 31, Evertsoord

59

Bijlage 6: Omgevingsdialoog Helenaveenseweg 31, Evertsoord

60

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14295595/1