05c Toelichting
Tekst van het document
In totaal zijn (15 x 1,8) + (9 x 1,2) 37,8 parkeerplaatsen (afgerond 38) benodigd voor deze appartementen. In het bouwplan voor de woningen zijn momenteel 24 parkeerplaatsen voorzien op eigen terrein. Dit aantal is niet voldoende om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Zie paragraaf 5.7 voor een nadere afweging en onderbouwing omtrent verkeer en parkeren.
3.6 Conclusie De gewenste woningbouwontwikkeling binnen het plangebied past, met uitzondering van de kaders van het vigerende bestemmingsplan en de nota parkeernormen, binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie, de regio als de gemeente Horst aan de Maas zelf.
Hoofdstuk 3
30
4.
PLANBESCHRIJVING
4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Binnen het plangebied wordt een gebouw met daarin vierentwintig (levensloopbestendige) appartementen mogelijk gemaakt. Dit gebouw zal bestaan uit drie bouwlagen. Op de parkeerhaven gelegen aan de Bemmelstraat en op het parkeerterrein aan de achterzijde van het gebouw vindt het parkeren van auto’s plaats.
Schetsontwerp planvoornemen vooraanzicht vanuit Bemmelstraat-Gasthuisstraat (bron: aangeleverd door opdrachtgever)
Het parkeerterrein aan de noordzijde van het gebouw is bereikbaar via de Nieuwstraat. Hierdoor kan de achterzijde van het pand worden bereikt. Op de begane grond en de eerste verdieping worden zestien appartementen gerealiseerd. Op de tweede verdieping worden zeven appartementen gerealiseerd. Elk appartement krijgt een eigen loggia of Frans balkon. Het gebouw wordt modern vormgegeven met een plat dak en staande gevelopeningen.
Hoofdstuk 4
31
Qua hoogte wordt aangesloten bij de naastgelegen appartementen (aan de overzijde van de Gasthuisstraat). Voor het planvoornemen wordt een maximum goot- en bouwhoogte aangehouden van 12 meter geldt. Er wordt gebruik gemaakt van een plat dak waardoor de bouwhoogte gelijk is met de goothoogte. De ligging van de naar de weg gekeerde gevellijnen zijn eveneens in lijn met de naastgelegen woningen. In de navolgende afbeelding is een impressie van het beoogde gebouw opgenomen.
Schetsontwerp planvoornemen aanzicht achterzijde vanaf de Nieuwstraat (bron: aangeleverd door opdrachtgever)
Het terrein rond het appartementengebouw wordt groen ingericht (waarbij de bomen ter plaatse van de nieuwbouw worden behouden). De entree wordt gerealiseerd op de begane grond, die is georiënteerd op de Bemmelstraat. Aan de noordzijde van het plangebied (achterzijde van het gebouw) is een parkeerterrein gelegen, dat ontsluit op de Nieuwstraat. Er worden in totaal 24 appartementen gerealiseerd waarvan 9 studio’s of appartementen voor alleenstaande(n). Aan de westzijde van het gebouw zullen 24 binnen(opslag) bergingen worden gerealiseerd.
Hoofdstuk 4
32
Schetstekening planvoornemen Bemmelstraat (bron: aangeleverd door opdrachtgever)
4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een appartementengebouw met 24 (levensloopbestendige) appartementen mogelijk. Vanuit functioneel opzicht is woningbouw passend op deze locatie, gezien de ligging nabij het centrum van Horst binnen een gebied waar voornamelijk woningen zijn gelegen. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met 24 sociale huurappartementen mogelijk. Vanuit functioneel opzicht is woningbouw passend op deze locatie, gezien de ligging binnen de kern van Horst. Verder sluit de bebouwing qua hoogte en opbouw in grote mate aan bij de omliggende stedenbouwkundige structuur. Wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden wordt aansluiting gezocht bij recente bestemmingsplannen voor woningbouw in gemeente Horst aan de Maas. De nieuwe bebouwing zal hierdoor qua situering en maatvoering aansluiten bij de omliggende woningen. De bestaande, verouderde maatschappelijke bebouwing in het plangebied wordt (circulair) gesloopt (evt. met uitzondering van het geraamte) en vervangen voor moderne, kwalitatief hoogwaardige bebouwing. De nieuwbouw is van hoge kwaliteit en zorgt ervoor dat de indeling van het plangebied een
Hoofdstuk 4
33
samenhangend stedenbouwkundig geheel vormt en goed is ingepast in zijn omgeving. Hierbij is rekening gehouden met de omliggende functies, waaronder de omliggende woonhuizen en de functies van de aangrenzende gronden. Concluderend kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt passend in de omgeving is. De realisatie van het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten tot gevolg op de omgeving. Er zijn dan ook geen negatieve stedenbouwkundige of ruimtelijke effecten voor de omgeving te verwachten en de appartementen worden goed ingepast in de omgeving.
Hoofdstuk 4
34
5.
SECTORALE ASPECTEN
5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten die aan de orde zijn bij het voorliggend initiatief. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan bod: milieu (geluid, bodem, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid en geur), waterhuishouding, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren, kabels en leidingen, duurzaamheid en ecologie.
5.2 Milieuaspecten Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. 5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de wijziging van de bestemming. Het plangebied is reeds bestemd tot ‘Maatschappelijk’ in het geldende bestemmingsplan ‘Peelkernen’. Er is geen specifieke aanduiding opgenomen die erop toeziet dat de gronden binnen het plangebied gebruikt mogen worden voor woondoeleinden.
Aangezien onderhavige ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, wat gevoelige functies betreffen dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. Door Econsultancy is een milieuhygiënisch- en verkennend bodemonderzoek3 uitgevoerd. Het hele rapport is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder volgt een samenvatting Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem NEN 5725 Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt dat er sprake is van voormalige en/of huidige bodembelasting op de locatie, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. Dit in
3 Econsultancy, ‘Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Bemmelstraat te Horst’, rapportnummer: 18102.001, d.d. 31 maart 2022.
Hoofdstuk 5
35
verband met de (gedeeltelijke) sloop van bouwdelen waarin asbestverdacht materiaal was verwerkt en de te verwachten bodemvreemde bijmengingen onder de aanwezige verhardingen. Verwacht wordt, dat er verspreid over de locatie wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen voorkomen. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn metalen, PAK, minerale olie en asbest. Naar aanleiding van het milieuhygiënisch vooronderzoek is de onderzoekslocatie onderzocht volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL).4 Het hele rapport is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder volgt een samenvatting Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is het bepalen van de aard van de heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de vermoede verontreinigende stof de achtergrondwaarde of het geldend achtergrondgehalte overschrijdt Zowel in de bovengrond als in de ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Geconcludeerd moet worden dat de vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht " dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, verworpen.
In de grond zijn geen verhoogde gehalten boven de achtergrondwaarden aangetoond en in het grondwater zijn licht tot matig verhoogde gehalten metalen c.q. barium en koper aangetoond. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve mag worden aangenomen dat de verontreinigingen in het grondwater verhoogde achtergrondgehalten betreffen. Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten op het terrein. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren. Vanuit het aspect bodem zijn er dan ook geen belemmeringen voor het onderhavige planvoornemen. PM: nader asbestonderzoek 5.2.2 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige objecten (zoals woningen) dient toetsing aan geluid van wegrail en industrielawaai plaats te vinden. Wat betreft wegverkeerslawaai geldt dat voor 30 km/u wegen
4 Econsultancy, ‘Verkennend bodemonderzoek Bemmelstraat te Horst’, rapportnummer: 18102.001, d.d. 5 april 2022.
Hoofdstuk 5
36
en woonerven in het kader van de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai noodzakelijk is. Vanuit een goede ruimtelijke ordening kan een dergelijk onderzoek wel worden vereist. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Het plangebied is gelegen binnen de wettelijke onderzoekszone van een omliggende 50 km/uurweg(en). De geluidgevoelige bestemmingen zijn namelijk gelegen in de geluidszone van de Dr, van de Meerendonkstraat, Gasthuisstraat, Stationsstraat en de Westsingel, In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden tevens de nabijgelegen niet-gezoneerde wegen (Bemmelstraat, Helmesstraat, Nieuwstraat) in het onderzoek betrokken. De onderzoeksresultaten zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage.5 Alleen ten gevolge van de Gasthuisstraat treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden.
Voor de Gasthuisstraat is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Vanwege de Gasthuisstraat dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Voor de appartementen dient het akoestisch klimaat in de appartementen (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de appartementen gelegen aan de oostgevel is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Spoorwegverkeer Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten nabij een spoorlijn dient het spoorwegverkeerslawaai betrokken te worden. Wat betreft spoorwegverkeerslawaai wordt opgemerkt dat in de wijde omgeving van het plangebied geen spoorwegen zijn gelegen. Ten westen van het plangebied loopt op een afstand van ongeveer 2210 meter de spoorlijn Venlo – Nijmegen. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. Industrielawaai Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein of bij ontwikkelingen in de nabijheid van bedrijfspercelen dient het aspect industrielawaai betrokken te worden. In de omgeving rondom het plangebied ligt een kinderdagverblijf. Het plangebied is gelegen binnen een van de invloedgebieden van de richtafstandenlijst zoals opgenomen in de VNGbrochure.
5 Econsultancy, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bemmelstraat te Horst, rapportnummer: 18102.007, d.d. 4 augustus 2022.
Hoofdstuk 5
37
Nu de richtafstand ten aanzien van het kinderdagverblijf niet wordt gehaald is door Econsultancy een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd In paragraaf 5.2.5 (bedrijven en milieuzonering) wordt verder ingegaan op (geluid)hinder als gevolg van de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende bedrijven. Een korte samenvatting van de resultaten volgt hieronder. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Uit de berekeningsresultaten wordt geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de richt- en grenswaarden plaatsvinden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en de indirecte hinder zoals deze zijn opgenomen in de VNG-publicatie en het Activiteitenbesluit. De maximale geluidniveaus overschrijden de richtwaarde van 65 dB(A). Het schreeuwen van de kinderen is maatgevend voor deze overschrijding. In het kader van het Activiteitenbesluit wordt het stemgeluid buiten beschouwing gelaten en zijn er geen overschrijdingen. Alleen in de ruimtelijke afweging is sprake van een overschrijding. De richtwaarde worden met maximaal 2 dB overschreden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een afweging van geluidreducerende maatregelen noodzakelijk. Bron- en overdrachtsmaatregelen worden niet doelmatig geacht. Derhalve wordt er voorgesteld om de berekende geluidbelastingen acceptabel te achten.
Ingevolge het Activiteitenbesluit dient bij de beoordeling van de maximale geluidniveaus stemgeluid buiten beschouwing te worden gelaten. Daarnaast dient, aansluitend bij het Activiteitenbesluit, het binnenniveau in de dagperiode 55 dB(A) te bedragen, wat met een karakteristieke geluidwering van minimaal 20 dB voor nieuwbouw wordt behaald. Derhalve wordt geconcludeerd dat de overschrijding acceptabel kan worden geacht en het woon- en leefklimaat voor de toekomstige woningen gewaarborgd wordt. Conclusie Gelet op de bovenstaande onderzoeksresultaten vormt het aspect geluid, na verlening van de hogere grenswaarden en het realiseren van voldoende geluidwerende buitengevels, geen belemmering voor het beoogde plan. 5.2.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c.
Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Hoofdstuk 5
38
Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m 3 voor zowel fijn stof en NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM); b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Voor woningbouwlocaties gelden op basis van de Regeling NIBM de volgende grenswaarden.
NIBM-grens woningbouwlocaties: 3% criterium: ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Het voorliggende project betreft de realisatie van vierentwintig sociale huurappartementen. Dit betekent dat binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. Het project draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit.
Hoofdstuk 5
39
Berekening NIBM-tool Bemmelstraat te Horst
Aan de hand van de NIBM-tool is berekend of de bijdrage van het extra verkeer niet-in-betekenendemate is. De grens wordt in het onderhavige geval niet overschreden. Hierbij is zelfs rekening gehouden met een extra aandeel in vrachtverkeer van 10% en is uitgegaan van het maximale aantal voertuigbewegingen (worst-case). Achtergrondwaarden In het kader van de voorgenomen ontwikkeling dient daarnaast te worden beschouwd of de luchtkwaliteit in het plangebied voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De grenswaarde voor fijn stof (PM2,5) is een jaargemiddelde concentratie van 25 µg/m³. Voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ als grenswaarde. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2020 ter plaatse gelegen beneden de 10 µg/m³, de concentratie PM10 beneden de 18 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 10 en 15 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Conclusie De ontwikkeling van de woningen is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
5.2.4 Geur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen
Hoofdstuk 5
40
gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Horst aan de Maas beschikt niet over een geurverordening. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Horst aan de Maas van toepassing is.
Dit betekent dat de onderstaande wettelijke normen en afstanden van toepassing zijn binnen het grondgebied van de gemeente: De norm van 3 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom; De norm van 14 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen het buitengebied; Een vaste afstand van 100 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom; Een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied. Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Dit betekent dat toetsing aan de geurnormen van nabijgelegen veehouderijen noodzakelijk is. Conclusie In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen gelegen De meest dichtbij gelegen veehouderij is gelegen op circa 400 meter ten westen van het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten. Daarnaast blijkt uit de kaart ‘Huidige situatie geur’ (figuur 28) bij de plan-MER6 die is uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ dat het woon- en leefklimaat in het plangebied wordt beoordeeld als ‘zeer goed’ (0,0-3,0 OU/m3).
Vanuit het aspect geurhinder van veehouderijen zijn er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw. In de appartementen zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Tevens worden veehouderijen in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering beperkt als gevolg van de ontwikkeling, vanwege de grote tussenliggende afstand en omdat reeds woningen dichter bij zijn gelegen.
6 BugelHajema, PlanMER bestemmingsplan buitengebied Horst, projectnummer 934.00.00.01.00, 24 november 2017, te raadplegen
via https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIED-BPV1/b_NL.IMRO.1507.HMBUITENGEBIEDBPV1_tb4.pdf.
Hoofdstuk 5
41
5.2.5 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijk gebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied; 2.
Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. De richt-afstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen.
De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Woningen zijn milieugevoelige functies. Aangezien onderhavig plan voorziet in de realisatie van 24 sociale huur appartementen dient getoetst te worden of in deze woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven niet worden gehinderd door de ontwikkeling. Onze onderzoekspartner heeft in dit kader een
Hoofdstuk 5
42
Quickscan bedrijven en milieuzonering7 uitgevoerd. De belangrijkste resultaten worden hieronder weergegeven. Toetsing Gebiedstypering De omgeving van het plangebied is voornamelijk ingevuld met woonbestemmingen. Derhalve wordt het gebied getypeerd als een rustig gebied. De VNG-brochure kent verschillende gebiedskwalificaties. Als de omgeving wordt aangemerkt als ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden volgens de VNG-brochure met één afstandstap worden verlaagd. In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de omliggende percelen waarop bedrijvigheid mogelijk is. Externe werking De externe werking betreft de vraag of de beoogde nieuwe functie binnen onderhavig plan niet zal leiden tot hinder voor bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. De beoogde woningen binnen het plangebied vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Daarnaast dient volledigheidshalve opgemerkt te worden dat er geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder die wordt veroorzaakt door de nieuwe verkeersbewegingen van het planvoornemen op de omliggende reeds bestaande woningen. In paragraaf 5.2.2 heeft hieromtrent een toelichting plaatsgevonden. Interne werking Naast de externe werking is er ook een interne werking als het gaat om het beoogde planvoornemen.
De interne werking ziet erop toe dat medewerking aan het beoogde planvoornemen pas mogelijk is indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woningen gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. In de onderstaande tabel wordt de omliggende bedrijvigheid rondom het plangebied toegelicht. Hierbij is conform het vigerend bestemmingsplan gekeken naar de maximaal toelaatbare milieucategorie (worstcase scenario). Bestemming
Maatschappelijk (specifieke vorm ‘Kinderopvang’) Bedrijf (specifieke vorm ‘Sportscholen, gymnastiekzalen’) ‘Bedrijventerrein’
Maximale milieucategorie 2
Richtafstand8
Afstand tot woningen9
30 meter
circa 0 meter
2
30 meter
circa 35 meter
3.2
100 meter
circa 150 meter
7 Econsultancy, ‘Quickscan bedrijven en milieuzonering Bemmelstraat te Horst’, rapportnummer: 18102.006, d.d. 21 februari 2022. 8 Gebaseerd op basis van de ligging binnen rustig gebied 9 Afstand is gemeten tussen de grens van het bestemmingsvlak en de dichtstbijzijnde gevel van een woning.
Hoofdstuk 5
43
‘Bedrijf’ (specifieke vorm ‘Kunststofverwerkend bedrijf’)
4.1
200 meter
circa 220 meter
Omliggende bedrijvigheid en diens richtafstanden conform de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’
Direct ten noorden van het plangebied is een maatschappelijke bestemming gelegen. De bestemming maakt ruimte voor een kinderdagverblijf (De Bende). Voor dergelijke bestemmingen geldt milieucategorie 2 met een bijhorende richtafstand van 30 meter. Het aspect geluid is maatgevend voor de richtafstand. Het plangebied valt binnen de richtafstand, waardoor belemmeringen op voorhand niet kunnen worden uitgesloten. Derhalve is geadviseerd een nader akoestisch onderzoek uit te voeren ten behoeve van het kinderdagverblijf. Uit de berekeningsresultaten wordt geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de richt- en grenswaarden plaatsvinden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en de indirecte hinder zoals deze zijn opgenomen in de VNG-publicatie en het Activiteitenbesluit. Derhalve wordt geconcludeerd dat de overschrijding acceptabel kan worden geacht en het woon- en leefklimaat voor de toekomstige woningen gewaarborgd wordt. Dit is reeds behandeld onder paragraaf 5.2.2 van dit bestemmingsplan. Ten zuiden van het plangebied is op circa 30 meter een bedrijfsbestemming gelegen. Voor dergelijke bestemmingen geldt, volgens het vigerende bestemmingsplan, een maximale milieucategorie 2. Op het perceel is een sportschool gevestigd. De sportschool is echter op meer dan 30 meter afstand gelegen van het plangebied. Daarnaast zullen geen buitenactiviteiten plaatsvinden.
Derhalve zullen de activiteiten ten gevolge van deze bestemming niet voor belemmeringen zorgen voor de realisatie van het plan en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Op circa 150 meter afstand van het plan is ten zuidoosten een bedrijventerrein gelegen. De bestemming laat, met uitzondering van specifieke functieaanduiding, maximaal bedrijvigheid tot milieucategorie 3.2 toe. Voor dergelijke inrichtingen geldt een richtafstand van 100 meter in een rustig gebied. Derhalve zal deze bestemming niet voor belemmeringen zorgen voor de realisatie van het plan. Ten zuidoosten is op circa 220 meter afstand van het plangebied een bedrijvenbestemming gelegen met de specifieke functieaanduiding ‘bedrijf van categorie 4.1’. Voor dergelijke inrichtingen geldt een richt-afstand van 200 meter in een rustig gebied. Derhalve zal ook deze bestemming niet voor belemmeringen zorgen voor de realisatie van het plan. Als laatste zijn ten noorden van het plangebied meerdere gemengde bestemmingen gelegen. De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: kantoren; dienstverlening; maatschappelijke voorzieningen; bedrijven van categorie 1 en/of 2; kantoren; wonen; ter plaatse van aanduiding ‘detailhandel’: tevens detailhandel, geen supermarkt zijnde; ter plaatse van de aanduiding ‘horeca van categorie 2’: tevens horeca van categorie 2;
Hoofdstuk 5
44
ter plaatse van de aanduiding ‘horeca van categorie 3: tevens horeca van categorie 3; ter plaatse van aanduiding ‘specifieke vorm van horeca – evenementenhal’: tevens een evenementenhal.
Geen van de hierboven staande bestemmingen zullen resulteren in activiteiten die toebehorend zijn aan milieucategorie die rijkend is tot het plangebied. Derhalve zullen ook deze bestemmingen niet voor belemmeringen zorgen voor de realisatie van het plan. Inrichtingen tot milieucategorie 4.2 kennen een richtafstand tot ten hoogste 300 meter. Op grotere afstand zijn derhalve alleen inrichtingen vanaf categorie 5.1 potentieel belemmerend in relatie tot het plangebied. De grootste richtafstand uit de VNG-publicatie bedraagt 1.500 meter voor een gemengd gebied. In een bereik van 300 tot 1.500 meter afstand van het plan zijn twee bestemmingen gelegen welke mogelijk relevant kunnen zijn en dan ook nader worden toegelicht. Ten zuiden van het plangebied is op circa 600 meter afstand een bedrijvenbestemming gelegen met de specifieke functieaanduiding ‘bedrijf van categorie 4.2’. Voor dergelijke inrichtingen geldt een richtafstand van 300 meter in een rustig gebied. Derhalve zal ook deze bestemming niet voor belemmeringen zorgen voor de realisatie van het plan. Als laatste is ten oosten van het plangebied op circa 1.400 meter een bedrijventerrein gelegen. Voor dergelijke inrichtingen geldt, volgens het vigerende bestemmingsplan, maximaal milieucategorie 3.2. Derhalve zal ook deze bestemming niet voor belemmeringen zorgen voor de realisatie van het plan.
In een bereik van 300 tot 1.500 meter afstand van het plan zijn diverse andere bestemmingen gelegen. Echter valt geen van deze bestemmingen te categoriseren in een voor het plangebied relevante milieucategorie. Derhalve zorgen deze bestemmingen niet voor de belemmering van het plan en wordt nader onderzoek voor deze bestemmingen niet noodzakelijk geacht. Conclusie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling aan de Bemmelstraat te Horst is middels een quickscan onderzocht of in de nabijheid van het plangebied bestemmingen aanwezig zijn die het woon- en leefklimaat nadelig kunnen beïnvloeden en of het plan de omgeving nadelig beïnvloed. Het plangebied valt binnen de richtafstand van het kinderdagverblijf ‘De Bende’. Naar aanleiding daarvan heeft er een akoestisch onderzoek naar industrielawaai plaatsgevonden. Hieruit wordt geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de richt- en grenswaarden plaatsvinden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en de indirecte hinder zoals deze zijn opgenomen in de VNG-publicatie en het Activiteitenbesluit. Derhalve wordt geconcludeerd dat de overschrijding acceptabel kan worden geacht en het woon- en leefklimaat voor de toekomstige woningen gewaarborgd wordt. Vanuit het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ bestaan er dan ook geen belemmeringen voor het onderhavige planvoornemen.
Hoofdstuk 5
45
5.2.6 Externe veiligheid Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hierlangs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Plaatsgebonden Risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans om te overlijden op een bepaalde plaats als gevolg van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Voor het plaatsgebonden risico geldt dat er geen nieuwe kwetsbare objecten aanwezig zijn of geprojecteerd worden binnen de 10-6/jaar-contour (wettelijk harde grenswaarde). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Voor de definitie van de begrippen kwetsbare, en beperkt kwetsbare objecten wordt verwezen naar het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.
Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Hoofdstuk 5
46
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (rode pijl)
Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van vijftien appartementen mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Bevi zijn woningen (waaronder appartementen) kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan. In dit kader heeft Econsultancy een onderzoek naar externe veiligheid10 uitgevoerd ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging van het perceel aan de Bemmelstraat 2 te Horst. Hieronder worden de belangrijkste resultaten weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Risicovolle inrichtingen Op circa 625 meter ten zuiden van de grens van het plangebied is een benzineservicestation met LPG-vulpunt (1) gelegen. Voor LPG-tankstations is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter vanuit het vulpunt en de ondergrondse tank. Er is geen sprake van invloed op het plangebied. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet nodig.
10 Econsultancy, ‘Quickscan Externe veiligheid Bemmelstraat te Horst’, rapportnummer: 18102.008, d.d. 8 maart 2022.
Hoofdstuk 5
47
Op circa 640 meter ten zuiden van de grens van het plangebied ligt Mertens B.V. (2). De afstand tot de grens van het invloedsgebied bedraagt 90 meter. Er zijn geen belemmeringen, omdat het plangebied niet gelegen is in het invloedsgebied. Buisleidingen De grootste inventarisatieafstand voor een hogedruk aardgastransportleiding bedraagt 580 meter. Omdat er binnen een straal van 580 meter tot het plangebied geen hogedruk aardgastransportleidingen zijn gelegen, bestaan er geen belemmeringen voor het voorgenomen plan. Vervoer gevaarlijke stoffen Op circa 1,1 kilometer ten oosten van de grens van het plangebied is de rijksweg A73 gelegen. Via deze transportroute, die onderdeel uitmaakt van het Basisnet, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied is niet gelegen binnen 200 meter van de rijksweg A73, maar bevindt zich wel binnen het invloedsgebied van de stofcategorieën GT4 en GT5. Derhalve is een beperkte verantwoording van het groepsrisico vereist gelet op artikel 7 en 8 van het Bevt. In de verantwoording moet worden ingegaan op de mogelijkheden ter bestrijding en beperking van de omvang van calamiteiten en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen. Tevens moet worden ingegaan op de aanwezige en te verwachten dichtheid van personen binnen het invloedsgebied van de betreffende risicobronnen en het groepsrisico in relatie tot de oriëntatiewaarde.
Dit valt onder de ‘beperkte verantwoording’. In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Aspect
Verantwoording
De mogelijkheden ter voorbereiding
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het
van bestrijding en beperking van de
incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De
omvang van een ramp of zwaar onge-
brandweer kan door middel van waterscherm verspreiding van een gifwolk ver-
val.
tragen.
De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.
De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. De mogelijkheden voor personen om
Door een ongeval met een tankwagen op de rijksweg kunnen giftige gassen vrij-
zich in veiligheid te brengen indien
komen. De toxische wolk kan zich snel ontwikkelen en verplaatsen. Afhankelijk
zich op de weg een ramp voordoet
van het type stof, windrichting en plaats van de calamiteit kunnen hoge concen-
(zelfredzaamheid).
traties optreden. Via waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en NL-Alert worden personen in de omgeving gewaarschuwd. Bij een calamiteit met giftige
Hoofdstuk 5
48
Aspect
Verantwoording gassen is het handelingsperspectief binnen blijven en schuilen. Ventilatievoorzieningen moeten eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken.
Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle inrichting, buisleiding, weg, spoorweg of vaarweg. Wel is het gelegen binnen het invloedsgebied van de A73. In verband hiermee is in deze paragraaf invulling gegeven aan de beperkte verantwoording van het groepsrisico. Vanuit externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied. 5.2.7 M.e.r.-beoordeling Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van woningen De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het voorliggende initiatief betreft de ontwikkeling van 24 sociale huurappartementen in een bestaande woonomgeving in Horst.
Blijkens jurisprudentie11 dient niet iedere mogelijk gemaakte wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling een rol. In het voorliggende geval is sprake van een toename met 24 wooneenheden binnen het bestaand stedelijk gebied, te midden van bestaande woningen. Gezien de omvang van het project, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project. Daarnaast is er geen sprake is van
11 O.a. ABRS 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668) en Rechtbank Amsterdam 6 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:648).
Hoofdstuk 5
49
significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 5). Op basis van het bovenstaande dient de voorliggende ontwikkeling niet aangemerkt te worden als (de uitbreiding van) een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 5.5 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is.
Conclusie De voorgenomen woningbouwontwikkeling betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, vanwege de aard en schaal van het project, het feit dat geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht.
5.3 Waterparagraaf In het kader van de voorgenomen plannen heeft Econsultancy een infiltratieonderzoek uitgevoerd en een onderbouwing van het wateraspect opgesteld. De belangrijkste bevindingen hieruit zijn samengevat in de voorliggende waterparagraaf. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage12.
12 Econsultancy, ‘Watertoets Bemmelstraat 2 te Horst’, rapportnummer: 18102.004, d.d. 10 maart 2022.
Hoofdstuk 5
50
Beschrijving van waterrelevant beleid Beschrijving van waterrelevant beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie 2021, het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht. Provinciaal Waterplan 2016 - 2021 Het provinciaal waterbeleid is nader geconcretiseerd in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 op grond van de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit plan maakt onderdeel uit van het tweede (inter)nationale Stroomgebiedbeheerplan Maas. In Nederland zijn vijf instanties betrokken bij het waterbeheer en de watervoorziening.
Op grond van de Waterwet (2009) en het Bestuursakkoord Water (2011) is de verantwoordelijkheid als volgt verdeeld: 1. Het Rijk is verantwoordelijk voor beleid en wetgeving op nationaal niveau en voor het beheer van het hoofdwatersysteem: de zee en de grote rivieren, meren en kanalen. 2. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid en regelgeving voor de regionale gronden oppervlaktewatersystemen, en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare watervoorziening, de grotere industriële onttrekkingen en die voor energieopslagsystemen. 3. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, de zuivering van afvalwater en de zorg voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid langs de Maas. De waterschappen concretiseren de provinciale beleidskaders uit het POL en het provinciaal waterplan in een waterbeheerplan dat het karakter krijgt van een uitvoeringsprogramma. 4. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor rioleringbeheer en hebben de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. 5. Het drinkwaterbedrijf is wettelijk verantwoordelijk voor de productie en distributie van drinkwater.
Hoofdstuk 5
51
Voldoende en schoon water is een economische factor van betekenis en onmisbaar voor mens en natuur. De burger stelt steeds hogere eisen aan de waterveiligheid, het gebruik en de beleving van water. Duurzaamheid en publieke participatie zijn daarom volgens het POL2014 belangrijke uitgangspunten. Waterschap Limburg Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg beschrijft de uitwerking van het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma. Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met dit waterbeheerprogramma geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 20222027. De taken van het waterschap, welke doelen zij per taak wil bereiken en welke maatregelen zij daarvoor inzet, is beschreven in het Waterbeheerprogramma. Daarbij is onderscheid gemaakt in de taken hoogwaterbescherming, klimaatadaptatie, waterkwaliteit en zuiveren. Keur waterschap Limburg Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het waterschap Limburgvan toepassing. In de Keur worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q.
bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang. Gemeentelijk beleid De gemeente Horst aan de Maas volgt zo veel mogelijk het beleid zoals dit is vastgelegd door het waterschap Limburg. Belangrijke aandachtspunten in het beleid zijn het scheiden van vuilen schoon-waterstromen, het vasthouden van gebiedseigen (regen)water, het doorlopen van de afwegingsstap-pen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer’ en het zichtbaar en aantrekkelijk maken van water in de gemeente. Voor dit plan zijn alle genoemde onderwerpen relevant. Hergebruik Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met bestaande proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1.000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving op dit vlak maakt het hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. Onderhavig plan is dan ook niet geschikt om deze voorziening toe te passen. Infiltratie, buffering en afvoer In principe is het de bedoeling dat al het hemelwater in het plangebied wordt vastgehouden.
Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater en bodem, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater.
Hoofdstuk 5
52
5.3.1 Ligging plangebied in relatie tot waterbelangen De planlocatie (± 800 m²) ligt aan de Bemmelstraat 2 op de hoek met de Gasthuisstraat te Horst en omvat het perceel kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie M, nummer 2250 (deels). De coördinaten van een centraal punt zijn X = 201.193, Y = 384.397. De planlocatie is nagenoeg volledig bebouwd met een bestaand pand uit 1960 met een maatschappelijke bestemming. De voorzijde van het pand is grotendeels onverhard en bestaat uit bomen en groen. Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland1, bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 25,0 tot 25,2 m +NAP. De Bemmelstraat is gelegen op een hoogte van 24,6 m +NAP. De Gasthuisstraat ligt nabij de planlocatie op een hoogte van circa 24,75 m +NAP 5.3.2 Waterhuishoudkundige situatie Grondwater Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand).
TNO-NITG voert het databeheer van in de omgeving aanwezige grondwaterpeilputten waarin de grondwaterstandstand in het eerste watervoerende pakket wordt gemonitord. Middels de interactieve grondwatertools ‘Isohypsen’ en ‘Grondwaterdynamiek’ van de Geologische Dienst Nederland worden de historische grondwatermeetreeksen uit het archief van TNO gesimuleerd met behulp van dagelijkse metingen van neerslag en verdamping uit gegevens van het KNMI. In het archief van TNO zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen bruikbare grondwaterdata beschikbaar. Op basis van de beschikbare literatuur gegevens kunnen derhalve geen uitspraken worden gedaan omtrent de GHG of GLG. Vanuit de Klimaateffectatlas wordt voor de planlocatie uitgegaan van een GHG gelegen tussen de 1,5 en de 2,0 m-mv. Het grondwater stroomt volgens de geraadpleegde bronnen in oostelijke tot noordoostelijke richting. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings-, grondwaterwin-, attentiegebied of boringsvrijezone. Oppervlaktewater Voor het waterschap is de legger, samen met de keur, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten.
Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen.
Hoofdstuk 5
53
De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op basis van de leggerkaart van waterschap Limburg is in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater gelegen. 5.3.3 Planvoornemen in relatie tot waterhuishoudkundige aspecten Afvalwater Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld en verwerkt. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Hemelwater In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat worden ingezameld en binnen de planlocatie worden verwerkt. Hierdoor wordt water bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en wordt hemelwater op een duurzame wijze verwerkt. Binnen de planlocatie is weinig ruimte beschikbaar om de gehele wateropgave bovengronds te bergen. Hierdoor zal gezocht moeten worden naar een ondergrondse voorziening.
Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen een bepaalde gronddekking nodig. De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd. Het is mogelijk om de wateropgave ondergronds te regelen middels meerdere soorten voorzieningen waaronder infiltratiekratten. Conclusie De gemeente Horst aan de Maas en het waterschap Limburg hebben als doelstelling om zoveel mogelijk hemelwater lokaal te verwerken en waar mogelijk het water in de bodem te infiltreren. Op deze manier wordt het gemeentelijk rioolstelsel ontlast en wordt er positief ingespeeld op de waterhuishoudkundige systemen. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd hydrologisch positief uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure en uitvoering van het plan. Indien de bovenstaande adviezen worden meegenomen in de ontwerp-, realisatie en beheersfase is de gewenste balans tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie
Hoofdstuk 5
54
tot waterbeheer geborgd. Indien er rekening wordt gehouden met de randvoorwaarden uit de rapportage en de inpassing van de (hemelwater)voorzieningen, kan er vanuit hydrologisch opzicht dus positief ontwikkeld worden.
5.4 Kabels en leidingen Binnen het plangebied komen geen leidingen of kabels met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone voor dat deze gevolgen hebben voor dit bestemmingsplan. Vanuit dit aspect zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.
5.5 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Beschermde houtopstanden vanuit de Wet natuurbescherming De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Hoofdstuk 5
55
Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.