CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05c Toelichting

Gemeenteraad 20 december 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Bemmelstraat 2 te Horst.22.308 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bemmelstraat 2 te Horst

Inhoudsopgave

T oelichting

2

3

Bestemmingsplan "Bemmelstraat 2 te Horst" (ontwerp)

Toelichting

Bestemmingsplan "Bemmelstraat 2 te Horst" (ontwerp)

3

Bestemmingsplan Bemmelstraat 2 te Horst Gemeente Horst aan de Maas Ontwerp

Bestemmingsplan Bemmelstraat 2 te Horst Gemeente Horst aan de Maas Ontwerp

Identificatienummer:

NL.IMRO.1507.HOBEMMELST2-BP01

Rapportnummer:

P05195

Ontwerp:

12 september 2022

Opdrachtgever:

Gemeente Horst aan de Maas

Projectteam BRO:

SSh, DEe

Trefwoorden:

Woningbouw, Bemmelstraat 2 te Horst, gemeente Horst aan de Maas

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van de woningbouwlocatie aan de Bemmelstraat 2 in Horst.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

4 4 5 6 7

2. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Algemeen 2.2 Ruimtelijke en functionele structuur 2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie

9 9 9 10

2.3.1. Historische ontwikkeling 2.3.2 Cultuurhistorie

10 10

3. BELEID 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid

11 11 11

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) 3.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.2.4 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.2.5 Wet milieubeheer 3.3 Provinciaal beleid

11 12 14 14 15 15

3.3.1 Provinciale omgevingsvisie 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2021 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.4 Regionaal beleid

15 17 19 20

3.4.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 3.5 Gemeentelijk beleid

20 23

3.5.1 Structuurvisie Horst aan de Maas 3.5.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021 - 2025 3.5.3 Ontwerp omgevingsvisie Horst aan de Maas 3.5.4 Welstandsnota 3.5.5 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 3.6 Conclusie

23 27 28 29 30 30

Inhoudsopgave

1

4. PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan 4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten

31 31 33

5. SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding 5.2 Milieuaspecten

35 35 35

5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit 5.2.2 Geluid 5.2.3 Luchtkwaliteit 5.2.4 Geur 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering 5.2.6 Externe veiligheid 5.2.7 M.e.r.-beoordeling 5.3 Waterparagraaf

35 36 38 40 42 46 49 50

5.3.1 Ligging plangebied in relatie tot waterbelangen 5.3.2 Waterhuishoudkundige situatie 5.3.3 Planvoornemen in relatie tot waterhuishoudkundige aspecten 5.4 Kabels en leidingen 5.5 Ecologie 5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.7 Verkeer en parkeren 5.8 Duurzaamheid 5.9 Gezondheid

53 53 54 55 55 58 60 61 62

5.9.1 Endotoxinen 5.9.2 Geitenhouderij 5.9.3 Spuitzones

62 62 63

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Handhaving 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

65 65 65 66

6.3.1 Wettelijk vooroverleg 6.3.2 Zienswijzenprocedure 6.3.3 Procedure bestemmingsplan

66 66 67

7. JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken 7.2 Toelichting op de verbeelding 7.3 Toelichting op de regels

Inhoudsopgave

68 68 68 68

2

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: BRO Ladderonderbouwing Bemmelstraat 2 t/m 2b te Horst, rapportnummer: P05195, d.d. 4 mei 2022. Bijlage 2: Econsultancy, Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Bemmelstraat te Horst, rapportnummer: 18102.001, d.d. 31 maart 2022. Bijlage 3: Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek Bemmelstraat te Horst, rapportnummer: 18102.001, d.d. 5 april 2022. Bijlage 4: Econsultancy, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bemmelstraat te Horst, rapportnummer: 18102.007, d.d. 28 juli 2022. Bijlage 5: Econsultancy, Quickscan bedrijven en milieuzonering Bemmelstraat te Horst, rapportnummer: 18102.006, d.d. 21 februari 2022. Bijlage 6: Econsultancy, Akoestisch onderzoek industrielawaai Bemmelstraat te Horst, rapportnummer: 18102.009, d.d. 4 augustus 2022. Bijlage 7: Econsultancy, Quickscan Externe veiligheid Bemmelstraat te Horst, rapportnummer: 18102.008, d.d. 8 maart 2022. Bijlage 8: Econsultancy Watertoets Bemmelstraat 2 te Horst, rapportnummer: 18102.004, d.d. 10 maart 2022. Bijlage 9: BRO, Quickscan flora en fauna Bemmelstraat te Horst, rapportnummer: P05195, d.d. 10 maart 2022. Bijlage 10: Econsultancy Archeologisch bureauonderzoek Bemmelstraat 2 te Horst, rapportnummer: 18102.002, d.d. 10 augustus 2022. Bijlage 11: BRO, Stikstofberekening AERIUS-calculator Bemmelstraat te Horst, rapportnummer: P05195, d.d. 26 april 2022.

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Het voornemen bestaat om woningbouw mogelijk te maken op een locatie aan de Bemmelstraat 2 t/m 2b in Horst. In de huidige situatie is deze locatie bebouwd en in gebruik als een kantoorpand voor maatschappelijke organisaties. De huidige bebouwing zal volledig worden gesloopt en er zal nieuwbouw plaatsvinden in de vorm van een appartementengebouw, waarin 24 sociale huurappartementen worden gerealiseerd. Er zijn 15 appartementen voorzien en 9 studio’s (voor alleenstaanden). De gewenste ontwikkeling is binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Peelkernen’ niet mogelijk. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is daarom besloten een nieuw bestemmingsplan op te stellen.

Topografische kaart met globale ligging plangebied (rode pijl en omlijning)

Hoofdstuk 1

4

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt ten zuidwesten van het centrum in de kern Horst, in de gemeente Horst aan de Maas. Aan de oostzijde wordt de locatie begrensd door de Gasthuisstraat en aan de zuidzijde door de Bemmelstraat. Aan de noordoostzijde van het plangebied ligt een pand dat momenteel in gebruik is als sportfunctie en een pand dat momenteel in gebruik is met de functie bijeenkomst. Aan de (noord)westzijde liggen panden die momenteel in gebruik zijn als woning. Het plangebied zelf is in de huidige situatie in het midden bebouwd en verhard met een aantal looppaden welke zich bevinden rondom de huidige bebouwing. Aan de zuidzijde van het perceel is een groenstrook met daarin een aantal bomen en struikbegroeiing. Hetzelfde geldt voor het gebied op de hoek van de Bemmelstraat en de Gasthuisstraat aan de zuidoostelijk zijde. Aan de noordzijde van het pand is een parkeerterrein gelegen. Het midden van het plangebied is bebouwd met een kantoorpand bestaande uit twee lagen, afgedekt met een plat dak. Het noordelijk deel is verhard en in gebruik als parkeerterrein voor de maatschappelijke organisaties. Dit parkeerterrein is bereikbaar via de Nieuwstraat waardoor de achterzijde van het pand kan worden bereikt. De bestaande bebouwing zal volledig worden gesloopt. De huidige bebouwing zal plaats maken voor 24 nieuwe huur appartementen.

Het plangebied omvat een gedeelte van het perceel, kadastraal bekend als Horst, sectie M, nummer 2250. Dit gedeelte van het perceel heeft een oppervlakte van circa 2.280 m².

Kadastrale kaart met begrenzing plangebied blauw omlijnd (bron: aangeleverd door opdrachtgever)

Hoofdstuk 1

5

In de omgeving van het plangebied zijn in noordelijke en westelijke richting voornamelijk woningen gelegen. Verder richting het noordoosten ligt het centrum van Horst, waar een mix van diverse functies aanwezig is. Ten zuiden van het plangebied is sprake van een mix van wonen met enkele verspreid gelegen bedrijfslocaties.

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Peelkernen, zoals dat op 10 november 2009 is vastgesteld door de gemeenteraad van Horst aan de Maas. Binnen dit bestemmingsplan zijn de gronden bestemd tot ‘Maatschappelijke doeleinden’ en ‘Verkeersdoeleinden’. Binnen deze bestemmingen is wonen niet toegestaan. Aangezien het voorliggende initiatief de nieuwbouw van appartementen betreft, is deze ontwikkeling niet toegestaan volgens het vigerende bestemmingsplan.

Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Horst Centrum' met ligging plangebied (rood omlijnd)

Daarnaast heeft een gedeelte van het plangebied de dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’. Een gedeelte van het plangebied valt op basis van de gemeentelijke archeologische maatregelenkaart binnen categorie 7 (bebouwde kom – onbekende verwachting) en het andere gedeelte bin-

Hoofdstuk 1

6

nen categorie 2 (Archeologische waarde). Voor het gedeelte dat valt onder categorie 2 geldt een archeologische onderzoeksplicht bij de realisatie van bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 100 m2 en een diepte van meer dan 30 cm. Voor het gedeelte dat valt onder categorie 7 geldt een archeologische onderzoeksplicht bij de realisatie van bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van meer dan 50 cm. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie. Het vigerende bestemmingsplan bevat geen afwijkingsbevoegdheden of wijzigingsbevoegdheden opgenomen waarmee de beoogde woningbouw mogelijk kan worden gemaakt. Daarom is besloten om het voorliggende nieuwe bestemmingsplan op te stellen, waarmee de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt.

1.4 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven en in hoofdstuk 4 het beoogde woningbouwplan. Hoofdstuk 5 gaat in op de relevante milieu- en onderzoeksaspecten en tot slot komen in de hoofdstukken 6 en 7 respectievelijk de uitvoerbaarheid en de juridische toelichting aan de orde.

Hoofdstuk 1

7

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1 Algemeen Het plangebied ligt in de kern van Horst, ten zuiden van het centrum, in de gemeente Horst aan de Maas. In de huidige situatie is het plangebied deels bebouwd en verhard en in gebruik als kantoor voor de daar gesitueerde maatschappelijke organisaties.

2.2 Ruimtelijke en functionele structuur In de huidige situatie is het plangebied grotendeels bebouwd en verhard. Er bevinden zich ook groenstroken om de bebouwing heen. Het zuidelijk deel van het plangebied is bebouwd met een bedrijfsloods. Het noordelijke deel is verhard en in gebruik als parkeerterrein ten behoeve van de maatschappelijke organisaties. Deze bestaande bedrijfsbebouwing zal volledig worden gesloopt om het beoogde woningbouwproject mogelijk te kunnen maken. Het is hierbij niet mogelijk gebleken om het geraamte van het gebouw te behouden en enkel circulair te slopen.

Uitsnede luchtfoto ligging plangebied (rood omlijnd)

Hoofdstuk 2

9

Het plangebied is gelegen op een locatie nabij het centrum van Horst. Aangrenzend aan het plangebied en in de omgeving zijn voornamelijk woningen gelegen. Ten zuidwesten van het plangebied liggen enkele bedrijfslocaties richting het buitengebied van Horst. Het voorliggende woningbouwplan past daarmee functioneel goed binnen de bestaande woonomgeving.

2.3 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie 2.3.1.

Historische ontwikkeling

Het dorp Horst is in de middeleeuwen (ca. 500 tot ca. 1500 NC) ontstaan op de hogere zandgronden tussen de Peel en de Groote Molenbeek. De oorspronkelijke naam was Berkele. In de 11 e eeuw was er in Berkele al een kapel. Rondom deze kapel vestigden zich winkeliers en handelaren. Van de gehuchten Berkele, Hegelsum, Meldersloo, Meterik, Middelijk, Oostenrijk en Schadijk was Berkele door zijn centrale ligging het belangrijkste. Door het ontstaan van het kasteel Huys ter Horst (ca. 1300) neemt de centrale nederzetting Berkele waarschijnlijk de naam Horst aan. Horst en de andere dorpen van de gemeente Horst aan de Maas behoorden tot het Overkwartier van Gelre of Spaans Opper-Gelre. Tijdens de Spaanse Successieoorlog werd het door Staatse troepen bezet, waarna het in 1713 werd overgedragen aan de Pruisische bondgenoot. Zo bleef het als deel van Pruisisch Opper-Gelre ongeveer een eeuw lang Duits (tot 1814). Volgens divers historisch kaartmateriaal (bron: topotijdreis.nl) was het plangebied tot medio 20 e eeuw onbebouwd en in agrarisch gebruik. In de directe omgeving waren enkele verspreid gelegen boerderijen aanwezig. Ter plaatse van de Bemmelstraat en de Gasthuisstraat zijn reeds vanaf medio 19e eeuw wegen gelegen. In de jaren ‘70 is het merendeel van de bebouwing in de langs deze doorgaande wegen rond het plangebied opgericht.

Het plangebied zelf is tussen 1986 en 1987 bebouwd met de huidige bebouwing. 2.3.2

Cultuurhistorie

Binnen het plangebied zelf zijn geen monumenten of karakteristieke c.q. beeldbepalende elementen aanwezig. De omliggende wegen Bemmelstraat en Gasthuisstaat zijn op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg aangewezen als ‘andere weg ouder dan 1806’. Aan deze wegen vinden geen wijzigingen plaats. Het woningbouwproject heeft dan ook geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden van deze wegtracés. Daarnaast zijn diverse panden in de omgeving geïnventariseerd in het kader van het Monument Inventarisatie Project (MIP). Op deze gebouwen wordt evenmin invloed uitgeoefend als gevolg van de voorliggende ontwikkeling.

Hoofdstuk 2

10

3. BELEID

3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante ruimtelijke beleidsaspecten voor de ontwikkeling van het plangebied.

3.2 Rijksbeleid 3.2.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (behalve paragraaf 4.9). De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.

Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Hoofdstuk 3

11

De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaat-bestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16.

Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agro-productie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (in-ter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief zijn geen nationale belangen in het spel. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.2.2

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of

Hoofdstuk 3

12

zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging Het voorliggende bestemmingsplan maakt de toevoeging van 24 woningen mogelijk. Het toevoegen van maximaal elf woningen is in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.

Bij het voorliggende initiatief wordt deze ondergrens overschreden, waardoor sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook vereist. Door BRO is een laddertoets2 uitgevoerd. Onderstaand wordt de conclusie uit deze toets weergegeven. Het volledige rapport is als separate bijlage bij onderhavige toelichting toegevoegd. Het initiatief voorziet in een kwalitatieve en kwantitatieve behoefte binnen het verzorgingsgebied. Het verzorgingsgebied is in de ladderonderbouwing afgebakend op basis van verhuisbewegingen. Het primair verzorgingsgebied betreft de gemeente Horst aan de Maas en het secundair verzorgingsgebied zijn de woonregio’s Venlo en Venray. Wat betreft de kwantitatieve behoefte is er in de bestaande plancapaciteit een tekort ten opzichte van de behoefte. De beoogde ontwikkeling van maximaal 24 woningen voorziet hierdoor nadrukkelijk in een kwantitatieve behoefte en kan worden ingepast in de harde plancapaciteit. Het initiatief om goede en duurzame woningen te realiseren, evenals levensloopbestendige woningen en specifiek sociale huur, voorziet tevens in een kwalitatieve behoefte. Zeker in de huidige tijd, met aanzienlijk krapte op de woningmarkt, bestaat in beginsel behoefte aan elk woningtype.

Daarnaast past het initiatief binnen de vigerende beleidskaders voor wonen op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau.

1 O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016

(ECLI:NL:RVS:2016:2319). 2 BRO, ‘Ladderonderbouwing Bemmelstraat 2 t/m 2b te Horst’, rapportnummer: P05195, d.d. 4 mei 2022.

Hoofdstuk 3

13

Tot slot is niet de verwachting dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling onaanvaardbare effecten zullen optreden. Ook na realisatie van het planinitiatief blijft op gemeenteniveau behoefte bestaan voor nieuwe woningen. Het plan is kortom passend binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, de uitoefening van defensietaken, veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Afweging Op dit bestemmingsplan werken geen van de genoemde rijksbelangen rechtstreeks door. In het plangebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn.

Het plan is dan ook in lijn met het Barro. 3.2.4

Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)

De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Horst aan de Maas. Afweging Aangezien onderhavig bestemmingsplan echter geen windturbines of andere bouwwerken hoger dan 114 meter toestaat vormt de ligging binnen het radarverstoringsgebied geen belemmering.

Hoofdstuk 3

14

3.2.5

Wet milieubeheer

In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. Die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. Ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.

van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plicht van dit plan is opgenomen in paragraaf 5.2.7.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1

Provinciale omgevingsvisie

Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg is op 1 oktober 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’

Hoofdstuk 3

15

De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2023. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied;  Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst.

Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;  Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het thema dat in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing is betreft het aspect ‘Wonen en leefomgeving’. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn.

De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet

Hoofdstuk 3

16

courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving.

De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Afweging De provinciale Omgevingsvisie is het richtinggevende kader op hoofdlijnen omtrent wonen. Omdat de woonbehoeften snel veranderen, en omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven wat betreft wonen en leefomgeving, zijn er meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s en instrumenten (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.4 en 3.5). Onderhavig plan voorziet in de realisatie van 24 sociale huurappartementen op gronden die zijn gelegen binnen de landelijke kern van Horst. Hiermee worden kwalitatief hoogwaardige woningen toegevoegd aan de huidige woningvoorraad, waardoor wordt bijgedragen aan de noodzakelijke transformatie van de woningmarkt.

Daarnaast voldoet onderhavig plan aan de ladder voor duurzame verstedelijking (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.2.4.) en is de ontwikkeling in lijn met de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ en het gemeentelijk ‘Masterplan Wonen Horst aan de Maas’. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in de ‘Provinciale omgevingsvisie’. 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 3

17

Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze Omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen. De inwerkingtreding is voorzien op 1 januari 2023 wanneer naar verwachting ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestings-nor-men voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het plangebied binnen het gebied ‘Landelijke kernen’.

Uitsnede ‘Omgevingsverordening Limburg 2021’ met ligging plangebied (gemarkeerd)

Conform artikel 12.1 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende beschrijven:

Hoofdstuk 3

18

a. b. c.

e.

rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.

In dit bestemmingsplan is in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12 van de omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Zoals volgt uit de paragraaf ‘Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)’ past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg. Daarnaast is de ontwikkeling in lijn met de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ en het gemeentelijk ‘Masterplan Wonen Horst aan de Maas’. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg bestaan kortom geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen. 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 De Omgevingsverordening Limburg 2014 is op 12 december 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Het POL2014 is inmiddels vervangen door de POVI, welke is beschreven onder paragraaf 3.3.1. Nu de inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening gelijk is aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2023 blijft tot die tijd de huidige Omgevingsverordening 2014 van kracht. In dat kader zal deze ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan tevens worden meegenomen. Woningbouw In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking).

Voor de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2. In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw. Volgens artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening voorziet een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio NoordLimburg niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. In paragraaf 3.4.1 wordt hier nader op ingegaan.

Hoofdstuk 3

19

Afweging Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet binnen beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap of (milieu)beschermingsgebieden ligt. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het is in de boringsvrije zone Venlo-schol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. De regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 vertaald in dit bestemmingsplan middels de aanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ die is opgenomen voor het gehele plangebied. Voor het overige is het plangebied niet gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Onderhavig plan is dan ook in overeenstemming met de uitgangspunten uit de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’.

3.4 Regionaal beleid 3.4.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 In de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen.

Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten:  Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen;  Gekeken dient te worden naar koppelkansen;  Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot;  Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte;  De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na;  Zoeken naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheid doelen.

Hoofdstuk 3

20

Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd:  Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte.  Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.  Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad.  Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad.

In de ‘Regionale Structuurvisie Noord-Limburg (2016)’ gaat het vooral om de kwantiteit, terwijl in de nieuwe Regionale Woonvisie de nadruk meer ligt op de kwaliteit. Er wordt vaak gesproken over een woningtekort en vooral landelijk gaat het hierbij om de aantallen. Uiteraard is dat van belang, maar de te verwachten ontwikkeling van huishoudens (in aantal én in type) geeft aan dat wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de kwaliteit van de woningvoorraad. In het rapport van Stec Groep wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van de regio Noord-Limburg. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad. Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn: 

De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen; Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koop- en ruime, dure koopsegment.

Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan.

Hoofdstuk 3

21

In de onderstaande afbeelding is een totaaloverzicht voor de regio zichtbaar waar een theoretisch tekort en waar een theoretisch overschot in de woningvoorraad ontstaat. Links van de 0 staat het type woning waarvan een overschot is te verwachten en rechts van de 0 staat het type woning waaraan een tekort is. Opgemerkt dient te worden dat de onderstaande theoretische overschotten en tekorten ontstaan wanneer alle doelgroepen hun verhuiswensen kunnen realiseren. In de praktijk is de woningmarkt een aanbodmarkt en zijn doelgroepen niet altijd in staat hun verhuiswens te realiseren, doordat zij hier financieel niet toe in staat zijn of omdat de gewenste woning niet beschikbaar is in de bestaande voorraad. Wel geeft onderstaande afbeelding een goede indicatie van de segmenten waar de grootste risico’s ontstaan op leegstand en achteruitgang.

Theoretische tekorten en overschotten woningvoorraad | Bron: WoON2015, WoON2018, Progneff (2018), bewerking Stec Groep (2019)

Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan worden 24 sociale huurappartementen mogelijk gemaakt op een inbreidingslocatie binnen de kern van Horst. Het door Stec opgestelde rapport ‘Opgaven en aanpak bestaande woningvoorraad in beeld, Basis voor woonbeleid’ uit 2019 geeft een inzicht in de bestaande regionale woningvoorraad en geeft een richting voor een transformatieopgave. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 24 woningen op een inbreidingslocatie binnen de kern van Horst. De realisatie van de beoogde woningen zorgt niet voor het vergroten van het kwetsbare woningoverschot. Onderhavig plan is dan ook passend binnen de regionale kwalitatieve behoefte. De realisatie van de nieuwbouw is hiermee niet strijdig met de woonvisie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 3

22

3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1 Structuurvisie Horst aan de Maas Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig:  De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn;  De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden;  De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners.

Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst. Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden. In de structuurvisie zijn 19 projecten ter verbetering van omgevingskwaliteit benoemd. Geen van deze projecten is gepland in of in de directe omgeving van het plangebied.

Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (Gemeentelijk kwaliteitsmenu) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen

Hoofdstuk 3

23

ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied. Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a. in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied.

Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: 1. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 2. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 3. De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 4. De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar. Het plangebied is gelegen binnen deelgebied 6A ‘Centrumdorpen’. Voor projectmatige woningbouw in uitleggebieden geldt hiervoor een positieve grondhouding (ja). Een positieve grondhouding betekent dat de gemeente in principe de potentiële ontwikkeling wenst en stimuleert.

Nu de grondexploitatie voor het onderhavige planvoornemen wordt gevoerd door de gemeente Horst aan de Maas is een nadere toetsing aan het gemeentelijke kwaliteitsmenu en/of een bovenwijkse voorzieningen bijdrage niet vereist.

Hoofdstuk 3

24

Uitsnede kaart 'Gebiedsindeling Gemeentelijk Kwaliteitsmenu' uit de Structuurvisie Horst aan de Maas met aanduiding globale ligging plangebied (rode pijl)

Evaluatie structuurvisie Bij de vaststelling van de structuurvisie is besloten om deze na een jaar te evalueren. Deze evaluatie heeft plaatsgevonden in de periode augustus 2014 – juli 2015 en heeft op onderdelen geleid tot een aanpassing van de structuurvisie. De module 'Projectmatige woningbouw' is daarbij gewijzigd in de module 'woningbouw in exploitatiegebieden'. Afweging Het plangebied is gelegen binnen gebied waarvoor een meedenkende grondhouding (ja, mits) geldt volgens de structuurvisie. Aan de voorwaarden in het gemeentelijk kwaliteitsmenu voor de module 'woningbouw in exploitatiegebieden' wordt voldaan, aangezien in de exploitatie van het plan rekening is gehouden met de vereiste kwaliteitsbijdrage van € 6,- per m² plangebied. Het plan past daarmee binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie. Afwegingskader toevoegen woningen Op 26 november 2019 is een herziening van de structuurvisie vastgesteld, waarbij onder andere het afwegingskader ‘Het toevoegen van een woning in de kern’ is toegevoegd aan de structuurvisie. Door middel van dit afwegingskader wordt op basis van ruimtelijke en volkshuisvestelijke criteria bepaald of

Hoofdstuk 3

25

woningbouwplannen voorzien in een type woningen waar op basis van het Masterplan Wonen (zie paragraaf 3.5.3 en 3.5.4) behoefte aan is. Indien een plan 8 of meer punten scoort, dan is sprake van een juiste woning op de juiste plek. Ten aanzien van het ruimtelijke kader blijkt dat het planvoornemen scoort op de navolgende aspecten:  Inbreiding of uitbreiding: score 2 Het plangebied betreft een locatie binnen de kern van Horst bij bestaand stedelijk gebied.  Hergebruik bestaand vastgoed: score 0 Er is momenteel vastgoed aanwezig binnen het plangebied. Er is gepoogd om het geraamte van de huidige bebouwing te behouden. Dat is echter niet mogelijk gebleken. De aanwezige bebouwing zal ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling volledig worden gesloopt.  Herontwikkelingslocatie: score 0 Het plangebied betreft een binnen de kern van Horst waar momenteel op basis van het vigerend bestemmingsplan enkel functies voor Maatschappelijke doeleinden zijn toegestaan.  Levensloopbestendige woning: score 2 Het voorliggende plan voorziet voor een belangrijk deel in de realisatie van levensloopbestendige woningen (qua opzet zijn keuken, woonkamer, natte cel en slaapkamer op een verdieping gelegen). Appartementen op de eerste verdieping zijn bereikbaar per lift.  Huurwoning: score 2 Het voorliggende plan bestaat uit huurappartementen.

 Kleine huisvesting (eenpersoonshuishoudens): score 2 Het plan voorziet in de realisatie van appartementen voor kleine huishoudens, aangezien de gebruiksoppervlakte van de appartementen kleiner is dan 120 m2.  Bijzondere doelgroepen: score 0 Onderhavig plan voorziet niet in de huisvesting van bijzondere doelgroepen.  Flexibel: score 1 Het voorliggende plan voorziet in een woningbouwconcept dat op termijn zonder veel kosten is te transformeren naar een behoefte op termijn.  Gevarieerde wijkopbouw: score 2 De realisatie van de beoogde appartementen zorgt voor een gedifferentieerde wijkopbouw, aangezien de appartementen een andere doelgroep hebben dan de in de omgeving gelegen grondgebonden (eengezins)woningen.  Duurzaamheid: score 0 Er wordt niet meer dan gebruikelijk geïnvesteerd in duurzaamheidsmaatregelen. Afweging In totaliteit scoort het planvoornemen voor de huurwoningen 11 punten, waardoor op basis van het afwegingskader positief geadviseerd kan worden ten aanzien van de uitvoering van dit woningbouwplan. Hierdoor bedraagt de vereiste kwaliteitsbijdrage conform het GKM € 0,-. Het plan past daarmee binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie.

Hoofdstuk 3

26

3.5.2

Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021 - 2025

Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2021-2025, dat in april 2021 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de regionale structuurvisie Wonen Noord Limburg. De hoofdopgaves voor Horst aan de Maas die gebaseerd zijn op het regionale beleid, betreft vooral een nieuwbouwopgave met als hoofddoelen: 1. 1000 woningen tussen nu en 2025 bouwen; 2. Bouwen naar behoeften. De genoemde beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen (2021-2025): • Kaders als basis voor mogelijkheden; Door verwachtingen en eisen aan de voorkant helder te hebben, weten ontwikkelaars, corporaties en inwoners waar ze aan toe zijn. Dit zorgt voor enthousiasme, een gedeelde visie en een snellere doorloop. • Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang; We kennen de woonvragen en -behoeften van onze inwoners: nu, morgen en volgend jaar – op zowel gemeenteniveau als in de individuele kernen. We weten op elk moment in het jaar of we nog op koers liggen. • Maatwerk per kern; Elke kern heeft zijn eigen karakter. Die eigenheid moet doorklinken in de woningopgave en de invulling ervan. • Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen; Partijen die onze gemeente goed kennen, zich vereenzelvigen met onze ambitie en hier ook aantoonbaar naar handelen, hebben een streepje voor.

Zij krijgen de ruimte en het vertrouwen om samen met ons Horst aan de Maas aantrekkelijker te maken. • Minder regels, snelle doorloop van processen; Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. We verminderen de regeldruk waar mogelijk, organiseren parallelle processen en houden initiatiefnemers aangehaakt. • Participatie & communicatie; Inwoners voelen zich gehoord, betrokken bij de ambitie en zijn trots. Dat dragen ze ook uit. Volgens de bevolkingsprognoses van Etil groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2030 met 1.375. Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling. Er dient met name aandacht te zijn voor (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Voor ruimtelijke plannen dienen volgende uitgangspunten daarbij in acht te worden genomen. •

Het plan voorziet, kwalitatief en kwantitatief, in de behoefte van inwoners. Dit betekent concreet dat: o De type woningen en bijbehorende aantallen aansluiten bij de opgave zoals omschreven in dit Masterplan én bij de lokale wensen en behoeften van inwoners (zie ook ‘maatwerk per kern’). o Ontwikkelaars/corporaties met inwoners en samen met de gemeentegesprekken hebben gevoerd en de lokale woonwensen als uitgangspunt hebben genomen.

Hoofdstuk 3

27

• • • •

• • •

Een programma met 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koop waarbij maatwerk mogelijk is bij kleine locaties of een aangetoonde andere behoefte aan sociale huur. Nieuwe woningen voldoen aan de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). Nieuwe woningen en woonwijken worden klimaat adaptief gebouwd zodat geen nieuwe knelpunten wateroverlast en hittestress ontstaan. Inbreiding (ontwikkelen binnen bebouwd gebied) waar mogelijk, uitbreiding (ontwikkelen aan de rand van bebouwd gebied) indien nodig. Ontwikkelen in het buitengebied heeft niet onze voorkeur; woningbouw op industrieterreinen is niet toegestaan. Kwalitatief goede, tijdelijke woonconcepten worden omarmd. Deze wordt, indien geschikt, ingezet om snel voor extra aanbod te zorgen. In het plan is goed nagedacht over de kwaliteit van de woonomgeving. Elk initiatief wordt getoetst op basis van gemeentelijk beleid (onder andere Structuurvisie Horst aan de Maas), bestemmingsplannen, stedenbouwkundige visies, het bouwbesluit en financiële haalbaarheid.

Nieuwbouwplannen worden getoetst op basis van bovenstaand afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op medewerking van de gemeente. Anders dan voorheen is dit afwegingskader geen ‘toets achter de schermen’, maar een vrij beschikbaar en inspirerend document, dat gemeente, corporaties en ontwikkelaars motiveert om al in de eerste, prille fase van conceptontwikkeling de juiste keuzes te maken. De woningbouwambitie is gebaseerd op de woningmarkt anno nu (vraag en aanbod), gecombineerd met prognoses (CBS, Stec) en signalen uit de markt. Afweging Met onderhavig planvoornemen wordt voorzien in kwalitatief goede woningen. De voorliggende locatie aan de Bemmelstraat is weliswaar niet aangewezen als woningbouwlocatie in het Masterplan Wonen, maar het voorliggende plan draagt wel bij aan het invullen van de kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwopgave voor de kern Horst. De ontwikkeling vindt plaats op een locatie nabij het centrum van Horst, en voorziet in de groeiende behoefte aan huur appartementen. Gezien de beoogde woningbouwsegmenten en het aantal woningen voldoet onderhavig plan aan het gemeentelijk woningbouwkader, zoals opgenomen in het Masterplan Wonen Horst aan de Maas. Hierdoor is sprake van een kwalitatieve verbetering ten opzichte van de oude situatie.

Vanuit het Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021-2025 zijn geen belemmeringen voor het planvoornemen. Het planvoornemen draagt juist bij aan de gestelde opgave om de bouw van 1.000 woningen te vergunnen tot en met 2025. 3.5.3

Omgevingsvisie Horst aan de Maas

De gemeente Horst aan de Maas heeft vanaf 29 oktober tot en met 10 december 2021 het ontwerp van de nieuwe Omgevingsvisie (opvolger van de structuurvisie) voor de gemeente ter inzage gelegen. De planning is dat de gemeenteraad in 2022 over de Omgevingsvisie besluit. Programma’s bevatten concrete projecten en concreet beleid. Deze omgevingsvisie biedt een vooruitblik op de leefomgeving tot het jaar 2040 voor het hele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas.

Hoofdstuk 3

28

Centraal in de visie staat een ambitie voor een gezond, leefbaar, ondernemend en groen Horst aan de Maas. Wat in deze visie staat, bepaald mede wat er straks kan en mag binnen de gemeente. Onderwerpen die in de omgevingsvisie onder andere aan bod komen zijn, een gezonde fysieke leefomgeving voor iedereen, zorg en welzijn, een veilige omgeving, gezondheid, economie, duurzaamheid, natuur en transitie naar een toekomstbestendige land- en tuinbouw. De omgevingsvisie is de komende jaren de leidraad voor ontwikkelingen in de leefomgeving en geeft ruimte aan initiatieven uit de samenleving. Afweging Vanuit de Omgevingsvisie Horst aan de Maas bestaan geen belemmeringen voor het onderhavige planvoornemen. 3.5.4

Welstandsnota

De gemeente Horst aan de Maas heeft op 20 november 2012 de ‘Welstandsnota gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld. Deze nota is opgesteld om een welstandstoets te kunnen uitvoeren bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. De vereenvoudigde welstandsnota bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. De gemeente onderscheid twee niveaus van welstand: ‘normaal’ en streng’. Voor het plangebied zal het welstandsniveau ‘normaal’ gaan gelden. Bij het normaal niveau van welstand wordt getoetst op aspecten die te maken hebben met de situering van het bouwwerk, de hoofdvormen van het bouwwerk, de schaal en geleding van het gebouw, het materiaalgebruik en de gebruikte kleurstelling. Ook de gevelaanzichten worden beoordeeld. De toets is vooral gericht op het gebouw als geheel en het welstandstoezicht is in deze gebieden beperkt tot het handhaven van basiskwaliteiten. Afweging In het kader van de concrete bouwplannen voor de beoogde woningen binnen het plangebied zal een welstandstoets plaatsvinden.

Hoofdstuk 3

29

3.5.5

Nota Parkeernormen Horst aan de Maas

Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers (CROW publicatie 317 Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). In afwijking van de CROW-publicatie is in de Nota Parkeernormen voor alle type appartementen en woonhuizen, ongeacht de prijsklasse en eigendomssituatie, één parkeernorm opgenomen. Vanwege de landelijke ‘setting’ van de gemeente Horst aan de Maas heeft het type woning en prijsklasse van de woning nauwelijks invloed op het autobezit. Vandaar dat gekozen is voor één categorie ‘wonen’. Basis blijft dat ontwikkelingen moeten voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein. Afweging Door middel van het voorliggende bestemmingsplan worden 24 nieuwe sociale huurappartementen mogelijk gemaakt. Van deze huurappartementen bestaan 15 woningen uit appartementen en 9 woningen uit studio’s voor alleenstaanden. Hierbij dient conform de Nota Parkeernormen te worden voorzien in 1,8 parkeerplaatsen per appartement. Voor de studio’s wordt een lagere parkeernorm aangehouden namelijk 1,2 parkeerplaatsen per studio.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12105655/1