CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05c Toelichting

Gemeenteraad 20 december 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Bemmelstraat 2 te Horst.22.308 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Toetsing Om te kunnen beoordelen of de voorliggende ontwikkeling in overeenstemming met de Wet natuurbescherming en het natuurbeleid kan worden uitgevoerd, heeft BRO een quickscan flora en fauna 13 uitgevoerd in het plangebied. De resultaten van de quickscan zijn hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Deurnsche Peel & Mariapeel”, bevindt zich op circa 8,2 kilometer afstand ten westen van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof.

Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een appartementengebouw betreft, is een toename aan stikstofuitstoot gedurende de gebruiksfase te verwachten. Daarnaast is in het kader van voorliggend bestemmingsplan aangetoond dat er geen negatieve effecten worden voorzien in het kader van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken is gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. In het kader

13 BRO, ‘Quickscan flora en fauna Bemmelstraat te Horst’, rapportnummer: P05195, d.d. 10 maart 2022.

Hoofdstuk 5

56

van onderhavig bestemmingsplan heeft een stikstofdepositie berekening14 plaatsgevonden voor de gebruiksfase. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de gebruiks-fase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstof-depositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, de zilvergroene natuurzone of de bronsgroene landschapszone (zie figuur 10 quickscan). Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 780 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Soortenbescherming Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen. Bij de sloop van het kantoorgebouw bestaat de kans dat er één of meerdere verblijfplaatsen van een vleermuissoort verloren gaan. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich in de te slopen bebouwing verblijfplaatsen van een vleermuissoort bevinden. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uitvoering van de sloop sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gesloopt. Beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen

14 BRO, ‘AERIUS-berekening Bemmelstraat Horst’ , projectnummer: P05195, 26 april 2022.

Hoofdstuk 5

57

dient hieromtrent uitsluitsel te geven. Dit vervolgonderzoek is reeds ingepland; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

De sloop van de bebouwing binnen het plangebied kan negatieve gevolgen hebben voor vleermuizen, wat een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreft. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie verblijfplaatsen aanwezig zijn van de betreffende soort(groep)en. Een vervolgonderzoek naar vleermuizen loopt van half mei tot en met eind september en is reeds ingepland. PM: nader onderzoek ecologie

5.6 Archeologie en cultuurhistorie Een gedeelte van het plangebied de dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’. Een gedeelte van het plangebied valt op basis van de gemeentelijke archeologische maatregelenkaart binnen categorie 7 (bebouwde kom – onbekende verwachting) en het andere gedeelte binnen categorie 2 (Archeologische waarde). Voor het gedeelte dat valt onder categorie 2 geldt een archeologische onderzoeksplicht bij de realisatie van bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 100 m 2 en een diepte van meer dan 30 cm. Voor het gedeelte dat valt onder categorie 7 geldt een archeologische onderzoeksplicht bij de realisatie van bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van meer dan 50 cm. Door Econsultancy is ten behoeve van het onderhavige planvoornemen een archeologisch bureauonderzoek15 uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Hieronder volgt een korte samenvatting. Archeologie In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is laag tot hoog afhankelijk van de archeologische periode. De ligging op een dekzandvlakte ver verwijderd van open water en het ontbreken van specifieke aanwij-

15 Econsultancy, Archeologisch bureauonderzoek Bemmelstraat te Horst, rapportnummer: 18102

002, d.d. 10 augustus 2022.

Hoofdstuk 5

58

zingen van menselijke activiteiten in het onderzoeksgebied uit het (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum, geeft een lage archeologische verwachting voor deze perioden. Voor akkerbouwers zal het plangebied vanaf het Neolithicum geschikt zijn geweest, daarnaast zijn er specifieke aanwijzingen van menselijke activiteiten in het onderzoeksgebied in de periode IJzertijd en Romeinse tijd. Daarom hebben de perioden Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen een hoge archeologische verwachting. Het plangebied ligt deels in een AMK-terrein, de historische kern van Horst. Uitgaande van het historisch kaartmateriaal ligt het plangebied de laatste twee honderd jaar langs doorgaande wegen. Het is zelf deels bebouwd geweest in de eerste helft van de 19e eeuw. De ligging aan de twee wegen, deels binnen een AMK-terrein, de historische bebouwing, tezamen met de geschiktheid van het plangebied voor landbouwers en het gegeven dat het grootste deel van de vondsten en sporen in het onderzoeksagebied dateren uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd, geeft het plangebied een hoge archeologische verwachting voor deze perioden. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen.

Het vervolgonderzoek kan in het bebouwde deel van het plangebied, waar ook het nieuwe appartementencomplex wordt gerealiseerd, het beste worden uitgevoerd in de vorm van een opgraving - variant archeologische begeleiding. Indien buiten het bouwblok vergunningplichtige werkzaamheden worden uitgevoerd kan hieraan voorafgaand het beste een Inventariserend veldonderzoek, karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd. Aangezien het bebouwde deel van het plangebied, in verband met aanwezige constructies, niet door middel van een proefsleuvenonderzoek kan worden onderzocht is de meest geschikte onderzoeksmethode een opgraving, variant archeologische begeleiding. In eerste instantie is het advies dit te doen bij de ondergrondse sloop van de huidige funderingen. Hierna dient dan gekeken te worden of de graafwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouw ook archeologisch onderzocht moet worden. Bij een opgraving, variant archeologische begeleiding, begeleidt de archeoloog de civieltechnische graafwerkzaamheden waarbij archeologische waarden bij het aantreffen direct geborgen worden en daarmee ex-situ worden behouden. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Gezien de gedeeltelijke ligging van het plangebied in een historische kern is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode, voor het deel van het plangebied buiten de bebouwing, een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Booronderzoeken zijn in historische kernen minder geschikt gezien de grote kans op het voorkomen van puinlagen die aan historische bebouwing toegeschreven kunnen worden. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Ook voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. PM: nader archeologisch onderzoek

Hoofdstuk 5

59

Cultuurhistorie Binnen of direct buiten het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt de ‘Hoofdstraat’ beschreven als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Aangezien het verloop en profiel van deze weg niet wordt veranderd door het voorliggende plan, is er geen sprake van negatieve effecten op deze weg.

5.7 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het plangebied wordt voor autoverkeer ontsloten via de Nieuwstraat en de Bemmelstraat aan de (zuid)westzijde van het plangebied. De appartementen zijn bereikbaar via de achterzijde en de voorzijde. Aan de westzijde van het plangebied wordt tevens het bestaande looppad/trottoir naar het achterliggende terrein gehandhaafd. Parkeren Voor de appartementen geldt op basis van de op 3 juli 2019 vastgestelde Nota Parkeernormen Horst aan de Maas een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per appartement. Hierbij is uitgegaan van de categorie ‘appartement’ in de rest van de bebouwde kom. Voor de studio’s geldt op basis van de op 3 juli 2019 vastgestelde Nota Parkeernormen Horst aan de Maas een lagere parkeernorm van 1,2 parkeerplaatsen per wooneenheid waarbij wordt aangesloten bij de geldende norm voor een ‘aanleunwoning en serviceflat’ in de rest van de bebouwde kom. Dit betekent dat voor de voorliggende 24 woningen voorzien dient te worden in (37,80) afgerond 38 parkeerplaatsen. In het bouwplan voor het appartementengebouw zijn 24 parkeerplaatsen aan de achterzijde van het gebouw. Dit aantal is onvoldoende om in de parkeerbehoefte te voorzien. Er zijn echter 15 parkeerplaatsen gelegen aan de voorzijde van het gebouw (Bemmelstraat).

Voor zover het niet mogelijk zal zijn om op eigen terrein te parkeren zal de resterende parkeerbehoefte (14 parkeerplaatsen) opgevangen kunnen worden door de parkeerhaven aan de Bemmelstraat. Indien dit aantal parkeerplaatsen bij het bouwplan zou worden betrokken zijn er in totaal 40 parkeerplaatsen beschikbaar. Dit aantal is voldoende om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Omdat sprake is van sociale huurwoningen, wordt bovendien verwacht dat het autobezit in deze doelgroep lager ligt dan de veronderstelde 1,8 parkeerplaatsen per huishouden. In het voorliggende bestemmingsplan zijn parkeerregels opgenomen, waarmee wordt gewaarborgd dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. In het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen zal worden getoetst aan de 'Nota parkeernormen gemeente Horst aan de Maas' (of de op het moment van indiening van de omgevingsvergunningaanvraag van toepassing zijnde actualisatie/opvolger). Verkeersgeneratie Het woongebied zal een toename van het aantal verkeersbewegingen in de omgeving tot gevolg hebben. Deze is berekend op basis van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381).

Hoofdstuk 5

60

Binnen het plangebied worden maximaal 24 sociale huurwoningen gerealiseerd. Voor de voorliggende berekening van de verkeersgeneratie is uitgegaan van de woningtypen met de hoogste verkeersgeneratie. Hierdoor is de worst-case situatie qua aantal verkeersbewegingen in beeld gebracht. Dit betreft de volgende, maximale planologische invulling:  100% woningen sociale huur: 24 woningen in categorie ‘Huur, huis, sociale huur’; Wat betreft de stedelijkheidsgraad is sprake van een niet-stedelijke gemeente. Omdat het nieuwe woongebied deel uitmaakt van de kern van Horst is qua ligging aangesloten bij het omgevingstype ‘rest bebouwde kom’. Op basis van bovenstaande uitgangspunten is de maximale verkeersgeneratie van het woongebied berekend in de navolgende tabel. De verkeersgeneratie ligt bij invulling van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt tussen de 124,80 en 144 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Conclusie De Nieuwstraat, de Bemmelstraat, de Gasthuisstraat en overige omliggende wegen kunnen dit aantal verkeersbewegingen zonder problemen verwerken. Omdat slechts sprake is van een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen, zal er geen sprake zijn van een toename van geluidhinder op omliggende bestaande woningen. Vanuit het aspect verkeer en parkeren zijn er dan ook geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw.

5.8 Duurzaamheid Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen. Duurzaam bouwen be-

Tabel 1: Verkeersgeneratie woongebied Bemmelstraat Categorie en aantal Kencijfers CROW Minimale verkeersgeneratie Huur, huis, sociale 5,2 - 6,0 mvt/etmaal 124,80 huur, per woning 24 eenheden TOTAAL 24 woningen 124,80

Maximale verkeersgeneratie 144

144

spaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om:  Gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers;

Hoofdstuk 5

61

  

Een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; prettige en leefbare huizen, gebouwen, wijken en steden; Duurzaam slopen, om de materialen die vrijkomen bij de sloop opnieuw te kunnen gebruiken (hergebruik en recycling); Verantwoord watergebruik; Voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken.

Bij de bouw van de woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, zullen in ieder geval de wettelijke duurzaamheidseisen worden toegepast.

5.9 Gezondheid 5.9.1 Endotoxinen In de onderhavige situatie is sprake van de realisatie van 24 sociale huurappartementen aan de Bemmelstraat te Horst. De beoogde realisatie heeft geen invloed op de endotoxine belasting en dit vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Daarbij is gekeken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s. Conclusie In onderhavig geval kan worden gesteld dat er geen overschrijdingen plaatsvinden van de gestelde norm van Gezondheidsraad, doordat de dichtstbijzijnde varkens- of pluimveehouderij op meer dan 850 meter van het plangebied is gelegen. Zodoende kan ook geconcludeerd worden dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.9.2 Geitenhouderij In het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014-2016’ van september 2018, wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking.

Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is er door de provincie Limburg voor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in de Omgevingsverordening te stellen. Uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. Uitkomsten worden nog verwacht.

Hoofdstuk 5

62

Conclusie: Aangezien de planlocatie op ruim 3,7 km van een geitenhouderij is gelegen vormt het aspect gezondheid geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.9.3 Spuitzones Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn.

Dit hangt mede samen met de hoogte van de gewassen (hoe hoger, des te meer sprake er kan zijn van drift), windrichting, soort bestrijdingsmiddelen en frequentie van spuiten. De heersende windrichting ter plaatse is zuidwest. Binnen de afstand van 50 meter rondom onderhavig plangebied bevinden zich geen agrarische productie-gronden welke besproeid worden, zodat deze geen belemmering kunnen vormen voor onderhavig plan.

Hoofdstuk 5

63

6.

UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De gemeente kan hiervan afzien indien: • Het kostenverhaal anderszins is verzekerd; • Het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en • Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Het voorliggende initiatief maakt de realisatie van 24 sociale huurappartementen mogelijk. Volgens artikel 6.2.1 onder sub b van het Bro wordt een bouwplan voor een of meer hoofdgebouwen aangewezen als een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12 eerste lid van de Wro.

In artikel 6.12 tweede lid onder sub a staat dat de gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Doordat in het onderhavige geval het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels niet noodzakelijk is, stelt de gemeenteraad geen exploitatieplan vast. De kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden. Voor de gemeente Horst aan de Maas zal het initiatief kostenneutraal verlopen.

6.2 Handhaving De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012 - 2015). Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt om gegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt.

Hoofdstuk 6

65

De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. De uit deze visie voorvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie. 3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen. 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten.

Er wordt daarbij van uitgegaan dat het maatschappelijk veld, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van voor hen geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie. Het jaarlijkse HUP wordt vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter kennis gebracht van de gemeenteraden.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3.1 Wettelijk vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening wordt het ontwerp bestemmingsplan voorgelegd aan de daartoe in aanmerking komende instanties. De daaruit naar voren gekomen opmerkingen worden waar van toepassing verwerkt in de planstukken. 6.3.2 Zienswijzenprocedure Het ontwerp bestemmingsplan wordt gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt eenieder in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze in te dienen.

Hoofdstuk 6

66

6.3.3 Omgevingsdialoog Ten behoeve van het onderhavig planvoornemen heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden. De direct omwonenden hebben op 1 juli 2022 een uitnodiging ontvangen voor de inloopavond op donderdag 14 juli 2022 ten behoeve van de herontwikkeling van het pand aan de Bemmelstraat 2 in Horst. Over het algemeen waren de reacties positief op de plannen. Een aantal vragen wordt onderzocht in de verdere ontwikkeling. Een ingekomen brief zal schriftelijk worden beantwoord. 6.3.4 Procedure bestemmingsplan De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De wettelijke procedure voor het bestemmingsplan ziet er als volgt uit:  

  

 

Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 6

67

7. JURIDISCHE TOELICHTING

7.1 Planstukken Het voorliggende bestemmingsplan ‘Bemmelstraat 2 t/m 2b’ is vervat in een verbeelding, planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijnen voor bestemmingsplannen (RO Standaarden 2012), alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

7.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de planregels, alsmede de functie van visualisering van de bestemming. Op de verbeelding zijn de toegekende bestemmingen weergegeven, in dit geval uitsluitend de bestemming ‘Wonen’.

7.3 Toelichting op de regels 7.3.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de bij het bestemmingsplan behorende planregels van een nadere toelichting voorzien. De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Deze zijn opgesteld op basis van de Wro, het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), alsmede de gemeentelijke notitie ‘Bestemmingsplannen van de gemeente Horst aan de Maas, uitgangspunten voor bureaus’. De planregels geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en waar er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de planregels is aangesloten bij de regels voor recente woningbouwplannen in de gemeente Horst aan de Maas. De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken. Deze hoofdstukindeling is opgebouwd conform de richtlijnen uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Inleidende regels In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten.

Hoofdstuk 7

68

Bestemmingsregels In dit artikel wordt de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Algemene regels In de algemene regels is een aantal artikelen opgenomen die van toepassing zijn op het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelregel, de algemene bouw-, gebruiks-, aanduidings-, wijzigings- en afwijkingsregels en de overige regels. Overgangs- en slotregels In de bepaling ‘overgangsrecht’ zijn de overgangsregels ten aanzien van bebouwing en gebruik opgenomen. De slotregel bevat de titel hoe het plan aangehaald dient te worden. 7.3.2 Artikelsgewijze toelichting planregels Hiernavolgend worden de planregels artikelsgewijs van een nadere toelichting voorzien. Hoofdstuk

regel

Inleidende regels 1. Begrippen (Art. 1)

Bestemmingsregels

toelichting De in de planregels gebezigde begrippen worden hierin omschreven.

2. Wijze van meten (Art. 2)

Een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden.

3. Verkeer (Art. 3) 4. Wonen (Art. 4)

Artikel(en) 3 bevat de bestemming ‘Verkeer’. Artikel(en) 4 bevat de hoofdbestemming ‘Wonen’. Deze bestemming is opgebouwd conform de richtlijnen uit de SVBP 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin een vaste opzet voor de bestemmingsregels is vastgelegd. De opzet voor het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

Hoofdstuk 7

69

Wijzigingsbevoegdheid 5. Waarde – Archeologie 2 (Art. 5) 6. Waarde – Archeologie 7 (Art. 6)

Artikel 4 bevat de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Artikel 5 bevat de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 7’.

Algemene regels

7. Anti-dubbeltelregel (Art. 7) 8. Algemene bouwregels (Art. 8) 9. Algemene gebruiksregels (Art. 9) 10. Algemene afwijkingsregels (Art. 10) 11. Algemene wijzigingsregels (Art. 11) 12. Overige regels (Art. 12)

In de anti-dubbeltelregel (art. 7) is vastgelegd dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. In de algemene bouwregels (art. 8) zijn de regels omtrent ondergronds bouwen en bestaande afstanden en andere maten opgenomen. In de algemene gebruiksregels zijn de algemene regels omtrent het gebruik van de gronden opgenomen (art. 9) In de algemene afwijkingsregels (art. 10) zijn algemene regels opgenomen voor geringe afwijkingen. In de algemene wijzigingsregels (art.11) zijn de algemene regels omtrent het verschuiven van bestemmingsgrenzen opgenomen. In de overige regels (art. 12) zijn regels omtrent parkeren opgenomen.

Overgangs- en slotregels

13. Overgangsrecht (Art. 13) 14. Slotregel (Art. 14)

Artikel 13 bevat de overgangsbepalingen met betrekking tot bebouwing respectievelijk het gebruik van gronden en bouwwerken. De slotregel in artikel 14 geeft de titel van de planregels aan.

Hoofdstuk 7

70

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12105655/1