CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05b rb Verordening SD HadM

Gemeenteraad 17 december 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van de Verordening Sociaal Domein gemeente Horst aan de Maas.22.663 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.3.3 Hoogte en tarief pgb 1. De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het pgb--budgetplan. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren en zal daarna het pgb vaststellen. 2. De gemeente baseert de hoogte van het pgb op de offerte van de aanbieder uit het goedgekeurde pgbbudgetplan of op tarieven die de gemeente heeft vastgesteld. In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van de dienst of het product zijn (kostprijs). Met deze kostprijs moet de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp kunnen inkopen. De gemeente kan meerdere offertes opvragen. Dan wordt het pgb gebaseerd op de offerte met de laagste kostprijs. 3. De kostprijs mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor die dienst of dat product. De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de kosten in het pgb-budgetplan. Er geldt wel een maximumbedrag. Dat is het bedrag dat de gemeente zou betalen voor de hulp die nodig is (hulp in natura-tarief). 4. Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhouds-- en verzekeringskosten. 5. Als hulp wordt gegeven door iemand uit het sociale netwerk dan is de hoogte van het pgb: a.

voor Wmo en beschermd wonen gebaseerd op de uurlonen van de passende CAO; b. voor Jeugd gebaseerd op het wettelijk minimumloon zoals dat geldt op het moment van de pgb verstrekking. Bij een wijziging van het wettelijk minimumloon, wijzigt het pgb tarief. 6. Als hulp gegeven wordt door gediplomeerde ZZP’er dan is de hoogte voor een pgb voor beschermd wonen maximaal 90% van de goedkoopst adequate voorziening in natura. 4.3.4 Verantwoording pgb 1. De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken: a. hoe het pgb is besteed; b. welke vorm van hulp geleverd werd; c. welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. 2. Als een inwoner hulp--op--maat in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die feitelijk geleverd is. 4.3.5 Opschorten pgb 1. De gemeente kan aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als: a. de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente; b. de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die bij een pgb horen; c. de inwoner het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt; d.

de inwoner in een instelling verblijft als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; of e. de inwoner een modulair pakket thuis of volledig pakket thuis ontvangt vanuit de Wet langdurige zorg.

21

4.4 Eigen bijdrage (Wmo) 1. De inwoner betaalt een bijdrage in de kosten voor Wmo -hulp--op--maat, zolang de inwoner gebruik maakt van die hulp of voor de periode waarvoor een pgb is verstrekt. Gaat het om een product, dan betaalt de inwoner een bijdrage totdat de kostprijs is betaald. De inwoner betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). Het CAK berekent ook de eigen bijdrage. De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het landelijk vastgestelde bedrag. 2. De kostprijs van hulp--op--maat in natura wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. 3. Gaat het om de kosten van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan betalen de onderhoudsplichtige ouders de bijdrage. Dat geldt ook voor de ouder tegen wie een vaderschapsactie is ingesteld en de rechter dit verzoek heeft toegewezen (artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) en voor degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige inwoner. 4. De gemeente vraagt geen bijdrage voor een rolstoel. 5. De bijdrage voor collectief vraagafhankelijk vervoer is vastgesteld in het vervoersreglement vraagafhankelijk vervoer Limburg. 6. De eigen bijdrage voor beschermd wonen is gebaseerd op het maximumbedrag dat op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is toegestaan. 7.

De eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang wordt bepaald op grond van artikel 3.20 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 8. De eigen bijdrage voor winteropvang en acute opvang wordt als volgt bepaald: a. voor de winteropvang betaalt de inwoner tijdens de winter- en/of kouderegeling geen eigen bijdrage; b. voor de acute opvang betaalt de inwoner gedurende de onderzoeksperiode (van maximaal 2 weken) geen eigen bijdrage. Dit geldt ook als deze onderzoeksperiode verlengd wordt; c. voor de maaltijden kan een eigen bijdrage worden gevraagd. De hoogte van deze bijdrage is gelijk aan het gemiddelde voedingskosten volgens het NIBUD.

22

5. Werk, participatie, inkomen en schulden Meedoen in de maatschappij en financiële stabiliteit zijn basisvoorwaarden voor een gelukkig en gezond bestaan. Niet voor elke inwoner is dat vanzelfsprekend. Het is belangrijk dat deze inwoners ook volwaardig kunnen meedoen en dat hun positie in de samenleving verbetert. De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners worden geholpen bij het vinden van passend werk als zij kunnen werken. De hulpmiddelen die worden ingezet heten voorzieningen. Daar waar de inwoner het niet zelf lukt, helpt de gemeente mee naar een passende oplossing. Voor inwoners die de dagelijkse kosten niet kunnen betalen heeft de gemeente een financieel vangnet: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze inwoners en ook andere inwoners met een laag inkomen extra te ondersteunen kunnen zij bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en toeslagen aanvragen. Dat wordt in dit hoofdstuk geregeld. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de hulp die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem.

5.1 Wat wil de gemeente? 1. De gemeente wil dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving. Dit doen we door zoveel mogelijk persoonlijk contact te zoeken met de inwoner. 2. De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben hulp aan bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen. 3. De gemeente gaat uit van vertrouwen en vindt het belangrijk om een persoonlijk gesprek te hebben met een inwoner. De standaard is het goede gesprek met de inwoner waarmee we verwachten dat de inwoner zelf meer in beweging komt. We verwachten als gemeente dat alle informatie naar voren komt in het persoonlijke gesprek. Formele brieven sturen wij alleen wanneer dat nodig is. 4. De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven die zijn gericht op het bestrijden van armoede en het voorkomen en tegengaan van schulden. 5. De gemeente richt het armoedebeleid zo in, dat inwoners met geldzorgen voldoende ondersteund worden en dat het krijgen van betaald werk voor inwoners met een gemeentelijke uitkering niet leidt tot een armoedeval.

5.2 Doelgroep (Pw l IOAW l IOAZ) De gemeente helpt de volgende inwoners op weg naar werk: 1. Inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden. 2. Inwoners die geen hulp kunnen krijgen van andere instanties (Niet Uitkeringsgerechtigden (NUG-ers)), zoals UWV, SVB of werkgevers. Per geval beoordeelt de gemeente hoe er hulp wordt gegeven. 3. Jongeren die geen startkwalificatie hebben (werk, havo of vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebben). De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar hulpverlening of zorg.

23

5.3 Samenwerking (Pw l IOAW l IOAZ) 1. De gemeente gaat uit van vertrouwen en vindt het belangrijk om haar inwoners te kennen door een persoonlijk gesprek te hebben. 2. De gemeente werkt samen met UWV, arbeidsmarktregio Noord-Limburg en andere organisaties om inwoners te helpen passend werk te vinden. 3. De gemeente zorgt ervoor dat werkgevers ondersteund worden als zij inwoners die onder de doelgroep van de gemeente vallen, werk willen aanbieden.

5.4 Voorzieningen – werk (Pw l IOAW l IOAZ) 1. De gemeente bekijkt per inwoner welke hulp nodig is. De gemeente zet passende voorzieningen in, afgestemd op de positie op de arbeidsmarkt. 2. De gemeente biedt hulp aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. 3. Voorzieningen die in ieder geval kunnen worden ingezet voor mensen met een grote kans op betaald werk zijn: a. een proefplaatsing; b. een detacheringsbaan. 4. Voorzieningen die in ieder geval kunnen worden ingezet voor mensen met een kleine kans op betaald werk zijn: a. sociale activering; b. een werk(taal)stage; c. een werkervaringsplaats; d. een participatieplaats; e. beschut werk; f. hulp op de werkplek; g. loonkostensubsidie. 5. Voorzieningen voor alle doelgroepen: a. scholing.

5.5 Voorzieningen gericht op het vinden of behouden van passend werk (Pw l IOAW l IOAZ | WKO) 5.5.1 Proefplaatsing 1. De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. 2. Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen een beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner voor het werk. 3. Een voorwaarde is dat de proefplaatsing leidt tot een dienstverband als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk. 4. De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de werkzoekende goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Bij de start van een proefplaatsing worden er afspraken gemaakt tussen de werkgever en de werkzoekende over bijvoorbeeld de duur, de vorm, het te verwachten resultaat en evaluatiemomenten. Als de proefplaatsing niet wordt omgezet in een dienstverband gaan we hierover in gesprek. 24

5. De proefplaatsing duurt maximaal 2 maanden. 5.5.2 Detacheringsbaan 1. De gemeente kan een inwoner via een andere organisatie laten werken bij een werkgever. Dit heet detachering. Die detachering wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever, de andere organisatie en de inwoner. 2. Het doel van een detacheringsbaan is om na afloop de inwoner betaald werk aan te bieden onder dezelfde voorwaarden als aan een werknemer die in dienst is van de werkgever. 3. Een voorwaarde is dat de detacheringsbaan niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 5.5.3 Sociale Activering 1. De gemeente kan een inwoner die er nog niet aan toe is om te werken, activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. De nadruk ligt op meedoen in de samenleving, het voorkomen van eenzaamheid en/of het ontlasten van mantelzorgers. 2. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. In het kort: maatschappelijke participatie. 3. Sociale activering kenmerkt zich door de volgende opsomming: a. deelname aan activiteiten met behoud van bijstandsuitkering; b. het ontbreken van werk- en/of prestatiedruk; c.

op een plek waarbij het doel is om samen te komen met anderen. 4. Sociale activering is mogelijk gedurende de periode dat het noodzakelijk is voor verdere ontwikkeling van de inwoner. Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd. 5.5.4 Werk(taal)stage 1. De gemeente kan een inwoner een werk(taal)stage aanbieden. De werk(taal)stage wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2. Het doel van een werk(taal)stage is om inwoners met behoud van uitkering op een werkplek werkervaring op te laten doen. 3. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 4. De werk(taal)stage is alleen mogelijk als de werkgever de stagiair goed begeleidt tijdens de werk(taal)stage. De werkgever zorgt ervoor dat de stagiair meer vaardigheden of kennis van het vakgebied opdoet. 5. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werk(taal)stage; en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 6. Een werk(taal)stage duurt maximaal zes maanden met de mogelijkheid om zo nodig te verlengen naar een periode van maximaal nog eens zes maanden. Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd.

25

5.5.5 Werkervaringsplaats 1. De gemeente kan een inwoner die een kleine kans heeft op betaald werk en voorlopig niet aan het werk kan, een werkervaringsplaats aanbieden. 2. Een werkervaringsplaats heeft tot doel de inwoner kansen te geven om te oefenen en te leren in het werk. Zo doet deze algemene kennis en/of vaardigheden op binnen een arbeidsrelatie. 3. De werkervaringsplaats kenmerkt zich door de volgende opsomming: a. met behoud van bijstandsuitkering; b. bij een publiek/privaat bedrijf of instelling; c. betreft werkzaamheden die passend zijn en speciaal op de inwoner zijn afgestemd. 4. Een werkervaringsplaats duurt in beginsel maximaal 2 jaar. Dit kan met 2 keer 1 jaar worden verlengd als daardoor de arbeidskansen groter worden. Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd. 5.5.6 Participatieplaats 1. De gemeente kan een inwoner die algemene bijstand ontvangt en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht. 3.

Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 5.5.7 Beschut werk 1. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden. 2. De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. 3. De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren, ten minste gerealiseerd wordt. 4. De gemeente werkt niet met een wachtlijst en biedt het instrument beschut werk actief aan. 5. De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken: a. aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; c. aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. 5.5.8 Hulp op de werkplek van een jobcoach 1. De gemeente kan een inwoner een jobcoach aanbieden of de werkgever daarvoor een vergoeding geven als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. 2. Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen.

3. De gemeente spreekt met de werkgever af hoe de jobcoach wordt ingezet en legt dit vast in een overeenkomst met de werkgever.

26

5.5.9 Wettelijke loonkostensubsidie 1. De gemeente en/of de inwoner kan een verzoek doen om vast te stellen of er sprake is van een verminderde loonwaarde voor het ontvangen van wettelijke loonkostensubsidie. Hiervoor gelden vanuit artikel 10c en 10d van de Participatiewet specifieke voorwaarden. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en productieverlies te vergoeden. 3. De gemeente stelt binnen 6 maanden na het begin van het (1 e) dienstverband vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek is (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente de landelijke toolkit preferent proces loonkostensubsidie toe. Dit kan vastgesteld worden aan het begin van het dienstverband en opnieuw tijdens het dienstverband. Dit laatste kan enkel als de datum loonwaarde meting vóór datum indiensttreding ligt. 4. Als het dienstverband al is gestart bij de aanvraag, kan de gemeente de werkgever maximaal 6 maanden een vaste maandelijkse loonkostensubsidie toekennen van 50% van het wettelijk minimumloon, in afwachting van vaststelling van de loonwaarde. 5. De loonkostensubsidie aan de werkgever hangt af van de loonwaarde. Er wordt maximaal 70% vergoed aan loonkostensubsidie (ook bij een loonwaarde lager dan 30%).

Dit is inclusief werkgeverslasten én vakantiegeld, exclusief overwerk. 5.5.10 Scholing 1. De gemeente kan een inwoner van 27 jaar of ouder kortdurende scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap te zetten naar passend werk voor een langere periode. De scholing kan niet voltijds zijn en duurt niet langer dan nodig is. 2. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. 5.5.11 Opstapsubsidie 1. De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een opstapsubsidie geven. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden. 3. De opstapsubsidie is maximaal 40% van de loonkosten en duurt maximaal 6 maanden. 4. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 5.5.11 Nazorg De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat, gedurende een termijn van 6 maanden nadat de uitkering is beëindigd, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen. 5.5.12 Tegenprestatie De gemeente kan een inwoner met een gemeentelijke uitkering een passende tegenprestatie vragen. 5.5.13 Tegemoetkoming kosten kinderopvang 1.

Inwoners kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming kinderopvang: a. als de inwoner meedoet aan een activiteit die nodig is om dichterbij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan; of 27

b. een inwoner die op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang nodig heeft; en c. opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner. 2. De bijdrage aan de kosten van kinderopvang wordt berekend op het bedrag dat de inwoner zelf zal moeten betalen. De inwoner moet voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de kinderopvangtoeslag wordt zoveel mogelijk benut; en b. de kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of via een gastouderbureau; en c. de inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Anw-uitkering. 3. Er is sprake van een van onderstaande voorzieningen: a. de kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van de gemeente die de inwoner dichter bij werk brengt; of b. de kinderopvang is nodig om een inburgeringscursus te volgen bij een gecertificeerde instelling; of c. de inwoner volgt voltijds mbo-, hbo- of universitair onderwijs, voortgezet onderwijs of vavoonderwijs. 4. De hoogte van de bijdrage wordt bepaald door het aantal uren dat kinderopvang noodzakelijk is gedurende de voorziening en kan na afloop van de voorziening tot maximaal één jaar worden voortgezet. Dit ter voorkoming van de armoedeval.

5.6 Bijzondere bijstand (Pw) Bijzondere bijstand is een belangrijk hulpmiddel voor de gemeente om inwoners financieel te helpen. Hier worden de uitgangspunten beschreven waarmee de gemeente rekening houdt. 5.6.1 Vangnet 1. De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijkheden of op andere voorzieningen. Bijzondere bijstand is ervoor bedoeld dat inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer: a. extra noodzakelijke uitgaven kunnen betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald; en b. voldoende mogelijkheden hebben om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. 2. Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid.

5.7 Studietoeslag (Pw) Studenten met een beperking hebben soms extra hulp nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat het inkomen wordt aangevuld. In deze paragraaf geeft de gemeente aan voor welke studenten de studie-toeslag is bedoeld, welk bedrag toegekend kan worden en hoe dat wordt uitbetaald. 5.7.1 Doelgroep 1. De studietoeslag is bedoeld voor de student die: a. een MBO- HBO- of WO- opleiding volgt; en b. een tegemoetkoming in de schoolkosten of studiefinanciering van DUO krijgt of kan krijgen; en

28

c.

wel kan werken, maar door een beperking of chronische ziekte niet het wettelijk minimumloon kan verdienen.

5.7.2 Vaststellen beperking Nadat de student een aanvraag heeft ingediend, onderzoekt de gemeente of de beperking van de student zo groot is dat hij niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. De gemeente doet dat aan de hand van gegevens die zij van de student of van andere instanties heeft gekregen. Als die gegevens niet duidelijk genoeg zijn, vraagt de gemeente aan een deskundige om een advies te geven. 5.7.3 Hoogte en duur van de toeslag 1. De hoogte van de studietoeslag is vastgesteld door de wet en wordt elke maand uitbetaald. 2. Als de student niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de studietoeslag beëindigd.

5.8 Individuele inkomenstoeslag (Pw) Voor inwoners die al 24 maanden moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de inkomenstoeslag bedoeld. Deze toeslag kan jaarlijks worden aangevraagd. 5.8.1 Doelgroep 1. De inkomenstoeslag is bedoeld voor: a. een inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW leeftijd; en b. in een ononderbroken periode van 24 maanden voorafgaande aan de aanvraag, een inkomen heeft gehad dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm; en c. geen in aanmerking te nemen vermogen heeft. 2. Als het een verzoek van gehuwden/samenwonenden betreft, moeten beide partners voldoen aan de vereisten zoals gesteld in lid 1. 3. De kostendelersnorm wordt toegepast vanaf 27 jaar. 5.8.2 Hoogte van de toeslag 1. De inkomenstoeslag is per kalenderjaar: a. voor een alleenstaande: 28% van de gehuwdennorm; b. voor een alleenstaande ouder: 36% van de gehuwdennorm; c. voor gehuwden of samenwonenden: 40% van de gehuwdennorm. 2. Dit bedrag ronden we af op hele euro’s. 3. Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners op de aanvraagdatum een niet rechthebbende partner is in het kader van de Participatiewet, krijgt de partner die wel recht heeft op de individuele inkomenstoeslag het bedrag van een alleenstaande (ouder).

Het gaat om situaties, waarbij de niet rechthebbende partner uitgesloten is van recht op grond van artikel 11 en 13, eerste lid, van de participatiewet, en wel voldoet aan de vereisten zoals gesteld in lid 5.8.1. 4. De gemeente bekijkt elk jaar of de inkomenstoeslag verhoogd moet worden. Die verhoging gaat dan in per 1 januari van het jaar erna. 5.8.3 Geen zicht op inkomensverbetering Onder 'geen zicht op inkomensverbetering' wordt in ieder geval verstaan dat belanghebbende: a. duurzaam en (nagenoeg) volledig arbeidsongeschikt is verklaard door het UWV; 29

b. een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft; of c. duurzaam in een inrichting als bedoeld in de Participatiewet verblijft.

5.9 Zorgkosten 1. Voor inwoners die moeten rondkomen van een laag inkomen, kan de gemeente met een zorgverzekeraar een zorgverzekering afspreken die: a. extra vergoedingen voor bepaalde zorgkosten biedt; b. in aanmerking komt voor een gemeentelijke tegemoetkoming. 2. De gemeente communiceert jaarlijks eind november/begin december de manier waarop de gemeente aan deze regel voldoet.

5.10 Schuldhulpverlening (Wgs) De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hier worden de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen. 5.10.1 Samenwerking en toegang 1. De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen. 2. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden. 3. De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is. 4. De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op deze regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft.

30

6. Wonen en opgroeien in een veilige en gezonde omgeving (inclusief mobiliteit) Jeugdigen groeien in onze gemeente gezond en veilig op. Inwoners wonen zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving, zijn in staat om voor zichzelf te zorgen en mee te doen in de maatschappij. Dat is in de eerste plaats aan inwoners en hun netwerk zelf. Om inwoners daarbij te helpen, investeert de gemeente in preventie en een sterke sociale basis. Het doel is om de eigen mogelijkheden te versterken en het probleemoplossend vermogen van de inwoner en zijn sociale netwerk te vergroten. Als inwoners daarbij hulp nodig hebben, dan bekijkt de gemeente samen met de inwoner welke ondersteuning vanuit algemene voorzieningen daarbij kan helpen. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die ondersteuning, dan wordt hulp-op-maat ingezet.

6.1 Preventie en algemene voorzieningen De gemeente zorgt dat de belangrijke voorzieningen vrij toegankelijk zijn. Daarvoor is geen verwijzing of besluit nodig. Het gaat in ieder geval om: a. ontmoetingsplekken in de kern of wijk; b. dorpsondersteuners, dorpsverbinders of naoberzorgpunten; c. maaltijdvoorzieningen; d. lokale vervoersinitiatieven; e. cliëntondersteuning; f. hulp bij het huishouden voor mantelzorgers; g. welzijns- en jongerenwerk; h. bibliotheek; i. jeugdgezondheidszorg (GGD: consultatiebureau, schoolarts); j. gebiedsteams (Wmo-consulenten & gezinscoaches); k. de kindertelefoon; l. de luisterlijn; m. Meldpunt Signaal; n. een vertrouwenspersoon; o. Veilig Thuis; p. crisisdienst voor spoedeisende jeugdhulp.

6.2 Hulp-op-maat (Jeugdwet l Wmo) 6.2.1 Hulp-op-maat voor jeugdigen 1. De gemeente kan in ieder geval de volgende hulp-op-maat voor jeugdigen aanbieden: a. ambulante alternatieven voor verblijf en behandeling met verblijf; b. woonvoorzieningen; c. dagbesteding en dagbehandeling; d. ambulante hulp; e. jeugdbescherming; f. jeugdreclassering; g. jeugdzorgplus; h. beschermd wonen (17+); i. vervoer van de jongere van en naar school of een plek waar jeugdzorg wordt aangeboden.

31

2. Deze hulp-op-maat is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig of een bepaling van een gecertificeerde instelling nodig, of een besluit van de gemeente. Zie hoofdstuk 3. 6.2.2 Hulp-op-maat en 18 jaar Als jeugdigen hulp-op-maat ontvangen en 18 jaar worden, maakt de gemeente of de gecertificeerde instelling samen met de jeugdige, de ouders, het netwerk en de betrokken professionals minimaal een half jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, een plan voor de overgang van 18- naar 18+. Dat plan besteedt aandacht aan de belangrijke leefgebieden, beschrijft welke hulp-op-maat vanaf 18 jaar nodig is en hoe deze wordt ingezet. Als nodig kan de lopende jeugdhulp worden voortgezet tot de jeugdige 23 jaar wordt. Pleegzorg kan doorlopen tot de jeugdige 21 jaar wordt. 6.2.3 Hulp-op-maat voor inwoners 1. De gemeente kan in ieder geval de volgende hulp-op-maat voor inwoners aanbieden: a. beschermd wonen; b. maatschappelijke opvang; c. traject volwassenen met een complexe en meervoudige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding en dagbesteding); d. traject volwassenen met een kortdurende en enkelvoudige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding); e. traject volwassenen met een langdurige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding en dagbesteding); f.

traject volwassenen met ouderdomsproblematiek (individuele begeleiding en dagbesteding); g. traject hulp in het huishouden; h. logeren; i. hulpmiddelen; j. woningaanpassingen; k. collectief vraagafhankelijk vervoer. 2. Deze hulp-op-maat is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een besluit van de gemeente nodig.

6.3 Zelfstandig en veilig wonen (Jeugdwet l Wmo) 6.3.1 Geschikte woning 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp--op--maat kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is. 2. De gemeente verstrekt niet altijd hulp--op--maat in de vorm van een woonvoorziening. De gemeente geeft geen hulp--op--maat in de volgende situaties: a. de beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt; b. de inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerswoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen; c. de inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een seniorencomplex, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte, zoals elektrische bijvoorbeeld deuropeners; 32

d. het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden; e. de inwoner is zonder dringende reden verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning; f. de inwoner heeft een indicatie voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg; g. de inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft verleend. 3. Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt, als: a. de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afge schreven; b. de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of als c. de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner.

6.4 Mantelzorg (Wmo) 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven, hulp-op-maat kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken. 2. De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners. Daarom stelt het college jaarlijks een mantelzorgwaardering vast.

6.5 Afstemming met andere vormen van hulp (Jeugdwet l Wmo) De gemeente draagt eraan bij dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de inwoner wordt gegeven. De aansluiting van deze hulp-op-maat is maatwerk. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties.

6.6 Uitgangspunten leerlingenvervoer (Wpo, Wec, Wvo) Ouders zijn er zelf verantwoordelijk voor dat het kind naar school gaat. De gemeente beoordeelt op aanvraag van de ouders of zij hulp van de gemeente kunnen krijgen bij het vervoer van hun kind naar school. De hulp van de gemeente heet een ‘vervoersvoorziening’. Het kan gaan om een vergoeding voor reiskosten of om vervoer dat wordt geregeld door de gemeente, zoals een taxibusje. Het is mogelijk dat ouders van kinderen op de (speciale) basisschool een deel van de kosten zelf moeten betalen. Dat is de eigen bijdrage.

6.7 Onderzoek leerlingenvervoer (Wpo, Wec, Wvo) 1. Na een aanvraag onderzoekt de gemeente of ouders een vervoersvoorziening kunnen krijgen. Als dat zo is gaat de gemeente na welke voorziening er nodig is. De gemeente onderzoekt dan met welk vervoermiddel het kind kan reizen en welke route naar school de kortste veilige route voor het kind is. Ook onderzoekt de gemeente of er begeleiding nodig is bij het reizen.

33

2. Voor het bepalen van de route naar school maakt de gemeente gebruik van de actuele routeplanner van de ANWB. De gemeente berekent wat de afstand van de woning of opstapplaats van het kind is tot de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind. 3. De gemeente betrekt bij het onderzoek de verklaring van school of het kind in staat is zelfstandig te reizen. 4. Wanneer het kind minimaal tien jaar is, kan er in overleg met de ouders en school, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan worden opgesteld. 5. Als het kind naar de (speciale) basisschool, dan onderzoekt de gemeente ook hoe hoog het inkomen van de ouders is. Dat is nodig om te bepalen of de ouders een eigen bijdrage moeten betalen.

6.8 Voorwaarden leerlingenvervoer (Wpo, Wec, Wvo) 6.8.1 Verstrekking vervoersvoorziening 1. De gemeente verstrekt aan ouders een vervoersvoorziening, als het kind: a. op 1 augustus van het schooljaar vier jaar oud is, of minimaal drie jaar oud is als het om een doof of slechthorend kind gaat dat speciaal onderwijs volgt; b. in de gemeente Horst aan de Maas woont; c. ingeschreven staat op een school en daar onderwijs volgt; en d. vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig met het OV of met de fiets kan reizen, maar begeleiding of aangepast vervoer nodig heeft. 2. De gemeente verstrekt aan ouders ook een vervoersvoorziening, als het kind: a. op 1 augustus van het schooljaar vier jaar oud is; b. naar de basisschool gaat of speciaal onderwijs volgt; en c. de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind, meer dan vijf kilometer van de woning of de opstapplaats van het kind afligt; of d. naar een school gaat die verder weg is gelegen dan die dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool en de ouders in een brief aangeven dat ze ernstige bezwaren hebben tegen de richting van die dichter bij gelegen school; of e. de dichtstbijzijnde toegankelijke school heeft in een verklaring aangegeven niet te kunnen voldoen aan het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod. 3.

Ouders krijgen geen vergoeding voor het vervoer van hun kind, als het kind meereist met een andere ouder. 4. De gemeente geeft aan ouders een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider, als hun kind begeleiding nodig heeft bij het vervoer naar school en de ouders voor dit kind een vervoersvoorziening krijgen. 5. De gemeente kan een opstapplaats aanwijzen. De ouders zijn ervoor verantwoordelijk dat het kind naar de opstapplaats begeleid wordt. 6. De gemeente verstrekt een vervoersvoorziening op standaard schooltijden en schooldagen zoals vermeld in de schoolgids. 7. De gemeente kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening aanvullende voorwaarden verbinden. 6.8.2 Bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer 1. De gemeente geeft aan ouders die een vervoersvoorziening krijgen voor een kind dat speciaal onderwijs volgt en in een internaat of pleeggezin verblijft, ook een vervoersvoorziening voor:

34

a.

het weekendvervoer van het kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, behalve als de weekenden vallen in een schoolvakantie; b. het vakantievervoer van het kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd. 2. De regels uit de andere bepalingen van dit hoofdstuk gelden ook voor het weekend-- en vakantievervoer, behalve regel 6.9.1 punt 2, onderdeel a. 6.8.3 Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. De gemeente kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een kind, dat als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan: a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; b. de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de gemeente Horst aan de Maas. 6.8.4 Vervoer naar stageadres 1. De vervoersvoorziening naar een stageadres voor voortgezet (special) onderwijs wordt toegekend als er wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden: a. er moet al een vervoersvoorziening aanwezig zijn; b. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; c. de stage vindt plaats op één stageadres.

6.9 Vorm en hoogte leerlingenvervoer (Wpo, Wec, Wvo) 6.9.1 Vervoersvoorziening 1. De gemeente stemt de vervoersvoorziening af op de goedkoopste manier van reizen. Als het kind naar school kan fietsen (eventueel met begeleiding), dan kunnen de ouders een kilometervergoeding krijgen voor het gebruik van de fiets. Kan het kind niet fietsen naar school, dan kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het openbaar vervoer (OV). Ouders kunnen gebruikmaken van aangepast vervoer als dat nodig is. Maar ouders kunnen er in dat geval ook voor kiezen om het kind zelf te vervoeren. Dan hebben zij recht op een vergoeding die gebaseerd is op de kosten van vervoer met eigen auto. Gaat het kind naar de basisschool, dan betalen de ouders de reiskosten soms zelf (zie regel 6.9.2). 2. Aangepast vervoer is nodig in de volgende situaties: a. het kind is met het OV meer dan anderhalf uur onderweg en de reistijd wordt met aangepast vervoer teruggebracht tot 50% van de reistijd met het OV; b. OV naar school ontbreekt en het kind kan niet met de fiets naar school (ook niet met begeleiding); c. het kind kan niet begeleid worden door de ouders of anderen, of begeleiding heeft grote nadelen voor het gezin en een andere oplossing is niet mogelijk; d. het kind heeft langdurige beperkingen waardoor hij niet met het OV kan reizen (ook niet met begeleiding). 3.

Als een begeleider meerdere kinderen begeleidt, dan beperkt de gemeente de vergoeding tot de reiskosten van één begeleider. 35

4. De hoogte van een vergoeding van de gemeente is afhankelijk van de reisafstand naar de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind, via de kortste veilige route op basis van de routeplanner van de ANWB. 5. De vergoeding van de gemeente voor het gebruik van een eigen vervoermiddel wordt berekend op basis van een kilometervergoeding voor dat vervoermiddel, afgeleid van de ‘Reisregeling binnenland’. 6. Als ouders meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoeren, dan verstrekt de gemeente eenmaal de kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de ‘Reisregeling binnenland’. 6.9.2 Bijzondere regeling vervoer naar (speciale) basisschool 1. Van ouders van leerlingen die een school voor (speciaal) basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde gevallen, afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden gevraagd. 2. Als het jaarinkomen van ouders boven een bepaalde grens uitkomt, trekt de gemeente per kind een bedrag van de vergoeding aan ouders af (drempelbedrag). Voor de berekening van dit bedrag worden de kosten voor de eerste vijf kilometer met het OV geteld. Het gaat om de kosten die in het geval van het gebruik van een OV-chipkaart of een andere OV-betaalmogelijkheid door het kind en een eventuele begeleider zouden worden gemaakt voor de eerste 5 kilometer.

Ook als er geen OV beschikbaar is of als er geen gebruik wordt gemaakt van het OV, trekt de gemeente dit bedrag af van de vergoeding. Bij aangepast vervoer moeten de ouders dit bedrag aan de gemeente betalen (eigen bijdrage). Eigen bijdrage is niet van toepassing bij een fietsvergoeding. 3. Als de reisafstand meer dan 20 kilometer is, dan betalen ouders per kind de reiskosten voor een deel zelf of helemaal zelf (eigen bijdrage). Als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, dan betalen de ouders de eigen bijdrage aan de gemeente. Als het kind op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt de eigen bijdrage afgetrokken van de vergoeding die de ouders van de gemeente krijgen. De hoogte van de eigen bijdrage wordt per kind per schooljaar berekend en hangt af van het jaarinkomen van de ouders in het peiljaar. 4. De gemeente stopt de vervoersvoorziening als ouders de eigen bijdrage niet (langer) betalen aan de gemeente. 5. De gemeente past de bedragen van de inkomensgrenzen in het eerste en tweede punt, het drempelbedrag in het eerste punt en de hoogte van de eigen bijdragen in het tweede punt, jaarlijks aan (indexering). De gemeente volgt daarbij de basisnormbedragen leerlingenvervoer, zoals jaarlijks gepubliceerd door de VNG. 6.

Als peiljaar voor het inkomen geldt het tweede kalanderjaar voorafgaand aan het kalanderjaar waarin het schooljaar waarvoor een vervoersvoorziening wordt gevraagd begint. Dit is voor het schooljaar 2024-2025 het jaar 2022. 7. Voor ouders van kinderen die vanwege langdurige beperkingen (meer dan 3 maanden) niet zelfstandig met het OV kunnen reizen geldt de regeling in dit regel niet. Zij betalen geen eigen bijdrage.

6.10 Ingangsdatum en duur van het leerlingenvervoer (Wpo, Wec, Wvo) Een vervoersvoorziening gaat in op de door de ouders aangegeven datum. De gemeente moet voor deze datum de aanvraag ontvangen. Voor aangepast vervoer geldt dat de vervoersvoorziening zo snel mogelijk na het besluit van de gemeente ingaat.

36

7. Afspraken tussen inwoner en gemeente 7.1 Hoe gaan we met elkaar om? De rol van de inwoner en gemeente (Jeugdwet, Wmo, Pw, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet, Awb) 1. De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende: a. voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk; b. de inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met de gemeente; c. de gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie; d. de websites van de gemeente voldoen aan erkende kwaliteitseisen; e. de gemeente streeft naar eenvoudige aanvraagformulieren. Daarmee kan de inwoner een uitkering of voorziening aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn; f. de gemeente informeert de inwoner over procedures die worden gevolgd. De gemeente zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn; g. de gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner.

De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn zoals identiteitsgegevens. De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. De gegevens vragen we zoveel mogelijk op tijdens het persoonlijk gesprek met de inwoner. Als nodig kunnen achteraf aanvullende gegevens opgevraagd worden; h. de gemeente wijst de inwoner op cliëntondersteuning. 2. De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar gedrag van de inwoner. De gemeente zorgt voor het volgende: a. de inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: - rechten en plichten; - wat er van de inwoner wordt verwacht; - welk gedrag niet deugt; - wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en - waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt; b. de gemeente zorgt ervoor dat de inwoner voldoende geïnformeerd blijft over deze punten; c. de gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen; d. de reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij: i. de ernst van het gedrag; ii. de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en iii. de persoonlijke situatie van de inwoner. 3.

De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. 4. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier de inwoner het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).

37

7.3 Afspraken en verplichtingen over uitkeringen (Pw l IOAW l IOAZ l Awb) De Participatiewet kent naast rechten ook verplichtingen. Als een bijstandsgerechtigde zich niet aan deze verplichtingen houdt, kunnen er sancties volgen. Als regels niet worden nageleefd is een passende reactie op zijn plaats. Maar hoe belangrijk die naleving van regels ook is, de regels zelf moeten niet het belangrijkst worden. De regels zijn er voor mensen en niet andersom. Alleen op die manier ervaren mensen een lokale overheid die niet uitgaat van wantrouwen, maar van vertrouwen. 7.3.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner De gemeente verlaagt een uitkering niet als het gedrag de inwoner niet te verwijten is. 7.3.2 Wanneer wordt de bijstandsuitkering verlaagd? 1. De gemeente verlaagt een bijstandsuitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner. 2. Als de gemeente besluit om de bijstandsuitkering te verlagen, houdt de gemeente rekening met: a. de ernst van het gedrag dat tot het verlagen van de bijstandsuitkering heeft geleid; b. de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en c. de persoonlijke situatie van de inwoner. 3. Voordat een bijstandsuitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat doen met een brief of in een persoonlijk gesprek.

7.3.3 Afstemming verlaging 1. De gemeente kan de verlaging op de bijstandsuitkering aanpassen als de gemeente daarvoor dringende redenen ziet. Dan wordt de inwoner op de hoogte gebracht. 2. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering niet als: a. het gedrag de inwoner niet te verwijten is; b. er meer dan 1 jaar ligt tussen het gedrag van de inwoner en het moment waarop de gemeente dat gedrag heeft vastgesteld; c. door een gedraging al een weigering van de bijstandsuitkering op grond van de IOAZ of IOAW heeft plaatsgevonden. 7.3.4 Het besluit om de uitkering te verlagen 1. De gemeente stuurt de inwoner een brief als de bijstandsuitkering wordt verlaagd. In die brief staat in ieder geval: a. waarom de bijstandsuitkering wordt verlaagd; b. hoe hoog de verlaging is; c. wanneer de verlaging ingaat; d. hoe lang de verlaging duurt; en e. waarom de gemeente afwijkt van de hoofdregels, als dat het geval is. 7.3.5 Ingangsdatum en periode verlaging De verlaging gaat in vanaf de kalendermaand na de datum van dit besluit. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(en) nog niet is uitbetaald. 38

Als de bijstandsuitkering tijdens die periode wordt beëindigd, dan kan de verlaging niet volledig worden uitgevoerd. De gemeente legt dan het overgebleven deel van de verlaging alsnog op, als de inwoner binnen 12 maanden na de beëindiging opnieuw een bijstandsuitkering gaat ontvangen. 7.3.6 Berekening verlaging 1. De bijstandsuitkering wordt verlaagd met een percentage van de uitkeringsnorm. De uitkeringsnorm is de bijstandsuitkering die de inwoner in zijn situatie maximaal kan krijgen. Krijgt de inwoner bijstand, dan gaat het om de bijstandsnorm, voor een inwoner in de leeftijd 18 tot en met 20 jaar gaat het ook om de aanvullende bijzondere bijstand. Krijgt de inwoner een IOAW- of IOAZ-uitkering, dan is het de grondslag uit de IOAW of IOAZ. Hieronder staat met welk percentage de uitkeringsnorm verlaagd wordt. 2. De verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm die geldt in de maand(en) waarin de verlaging wordt toegepast. 3. De verlaging kan ook worden toegepast op de bijzondere bijstand, als de inwoner bijzondere bijstand ontvangt en het verwijtbare gedrag van de inwoner ziet op de bijzondere bijstand. 7.3.7 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering voor de duur van een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner een verplichting uit artikel 18, 4e lid van de Participatiewet niet nakomt.

Het gaat om bijzondere verplichtingen in verband met (onbetaald) werk. De verlaging kan over maximaal 3 maanden worden uitgesmeerd, dit doet de gemeente alleen als dit past bij bijzondere omstandigheden van de inwoner. 7.3.8 Niet nakomen andere verplichtingen in verband met werk en tegenprestatie 1. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm, als de inwoner: a. jonger is dan 27 jaar en niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van: i. een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a Participatiewet; of ii. een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd; b. niet of niet voldoende meewerkt aan het afleggen van een taaltoets uit artikel 18b van de Participatiewet; c. niet of niet voldoende een opgedragen tegenprestatie uitvoert; of d. alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen; De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken. 2. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner niet voldoende probeert werk te vinden. 3. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm als de inwoner: a. niet of niet voldoende gebruikmaakt van een aangeboden voorziening.

Dit gedrag heeft er niet toe geleid dat de voorziening niet doorging of te vroeg moest worden beëindigd; b. niet of niet voldoende meewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken; c. niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd; d. door houding of gedrag moeilijker aan het werk komt; e. niet of niet voldoende een door de gemeente opgedragen tegenprestatie uitvoert; of 39

f.

alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen. De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken. 4. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner: a. niet voldoende probeert werk te vinden; b. aangeboden werk niet accepteert; c. door eigen schuld ontslagen wordt of ontslag neemt; of d. niet of niet voldoende gebruikmaakt van een door de gemeente aangeboden voorziening en dit gedrag er toe geleid heeft dat de voorziening niet doorging of te vroeg is beëindigd. 5. De gemeente kan besluiten de bijstandsuitkering niet te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner zich niet aan de verplichtingen van deze regel houdt. 7.3.9 Te weinig besef van verantwoordelijkheid 1. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering van een inwoner die te weinig beseft dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. Door dat gedrag heeft de inwoner eerder, meer of langer uitkering nodig, dan als de inwoner zich verantwoordelijk had gedragen. De gemeente is daardoor benadeeld. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente meer of eerder heeft uitbetaald dan nodig was. 2. De verlaging duurt een maand en is: a. 10% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag tot € 1.000; b.

20% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000 tot € 2.000; c. 40% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000 tot € 4.000; d. 100% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000; e. 20% van de uitkeringsnorm, als het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld. 3. In afwijking van het bepaalde in punt 2 kan de verlaging als bedoeld in punt 1 worden vastgesteld op 100% gedurende 1 maand, als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. 4. De bijzondere bijstand kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. 7.3.10 Ontoelaatbaar gedrag (zeer ernstige misdragingen) De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering van een inwoner die zich ontoelaatbaar gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De bijstandsuitkering wordt een maand verlaagd met 50% van de uitkeringsnorm bij fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht op deze personen en instanties. De bijstandsuitkering wordt een maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm bij fysiek geweld tegen deze personen. 7.3.11 Niet nakomen van andere verplichtingen 1.

De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering als de inwoner een opgelegde verplichting uit artikel 9 (anders dan het niet nakomen van geüniformeerde verplichtingen zoals genoemd in artikel 18 Participatiewet), 55 of 57 van de Participatiewet niet of niet voldoende nakomt. Het gaat om een verplichting die hieronder wordt genoemd. De verlaging duurt een maand en is: a. 20% van de uitkeringsnorm, als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op het krijgen van werk of een verplichting in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt; 40

b. 40% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op vermindering van de bijstand; c. 100% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op beëindiging van de bijstand. 7.3.12 Samenloop van gedragingen 1. Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen niet nakomt, leidt tot 1 verlaging. De bijstandsuitkering wordt dan verlaagd met het hoogste percentage dat voor het niet nakomen van 1 van de verplichtingen geldt. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat meerdere verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd. De gemeente stelt de verlaging naar beneden bij, als de gedragingen nauw met elkaar samenhangen en de totale verlaging niet meer in verhouding staat tot de ernst van de gedragingen. 3. Als voor het niet-nakomen van een of meerdere verplichtingen door 1 gedraging een bestuurlijke boete wordt opgelegd, wordt hiervoor geen verlaging opgelegd. 4. Bij het niet-nakomen van een of meerdere verplichtingen voor meerdere gedragingen wordt per gedraging een bestuurlijke boete of verlaging opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is. 7.3.13 Herhaling (recidive) 1.

Als een inwoner zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is opgelegd vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 Participatiewet opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dat artikel, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden. 2. De duur van de verlaging wordt telkens verdubbeld als de inwoner binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit zich opnieuw zo gedraagt. 3. Bij een herhaalde verlaging op grond van artikel 7.3.7 binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden

7.4 Terugvorderen uitkering (Pw l IOAW l IOAZ) 1. De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doet dat volgens de regels van de wet en de gemeentelijke beleidsregels terugvordering en verhaal. 2. Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat inwoners een inkomen blijven houden dat past bij hun persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan de beslagvrije voet.

7.5 Beëindigen en terugvorderen voorziening (Jeugdwet l Wmo l Pw l IOAW l IOAZ l Wgs l Llv l Wko | Gemeentewet l Burgerlijk wetboek) 7.5.1 Beëindiging voorziening 1. De gemeente kan een voorziening beëindigen als: a. de voorziening niet langer passend of nodig is; b. de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden; c. de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner; 41

d. de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening; e. de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; f. de inwoner niet binnen 6 maanden gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is. 2. De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). 7.5.2 Terugvordering voorziening 1. De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de redenen voor beëindiging die genoemd worden in regel 7.5.1. 2. Wmo--voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt.

7.6 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen? (Jeugdwet l Wmo l Pw l IOAW l IOAZ) 7.6.1 Controle 1. De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van: a. huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet; b. heimelijke waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurt-onderzoek; c. bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten; d. signalen en tips van organisaties of particulieren; e. andere passende onderzoeksmethoden. 2. De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om: a. de kwaliteit van de voorziening te beoordelen; b. om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt; en/of c. de in het verslag afgesproken resultaten in relatie tot de daartoe in te zetten maatwerkvoorzieningen worden bereikt. 3.

Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd. 4. Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt. 7.6.2 Voorkomen van fraude De gemeente stelt alles in het werk om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een duidelijke manier over rechten en plichten. Ook informeert de gemeente inwoners over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen. Bij het niet (behoorlijk) nakomen 42

van de inlichtingenplicht kan de gemeente een waarschuwing geven of een boete opleggen. De gemeente heeft hiervoor beleidsregels opgesteld, die te vinden zijn op www.overheid.nl. 7.6.3 Privacy 1. De gemeente stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast richtlijnen op. Het gaat in ieder geval om richtlijnen voor de inzet van: a. huisbezoeken; b. buurtonderzoeken. 2. De richtlijnen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privé-leven van inwoners plaatsvindt. De gemeente maakt de protocollen openbaar bekend. 3. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. 7.6.4 Toezichthouders De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Voor Wmo-hulp geldt dat de gemeente verplicht is toezichthouders aan te wijzen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14849701/1