CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05b rb Verordening SD HadM

Gemeenteraad 17 december 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van de Verordening Sociaal Domein gemeente Horst aan de Maas.22.663 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

43

8. Klachten en bezwaar De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente. In dit hoofdstuk staan enkele regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen, een vertrouwenspersoon te spreken of bezwaar te maken. Daarbij is aangesloten bij de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman.

8.1 Doelen klacht- en bezwaarprocedure (Awb l Gemeentewet) 1. De gemeente ziet een klacht of bezwaar als: a. een stimulans om de hulpvraag van de inwoner nog eens te onderzoeken; b. een middel voor de inwoner om zijn mening kenbaar te maken; c. een mogelijkheid om de dienstverlening aan de inwoners te verbeteren; d. een manier om een vertrouwensbreuk te herstellen; en e. een middel om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te repareren. 2. De inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend, krijgt de gelegenheid om zijn klacht of bezwaar mondeling toe te lichten. Dit gebeurt niet als het voor de gemeente overduidelijk is dat een mondelinge toelichting geen enkele zin heeft. 3. De inwoner kan kritiek op de uitvoering van wettelijke taken door de gemeente uiten via een eenvoudige en effectieve klachten-- en bezwaarprocedure. 4. De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld. 5. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend zich gehoord voelt.

8.2 Klachtenprocedure (Awb l Gemeentewet) 1. De inwoner kan een klacht indienen over: a. het gedrag van bestuursorganen, bestuurders en medewerkers van de gemeente bij de uitvoering van hun taak; b. over de manier waarop de gemeente meldingen en aanvragen heeft afgehandeld en waarop de gemeente voorzieningen en diensten heeft uitgevoerd. 2. In de Awb, de klachtenregeling en de verordening die gaat over de behandeling van bezwaarschriften en klachten staan de regels die gelden voor het indienen van klachten.

8.3 Klachten over andere personen of organisaties (Awb l Gemeentewet) 1. De inwoner die een klacht heeft over het gedrag van een hulpverlenende persoon of organisatie die door de gemeente is ingehuurd, moet zijn klacht eerst indienen bij die persoon of organisatie. Die persoon of organisatie moet een klachtenregeling hebben en deze met de gemeente hebben gedeeld. 2. De gemeente controleert of de klachtenregeling van hulpverlenende personen of organisaties die hulp verlenen op grond van een besluit van de gemeente, wordt nageleefd. 3. Als de inwoner niet tevreden is over de manier waarop de klacht door de hulpverlenende persoon of organisatie is afgehandeld, kan de inwoner een klacht indienen bij de gemeente.

44

4. De inwoner die geraakt is door geweld of ander strafbaar gedrag van personen of organisaties die die hulp verlenen op grond van een besluit van de gemeente, kan dit melden bij de gemeente. De gemeente bepaalt hoe die melding wordt behandeld.

8.4 Vertrouwenspersoon Jeugd (Jeugdwet l Gemeentewet) De inwoner die jeugdhulp krijgt kan voor een vertrouwenspersoon terecht bij het Advies- en Klachtbureau Jeugdzorg (AKJ). Deze vertrouwenspersoon kan de jongere, ouder of pleegouder op verzoek helpen bij problemen, klachten en vragen in verband met de hulpverlening door de gemeente, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling jeugdbescherming en jeugdreclassering en het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis).

8.5 Bezwaar (Awb l Gemeentewet) 1. Als de gemeente een besluit neemt, informeert de gemeente de inwoner over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen dat besluit. 2. De inwoner die het niet eens is met een besluit dat is genomen op grond van de genoemde wetten en van deze verordening, kan daartegen binnen 6 weken bezwaar maken volgens de regels die zijn beschreven in de verordening die gaat over de behandeling van bezwaarschriften en klachten. 3. Nadat de gemeente een bezwaarschrift heeft ontvangen, neemt de gemeente telefonisch contact op met de inwoner om het bezwaar te bespreken. De gemeente geeft uitleg over het besluit van de gemeente en informeert bij de inwoner naar argumenten, feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van het bezwaar. Dit gesprek is gericht op verbetering van de besluitvorming door de gemeente en kan leiden tot een heroverweging van het besluit.

45

9. Inwonerparticipatie Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert, is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen. Ook is geregeld dat er een cliëntenadviesraad is en is de taak van deze adviesraad beschreven. Ten slotte is hier ook geregeld op welke manier inwoners met leveranciers, zoals zorgaanbieders, kunnen overleggen over diensten en producten die bedoeld zijn voor de inwoners met een beperking.

9.1 Inspraak van inwoners (Jeugdwet l Wmo l Pw l IOAW l IOAZ l Gemeentewet) 1. De gemeente kiest ervoor om inwoners inspraak te geven in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. De regels van de Inspraakverordening gemeente Horst aan de Maas zijn daarop van toepassing, maar worden aangevuld met de regels in dit hoofdstuk. 2. Inwoners kunnen inspraak hebben bij: a. plannen voor beleid en regels; b. de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert. 3. Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering. 4. De gemeente kan inwoners op verschillende manieren inspraak geven: a. via de cliëntenadviesraad; b. door inwoners te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en bijeenkomsten; c. door samen met inwoners een plan te ontwerpen; d. op andere geschikte manieren. 5. De gemeente kiest die vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep waar het om gaat.

9.2 Cliëntenadviesraad (Jeugdwet l Wmo l Pw l IOAW l IOAZ l Gemeentewet) 9.2.1 Samenstelling en werkwijze 1. De gemeente zet zich ervoor in dat er een cliëntenadviesraad is die een afspiegeling vormt van de verschillende groepen inwoners voor wie deze verordening iets regelt. Het doel van de gemeente om een cliëntenadviesraad in te stellen is om inwoners inspraak te geven in het beleid, de regels en de uitvoering daarvan. 2. De leden van de cliëntenadviesraad kunnen kandidaten voordragen, deze mogen geen lid zijn van de gemeenteraad of raadscommissies van de gemeente Horst aan de Maas. 3. De gemeente evalueert elk jaar ten minste één keer met de cliënten-adviesraad hoe de samenwerking gaat. Dan wordt ook besproken of de inspraak goed functioneert. De cliëntenadviesraad stuurt na afloop van dit overleg een verslag aan het college. 4. De gemeente zorgt voor goede ondersteuning van de cliëntenadviesraad, bijvoorbeeld a. b. c. d.

een ambtelijk aanspreekpunt voor de cliëntenadviesraad te verzorgen. een geschikte vergaderruimte; voldoende informatie over plannen voor nieuw beleid; voldoende tijd om advies over nieuw beleid te kunnen geven. De gemeente zorgt ervoor dat een plan voor nieuw beleid tijdig bij de cliëntenadviesraad ligt, zodat het gegeven advies nog van invloed kan zijn op het te nemen besluit; 46

e. Het college zorgt ervoor dat het standpunt van belanghebbenden in de beleidsontwikkeling zichtbaar wordt gemaakt en betrekt het advies van de cliëntenraad zichtbaar bij de besluitvorming. Als het college afwijkt van het advies van de cliëntenraad dan wordt dit bij het voorstel vermeld en een reden voor genoemd. 5. De cliëntenadviesraad ontvangt een werkbudget in de vorm van een jaarlijkse subsidie. Om hiervoor in aanmerking te komen dienen zij (jaarlijks) een subsidieaanvraag in, waarbij voldaan moet worden aan de voorwaarden van de subsidieregeling Exploitatiesubsidie Ondersteuning & Zorg en het subsidiekader Samen werken aan Vitale Gemeenschappen. 9.2.2 Taken en bevoegdheden 1. De cliëntadviesraad geeft gevraagd en ongevraagd advies over plannen en beleid van burgemeester en wethouders of van de gemeenteraad. De cliëntadviesraad kan ook advies geven over het geldende beleid. 2. De cliëntadviesraad houdt zich niet bezig met individuele klachten en bezwaarschriften of met andere zaken over een bepaalde inwoner. Ook kan niet geadviseerd worden op het gebied van de gemeentelijke bedrijfsvoering en financiën.

9.3 Inspraak bij zorgaanbieders en leveranciers (Jeugdwet l Wmo) 1. Aanbieders zijn verplicht om inwoners die gebruik maken van hun diensten of producten, inspraak te geven en daarover regels te maken. Dat kan bijvoorbeeld door middel van een cliëntenraad of andere vormen van inspraak. 2. De gemeente ziet erop toe dat de aanbieders van Wmo-hulp de regels over inspraak naleven. De gemeente overlegt regelmatig met deze aanbieders over de dienstverlening en onderzoekt jaarlijks hoe tevreden inwoners met de aanbieder zijn. Voor jeugdhulp is het toezicht op inspraak geregeld in de Jeugdwet. De Inspectie voor de Volksgezondheid ziet erop toe dat de aanbieder van jeugdhulp de regels uit de Jeugdwet naleeft.

47

10. Kwaliteit, inkoop en aanbesteding De diensten en producten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten.

10.1 Kwaliteit (Jeugdwet l Wmo l Gemeentewet) 1. Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt moeten van dusdanige kwaliteit zijn, zodat het gewenste effect voor de inwoner wordt bereikt. 2. De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding door: a. een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder/leverancier; of b. een reële prijs vast te stellen. Die geldt dan als ondergrens voor een inschrijving en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder/leverancier. 3. De diensten en producten: a. passen bij de behoefte van de inwoner; b. zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner; c. voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard; d. worden afgestemd op andere diensten of producten die aan de inwoner worden geleverd. 4. De gemeente stelt de kwaliteitseisen vast en controleert of deze eisen door aanbieders en/of leveranciers worden nageleefd.

10.2 Inkoop en aanbesteding (Jeugdwet l Wmo l Gemeentewet) 1. De gemeente zorgt ervoor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze verordening gegarandeerd is. Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van leveranciers dat zij rekening houden met de voorwaarden uit regel 10.1 punt 2. 2. Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van leveranciers dat zij diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen. Dit geldt ook als zij andere partijen inzetten voor het leveren van diensten en producten. 3. De gemeente houdt zich bij het vaststellen van de prijzen aan de wettelijke regels met betrekking tot reële prijzen. Dat betekent dat de prijs voor een dienst ten minste wordt gebaseerd op de volgende kostprijselementen: a. kosten van beroepskrachten (cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden); b. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c. overheadkosten; en d. kosten voor indexering.

48

11. Van oud naar nieuw In dit hoofdstuk wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is.

11.1 Uitvoeringsregels De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet.

11.2 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als toepassing van die bepaling volgens de gemeente een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is.

11.3 Intrekken oude verordeningen 1. De volgende verordeningen worden ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat: a. Verordening Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Horst aan de Maas; b. Verordening cliëntenparticipatie Wmo, Wwb, Wsw en Wij; c. Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Horst aan de Maas; d. Verordening jeugdhulp gemeente Horst aan de Maas; e. Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Horst aan de Maas; f. Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2022 gemeente Horst aan de Maas; g. Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2022 gemeente Horst aan de Maas; h. Verordening Tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2022 gemeente Horst aan de Maas; i. Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2022 gemeente Horst aan de Maas; j. Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Horst aan de Maas. 2. De volgende beleidsregels worden geacht te berusten op deze verordening: a. b. c. d. e. f.

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Horst aan de Maas 2022; Beleidsregel inkomensondersteuning gemeente Horst aan de Maas 2022; Beleidsregel Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 gemeente Horst aan de Maas 2022; Beleidsregel Parttime Ondernemen gemeente Horst aan de Maas 2022; Beleidsregel terug- en invordering gemeente Horst aan de Maas 2022; Beleidsregel verlagen uitkering in verband met woonsituatie en inkomsten uit commerciële verhuur Participatiewet gemeente Horst aan de Maas 2022; g. Beleidsregel voorzieningen Niet-uitkeringsgerechtigden gemeente Horst aan de Maas 2022; h. Beleidsregel Wet taaleis Participatiewet Horst aan de Maas 2022; i. Beleidsregels PeuterPlusProgramma en Voor- en Vroegschoolse Educatie gemeente Horst aan de Maas; j. Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer gemeente Horst aan de Maas; k. Beleidsregels Wet inburgering 2021 gemeente Horst aan de Maas; l. Beleidsplan schuldhulpverlening 2013 – 2016; 49

m. Beleidsregels Schuldhulpverlening 2013 -2016 Horst aan de Maas; n. Beleidsplan handhaving Sociaal Domein gemeente Horst aan de Maas; o. Besluit beschermd wonen en opvang gemeente Horst aan de Maas 2022; p. Beleidsregel landelijke toegankelijkheid beschermd wonen gemeente Horst aan de Maas 2022; q. Beleidsregel landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang gemeente Horst aan de Maas 2022

11.4 Overgangsrecht 1. Een voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft ook na 1 januari 2025 doorlopen. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen. 2. Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór 1 januari 2025 en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór 1 januari 2025 geldt juist dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe. 3. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van een van de in regel 11.3 genoemde ingetrokken verordeningen, past de gemeente die ingetrokken verordening toe. Maar als het besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe.

11.5 Ingangsdatum en naam 1. Deze verordening wordt genoemd: Verordening sociaal domein gemeente Horst aan de Maas. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 december 2024. De raad voornoemd, De voorzitter,

De griffier,

drs. R.F.I. Palmen

mr. R.J.M. Poels

50

Begrippenlijst Behorend bij de Verordening sociaal domein gemeente Horst aan de Maas. In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Deze begrippenlijst maakt in zijn geheel onderdeel uit van deze verordening. Waarom deze begrippenlijst? • • • •

Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is. Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, zodat hij zoveel mogelijk aansluit bij het normale, dagelijkse taalgebruik. Ook staan er voor de duidelijkheid enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven. Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven.

Aanbieder(s): de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert op grond van een besluit van de gemeente. Aangepast vervoer: vervoer met een (school)bus, taxi, treintaxi of bustaxi, niet zijnde openbaar vervoer. Aanvraag: een verzoek van een inwoner om een besluit te nemen. Algemeen gebruikelijke voorziening(en): een voorziening die •

niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

•

daadwerkelijk beschikbaar is;

•

een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie; en

•

financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.

Andere voorziening(en): een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulp-op-maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan bijvoorbeeld een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of voorliggende voorziening, of voorliggende voorzieningen op grond van andere regelingen, zoals alimentatie en toeslagen. Anw-uitkering: een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. Aow-leeftijd: leeftijd waarop de AOW-uitkering ingaat.

51

Arbeidsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de arbeidsinschakeling of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in regel 9 van de Participatiewet, regel 37 van de IOAW en regel 37 van de IOAZ. Armoedeval: achteruitgang in inkomen als een uitkeringsgerechtigde een baan aanneemt op of rond het minimumloon. Dit komt door het wegvallen van tegemoetkomingen van de gemeente of van toeslagen zoals huurtoeslag en zorgtoeslag. Awb: Algemene wet bestuursrecht. Basisonderwijs: onderwijs op een basisschool of school voor speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs. Basisschool: basisschool of school voor speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs. Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Benadelingsbedrag: netto bedrag dat ten onrechte aan bijstand is verstrekt of het bedrag dat belanghebbende onverantwoord heeft ingeteerd (te snel opmaken van eigen middelen) waardoor hij eerder een beroep dient te doen op bijstand. Beperking(en): de vermindering van mogelijkheden door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, psychische of psychosociale handicap. Dat heeft tot gevolg dat er een belemmering is ontstaan in het functioneren op sociaal of maatschappelijk gebied. Bij leerlingenvervoer geldt dat de beperking het vervoer naar school belemmert.

Beslagvrije voet: het minimumbedrag dat moet overblijven om van te leven. Bestuurlijke boete: een boete, vanwege het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht op grond van regel 17, eerste lid, van de Participatiewet, regel 13, eerste lid, van de IOAW, regel 13, eerste lid, van de IOAZ, of regel 30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering, bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet, artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikt gewezen zelfstandigen (IOAZ). De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner. Bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de eventuele aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. Collectief taxivervoer: vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd).

Dichtstbijzijnde school: school die het dichtst bij de woning of opstapplaats van het kind ligt, gemeten via de kortste route waarlangs het kind veilig kan reizen. Als het kind naar een school voor speciaal basisonderwijs gaat, dan is de dichtstbijzijnde school de school in het samenwerkingsverband waarop het kind eerst zat, of een 52

andere school voor speciaal basisonderwijs binnen dit samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente goedkoper is. DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs. Effect: het resultaat of doel. Eigen kracht: eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Eigen vervoermiddel: een vervoermiddel dat de inwoner zelf bezit of dat hij kan gebruiken. Daaronder valt ook een vervoermiddel zoals een deel-, leen- of lease-auto. Financiële buffer: het vermogen boven de vermogensgrens uit artikel 34, lid 3 van de Participatiewet, dat past bij de leefsituatie. Vermogen is de waarde van geld en bezittingen. Fraude: het (opzettelijk) verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Hierdoor wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt. Gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet worden met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. Onder gebruikelijke hulp kan ook gebruikelijke zorg vallen.

Gebruikelijke zorg is de zorg die gezinsleden normaal aan elkaar geven binnen het huishouden, omdat ze samen verantwoordelijk zijn voor dat huishouden. Gedrag(en): het geheel van acties en reacties van een persoon. Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas. Gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het effect dat hij wil bereiken bespreekt. Geüniformeerde verplichtingen: de verplichtingen die een inwoner met een bijstandsuitkering heeft om werk te zoeken en te aanvaarden, of om mee te werken aan activiteiten om aan het werk te komen, zoals het volgen van een opleiding. Deze verplichtingen staan concreet opgesomd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. Hulp: -

ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, artikel 36 van de IOAW en artikel 36 van de IOAZ; bijstand als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet; een uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ; inkomensondersteuning op grond van de artikelen 108, eerste lid, en 147, eerste lid, van de Gemeentewet; maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; of een vervoersvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 6 (vervoer naar school). 53

Hulp in natura: hulp of zorg die de gemeente voor de inwoner inzet. Hulp-op-maat: een op de inwoner afgestemde voorziening. -

Als het gaat om een voorziening in het kader van de Wmo: een maatwerkvoorziening (in natura of als Pgb). Als het gaat om een voorziening in het kader van de Participatiewet: een voorziening bij de arbeidsinschakeling die speciaal op de inwoner is afgestemd of bijzondere bijstand. Als het gaat om schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: op de inwoner afgestemde hulp bij het aflossen van schulden. Als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet.

Hulpverlener: iemand die beroepsmatig hulp verleent en voldoet aan de eisen die daaraan gesteld zijn. Hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft. Inkomen: het inkomen, uit artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet. Gaat het om vervoer naar school (hoofdstuk 6) dan wordt onder inkomen verstaan: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het inkomen wordt dan gemeten over het peiljaar (artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs). Inspraak: inspraak als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet. Met inspraak wordt in regel 9.1 van deze verordening ook bedoeld het recht om invloed uit te oefenen en over iets mee te beslissen. Instelling(en): een organisatie die bedrijfsmatig zorg of hulp verleent. Inwoner(s): de persoon die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek (titel 3, Boek 1 BW) en die daar rechtmatig verblijft. Gaat het om: -

-

Wmo-hulp, dan betreft het de ingezetene van de gemeente als bedoeld in artikel 1.2.1 van de Wmo en de ingezetene van Nederland die zich bij de gemeente meldt voor maatschappelijke opvang of hulp bij het (zelfstandig) wonen; jeugdhulp, dan betreft het de jeugdige die zijn woonplaats in de gemeente heeft op grond van artikel 1.1 van de Jeugdwet; schuldhulpverlening, dan betreft het degene die in de basisregistratie personen van de gemeente als ingezetene is ingeschreven. Voor de toepassing van de hoofdstukken 7 en 8 wordt onder inwoner ook verstaan: de persoon die hulp van de gemeente heeft gehad maar zijn woonplaats niet meer daar heeft. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor hulp door de gemeente.

54

IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Jeugdige: persoon die: - de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, - de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of - de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, die was aangevangen, of voor wie het college vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is. Jeugdhulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan inwoners met een arbeidsbeperking, gericht op het vinden en behouden van werk. Jongere(n): de minderjarige. Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Als het om werk en inkomen gaat: personen die jonger zijn dan 27 jaar. Kind(eren): de minderjarige (0-18 jaar). Kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a van de Participatiewet. Als er meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen. Levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen. Leverancier: de natuurlijke person of rechtspersoon die goederen of diensten levert op grond van een besluit van de gemeente. Llv: de wetten die regelen dat gemeenten leerlingenvervoer aanbieden, dat wil zeggen de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra. Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep Mantelzorger(s): langdurig, vrijwillig en onbetaalde zorgverlening aan een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende partner, (schoon)ouder, kind of ander familielid, vriend of kennis.

Deze zorg wordt nietberoepsmatig verleend voor minimaal 8 uur per week en langer dan 3 maanden. 55

Medewerker(s): de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt. Melding(en): het kenbaar maken van een hulpvraag aan de gemeente. Ondersteuningsplan: een plan van aanpak dat de zorgaanbieder opstelt, waarin de afspraken staan over de invulling van de hulp die wordt gegeven. In het ondersteuningsplan wordt aangeven welke ondersteuning wordt geboden om de afgesproken resultaten te behalen Oneigenlijk gebruik: gebruik maken van een voorziening, terwijl deze daar niet voor bedoeld is. Openbaar Vervoer (ov): openbaar toegankelijk personenvervoer dat met een vaste route en een vaste dienstregeling rijdt (of vaart). Daaronder valt ook een buurtbus. Opstapplaats: plaats die is aangewezen door de gemeente, vanaf waar het kind (de leerling) gebruik kan maken van het vervoer naar school. Ouders: ouders, voogden of verzorgers van de jongere. Participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. Peiljaar: het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar begint, waarvoor een vervoersvoorziening voor leerlingenvervoer wordt aangevraagd. Persoonlijk plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de gewenste hulp wordt geïnventariseerd.

Persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn. Pgb: persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee iemand zelf hulp in kan kopen. Pgb-budgetplan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de hulp die hij nodig heeft en die hij met het Pgb wil inkopen. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd worden. PVT: het Participatieverklaringstraject als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de Wet inburgering 2021; Pw: Participatiewet. Samenwerkingsverband: 1. Voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs; of 2. Voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a, tweede en zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; 56

Samenwonenden: degenen die een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet. School: basisschool, school voor speciaal basisonderwijs, of school waar speciaal of voortgezet (speciaal) onderwijs wordt gegeven. School die bij het kind past: school voor openbaar of bijzonder onderwijs en die het soort onderwijs geeft dat het kind nodig heeft in verband met zijn geloof, talenten en mogelijkheden. Sociaal netwerk: huisgenoten of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (inclusief mantelzorgers). Speciaal onderwijs: onderwijs zoals bedoeld in de Wet op de expertisecentra. Tegenprestatie: de activiteit zoals omschreven in artikel 9, eerste lid, onder c, van de Participatiewet en artikel 37 van de IOAW/IOAZ. Uitkering(en): de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering. Uitkeringsnorm: de maximale hoogte van een uitkering; dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. UWV: Het UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) is een Nederlandse overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van werknemersverzekeringen zoals de WW, WIA en Ziektewet.

Vaderschapsactie: een procedure die de biologische moeder van een kind instelt tegen een (vermoedelijke) vader, als een kind buiten een huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt geboren, en de biologische vader het kind niet heeft erkend. Deze procedure dient om alimentatie van de vader te kunnen ontvangen en schept geen familierechtelijke band tussen de vader en het kind. Vergoeding(en): vergoeding van kosten. In het kader van leerlingenvervoer: de gehele of gedeeltelijke bekostiging van reiskosten, bedoeld in artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.28 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4 van de Wet op de expertisecentra. Verslag: dit is een document waarin de ondersteuningsbehoefte van volwassene, jeugdige en/of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren. Het verslag wordt ook wel leefzorgplan genoemd voor Wmo en jeugdhulp. Voorliggende voorziening(en): een algemene of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen. Het betreft een voorziening op grond van een andere regeling of van een andere organisatie. Gaat het om bijstand, dan wordt ermee bedoeld een voorziening als bedoeld in artikel 5, onderdeel e, van de Participatiewet.

Voortgezet onderwijs: onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs. 57

Voorziening(en): hulp in de vorm van een dienst, activiteit, product, pgb, geldbedrag, of een combinatie daarvan. Werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie. Voor de Wsw doelgroep kan de inlener gezien worden als werkgever. Werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever of waar de werkgever van plan is om een dienstverband aan te bieden. Werkstage: persoonlijk verrichten van arbeid overwegend gericht op uitbreiden kennis en ervaring zonder geldelijke beloning. Wet: de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemers, de Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijke arbeidsongeschikte zelfstandigen, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet inburgering 2021, de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Wet kinderopvang, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Wettelijk minimumloon: het wettelijk minimumloon als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

Voor personen jonger dan 21 jaar: het leeftijdsgebonden minimumloon op grond van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag. Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Wib: Wet inburgering 2021. Wlz-instelling: een instelling die zorg verleent op grond van de Wet langdurige zorg. Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Wmo-hulp: de maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. Woning: de woonruimte waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft. Gaat het om vervoer naar school (hoofdstuk 6), dan is de woning de plaats waar het kind structureel (over een langere periode) en feitelijk verblijft. Wvggz: Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de normale dagelijkse activiteiten en het voeren van een gestructureerd huishouden als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.

58

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14849701/1