04f Regeling provinciale aankoop nabij natuurgebieden
Tekst van het document
In veel gevallen kan het jaren duren voordat gekochte gebouwen en grond weer te gelde worden gemaakt en dit zal in sommige gevallen in het geheel niet gebeuren. Het is niet wenselijk vanuit de optiek van uitvoeringslasten en rechtszekerheid om de afwikkeling van de uitkeringsverstrekking (verantwoording en vaststelling) jaren lang op te schorten. Sterker, vanuit het doel van de regeling verdient het de voorkeur dat de voor de aankopen beschikbare gelden niet tijdelijk worden ‘belegd in restwaarde’ omdat dit ten koste gaat van andere aankopen. De financieringswijze voor de latere aankopen vergt dat de provincies middelen vrij maken voor de financiering van de (geraamde) restwaarde, aanvullend op de proceskosten. Voorshands is hiertoe op bestuurlijk niveau bereidheid bij de provincies, zij het dat het noodzakelijk is dat provinciale staten hierover een besluit nemen. Indien provincies er in verband met de uitvoeringslasten van de financieringswijze voor de eerste aankopen (deel A) de voorkeur aan geven om voor alle aankopen de (geraamde) restwaarde zelf te financieren (dus het regime van deel B), kunnen zij daarvoor kiezen. De
15
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
regeling bevat in artikel 4 daarvoor een voorziening, zoals in de artikelsgewijze toelichting nader wordt aangeduid.
5.3 Aanwending van de uitkering Voor de aankoop van veehouderijvestigingen in het kader van deze regeling is uitgangspunt dat met de desbetreffende veehouders een passende koopprijs voor de relevante vermogensbestanddelen van zijn bedrijf overeen wordt gekomen. De uitkering kan worden besteed aan het aankopen van de bedrijfsmiddelen, de bedrijfsgebouwen en de bij de veehouderijvestiging behorende landbouwgrond, aan het laten vervallen van het productierecht en aan het laten slopen van bedrijfsgebouwen. Dit zijn, afgezien van het laatstbedoelde element, verreweg de belangrijkste vermogensbestanddelen van een veehouderij. De bedrijfswoning en de daarbij behorende grond blijven hierbij buiten beschouwing, omdat de woning ook los van de bedrijfsvoering een (woon)functie heeft. Het is aan de provincie om van geval tot geval te bepalen welke van de voornoemde vermogensbestanddelen moeten worden aangekocht om te komen tot een duurzame reductie van stikstofdepositie op het desbetreffende natuurgebied, rekening houdend met de andere voorwaarden voor de besteding van de uitkering. Zoals hiervoor al aan de orde was, is het ook aan de provincie om te bezien of en hoe de aangekochte vermogensbestanddelen, uitgezonderd het productierecht, kunnen worden aangewend, gegeven de doelstelling en de voorwaarden van deze regeling.
De hiervoor bedoelde keuzes zijn in het bijzonder aan de orde bij grond. Als (een deel van) de landbouwgrond die hoort bij een veehouderijvestiging, wordt opgekocht dan kan deze een andere bestemming krijgen, zoals natuur, bos of natuur-inclusieve landbouw, waarbij het perceel al dan niet wordt doorverkocht. Zo kan worden bereikt dat de stikstofdepositie wordt verminderd, in meer of mindere mate. De aankoop van grond kan ook z.g. schuifruimte in het gebiedsproces opleveren en op die wijze het algemeen belang ten goede komen. In verband hiermee wordt in deze regeling rekening gehouden met de mogelijkheid van grondruil, dat wil zeggen de situatie waarin de provincie na aankoop van landbouwgrond van de stoppende veehouder deze grond ‘ruilt’ met de grond van een andere veehouder om zo de kwaliteit van het desbetreffende natuurgebied beter te kunnen bevorderen. Indien bij de aankoop van een veehouderijvestiging grond wordt opgekocht, leidt dat tot aanmerkelijk hogere aanschafkosten. Zoals toegelicht in de vorige paragraaf is de uitkering alleen bedoeld voor de netto-kosten, dus na aftrek van de proceskosten, de restwaarde en eventuele opbrengsten.
Naarmate na aankoop van grond de gebruiksmogelijkheden sterker worden beperkt met het oog op vermindering van de stikstofdepositie, zal de waardevermindering van de grond groter zijn en zal de provincie een kleiner aandeel hebben in de financiering van de grond. In zijn algemeenheid geldt dat het besteden van de uitkering aan de aankoop van grond er toe leidt dat met het beschikbare budget minder veehouderijvestigingen aangekocht kunnen worden. Dat is slechts anders indien de gebruiksbeperkingen en dus het waardeverlies van de grond slechts beperkt zijn (en dus ook de stikstofreductie) terwijl de aankoop met financiering provincie wordt gefinancierd. Voorzien wordt dat in de eindevaluatie aandacht zal worden besteed aan de mate waarin grond is opgekocht, welke overwegingen hierbij een rol hebben gespeeld en welke resultaten hiermee zijn bereikt.
5.4. Borging blijvende reductie De maatregel gerichte opkoop is gericht op duurzame natuurverbetering en daarvoor is nodig dat de aangekochte veehouderijvestigingen definitief worden gesloten. Om dat te bewerkstelligen moet bij de aankoop een aantal stappen worden gezet. Het betreft maatregelen voor respectievelijk de sluiting van het bedrijf, om te borgen niet opnieuw een veehouderij op de locatie van de gesloten vestiging kan worden gevestigd en om te borgen dat de veehouder niet elders een veehouderij vestigt. Ook al is de provincie niet (steeds) in de positie om zelf die maatregelen te nemen, de provincie dient wel te verzekeren dat die maatregelen worden genomen. Het ligt in de rede dat in de koopovereenkomst wordt vastgelegd wat in dit kader van de veehouder wordt verwacht. Het is aan de provincie om voorafgaand aan de overdracht van de aangekochte vermogensbestanddelen na te gaan of de veehouder de nodige stappen heeft gezet, c.q. de nodige medewerking heeft verleend.
Sluiting van de veehouderijvestiging Voor de sluiting van de veehouderijvestiging dient de veehouder de dieren af te voeren en de meststoffen op die locatie te laten verwijderen, hij moet het productierecht in de registratie van RVO laten vervallen en hij moet er voor zorgen dat de vergunningen voor de veehouderijvestiging worden ingetrokken of aangepast. Pas als deze stappen zijn gezet, kan de levering van de relevante vermogensbestanddelen aan de provincie plaatsvinden. Het ligt voor de hand dat het afvoeren van de dieren zoveel mogelijk aansluit bij het normale bedrijfsproces. Dieren die in koppels worden gehouden met z.g. productierondes, zullen na een productieronde op de reguliere wijze worden afgevoerd. Productierondes hebben per diercategorie
16
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
een andere doorlooptijd. Een productieronde voor legkippen heeft de langste doorlooptijd, namelijk 18 maanden. Voor andere categorieën dieren die in koppels worden gehouden, duurt een productieronde ten hoogste een jaar (varkens: 8 tot 12 maanden; vleeskuikens: 6 tot 12 weken; opfokbedrijf leghennen, inclusief ouderdieren: een jaar; opfokbedrijf leghennen, exclusief ouderdieren: 18 weken; kalkoenen: 21 weken; vleeskalveren: 8 tot 12 maanden). Melkvee (melkkoeien) en melkgeiten worden weliswaar in koppels gehouden, maar niet met een productieronde zoals dat voor de eerder genoemde sectoren geldt. Voor melkvee en melkgeiten is er daarom niet een natuurlijk moment voor bedrijfsbeëindiging na afloop van een productieronde. De veehouder zal logischerwijze anderszins een optimaal tijdstip kiezen voor het feitelijk beëindigen van zijn bedrijf en het afvoeren van de dieren. In de praktijk zal dit in het voorjaar zijn (bijv. mei), bij het einde van het stalseizoen en de start van het weideseizoen. Om te borgen dat de bedrijfsbeëindiging voortvarend ter hand wordt genomen, is in de regeling bepaald dat de dieren uiterlijk een jaar na het sluiten van de koopovereenkomst moeten worden afgevoerd dan wel na afloop van de productieronde indien die een langere doorlooptijd dan een jaar heeft.
Het is van belang dat bij de levering van de relevante vermogensbestanddelen (bedrijfsgebouwen, bedrijfsmiddelen en landbouwgrond), althans bij de afwikkeling van de koopovereenkomst, de meststoffen uit mestkelders en andere opslagen van de vestigingslocatie zijn verwijderd. Dat is van direct belang om te zorgen dat de stikstofemissie vanaf de vestiging geheel wordt beëindigd. Deze regeling betreft onder meer veehouderijvestingen waar melkvee, kippen, kalkoenen en varkens worden gehouden. Voor deze diercategorieën geldt op grond van de Meststoffenwet een productierechtenstelsel: deze dieren kunnen slechts worden gehouden voor zover de veehouder voor die dieren over productierecht (in de vorm van fosfaatrecht, pluimveerecht of varkensrecht) beschikt; het productierecht kan slechts worden verkregen van een andere veehouder en het totale productierecht ligt per sector vast. Het productierecht van een veehouder is geregistreerd door de RVO. Bij een aankoop in het kader van deze regeling moet dit productierecht komen te vervallen. Op die wijze wordt de productiecapaciteit definitief uit de markt genomen en wordt bewerkstelligd dat de emissie van de gehele sector van stikstof en andere milieubelastende stoffen wordt verminderd. Dat is wenselijk vanuit de bredere optiek van het mestbeleid en met het oog op een maximaal effect van de aankopen.
Voor het vervallen van het productierecht dient de veehouder een verzoek te doen aan de RVO. Productierecht wordt geregistreerd per onderneming en dus niet per vestiging. In verband hiermee moet voor een veehouder die meer dan één vestiging heeft, worden bepaald welk deel van het productierecht voor zijn veehouderij betrekking heeft op de te sluiten vestiging, gelet op de aantallen dieren die in de onderscheidenlijke vestigingen worden gehouden. Hiervoor (paragraaf 5.1) is reeds aangeduid dat productierecht soms slechts tijdelijk op naam van een veehouder is geregistreerd. Dergelijk geleased productierecht valt niet onder de verplichting om het productierecht voor de veehouderijvestiging te laten vervallen. Gelet op de voorwaarde dat een veehouderij slechts voor aankoop in aanmerking komt als de veehouder ten minste 80% van het productierecht in eigendom heeft, zal bij de aankoop van een veehouderijvestiging steeds ten minste 80% van het productierecht voor die vestiging moeten vervallen. Een veehouder beschikt voor zijn veehouderij over een omgevingsrechtelijke toestemming in de vorm van een vergunning (omgevingsvergunning beperkte milieutoets of omgevingsvergunning milieu) of melding en, in voorkomend geval, over een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.
In beginsel moet hij in het kader van de bedrijfsbeëindiging het bevoegd gezag (meestal de gemeente, soms de provincie) verzoeken om deze vergunningen in te trekken. Onder omstandigheden kan worden volstaan met een aanpassing waarin tot uitdrukking komt dat op de locatie niet langer veehouderijactiviteiten kunnen worden verricht en met vermelding welke activiteiten nog wel zijn toegestaan. De oude en zo nodig de nieuwe vergunning(en) en een op hexagoonniveau gemaakte verschilberekening gebaseerd op de vergunde gerealiseerde depositieruimte, worden door de provincie ter beschikking gesteld aan de RVO ter bepaling van de stikstofeffecten (zie artikel 11, tweede lid, Rpav).
Sloop Uitgangspunt voor de aankopen is dat de aangekochte bedrijfsgebouwen worden gesloopt tenzij deze voor een nieuwe bestemming kunnen worden gebruikt. Leegstand van agrarische gebouwen is een groeiend probleem in de buitengebieden. Het aantal agrarische ondernemers neemt al decennia gestaag af, waardoor op steeds meer locaties sprake is van stallen en andere agrarische bouwwerken die leeg staan en in verval raken of dreigen te raken. Gevolg is verrommeling van het platteland, risico op ondermijning (criminele activiteiten) en een afnemende waardering van burgers voor het (agrarisch) buitengebied. Om te voorkomen dat de aankopen bijdragen aan dit proces van verrommeling van het platteland en als extra zekerheid voor de duurzame beëindiging van de veehouderijactiviteiten op de betreffende locatie, ligt het in de rede dat de aangekochte bedrijfsgebouwen worden gesloopt tenzij ze een duurzame herbestemming krijgen. Het is denkbaar dat er ook andere, niet voorziene omstandigheden zijn die een provincie in zijn rol als gebiedsregisseur reden geven om sloop (voorshands) achterwege te laten. Daarom is in deze regeling niet een verplichting tot de sloop van aangekochte bedrijfsgebouwen opgenomen maar wordt het overgelaten aan provincies om in het
17
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
kader van het gebiedsgerichte proces, in samenspraak met de desbetreffende gemeente, hierover keuzes te maken.
Wijziging bestemmingsplan Verder is het van belang dat in het gemeentelijke bestemmingsplan wordt vastgelegd dat de vestigingslocatie niet langer kan worden gebruikt voor enige vorm van veehouderij. Daarom is in de regeling vereist dat het bestemmingsplan in deze zin wordt aangepast. In de praktijk kan de procedure om te komen tot een bestemmingsplanwijziging enkele jaren in beslag nemen. Het zou bezwaarlijk zijn als de verantwoording over en vaststelling van de uitkering eerst na deze planologische aanpassing zou kunnen plaatsvinden, omdat dan al die tijd onduidelijkheid zou bestaan over het definitieve karakter van de uitkering en gelet op de uitvoeringslasten. Daarom is het niet noodzakelijk dat het bestemmingsplan ten tijde van de verantwoording daadwerkelijk is gewijzigd maar is het voldoende dat een provincie de nodige stappen heeft gezet om die bestemmingswijziging te laten realiseren door de desbetreffende gemeente. Daarbij is uitgangspunt dat hierover vooraf tussen provincie en gemeente afstemming heeft plaatsgevonden, gelet op de rollen die elk heeft bij het faciliteren van de aankoop en de beoogde verdere ontwikkeling en met het oog op een voorspoedig doorlopen van de wijzigingsprocedure. Bij de bestemmingswijziging is van belang welke ruimte er is voor nieuwe activiteiten die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof.
De aankopen zijn primair bedoeld voor de vermindering van stikstofdepositie op kwetsbare natuurgebieden, in het kader van herstel of behoud, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op de aankoop van grond die behoort bij de vestigingslocatie. Vooral bij de aankoop van grond is van belang onder welke voorwaarden het betreffende perceel nadien gebruikt kan gaan worden. Zoals hiervoor reeds aan de orde was, bepaalt dit immers de mate waarin de stikstofdepositie vanaf dat perceel op het natuurgebied wordt verminderd en de hoogte van de restwaarde. Bij onveranderde functie zal de aankoopsom van de grond en de restwaarde in beginsel hetzelfde zijn, bij overgang van weidegrond naar natuur is er een aanmerkelijke waardevermindering en tevens stikstofdepositievermindering. Gegeven het feit dat wijziging van een bestemmingsplan geruime tijd vergt, is het van belang dat zo spoedig mogelijk wordt vastgelegd welke gebruiksmogelijkheden gelden voor het betreffende perceel. Daarmee wordt ook bevorderd dat voorafgaand aan de aankoop de nodige stappen worden gezet voor de toekomstige bestemming van dat perceel. Dat voorkomt dat bijv. een voornemen ten tijde van de aankoop dat het perceel alleen nog gebruikt kan worden voor natuur-inclusieve landbouw, later niet gerealiseerd kan worden.
In verband hiermee is in de regeling bepaald dat die gebruiksvoorwaarden binnen een half jaar na het sluiten van de koopovereenkomst contractueel worden vastgelegd. Te denken valt aan het opnemen van een dergelijke clausule in de overeenkomst waarmee de grond wordt verpacht of verkocht. Indien bij de aankoop is voorzien dat het aangekochte perceel meteen zal worden doorverkocht aan een andere veehouder om op die wijze een grondruil te kunnen realiseren, gelden de hier beschreven voorwaarden voor de grond waarover de provincie in tweede instantie de beschikking krijgt.
Geen hervestiging Deze maatregel gerichte opkoop is gericht op de vermindering van stikstofdepositie op natuurgebieden. Ook al gaat het primair om de verbetering van de kwaliteit van het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, het is onwenselijk dat een veehouder die zijn bedrijf aan de provincie heeft verkocht op een andere locatie opnieuw als veehouder begint. Dan zou de uitstoot van stikstof en andere milieubelastende stoffen op een andere plaats opnieuw kunnen ontstaan. Dat zou haaks staan op de beleidsinspanningen om de stikstofuitstoot blijvend omlaag te brengen en de opbrengst van de opkopen in termen van verminderde depositie op stikstofgevoelige natuur blijvend te borgen. Om die reden wordt als voorwaarde gesteld dat een veehouder wiens vestiging in het kader van deze regeling door de provincie is gekocht, zich niet elders opnieuw kan vestigen. In de regeling is met het oog hierop bepaald dat de koopovereenkomst een desbetreffende clausule bevat.
5.5 Doelmatigheidscriteria Zoals aangeduid in paragraaf 2 is het doel van het gericht opkopen van veehouderijlocaties met een hoge stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden om een structurele reductie van stikstofemissies te realiseren en daarmee een bijdrage te leveren aan een duurzame staat van instandhouding van stikstofgevoelige natuur. Om met de beschikbare middelen zoveel mogelijk reductie van stikstofdepositie te bewerkstelligen is het van belang dat de aankopen kosteneffectief worden gedaan, dus met inachtneming van de verhouding tussen de kosten van aankoop en de baten in termen van de (vermindering van de) stikstofdepositie en met een controle op feitelijk gebruik van de vergunde ruimte in het afgelopen jaar. In verband hiermee gelden doelmatigheidscriteria. Er wordt niet volstaan met één criterium voor kosteneffectiviteit omdat het veel uitmaakt of een veehouderij met of zonder productierecht wordt aangekocht en of bij de aankoop al dan niet bij de
18
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
veehouderijvestiging behorende landbouwgrond wordt aangekocht. Het gaat namelijk om onvergelijkbare grootheden: de financiering van (het laten vervallen van) productierecht levert substantiële extra kosten op; grond is relatief duur maar de restwaarde kan aanzienlijk zijn. Indien zou worden volstaan met één criterium zou dit zijn doel voorbij schieten. Bijgevolg zijn criteria ontwikkeld voor aankopen van onderscheidenlijk veehouderijvestigingen (uitgezonderd grond) met productierecht, veehouderijvestigingen (uitgezonderd grond) zonder productierecht en van landbouwgrond die bij een aangekochte veehouderijvestiging behoort. De hiervoor bedoelde criteria gelden voor een bepaalde soort aankopen en worden toegepast op het totaal van de soortgelijke aankopen door een provincie met behulp van deze regeling. Zodoende kan een provincie aankopen qua kosteneffectiviteit met elkaar compenseren. De kosteneffectiviteit betreft dus het totaal van de relevante kosten in verband met de aankopen gedeeld door het totaal van de berekende stikstofdeposities op het natuurgebied vanaf de gekochte vestigingen dan wel landbouwgronden en wordt uitgedrukt in euro’s per mol stikstof per hectare per jaar.
De totale stikstofdepositie wordt bepaald door per aankoop voor de veehouderijvestiging en eventueel landbouwgrond de feitelijke stikstofdepositie te bepalen (op grond van de feitelijk gehouden dieren), met gebruikmaking van de Aankoop-Calculator (zie paragraaf 4, dus uitgaand van het gemiddelde van de maatgevende hectares), en vervolgens deze deposities op te tellen. Het totaal van de kosten bestaat uit de middelen die door de provincie worden ingezet ter financiering van de aankopen, hetzij uit de uitkering, hetzij uit eigen middelen, met dien verstande dat de proceskosten buiten beschouwing blijven. Het betreft dus de kosten die voor de onderscheidenlijke aankopen door de provincie gemaakt worden, met inbegrip van kosten om het productierecht te laten vervallen en kosten voor sloop. Zoals reeds vermeld in paragraaf 4 kunnen vooraf de aankoopkosten voor een veehouderijvestiging worden geraamd met de Aankoop-Calculator en in combinatie met de berekende stikstofdepositie geeft de calculator dan aan of de voorgenomen aankoop naar verwachting zal voldoen aan het desbetreffende doelmatigheidscriterium.
Voor het bepalen van de kosteneffectiviteitscriteria voor de aankoop van veehouderijvestigingen heeft het RIVM de depositie per veehouderijvestiging berekend op basis van gegevens uit GIABplus (Geografisch Informatiesysteem Agrarische Bedrijven, uitgebreid met informatie per hoofd- en nevenvestiging, Wageningen University & Research) en de aankoopkosten per veehouderij op basis van gegevens van KWIN-Veehouderij en van de Minister van LNV. Dit bood inzicht in de variatie in de kosteneffectiviteit per potentiële aankoop. Op basis van deze informatie is voor veehouderijvestigingen (uitgezonderd grond) met productierecht het criterium voor kosteneffectiviteit bepaald op ten hoogste € 1.000.000 per mol stikstof per hectare per jaar. De analyse van het RIVM toont dat 80 procent van de relevante veehouderijvestigingen (dat wil zeggen de vestigingen die voldoen aan het vereiste van de drempelwaarde voor stikstofdepositie en die dus in elk geval zijn gelegen binnen 10 kilometer van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied) binnen deze norm valt. Een aankoop waarvan de kosteneffectiviteit ongunstiger is – dus meer dan € 1.000.000 per mol stikstof per hectare per jaar –, kan door de provincie worden gecompenseerd met aankopen die onder hetzelfde criterium vallen en die qua kosteneffectiviteit juist gunstiger zijn.
Voor veehouderijvestigingen (uitgezonderd grond) zonder productierecht is het criterium ten opzichte van de oorspronkelijke Rpav aangepast naar een plafondwaarde voor kosteneffectiviteit van ten hoogste € 250.000 per mol stikstof per jaar. Hoewel de analyse van het RIVM liet zien dat 50 procent van de relevante veehouderijvestigingen (dat wil zeggen die voldoen aan het vereiste van de drempelwaarde voor stikstofdepositie en die dus in elk geval zijn gelegen binnen 10 kilometer van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied) naar verwachting opgekocht zou kunnen worden bij toepassing van de eerder gekozen plafondwaarde van € 125.000 per mol stikstof per hectare per jaar, hebben provincies in het kader van het voortgangsoverleg over de uitvoering van de Rpav laten weten dat met die plafondwaarde geen kalverhouderijen opgekocht kunnen worden. Op basis van aanvullende informatie van het Kadaster over transacties van kalverhouderijen in de periode 2018–2020, waarbij familietransacties niet zijn meegenomen, en op basis van eerdere uitgangspunten die zijn gehanteerd bij het vormgeven van de regeling, is de plafondwaarde verhoogd naar € 250.000 per mol stikstof per hectare per jaar. Ook dit criterium geldt voor het totaal van de aankopen die onder hetzelfde criterium vallen, onderlinge compensatie is dus mogelijk.
Ten slotte is een kosteneffectiviteitscriterium bepaald voor landbouwgrond die behoort bij een veehouderijvestiging die in het kader van deze regeling is aangekocht. Hiertoe heeft het RIVM modelmatig, met gebruikmaking van de mestverdelingsmodule INITIATOR (Ruimtelijke allocatie van mesttoediening en ammoniakemissie, Wageningen University & Research), berekend wat de omvang is van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissie van de relevante grondpercelen. Het betreft de percelen landbouwgrond die behoren bij relevante veehouderijvestigingen (dat wil zeggen de vestigingen die voldoen aan het vereiste van de drempelwaarde voor stikstofdepositie en die dus in elk geval zijn gelegen binnen 10 kilometer van een stikstofgevoelig Natura-2000 gebied). Voor de component van de kosten voor de aankoop van deze grond is een analyse gemaakt met behulp van AERIUS-berekeningen in combinatie met gegevens over agrarische grondprijzen van de WUR (Wageningen University & Research). Op basis van deze informatie is het criterium bepaald op een kosteneffectiviteit van ten hoogste € 10.000.000 per mol stikstof per hectare per jaar. De analyse van het RIVM toont dat 77 procent van de relevante veehoude-
19
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
rijvestigingen (dat wil zeggen de vestigingen die voldoen aan het vereiste van de drempelwaarde voor stikstofdepositie en die dus in elk geval zijn gelegen binnen 10 kilometer van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied) percelen hebben die voldoen aan dit criterium. Ook hier is relevant dat het criterium betrekking heeft op het totaal van de aankopen die onder hetzelfde criterium vallen en dat dus onderlinge compensatie mogelijk is. Zoals naar voren gebracht in paragraaf 2 heeft deze regeling naast het hoofddoel om de kwaliteit van natuur te verbeteren ook nevendoelen, zoals het creëren van schuifruimte in het gebiedsproces. Dit blijft buiten beschouwing in het kader van de toetsing op de doelmatigheid van de besteding van de uitkeringen. Dat neemt niet weg dat de mate waarin nevendoelen worden bereikt, relevant is voor de evaluatie van de regeling, waarop in paragraaf 3.4 reeds is ingegaan.
5.6. Aanwendingsperiode Beoogd wordt dat deze regeling zo spoedig mogelijk resultaat heeft. Dit vergt een actieve opstelling van de provincies bij de uitvoering van deze regeling, temeer daar het traject van selectie en aankoop van een veehouderij in veel gevallen niet eenvoudig zal zijn. Het vergt tijd voor de veehouder om de stap te zetten om zijn veehouderijvestiging te sluiten. Voor het sluiten van de koopovereenkomst is van belang dat er helderheid komt over de bestemming van de locatie en van eventueel aangekochte grond na de aankoop. Rekening houdend met de doorlooptijd van aankooptrajecten mag worden verwacht dat de koopovereenkomsten binnen enige tijd na de inwerkingtreding van deze regeling kunnen worden afgesloten. In verband hiermee is een desbetreffende voorwaarde in de regeling opgenomen waarbij de eindtermijn waarop de koopovereenkomsten moeten zijn afgesloten is gesteld op 4 september 2022. Voor de totale doorlooptijd totdat de aankoop wordt voltooid en de stikstofemissie vanaf de aangekochte veehouderijvestiging en eventueel bijbehorende landbouwgrond wordt beëindigd c.q. verminderd, is verder de termijn van belang waarbinnen de veehouderijactiviteiten moeten worden beëindigd. In paragraaf 5.4 is hier op ingegaan.
6. Uitvoeringsaspecten 6.1 Budgetverdeling Zoals aangeduid in paragraaf 3, onder c, worden de specifieke uitkeringen op aanvraag verstrekt. Zoals vermeld in paragraaf 5.2 wordt de uitkering uit het extra budget van € 133,3 miljoen in één deel verstrekt volgens de verdeelsleutel opgenomen in bijlage 2 Rpav. De omvang en de verdeling van dat budget is gebaseerd op de in het kader van de provinciale gebiedsprocessen getoonde belangstelling van ondernemers voor deelname aan de Rpav. Provincies verwachten dat deze extra middelen kunnen worden aangewend in het kader van de eerste tranche van de maatregel gerichte opkoop.
6.2 Verantwoording en vaststelling Overeenkomstig de Financiële-verhoudingswet geldt voor het afleggen van verantwoording over de besteding van specifieke uitkeringen een afzonderlijk regime. De overheid die het aangaat moet bij de jaarrekening een bijlage voegen waarin verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen wordt verstrekt op basis van indicatoren. Vervolgens is het aan de desbetreffende vakminister om de specifieke uitkering vast te stellen met inachtneming van de verantwoordingsinformatie. In dit geval dient de verantwoordingsinformatie betrekking te hebben op voorwaarden die de regeling bevat voor de aanwending van de specifieke uitkering voor aankopen van veehouderijen. Zoals aangeduid in het algemene deel van de toelichting, verdient het de voorkeur dat de verantwoording plaatsvindt nadat de maatregelen in verband met de sluiting van de veehouderijvestiging zijn genomen en nadat de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Dat is dus na een periode van circa 12 tot 18 maanden na het sluiten van de koopovereenkomst. Ingevolge de verantwoordingsregels geldt in het algemeen dat verantwoording over activiteiten die zijn verricht in een bepaald jaar, moet plaatsvinden in het kader van het jaarverslag dat over dat jaar wordt opgesteld.
De informatie die concreet in het kader van de verantwoording verstrekt moet worden, wordt bepaald in de hiervoor bedoelde indicatoren, zoals bepaald door de Regeling informatieverstrekking sisa. Zo kan bijv. om aan te tonen dat bij een aankoop is voldaan aan het vereiste van de minimale stikstofdepositie (drempelwaarde), een kopie van een berekening van de stikstofdepositie van de veehouderijvestiging worden overgelegd. Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat aan de voorwaarden van de regeling is voldaan, zal de Minister van LNV de uitkering vaststellen overeenkomstig de verlening. In het andere geval zal navraag bij de provincie worden gedaan. Dan zijn verder de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht voor de vaststelling van subsidies van toepassing. Dat betekent onder meer dat zo nodig kan worden overgegaan tot terugvordering van verleende uitkeringen.
20
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
7. EU-recht Voor de verstrekking van specifieke uitkeringen op grond van deze regeling is het Europese recht vooraleerst van belang in verband met de doelstelling, het verminderen van stikstofdepositie op natuurgebieden. Met deze regeling geeft Nederland uitvoering aan de Habitatrichtlijn en zet het zich in voor de kwaliteit van habitats in Natura 2000-gebieden. In paragraaf 2 is hier reeds op ingegaan. Verder is van belang dat aankopen die op grond van deze regeling worden gedaan, binnen de kaders van het staatssteunrecht worden gedaan. Zoals toegelicht in paragraaf 3, onder b, kan onder omstandigheden worden beargumenteerd dat een aankoop op grond van deze regeling geen staatssteun vormt. Bepalend daarvoor is, kort samengevat, dat de aankoop vergelijkbaar is met een minnelijke verwerving die vooraf gaat aan onteigening. De noodzaak van de aankoop en het ontbreken van alternatieven zijn wezenlijke elementen die van geval tot geval beoordeeld moeten worden. Of een aankoop noodzakelijk is, kan mede worden afgeleid uit de bestemming die een veehouderijvestiging of de bijbehorende gronden na de aankoop krijgen.
8. Persoonsgegevens Bij het doen van aankopen door provincies van veehouderijvestigingen overeenkomstig deze regeling gelden onder meer voorwaarden die betrekking hebben op de desbetreffende veehouders. Dat impliceert dat provincies bij de aankopen persoonsgegevens verwerken in de zin van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG). Dit is het gevolg van het feit dat veehouders hun bedrijf veelal voeren in de vorm van een eenmansbedrijf, een maatschap of een vennootschap onder firma. Gegevens over een dergelijk bedrijf kunnen te herleiden zijn tot de natuurlijke persoon die het bedrijf voert. Bij het selecteren van kandidaten voor aankoop en het komen tot een aankoop en de afwikkeling daarvan worden bijgevolg persoonsgegevens verwerkt. Het is dus van belang dat de provincies er zorg voor dragen dat deze gegevensverwerking voldoet aan de wettelijke vereisten van in het bijzonder de AVG. Niet alleen de provincies, ook het Rijk heeft een betrokkenheid bij de uitvoering van deze regeling. Dat vloeit ten eerste voort uit het feit dat één van de voorwaarden voor de besteding van de uitkering betrekking heeft op het vervallen van productierecht waarover de veehouder op grond van de Meststoffenwet moet beschikken voor het houden van (bepaalde) dieren.
De RVO beheert de registratie van productierecht en bijgevolg is medewerking van de RVO benodigd opdat provincies kunnen vaststellen dat is voldaan aan de voorwaarde inzake het productierecht. Ten tweede is van belang dat de RVO als uitvoerende organisatie de taak heeft na afloop de specifieke uitkering vast te stellen, mede aan de hand van de door de provincie door tussenkomst van BZK beschikbaar gestelde verantwoordingsinformatie. Ook in dat kader is mogelijk sprake van gegevensverwerking. Hieronder wordt ingegaan op beide aspecten van de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze regeling door de RVO. Het is wenselijk dat er voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst duidelijkheid is over de omvang van het productierecht dat moet komen te vervallen, opdat dit in de overeenkomst kan worden vastgelegd. Het is aan de provincie om hierover duidelijkheid te verkrijgen, in eerste instantie bij de veehouder maar zo nodig bij de RVO. Ook denkbaar is dat de veehouder van de RVO een schriftelijke bevestiging krijgt van de omvang van het productierecht dat dient te vervallen, gelet op de voorwaarden van de regeling.
Onder omstandigheden kan het noodzakelijk zijn dat de RVO bij de beoordeling of de opgave van de veehouder omtrent het te vervallen productierecht correct is, gebruik maakt van gegevens waarover zij beschikt in het kader van de uitvoering van de Wet dieren, de mestwetgeving en de landbouwtelling (op basis van de Landbouwwet). Dit is in het bijzonder aan de orde als een veehouderij meer dan één vestiging heeft. Dan moet worden bepaald welk deel van het productierecht waarover de onderneming beschikt, moet worden toegerekend aan de vestiging waarop de koopovereenkomst betrekking heeft. In verband hiermee bevat artikel 11, eerste lid, een grondslag voor de verstrekking van de benodigde gegevens door de RVO aan de provincie die het aangaat. Bij de vaststelling van de specifieke uitkering beoordeelt de RVO of is voldaan aan de voorwaarden voor de besteding van de uitkering. Die voorwaarden betreffen de veehouder voor zover het gaat om het daadwerkelijke beëindigen van de bedrijfsvoering, het laten vervallen van productierecht, het laten intrekken van omgevingsrechtelijke en natuurbeschermingsvergunningen en het aangaan van verplichtingen met het oog op een blijvende reductie van stikstofdepositie.
Voor zover de verantwoordingsinformatie die door de provincie via BZK aan de RVO wordt verstrekt, persoonsgegevens bevat, gebeurt dit op basis van de verantwoordingsplicht van de provincie conform deze regeling en is dit noodzakelijk voor de RVO om de specifieke uitkering te kunnen vaststellen. Bij de vaststelling kan de RVO voor de beoordeling van de juistheid van verstrekte gegevens gebruik maken van gegevens waarover zij beschikt op grond van de Wet dieren, de mestwetgeving en de landbouwtelling. Artikel 12, derde lid, van de regeling expliciteert dit met zoveel woorden.
21
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
De verwerkingen van persoonsgegevens die plaatsvinden in het kader van deze regeling, zijn noodzakelijk voor een goede uitvoering van deze regeling en dragen bij aan een doelmatige besteding van middelen. Daarbij zijn de gegevensverwerkingen proportioneel. Bij de opstelling van de regeling is een zodanige aanpak gekozen dat alleen bepaalde gegevens worden verwerkt als dat wezenlijk is voor het doel van de verwerking en als er niet een minder belastend alternatief is. Het gaat in het bijzonder om het verifiëren van de juistheid van de desbetreffende gegevens zonder dat dit leidt tot grote administratieve lasten voor betrokkene. Gezien al het voorgaande wordt ingeschat dat de gegevensverwerkingen op grond van deze regeling slechts beperkte risico’s voor de betrokken veehouders oplevert. Hierbij is ook relevant dat zij zelf de keuze maken om hun vestiging aan een provincie te verkopen, met inbegrip van de desbetreffende voorwaarden, en zij zullen hoe dan ook derden kenbaar moeten maken dat zij de betreffende veehouderijlocatie gaan sluiten.
9. Uitvoeringsaspecten Deze regeling betreft de verstrekking van specifieke uitkeringen door de Minister van LNV aan provincies. Deze regeling heeft bijgevolg geen (directe) gevolgen voor de regeldruk voor ondernemingen. Een concept van de oorspronkelijke Rpav (zie paragraaf 1) is met het oog op een beoordeling van de uitvoerbaarheid voorgelegd aan de provincies en aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Dit heeft geleid tot een reeks van opmerkingen waarmee zoveel mogelijk rekening is gehouden bij het opstellen van de definitieve versie van de oorspronkelijke Rpav en deze toelichting. Hieronder worden de opmerkingen op hoofdlijnen samengevat en voorzien van een reactie. Deze tekst is ongewijzigd overgenomen uit de toelichting bij de oorspronkelijke Rpav, met uitzondering van de voetnoot over de definitie van landbouwgrond onder het kopje Subsidiabele kosten.
Complexiteit, communicatie en wijze van uitvoering Diverse respondenten waren van oordeel dat de regeling complexe elementen bevat en dat het van belang is dat goed wordt gecommuniceerd over de regeling. LNV deelt dit standpunt. Zoals ook door respondenten is ingebracht is goede communicatie over de regeling en afstemming over en tijdens de uitvoering noodzakelijk. Het aspect van intrekking of aanpassing van vergunningen en de wijziging van het bestemmingsplan vergt betrokkenheid van de gemeenten. Het is dus zaak dat een provincie de desbetreffende gemeente tijdig betrekt bij een voornemen tot aankoop opdat dergelijke aspecten vooraf kunnen worden beoordeeld en afgestemd.
Positionering van provincies Sommige respondenten brachten naar voren dat de regeling op onderdelen onvoldoende duidelijk maakt op welke wijze de provincies de aankopen moeten vormgeven. Zoals aangeduid in paragraaf 3.1 beoogt de regeling provincies de nodige armslag te geven om te komen tot een uitvoering van de gerichte opkoop die doeltreffend en doelmatig is vanuit het perspectief van het beleid tot reductie van stikstofdepositie op natuurgebieden en die tevens past in het gebiedsgerichte beleid van de provincie. Om die reden wordt in de regeling primair volstaan met een aanduiding van de relevante sectoren (diercategorieën) en van de minimale stikstofdepositie vanaf de veehouderijvestiging. Het is aan de provincie om na te gaan met welke veehouderijbedrijven het gesprek over aankoop wordt aangegaan, rekening houdend met in elk geval de verdere vereisten van de regeling die immers een beoordeling vergen van geval tot geval. Dat betreft onder meer het opereren binnen de staatssteunkaders (d.w.z. het zodanig vormgeven van de aankoop dat niet kan worden gesproken van staatssteun) en het perspectief van een vlotte afwikkeling van de aankoop. Als bijv. een veehouder betrokken is in juridische procedures over de naleving van veehouderijvoorschriften, kan dat een complicerende factor zijn. En ook moet er perspectief zijn op de beoogde wijziging van het bestemmingsplan.
Omdat de bevoegdheid daarvoor i.h.a. niet bij de provincie maar bij de gemeente ligt, vergt dat regie van de provincie. Ook is in het kader van de doelmatigheid relevant of de veehouder reeds heeft besloten om te stoppen, al dan niet met gebruikmaking van overheidsmiddelen. Alsdan is er geen reden zijn veehouderij via deze regeling op te kopen. Het is aan de provincies om na te gaan in hoeverre deelname aan deze regeling kan worden gecombineerd met die aan een andere regeling. Als bijv. op grond van een rood-voor-rood-regeling een sloopsubsidie wordt verstrekt, zullen de sloopkosten in elk geval geen deel van de aankoopprijs kunnen uitmaken.
Normen stikstofdepositie Blijkens de inbreng van respondenten riep de normstelling inzake stikstofdepositie in de artikelen 3 en 7, betreffende respectievelijk de drempelwaarde en de doelmatigheidsnormen, vragen op. Naar aanleiding hiervan is deze normstelling in de regeling en de toelichting verduidelijkt.
22
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
Voorwaarden inzake productierecht Verder hebben respondenten opmerkingen gemaakt over de voorwaarden inzake het productierecht. Voor bepaalde diercategorieën moet een veehouder op grond van de Meststoffenwet beschikken over productierecht. De RVO beheert de registratie hiervan en houdt primair toezicht op de naleving van de regels terzake. Uit die registratie, de landbouwtelling en onderzoek door de provincieambtenaar kan worden opgemaakt of sprake is van een ‘onbeperkt productierecht’ (in eigendom) of een productierecht dat slechts tijdelijk op naam van het betreffende bedrijf staat (lease). Dit onderscheid is hiervoor reeds aangeduid in paragraaf 5.1. De RVO is ook de instantie die op verzoek van een veehouderij productierecht doet vervallen. Het voorgaande impliceert dat betreffende de voorwaarden over het productierecht de provincie zich moet baseren op informatie van de RVO (al dan niet door toedoen van de veehouderij beschikbaar gesteld). In paragraaf 8 wordt dit laatste nader toegelicht.
Subsidiabele kosten Verscheidene respondenten hebben opmerkingen gemaakt over diverse aspecten van de subsidiabele kosten, zoals aangeduid in artikel 5. Naar aanleiding hiervan is de regeling op onderdelen aangepast. Ten eerste is het criterium van de actuele economische waarde (artikel 5, vierde lid) vervangen door ‘marktwaarde’. Gelet op het feit dat een bedrijfswoning niet (alleen) voor de bedrijfswoning wordt gebruikt, is in de definitie van bedrijfsgebouwen de bedrijfswoning uitgezonderd. Tevens is een definitie van landbouwgrond toegevoegd waarin het erf van de veehouderijvestiging is uitgezonderd.9 Naar aanleiding van opmerkingen dat het niet gebruikelijk is om bedrijfsmiddelen aan te kopen kan worden opgemerkt dat het aan de provincies wordt overgelaten om met inachtneming van hun reguliere aankoopbeleid bedrijfsmiddelen al dan niet buiten beschouwing te laten. Kern van de zaak is dat de activiteiten van de veehouderij op de te sluiten vestiging definitief worden beëindigd. Er wordt niet meegegaan in de suggestie om het ook mogelijk te maken voor saneringskosten een vergoeding te verstrekken uit de uitkering. Voorshands lijkt het niet om een vast element van aankopen te gaan. Uiteraard kan de evaluatie aanleiding geven om bij een volgende tranche een andere keuze te maken.
Grondruil Er is door respondenten op gewezen dat de voorziening in de regeling voor grondruil in de praktijk lastig uitvoerbaar is, gelet op het feit dat de grondruil veelal pas veel later plaatsvindt en dus niet binnen zes maanden na het sluiten van de koopovereenkomst. Naar aanleiding hiervan is de regeling aangepast met inachtneming van het uitgangspunt van een tijdige afwikkeling van de specifieke uitkering, zoals aangeduid in paragraaf 3.3. Een grondruil kan alleen worden meegenomen in het kader van de (verantwoording/vaststelling van de) uitkering als die uiterlijk ten tijde van de verantwoording is geformaliseerd. Dit staat niet in de weg aan een grondruil op een later tijdstip, zij het dat dan voor de uitkering wordt uitgegaan van de grond die van de veehouder is gekocht.
Bestedingstermijn De bepaling in de regeling dat de overeenkomsten voor de eerste aankopen binnen een jaar na de inwerkingtreding van de regeling moeten worden gesloten, riep kritische opmerkingen inzake de uitvoerbaarheid op bij respondenten. In verband hiermee is deze bepaling zo aangepast dat voor alle aankopen een termijn geldt van 18 maanden.
Restwaarde Er waren van de kant van de respondenten diverse vragen en opmerkingen over de aanpak in de regeling ten aanzien van restwaarde. Het begrip restwaarde is opgenomen in de regeling omdat de aankoop van veehouderijen nu eenmaal kan leiden tot bezit van de provincies, dus tot vermogensvorming. Het ligt in de rede dat het budget voor de gerichte opkoop geheel kan worden besteed aan de verlaging van stikstofdepositie en dat dus alleen de netto-kosten van de aankopen uit de uitkering worden gefinancierd en dus niet de vermogensvorming bij de provincies. Gelet op de afspraak dat de eerste aankopen (A-aankopen) in eerste instantie geheel uit de uitkering gefinancierd kunnen worden, is voor die aankopen voorzien in een verrekening van de vermogensvorming ten tijde van de verantwoording. Voor de latere aankopen (B-aankopen) wordt ten tijde van de aankoop reeds de restwaarde via taxatie bepaald en dat deel van het aankoopbedrag komt reeds dan voor rekening van de provincie.
9
23
In de nieuwe Rpav is alleen de grond onder en rond de bedrijfswoning uitgezonderd van het begrip landbouwgrond.
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
II ARTIKELEN Artikel 1 Begripsbepalingen Eerste lid Aankoop De aankoop van veehouderijen, bedoeld in artikel 3, hoeft niet steeds betrekking te hebben op alle onderdelen van de veehouderijvestiging, zoals aangeduid in paragraaf 5.3 van het algemene deel van de toelichting. Voor overdracht komen alleen bedrijfsmiddelen, bedrijfsgebouwen en landbouwgrond in aanmerking. Productierecht moet komen te vervallen en wordt dus niet overgedragen aan de provincie.
Aankoop-Calculator Voor een toelichting van dit begrip wordt verwezen naar paragraaf 4 van het algemene deel van de toelichting.
Bedrijfsgebouwen Als bedrijfsgebouwen zijn omschreven gebouwen en bouwwerken die deel uitmaken van een veehouderij. Te denken valt vooral aan stallen (dierenverblijven, dus overdekte ruimtes waar dieren worden gehouden) en voer- en mestopslagen. Omdat een bedrijfswoning niet (alleen) voor de veehouderij wordt gebruikt en veelal ook na de aankoop door de veehouder gebruikt zal blijven worden, is deze uitgezonderd van het begrip.
Grondruil In veel gevallen zal aangekochte landbouwgrond nadien door de provincie worden verkocht. Als de provincie grond aankoopt om die binnen afzienbare tijd daarna te verkopen ter verkrijging van grond die elders is gelegen, kan men spreken van grondruil. In de begripsomschrijving is het begrip grondruil nader afgebakend. Ten eerste dient de doorverkoop uiterlijk ten tijde van de verantwoording plaats te vinden. Verder moet de grondruil dienen ter verwerving van grond met een landbouwbestemming die is gelegen in de nabijheid van het natuurgebied met het oog waarop de veehouderijvestiging is aangekocht. Tenslotte is alleen sprake van grondruil in de zin van deze regeling voor zover het gaat om een ruil ‘met gesloten beurs’.
Landbouwgrond Het begrip landbouwgrond betreft alleen grond met een landbouwbestemming die voor de veehouderijvestiging wordt gebruikt, zoals weidegebied of percelen waarop veevoer wordt geproduceerd ten behoeve van de vestiging. Uitgezonderd is de grond onder en rond de bedrijfswoning. Dit is een wijziging ten opzichte van de oorspronkelijke Rpav, zie paragraaf 1c.
Omgevingsrechtelijke melding en vergunning De vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betreft de zogenaamde omgevingsvergunning beperkte milieutoets. De vergunning verleend krachtens artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, betreft de omgevingsvergunning milieu. Ten opzichte van de oorspronkelijke Rpav is de omschrijving van omgevingsrechtelijke melding en vergunning aangevuld vanwege de toekomstige Omgevingswet. De omschrijving verwijst voor het begrip ‘melding’ naar artikel 4.808 van het toekomstige Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het gaat daar om een melding voor ‘het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf’. Een landbouwhuisdier wordt in het Bal omschreven als een ‘zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of een paard of pony voor het fokken’, een dierenverblijf als een ‘gebouw, met inbegrip van de verharde uitloop, voor het houden van landbouwhuisdieren of een ander bouwwerk voor het houden van pelsdieren’.
Proceskosten Proceskosten zijn indirecte kosten omdat zij niet zelf direct de aankoopsom betreffen of de sloop van bedrijfsgebouwen. Het betreft operationele kosten voor de uitvoering van de maatregel. Omdat bij de aanduiding van de subsidiabele kosten in artikel 5, eerste lid, misverstand kan ontstaan of de proceskosten die worden gemaakt in verband met de in deze bepaling vermelde vermogensbestand-
24
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
delen, ook uit de uitkering kunnen worden gedekt, zijn de proceskosten in die bepaling uitdrukkelijk uitgezonderd.
Productierecht Uit de genoemde bepaling van de Meststoffenwet vloeit voort dat productierecht kan bestaan uit fosfaatrecht (voor het houden van melkvee), pluimveerecht (voor het houden van kippen en kalkoenen) of varkensrecht (voor het houden van varkens).
Restwaarde en vermogensvorming De restwaarde van een aangekocht vermogensbestanddeel is de waarde ervan na uitvoering van de in artikel 6 bedoelde maatregelen. Als bijv. vast staat dat een stal gesloopt zal moeten worden, heeft deze een restwaarde van nihil. Als grond wordt aangekocht om het daarna te laten gebruiken voor een vorm van extensieve veehouderij, leidt dit tot een waardedaling en zullen de gebruiksbeperkingen bepalend zijn voor de restwaarde van de grond. De restwaarde is van belang in het kader van de financiering van de aankoop, zoals bepaald in artikel 4. Bij voorfinanciering rijk dient uiterlijk ten tijde van de verantwoording te worden bepaald welke vermogensvorming voor de provincie heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de aankoop. Het betreft enerzijds opbrengsten en anderzijds de restwaarde zoals die alsdan wordt getaxeerd. Bij financiering provincie dient de restwaarde ten tijde van de aankoop, dus vooraf, te worden getaxeerd. In beide gevallen dient de taxatie door een onafhankelijke taxateur te worden uitgevoerd. Het begrip vermogensvorming is overgenomen van artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht. Hierin is bepaald dat een subsidieontvanger onder bepaalde voorwaarden een vergoeding is verschuldigd voor vermogensvorming ten gevolge van de subsidieverstrekking.
Dit algemene regime is niet zonder meer toepasbaar op de aankopen in het kader van deze regeling. Dat neemt niet weg dat de wijze waarop in deze regeling is voorzien in het verrekenen van vermogensvorming, zoveel mogelijk het algemene regime volgt.
Stikstofgevoelig Natura 2000-gebied In paragraaf 2 van het algemene deel van de toelichting is reeds een toelichting gegeven op dit begrip. Volledigheidshalve wordt hier onderstreept dat het bij stikstofgevoelige Natura 2000-gebied in de zin van deze regeling steeds gaat om Natura 2000-gebied dat stikstofgevoelig is én dat overbelast is qua stikstofdepositie. Ten opzichte van de oorspronkelijke Rpav is de omschrijving aangevuld met een verwijzing naar de toekomstige Omgevingswet.
Veehouderij met productierecht, veehouderij zonder productierecht In deze begripsbepalingen worden de relevante diersoorten met en zonder productierecht genoemd. Bij en krachtens de Meststoffenwet is bepaald of voor het houden van een diersoort of -categorie een productierecht wordt vereist. Dit vereiste geldt onder meer voor melkvee. Het betreft ingevolge artikel 1 Meststoffenwet rundvee dat wordt gehouden voor de productie van melk en ook jongvee dat bestemd is een kalf te krijgen, met inbegrip van jongvee in de vleesveehouderij. Gelet hierop heeft het begrip veehouderij zonder productierecht betrekking op rundvee voor zover het niet valt onder het begrip melkvee van de Meststoffenwet. Het betreft vleeskalveren en zoogkoeien.
Vestiging De gebruikte definitie van vestiging is afgeleid van de definitie van vestiging die wordt gebruikt in de Handelsregisterwet. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat dit begrip niet de landbouwgrond omvat die bij die vestiging hoort en ervoor wordt gebruikt (weidegrond of grond voor de productie van veevoer).
Tweede lid Zoals toegelicht in paragraaf 4 van het algemene deel van de toelichting, wordt de stikstofdepositie bepaald met behulp van de Aankoop-Calculator. De provincie dient hiernaast te toetsen of het gaat om Natura 2000-gebied dat niet alleen stikstofgevoelig is maar ook overbelast.
Artikel 2 Specifieke uitkering Met dit artikel wordt een algemene grondslag gegeven voor het verstrekken van eenmalige specifieke uitkeringen, gebaseerd op de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies en in overeenstemming met de Financiële-verhoudingswet.
25
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
Artikel 3 Veehouderijen Dit artikel bakent de doelgroep af, zowel qua diercategorieën als qua minimale depositie op stikstofgevoelig Natura 2000-gebied binnen een straal van 10 kilometer vanaf de op te kopen veehouderijvestiging (drempelwaarde). Zoals aangeduid in paragraaf 4 van het algemene deel van deze toelichting, wordt de stikstofdepositie uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar. Om in aanmerking te komen voor aankoop moet de stikstofberekening voor een veehouderijvestiging uitwijzen dat die vestiging in het afgelopen jaar een hogere stikstofdepositie op het relevante natuurgebied had dan 2 mol N/ha/jaar. De depositie wordt berekend vanaf de vestiging van de veehouderij, dus vanaf de plaats waar het vee in stallen wordt gehouden. In het algemene deel van deze toelichting is reeds ingegaan op de afbakening van de doelgroep qua diercategorieën. Het ligt in de rede dat een gemengd bedrijf met bijv. kippen en varkens of bijv. melkkoeien en vleeskalveren geheel wordt aangekocht. Bij een gemengd bedrijf met bijv. melkkoeien en schapen kan de provincie ook de gehele veehouderij aankopen, maar dan mag de uitkering niet worden aangewend voor vermogensbestanddelen die het houden van schapen betreffen.
Verder geldt een beperking inzake het productierecht: alleen veehouderijen van veehouders die voor ten minste 80% ‘eigenaar’ zijn van het voor hun vestiging benodigde productierecht, kunnen met gebruikmaking van deze regeling worden aangekocht. Dat geldt dus niet voor een veehouder wiens productierecht voor de te verkopen vestiging voor meer dan 20% bestaat uit geleased productierecht. En dat geldt al helemaal niet als blijkt dat de veehouder in vergelijking met het aantal dieren dat hij houdt, te weinig productierecht heeft. Meer in zijn algemeenheid geldt dat het aan de provincies is om doelmatig om te gaan met de uitkering. Het ligt bijv. niet in de rede om in het kader van deze regeling een veehouderij aan te kopen waarvan bekend is dat deze eerdaags zal sluiten, zodat de beoogde vermindering van stikstofemissie hoe dan ook zal plaatsvinden. Aankoop in het kader van deze regeling ligt daarentegen wel voor de hand als de desbetreffende veehouder zijn vestiging aan een andere veehouder wil verkopen.
Artikel 4 Financiering aankoop Dit artikel betreft de wijze waarop wordt omgegaan met de verrekening van de vermogensvorming, respectievelijk de restwaarde, al naar gelang of voor een aankoop deel A of deel B van de uitkering wordt aangewend. Dit onderscheid vloeit voort uit de aanpak waarin voor het eerste en het tweede deel van het budget voor deze regeling elk een afzonderlijk financieringsregime worden gehanteerd. In paragraaf 5.2 van het algemeen deel van de toelichting, en de toelichting bij de artikelen 1 en 9 wordt reeds op diverse aspecten van dit artikel ingegaan. In het eerste lid worden de twee financieringsregimes omschreven. Het eerste regime betreft voorfinanciering Rijk: in het kader van de verantwoording vindt verrekening plaats voor de vermogensvorming als gevolg van de aankoop, dat wil zeggen de provincie draagt een bedrag af aan de Minister van LNV ter hoogte van de vermogensvorming. Het tweede regime betreft financiering provincie: een deel van de aankoop ter hoogte van de vooraf geraamde restwaarde wordt (voor)gefinancierd uit middelen van de provincie. Verder wordt voor een aanduiding van deel A en deel B van de uitkering verwezen naar artikel 9 dat het subsidieplafond (budget voor de regeling) en de wijze van verdeling betreft.
In het tweede lid wordt bepaald dat voor de aankopen die met aanwending van deel A van de uitkering worden gedaan, voorfinanciering Rijk van toepassing is. Ingevolge het derde lid geldt voorfinanciering Rijk ook voor een aankoop die voor ten minste 50% uit deel A van de uitkering kan worden gefinancierd. Ingevolge het vierde lid geldt voor andere aankopen financiering provincie. Daarbij is nadrukkelijk bepaald dat aankopen met aanwending van het tweede deel van de uitkering alleen gedaan kunnen worden indien provinciale staten hiermee hebben ingestemd. Op die wijze wordt recht gedaan aan de provinciale organieke verhoudingen. In het vijfde lid wordt de mogelijkheid geboden voor provinciale staten om voor alle aankopen het regime financiering provincie toe te passen. Daarmee wordt de uitvoeringslast kleiner omdat dan de restwaarde vooraf wordt geraamd door een taxateur, in plaats van dat de vermogensvorming ten tijde van de verantwoording (opbrengsten en restwaarde) alsdan moet worden vastgesteld. Een dergelijk besluit heeft overigens alleen betrekking op nog te sluiten koopovereenkomsten. Zesde lid: voor de aankopen die worden gedaan uit het extra budget van € 133,3 miljoen geldt eveneens het regime financiering provincie (vergelijkbaar met deel B).
Artikel 5 Subsidiabele kosten In dit artikel is bepaald waarvoor de uitkering aangewend kan worden en onder welke voorwaarden. In aanvulling op de paragrafen 1c en 5.3 van het algemene deel van de toelichting kan hierover het volgende worden vermeld. In het eerste lid zijn de z.g. subsidiabele kosten opgesomd, te weten de kosten ter financiering waarvan de uitkering kan worden aangewend. Het betreft respectievelijk (het vervallen van) productierecht, bedrijfsmiddelen en bedrijfsgebouwen, bij de vestiging behorende landbouwgrond en sloop
26
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
van bedrijfsgebouwen. Wat minimaal aangekocht moet worden in het kader van deze regeling wordt hier dus niet bepaald. Dat vloeit voort uit artikel 6: het vervallen van productierecht dient in alle gevallen plaats te vinden. In het tweede lid is bepaald dat bij gebiedsruil voor de financieringsvoorwaarde de restwaarde van de met de ruil te verkrijgen landbouwgrond de basis vormt. Het derde lid maakt duidelijk dat de provincie dient te voorkomen dat een aankoop in strijd is met de staatssteunkaders. Zoals vermeld in het algemeen deel van de toelichting is deze regeling er op gericht om te zorgen voor de noodzakelijke vermindering van stikstofdepositie op natuurgebieden, bij gebrek aan juridische alternatieven om te bewerkstelligen dat de activiteiten op de desbetreffende locatie worden beëindigd. Zolang een aankoop kan worden gekwalificeerd als ‘noodzakelijk’ voor dit doel, kan worden betoogd dat geen sprake is van staatssteun. Dat vergt een beoordeling door de provincie van geval tot geval. Daarnaast dient de provincie ervoor te zorgen dat niet meer dan de actuele economische waarde van de aan te kopen vermogensbestanddelen wordt vergoed; er mag immers geen sprake zijn van overcompensatie. In het vierde lid is in algemene zin bepaald dat de koopsom gebaseerd moet zijn op de marktwaarde.
Voor zover dit de vergoeding van productierecht betreft, ligt het in de rede voor de actuele marktprijs af te gaan op een advies van deskundigen dat is gebaseerd op de prijzen die recent voor het desbetreffende productierecht zijn betaald. Die methodiek is gebruikt bij de Srv voor de bepaling van de actuele marktprijs van varkensrecht. De marktwaarde en de restwaarde van bedrijfsgebouwen, bedrijfsmiddelen en grond zal bepaald moeten worden door een onafhankelijke taxateur. Ter bevordering van de eenduidigheid van de taxaties voor de aankoop zou gebruik kunnen worden gemaakt van richtsnoeren (zoals ook bijv. is gebeurd bij een eerdere gelegenheid, de Regeling beëindiging veehouderijtakken). Het vijfde lid betreft de verplichting dat de uitkering niet wordt besteed voor de financiering van omzetbelasting (btw) voor zover deze belasting niet ten laste van de provincie komt. Er is immers geen reden om de uitkering te gebruiken voor het dekken van kosten die uiteindelijk niet voor rekening van de provincie zijn. Er zijn twee situaties waarin door de provincie betaalde omzetbelasting niet voor haar rekening blijven. Uitgangspunt is dat de decentrale overheden in principe in aanmerking komen voor compensatie van btw. In de Wet op het BTW-compensatiefonds is bepaald onder welke voorwaarden compensatie kan worden verkregen.
In verband hiermee betreft onderdeel a van het vijfde lid de situatie waarin de provincie compensatie uit het fonds kan krijgen. Verder is relevant dat de btw-gevolgen afhankelijk zijn van de feiten en omstandigheden en in het bijzonder in welke hoedanigheid de provincie (ondernemer of niet-ondernemer) optreedt bij de aankoop van de veehouderij. Indien de provincie in het kader van de aankoop als ondernemer kan worden aangemerkt in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968, mag de provincie – zoals elke ondernemer – de belasting die is verschuldigd over de door hem verrichte leveringen en diensten verminderen met de belasting die aan de provincie in rekening is gebracht ter zake van aan hem verrichte leveringen en diensten. Men spreekt in dit verband over het recht van aftrek van voorbelasting. Indien de voorbelasting meer bedraagt dan de verschuldigde belasting wordt het verschil op zijn verzoek terugbetaald. In verband hiermee betreft onderdeel b van het vijfde lid de situatie waarin de provincie als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt aangemerkt.