CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04f Regeling provinciale aankoop nabij natuurgebieden

Gemeenteraad 9 april 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het ongewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Zwarte Plakweg 85a, America.20.115 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

STAATSCOURANT

Nr. 49899 24 december 2021

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 21 december 2021, nr. WJZ/ 21181501, houdende eenmalige specifieke uitkeringen ten behoeve van de gerichte opkoop van veehouderijen ter vermindering van de stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden) De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gelet op de artikelen 2a, eerste lid, onder d, en 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies; Besluit: Artikel 1 Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: aankoop: aankoop in de zin van artikel 3, met inbegrip van de levering van bedrijfsmiddelen, bedrijfsgebouwen of landbouwgrond; Aankoop-Calculator: rekeninstrument voor het bepalen van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied, beschikbaar op https://aankoopcalculator.aerius.nl/; bedrijfsgebouwen: gebouwen, uitgezonderd een bedrijfswoning, en bouwwerken die deel uitmaken van een veehouderij, waaronder dierenverblijven, mest- en voersilo’s en mestkelders; bedrijfsmiddelen: roerende zaken die worden gebruikt door een veehouderij, zoals trekkers en andere werktuigen; grondruil: maatregel waarbij de provincie na de aankoop van landbouwgrond deze grond voorafgaand aan de in artikel 12, eerste lid, bedoelde verantwoording geheel of gedeeltelijk verkoopt ter verwerving van andere grond met een

landbouwbestemming in de directe omgeving van het Natura 2000-gebied in de nabijheid waarvan de aangekochte veehouderij is gelegen, zonder dat voor die verwerving extra financiële middelen benodigd zijn; landbouwgrond: bij een vestiging van een veehouderij behorende grond met een landbouwbestemming die wordt gebruikt voor de veehouderij, met uitzondering van de grond onder en rond de bedrijfswoning; minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; proceskosten: indirecte kosten die worden gemaakt in het kader van de aankoop, bedoeld in artikel 3, zoals kosten van planvorming, adviseurs, taxateurs, notarissen en kadaster; omgevingsrechtelijke melding en vergunning: melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer of, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving, vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, vergunning verleend krachtens artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, vergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in die wet; productierecht: productierecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel aa, van de Meststoffenwet; restwaarde: economische waarde die de bij de aankoop door de provincie

verkregen vermogensbestanddelen hebben na uitvoering van de in artikel 6 bedoelde maatregelen, zoals bepaald door een onafhankelijke taxateur; stikstofgevoelig Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, als bedoeld in die wet, met een voor stikstof gevoelige habitat met een te hoge stikstofbelasting, dat deel uitmaakte van het programma aanpak stikstof 2015–2021 als vastgesteld door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; veehouderij: onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt door het houden van landbouwhuisdieren; veehouderij met productierecht: veehouderij voor het houden van melkvee, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, van de Meststoffenwet, of van kippen, kalkoenen of varkens; veehouderij zonder productierecht: veehouderij voor het houden van vleeskalveren of andere runderen, bestemd voor de productie van vlees, voor zover geen sprake is van melkvee, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, van de Meststoffenwet, of melkgeiten;

1

Staatscourant 2021 nr. 49899

24 december 2021

vermogensvorming: opbrengsten van de bij de aankoop door de provincie verkregen vermogensbestanddelen en restwaarde van die vermogensbestanddelen; vestiging: gebouw of complex van gebouwen waar door een veehouderij duurzaam vee wordt gehouden. 2. De stikstofdepositie van een veehouderijvestiging wordt bepaald met gebruikmaking van de Aankoop-Calculator en uitgedrukt in het aantal mol stikstof per hectare per jaar. Artikel 2 Specifieke uitkering De minister kan een provincie op aanvraag een eenmalige specifieke uitkering verstrekken die onder de voorwaarden, vermeld in de artikelen 3 tot en met 7, wordt aangewend voor het aankopen van veehouderijen met het oog op een blijvende vermindering van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

Artikel 3 Veehouderijen De uitkering wordt door de provincie aangewend voor de aankoop van veehouderijen met productierecht of veehouderijen zonder productierecht voor zover het een vestiging betreft die is gelegen op het grondgebied van de provincie en waarvan de stikstofdepositie op stikstofgevoelig Natura 2000-gebied voor zover gelegen binnen een straal van 10 km vanaf de vestiging van de veehouderij, in het afgelopen jaar meer bedraagt dan 2 mol stikstof per hectare per jaar en waarvoor, voor zover het veehouderijen met productierecht betreft, het benodigde productierecht voor ten minste 80% zonder beperking ter beschikking staat aan de veehouderij. Artikel 4 Financiering aankoop 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. voorfinanciering Rijk: financiering van een aankoop waarbij de in artikel 5, eerste lid, bedoelde subsidiabele kosten van de aankoop worden gedekt uit de uitkering onder de verplichting uiterlijk ten tijde van de in artikel 12, eerste lid, bedoelde verantwoording een vergoeding van 100% van de vermogensvorming aan de minister te verstrekken; b. financiering provincie: financiering van een aankoop waarbij de in artikel 5, eerste lid, bedoelde subsidiabele kosten van de aankoop na aftrek van de restwaarde, zoals geraamd ten tijde van de aankoop, worden gedekt uit de uitkering; c.

deel A en deel B van de uitkering: deel A, respectievelijk deel B van de uitkering, als bedoeld in artikel 9, zesde lid. 2. Voor zover deel A van de uitkering toereikend is voor de financiering van de aankoop, vindt die aankoop plaats met toepassing van voorfinanciering Rijk. 3. Het tweede lid is mede van toepassing op een aankoop die voor ten minste 50% met deel A van de uitkering kan worden gefinancierd. 4. Indien geen aankopen meer kunnen worden gedaan met aanwending van deel A van de uitkering, worden, onder de voorwaarde dat provinciale staten van de provincie die het aangaat, hiermee hebben ingestemd, aankopen gedaan met aanwending van deel B van de uitkering, op welke aankopen financiering provincie van toepassing is. 5. Indien provinciale staten van een provincie die het aangaat, hebben besloten dat aankopen kunnen worden gedaan met financiering provincie ongeacht of hiervoor deel A of deel B van de uitkering wordt aangewend, worden aankopen waarvoor de overeenkomst wordt gesloten na het besluit van provinciale staten gedaan met financiering provincie. 6. Aankopen gedaan met aanwending van het deel, gebaseerd op het bedrag, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, worden gedaan met financiering provincie. Artikel 5 Subsidiabele kosten 1.

De uitkering kan slechts worden aangewend voor de financiering van kosten in verband met de aankoop van een vestiging van een veehouderij die betrekking hebben op: a. het laten vervallen van productierecht; b. de verkrijging van bedrijfsmiddelen en bedrijfsgebouwen; c. de verkrijging van landbouwgrond; d. de sloop van bedrijfsgebouwen, behalve voor zover het proceskosten betreft en met inachtneming van het vijfde lid.

2

Staatscourant 2021 nr. 49899

24 december 2021

2. In geval van grondruil wordt, voor de toepassing van artikel 4, de vermogensvorming dan wel de restwaarde, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b, bepaald voor de grond die de provincie bij de grondruil heeft verworven respectievelijk zal verwerven. 3. De uitkering wordt zodanig aangewend dat geen sprake is van ongeoorloofde verlening van staatssteun. 4. De koopsom is gebaseerd op de marktwaarde van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen. 5. De provincie wendt, indien in het kader van de aankoop omzetbelasting aan de provincie in rekening wordt gebracht, de uitkering niet aan voor de financiering daarvan indien: a. de provincie voor compensatie hiervan in aanmerking komt op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds; b. de provincie in verband met de aankoop als ondernemer wordt aangemerkt in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel 6 Blijvende reductie 1. Bij de aanwending van de uitkering voor een aankoop waarborgt de provincie dat de aankoop leidt tot een blijvende vermindering van de stikstofemissie vanaf de vestiging, onder meer door uitvoering van het tweede, derde en vierde lid. 2.

De provincie draagt er zorg voor dat voorafgaand aan de levering van bedrijfsmiddelen, bedrijfsgebouwen en landbouwgrond en binnen een jaar na het sluiten van de koopovereenkomst dan wel binnen de gangbare termijn voor een productieronde van de desbetreffende diersoort indien die termijn langer is dan een jaar: a. de activiteiten van de veehouderij op de vestiging zijn beëindigd en de meststoffen vanaf de vestiging zijn verwijderd; b. het productierecht dat benodigd is voor het houden van vee op de desbetreffende vestiging voor zover dat productierecht zonder beperking aan de veehouderij ter beschikking staat, is komen te vervallen; c. al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer en de Wet natuurbescherming, dan wel op grond van de Omgevingswet: de omgevingsrechtelijke melding en vergunning en de vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit voor de vestiging worden ingetrokken of zodanig worden aangepast dat er niet langer veehouderijactiviteiten zijn toegestaan. 3. De provincie draagt er zorg voor dat in het kader van de aankoop wordt overeengekomen met de veehouderij dat deze: a.

niet elders in Nederland een veehouderij zal vestigen of overnemen, ook niet via een deelneming van de veehouder in een vennootschap, samenwerkingsverband of anderszins; b. anderszins medewerking zal verlenen aan het realiseren van een blijvende vermindering van de stikstofemissie vanaf de vestiging. 4. De provincie bewerkstelligt dat: a. de planologische bestemming van de vestiging van de veehouderij zodanig wordt gewijzigd dat op die plaats niet langer veehouderijactiviteiten kunnen plaatsvinden; b. bij aankoop van landbouwgrond waarbij de restwaarde lager is dan de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder c: i. voorafgaand aan de in artikel 12, eerste lid, bedoelde verantwoording contractueel wordt vastgelegd onder welke voorwaarden die grond gebruikt kan worden; ii. de planologische bestemming van die grond hiermee in overeenstemming wordt gebracht. 5. In geval van grondruil wordt bij de toepassing van het vierde lid, onderdeel b, uitgegaan van de grond en de restwaarde van die grond die de provincie bij de grondruil heeft verworven. Artikel 7 Doelmatigheid aankopen 1.

De uitkering wordt zodanig aangewend dat per provincie het totaal van de kosten die worden gemaakt voor de aankoop van veehouderijen met productierecht, uitgezonderd de proceskosten en de kosten voor aankoop van bij de vestiging behorende landbouwgrond, gedeeld door het totaal van de stikstofdeposities, bedoeld in artikel 3, van de vestigingen van die veehouderijen, niet meer bedraagt dan € 1.000.000 per mol stikstofdepositie per hectare per jaar.

3

Staatscourant 2021 nr. 49899

24 december 2021

2. De uitkering wordt zodanig aangewend dat per provincie het totaal van de kosten die worden gemaakt voor de aankoop van een of meer veehouderijen zonder productierecht, uitgezonderd de proceskosten en de kosten voor aankoop van bij de vestiging behorende landbouwgrond, gedeeld door het totaal van de stikstofdeposities, bedoeld in artikel 3, van de vestigingen van die veehouderijen, niet meer bedraagt dan € 250.000 per mol stikstofdepositie per hectare per jaar. 3. De uitkering wordt zodanig aangewend dat per provincie het totaal van de kosten die worden gemaakt voor de aankoop van landbouwgrond die behoort bij de vestiging van een of meer veehouderijen, uitgezonderd de proceskosten, gedeeld door het totaal van de stikstofdeposities, bedoeld in artikel 3, van die landbouwgrond, niet meer bedraagt dan € 10.000.000 per mol stikstofdepositie per hectare per jaar. Artikel 8 Aanwendingsperiode De uitkering wordt zodanig aangewend dat de koopovereenkomst uiterlijk wordt gesloten op 4 september 2022. Artikel 9 Plafond, verdeling en aanvragen 1. Het plafond voor de verstrekking van specifieke uitkeringen op grond van deze regeling bedraagt in totaal € 228.300.000, bestaande uit: a. € 95.000.000; en b. € 133.300.000. 2.

Bij de verdeling van het plafond, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt onderscheiden tussen deel A en deel B van het plafond, die elk 50% van het plafond bedragen. 3. Bij de verdeling van deel A van het plafond, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt gebruik gemaakt van de verdeelsleutel, vermeld in bijlage 1. 4. Bij de verdeling van deel B van het plafond, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt gebruik gemaakt van de verdeelsleutel, vermeld in bijlage 1. 5. Het plafond, bedoeld in het eerste lid, onder b, is onderverdeeld in een maximaal bedrag per provincie zoals vermeld in bijlage 2. 6. De minister kan per provincie één uitkering verstrekken die bestaat uit: a. een deel A, gebaseerd op de verdeling van deel A van het plafond, bedoeld in het eerste lid, onder a; b. een deel B, gebaseerd op de verdeling van deel B van het plafond bedoeld in het eerste lid, onder a; en c. voor een provincie, genoemd in bijlage 2: een deel, gebaseerd op het bedrag, bedoeld in het vijfde lid. 7. De uitkering van de delen A en B bestaat ten hoogste uit het totaal van de bedragen die met toepassing van het derde en vierde lid voor die provincie beschikbaar zijn. 8.

Indien de aanvraag van de delen A en B betrekking heeft op een lager bedrag dan het bedrag, bedoeld in het zevende lid, worden de bedragen die met toepassing van het derde en vierde lid voor die provincie beschikbaar zijn, elk naar rato verminderd. 9. Een provincie kan een aanvraag indienen met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld. 10. Als het plafond, bedoeld in het eerste lid, onder b, niet binnen vier maanden na de inwerkingtreding van deze regeling geheel is verdeeld, wordt het resterende deel toegedeeld door het ambtshalve verhogen van de op grond van het zesde lid, onder c, verstrekte uitkeringen, voor zover het uitkeringen betreft voor het maximale bedrag per provincie zoals vermeld in bijlage 2, naar rato van de omvang van die uitkeringen. Artikel 10 Bevoorschotting De minister verleent de provincie binnen zes weken na de verlening van de uitkering een voorschot van 100% van het uitkeringsbedrag.

4

Staatscourant 2021 nr. 49899

24 december 2021

Artikel 11 Informatieverschaffing en evaluatie 1. De minister kan desgevraagd een provincie informatie verschaffen uit registraties op grond van de Meststoffenwet, de Wet dieren en de Landbouwwet voor zover noodzakelijk met het oog op de toepassing van de artikelen 3 en 6, tweede lid, onderdelen a en b. 2. De provincie verschaft desgevraagd de minister informatie over de aanwending van de uitkering, met inbegrip van de borging dat aankopen leiden tot een blijvende vermindering van de stikstofemissie vanaf de vestiging van de aangekochte veehouderijen, en over de feitelijke ontwikkeling inzake die stikstofemissie en de stikstofdepositie op het in artikel 3 bedoelde Natura 2000-gebied. 3. De provincie werkt mee aan een door de minister ingestelde evaluatie van deze regeling. 4. De in het tweede en derde lid bedoelde verplichtingen gelden tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot vaststelling van de uitkering. Artikel 12 Verantwoording en vaststelling 1. De provincie legt na afloop van de periode, bedoeld in artikel 6, tweede lid, verantwoording af over de besteding van de uitkering voor de desbetreffende aankoop op de wijze als bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. 2.

Nadat de minister de relevante verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ontvangen, stelt de minister binnen 22 weken na die ontvangst de uitkering vast met inachtneming van die informatie. 3. De minister kan voor een beoordeling van de juistheid van informatie die is verstrekt voor de vaststelling van de uitkering, gebruik maken van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in registraties op grond van de Meststoffenwet, de Wet dieren en de Landbouwwet. Artikel 12a Overgangsrecht Aanvragen die zijn ingediend en uitkeringen en voorschotten die zijn verleend op grond van de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden zoals zij luidde tot 1 november 2021, worden aangemerkt als aanvragen, uitkeringen en voorschotten op grond van deze regeling. Artikel 13 Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2021. 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 december 2022, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op voordien ingediende aanvragen. Artikel 14 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 21 december 2021 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

5

Staatscourant 2021 nr. 49899

24 december 2021

BIJLAGE 1 BIJ ARTIKEL 9, DERDE EN VIERDE LID, VAN DE REGELING PROVINCIALE AANKOOP VEEHOUDERIJEN NABIJ NATUURGEBIEDEN Verdeelsleutels als bedoeld in artikel 9, derde en vierde lid:

6

Provincie

Verdeelsleutel, bedoeld in artikel 9, derde lid

Verdeelsleutel, bedoeld in artikel 9, vierde lid

Groningen

4,63%

5,49%

Fryslân

6,49%

10,40%

Drenthe

15,14%

10,98%

Overijssel

5,22%

10,69%

Gelderland

4,41%

11,27%

Utrecht

7,07%

5,20%

N-Holland

6,40%

7,80%

Z-Holland

5,24%

7,23%

Zeeland

6,95%

4,34%

N-Brabant

17,77%

15,61%

Limburg

19,86%

8,67%

Flevoland

0,81%

2,31%

Totaal

100%

100%

Staatscourant 2021 nr. 49899

24 december 2021

BIJLAGE 2 BIJ ARTIKEL 9, VIJFDE LID, VAN DE REGELING PROVINCIALE AANKOOP VEEHOUDERIJEN NABIJ NATUURGEBIEDEN Maximaal bedrag per provincie als bedoeld in artikel 9, vijfde lid: Provincie

7

Maximaal bedrag in miljoen euro

Fryslân

4,0

Drenthe

15,0

Overijssel

10,0

Gelderland

12,4

Zeeland

5,7

Noord-Brabant

42,4

Limburg

43,8

Staatscourant 2021 nr. 49899

24 december 2021

TOELICHTING I ALGEMEEN 1. Inleiding Op 4 november 2020 is de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden (Rpav) in werking getreden, beter bekend als (de eerste tranche van de) ‘maatregel gerichte opkoop’. In de afgelopen maanden is in overleg met de provincies gewerkt aan een wijziging van de Rpav. Enerzijds om het subsidieplafond voor de Rpav te verhogen met resterend budget van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv), anderzijds om de effectiviteit van de Rpav te vergroten. In relatie met het verhogen van het subsidieplafond wordt een nieuwe termijn vastgesteld waarbinnen provincies het aanvullende budget kunnen aanvragen (vier maanden na inwerkingtreding van de nieuwe Rpav) en wordt de eindtermijn waarop de koopovereenkomsten moeten zijn afgesloten met enkele maanden verlengd, tot 4 september 2022. Als gevolg van artikel 13 Rpav is de Rpav echter op 1 november 2021 vervallen. Weliswaar blijft zij als gevolg van datzelfde artikel van toepassing op voordien ingediende provinciale aanvragen, maar om de Rpav inhoudelijk te kunnen wijzigen, moet zij opnieuw worden vastgesteld. De nu opnieuw vastgestelde Rpav is grotendeels gelijk aan de Rpav zoals zij gold tot 1 november 2021. Ook deze nieuwe toelichting is grotendeels gelijk aan de toelichting bij de oorspronkelijke Rpav. Nieuw zijn de paragrafen 1 tot en met 1e.

Verder is de toelichting waar nodig geactualiseerd en gecorrigeerd. De nieuwe Rpav bevat de volgende wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke Rpav: 1. verruiming van de subsidiabele kosten met de grond onder en rond de bedrijfsgebouwen, zoals stallen; 2. verhoging van de plafondwaarde voor veehouderijen zonder productierecht van € 125.000 per mol stikstofdepositie per hectare per jaar naar € 250.000 per mol stikstofdepositie per hectare per jaar; 3. verlenging van de ‘aanwendingsperiode’, de eindtermijn waarop de koopovereenkomsten moeten zijn gerealiseerd, met vier maanden, tot en met 4 september 2022; 4. verhoging van het subsidieplafond met € 133,3 miljoen. Verder bevat deze regeling enkele juridisch-technische wijzigingen: het aanpassen van verwijzingen aan de toekomstige Omgevingswet (de artikelen 1 en 6) en het preciseren van de verwijzing in twee artikelen naar de ‘Identificatie en registratie-wetgeving’ (de artikelen 11 en 12). Hierop wordt verder ingegaan in de artikelsgewijze toelichting. Aanvragen die zijn ingediend en uitkeringen en voorschotten die zijn verleend op grond van de oorspronkelijke Rpav, worden aangemerkt als aanvragen, uitkeringen en voorschotten op grond van de nieuwe Rpav (zie het nieuwe artikel 12a).

De nieuwe Rpav heeft terugwerkende kracht tot en met 1 november 2021, om buiten twijfel te stellen dat het vervallen van de oorspronkelijke Rpav geen gevolgen heeft voor de geldigheid van in de tussentijd eventueel ingediende aanvragen of verleende uitkeringen of voorschotten. De wijzigingen in de nieuwe Rpav leiden overigens niet tot benadeling van de betrokken provincies of geïnteresseerde veehouders, integendeel: de wijzigingen verruimen de mogelijkheden om de specifieke uitkeringen te gebruiken voor het vrijwillig opkopen van veehouderijen. De nieuwe Rpav vervalt met ingang van 1 december 2022, maar blijft van toepassing op voordien ingediende aanvragen (zie artikel 13, tweede lid).

1a. Verruiming van de subsidiabele kosten met de grond onder en rond de bedrijfsgebouwen, zoals stallen (artikel 1) In de omschrijving van landbouwgrond in de oorspronkelijke Rpav was ‘het erf van de vestiging’ uitgezonderd. Daardoor viel niet alleen de bedrijfswoning buiten de subsidiabele kosten, maar ook de grond onder en rond de bedrijfsgebouwen, zoals stallen. Op verzoek van de provincies voegt de nieuwe Rpav die grond alsnog toe aan de subsidiabele kosten van artikel 5, eerste lid, via een verruiming van de omschrijving van landbouwgrond in artikel 1. De bedrijfswoning en de grond onder en rond die woning die met de woning verbonden is en ten dienste staat aan de woonfunctie blijven buiten de subsidiabele kosten vallen. Landbouwgrond in het kader van de gewijzigde Rpav is dus de cultuurgrond waar gewassen worden verbouwd en de erfgrond die verbonden is aan de bedrijfsgebouwen waarvan de functie ten dienste staat van het uitoefenen van de veehouderij, waarbij is

8

Staatscourant 2021 nr. 49899

24 december 2021

uitgezonderd de (bedrijfs)woning met de daarbij behorende grond.

1b. Verhoging van de plafondwaarde voor veehouderijen zonder productierecht (artikel 7, tweede lid) De plafondwaarde voor doelmatigheid voor veehouderijen zonder productierecht was gesteld op een bedrag van € 125.000 per mol stikstof per ha per jaar. In het kader van het periodieke uitvoeringsoverleg met provincies over de uitvoering van de regeling geven provincies aan dat zij op basis van deze plafondwaarde niet in staat zijn om koopovereenkomsten af te sluiten met kalverhouders die willen stoppen. Op basis van opgevraagde informatie bij het Kadaster over recente overnames van kalverhouderijen in de periode 2018–2020 (waarbij familietransacties buiten beschouwing zijn gelaten omdat deze vaak niet marktconform zijn) en de eerdere uitgangspunten die zijn gehanteerd bij het vormgeven dan de regeling, wordt de plafondwaarde voor veehouderijen zonder productierecht verhoogd naar € 250.000 per mol stikstof per ha per jaar.

1c. Verlenging aanwendingsperiode (artikel 8) Volgens artikel 8 van de oorspronkelijke Rapv moesten de koopovereenkomsten uiterlijk achttien maanden na de inwerkingtreding van de regeling gesloten zijn, dus op 4 mei 2022. Met het beschikbaar stellen van aanvullende middelen ligt het in de rede om provincies extra tijd te geven voor het realiseren van aankopen die met de aanvullende middelen kunnen worden gerealiseerd. Met betrekking tot de uitvoering van de regeling geven provincies aan via hun gebiedsproces nog volop bezig te zijn met het inventariseren en registeren van ondernemers die belangstelling hebben voor deelname aan de regeling, en met het beoordelen, taxeren en waar nodig prioriteren van bedrijven. Aangezien de budgetophoging daarmee volgens provincies relatief eenvoudig meegenomen kan worden in hun huidige werkwijze en planning, is in overleg met provincies besloten om de termijn waarop de aankopen moeten zijn gerealiseerd met vier maanden te verlengen, tot en met 4 september 2022.

Daarmee wordt provincies enerzijds enige extra tijd geboden die zij naar hun inschatting goed kunnen gebruiken om tot goed onderbouwde koopovereenkomsten te kunnen komen, anderzijds blijft de urgentie bestaan om de koopovereenkomsten binnen afzienbare tijd te hebben gesloten met het oog op het concreet en zo tijdig mogelijk realiseren van een vermindering van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur. Dit is mede van belang met het oog op het beschikbaar kunnen stellen van depositieruimte voor woningbouw en tracébesluiten en voor de legalisatie van in het kader van het programma aanpak stikstof (PAS) gemelde en meldingsvrije activiteiten.1

1d. Verhoging subsidieplafond (artikel 9, eerste lid) De verhoging van het subsidieplafond voor de in de nieuwe bijlage 2 Rpav genoemde provincies en de daarin opgenomen verdeling vloeit voort uit politieke besluitvorming over de aanwending van vrijvallende middelen door onderuitputting op de Srv. Hierover is het parlement bij brieven van 30 juni 2021 geïnformeerd.2 De besluitvorming voor ophoging van het budget van de eerste tranche van de Rpav met € 133,4 miljoen is in nadrukkelijke samenwerking met de provincies tot stand gekomen. Daarnaast is € 0,5 miljoen onbenut gebleven uit de eerder beschikbaar gestelde € 100 miljoen voor de eerste tranche. Van het totaal bedrag van € 133,9 miljoen is € 0,6 miljoen toegevoegd aan het BTW-compensatiefonds. Daarmee wordt € 133,3 miljoen beschikbaar gesteld aan de provincies conform de verdeling in bijlage 2 Rpav. De met deze wijziging beschikbaar gestelde middelen zijn aanvullend op de eerder met de Rpav beschikbaar gestelde middelen. Waar bij de verdeling van de eerder beschikbaar gestelde middelen wordt onderscheiden tussen deel A en deel B, is dat niet het geval bij de middelen die in het kader van de budgetophoging aanvullend beschikbaar worden gesteld. De verdeelsleutel van deze middelen conform bijlage 2 Rpav is in overleg met de provincies tot stand gebracht.

Zij verwachten deze extra middelen daadwerkelijk te kunnen inzetten voor aanvullende aankopen van veehouderijen op basis van in het kader van de provinciale gebiedsprocessen getoonde belangstelling van ondernemers voor deelname aan de Rpav. De provincies die gebruik willen maken van het extra budget van € 133,3 miljoen, moeten daartoe een aanvraag indienen binnen vier maanden na de inwerkingtreding van de nieuwe Rpav (zie artikel 9, tiende lid).

1e. Totstandkoming nieuwe Rpav De nieuwe Rpav is, net als de oorspronkelijke Rpav, niet ter toetsing voorgelegd aan het Adviescollege

1 2

9

Kamerstukken II 2020/21, 35 334, nr. 164, p. 2. Kamerstukken II 2020/21, 28 793, nr. 244, p. 7, en Kamerstukken I 2020/21, 28 793, J, p. 7.

Staatscourant 2021 nr. 49899

24 december 2021

toetsing regeldruk (ATR). De Rpav richt zich namelijk uitsluitend tot de provincies en ATR toetst alleen regeldruk voor burgers en bedrijven. Ter uitvoering van de voorhangverplichting van artikel 4.10, zesde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 is het ontwerp van de nieuwe Rpav op 24 november 2021 voorgelegd aan de Tweede Kamer.3 In reactie daarop hebben de leden van enkele fracties schriftelijke vragen gesteld, die zijn beantwoord door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).4 De voorhang heeft niet geleid tot wijziging van deze regeling.

1f. Achtergrond van de maatregel In uitspraken van 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat het PAS voor de periode 2015–2021 in strijd is met de Europese Habitatrichtlijn en niet meer gebruikt mag worden voor de verlening van Natura 2000-vergunningen.5 In de brief aan de Tweede Kamer van 7 februari 2020 over de aanpak en voortgang van de stikstofproblematiek (Kamerstukken II 2019/20, 35 334, nr. 44) en in de brief van 24 april 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35 334, nr. 82) is door het kabinet aangekondigd dat er in vervolg op de uitspraken van de Raad van State maatregelen worden getroffen om de uitstoot en neerslag van stikstof te verminderen en de natuur te herstellen. Dit is nodig om de instandhoudingsdoelen in Natura 2000-gebieden te realiseren en duurzaam behoud te verzekeren, overeenkomstig de eisen van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn.

Inmiddels zijn in de Wet natuurbescherming drie resultaatsverplichtende omgevingswaarden (reductieverplichtingen) voor stikstofdepositie vastgelegd,6 en een plicht voor de Minister van LNV om een programma vast te stellen om tijdig aan die waarden te voldoen en om de instandhoudingsdoelen te bereiken.7 Een manier om direct de uitstoot van stikstof te reduceren is om veehouderijen nabij stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden aan te kopen en de veehouderijactiviteiten daar definitief te laten beëindigen. Met de in onderhavige regeling voorziene maatregel ‘gerichte opkoop’ wordt daar invulling aan gegeven. Hierbij worden gericht, dus selectief veehouderijen door de provincies gekocht. Het betreft veehouderijen die voor het betreffende Natura 2000-gebied als ‘piekbelaster’ kunnen worden beschouwd. De Minister van LNV stelt hiervoor aan elke provincie middelen beschikbaar in de vorm van een specifieke uitkering. Het kabinet heeft voor de ‘gerichte opkoop’ totaal € 350 miljoen gereserveerd. Met deze regeling wordt een deel van dit bedrag als eerste tranche benut voor de verstrekking van de bedoelde specifieke uitkeringen aan de provincies.

2. Doel van de maatregel Een teveel aan stikstofdepositie is een belangrijke oorzaak van het verslechteren van de natuurkwaliteit in Nederlandse Natura 2000-gebieden. De overheid zet zich in om de instandhoudingsdoelstellingen in de Natura 2000-gebieden te realiseren, daartoe waar nodig overeenkomstig de instandhoudingsdoelstellingen de staat van instandhouding van habitattypen en soorten in de gebieden te verbeteren en intussen duurzaam verslechtering van de kwaliteit van habitats te blijven voorkomen. De ‘gerichte opkoop’ maakt deel uit van die inzet. Doel van de maatregel is om veehouderijactiviteiten definitief te laten beëindigen. De vermindering van stikstofdepositie die dit oplevert, levert een bijdrage in het verlagen van de ‘stikstofdeken’ en verbetert op termijn de kwaliteit van natuurgebieden. Daarnaast is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om de depositieruimte die ontstaat door de vermindering van de stikstofdepositie, al dan niet via het zogenoemde stikstofregistratiesysteem,8 toe te delen aan tracébesluiten of woningbouwprojecten en aan de legalisatie van in het kader van het PAS gemelde en meldingsvrije activiteiten. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft berekend dat de stikstofdepositie door deze maatregel daalt tot 9,1 mol N/ha/jaar in 2030.

Dat resultaat is mede afhankelijk van de bereidheid van veehouders tot verkoop, de verdeling van de aankopen over de sectoren (melkvee, pluimvee, varkens, melkgeiten en kalveren en runderen die voor de vleesproductie worden gehouden), de hoeveelheid landbouwgrond die als onderdeel van de veehouderijen wordt aangekocht en herbestemd en de ontwikkeling van de prijzen. Het gaat bij deze maatregel specifiek om stikstofgevoelige gebieden die qua stikstofdepositie overbelast zijn. In de regeling wordt het begrip ‘stikstofgevoelig Natura 2000-gebied’ gedefinieerd als

3 4 5 6

7

8

10

Kamerstukken II 2021/22, 28 973, nr. 248. Zie het verslag van een schriftelijk overleg, Kamerstukken II 2021/22, 28 973, kenmerk 2021D49525. ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604. Zie artikel 1.12a van de Wet natuurbescherming. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt dit geregeld in artikel 2.15a van die wet. Zie artikel 1.12b van de Wet natuurbescherming. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt dit geregeld in artikel 3.9, vierde lid, van die wet. Zie paragraaf 2.1.2 van de Regeling natuurbescherming. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het systeem aanvankelijk geregeld in hoofdstuk 17a van de Omgevingsregeling en later in de hoofdstukken 8 en 11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Staatscourant 2021 nr. 49899

24 december 2021

een gebied dat stikstofgevoelig is én dat overbelast is. De regeling heeft dus geen betrekking op (het verbeteren van de natuur in) stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden die niet overbelast zijn. Waar in deze toelichting wordt gesproken over stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden wordt ook steeds gedoeld op gebieden die stikstofgevoelig én overbelast zijn. Stikstof komt in vele vormen in de natuur voor. Het is belangrijk voor planten en dieren als bouwsteen voor de vorming van eiwitten, bladgroen en organische verbindingen. Het bevordert groei en ontwikkeling, een eigenschap die wordt benut voor de productie van landbouwgewassen, door toediening van (kunst)mest. Wat stikstof in de landbouw doet, doet het ook in de natuur. Bij een te hoge stikstofdepositie in natuurgebieden vanuit de omgeving worden plantensoorten die gedijen op voedselarme grond verdrongen – en daarmee fauna, zoals insecten en vogels, die van de betreffende plantensoorten afhankelijk zijn. Hun plaats wordt ingenomen door plant- en diersoorten die juist gedijen bij (meer) stikstof. Dat heeft een negatief effect op de biodiversiteit. In Nederland zijn 130 van de 161 Natura 2000-gebieden gevoelig voor een teveel aan stikstofneerslag uit de lucht. Onder het PAS zoals dat was vastgesteld voor de periode 2015–2021, waren er 118 stikstofgevoelige Natura 2000gebieden met een overbelasting geregistreerd.

Er wordt gesproken van gebieden met een overbelasting als de zogenaamde kritische depositiewaarde ervan wordt overschreden. Een overschrijding van de kritische depositiewaarde betekent dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico bestaat dat de kwaliteit van een habitat wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van stikstofdepositie. Het verkleinen van de landelijke ‘stikstofdeken’ biedt nog onvoldoende soelaas voor de Natura 2000-gebieden en daarom is extra, gebiedsgericht beleid nodig. De maatregel is daarom gericht op een doelgroep van piekbelasters, ofwel veehouderijen met een relatief grote depositie op het nabij gelegen Natura 2000-gebied. Zoals gezegd is het doel van deze maatregel om de kwaliteit van natuurgebieden te vergroten. In aanvulling hierop kunnen met de maatregel gerichte opkoop ook nevendoelen worden gerealiseerd. Het gaat vooral om: a) het verminderen van de bredere stikstofproblematiek (stikstofdeken); b) het verminderen van de uitstoot van in het bijzonder broeikasgassen; c) het klimaatbestendiger maken van (verdrogingsgevoelige) gebieden; d) vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving; e) verwerving van gronden voor het creëren van schuifruimte in het gebiedsproces.

Met het oog op de bredere stikstofproblematiek is het ongewenst als na een aankoop en sluiting van een veehouderijvestiging elders opnieuw een veehouderij wordt gevestigd. Daarom bevat de regeling voorwaarden ter voorkoming van dergelijke verplaatsingseffecten. Verder is oogmerk dat de provincies bij de selectie en aankoop zodanig te werk gaan dat de beëindiging van de veehouderijvestiging en dus van de stikstofemissie een maximaal effect heeft voor de kwaliteit van de betreffende gebieden. Zo kan door aangepast gebruik van aangekochte landbouwgrond worden bewerkstelligd dat die grond bufferend werkt voor het nabije Natura 2000-gebied. Ook kan gekochte grond onder omstandigheden worden gebruikt om blijvende en verplaatsende veehouders te faciliteren, en zo kan ‘schuifruimte’ in het gebiedsproces worden gecreëerd. Voorwaarde bij dit alles is wel dat de reductie van stikstofdepositie die met de opkoop wordt bewerkstelligd van structurele aard is. Voor zover er vrijkomende depositieruimte is, moet bij de ‘besteding’ daarvan worden voorkomen dat opnieuw (te veel) stikstof wordt uitgestoten. Grootschalige nieuwe ontwikkelingen op de plaats waar een veehouderij is opgekocht, moeten daarom in elk geval worden voorkomen.

Natuur-inclusieve landbouw en extensivering daarentegen kunnen niet op voorhand worden uitgesloten omdat zij bijdragen aan stikstofreductie en verdere verduurzaming van de landbouw wat immers een belangrijke doelstelling van de overheid is. De provincies kunnen hier in hun eigen gebiedsproces, samen met stakeholders, invulling aan geven. Zij kunnen bijv. gekochte grond in erfpacht geven aan een andere veehouder onder de voorwaarde dat de grond alleen extensief kan worden gebruikt, volgens een bepaalde norm, of dat de grond voor agrarisch natuurbeheer wordt gebruikt.

3. Vormgeving van de maatregel 3.1 Rol van provincies Het aankopen van bedrijven vindt plaats op vrijwillige basis. De provincies zullen in het algemeen hierbij het initiatief nemen. Er zijn goede redenen waarom deze maatregel door de provincies wordt uitgevoerd. Het zijn de provincies die als gebiedsregisseur goed op de hoogte zijn van (de kenmerken van) de gebieden waar de Natura 2000-gebieden zijn gelegen en zij zijn op grond van de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wet natuurbescherming ook primair belast met het treffen van de nodige beschermingsmaatregelen en het opstellen van beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden. Zij weten wat er speelt, kennen de bedrijven, kennen de veehouders en kennen de andere stakeholders, zoals natuurorganisaties, gemeenten en waterschappen. Zij kunnen rekening houden met positieve neveneffecten op andere beleidsdoelen zoals met betrekking tot het tegengaan van bodemdaling, het terugdringen van geuroverlast, realisatie van klimaatrobuuste watersystemen en zoetwatervoorziening, het bevorderen van de biodiversiteit in de omgeving en van goede bodem- en waterkwaliteit, het

11

Staatscourant 2021 nr. 49899

24 december 2021

behoud van cultuurhistorische en landschappelijke waarden en het bevorderen van de vitaliteit en leefbaarheid van het platteland. Zij kunnen ook rekening houden met de mogelijkheid dat de aankoop en herbestemming van een veehouderijvestiging leidt tot planschade, c.q. planschadeverzoeken. Dit alles maakt deel uit van het omgevingsrecht en het ruimtelijke ordeningsbeleid. Samen met gemeenten en andere betrokken partijen geven de provincies in een gebiedsgericht proces vorm aan de inrichting van het gebied. Het aankopen van een veehouderij is daarmee onderdeel van een gebiedsproces waarbij maatwerk leidend is, te beginnen bij de keuze van de veehouderijen die voor aankoop in aanmerking komen. Uitgangspunt van deze regeling is daarom dat het resultaat van stikstofreductie centraal staat, dat provincies zoveel mogelijk ruimte moeten hebben om de maatregel van gerichte aankoop uit te voeren en om synergie te kunnen realiseren met andere gebiedsopgaven en dat voor de aanwending van de uitkering daarom alleen de direct noodzakelijke randvoorwaarden worden gehanteerd.

3.2 Staatssteunaspect Voor de maatregel van gerichte opkoop zijn de staatssteunkaders van de Europese Unie relevant. Het door de overheid selectief verschaffen van voordeel aan een onderneming vormt in beginsel staatssteun en staatssteunverlening is slechts toegestaan in bepaalde situaties en onder bepaalde voorwaarden. Indien een overheid overgaat tot onteigening van onroerend goed, wordt de daarbij verleende schadeloosstelling door de Europese Commissie niet aangemerkt als staatssteun, gegeven het feit dat hierbij sprake is van nadeelcompensatie en niet van het verstrekken van een selectief voordeel. Een onteigeningsprocedure wordt pas ingezet nadat de overheid heeft gepoogd het onroerend goed op minnelijke wijze te verwerven. Ook een dergelijke minnelijke verwerving wordt niet als staatssteun gezien. Dit is bevestigd in enkele beschikkingen van de Europese Commissie over de verplaatsing van een productielocatie van Akzo Nobel (steunmaatregel N 304/2003) en de verplaatsing van een autodemontagebedrijf in Steenbergen (steunmaatregel N 575/2005). Bij de gerichte aankoop gaat het om een soortgelijke minnelijke verwerving, nu deze gerechtvaardigd wordt door de noodzaak om de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden te reduceren en juridische alternatieven voor het beëindigen van de bedrijvigheid op de desbetreffende overbelaste locatie ontbreken.

Dit uitgangspunt biedt een goede basis voor de uitvoering van de maatregel zonder frictie met de staatssteunkaders. Gelet op het feit dat deze regeling in belangrijke mate beleidsvrijheid laat aan de provincies, is het aan de provincies om adequaat toepassing te geven aan dit uitgangspunt. Zij dienen zo nodig te kunnen onderbouwen waarom naar hun oordeel de aankoop niet gepaard gaat met staatssteun. De noodzaak van de aankoop is in belangrijke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden. De wijze waarop de aankoop wordt gebruikt om te komen tot duurzame reductie is de toetssteen voor de gestelde noodzakelijkheid. Verder is het van belang dat een marktconforme prijs voor de veehouderij wordt betaald en dat geen sprake is van overcompensatie.

3.3 Specifieke uitkering Deze regeling biedt een grondslag om specifieke uitkeringen aan provincies te verstrekken voor het doen van aankopen conform de voorwaarden van deze regeling. In de regeling is per provincie bepaald welk uitkeringsbedrag zij ten hoogste kan aanvragen bij de Minister van LNV. Nadat deze uitkering is verleend, kan de provincie dat bedrag aanwenden voor het doen van aankopen. Met een aankoop wordt hier gedoeld op het sluiten van een koopovereenkomst met de betreffende veehouder en de uitvoering hiervan, resulterend in de levering van de desbetreffende vermogensbestanddelen. Het sluiten van de koopovereenkomst vormt het sluitstuk van een proces van oriënteren en onderhandelen. Daaraan voorafgaand zal de provincie eerst moeten bepalen welke veehouderijvestigingen in aanmerking komt om te worden aangekocht, gelet op de voorwaarden van de regeling en rekening houdend met andere aspecten, zoals het gebiedsproces. Het sluiten van een koopovereenkomst markeert tegelijkertijd de start van een reeks van uitvoeringshandelingen: het zeker stellen door de provincie dat aan de bijkomende voorwaarden wordt voldaan, zoals de beëindiging van de veehouderijactiviteiten en het vervallen van het productierecht, en tenslotte de overdracht van de gekochte vermogensbestanddelen aan de provincie.

Ook dienen voornemens betreffende doorverkoop en herbestemming te worden gerealiseerd. Alsdan zal de koopsom worden voldaan en vindt de daadwerkelijke besteding van de uitkering plaats. Op de gebruikelijke wijze dient aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoording te worden afgelegd over de besteding van de uitkering, waarna de Minister van LNV de uitkering vaststelt met inachtneming van die verantwoordingsinformatie. Doorverkoop en wijziging van een bestemmingsplan vergt vaak een aantal jaren en het is niet wenselijk dat de verantwoording eerst daarna plaatsvindt. Dat zou namelijk betekenen dat al die tijd onzekerheid blijft bestaan over het definitieve karakter van de uitkering. Daarom is voorzien dat de verantwoording plaatsvindt nadat de veehouderij is gesloten en nadat de overdracht aan de provincie heeft plaatsgevonden. De verdere afwikkeling van de aankoop zal nadien plaatsvinden. Er is in voorzien dat hierover de benodigde informatie aan de minister wordt verschaft.

12

Staatscourant 2021 nr. 49899

24 december 2021

3.4 Monitoring en evaluatie Gelet op de doelstelling van deze regeling en het voornemen na deze regeling voor de maatregel van gerichte opkoop nog een tweede en derde tranche te realiseren, is voorzien in het monitoren en evalueren van de regeling. Hiertoe worden door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) periodieke voortgangsrapportages opgesteld. Daarnaast wordt de uitvoering van de eerste tranche van de regeling tussentijds geëvalueerd door een extern bureau, met betrokkenheid van de provincies. De leereffecten worden verwerkt in de regeling voor de volgende tranches. De eerste tranche van de maatregel heeft in die zin de functie van een ‘leer- en ontwikkeltraject’. Na afloop van de eerste tranche vindt een eindevaluatie plaats. In de eindevaluatie wordt onder andere meegenomen hoe en welke aankopen in de praktijk zijn gerealiseerd, de mate waarin de uitkering aan provincies is aangewend voor de financiering van kosten die betrekking hebben op het laten vervallen van productierecht, de verkrijging van bedrijfsmiddelen en bedrijfsgebouwen en/of de sloop daarvan en de verkrijging van landbouwgrond, alsmede waarvoor de verkregen landbouwgronden door provincies worden ingezet.

4. Stikstofdepositie Deze regeling richt zich op het aankopen van zogenaamde piekbelasters rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden – voor zover overbelast qua stikstofdepositie, zie paragraaf 2 –, om zo een maximale bijdrage te leveren aan de vermindering van de stikstofdepositie op deze gebieden. Daarbij is maatgevend welke (bijdrage aan de) stikstofdepositie een veehouderijvestiging, dat wil zeggen het erf met de stallen en de landbouwgrond, op het desbetreffende natuurgebied heeft. Voor de bepaling van die stikstofdepositie wordt gebruikgemaakt van de AERIUS Aankoop-Calculator, een rekeninstrument dat door het RIVM ten behoeve van de Minister van LNV is ontwikkeld voor de gerichte opkoop en dat gebruik maakt van depositieberekeningen van de AERIUS Calculator die wordt gebruikt voor de uitvoering van de natuurbeschermingswetgeving. Eerst worden de relevante gegevens van een veehouderijvestiging, zoals de ligging van de stallen en het aantal en de soort van de gehouden dieren, ingevoerd in de Aankoop-Calculator. Vervolgens kan men de Aankoop-Calculator laten berekenen wat de stikstofdepositie is op vooraf geselecteerde, zogenaamde maatgevende hectares van Natura 2000-gebied binnen een straal van 10 kilometer vanaf de veehouderijvestiging en wat de gemiddelde stikstofdepositie is op die hectares, uitgedrukt in mol stikstof (N) per hectare per jaar.

Dat gemiddelde vormt de stikstofdepositie zoals dit begrip wordt gebruikt in het kader van deze regeling. De hiervoor bedoelde ‘maatgevende’ hectares worden in het kader van de Aankoop-Calculator geselecteerd met het oog op het doel van de regeling, het omlaag brengen van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en om te komen tot een praktisch hulpmiddel in de vorm van de Aankoop-Calculator. Met deze selectiemethode wordt een representatief beeld verkregen van de depositie van een veehouderijvestiging op hectares Natura 2000-gebied die is gelegen binnen een afstand van 10 km van de veehouderijvestiging. In de Aankoop-Calculator wordt alleen geselecteerd op Natura 2000-gebied dat stikstofgevoelig is, ongeacht of het overbelast is (met een stikstofdepositie boven de kritische depositiewaarde, zoals toegelicht in paragraaf 2). In verband hiermee dient een provincie naast toepassing van de Aankoop-Calculator te toetsen of het gaat om een overbelast Natura 2000-gebied. De beperking tot natuurgebied dat op minder dan 10 kilometer afstand van de aan te kopen veehouderijvestiging is gelegen, hangt samen met het feit dat de stikstofdepositie van een veehouderijvestiging exponentieel afneemt naarmate de natuur verder van de vestiging af is gelegen.

Het is niet zinvol ook natuurgebied op een grotere afstand dan 10 kilometer te betrekken bij de bepaling van de stikstofdepositie. Sterker, dat zou ertoe leiden dat de resulterende stikstofdepositie voor vestigingen nabij een groot natuurgebied veel kleiner zou zijn dan voor vestigingen nabij kleine natuurgebieden, louter vanwege het effect van het uitmiddelen. Voor het aankopen van veehouderijvestigingen met deze regeling komen alleen vestigingen in aanmerking met een stikstofdepositie van ten minste 2 mol stikstof per hectare per jaar. Voor die vestigingen geldt dus dat de gemiddelde stikstofdepositie ervan op de maatgevende hectares relevant natuurgebied meer bedraagt dan 2 mol stikstof per hectare per jaar. De provincies kunnen met de Aankoop-Calculator eenvoudig bepalen of een veehouderijvestiging waarvan aankoop wordt overwogen, voldoet aan de hiervoor bedoelde zogenaamde drempelwaarde. Met deze drempelwaarde wordt bewerkstelligd dat alleen de veehouderijvestigingen met een relatief hoge stikstofdepositie in aanmerking komen voor aankoop, zoals blijkt uit het volgende. Het RIVM heeft met het oog op de afbakening van de doelgroep de stikstofdepositie op stikstofgevoelig Natura 2000-gebied berekend voor alle veehouderijen met een vestiging (erf met stallen) binnen 10 kilometer van een dergelijk gebied.

Bekend is dat de stikstofdepositie al naar gelang de afstand exponentieel afneemt. Gebleken is dat bij een afstand van meer dan 5 kilometer de depositie gering is en dat een veehouderijvestiging op meer dan 10 kilometer van een stikstofgevoelig Natura-2000 gebied geen bovengemiddelde stikstofdepositie op dat gebied veroorzaakt. Vervolgens is bezien welke

13

Staatscourant 2021 nr. 49899

24 december 2021

drempelwaarde gehanteerd moet worden om alleen de veehouderijen met de grootste stikstofdepositie onder de doelgroep van de regeling te brengen. Gebleken is dat bij een drempelwaarde van 2 mol N/ha/jaar circa 5% van de veehouderijen met een vestiging binnen 10 kilometer van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied aan deze drempelwaarde voldoet. Gelet op de doelstelling om met de aankopen een maximale verbetering voor stikstofgevoelige natuurgebieden te bewerkstelligen, ligt het in de rede de beschikbare middelen zo in te zetten dat de gerealiseerde reductie aan stikstofdepositie zo groot mogelijk is. In verband hiermee zijn doelmatigheidsnormen ontwikkeld betreffende de kosten van de aankopen per mol stikstof per hectare per jaar, uitgaand van de stikstofdepositiebepaling aan de hand van een gemiddelde van maatgevende hectares, zoals hiervoor beschreven. In paragraaf 5.5 wordt hier nader op ingegaan. Ook voor een inschatting of een voorgenomen aankoop zal voldoen aan deze normen, kan een provincie gebruik maken van de Aankoop Calculator. Deze biedt namelijk de mogelijkheid om, aanvullend op de berekening van de stikstofdepositie vanuit een veehouderijvestiging op het relevante natuurgebied (met behulp van gegevens uit AERIUS) een een raming van de aankoopkosten te laten maken.

Voor die raming wordt gebruik gemaakt van normbedragen voor de vervangingswaarde van stallen, afkomstig uit KWIN-Veehouderij (Kwantitatieve Informatie Veehouderij, Wageningen Livestock Research).

5. Voorwaarden voor besteding van de uitkering Deze regeling strekt ertoe om specifieke uitkeringen aan provincies te verstrekken voor de uitvoering van de maatregel van gerichte opkoop. Deze regeling bevat dan ook de kaders voor de aanwending van die uitkeringen.

5.1. Doelgroep De veehouderijen die voor aankoop in aanmerking komen, zijn (vestigingen van) veehouderijen waar bepaalde diersoorten worden gehouden met een relatief hoge stikstofdepositie op het nabijgelegen natuurgebied. Hiervoor is in paragraaf 4 reeds ingegaan op het criterium van de minimale stikstofdepositie op stikstofgevoelig Natura 2000-gebied binnen een straal van 10 kilometer vanaf de veehouderijvestiging, de z.g. drempelwaarde. Veehouderijen kunnen dus alleen worden aangekocht met gebruikmaking van deze regeling indien de stikstofdepositie ervan op een relevant natuurgebied ten minste 2 mol N/ha/jaar bedraagt. Provincies kunnen met behulp van de Aankoop-Calculator bepalen of een veehouderijvestiging aan de drempelwaarde voldoet. De provincies kunnen zo met de Aankoop-Calculator eenvoudig bepalen of de veehouderijvestiging waarvan aankoop wordt overwogen, voldoet aan de hiervoor genoemde drempelwaarde. Zij dienen alleen te toetsen of het desbetreffende natuurgebied overbelast is (dat wil zeggen een stikstofdepositie heeft boven de kritische depositiewaarde). De relevante diersoorten zijn ten eerste de diersoorten die vallen onder het stelsel van productierechten van de Meststoffenwet, te weten melkvee, varkens, kippen en kalkoenen (de soorten pluimvee waarvoor een productierecht wordt gehanteerd).

Veehouderijen waar deze dieren worden gehouden, zorgen potentieel voor een aanmerkelijke stikstofemissie en dus stikstofdepositie. Hierbij komt dat bij de beëindiging van een veehouderij met deze diersoorten het gebruikte productierecht kan vervallen, waardoor landelijk het plafond voor het aantal te houden dieren wordt verlaagd. Door als voorwaarde te stellen dat in een dergelijk geval het productierecht komt te vervallen, wordt het totale volume van stikstofproductie van de betreffende sector verkleind. In verband hiermee wordt vereist dat het productierecht voor de te beëindigen veehouderij voor ten minste 80% ‘eigendom’ is van de veehouder. Dit vereiste hangt ermee samen dat productierecht ook wel tijdelijk wordt overgedragen, bijv. voor een periode van een jaar. Dan wordt gesproken van lease. Een veehouder kan productierecht dat hij heeft geleased en dat hij dus na enige tijd moet overdragen aan de ‘eigenaar’ niet laten vervallen. Het productierecht is overigens in beide gevallen geregistreerd op de naam van de veehouder. Met het hiervoor bedoelde vereiste wordt zeker gesteld dat de veehouder wiens veehouderij wordt aangekocht, gerechtigd is om ten minste 80% van het productierecht te laten vervallen. In de tweede plaats komen veehouderijen voor vleeskalveren, voor ander rundvee dat voor de productie van vlees wordt gehouden, en voor melkgeiten voor aankoop in aanmerking.

Voor het houden van deze dieren geldt niet een productierechtvereiste op grond van de Meststoffenwet. Vastgesteld is dat ook onder deze veehouderijen de nodige ‘piekbelasters’ zijn. Verder is de verwachting dat de aankoop van deze veehouderijen naar verwachting relatief doelmatig kan plaatsvinden in die zin dat de kosten voor aankoop afgezet tegen de omvang van de stikstofdepositie van die veehouderij gemiddeld lager zijn dan bij de opkoop van veehouderijen met diersoorten met productierecht. Bij aankoop van een veehouderijvestiging met een van de genoemde diersoorten kan niet via het laten vervallen van het productierecht worden gewaarborgd dat de desbetreffende sector wordt verkleind. In het algemeen geldt dat een veehouder wiens vestiging in het kader van deze regeling is aangekocht, niet gemakkelijk een nieuwe vestiging kan beginnen. Ook daar gelden beperkingen betreffende bestemming en stikstofbelasting, en het bevoegd gezag zal niet snel instemmen met het

14

Staatscourant 2021 nr. 49899

24 december 2021

beginnen van een nieuwe veehouderijvestiging. Om een extra waarborg op dit punt te creëren, bevat de regeling de voorwaarde dat de verkopende veehouder zich verbindt om niet elders een nieuwe vestiging te openen of een vestiging over te nemen. Dit geldt ongeacht of de aankoop een veehouderij met of zonder productierecht betreft. Het is denkbaar dat op een veehouderijvestiging diercategorieën worden gehouden die deels binnen en deels buiten het bereik van deze regeling vallen. In dat geval kan de uitkering alleen worden besteed aan de aankoop van het deel van de veehouderij dat binnen het bereik van deze regeling valt. Desgewenst kan de provincie overgaan tot de aankoop van de gehele vestiging door het deel van de vestiging dat niet onder het bereik van deze regeling valt, zelf te financieren.

5.2. Financieringswijze Gelet op de rol van de provincies als uitvoerder van en belanghebbende is bezien hoe provincies aan de financiering van de maatregel kunnen bijdragen. Dit heeft geleid tot een aanpak voor deze regeling waarbij de provincies de z.g. proceskosten voor hun rekening nemen en ook rekening wordt gehouden met de eventuele restwaarde van gekochte vermogensbestanddelen. Als proceskosten worden beschouwd de kosten die gemaakt moeten worden om de aankoop te realiseren uitgezonderd de koopsom en kosten van het slopen van bedrijfsgebouwen (stallen, voer- en mestsilo’s e.d.). Het betreft bijv. de kosten van de personele inzet van provincieambtenaren of externen om te bepalen welke veehouderijen voor aankoop in aanmerking komen, van de besprekingen met de veehouder, taxatieen notariskosten, kosten voor het tijdelijke beheer van bijv. gebouwen en grond, en verkoopkosten. Over restwaarde kan het volgende worden opgemerkt. Zoals hieronder nader aan de orde komt, is uitgangspunt dat aangekochte bedrijfsgebouwen worden gesloopt, maar dat dit niet in alle gevallen hoeft te gebeuren. Als een stal na de overdracht een andere functie krijgt, heeft de stal een navenante (rest)waarde. Bij aankoop van grond is steeds van belang welke waarde de grond nadien heeft. Deze (rest)waarde varieert al naar gelang de gebruiksmogelijkheden van de grond groter of kleiner zijn.

Het is de provincie die op dit punt keuzes maakt in het kader van de beoogde vermindering van stikstofdepositie en van het gebiedsproces. Bijv. bij omzetting van landbouwgrond in natuur is de restwaarde relatief gering, maar dat is niet het geval indien de grond voor landbouwactiviteiten gebruikt kan blijven worden. De aankoop kan dus ertoe leiden dat de provincie eigenaar wordt van een bedrijfsgebouw of van grond die een waarde vertegenwoordigt of dat de provincie dat gebouw of die grond te gelde heeft gemaakt. Het is wenselijk dat bij de financiering van aankopen rekening wordt gehouden met deze vermogensvorming, zodat de specifieke uitkering alleen wordt aangewend ter financiering van de netto-kosten van een aankoop, dus uitgezonderd de vermogensvorming bij de provincie die het gevolg is van de aankoop. Dan kan het budget voor de maatregel geheel worden besteed aan de verlaging van stikstofdepositie. In overleg met de provincies is een aanpak gekozen waarbij binnen het oorspronkelijk beschikbare budget van € 95 miljoen onderscheid wordt gemaakt tussen deel A en deel B van het budget voor deze regeling, elk 50% van het totale budget. Voor elk deel geldt een aparte verdeelsleutel, zoals wordt toegelicht in paragraaf 6. Bijgevolg bestaat een door een provincie aangevraagde uitkering uit een deel A en een deel B.

De aankopen die een provincie doet met deel A van de uitkering (dat dus afkomstig is uit deel A van het budget), kunnen in eerste instantie geheel met de uitkering van het Rijk worden gefinancierd, met verrekening van de vermogensvorming achteraf, in het kader van de verantwoording. Voor de aankopen die een provincie doet met deel B van de uitkering (dat dus afkomstig is uit deel B van het budget), en ook voor de aankopen die een provincie doet met de uitkering beschikbaar gesteld uit het extra budget van € 133,3 miljoen, geldt dat de provincie de geraamde restwaarde zelf dient te financieren. Voor de eerste aankopen (deel A) geldt dus dat naderhand de vermogensvorming (opbrengst en restwaarde) moet worden bepaald, voor de latere aankopen geldt dat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst via een taxatie moet worden geraamd welke restwaarde de aangekochte vermogensbestanddelen voor de provincie hebben. In het eerste geval kan de wijze van financiering worden samengevat als ‘voorfinanciering Rijk’, in het tweede geval als ‘financiering provincie’. De hiervoor geschetste aanpak impliceert dat niet wordt afgewacht tot een verkregen vermogensbestanddeel te gelde is gemaakt of tot er definitieve duidelijkheid is over de verdere bestemming ervan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13931518/1