04f Regeling provinciale aankoop nabij natuurgebieden
Tekst van het document
Artikel 6 Blijvende reductie In het eerste lid is in algemene zin bepaald dat de provincie dient te waarborgen dat de aankoop leidt tot blijvende vermindering van de stikstofemissie vanaf de locatie van de veehouderijvestiging. Het aankopen van een veehouderijvestiging is immers niet voldoende, er moeten ook verdere stappen worden gezet om de bestaande stikstofemissie (en dus depositie) te laten beëindigen, althans zo veel mogelijk te laten verminderen. Het eerste lid biedt hiervoor het kader en in de daaropvolgende leden worden concrete voorwaarden geformuleerd. In paragraaf 5.4 van het algemene deel van de toelichting is hier reeds aandacht aan besteed. Het tweede lid betreft de maatregelen die binnen een bepaalde termijn genomen moeten worden voor de sluiting van de veehouderijvestiging en, waar nodig, de overdracht: het afvoeren van de dieren en de mest vanaf de locatie van de veehouderijvestiging, het vervallen van het productierecht en de intrekking of aanpassing van de omgevingsrechtelijke vergunning dan wel melding en, in voorkomend geval, van de natuurvergunning (in de terminologie van de toekomstige Omgevingswet: ‘omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit’).
Het ligt in de rede dat in de koopovereenkomst wordt bepaald dat de veehouder zich hiertoe verplicht en dat naleving hiervan randvoorwaardelijk is voor de afwikkeling van de overeenkomst en in het bijzonder het voldoen van de koopsom. Hiernaast is het zaak dat de veehouder zich jegens de provincie verbindt om niet elders een veehouderijvestiging te beginnen of over te nemen, zoals ook reeds in paragraaf 5.4 van het algemene deel van de toelichting aan de orde was. In het derde lid is bepaald dat deze verplichting in een overeenkomst moet worden vastgelegd waarbij die verplichting ook geldt voor het geval betrokkene handelt via een directe of indirecte deelneming in een vennootschap of samenwerkingsverband. Verder bevat het derde lid een verplichting van de
27
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
veehouder om ook anderszins medewerking te verlenen aan het realiseren van een blijvende vermindering van de stikstofemissie vanaf de locatie van de veehouderijvestiging. Te denken valt aan medewerking in het kader van een procedure tot wijziging van het bestemmingsplan of medewerking inzake het (niet) ontplooien van activiteiten die haaks staan op de genoemde doelstelling. Deze verplichting is naar zijn aard niet bedoeld om elke vorm van stikstofemissie onmogelijk te maken. Het is immers denkbaar dat betrokkene op de plaats van de veehouderijvestiging andere bedrijfsmatige activiteiten gaat uitvoeren die leidt tot enige stikstofemissie. Het vierde lid betreft het vastleggen van de aanpassing van de bestemming van de betreffende vestigingslocatie en eventueel de bijbehorende grond. Dat vergt medewerking van het bevoegd gezag, provincie of gemeente. Het is zaak dat de provincie als gebiedsregisseur vooraf een reële inschatting maakt of zo’n aanpassing zonder problemen gerealiseerd kan worden en vervolgens ook de nodige stappen zet om die aanpassingsprocedure te laten doorlopen. Voor gekochte grond dient te worden bepaald in hoeverre de functie ‘stikstofarm’ gemaakt wordt (geen landbouw meer; of alleen extensieve veehouderij; of een concrete norm).
Indien dit ertoe leidt dat er (meer) gebruiksbeperkingen voor de grond gaan gelden, dient de provincie op grond van onderdeel b van het vierde lid dit zowel planologisch vast te leggen als contractueel (voor de middellange respectievelijk de korte termijn). Dit geldt bij grondruil voor de grond die de provincie via de grondruil heeft verworven, zo is bepaald in het vijfde lid.
Artikel 7 Doelmatigheid aankopen Dit artikel bevat de criteria voor een doelmatige besteding van de uitkering per type aankoop. Hier is reeds op ingegaan in paragraaf 5.5 van het algemene deel van de toelichting.
Artikel 8 Aanwendingsperiode In dit artikel is bepaald binnen welk tijdsbestek de aankopen gedaan moeten worden. Zie de paragrafen 1b en 5.6 van het algemeen deel van de toelichting.
Artikel 9 Plafond, verdeling en aanvragen In het eerste lid is het plafond voor deze regeling bepaald. Het plafond van de oorspronkelijke Rpav (€ 95 miljoen, zie het eerste lid, onder a) wordt in twee gelijke delen, een deel A en een deel B, verdeeld, waarbij voor elk deel een eigen verdeelsleutel wordt gehanteerd (tweede, derde en vierde lid), zoals toegelicht in paragraaf 6.1 van het algemene deel van de toelichting. Het extra budget dat met de nieuwe Rpav beschikbaar komt (€ 133,3 miljoen, zie het eerste lid, onder b), wordt verdeeld aan de hand van bijlage 2 Rpav (vijfde lid en zesde lid, onder c). Zie ook paragraaf 1a. Het zesde lid, onder a en b, en het zevende lid regelen voor het plafond van de oorspronkelijke Rpav dat de verdeling leidt tot een uitkering die ten hoogste bestaat uit de optelsom van uitkering A, afkomstig uit deel A van het plafond, en uitkering B, afkomstig uit deel B van het plafond. Indien een provincie niet het maximale bedrag als uitkering aanvraagt, dient te worden bepaald welk deel van de uitkering kwalificeert als deel A en welk deel als deel B. Hiertoe is in het achtste lid bepaald dat alsdan de maximale bedragen voor uitkering A en uitkering B naar rato worden verminderd. Ingevolge het negende lid dienen provincies een aanvraag voor de uitkering in te dienen met behulp van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
Artikel 9, negende lid, van de oorspronkelijke Rpav bevatte een voorziening voor de situatie dat niet elke provincie een uitkering zou aanvragen dan wel niet voor het maximale bedrag. Dat negende lid regelde dat wanneer vier maanden na de inwerkingtreding van de oorspronkelijke Rpav een deel van het plafond nog niet zou zijn verdeeld, de reeds verstrekte uitkeringen ambtshalve zouden worden opgehoogd. Deze procedure heeft voorjaar 2020 plaatsgevonden. Het oude negende lid is daarmee uitgewerkt en is geschrapt. Het tiende lid bevat echter een vergelijkbare voorziening voor een eventuele herverdeling van het extra budget van € 133,3 miljoen: als vier maanden na de inwerkingtreding van deze nieuwe Rpav een deel van dat extra budget nog niet is verdeeld, worden de al uit dat budget verstrekte uitkeringen ambtshalve met dat deel verhoogd, naar rato van de omvang van die uitkeringen. Dit geldt alleen voor zover het uitkeringen betreft voor het maximale bedrag, omdat alleen dan verondersteld mag worden dat de betrokken provincies zo mogelijk een hogere uitkering aangevraagd zouden hebben.
Artikel 11 Informatieverschaffing en evaluatie Het eerste lid bevat een grondslag voor informatieverstrekking door de RVO aan provincies, waarop reeds in paragraaf 8 van het algemene deel van de toelichting is ingegaan. Ten opzichte van de oorspronkelijke Rpav is de verwijzing naar de ‘Identificatie en registratie-wetgeving’ gepreciseerd door deze te vervangen door een verwijzing naar de Wet dieren. Op grond van het tweede en derde lid dient een provincie mee te werken aan een evaluatie van deze regeling en zo nodig informatie te verschaffen over de uitvoering van deze regeling. Zoals vermeld in
28
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
paragraaf 3, onder d, van het algemene deel van de toelichting is voorzien dat deze regeling wordt gemonitord en geëvalueerd om lering eruit te trekken, in het bijzonder ook ten behoeve van de vormgeving van de tweede en derde tranche van de maatregel. Het gaat dus niet over informatie die noodzakelijk is in het kader van de verantwoording ter vaststelling of de uitkering rechtmatig is besteed.
Artikel 12 Verantwoording en vaststelling In paragraaf 6.2 van het algemene deel van de toelichting is reeds ingegaan op de aspecten van verantwoording en vaststelling (eerste, respectievelijk tweede lid). Voor het derde lid, betreffende het gebruik van gegevens door de RVO bij de vaststelling van de uitkering, wordt verwezen naar paragraaf 8 van het algemene deel van de toelichting. Ten opzichte van de oorspronkelijke Rpav is, net als in artikel 11, eerste lid, de verwijzing naar de ‘Identificatie en registratie-wetgeving’ gepreciseerd door deze te vervangen door een verwijzing naar de Wet dieren.
Artikel 12a Overgangsrecht Dit artikel is toegevoegd ten opzichte van de oorspronkelijke Rpav. Het stelt buiten twijfel dat het vervallen van de oorspronkelijke Rpav geen gevolgen heeft voor de geldigheid van handelingen die zijn verricht op grond van die regeling. Aanvragen die zijn ingediend en uitkeringen en voorschotten die zijn verleend op grond van de oorspronkelijke Rpav, worden aangemerkt als aanvragen, uitkeringen en voorschotten op grond van de nieuwe Rpav.
Artikel 13 Inwerkingtreding Met de inwerkingtreding van de nieuwe Rpav op de dag na de publicatie in de Staatscourant wordt afgeweken van het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten.10 Deze afwijking is gerechtvaardigd vanwege het onbedoeld vervallen van de oorspronkelijke Rpav op 1 november 2021. De nieuwe Rpav heeft terugwerkende kracht tot en met die datum, om buiten twijfel te stellen dat het vervallen van de oorspronkelijke Rpav geen gevolgen heeft voor de geldigheid van in de tussentijd ingediende aanvragen of verleende uitkeringen of voorschotten. Het tweede lid is een horizonbepaling, zoals voor subsidieregelingen wordt voorgeschreven door artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016. Dientengevolge kunnen aanvragen om een uitkering op grond van deze regeling tot uiterlijk 1 december 2022 worden gedaan. Overigens zullen de uitkeringsaanvragen naar verwachting veel eerder worden gedaan. Op aanvragen die voor de genoemde datum zijn ingediend en op verstrekte uitkeringen blijft deze regeling onverkort van toepassing. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten
10
29
Zie aanwijzing 4.17, tweede en vierde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
Staatscourant 2021 nr. 49899
24 december 2021
STAATSCOURANT
Nr. 23984 8 september 2022
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 2 september 2022, nr. WJZ/ 22428673, tot wijziging van de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden De Minister voor Natuur en Stikstof, Gelet op de artikelen 2a, eerste lid, onder d, en 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies; Besluit:
ARTIKEL I De Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden wordt als volgt gewijzigd: Artikel 8 komt te luiden: Artikel 8 Aanwendingsperiode De uitkering wordt zodanig aangewend dat de koopovereenkomst uiterlijk wordt gesloten op 30 november 2022. ARTIKEL II Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 3 september 2022, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 4 september 2022. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 2 september 2022 De Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal-Zeggelink
1
Staatscourant 2022 nr. 23984
8 september 2022
TOELICHTING Met deze regeling wordt de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden gewijzigd betreffende de datum waarbinnen koopovereenkomsten moeten worden gesloten. In de regeling was hiervoor als uiterste datum 4 september 2022 bepaald. Thans blijkt dat meer tijd nodig is voor het afwikkelen van beoogde aankopen waarover provincies met veehouders in gesprek zijn. Met een wijziging van deze termijn wordt bewerkstelligd dat lopende onderhandelingen alsnog kunnen resulteren in koopovereenkomsten en daarmee in de beoogde reductie van stikstofdepositie. Met een verlenging van de termijn tot het einde van de geldigheidsduur van de regeling (de regeling vervalt op 1 december 2022) wordt voldoende tijd geboden om lopende, kansrijke trajecten alsnog af te ronden. Omdat onzeker is of deze regeling tijdig bekend kan worden gemaakt, is voorzien in terugwerkende kracht in het geval de regeling niet voor 4 september 2022 bekend kan worden gemaakt. De Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal-Zeggelink
2
Staatscourant 2022 nr. 23984
8 september 2022