04c Toelichting
Tekst van het document
Binnen de zone van een spoorweg dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de geluidbelasting op de binnen de zone gelegen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Bij het berekenen van de geluidbelasting wordt de Lden -waarde in dB bepaald. De Lden-waarde is het energetisch en naar de tijdsduur van de beoordelingsperiode gemiddelde van de volgende drie waarden: het geluidniveau in de dagperiode (tussen 7.00 en 19.00 uur); het geluidniveau in de avondperiode (tussen 19.00 en 23.00 uur) + 5 dB; het geluidniveau in de nachtperiode (tussen 23.00 en 07.00 uur) + 10 dB. De berekende geluidbelasting dient getoetst te worden aan de grenswaarden van het Besluit geluidhinder. Indien de (voorkeurs)grenswaarde wordt overschreden, dient beoordeeld te worden of maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn en/of er een hogere grenswaarde moet worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. In artikel 4.9 en volgende van het Besluit geluidhinder worden de grenswaarden vermeld met betrekking tot nieuwe situaties bij zones. 4.2.2 Onderzoek Onderhavig ruimtelijk initiatief voorziet in het herontwikkelen van het Mikado terrein in Horst aan de Maas ten behoeve van de realisatie van zorgwoningen en ondersteunende maatschappelijke voorzieningen.
Op de locatie van onderhavig ruimtelijk initiatief zijn reeds (zorg)woningen en maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Daarnaast zullen de toekomstige zorgwoningen en maatschappelijke voorzieningen op een grotere afstand van (geluidgezoneerde) wegen komen te liggen dan de reeds aanwezige zorgwoningen en maatschappelijke voorzieningen. Daarnaast zal de inrichting van het
Hoofdstuk 4
27
plangebied voornamelijk met groene elementen worden ingericht. Zo zullen er enkele bomen worden geplaatst aan de rand van de wegen. Deze bomen zorgen ook voor een verbetering van de akoestische situatie binnen het plangebied doordat de bomen een deel van het geluid dat geproduceerd wordt door gemotoriseerd verkeer wordt tegengehouden. Derhalve kan worden aangenomen dat het aspect akoestiek geen belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Anderzijds zijn (zorg)woningen geen functie met een geluidproducerende werking. Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. 4.2.3 Conclusie Het aspect akoestiek vormt geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM.
Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Onderzoek NIBM toets De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie tot 1.500 woningen). Desondanks is in het kader van dit bestemmingsplan een luchtkwaliteitsonderzoek in de vorm van een ‘NIBM’ toets uitgevoerd. Hiermee is bepaald in hoeverre de ontwikkeling zal bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Als basis voor de berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen: 306 motorvoertuigen per etmaal (gebaseerd op paragraaf 4.1 Verkeer en parkeren); Aandeel vrachtverkeer van 2%.
Hoofdstuk 4
28
Met deze uitgangspunten is de NIBM-toets uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van realisatie in 2024, zie onderstaande afbeelding.
Figuur 7 NIBM-toets
Daarnaast genereert de huidige situatie reeds ook een verkeersgeneratie. Echter is het lastig te achterhalen wat de verkeersintensiteit in de huidige situatie bedraagt. Derhalve is ten aanzien van de berekening voor de luchtkwaliteit ter plaatse worst case uitgegaan van de het maximale aantal verkeersbewegingen zonder de huidige situatie in mindering te brengen. Berekend is dat de bijdrage van het plan aan de concentraties voor NO 2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijnstof) niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het plan maximaal 0,19 µg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,05 µg/m3 bijdragen. Onderzoek NSL-Monitoringstool 2019 Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de NSL-Monitoringstool 2019. De beschouwde rekenpunten zijn weergegeven in onderstaande tabel en geven de totale concentratie in de nabije omgeving van het plangebied. Voor het jaartal 2020 bedraagt de hoogste totale concentratie NO2 19.8 µg/m3 en voor PM10 18.9 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie van 11.7 µg/m3.
Tabel 3 NSL Monitoringstool: rekenpunten met bijbehorende concentraties Id Rekenpunt Rekenpunt Rekenpunt Rekenpunt Rekenpunt Norm
Hoofdstuk 4
711547 735075 694124 691091 15866427
NO2 μg/m3 19.8 19.0 18.7 18.7 18.8 40
PM10 μg/m3 18.9 18.8 18.8 18.8 18.8 40
PM10 overschrijdingsdagen 6.8 6.7 6.7 6.7 6.7 35
PM2.5 μg/m3
Jaar
11.7 11.7 11.7 11.7 11.7 25
2020 2020 2020 2020
29
Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld worden de totale concentraties voor NO2 en PM10 respectievelijk 20.0 µg/m3 en 19.0 µg/m3. Deze concentraties blijven met de bijdrage van de ontwikkeling, ruim beneden de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijnstof) en PM2,5 (fijnstof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. Ook in het prognosejaar 2030 zal worden blijven voldaan aan de grenswaarden. 4.3.3 Conclusie De bijdrage van de verkeersbewegingen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de Monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan. In de huidige situatie is er een kantoorpand gelegen waarvoor een hogere verkeersgeneratie geldt. Hierdoor kan worden verondersteld dat de luchtkwaliteit ter plaatse alleen maar zal verbeteren en dat het aspect luchtkwaliteit derhalve geen belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 4. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen
4
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
30
andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Vanwege de ligging in een woonwijk dient uitgegaan te worden van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen gelegen, met uitzondering van de maatschappelijke bestemming van het plangebied en de begraafplaats ten zuiden van het plangebied. Voor de beschrijving van het aspect bedrijven en milieuzonering wordt getoetst op basis van de vigerende bestemmingsplannen ‘Peelkernen’, vigerend vanaf 10 november 2009 en ‘Horst Centrum’, vastgesteld op 9 augustus 2013.
Figuur … Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Peelkernen' Figuur 8 Uitsnede vigerend bestemmingsplan
Hoofdstuk 4
31
Onderstaande tabel toont de omliggende bedrijven en voorzieningen met de bijbehorende richtafstanden en de feitelijke afstanden tot het plangebied. Adres Van Bornestraat
Bestemming Bedrijf (nutsvoorzie-
Milieucategorie
Richtafstand tot
Afstand tot plan-
(maximaal)
rustige woonwijk
gebied, circa
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
2
30
140 meter
ning) Gastendonkstraat 2
Maatschappelijk (Kapel)
Loevestraat 55
Detailhandel (ALDI)
1
10
120 meter
Loevestraat 43
Detailhandel (beroep
1
10
185 meter
aan huis)
Voor de omliggende bedrijven en voorzieningen ligt het plangebied op voldoende afstand. Onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op de omliggende bedrijven en voorzieningen en vice versa. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan. 4.4.3 Conclusie Er wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Omgekeerd wordt er geen milieubelastende inrichting in het plangebied mogelijk gemaakt. Vanuit bedrijven en milieuzonering gelden geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.5 Geur 4.5.1 Toetsingskader Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde ‘omgekeerde werking’ in het kader van de ruimtelijke ordening. 4.5.2 Onderzoek In een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Binnen het plangebied kan daarom uit het oogpunt van geur een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Tegelijkertijd zal de ontwikkeling geen belemmering opleveren voor de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijbedrijven. 4.5.3 Conclusie Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
32
4.6 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die bescherming behoeven en daarom een belemmering van het initiatief vormen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd.
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Hoofdstuk 4
33
4.7.2 Onderzoek Met het planvoornemen worden 102 zorgwoningen mogelijk gemaakt. Een zorgwoning is een kwetsbaar object waardoor er een toetsing aan de veiligheidseisen dient te worden uitgevoerd. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van risicovolle objecten.
Figuur 9 Uitsnede risicokaart (plangebied blauw omlijnd)
Risicovolle inrichtingen In en nabij het plangebied zijn enkele risicovolle inrichtingen gelegen. De meest nabijgelegen risicovolle inrichting betreft een LPG reservoir. Hiervoor geldt een plaatsgebonden risicoafstand (PR 10-6) van 15 meter. Deze afstand moet gemeten worden vanaf het gebouw. De afstand van het gebouw tot de bestemmingsplangrens bedraagt meer dan 1.000 meter. Zodoende vormt het LPG reservoir geen belemmering. Buisleidingen Op meer dan 3.300 meter afstand van het plangebied is een buisleiding gelegen van de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij. Door de relatief grote afstand van de buisleiding naar het projectgebied vormt deze buisleiding geen belemmering voor onderhavig initiatief. Risicovolle transportroutes In de nabijheid van plangebied zijn drie risicovolle transportroutes gelegen:
Hoofdstuk 4
34
Rijksweg A73, wegvak L2 tussen afrit 9 (Venray) en afrit 11 (Horst), gelegen op circa 250 meter afstand van het plangebied. Provinciale weg Meldersloseweg (N556), gelegen op circa 1.050 meter afstand van het (noordelijke) plangebied. Spoorlijn 12BM.4 tussen Helmond en Venlo, gelegen op circa 3.400 meter van het plangebied.
De provinciale weg en de spoorlijn zijn op dermate grote afstand gelegen van het project dat deze geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van onderhavig initiatief. De rijksweg A73 is de meest nabijgelegen risicovolle transportroute. Over de A73 worden de stoffen LF1, LF2, LT1, LT2 en GT4 vervoerd. Het grootste invloedsgebied met een 1% letaliteitsafstand behoord tot de stof GT4. Deze bedraagt meer dan 4.000 meter. Gezien de afstand tot het projectgebied (meer dan 200 meter) is het noodzakelijk om een beperkte verantwoording van het groepsrisico op te stellen. De beperkte verantwoording van het groepsrisico is navolgend weergegeven. Zelfredzaamheid Om bij een incident zelfredzaam te zijn moeten burgers op de hoogte zijn van risico’s in hun omgeving en een idee hebben wat ze kunnen doen ten tijde van een incident. Veiligheidsregio en gemeente verzorgen vooraf de risicocommunicatie. Bij een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen verzorgen de veiligheidsregio met de gemeente de alarmering en crisiscommunicatie, via WAS-sirenes, omroepinstallaties, publieke omroepen (radio, televisie, internet) en beschikbare netwerken (telefoonnetwerken, NL Alert). In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden om zowel per voertuig of te voet van de bron af uit het effectgebied te vluchten.
Afhankelijk van de plek van het incident en de windrichting is vluchten mogelijk in de richting van de Deken Creemersstraat danwel via de Van Bronckhorststraat. Bestrijdbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van de diensten van de hulpverleners. De brandweer moet in staat zijn om haar taken op een goede en veilige manier uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan worden gedacht aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hieronder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland. Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het besluitgebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het besluitgebied en de risicobronnen goed bereikbaar zijn. Het plangebied is voldoende bereikbaar door de brede toegangswegen de Deken Creemersstraat en de Van Bornestraat en de alternatieven via de Van Bronckhorststraat en de Van Blitterswijckstraat. De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen.
De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men nodig heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar de plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met
Hoofdstuk 4
35
water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het besluitgebied is van belang indien een toxische wolk richting het plangebied drijft. Ten aanzien van de bereikbaarheid bij een toxisch scenario is met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De bereikbaarheid en bluswatervoorziening ter plaatse van het besluitgebied is hieraan ondergeschikt. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt gene belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. 4.7.3 Conclusie Voor de rijksweg A73 dient een RBMII berekening en verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd te worden.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Bij ruimtelijke ingrepen, waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,
Hoofdstuk 4
36
genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Bescherende houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom.
Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 van de Wnb zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10, niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer of gebruik dan wel ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Door Kragten is een verkennend flora- en faunaonderzoek5 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht ten aanzien van de verblijfplaatsen van de gierzwaluw, huismus en vleermuizen. Door Econsultancy is een aanvullend onderzoek ecologie6 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
5 6
Kragten, Herontwikkeling Mikado terrein Horst Verkennend flora- en faunaonderzoek Econsultancy, Rapport aanvullend ecologisch onderzoek Mikadoterrein te Horst, d.d. 21 september 2020
Hoofdstuk 4
37
Op basis van het aanvullend ecologisch onderzoek is beoordeeld of er bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake zal zijn van overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Met betrekking tot de voorgenomen plannen ter plaatse van de onderzoekslocatie is er sprake van opzettelijke beschadiging, vernieling en/of verstoring van drie nestlocaties van de huismus, negen nestlocaties van de gierzwaluw en drie zomer- paar- en (milde) winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Ook is er sprake van verstoring van eventueel aanwezige gewone dwergvleermuizen bij aanvang van de werkzaamheden. Bij uitvoering van de renovatie is dan ook sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Derhalve is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Ten behoeve van de uitvoering dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de Provincie Limburg voor het opzettelijk beschadigen en vernielen van nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen en het verstoren van dieren (artikel 3.1, lid 2 en artikel 3.5, lid 2 en lid 4). Daarnaast zal door het treffen van maatregelen de functionaliteit van de verblijfplaatsen behouden moeten blijven en schade aan individuen moeten worden voorkomen.
De maatregelen dienen ter onderbouwing van de ontheffingsaanvraag te worden vastgelegd in een activiteitenplan. De bovenstaande maatregelen zijn echter alleen relevant voor fase 2 van de herontwikkeling van het Mikado-terrein. Deze fase is als zodanig niet opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Derhalve vormt ecologie ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling uit fase 1. Daarnaast is er een stikstofdepositieberekening7 opgesteld doordat het plangebied gelegen is op circa 8,2 kilometer van een Natura 2000-gebied. Uit de berekening blijkt dat er geen depositieresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de gebruiksfase van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Voor de volledige toelichting en de invoergegevens verwijzen we u naar de bijlage van voorliggend bestemmingsplan. 4.8.3 Conclusie Op basis van hetgeen voorgaand beschreven kan worden geconcludeerd dat er voor het aspect ecologie een ontheffing aangevraagd dient te worden voor de uitvoering van de werkzaamheden. Het aspect stikstof vormt geen belemmering.
4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk.
7
BRO, ‘AERIUS-berekening Mikado Horst aan de Maas’, projectnr.: P02253, d.d. 6 april 2022.
Hoofdstuk 4
38
4.9.2 Onderzoek Verkennend bodemonderzoek Door Aeres Milieu is een bodemonderzoek uitgevoerd 8. Onderstaand zijn de belangrijkste aspecten weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt u naar de bijlage verwezen. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek kan de onderzoekslocatie als “onverdacht” worden beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. Er bestaat geen aanleiding te vermoeden dat ter plaatse van de planlocaties sprake is van een bodemverontreiniging. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem kan niet uitgesloten worden (verdacht). Bij een bestemmingsplanwijziging, grondwerkzaamheden of aanvraag van een omgevingsvergunning dient een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 strategie onverdacht worden uitgevoerd. Om de aanwezigheid van asbest in de bodem (bovengrond) uit te sluiten dient een verkennend onderzoek bodem en asbest in bodem conform de NEN 5707 te worden uitgevoerd. Ten aanzien van het bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. Navolgend worden de belangrijkste aspecten toegelicht. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging.
In het opgeboorde bodemmateriaal van de bovengrond bij de boringen 4 en 28 zijn zintuiglijk bijmengingen aan baksteen en beton of asfalt waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat grondmengmonster MM2 (dieptetraject 0-0,5 m-mv.) licht verhoogd is met kwik en zink. Het separaat geanalyseerde grondmonster M5 (boring 4, dieptetraject 0,08-0,4 m-mv.) met bijmengingen aan baksteen en beton is sterk verhoogd met nikkel en licht verhoogd met kobalt, molybdeen, PAK, som PCB en minerale olie. Grondmonster M6 (boring 28, traject 0-0,3 m-mv) met bijmengingen aan baksteen en asfalt is licht verhoogd met lood, PAK, som PCB en minerale olie. In de overige geanalyseerde mengmonsters van de bovengrond (MM1, MM3 en MM4) en de ondergrond (MM7 t/m MM9) zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. Het freatisch grondwater is licht tot sterk verhoogd met zware metalen. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt, met uitzondering van de Van Bornestraat, geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Indien er ter plaatse van de Van Bornestraat (graaf)werkzaamheden zijn voorzien dient ter plaatse van boring 4 een nader bodemonderzoek uitgevoerd te worden naar de omvang van het sterk verhoogde gehalte aan nikkel. Het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar.
Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De aangetroffen verhardingsresten van baksteen, beton en asfalt onder de bestrating van de boringen in de Van Bornestraat en het voetpad bij de Van Blitterswijckstraat worden niet als asbestverdacht beschouwd. Het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek doet geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen het plangebied.
8
Aeres Milieu, Verkennend bodemonderzoek Deken Creemerstraat 56 e.o. te Horst (Mikado), d.d. 30 november 2021.
Hoofdstuk 4
39
Aanvullend bodemonderzoek Er is een aanvullend bodemonderzoek 9 uitgevoerd om de omvang vast te stellen van de verontreiniging met nikkel ter plaatse van boorpunt 4 van het verkennend bodemonderzoek. Het onderzoek is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hierna wordt de conclusie van het onderzoek weergegeven. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de ter plaatse geen sprake is van een ernstige verontreiniging nikkel. Het bij het verkennend bodemonderzoek aangetoonde sterk verhoogde gehalte aan nikkel ter plaatse van boring 4 is niet bevestigd. De resultaten van dit bodemonderzoek geven dan ook geen aanleiding tot het uitvoeren van verder bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.9.3 Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Nationaal beleid In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Provinciaal beleid De opgave in het POL2014 inzake het regionale water, is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico’s op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. Er dient voldaan te worden aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is de opgave het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptatiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen voor het omgaan met huidige én toekomstige watertekorten, waarbij beschikbaarheid van voldoende water van de juiste kwaliteit een belangrijke voorwaarde is.
Op die manier zijn problemen op gebied van watertekort in tijden van schaarste, beheersbaar en maatschappelijk acceptabel. Een van de provinciale doelen is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering.
9
Hoofdstuk 4
40
Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Waterschap Limburg In het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 (PWP) en het Waterbeheerplan Limburg 2016-2021 (WBP) spelen de beekdalen een belangrijke rol voor allerlei watergebonden functies. Doelstelling van het provinciaal beleid is te komen tot een beekdalbrede aanpak bij de ontwikkeling van een ecologisch gezond functionerend en klimaatbestendig watersysteem. In het beleid van zowel provincie als waterschap is een nadere uitwerking van beekdalontwikkeling, als ook de functietoekenning van oppervlaktewateren, aangekondigd.
Het doel van het PWP en het WBP is het realiseren van klimaat robuuste en veerkrachtige beekdalen van de Natuurbeken in Limburg, teneinde problemen op het gebied van wateroverlast en droogte, waterkwaliteit en ecologie in relatie tot de aanwezige functies op een integrale wijze aan te pakken. Dit als een van de antwoorden op klimaatadaptatie. Klimaat robuuste en veerkrachtige beekdalen willen de Provincie Limburg en Waterschap Limburg realiseren door samen met de omgeving (eigenaren blijven beheerder) het beekdal te ontwikkelen tot klimaatbuffer. Deze doelstellingen zijn vastgelegd in de visie ‘Beekdalontwikkeling in Limburg’ van het waterschap Limburg en de Provincie Limburg (d.d. 12-12-2018). Gemeente Horst aan de maas In het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021 van de gemeente Horst aan de Maas is het beleid ten aanzien van riolering en stedelijk water binnen de gemeente vastgelegd. Het afval- en hemelwater dienen gescheiden van elkaar te worden. Per locatie wordt bekeken op welke wijze het hemelwater kan worden verwerkt, waarbij infiltratie de voorkeur heeft. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt het hemelwater vastgehouden en vertraagd afgevoerd. De gemeente hanteert vooralsnog een bergingseis van 30 mm voor een voorziening met een overloopvoorziening en 50 mm voor een voorziening zonder overloopvoorziening.
De gemeente is verantwoordelijk voor de verwerking en infiltratie van het hemelwater van het openbare terrein. Ten aanzien van infiltratiesystemen streeft de gemeente naar systemen die, bij voorkeur zichtbaar zijn, eenvoudig zijn aan te leggen en te monitoren, makkelijk zijn te reinigen en die goed functioneren. 4.10.2 Onderzoek Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 m-mv voor bebouwing en 0,5 meter ter plaatse van de tuinen. Ter plaatse is een Hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand te verwachten (BRO bodemkaart 2018). Naar verwachting zal deze bodem een slechte tot matige doorlatendheid hebben en volgens de bodemdoorlatendheidskaart van het waterschap Limburg zal de infiltratiesnelheid tussen de 0,45 en 0,75 m/d liggen.
Hoofdstuk 4
41
De toplaag van de bodem behoort tot de Formatie van Boxtel en heeft een dikte van circa 8 meter. Dit laagpakket wordt gekenmerkt door grijs tot geel zeer fijn tot zeer grof zand (105-420 μm), lokaal siltig of grindig. De freatische grondwaterstroming is globaal oostelijk gericht. Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied en zover bekend zijn er geen (grond)waterverontreinigingen aanwezig. Voor zover bekend zijn er geen meldingen van grondwateroverlast bekend op de locatie van het plangebied. Oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen oppervlaktewateren welke opgenomen zijn in de leggerkaart van het Waterschap Limburg. De meest nabijgelegen primaire watergang bevindt zich op meer dan 200 meter van het plangebied. Daarnaast zijn er verder geen waterstaatswerken gelegen in de omgeving van het plangebied. Afvalwater Er zijn reeds woningen en kantoren aanwezig binnen het plangebied welke op het gemeentelijk rioolstelsel aangesloten zijn. Bij de nieuwbouw worden de waterstromen op eigen terrein 100% gescheiden gehouden. Het afvalwater van de nieuwe zorgwoningen en gezondheidscentrum wordt op het gemeentelijk stelsel aangesloten. Voor de wijzigingen aan de rioolaansluiting op het gemeentelijk stelsel dient te zijner tijd een aanvraag gedaan te worden bij de gemeente Horst aan de Maas.
Het hemelwater wordt bij voorkeur op eigen terrein verwerkt. Hemelwater De bestaande verharding van de kassen loopt af naar de waterbassins. Zover bekend zijn de woningen aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Bij de herontwikkeling wordt een gescheiden stelsel aangelegd. Dit dient op eigen terrein verwerkt te worden. Door de sloop van de huidige kantoorruimte en (zorg)woningen en het realiseren van de nieuwe zorgwoningen en ondergeschikte maatschappelijke voorzieningen binnen twee gebouwen is de verwachting dat het verhard oppervlak afneemt. Vanuit het geldend beleid is het geadviseerd om bij ontwikkelingen 100 mm hemelwaterverwerking op eigen perceel in te passen. Dit kan op het toekomstige perceel ingepast worden middels bijvoorbeeld een kleinschalige wadi danwel direct laten infiltreren in de bodem ter plaatse van de voorgenomen groenelementen. In wordt het hemelwater bovengronds verwerkt en kan vertraagd worden afgevoerd naar de ondergrond. Op de toekomstige percelen is afdoende ruimte aanwezig om het hemelwater te verwerken gezien de bestaande verharde situatie. 4.10.3 Conclusie Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
42
4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Volgens de Archeologische Maatregelenkaart van de gemeente Horst ligt de gehele onderzoekslocatie in een gebied met categorie 3: gebied met een hoge archeologische waarde, historische kern Het noordoostelijk deel van de onderzoekslocatie ligt in een zone met categorie 3: gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Er geldt een onderzoeksplicht bij Categorie 3 bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat de locatie onderzoeksplichtig is.
4.11.2 Onderzoek Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek uitgevoerd10. Navolgend worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in alle boringen de oorspronkelijke bodem is opgenomen in de opgebrachte bovengrond. Deze boringen vertonen een zogenaamd A-C profiel. De verwachte bodems (hoge zwarte enkeerdgronden) zoals beschreven in het bureauonderzoek, zijn aanwezig in de vorm van een homogeen pakket, er zijn geen indicaties voor een plaggendek. Uitgaande van de boorprofielen kan worden gesteld dat het plangebied tot minimaal in de top van de Chorizont geroerd is. Hierbij is de oorspronkelijke bodemopbouw verdwenen en volledig opgenomen in de bovenliggende ploeglaag. Bodemkundig gezien is sprake van een geroerd, overwegend matig humeus dek (A(p)-horizont). Deze is gelegen op weinig veranderd en afgetopt uitgangsmateriaal (C-horizont). In geen enkele boring zijn resten aangetroffen van een inspoelingshorizont (B-horizont) of van een bovenliggende uitspoelingshorizont (Ehorizont). De mate van verstoring is door de oorspronkelijke accentuering van het plangebied (dekzandrug) lastig te bepalen.
In sommige gevallen kan worden vastgesteld dat de verstoring tot 130 cm -mv kan doorlopen, maar dit is zeker niet in alle boringen het geval. In de zuidelijke boringen 9 t/m 13 is er sprake van een zogenaamde Apb-Horizont, het betreft een oude akkerlaag waar sporen houtskool in voorkomen. Aangezien de bodem geroerd blijkt te zijn tot diep in de C-horizont en de oorspronkelijke E-, B- en B/C-horizont reeds zijn opgenomen in de bovenliggende A-horizont, danwel dusdanig zijn verrom-
10
Aeres Milieu, Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, door middel van boringen Mikadoterrein te Horst, d.d. 4 juni 2020
Hoofdstuk 4
43
meld/verstoord, wordt de hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor intacte vuursteenvindplaatsen uit het paleolithicum tot en met het mesolithicum bijgesteld naar laag. Deze vindplaatsen zijn namelijk zeer kwetsbaar en zullen indien deze aanwezig geweest zijn alleen nog ex-situ kunnen worden aangetroffen. Meer sedentaire vindplaatsen uit de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen kunnen, afhankelijk van de mate van verstoring, nog voorkomen in de top van de C-horizont in de noordelijke delen van het plangebied. Echter zal er dan alleen sprake zijn van de dieper reikende sporen als bijvoorbeeld (water)putten, kuilen en greppels. In het zuidelijke deel van het plangebied geldt echter dat de context van deze sporen mogelijk beter bewaard is gebleven. Dit hangt samen met het aantreffen va neen Ap-horizont ter plaatse. De verwachting voor de periode na het mesolithicum blijft dan ook voor het zuidelijke deel van het plangebied (ter hoogte van boringen 9 t/m 13) onveranderd hoog, dit wordt voor het noordelijke deel van het plangebied bijgesteld naar middelhoog. Op basis van deze gegevens wordt geadviseerd dat er een vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd. Dit onderzoek vindt bij voorkeur plaats middels proefsleuven. Hiervoor is een Programma van Eisen opgeteld11.
Nadat het Programma van Eisen was goedgekeurd door het bevoegd gezag, is in het middendeel een proefsleuvenonderzoek12 uitgevoerd. Het evaluatierapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder worden de conclusies weergegeven. Op basis van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek (IVO-P) is vastgesteld dat de oorspronkelijke bodem in het plangebied volledig verdwenen is en waarschijnlijk opgenomen in het bovenliggende akkerpakket. Mogelijk zijn hierdoor eventueel aanwezige bewoningssporen verdwenen of resteren enkel nog de dieper ingegraven bewoningssporen, zoals de drinkkuil die terug gevonden is. Anderzijds kan het zo zijn dat het plangebied, tot de recentelijk gesloopte bebouwing, nooit bewoning heeft gekend en zijn de aangetroffen twee paalkuilen en drinkkuil perifere sporen, zoals deze aangetroffen kunnen worden in gebieden die niet intensief bewoond zijn geweest, zoals: akker- en weiland. Het vrijwel ontbreken van vondstmateriaal lijkt dit laatste te onderbouwen. Doorgaans wordt in nederzettingen namelijk meer vondstmateriaal aangetroffen, ook verploegd in het afdekkende akkerpakket. Alhoewel dit niet altijd het geval hoeft te zijn, getuige onder meer een opgraving van vijf huisplaatsen uit de Romeinse tijd, waarbij ook slechts een paar scherven uit die periode werden aangetroffen.
Het evaluatierapport is ter beoordeling voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag adviseert een proefsleuvenonderzoek uit te voeren in het zuidelijke deel van het plangebied. 4.11.3 Conclusie Er dient een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden voor het zuidelijke gedeelte van het plangebied. Ter bescherming van de archeologische waarden wordt de archeologische dubbelbestemming gehandhaafd. Het archeologische proefsleuvenonderzoek zal voor de aanvraag van de omgevingsvergunning worden uitgevoerd.
11 12
Aeres Milieu, Programma van Eisen Locatie Mikadoterrein te Horst, d.d. 7 juni 2022. Aeres Milieu, Evaluatierapport Archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven Mikado terrein te Horst (Horst aan de Maas), projectnr.: AM21449-2, d.d. 28 september 2022.
Hoofdstuk 4
44
4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.12.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op mogelijk aanwezige rijksmonumenten. Het dichtstbijzijnde gelegen cultuurhistorisch waardevolle element betreft de Deken Creemerstraat, een weg ouder dan 1806. Daarnaast liggen kleine delen van het plangebied in cultuurhistorische elementen (vlak), te weten enkeerdgrond en cultuurhistorisch landschap: bouwland.
Doordat het tracé van de Deken Creemerstraat intact blijft, en er verder geen cultuurhistorisch waardevolle elementen en monumenten aanwezig zijn binnen, of in de omgeving van het plangebied, is nader onderzoek voor wat betreft cultuurhistorie niet noodzakelijk. 4.12.3 Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.13 Bezonning/schaduwwerking In Nederland bestaan geen wettelijke regels omtrent de bezonning van percelen en gevels. Wel dient het aspect in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden beschouwd. Het voorliggende bestemmingsplan ziet op het amoveren van de huidige bebouwing om ruimte te creëren voor de realisatie van zorgwoningen en ondersteunende maatschappelijke voorzieningen. De zorgwoningen met ondersteunende voorzieningen worden verdeeld over twee gebouwen. Vanwege de wijzigingen in de bebouwingsmogelijkheden en de aanwezigheid van omliggende woningen in de nabijheid van het plangebied, is vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening en zorgvuldige belangenafweging een studie naar de schaduwwerking uitgevoerd. Deze is als bijlage opgenomen13. Voor deze studie is een systematiek gebruikt, welke is afgeleid van de zogenaamde Haagse Norm. De Haagse Norm is gebaseerd op de TNO-richtlijn welke bestaat uit een ‘lichte’ en ‘strenge’ richtlijn.
13
Studio Komma, Zonnestudie project Mikado te Horst, d.d. 12 april 2021
Hoofdstuk 4
45
In het bezonningsdiagram wordt de volgende richtlijn getoetst: Ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 21 maart tot en met 21 september op de gevel en op een gedeelte van een perceel. In de bezonningsstudie zijn de relevante percelen en gevels van omliggende woningen onderzocht op het effect van de nieuwbouw ten aanzien van bezonning/schaduwwerking. Hieruit blijkt dat alleen in de winterperiode voor de woningen op de locatie Deken Cremerstraat 58 en 60 sprake is van meer schaduw op de zuid- en zuidwestelijke gevel en het oostelijke deel van deze percelen. Daarbij is voor andere gevels van omliggende woningen wel sprake van voldoende bezonning en wordt in december doorgaans niet in de tuin gezeten. Vanuit bezonning en schaduwwerking zijn geen belemmeringen te verwachten vanwege de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
4.14 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.14.1 Toetsingskader Bij besluit van 21 februari 2011 zijn het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten, die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Op 16 mei 2017 is een herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. 4.14.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling14 opgesteld.
Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht. In de notitie wordt het bevoegd gezag geadviseerd te besluiten dat er geen MER behoeft te worden vastgesteld.
14
BRO, Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling, bestemmingsplan Mikado, d.d. 23 december 2021
Hoofdstuk 4
46
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
Hoofdstuk 5
47
Hoofdstuk 1: Inleidende regels In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan: Begrippen: In deze regels zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begrippen zijn alleen nodig wanneer die gebruikt worden in de regels en wanneer deze tot verwarring kunnen leiden of op meerdere manieren te interpreteren zijn. Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komt de bestemming aan de orde. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functie. Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd.
Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart). Afwijken van de bouwregels: burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning bepaalde oppervlaktematen van bijgebouwen en herbouw van een woning buiten het bouwvlak, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden. Hoofdstuk 3: Algemene regels In het derde hoofdstuk zijn de regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels.
Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene gebruiksregels: deze regels geven algemene regels over wat onder een strijdig gebruik wordt verstaan. Ook is een regeling opgenomen ter waarborging van voldoende parkeergelegenheid. Algemene afwijkingsregels: in deze regels is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.