CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04c Toelichting

Gemeenteraad 10 september 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Hogenbos 10-14 te Meerlo.22.995 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deze nieuwe invulling moet op lange termijn voorzien in inkomen voor de initiatiefnemers. Tussen de gemeente Horst aan de Maas en initiatiefnemers is een anterieure overeenkomst (saneringsovereenkomst) gesloten waarin wederzijdse rechten en plichten ten aanzien van de saneringsregeling en nieuwe gebruiksmogelijkheden zijn vastgelegd. Een deel van de rechten en plichten betreft harde afspraken, zoals de verplichting tot het slopen van bebouwing en het intrekken van de noodzakelijke vergunningen. Het andere deel van de verplichtingen diende na het sluiten van de saneringsovereenkomst nog verder te worden uitgewerkt. Een belangrijk deel van de nadere uitwerkingsverplichtingen betrof de exacte invulling van het planologisch-juridisch kader. Met het deel van het varkensbedrijf op Hogenbos 10 kon niet worden deelgenomen aan de SRVregeling. De initiatiefnemers hebben in overleg met de gemeente besloten de varkenshouderijactiviteiten op dit deel van het bedrijf ook volledig te staken om zo een maximale milieukundige en ruimtelijke kwaliteitswinst te behalen. Ook voor dit deel van het bedrijf zijn alle vigerende rechten en vergunningen ingetrokken. De sanering van dit deel van het varkensbedrijf alsmede de toekomstige hergebruiksmogelijkheden zijn vastgelegd in de saneringsovereenkomst.

Enkele belangrijke afspraken uit de saneringsovereenkomst zijn: • De veehouderij-activiteiten op Hogenbos 14 worden volledig en definitief gestaakt; • De initiatiefnemers hebben uiterlijk voor een vastgestelde datum alle opstallen verwijderd en houden deze verwijderd; 23

• • • •

• •

De milieuvergunning wordt volledig ingetrokken; De Wnb-vergunning wordt ingetrokken met behoud van 15% stikstof voor toekomstige ontwikkelingen; De veehouderij-activiteiten op Hogenbos 10 worden ook volledig gestaakt; De gemeente spant zich in om de enkelbestemming “Agrarisch” met waarden” te herbestemmen naar de enkelbestemming “Bedrijf” met een nadere aanduiding die de verhuur van bedrijven in de categorieën 1 en 2 en daarmee qua milieuimpact vergelijkbare bedrijven mogelijk maakt; De concrete uitwerking van de planologische herbestemming vindt in nader overleg tussen partijen plaats. De gemeente verleent medewerking aan de realisatie van een zonneweide van 1,5 hectare op de locatie.

Milieuwinst Met deelname aan de SRV regeling is op verschillende vlakken forse milieuwinst behaald. De winst bedraagt onder andere: • Afname van geurbelasting op de kernen Meerlo en Tienray en burgerwoningen in de kernrandzone van Meerlo; o Opheffen overbelaste situatie op de kernen Meerlo en Swolgen met betrekking tot het aspect ‘geur’; o Totale afname van 119.230.6 OUe/s; • Forse afname van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden Maasduinen en Boschhuizerbergen; o Totale afname van 6.073,41 kg NH3; • Afname van fijnstofemissie op de omgeving; o Totale afname 860.598 gr/jaar; • Afname van het aantal varkens; o 1.353 zeugen; o 6.540 gespeende biggen; o 3.765 vleesvarkens, opfokzeugen en beren. Het deel van het varkensbedrijf op Hogenbos 10 is in overleg met de gemeente vanaf 1 juli 2021 gestaakt zonder deelname aan de SRV-regeling. Voor deze sluiting is door de initiatiefnemers geen subsidie verkregen.

De staking van dit deel van het bedrijf heeft de volgende milieuwinst tot gevolg: • Afname van geurbelasting op de kernen Meerlo en Tienray en burgerwoningen in de kernrandzone van Meerlo; o 26.151 OUe/s; • Forse afname van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden Maasduinen en Boschhuizerbergen; o Totale afname 1.137 kg NH3; o Een gedeelte van de stikstofrechten is door de gemeente gekocht, dit heeft effect op de daadwerkelijk stikstofafname; • Afname van het aantal varkens; o 1137 vleesvarkens. De nadere overleggen met de gemeente hebben geresulteerd in een gedragen plan voor nieuwe toekomstige ontwikkelingen op de saneringslocatie. De verschillende onderdelen van het planvoornemen worden hieronder toegelicht. Verhuur opslag- en bedrijfsruimtes In het flankerend beleid zijn mogelijkheden opgenomen voor hergebruik van de saneringslocaties voor niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten in de milieucategorieën 1 en 2 en daarmee qua milieuimpact vergelijkbare bedrijven en activiteiten. Vanuit de relatief grote behoefte aan nieuwe bedrijfsruimtes is het idee ontstaan om nieuwe loodsen te bouwen voor de verhuur van opslag- en bedrijfsruimtes.

Deze plannen zijn door de initiatiefnemers in samenwerking met de gemeente verder uitgewerkt en hebben geleid tot een gedragen plan dat voorziet in het bouwen van nieuwe loodsen en het hergebruiken van bestaande loodsen (Hogenbos 10) voor de verhuur van opslag- en bedrijfsruimtes. 24

Alle nieuwe bebouwing wordt binnen het voormalige agrarische bouwvlak opgericht om het ruimtegebruik beperkt te houden. In het bestemmingsplan worden regels opgenomen ten aanzien van de maximale oppervlakte aan bebouwing en het gebruik van de loodsen. De ruimtes mogen enkel verhuurd worden aan bedrijven die op de locatie activiteiten uitvoeren in de milieucategorieën 1 en 2 en daarmee qua milieuimpact vergelijkbare activiteiten. Zonneweide Op de daken van de voormalige varkensstallen lagen tot het moment van sanering zonnepanelen. De zonnepanelen zijn in het verleden geplaatst in het kader van verschillende SDE-subsidies. De SDEsubsidies hebben een lange looptijd van 15 jaar. Verwijderen of tijdelijk niet gebruiken van de zonnepanelen is in het kader van SDE-subsidie niet zomaar mogelijk. Daarnaast zou verwijdering van de zonnepanelen enkel leiden tot kapitaalvernietiging en verlies van duurzame energiesystemen. Door de zonnepanelen direct na demontage op de daken in veldopstelling te plaatsen kan het opwekken van duurzame energie in het kader van de SDE-subsidie worden voortgezet. Over de verplaatsing van de zonnepanelen naar een veldopstelling heeft overleg met de gemeente en de provincie Limburg plaatsgevonden en is een akkoord bereikt over de realisatie van een zonnepark van maximaal 1,5 hectare.

Ook met het RVO is overeenstemming bereikt over het plaatsen van de zonnepanelen in veldopstelling. De realisatie van de zonnepark heeft in 2021 plaatsgevonden. Sanering van de bedrijfsgebouwen was immers niet mogelijk zonder verwijdering van de zonnepanelen. De zonnepanelen zijn geplaatst buiten het vigerend bouwvlak op gronden met de bestemming “Agrarisch met waarden”. Op deze gronden is de bouw van een zonnepark niet direct mogelijk. Ten behoeve van de realisatie van het zonnepark is met toepassing van artikel 4 lid 11 van bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht (Bor) is op 15 januari 2021 een tijdelijke omgevingsvergunning verleend. In dit bestemmingsplan is een permanente planologisch-juridische regeling voor het zonnepark opgenomen. Behoud grondgebonden agrarische activiteiten De initiatiefnemers beschikken nog over 20 hectare landbouwgronden en wensen deze in de toekomst zelf te kunnen blijven bewerken. Daarnaast worden op de locatie 5 paarden gehouden voor hobbymatige activiteiten en worden 50 schapen gehouden voor het beweiden van het zonnepark. In overleg met de gemeente is dan ook overeengekomen dat grondgebonden agrarische activiteiten op de locatie blijven toegestaan. Planologisch-juridische regeling In dit bestemmingsplan zijn bovenstaande ontwikkelingen in planologisch-juridische zin geborgd.

Bedrijfsbestemming De enkelbestemming “Bedrijf” is de basis van de planologisch-juridische regeling. Het voormalig agrarisch bouwvlak en het grootste deel van de enkelbestemming “Agrarisch met waarden” zijn gewijzigd in de enkelbestemming “Bedrijf”. Het bouwvlak van het voormalig agrarisch bedrijf is overgenomen en vormt nu het bouwvlak voor de enkelbestemming “Bedrijf”. Op het bouwvlak komt tevens de functieaanduiding ‘Specifieke vorm van bedrijf - Opslag en verhuur bedrijfsruimtes’ te liggen. Binnen de enkelbestemming “Bedrijf” zijn bedrijven in de categorieën 1 en 2 en daarmee qua milieuffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten toegestaan zoals opgenomen in een bijlage bij de regels. Door de toevoeging van de functieaanduiding ‘Specifieke vorm van bedrijf – Opslag en verhuur bedrijfsruimtes’ wordt in de regels tevens het gebruik van gronden en gebouwen voor verhuur van opslag en bedrijfsruimtes in de milieucategorieën 1 en 2 en daarmee qua aard en omvang vergelijkbare bedrijven en activiteiten mogelijk gemaakt. Binnen het bouwvlak zijn tevens de functieaanduidingen ‘Specifieke vorm van agrarisch – grondgebonden’ en ‘Specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ toegevoegd. De aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – grondgebonden’ maakt de uitoefening van akker- en tuinbouwactiviteiten mogelijk.

Met de aanduiding ‘Specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ wordt het houden van 50 schapen en 5 paarden mogelijk gemaakt. Het houden van deze dieren valt onder de 25

begripsbepaling van ‘veehouderij’. Met deze functieaanduidingen worden géén intensieve veehouderijactiviteiten meer mogelijk gemaakt. De aanduiding ‘intensieve veehouderij is geheel vervallen. Bedrijfswoningen Binnen de enkelbestemming bedrijf blijven de drie bedrijfswoningen behouden. Voor de bedrijfswoningen is een aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 3’ opgenomen. Zonneweide De gronden onder de zonneweide blijven de enkelbestemming “Agrarisch met waarden” behouden. Op de gronden is de functieaanduiding ‘Specifieke vorm van agrarisch – Zonnepark’ toegevoegd. Binnen deze aanduiding is het oprichten en exploiteren van een zonnepark met een maximale grote van 1,5 hectare mogelijk. Landschappelijke inpassing Een landschappelijk inpassingsplan is onderdeel van dit bestemmingsplan. In dit landschappelijk inpassingsplan is de te leveren kwaliteitsbijdrage en groenaanplant beschreven en vastgelegd. Om de landschappelijke inpassing ook juridisch te borgen is een voorwaardelijke verplichting ‘landschappelijke inpassing’ opgenomen op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan. Het landschappelijk inpassingsplan is ook geborgd in een tussen de initiatiefnemer en de gemeente gesloten anterieure overeenkomst. Op deze wijze is de landschappelijke inpassing juridisch verankerd en zijn realisatie en instandhouding gegarandeerd.

Het waterplan is ook onderdeel van het landschappelijk inpassingsplan en is eveneens geborgd door de voorwaardelijke verplichting en de anterieure overeenkomst. Verbeelding De verbeelding van het bestemmingsplan is in figuur 8 weergegeven.

Figuur 7: Verbeelding bestemmingsplan

Stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten 26

Het bestemmingsplan voorziet in het planologisch-juridisch borgen van de in het kader van de SRVregeling gemaakte afspraken. Een deel van deze afspraken is inmiddels vertaald in verleende omgevingsvergunningen. In 2021 is een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van de zonneweide. In 2022 is de omgevingsvergunning voor de realisatie en gebruik van de nieuwe bedrijfsgebouwen verleend. Deze omgevingsvergunningen worden opgenomen in de planologischjuridische regeling. Daarnaast wordt het gebruik van de gronden voor bedrijfsmatige activiteiten en opslag en verhuur vastgelegd in het bestemmingsplan. Dit geldt ook voor de kleinschalige agrarische activiteiten. De bebouwing in het gebied is beperkt en bestaat hoofdzakelijke uit burgerwoningen en agrarische (intensieve veehouderij) bedrijven. Een steeds groter gedeelte van de bedrijven in het gebied is of wordt de komende jaren gestaakt. Bebouwing De bedrijfsgebouwen worden geheel binnen de bedrijfscontouren van het voormalig varkensbedrijf opgericht. Het bouwvlak is overgenomen binnen de enkelbestemming “Bedrijf”. Het planvoornemen voorziet dan ook niet in ruimere mogelijkheden voor de realisatie van bebouwing en enkel in hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie.

Door hergebruik van deze voormalige agrarische locatie blijft de ruimtelijke, stedenbouwkundige en visuele impact van het planvoornemen op de directe omgeving dan ook beperkt. Op het noordelijk deel van het bouwvlak blijft de bebouwing die voorheen behoorde tot Hogenbos 10 behouden. Deze bebouwing bestaat uit varkensstallen die in de jaren ’80 zijn gebouwd. De goot- en bouwhoogtes zijn beperkt. De daken van de bebouwing zijn volledig asbestvrij. Het zuidelijk deel van het bouwvlak, behorende tot Hogenbos 14, is volledig gesaneerd. De bebouwing op dit deel van het bouwvlak bestond uit moderne varkensstallen met de bijbehorende grote oppervlaktes en goot- en bouwhoogtes. De nieuwe bebouwing op dit deel van het plangebied bestaat uit gebouwen met goothoogtes variërend van 3,5 tot 7 meter en bouwhoogtes variërend van 7 meter tot 12 meter. Een gedeelte van de constructies van de voormalige varkensstallen is hergebruikt in de loodsen. Voor alle andere delen van de loodsen, waaronder de uitwendige delen, is gebruik gemaakt van hoogwaardige en duurzame materialen. Over de vormgeving en het materiaalgebruik heeft overleg plaatsgevonden met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit die de plannen heeft beoordeeld en akkoord heeft bevonden.

27

Bij de inrichting van het terrein rondom de nieuwe loodsen is ook gebruik gemaakt van duurzame en hoogwaardige materialen.

Figuur 8: Aanzicht nieuwe bebouwing

Groenstructuur Het initiatief ligt in het ‘Rivierdallandschap’ waarvoor de volgende doelstellingen zijn geformuleerd: • Goed omgaan met de beperkte opnamecapaciteit voor nieuwe functies (met name verstedelijking), dreigende ecologische verarming en het verdwijnen van solitaire bomen en struiken; • Aansluiten bij bestaande landschapssstructuur, waarborgen cultuurhistorisch waardevolle gebieden en specifieke natuurwaarden, stimuleren van recreatief medegebruik en ontwikkelen duurzaam landbouwkundig gebruik; • Nieuwe functies zijn mogelijk, mits ze een landschappelijke meerwaarde opleveren. De groenstructuren in de directe omgeving zijn beperkt solitaire bomen en struiken in de velden. Aan de overzijde van Hogenbos staat een bos van beperkte omvang. Daarnaast beperken de groenstructuren zich tot beplanting rondom bestaande bebouwing die in het geval het de planlocatie onderdeel is van de landschappelijke inpassing. Het gebied kenmerkt zich door een hoge mate van openheid. Verkeersstructuur De verkeersstructuur bestaat uit een beperkt aantal erftoegangswegen die zijn aangelegd rondom bestaande historische structuren (watergangen, laagtes, hooges, aanwezig groen) in het gebied. De belangrijkste functie van de verkeersstructuur betreft de ontsluiting van de bebouwing en percelen in het gebied. Primair vervult Hogenbos geen doorstroomfunctie.

Het plangebied wordt in noordelijke richting ontsloten richting Meerlo en de Tienrayseweg die het gebied vervolgens in noordelijke richting naar Venray en in zuidelijke richting naar de A73 en Horst ontsluit. In zuidelijke richting wordt het plangebied ontsloten via de kern Tienray.

Functionele structuur De functionele structuur van het gebied kenmerkt zich hoofdzakelijk door grootschalig agrarisch grondgebruik. De agrarische percelen worden afgewisseld door de natuur- en bospercelen van beperkte omvang. De percelen zijn, mede door de ruilverkaveling, in de meeste gevallen grootschalig en rechtlijnig van opzet. Op de percelen vindt hoofdzakelijk akkerbouw plaats. De beperkte bebouwing in het gebied bestaat uit burgerwoningen en agrarische bedrijven. 28

Historische ontwikkeling In de 19de eeuw was er als sprake van bebouwing binnen het plangebied. Het betrof in dit geval woningen op de locaties van de huidige woningen op Hogenbos 8 en 14. In die periode was sprake van zelfvoorzienende kleinschalige agrarische bedrijven. De kleinschaligheid bleef tot net na de tweede wereldoorlog behouden. In de periode na de tweede wereldoorlog heeft op beide locaties een groei en ontwikkeling van de bedrijven en bebouwing plaatsgevonden.

Figuur 9: Historische ontwikkeling van linksboven met de klok mee 1890 – 1945 – 1980 -2010 (Topotijdreis)

In de jaren ’80 heeft vervolgens samenvoeging van beide bedrijven plaatsgevonden. In de jaren ’90 heeft de schaalvergroting in de agrarische sector geleid tot verdere ontwikkeling van het agrarisch bedrijf. De groei van het bedrijf ging in deze periode gepaard met de toevoeging van nieuwe stallen en een groter ruimtegebruik. In figuur 8 is de historische ontwikkeling van het plangebied in kaarten weergegeven. Cultuurhistorie Binnen het plangebied staan geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen of groenstructuren.

29

3.3. Landschappelijke inpassing In het kader van de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe loodsen is in 2022 een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In het landschappelijk inpassingsplan is niet alleen rekening gehouden met inpassing van de in de omgevingsvergunning aangevraagde bebouwing maar ook met de nog te volgen ruimtelijke procedure voor het gehele plangebied. Het landschappelijk inpassingsplan is dan ook dekkend voor het gehele plangebied. Ook de zonneweide en het noordelijk deel van het bedrijf zijn meegenomen in de landschappelijke inpassing. Het landschappelijk inpassingsplan is hieronder weergegeven. In de bijlage bij deze toelichting is het volledige landschappelijk inpassingsplan opgenomen. Landschap Landschappelijk gezien is het totale bedrijf grotendeels ingeklemd in beekdalen en oude rivierlaagtes. Vandaar is het goed dat de inpassing bijdraagt aan deze basis. Door de zijdes van bebouwing en zonneweide met stevige groene elementen in te passen, versterkt dit deze kleinschaligere landschapstypen. De beekloop en natuurgebied wordt hiermee met een kleinschaliger decor van groen omgeven. Door de voorzijde van de bedrijfsentrees juist met hagen en bomen aan te kleden, vormt dit het visitekaartje van deze plek, wart verder omgeven is door het inpassings en omliggende groen.

Met verder op het terrein inzet om groene elementen in te brengen draagt bij aan een aantrekkelijk klimaat om te werken en te vertoeven. Zowel voor de werknemers in de pauze als de bestaande woningen, die hun eigen groene ruimte creëert om hier te vertoeven. Ecologie en biodiversiteit De robuuste groene landschapselementen binnen het plangebied sluiten goed aan op het natuurgebied aan de overzijde van de weg. Door struweelranden langs de beekloop en zonneweide een verbinding en versterking te laten maken tussen het broekbosje en nieuwe natuurlijke infiltratievijver-met extensief grasland versus het natuurgebied, versterkt dit de waarde van de nieuwe groene elementen. Ook sluit het nog meer aan op de aangrenzende waterloop. Een negatief effect op soorten is uit onderzoek niet gebleken en met deze natuurlijke inrichting wordt het juist een positieve meerwaarde voor deze plek.

Figuur 10: Landschappelijke inpassing noordelijk deel

30

Een inrichting met streekeigen soorten, variatie en het beheer gericht op natuurlijke variatie en biodiversiteit zal voor soorten schuil en nestgelegenheid bieden en ook foerageermogelijkheden.

Figuur 11: Landschappelijke inpassing zuidelijk deel

Water Het waterplan dat in paragraaf 4.2 is opgenomen is onderdeel van het landschappelijk inpassingsplan. Aan de achterzijde van de zonnepark is een infiltratievijver met een totale inhoud van 2.700 m3 aangelegd. In deze infitlratievijver wordt het hemelwater van de bedrijfsgebouwen en de verhardingen opgevangen en kan het water infiltreren in de bodem. De landschappelijke inpassing en het waterplan zijn middels een voorwaardelijke verplichting geborgd in het bestemmingsplan.

31

4. 4.1.

Sectorale aspecten Inleiding

Bij de realisatie van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met de mogelijke (milieu)effecten van het beoogde planvoornemen op de omgeving en vanuit de omgeving. In dit hoofdstuk komen alle voor het planvoornemen relevante milieuaspecten aan bod. Voor dit planvoornemen betreft het in ieder geval de aspecten geluid, bodem en grondwaterkwaliteit, gebiedsbescherming Natura2000gebieden en soortenbescherming, woon- en leefklimaat en de milieu-invloed van bedrijvigheid. In het kader van de SRV-regeling heeft uitgebreid overleg en afstemming met de gemeente plaatsgevonden. Deze overleggen hebben geleid tot het planvoornemen zoals beschreven in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Ook over de uit te voeren onderzoeken heeft vooraf overleg plaatsgevonden. Ten behoeve van het planvoornemen zijn de noodzakelijke milieumeldingen ingediend.

4.2.

Milieuaspecten

Omgevingsvergunning milieu Ten behoeve van het planvoornemen is in 2022 een melding in het kader van het Activiteitenbesluit ingediend. Milieueffectrapportage Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Het planvoornemen voorziet in de herontwikkeling van een voormalige agrarische bedrijfslocatie in een niet-agrarische bedrijfslocatie met een bedrijfsvloeroppervlakte van circa 20.000 m2. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of; • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.

kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”. Aangezien in dit geval sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 2.000 woningen omvat, is geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Het planvoornemen voorziet niet in de realisatie van een activiteit die een van de grenswaarden in categorie D11.2 overschrijd. Het planvoornemen voorziet in een wijziging naar de enkelbestemming “Bedrijf” en de realisatie van nieuwe bedrijfsbebouwing. De bedrijfsvloeroppervlakte van de nieuwe en bestaande bebouwing is na volledige realisatie van het project circa 19.500 m2. Er is dan ook geen sprake van een MER-beoordelingsplicht voor het planvoornemen. Op basis van bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling is een beoordeling alsnog noodzakelijk indien activiteiten wel voorkomen in de C- en D-tabellen van het Besluit milieueffectrapportage maar de grenswaarden niet overschrijden. In dat geval is een zogenaamde vormvrije MER-beoordeling noodzakelijk. Met deze vormvrije MER-beoordeling dient te worden aangetoond dat het planvoornemen geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft.

In deze toelichting en bijlagen heeft een beoordeling van verschillende relevante milieuaspecten plaatsgevonden. In dit wijzigingsplan wordt dan ook ingegaan op alle in de EU richtlijn milieubeoordeling aangegeven criteria die hieronder zijn opgenomen: 1. De kenmerken van het project; 32

2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die het project kan hebben; Omdat alle relevante aspecten in de toelichting bij dit bestemmingsplan aan de orde komen is dit bestemmingsplan tevens de vormvrije MER-beoordeling. Hieronder is beschreven in welke hoofdstukken en paragrafen de hierboven genoemde criteria zijn opgenomen. 1. De kenmerken van het project; De omschrijving en kenmerken van het project zijn te vinden in hoofdstuk 1 waar een globale beschrijving van het planvoornemen is opgenomen. In hoofdstuk 3 is een uitgebreide (milieukundige) planbeschrijving opgenomen. In hoofdstuk 5 zijn de milieukundige gevolgen van het planvoornemen (geur, geluid, fijnstof, ammoniak, verkeer, externe veiligheid, bodem, lucht en water) beschreven. 2. De plaats van het project; De plaats van het project is beschreven in hoofdstuk 1 en 3. In hoofdstuk 3.2 is de landschappelijke inpassing van het project in de omgeving beschreven. 3. De kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die het project kan Hebben. De mogelijke gevolgen van het planvoornemen op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 5 van deze toelichting en in de bijbehorende bijlagen bij dit bestemmingsplan zoals de Aeriusberekeningenen en de verschillende andere milieubeoordelingen.

De maximale planologische mogelijkheden zijn in het bestemmingsplan beperkt doordat binnen het bouwvlak een maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing is opgenomen. Daarnaast is het bouwvlak van het voormalig agrarisch bedrijf overgenomen waardoor niet voorzien wordt in ruimere bouwmogelijkheden. Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen en volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand precies (minimaal) aangehouden moet worden, is niet wettelijk vastgelegd. Welke afstand aanvaardbaar is, hangt op grond van de rechtspraak af van de onderbouwing die hieraan ten grondslag ligt. Het planvoornemen voorziet niet in de realisatie van een nieuwe gevoelige objecten zoals woningen. Wel kunnen binnen de enkelbestemming “Bedrijf” en de vergunde bedrijfsgebouwen personen voor langere tijd verblijven. De aan het plangebied grenzende gronden worden historisch gezien enkel gebruikt voor de teelt van typische akkerbouwgewassen zoals aardappelen, mais, prei, bieten e.d. Deze gewassen worden over het algemeen ‘laag’ gespoten. Bij het spuiten van deze gewassen is de drift van gewasbeschermingsmiddelen naar de nieuwe bedrijfsbebouwing beperkt.

De te hanteren richtafstand hangt voor een groot deel af van de frequentie en de wijze van spuiten en de toxiciteit van het middel dat gebruikt wordt bij het bespuiten van de gewassen. De boven beschreven teelten worden hoogstens enkele keren per jaar gespoten. De drift is relatief beperkt, aangezien laag bij de grond en neerwaarts wordt gespoten. Op dit moment is er ook geen enkele reden om aan te nemen dat de omliggende percelen in de nabije toekomst op een manier worden bespoten die een grote drift of het gebruik van andere of meer toxische gewasbeschermingsmiddelen tot gevolg heeft. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij gebruik van de percelen voor fruit- of boomteelt. In het bestemmingsplan is in de gebruiksregels van de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ de volgende regel opgenomen: “Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: het gebruik van de gronden voor fruitteelt en boomteelt binnen een afstand van 50 m tot (bedrijfswoningen inclusief tuinen en erven, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen, uitgezonderd en voor zover: 1. bestaand gebruik waarbij de bestaande afstand als minimale afstand dient te worden aangehouden; 2. het herplant van houtopstanden van bestaande fruitteelt en boomteelt betreft; 3.

aangetoond is dat geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, dan wel indien gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast wordt voorzien in een windsingel, gebruik wordt gemaakt van driftarme spuitdoppen en het woon- en leeflkimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies niet onevenredig worden aangetast; 33

Op de omliggende percelen vindt op dit moment geen fruit- of boomteelt plaats. Zouden de gronden in de toekomst toch (deels ) in gebruik worden genomen voor de fruit- en/of boomteelt dan zullen minimale afstanden van 50 meter tot de woonbestemming moeten worden aangehouden om mogelijke negatieve effecten van het spuiten van de (fruit)bomen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tot een minimum te beperken. 34

Daarnaast heeft het kabinet de volgende maatregelen genomen om de blootstelling van omwonenden aan gewasbeschermingsmiddelen te verminderen: • toelatingsprocedure: alle gewasbeschermingsmiddelen worden vóór goedkeuring van de werkzame stof en vóór toelating in een lidstaat beoordeeld op risico’s voor mens, dier en milieu. Anders dan voorheen kent de toelatingsprocedure nu een aparte beoordeling van de risico’s voor omwonenden; • verduurzaming van de landbouw: door onder meer het toepassen van geïntegreerde gewasbescherming (meer biologische gewasbescherming) kan gebruik van (chemische) gewasbeschermingsmiddelen verminderen; • driftarme spuittechnieken: hiermee wordt verwaaiing van gewasbeschermingsmiddelen beperkt. Met het oog op bescherming van het oppervlaktewater is in het Activiteitenbesluit milieubeheer een verplichte driftreductie opgenomen. Deze verplichte driftreductie is per 1 januari van dit jaar aangescherpt van 50% naar minimaal 75%. Anders dan voorheen, gaat deze verplichte driftreductie gelden voor het gehele perceel, ongeacht of het perceel grenst aan oppervlaktewater. De mogelijke (toekomstige) aanwezigheid van spuitzones is geen belemmering voor het planvoornemen.

Bodem- en grondwaterkwaliteit In artikel 3.1.6 lid 1, onder d van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening dient te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden de bodem dient geschikt te zijn voor het beoogde gebruik. Bij functiewijzigingen en/of de toevoeging van een nieuwe gevoelige functie in het kader van het aspect ‘bodemkwaliteit’ dient te worden bepaald of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik en of geen vervuilingen in de bodem of het grondwater aanwezig zijn die kunnen leiden tot negatieve effecten voor de gezondheid van personen. Onderhavig planvoornemen voorziet in de wijziging van de enkelbestemming “Agrarisch met waarden” in de enkelbestemming “Bedrijf”. Het agrarisch bedrijf binnen het plangebied is gesaneerd. Een bodemonderzoek is dan ook noodzakelijk. Bodeminzicht B.V. heeft een bodemonderzoek uitgevoerd voor de gronden binnen het plangebied. Op basis van dit bodemonderzoek is geconcludeerd dat in de bodem geen verontreinigingen zijn aangetroffen. De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik. Het bodemonderzoek is bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting. Het aspect ‘bodemkwaliteit’ is geen belemmering voor het planvoornemen. Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten.

Hierbij kan gedacht worden aan weg- en railverkeer maar ook aan industriële activiteiten. Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan of wijzigingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd indien het plan mogelijkheden biedt voor: • De toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidgevoelige functie binnen de zone van een weg; • De aanleg van een nieuwe weg; • De reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van de weg is afhankelijk van het aantal rijkstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. In dit geval voorziet het planvoornemen in een planologisch-juridische regeling die bedrijfsactiviteiten in de bedrijfscategorieën 1 en 2 en daarmee qua milieuimpact vergelijkbare bedrijven mogelijk maakt. De bestaande omgevingsvergunningen voor de loodsen worden ook verwerkt in de planologisch-juridische regeling. In de nieuwe loodsen worden bedrijfsruimtes verhuurd die gebruikt kunnen worden door personen om er gedurende langere tijd te verblijven. Bedrijfsgebouwen zijn echter geen geluidgevoelige 35

objecten in het kader van de Wet geluidhinder. Een toetsing van de nieuwe bedrijfsgebouwen aan het aspect ‘geluidhinder’ is dan ook niet noodzakelijk. Voor de bestaande bebouwing, waaronder de drie bedrijfswoningen, is ook geen toetsing aan de wet geluidhinder noodzakelijk. Wegverkeerslawaai Omdat niet voorzien wordt in de realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder is een toetsing aan het aspect ‘wegverkeerslawaai’ niet noodzakelijk. Industrielawaai De impact van het geluid van de inrichting is gemotiveerd in de paragraaf “Bedrijven en milieuzonering”. Zoals hier is opgenomen is er geen sprake van onevenredige geluiduitstraling vanuit de inrichting naar omliggende geluidgevoelige functies. Het bestemmingsplan voorziet in het mogelijk maken van nieuwe geluidveroorzakende activiteiten. Omdat de toegestane bedrijven en activiteiten in het bestemmingsplan echter beperkt zijn tot de milieucategorieën 1 en 2 en daarmee qua milieuimpact vergelijkbare bedrijven is de impact van mogelijke geluidhinder zeer beperkt. Voor bedrijven in deze milieucategorieën betreft de richtafstand ten aanzien van het aspect ‘geluid’ namelijk 50 meter. Binnen een straal van 50 meter van het plangebied zijn geen geluidgevoelige objecten gelegen. Er wordt dan ook ruimschoots voldaan aan de richtafstanden in het kader van het aspect ‘geluid’.

Het aspect ‘geluid’ is dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Er bestaan vanuit het aspect ´Geluid´ dan ook geen belemmeringen voor de gewenste ontwikkeling. Luchtkwaliteit Als primair kader voor onderzoek en beoordeling van de luchtkwaliteit geldt de Wet luchtkwaliteit (Wlk 2007). Deze wet vormt een onderdeel van de Wet milieubeheer en is een vertaling van Europese regelgeving ten aanzien van luchtkwaliteit in de Nederlandse wetgeving. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; • Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

NIBM Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: • Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; • Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2 µg/m3). Met behulp van de NIBM-tool 2022 is in beeld gebracht of het planvoornemen NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In deze berekeningen zijn alle toekomstige verkeersbewegingen als ‘nieuwe’ verkeersbewegingen ingevoerd. Van deze ‘nieuwe’ verkeersbewegingen mogen normaal de al bestaande verkeersbewegingen, in dit geval die van het voormalige varkensbedrijf, worden afgetrokken. In de berekening is gerekend met een 112 vervoersbewegingen per dag, waarvan 8% vrachtverkeer. Een uitgebreide onderbouwing van deze vervoersbewegingen is opgenomen in paragraaf 4.7 ‘Verkeer en parkeren’. 36

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het planvoornemen binnen het 3% criterium van de regeling NIBM blijft. Het planvoornemen draagt dan ook NIBM aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Tabel 1: Grenswaarden Wlk

Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) ligt de concentratie PM2,5 ter plaatse is 8,59 µg/m3. De concentratie PM10 is 15,87 µg/m3. En de concentratie NO2 is 11,21 µg/m3. Volgens de kaarten van het RIVM liggen de jaargemiddelde concentraties ruimschoots binnen de daarvoor gestelde grenzen in de Wet luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit is dan ook ruimschoots voldoende. Daarnaast zal de luchtkwaliteit in de toekomst, mede door de toepassing van betere technieken op tal van gebieden, nog verder verbeteren. Het planvoornemen zelf heeft een stijging van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg. Deze leidt echter niet tot een overschrijding van de NIBM-grens. Aangezien het plan ver onder de NIBM criterium van 3% blijft leidt het aantal verkeersbewegingen dan ook niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plekke en/of in de directe omgeving. Conclusie Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarden van bestaande concentraties van stof. Er wordt dan ook voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Het planvoornemen zelf heeft een stijging van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg. Maar deze leidt niet tot overschrijding van het NIBM criterium van 3%.

Het project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering is voor onderhavig planvoornemen. Geur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten. Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mag geen inbreuk ontstaan op de milieuruimte van omliggende veehouderijen. Volgens de definitie van de Wgv is een geurgevoelig object een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen en menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Een woning wordt in het kader van de Wgv aangemerkt als een geurgevoelig object. Het maakt in de beoordeling van de Wgv echter niet uit of sprake is van een bedrijfswoning of een burgerwoning. Een uitzondering op deze regel vormen bedrijfswoningen behorende tot of die op of na 19 maart 2000 zijn afgesplitst van een intensieve veehouderij. De bedrijfswoningen binnen het plangebied zijn allemaal bedrijfswoningen die op of na 19 maart 2000 behoorden tot een veehouderij en zijn in het kader van de Wgv dan ook geen geurgevoelige objecten.

Een toetsing aan de Wgv is dan ook niet noodzakelijk. Bedrijfsgebouwen waarin voor langere tijd door personen wordt verbleven zijn in het kader van de Wgv geurgevoelige objecten. In paragraaf ‘bedrijven en milieuzonering’ heeft een toetsing aan de richtafstanden in het kader van ‘Bedrijven en milieuzonering’ plaatsgevonden. Het planvoornemen ligt 37

op voldoende afstand van bedrijven in de directe omgeving om te voldoen aan de voor het aspect ‘geur’ opgenomen richtafstanden. Het planvoornemen maakt geen bedrijvigheid of activiteiten mogelijk die geuremissies in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) met zich meebrengen. Door de sanering van het varkensbedrijf zijn zelfs enkele overbelaste situaties met betrekking tot het aspect ‘geur’ opgelost. Het aspect ‘geur’ is geen belemmering voor het planvoornemen. Bedrijven en milieuzonering Algemeen Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het zoveel mogelijk voorkómen van hinder en gevaar en waar mogelijk in een acceptabel ‘woon- en leefklimaat’. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen, zorginstellingen en scholen) kan dit gerealiseerd worden. Daar waar mogelijk dient zoveel mogelijk te worden voorkomen dat hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat. Aan de andere kant dient ook aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet onevenredig in hun activiteiten en ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

Om te kunnen beoordelen of sprake is van voldoende afstand tussen hinderveroorzakende activiteiten en gevoelige functies wordt gebruik gemaakt van het toetsingskader dat is opgenomen in de VNGpublicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (BMZ). In deze publicatie zijn richtafstanden opgenomen voor verschillende aspecten zoals stof, geur, geluid en gevaar. Deze richtafstanden worden gemeten van de grens van de bestemming die de hinderveroorzakende activiteit toelaat tot de uiterste gevel van de gevoelige functie. Indien niet direct kan worden voldaan kan gemotiveerd worden afgeweken van deze richtafstanden door voor die aspecten waarvoor de richtafstanden niet worden gehaald op een andere manier aan te tonen dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Op basis van deze toetsing is het mogelijk om te beoordelen of sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Gebiedstype Het plangebied ligt in een stedelijke omgeving met een hoge mate van functiemenging. In BMZ wordt voor de toetsing gebruik gemaakt van twee soorten gebieden. Voor beide gebieden gelden andere aan te houden richtafstanden tussen hinderveroorzakende en gevoelige functies. Het eerste gebied betreft een omgeving waarin sprake is van een zeer beperkte mate van functiemenging en worden aangemerkt als ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’.

38

Het tweede gebied betreft gebieden met een relatief hoge mate van functiemenging waarin gevoelige functies afgewisseld worden met bedrijfsfuncties, horeca, maatschappelijke voorzieningen e.d. Ondanks de aanwezigheid van een groot aantal woningen kenmerkt de directe omgeving zich door een hoge mate van functiemenging.

Figuur 12: Uitsnede vigerend bestemmingsplan, plangebied met gele stippellijn aangeduid

Het bestemmingsplan geeft een goede indicatie van de mate van functiemenging in de directe omgeving van het planvoornemen. In de directe omgeving komen een beperkt aantal andere functies voor. De andere functies zijn beperkt tot agrarische bedrijven en woonbestemmingen. De omgeving is getypeerd als ‘rustig buitengebied’. De toetsing van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ is tweeledig. Het planvoornemen mag geen belemmeringen opleveren voor de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden in de directe omgeving. Andersom mogen de nieuwe bedrijfsactiviteiten die met het planvoornemen mogelijk worden gemaakt geen (extra) belemmeringen opleveren voor omliggende gevoelige objecten zoals bijvoorbeeld burgerwoningen. In het kader van dit planvoornemen heeft een toetsing op de volgende bedrijfsbestemmingen plaatsgevonden. Beekveld 5, Meerlo Op Beekveld 5 in Meerlo mag volgens het vigerend bestemmingsplan een agrarisch bedrijf worden geëxploiteerd. De exploitatie van een veehouderij en/of het bedrijfsmatig houden van dieren is niet mogelijk waardoor enkel akker- en tuinbouwactiviteiten zijn toegestaan. De locatie wordt al vele jaren niet meer gebruikt voor agrarisch bedrijfsmatige activiteiten. Akker- en tuinbouwactiviteiten zijn ingedeeld in de categorie “Akker- en fruitteelt” waarvoor de richtafstand van 30 meter voor het aspect ‘geluid’ maatgevend is.

De afstand tussen de rand van het bouwvlak van Beekveld 5 en het plangebied bedraagt 87 meter. Ten aanzien van dit bedrijf wordt ruimschoots aan de richtafstanden voldaan. Tienrayseweg 12, Meerlo Op deze locatie mag net als op Beekveld 5 een akker- en tuinbouwbedrijf worden geëxploiteerd. Akkeren tuinbouwactiviteiten zijn ingedeeld in de categorie “Akker- en fruitteelt” waarvoor de richtafstand van 39

30 meter voor het aspect ‘geluid’ maatgevend is. De afstand tussen de rand van het bouwvlak van Beekveld 5 en het plangebied bedraagt 294 meter. Ten aanzien van dit bedrijf wordt ruimschoots aan de richtafstanden voldaan. Tienraijseweg 35, Meerlo Op de Tienraijseweg 35 is een varkensbedrijf gevestigd. Varkensbedrijven zijn ingedeeld in de categorie “Fokken en houden van varkens” waarvoor de richtafstand van 200 meter voor het aspect ‘geur’ maatgevend is. De afstand tussen het bouwvlak en de rand van het plangebied bedraagt 290 meter. Ten aanzien van dit bedrijf wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Tienraijseweg 20, Meerlo Ook op de Tienraijseweg 20 is een varkensbedrijf gevestigd. Varkensbedrijven zijn ingedeeld in de categorie “Fokken en houden van varkens” waarvoor de richtafstand van 200 meter voor het aspect ‘geur’ maatgevend is. De afstand tussen het bouwvlak en de rand van het plangebied bedraagt 290 meter. Ten aanzien van dit bedrijf wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Tienrayseweg 12, Meerlo Op deze locatie mag een akker- en tuinbouwbedrijf worden geëxploiteerd. Akker- en tuinbouwactiviteiten zijn ingedeeld in de categorie “Akker- en fruitteelt” waarvoor de richtafstand van 30 meter voor het aspect ‘geluid’ maatgevend is. De afstand tussen de rand van het bouwvlak van Beekveld 5 en het plangebied bedraagt 294 meter.

Ten aanzien van dit bedrijf wordt ruimschoots aan de richtafstanden voldaan. Keuter 1a, Meerlo Op deze locatie mag een akker- en tuinbouwbedrijf worden geëxploiteerd. Akker- en tuinbouwactiviteiten zijn ingedeeld in de categorie “Akker- en fruitteelt” waarvoor de richtafstand van 30 meter voor het aspect ‘geluid’ maatgevend is. De afstand tussen de rand van het bouwvlak van Beekveld 5 en het plangebied bedraagt 270 meter. Ten aanzien van dit bedrijf wordt ruimschoots aan de richtafstanden voldaan. Keuter 1d, Meerlo Op Keuter 1d heeft is in het verleden een varkenshouderij geëxploiteerd. Op de locatie ligt nog steeds de aanduiding ‘intensieve veehouderij. Het bedrijf is dan ook getoetst als een varkenshouderij. Varkensbedrijven zijn ingedeeld in de categorie “Fokken en houden van varkens” waarvoor de richtafstand van 200 meter voor het aspect ‘geur’ maatgevend is. De afstand tussen het bouwvlak en de rand van het plangebied bedraagt 277 meter. Ten aanzien van dit bedrijf wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Er wordt ruimschoots voldaan aan de aan te houden richtafstanden voor de omliggende bedrijven. Het planvoornemen heeft dan ook geen (extra) belemmeringen voor de bedrijfsvoering en/of dagelijkse ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven tot gevolg.

Aan de andere kant mogen de nieuwe bedrijfsactiviteiten geen belemmeringen opleveren voor al bestaande omliggende functies. Het planvoornemen voorziet in het mogelijk maken van bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 1 en 2 en daarmee qua impact vergelijkbare bedrijven en activiteiten. Voor bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 1 en 2 is een richtafstand van 30 meter (voor verschillende milieuaspecten) de maatgevende afstand. In een cirkel van 30 meter van het plangebied komen geen andere functies voor. De dichtstbij gelegen functie betreffen het (voormalig) agrarisch bedrijf en de bedrijfswoning op Beekveld 5 in Meerlo. De afstand van de rand van het plangebied tot de rand van het bouwvlak van deze locatie bedraagt 87 meter. Alle andere functies, waaronder burgerwoningen, liggen op grotere afstand. Er wordt dan ook ruimschoots voldaan aan de voor deze bedrijfsactiviteiten opgenomen richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Conclusie Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Het planvoornemen levert geen belemmeringen op voor de dagelijkse bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies. Ook heeft het planvoornemen geen negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van omliggende burgerwoningen. 40

Een acceptabel woon- en leefklimaat voor functies in de directe omgeving is dan ook gegarandeerd. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ is geen belemmering voor het planvoornemen. Externe veiligheid Algemeen Het beleid ten aanzien van het aspect ‘externe veiligheid’ is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende waarde is.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd.

Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn onder andere woningen, scholen, kantoorgebouwen, ziekenhuizen, hotels, restaurants. Het IPO heeft een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven.

41

Risicovolle activiteiten

Figuur 13: Uitsnede risicokaart, plangebied in geel aangegeven (Atlas voor de leefomgeving)

Risicovolle bedrijvigheid Volgens de risicokaart liggen in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bedrijven. Op een afstand van circa 550 meter ten westen van het plangebied ligt een risicovolle inrichting op de Veestraat 6 in Meerlo. Op deze locatie staat een propaantank. Het plangebied ligt echter ruim buiten de risicocontour van deze propaantank. Risicovolle buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 of het invloedsgebied van risicovolle buisleidingen. Risicovol transport over het water In de nabijheid van het plangebied liggen geen vaarwegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Risicovol transport over de weg Voor onderhavige ontwikkeling is gekeken naar eventuele aanwezige risicobronnen. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Risicovol transport over het spoor In de nabijheid van het plangebied liggen geen spoorwegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Het planvoornemen zelf voorziet niet in de toevoeging of het plaatsen van risicovolle objecten zoals bijvoorbeeld propaantanks. Er is als gevolg van het planvoornemen dan ook geen toename van het plaatsgebonden risico te verwachten. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ is geen belemmering voor het planvoornemen.

42

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichtring en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het volgens het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie Limburg, het Provinciaal Waterplan, het Nationaal Water Programma 2022 - 2027, het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptie, het Regionaal Water en Bodem programma 2022 – 2027, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water.

Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). De opgave in het POVI inzake het regionale water is het komen tot robuuste en natuurlijk functionerende en veerkrachtige watersystemen. Dit om risico’s tot wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel te blijven. Er dient te worden voldaan aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen de opgave voor het omgaan met huidige en toekomstige watertekorten. Een belangrijke voorwaarde hierbij is de beschikbaarheid van voldoende water en de juiste kwaliteit. Op deze manier zijn problemen op het gebied van watertekort in tijden van schaarste beheersbaar en maatschappelijke acceptabel. Een van de doelen van de provincie is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van de klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip.

Hierbij spelen verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (waar mogelijk) moeten worden verhoogd door peilbeheer. Tevens dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies te worden afgestemd. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofd- en nevenfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater te worden ingepast. Kenmerken watersysteem en bodem Grondwater Het plangebied ligt niet binnen een boringsvrije zone zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat het freatisch grondwater ligt op een diepte van circa 2,0 meter onder maaiveld. Het hemelwater stroomt in noordoostelijke richting in de richting van de Maas. Oppervlaktewater Binnen het plangebied zelf is een natuurvijver aangelegd waarin het hemelwater van de verhardingen wordt opgevangen en kan infiltreren. Buiten deze natuurvijver zijn binnen het plangebied geen oppervlaktewateren aanwezig. Het plangebied grenst aan de zuidwestzijde aan de Rijnbroekerloop. Deze watergang is een primaire watergang van het waterschap Limburg. De watergang en het kadastrale perceel van het Waterschap liggen niet binnen het plangebied.

In het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” is echter 43

binnen het plangebied wel de dubbelbestemming “Waterstaat – Profiel van vrije ruimte” opgenomen om het beheer en onderhoud van de watergang te garanderen. Binnen deze dubbelbestemming is het bouwen van bebouwing, anders dan bebouwing ten behoeve van het gebruik van de beschermingszone en de watergang, niet toegestaan. De dubbelbestemming is overgenomen in dit bestemmingsplan. Het planvoornemen voorziet niet in de bouw van bebouwing binnen deze dubbelbestemming en is derhalve geen belemmering voor het gebruik van de gronden voor het beheer en onderhoud van de watergang. Bodem De bodem bestaat voor het grootste gedeelte uit fijn tot matig grof zand. Plaatselijk komen leem, klei en veen voor. De deklaag ligt op een diepte van 0 tot 4 meter onder maaiveld. Het eerste watervoerend pakket bestaat uit matig tot zeer grove grindrijke zanden met plaatselijk een kleilaag en ligt op een diepte tussen de 4 en 20 meter onder maaiveld. Bodemdoorlatendheid De bodem binnen het plangebied heeft met een k-waarde van 1,5 – 10 m/dag een zeer goede doorlatendheid.

Figuur 14: Kaart bodemdoorlatendheid Waterschap Limburg, plangebied in geel weergegeven

Afkoppeling afval- en hemelwater Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van de bedrijfswoning wordt afgekoppeld via het bestaande rioleringssysteem. Het bedrijfsmatig afvalwater wordt afgekoppeld via Hemelwater Het planvoornemen voorziet in de bouw van nieuwe bedrijfsbebouwing en daarvoor noodzakelijke verharding. De nieuwe verhardingen zijn in onderstaande tabel weergegeven:

44

Tabel 2: Toename verhard oppervlak

Verhard oppervlak Bebouwing Verharding Zonneweide Totaal

Oppervlakte bestaande bebouwing 19.300 10.000 0 29.300

Oppervlakte nieuwe bebouwing (m2) 19.500 10.000 9.500 39.000

Op het voormalige varkensbedrijf was een oppervlakte van circa 29.300 m2 aan verhardingen aanwezig. De oppervlakte bestond uit circa 19.300 m2 bebouwing en 10.000 m2 verharding. Zonneweide De verhardingen in de zonneweide bestaan enkel uit de zonnepanelen en stellages zelf. De gronden rondom en onder de zonneweide zijn ingezaaid met gras en zijn niet verhard. Het hemelwater van de zonneweide kan direct in de bodem zelf infiltreren. Voor de zonneweide worden geen aparte infiltratievoorzieningen aangelegd. Toename verhard oppervlak De toename van het verhard oppervlak, exclusief de zonneweide, bedraagt 200 m2. De woningen en bijgebouwen worden afgekoppeld op het gemeentelijk riool en zijn niet in de berekeningen opgenomen. Natuurvijvers Het hemelwater van de nieuwe bebouwing en verhardingen wordt opgevangen in twee nog aan te leggen natuurvijvers aan de achterzijde van de bedrijfswoning en de achterzijde van de zonneweide. De natuurvijver aan de achterzijde van de bedrijfswoning heeft een inhoud van circa 240 m 3. De natuurvijver aan de achterzijde van de zonneweide heeft een inhoud van 2.760 m3. Het hemelwater wordt middels dakgoten, straatkolken, pvc-leidingen en een centrale afvoerleiding naar de infiltratievijvers gevoerd. In de infiltratievijvers kan het hemelwater vertraagd infiltreren in de bodem.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14433563/1