CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04c Toelichting

Gemeenteraad 10 september 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Hogenbos 10-14 te Meerlo.22.995 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Hogenbos 10, 14, Meerlo Ontwerp - Toelichting

1

Bestemmingsplan Hogenbos 10, 14, Meerlo Ontwerp - Toelichting

[Datum besluit]

Opgesteld door:

ing. N.P.M. Maes

Datum:

14 mei 2024

2

1.

Inleiding ....................................................................................................................................... 4 1.1.

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ......................................................................... 4

1.2.

Ligging en begrenzing plangebied .......................................................................................... 4

1.3.

Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................................... 5

1.4.

Leeswijzer ................................................................................................................................ 6

2.

Beleid ........................................................................................................................................... 7 2.1.

Inleiding ................................................................................................................................... 7

2.2.

Rijksbeleid ............................................................................................................................... 7

Ladder voor duurzame verstedelijking ............................................................................................. 9 2.3.

Provinciaal beleid .................................................................................................................. 10

2.4.

Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 17

3.

Projectprofiel .............................................................................................................................. 20 3.1.

Gebiedsbeschrijving .............................................................................................................. 20

3.2 Projectbeschrijving ....................................................................................................................... 23 3.3.

Landschappelijke inpassing ................................................................................................... 30

4.

Sectorale aspecten .................................................................................................................... 32

5.

Uitvoerbaarheid ......................................................................................................................... 55

6.

Juridische planopzet .................................................................................................................. 57

Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Hogenbos 10, 14, Meerlo ......................................................... 60 Bijlage 2: Bodemonderzoek Hogenbos 10, 14, Meerlo ......................................................................... 61 Bijlage 3: Archeologisch bureauonderzoek Hogenbos 10, 14, Meerlo ................................................. 62 Bijlage 4: Aerius-berekeningen Hogenbos 10, 14, Meerlo .................................................................... 63 Bijlage 5: Quickscan Flora en Fauna Hogenbos 10, 14, Meerlo ........................................................... 64 Bijlage 6: Omgevingsdialoog Hogenbos 10, 14, Meerlo ....................................................................... 65 Bijlage 7: Overzicht parkeerplaatsen Hogenbos 10, 14, Meerlo ........................................................... 66

3

1. 1.1.

Inleiding Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

Op Hogenbos 8, 10 en 14 in Meerlo is tot 2021 een varkensbedrijf geëxploiteerd. Het bedrijf heeft deelgenomen aan de Saneringsregeling Varkenshouderijen, hierna te noemen ‘SRV’ en is in maart 2021 gesaneerd. Voor locaties die deelnemen aan de SRV zijn, door het vaststellen van flankerend beleid ruimere (her)gebruiksmogelijkheden toegestaan. Het faciliteren van ruimere gebruiksmogelijkheden voor deelnemers aan de SRV-regeling werd gestimuleerd vanuit het Rijk om de deelnamebereidheid aan de SRV-regeling te vergroten. Na een zorgvuldig voorbereidingsproces waarin de gemeente Horst aan de Maas in een vroegtijdig stadium is betrokken hebben initiatiefnemers het bedrijf op Hogenbos 14 ingeschreven voor de SRVregeling. Tussen de gemeente Horst aan de Maas en deelnemers aan de SRV-regeling zijn saneringsovereenkomsten gesloten. In deze overeenkomsten, die door zorgvuldig overleg tussen gemeente, deelnemers en adviseurs tot stand zijn gekomen, zijn wederzijdse rechten en plichten ten aanzien van de saneringsregeling en de nieuwe toekomstige gebruiksmogelijkheden vastgelegd. Zo zijn ook basisafspraken vastgelegd over de hergebruiksmogelijkheden en de wijze waarop nieuwe functies dienen te worden vastgelegd in een juridisch-planologische regeling. In de saneringsovereenkomsten is vastgelegd dat de (her)ontwikkeling wordt geborgd in een bestemmingsplan.

Tevens dient te planologisch-juridische regeling zo te worden aangepast dat op de locatie geen intensieve veehouderij meer kan worden geëxploiteerd. Met dit bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan de in de saneringsovereenkomst vastgelegde afspraken en worden de nieuwe functies op de locatie juridisch-planologisch vastgelegd. Ten behoeve van de toekomstige bedrijfsactiviteiten zijn tijdelijke omgevingsvergunningen verleend voor de zonnepark en de bouw en het gebruik van de nieuwe bedrijfsbebouwing voor de verhuur van opslagen bedrijfsruimtes. Op deze wijze kan door de initiatiefnemers nieuw inkomen worden gegenereerd in de periode tussen de sanering van het varkensbedrijf en definitieve vaststelling van het bestemmingsplan. De in het kader van de saneringsovereenkomst gemaakte afspraken en omgevingsvergunningen zijn vertaald in dit bestemmingsplan en krijgen daarmee hun definitieve planologisch-juridische status.

1.2.

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied bestaat uit de percelen die kadastraal bekend zijn als gemeente Meerlo, sectie H, nummers 501, 503, 686, 688, 765, 854, 855, 856 en 857 en is in totaal 8,6 hectare groot. Het plangebied ligt op 300 meter ten zuidoosten van de kern Meerlo en 500 meter ten noorden van de kern Tienray in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Het plangebied bestaat uit de gronden die behoren tot het voormalige varkensbedrijf en aangrenzende agrarische gronden. De directe omgeving kenmerkt zich hoofdzakelijk door de aanwezigheid van agrarische bedrijven en agrarisch grondgebruik. Vanaf het plangebied in de richting van de kern Meerlo neemt het aantal woonbestemmingen toe.

4

Het plangebied grenst aan de oostzijde aan de bossen rond de Keuter. Aan de zuidwestzijde wordt het plangebied begrenst door een primaire watergang van het Waterschap Limburg. Rondom het plangebied liggen hoofdzakelijk agrarische gronden.

Figuur 1: Ligging plangebied, het plangebied is zwart omlijnd (Pdok)

1.3.

Vigerend bestemmingsplan

Het vigerend bestemmingsplan op bovengenoemde locatie is het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” dat door de gemeenteraad is vastgesteld d.d. 19 december 2017 en de daarop volgende “Bestemmingsplan Horst aan de Maas, herziening 2020”, en het “Paraplubestemmingsplan Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021”. In het vigerend bestemmingsplan heeft het gehele plangebied de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’. Op gronden met deze bestemming is agrarisch grondgebruik toegestaan. Op een gedeelte van de gronden liggen de aanduidingen ‘bouwvlak’ en ‘intensieve veehouderij’. Deze aanduidingen maken de exploitatie van een agrarisch bedrijf, waaronder een intensieve veehouderij, mogelijk. Het bouwvlak is circa 3,6 hectare groot. Binnen het plangebied liggen tevens de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 6’. Deze dubbelbestemmingen zijn opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische waarden in de bodem. Op klein deel van het plangebied ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Zone bronsgroene landschapszone’. Deze dubbelbestemming betreft een doorvertaling van de in het POL2014 aangeduide bronsgroene landschapszones. Het plangebied grenst aan de zuidwestzijde aan de primaire watergang ‘Rijnbroekerloop’.

Ten behoeve van het onderhoud en beheer van deze watergang is aan deze zijde van het plangebied de dubbelbestemming “Waterstaat – Profiel van vrije ruimte” opgenomen. Binnen deze dubbelbestemming gelden beperkingen ten aanzien van de bouw van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Op de gronden liggen daarnaast nog (gedeeltelijk) de gebiedsaanduidingen ‘Overige zone – Kampen’, ‘Overige zone – Beekdal’. Binnen deze gebiedsaanduidingen zijn voor aangegeven activiteiten omgevingsvergunningen noodzakelijk. In figuur 2 is een uitsnede van het vigerend bestemmingsplan opgenomen.

5

Figuur 1: Uitsnede vigerend bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" (www.ruimtelijkeplannen.nl)

In het vigerend bestemmingsplan zijn geen wijzigingsbevoegdheden opgenomen waarmee de in het kader van de SRV gemaakte afspraken juridisch-planologisch kunnen worden vastgelegd. Een herziening van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 3.1 van de Wro is noodzakelijk om de gemaakte afspraken juridisch-planologisch te vertalen en het gewenste maatwerk te kunnen leveren.

1.4.

Leeswijzer

In hoofdstuk twee van dit bestemmingsplan wordt een beschrijving van het plangebied gegeven. Hoofdstuk drie gaat in op de relevante beleidskaders en –thema’s. Het vierde hoofdstuk geeft een beschrijving van het plan en de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk vijf komen de sectorale (milieu)aspecten aan de orde. Vervolgens gaat hoofdstuk 6 in op de uitvoerbaarheid. Tenslotte is in hoofdstuk 7 de juridische planbeschrijving opgenomen.

6

2. 2.1.

Beleid Inleiding

Alle overheidslagen binnen Nederland stellen beleid op waarmee ruimtelijke ontwikkelingen gestuurd worden. Het Rijksbeleid heeft een vrij globaal karakter en het gemeentelijk beleid kent een zeer lokaal karakter. Het beleid van lagere overheden moet altijd passen binnen het beleid van hogere overheden.

2.2.

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld door de Tweede Kamer. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de vastgestelde omgevingswet volgt de verplichting dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. De NOVI heeft betrekking op het strategisch beleid voor de fysieke leefomgeving, omdat deze een visie is en hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving (artikel 3.2 Omgevingswet). De NOVI is in de plaats gekomen van gebiedsdekkende structuurvisies, de relevante delen van de natuurvisie, verkeers- en vervoersplannen, strategische gedeelten van nationale en provinciale waterplannen en milieubeleidsplannen. Het Nationaal Milieubeleidsplan en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is geheel vervallen en het NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Belangrijke beleidsbeslissingen, beleidskeuzes en -uitgangspunten staan niet alleen in de NOVI, maar soms ook nog in bestaande beleidsdocumenten.

In het NOVI staan in veel gevallen alleen hoofdlijnen van bestaand strategische beleid opgenomen. De concretisering of uitwerking daarvan staat nog steeds in het bestaande beleidsdocument. De nationale belangen die eerder waren geformuleerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn overgenomen in de NOVI. Op ruimtelijke vlak is er beleidsmatig door de NOVI dan ook weinig veranderd. Het planvoornemen is van een dusdanig geringe omvang dat deze geen negatieve invloed heeft op de realisatie van nationale belangen. De NOVI is geen belemmering voor het planvoornemen. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is opgesteld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu. De structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de “kapstok” voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De structuurvisie vervangt de volgende nota’s: ● de Nota Ruimte; ● de structuurvisie Randstad 2040; ● de Nota Mobiliteit; ● de MobiliteitsAanpak; ● de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. In de structuurvisie is geschetst hoe Nederland er in 2040 uit moet zien, waarbij de termen “concurrerend”, “bereikbaar”, “leefbaar” en “veilig” kernbegrippen zijn. De structuurvisie is hierbij een verdere integratie van rijksbeleid.

Binnen de structuurvisie zijn drie hoofddoelen geformuleerd: 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; 2. Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; 7

3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven. Deze hoofddoelen zijn gespecialiseerde nationale belangen. Het planvoornemen voorziet in de herontwikkeling van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar niet agrarische bedrijfsactiviteiten. Een deel van de grondgebonden agrarische activiteiten blijft op het bedrijf behouden. Het vigerend bestemmingsplan voorziet al in ontwikkelingsmogelijkheden voor een agrarisch bedrijf. De ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden nemen als gevolg van het planvoornemen niet toe. Het vigerend bouwvlak van het agrarisch bedrijf wordt overgenomen als bouwvlak voor de nieuwe bedrijfsactiviteiten. In deze toelichting is onderbouwd dat het planvoornemen op deze locatie ruimtelijk gezien aanvaardbaar is en sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het planvoornemen heeft ruimtelijk en milieukundig gezien een beperktere impact dan het voormalige varkensbedrijf en is niet in strijd met de in de Structuurvisie opgenomen doelstellingen. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is geen belemmering voor het planvoornemen. Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma is op 18 maart 2022 vastgesteld.

In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en – vaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Nederland heeft te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van het NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta; • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Het bodem- en watersysteem stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen.

Om deze randvoorwaarden ook juridisch te laten doorwerken zijn inhoudelijke kaders nodig voor de inrichting en gebruik van wateren alsook voor ruimtelijke inrichting, landgebruik en de wijze van bouwen. Het NWP beschrijf de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. ‘Nationaal’ wil zeggen dat het Rijk met het NWP richting wil geven aan het waterbeleid voor Nederland als geheel, dus niet alleen voor het hoofdwatersysteem. Het programma is voor het waterbeleid een uitwerking van de nationale belangen en strategische hoofdkeuzes in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Het NWP beschrijft verder de raakvlakken van het nationale waterbeleid met het beleid voor een aantal andere onderwerpen in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie en de landbouw. Ook bevat dit NWP het rijksbeleid dat voortkomt uit de eerste 6-jaarlijkse herijking van de deltabeslissingen en regionale voorkeursstrategieën uit 2015. Daarnaast bevat het NWP een beschrijving van het beheer, de functies en de maatregelen en voorzieningen voor de ontwikkeling, werking en bescherming van de rijkswateren en de rijksvaarwegen. Het NWP richt zich specifiek op de periode 2022-2027 met een doorkijk naar 2050.

Het plangebied van het NWP bestaat uit het volledige Europese deel van het Nederlandse grondgebied, waaronder de territoriale zee en de Nederlandse Exclusieve Economische Zone (EEZ) van de Noordzee (zie Kaart 1). Caribisch Nederland valt buiten de scope van dit NWP. Het beheer en de uitvoering van het waterbeleid door Rijkswaterstaat heeft betrekking op de rijkswateren en de rijksvaarwegen. De rijkswateren omvatten de grote rivieren, grote kanalen, het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta, de Rijn-Maasmonding, de Waddenzee, EemsDollard en de Noordzee, met inbegrip van het daaronder gelegen grondwater. De rijksvaarwegen omvatten de toegangen tot de zeehavens, het hoofdvaarwegennet en de overige vaarwegen in de rijkswateren. 8

Voor de rijkswateren zijn in dit plan gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen (zie deel C: Gebieden). Voor de overige delen van Nederland wordt de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen in andere programma’s, in de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de NOVI (zie Relatie met andere plannen en beleidstrajecten). Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van het NWP. Daarnaast voorziet het planvoornemen niet in activiteiten die (negatieve) invloed op de hoofdambities van het NWP. Geconcludeerd wordt dat het NWP geen belemmering is voor het planvoornemen. Barro Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’ . De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. Aangezien bij onderhavige planvorming geen nationaal belang is gemoeid, zijn er geen regels uit het Barro en dus ook uit het Rarro van toepassing.

Het planvoornemen ligt niet in een van de in het Barro aangewezen gebieden en is dan ook niet in strijd met nationale belangen. Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is in artikel 3.1.6 de Ladder voor duurzame verstedelijking, hierna te noemen ‘de ladder’ opgenomen. De ladder is van toepassing op ieder bouwplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het doel van de ladder is om ongewenste leegstand te voorkomen en zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik te stimuleren. Voldoet een planvoornemen aan de definitie van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ dan moet getoetst worden aan de ladder. Dit is de zogeheten ‘laddertoets’. Alleen plannen die onder de definitie van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ vallen hoeven te worden getoetst. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is een ontwikkeling die een nieuw beslag op de ruimte legt. Met andere woorden de nieuwe ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van de bebouwing ten opzichte van de vigerende situatie. Plannen die voorzien in een afname van de bebouwing worden niet gezien als ‘nieuwe stedelijke ontwikkelingen’.

Ook een bestemmingsplan dat ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, tenzij die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075). De oude planologisch regeling voorzag in de mogelijkheden voor vestiging en uitbreiding van een intensief veehouderijbedrijf. Binnen het bouwvlak was een onbeperkte oppervlakte aan bedrijfsbebouwing toegestaan. De voormalige bedrijfsbebouwing had een totale oppervlakte van ca. 19.300 m². Binnen het bouwvlak van 3,6 hectare waren er ruime uitbreidingsmogelijkheden. De nieuwe planologisch regeling voorziet in een bedrijfsbestemming. Het bouwvlak van het voormalig agrarisch bedrijf is overgenomen in de nieuwe planologisch regeling en maakt daarmee niet meer bebouwing mogelijk dan eerder was toegestaan. De oppervlakte van de toekomstige bedrijfsbebouwing bedraagt ca. 19.500 m2. Deze oppervlakte is als maximale oppervlakte vastgelegd in de verbeelding en regels van het bestemmingsplan.

Het nieuwe bestemmingsplan maakt in die zin minder bebouwing mogelijk dat het oude bestemmingsplan waarin het mogelijk was het bouwvlak van 3,6 hectare volledig te bebouwen. Er is dan ook geen sprake van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Uit een andere afspraak (ABRvS 23 januari 2019; ECLI:NL:RVS:2019:178) blijkt tevens dat de Afdeling diverse voorzieningen op het gebied van energieopwekking en -distributie niet als stedelijke ontwikkeling heeft aangemerkt. Genoemd worden: een hoogspanningsverbinding, een windturbinepark en een transformatorstation. Naar het oordeel van de Afdeling is er geen aanleiding voor een andere benadering met betrekking tot een zonnepark, dat naar zijn aard niet wezenlijk verschilt van een windturbinepark, zich bij uitstek leent om binnen bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. De 9

toepasselijkheid van de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro op een dergelijke voorziening zou daarentegen juist tot gevolg hebben dat het bevoegde bestuursorgaan telkens zou moeten voorzien. Dit vindt de Afdeling in het licht van het doel en de strekking van de ladder voor duurzame verstedelijking een onlogische consequentie. Op basis van bovenstaande uitspraken wordt geconcludeerd dat het planvoornemen niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.

2.3.

Provinciaal beleid

Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op de langere termijn (2030 – 2050) en beschrijft onderwerpen zoals wonen, bodem, infrastructuur, milieu, ruimtelijke economie, water, natuur, luchtkwaliteit, landschap en cultureel erfgoed. Maar ook de aspecten gezondheid, veiligheid en gezonde leefomgeving worden in de Omgevingsvisie meegenomen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel. In de Omgevingsverordening Limburg is het beleid uit de POVI juridisch verankerd. In de POVI zijn een aantal hoofdopgaven opgenomen, namelijk: • Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk als in het bebouwde gebied; • Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); • Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven spelen Limburg-breed en dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen de Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale Omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: • •

een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

Land- en tuinbouw Omdat landbouwgrond schaarser wordt en verstedelijking toeneemt wordt het buitengebied steeds meer gezien als vindplaats voor oplossingen voor stedelijke opgaves. Hierbij valt te denken aan de ruimtevraag voor de energietransitie, klimaatadaptatie, natuurherstel, infrastructuur en verstedelijking. De afname van het aantal agrarische bedrijven en de transitie naar kringlooplandbouw zal daarnaast vragen om andere benutting van landbouwgrond. De komende tijd zal, meer dan in het verleden, verweving van functies voor landbouw, natuur, waterbeheer, landschapsbeheer en andere maatschappelijke diensten én meervoudig grondgebruik van belang zijn. Daarnaast is er nog steeds veel aandacht voor de leefkwaliteit rondom (intensieve) veehouderijen en overige land- en tuinbouwbedrijven. Geuroverlast, fijnstof, ammoniakemissie en mogelijke gezondheidsrisico’s zorgen voor maatschappelijke onrust. Ook de belasting op natuurgebieden door onder andere stikstofdepositie, vraagt om maatregelen. Het landelijk gebied is steeds minder een productieruimte en steeds meer een consumptieruimte, waar gewoond, gewerkt en gerecreëerd wordt. Deze verwevenheid vraagt maatregelen om de omgevingskwaliteit te verbeteren en ruimtelijke keuzes over vestiging, uitbreiding, herbestemming en sanering van leegstaand agrarisch vastgoed. 10

Een groot aantal agrariërs zal stoppen, mede als gevolg van het ontbreken van opvolging. Er is sprake van toename van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) waarbij de mogelijkheden voor herbestemming van diezelfde VAB’s zeer beperkt zijn. Dit komt door het gebrek aan kansrijke functies, de omvang en verschijningsvorm van de bebouwing en de ligging. Hierdoor ontstaat meer risico op criminele activiteiten en verval en kan de landschappelijke kwaliteit en leefbaarheid van een gebied achteruit gaan. Het planvoornemen voorziet in de herontwikkeling van een saneringslocatie als onderdeel van de SRVregeling. De SRV-regeling had als doel om varkenshouderijen die geuroverlast veroorzaken vrijwillig te saneren. Naast het oplossen van geurproblemen in de directe omgeving wordt mede invulling gegeven aan transitie van het landelijk gebied en wordt een verdere daling van emissies, zoals stikstof en fijnstof, bewerkstelligd. De ontwikkeling zelf draagt bij aan een aantrekkelijk, gezond en toekomstbestendig landelijk gebied en economie. Het plan voldoet aan de beleidsregels van de POVI. De Provinciale Omgevingsvisie is geen belemmering voor het planvoornemen. Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 De Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 is op 16 december 2022 vastgesteld.

Met de wijzigingsverordening worden delen van de Omgevingsverordening Limburg gewijzigd. De wijzigingen die van toepassing zijn op het planvoornemen zijn opgenomen in artikel 2.4.5 en 2.19.1. Artikel 2.4.5 Vestigingsmogelijkheden bedrijven 1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.2 van het POL2014, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 1. Het planvoornemen voorziet in de herontwikkeling van een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De herontwikkeling is onderdeel van het door de gemeente ontwikkelde flankerend beleid voor varkenshouderijen en pelsdierhouderijen die deel hebben genomen aan de saneringsregelingen. De ontwikkeling is van beperkte omvang en heeft geen invloed op de bestuursafspraken ten aanzien van bedrijventerreinen in de regio Noord-Limburg. Het regionale beleid is gericht op de grotere regionale bedrijventerreinen in de regio. Onderhavige locatie vervult geen rol als groot regionaal bedrijventerrein.

Het planvoornemen voldoet aan deze voorwaarde. 2. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de algemene opgaven en de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.2 van POL2014, het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 2. Deze voorwaarde is niet van toepassing op het planvoornemen. 3. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.2 van het POL2014, de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 3. Deze voorwaarde is niet van toepassing op het planvoornemen. 4. Een ruimtelijk plan: a.

laat geen bedrijfskavel toe met een oppervlakte van meer dan 5 hectare; In het bestemmingsplan is een bouwvlak van 3,6 hectare opgenomen. Het bedrijfskavel is 5 hectare groot en voldoet daarmee aan deze voorwaarde. 11

b. laat niet toe dat bedrijfskavels worden samengevoegd indien hierdoor bedrijfskavels groter dan 5 hectare ontstaan; Het bestemmingsplan voorziet niet in het samenvoegen van bedrijfskavels. Deze voorwaarde is niet van toepassing op het planvoornemen. c. laat niet toe dat gebouwen zodanig worden gerealiseerd of met elkaar verbonden dat zij de grens van een bedrijfskavel overschrijden. Het planvoornemen voorziet niet in gebouwen die een bedrijfskavel overschrijden. 5. De toelichting bij het ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid en aan het vierde lid. Zie hiervoor bovenstaande beantwoording. Het planvoornemen voldoet aan deze voorwaarde. 6. De toelichting bij een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub)regionaal verband. In hoofdstuk 3 van deze toelichting is een uitgebreide beschrijving van de geschiedenis en de totstandkoming van dit planvoornemen opgenomen.

In de voorbereidingen die vanaf 2020 bezig zijn heeft de gemeente beoordeeld of het planvoornemen passend is binnen de gemaakte regionale afspraken. Het planvoornemen voldoet aan deze voorwaarde. Artikel 2.19.1 Klimaatadaptatie 1. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van: a. de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering; en De risico’s en gevolgen van klimaatadapatie hebben in dit geval voornamelijk te maken met het voorkomen van hittestress, het kunnen omgaan met extreme buien en wateroverlast en het tegengaan van verdroging. In de planvorming is daar waar mogelijk rekening gehouden met een beperking van de oppervlakte aan verharding en de aanplant van groen. Om deze reden zijn bestaande groenstructuren behouden en versterkt. De bestaande groenelementen, waaronder volwassen bomen, zorgen voor schaduwwerking en een beperking van hoge temperaturen op het perceel. In het plangebied wordt een infiltratievijver aangelegd die het water van een extreme bui (T=100) kan opvangen. Alle gebouwen en verharding zijn voorzien van goten en straatkolken. Via leidingen, die naar de infiltratievoorziening toe steeds groter worden, wordt het hemelwater naar de infiltratievijver geleid. In de infiltratievijver kan het water op locatie zelf infiltreren in de bodem.

Op deze wijze worden wateroverlast en verdere verdroging van de gronden tegengaan. Door het water niet direct af te voeren worden ook bestaande grondwaterlagen aangevuld. Door het gebruik van duurzame en niet-uitlogende materialen wordt vervuiling van schoon hemel-, oppervlakte- en grondwater voorkomen. De zonneweide van 1,5 hectare zorgt voor duurzame energieopwekking. In het plan is voldoende rekening gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering. Het planvoornemen voldoet aan deze voorwaarde. b. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Zie hiervoor de beschrijving onder a en de paragrafen 3.2, 3.3, 4.10 en 4.16. Het planvoornemen voldoet aan deze voorwaarde. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende risico’s betrokken: a. wateroverlast; b. overstroming; c. droogte. 12

In de paragrafen 3.3 en 4.10 van deze toelichting is een uitgebreide beschrijving opgenomen van de mogelijke risico’s voor het klimaat. Het planvoornemen voldoet aan deze voorwaarde. 3. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten. In de paragrafen 3.3 en 4.10 van deze toelichting is een uitgebreide beschrijving opgenomen van de mogelijke risico’s voor het klimaat. Het planvoornemen voldoet aan deze voorwaarde. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de voorwaarden die gesteld zijn in de wijzigingsverordening. De Wijzigingsverordening is geen belemmering voor het planvoornemen. Omgevingsverordening Limburg 2014 In de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn regels opgenomen die het beleid in de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) ajuridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014.

Figuur 2: Uitsnede kaart 4: Beschermingszones natuur en landschap (www.ruimtelijkeplannen.nl)

Een klein gedeelte van het plangebied ligt binnen de ‘Bronsgroene landschapszone’. Binnen deze gebieden is artikel 2.7 van de Omgevingsverordening van toepassing. Dit betekent dat: 1. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden ( kernkwaliteit “Groene karakter”) wordt de beleidsregel als bedoeld in artikel 2.6.7, tweede lid, gevolgd. In deze toelichting is een uitgebreide beschrijving van het planvoornemen, het plangebied, de directe omgeving en de gevolgen van het planvoornemen op de directe omgeving opgenomen. 13

Het planvoornemen voorziet in de sanering van een varkensbedrijf en de herontwikkeling van een niet-agrarisch bedrijf op deze locatie. Een landschappelijk inpassingsplan is onderdeel van het bestemmingsplan. In dit landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met en is aansluiting gezocht bij de kernkwaliteiten van het gebied. Ook bij het ontwerp en de vormgeving van de bebouwing, waarvoor inmiddels al een omgevingsvergunning is verleend, is rekening gehouden met de kwaliteiten van de omgeving. In de ontwerpen is daarbij ingezet op een kwalitatief hoogwaardige uitstraling en inrichting van het plangebied. Een toetsing van het landschappelijk inpassingsplan en de bouwdelen door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) was onderdeel van de toetsingscriteria van deze omgevingsvergunning. Zowel het landschappelijk inpassingsplan als de bouwplannen zijn door de CRK akkoord bevonden. Op deze wijze worden de kernkwaliteiten van het gebied zo veel mogelijk behouden en waar mogelijk zelfs versterkt. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage bijgevoegd aan deze toelichting. 2. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueelruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Het planvoornemen voorziet niet in het kappen of verwijderen van bestaande groenelementen.

Door de realisatie van een landschappelijk inpassingsplan worden de bestaande groenstructuren versterkt. De realisatie van de nieuwe bedrijfsbebouwing vindt plaats binnen de bedrijfscontouren van het voormalige varkensbedrijf en heeft daarmee in de basis geen groter ruimtebeslag tot gevolg. De landschappelijke inpassing en vormgeving van de nieuwe bebouwing zijn getoetst door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). In deze toetsing is ook het visueel-ruimtelijk karakter van het plangebied in relatie tot de directe omgeving meegenomen. Uit het positieve advies van de CRK blijkt dat in voldoende mate rekening is gehouden met de kwaliteiten van het gebied. Binnen het plangebied is geen sprake van cultuurhistorisch erfgoed. Daar waar reliëf binnen het plangebied aanwezig is, is dit behouden. 3. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn nader uitgewerkt in de bijlage bij dit artikel. De kernkwaliteiten van de diverse landschappen zijn uitgewerkt in het Landschapskader Noorden Midden-Limburg. De diverse landschappen zijn als gebiedsaanduidingen opgenomen in het vigerend bestemmingsplan. Het plangebied ligt binnen deels binnen het ‘Beekdal’ en deels binnen de ‘Kampen en oude graslanden.

In de paragrafen 2.4 en 4.2 van deze toelichting en in het landschappelijk inpassingsplan wordt verder ingegaan op de gebiedstypen en de wijze waarop het planvoornemen is ingepast in de omgeving. Het landschappelijk inpassingsplan en de bouwplannen zijn getoetst door de CRK. Uit deze beoordeling is gebleken dat het planvoornemen geen afbreuk doet aan de doelstellingen binnen de bronsgroene landschapszone en de diverse landschappen. Door realisatie van de landschappelijke inpassing worden waar mogelijk bestaande groenstructuren versterkt en de herkenbaarheid van de verschillende landschappen binnen het plangebied vergroot. Het planvoornemen voldoet aan de voorwaarden in artikel 2.7 van de Omgevingsverordening. De locatie ligt verder niet in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, milieubeschermingsgebied of andere beschermingsgebieden. Het planvoornemen is dan ook niet strijd met de in de Omgevingsverordening opgenomen doelstellingen. De omgevingsverordening is geen belemmering voor het planvoornemen. Landschapskader Noord- en Midden-Limburg Het landschapskader heeft als doel op een beknopte wijze inzicht te geven in het hoe en waarom van het huidige landschap en daarmee grip te krijgen op de kansen die datzelfde landschap biedt voor de toekomst. Het vormt een inspiratiebron om tot kwaliteitsverbeteringen te komen voor het Noord- en Midden-Limburgse landschap.

Initiatiefnemers van zowel aan landbouw en natuur (groene), aan water (blauwe), als aan bebouwing en infrastructuur (rode) gerelateerde ontwikkelingen, kunnen aan de hand van het Landschapskader nagaan welke ontwikkelingen op een bepaalde plek landschappelijk gezien wenselijk en mogelijk zijn. Het plangebied ligt in het landschapstype “Kampen”. Dit landschapstype is in het landschapskader opgenomen als “Kampen en oude graslanden”. 14

Kampen en oude graslanden Kenmerkend voor het kampen- en oude graslandenlandschap is de kleinschaligheid. Dit is ontstaan doordat individuele boeren de hogere gronden ontgonnen voor akkerbouw en de tussengelegen laagtes in gebruik namen als gras- en hooiland. Deze ontginningen vonden plaats gedeeltelijk tegelijk met, en gedeeltelijk na het ontstaan van, de velden. Qua patroon en bodemeigenschappen lijken deze gebieden dan ook sterk op de velden (bochtige wegen en relatief dikke eerdgronden). De belangrijkste verschillen waren en zijn de schaal en maat. De kampen zijn veel kleinschaliger. De percelen werden in het verleden omgeven door houtwallen om het vee buiten de akkers, maar op de oude graslanden te houden. Op dit moment zijn de karakteristieke ruimtelijke kenmerken niet altijd meer prominent aanwezig. Dit is het gevolg van ruilverkavelingen of het kappen van de aanwezige houtwallen. Het bodempatroon is nog wel aanwezig. Kernkwaliteiten Natuurlijk Gelegen op zowel terrassen en dekzandruggen als ook op dekzandvlakten danken de kampen en oude graslanden hun oorsprong aan de mens. Het landschap bestaat uit een ensemble van akkers en graslanden afgewisseld met kleinschalige landschapselementen als houtwallen met hier en daar meer opgaande begroeiing (geriefhoutbosjes) en poelen.

Dit landschapstype is dan ook, meer dan de velden, erg structuurrijk en gradiëntrijk en herbergt om die reden ook meer natuurwaarden. Cultuur(historie) Dit landschapstype dankt haar karakter aan haar ontginningsgeschiedenis en kent een lange bewonings-/gebruikgeschiedenis met bijbehorende hoge archeologische verwachtingswaarde. Ook nu zijn deze gronden nog intensief in gebruik als bouwland of grasland. Sommige kampen zijn inmiddels in gebruik genomen als woon of werkgebied. De oude graslanden die onder dit type vallen, zijn lager gelegen en natter dan de aangrenzende kampen, maar grenzen niet aan een beek. De oude graslanden die wel aan een beek grenzen vallen onder het in paragraaf 4.3 beschreven beekdalenlandschap. Visueel-ruimtelijk Een typisch kampen- en oude graslandenlandschap wordt gekenmerkt door een besloten of halfopen door bos en opgaande beplanting omgeven ruimtes en is bebouwingsarm. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap visueel-ruimtelijk aantrekkelijk en waardevol. Helaas is deze kleinschaligheid voor een groot deel verloren gegaan bij de ruilverkavelingen van de 20e eeuw. De oude bebouwingslinten zijn kleinschaliger, kronkeliger en meer verdicht dan de jongere bebouwingslinten van de jonge ontginningslandschappen.

Ontwikkelingsvisie Karakteristiek van dit cultuurhistorisch waardevolle landschapstype (verdichte rand om een klein, bol liggend open gebied, grenzend aan iets lager liggende vlakke oude graslanden) waar mogelijk behouden, versterken en herstellen voor de toekomst door: • versterken van het schaalverschil met de (grootschaligere) velden met behulp van de aanplant van houtwallen; • de bestaande bolling van de bolle akkers behouden; houtwallen als raamwerk inzetten waarbinnen veel mogelijk is, passend binnen de schaal en maat van de directe omgeving; • beperkte ruimte voor bebouwing aan de rand van de kampen; • doorkijkjes vanaf de openbare wegen tussen de beplanting en bebouwing houden met zicht op de open kamp; • de oude graslanden als grazige vlaktes behouden. Tegelijkertijd is het wenselijk om dit landschap te ontwikkelen tot een aantrekkelijker en waardevoller landschap voor recreatie door een verdichting van het landschap buiten de akkers. Hierdoor wordt het contrast tussen akker en omgeving groter, wat gewaardeerd wordt als interessant, spannend en afwisselend door recreanten. Ruimtegebruik Voor de kampen bij voorkeur grondgebonden teelten in de vorm van akkerbouw of tuinbouw die het zicht niet beperken en waarbij alle teelten mogelijk zijn, inclusief teeltondersteunende voorzieningen. Voor de oude graslanden past een gebruik als weide. 15

Landschapselementen Houtwallen op perceelsranden kunnen ontwikkeld worden, tezamen met lineaire landschapselementen (singels, lanen, kruidenrijke stroken en heggen), die samen een raamwerk vormen waarbinnen de (verbrede) landbouw goed uit de voeten kan. Bebouwing Rond de aanwezige bebouwing wordt ingezet op het stimuleren van erfbeplanting en het versterken van groenstructuren. Bovendien is langs oude wegen extra aandacht voor cultuurhistorie. Binnen de vaak transparante linten kan ruimte worden gevonden voor verdichting ten behoeve van de landbouw of ‘rood voor groen’. Hierbij moet uiterst zorgvuldig worden omgegaan met de beeldkwaliteit die in overeenstemming is met een bij het kampenlandschap passende karakteristiek Beoordeling planvoornemen Het planvoornemen voorziet in herbestemming en hergebruik van een voormalige veehouderijlocatie. De bedrijfscontouren veranderen als gevolg van deze herbestemming niet. Aan de oostzijde van de bestaande bedrijfscontouren is een zonneweide van 1,5 hectare aangelegd. De omgevingsvergunning voor de bebouwing binnen het plangebied is al verleend. In het landschappelijk inpassingsplan is ingezet op behoud van de bestaande groenstructuren. Daar waar mogelijk worden deze groenstructuren verder versterkt.

In de vormgeving van de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de kwaliteiten van het gebied en is ingezet op een verdere versterking van de groenstructuren binnen het plangebied. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan de doelstellingen van het landschapskader. Conclusie Het landschapskader Noord- en Midden-Limburg is geen belemmering voor het planvoornemen.

16

2.4.

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Horst aan de Maas Op 9 april 2013 is de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling van deze Structuurvisie is drieledig. Enerzijds dient de Structuurvisie een integraal beeld te vormen van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen staat voor de langere termijn. Daarnaast verschaft de gemeente hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden. Tenslotte biedt de Structuurvisie kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. De Structuurvisie biedt voor de gemeente Horst aan de Maas onder andere de basis voor het stellen van verplichtingen voor de landschappelijke inpassing en de kwaliteitsbijdrage die moeten worden gedaan bij verschillende soorten planvoornemens. In de Structuurvisie is het grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas tevens opgedeeld in verschillende gebieden met eigen kenmerken en een eigen karakteristiek. In de Structuurvisie wordt per gebied aangegeven óf en wélke ontwikkelingen in dit gebied gewenst of niet gewenst zijn.

Figuur 3: Uitsnede kaart Gebiedsindeling Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM) gemeente Horst aan de Maas (www.ruimtelijkeplannen.nl)

Het plangebied ligt in gebied ‘5A: Agrarisch gebied rondom Meerlo’ dat onderdeel is van het ‘Rivierdallandschap’. Het agrarisch gebied in het oosten van de gemeente kenmerkt zich als een oud, kleinschalig agrarisch landschap, met een dicht net van bebouwde wegen en veel historische bebouwing (kastelen, boerderijen, dorpskernen). Het gebied is ecologisch van belang voor vogels, zoogdieren en flora. Qua gebruik is sprake van een mix van wonen, kleine bedrijven, land- en tuinbouw, boomkwekerijen en recreatieve voorzieningen. De doelstellingen in het gebied zijn als volg geformuleerd: • Goed omgaan met de beperkte opnamecapaciteit voor nieuwe functies (met name verstedelijking), dreigende ecologische verarming en het verdwijnen van solitaire bomen en struiken; • Aansluiten bij bestaande landschapssstructuur, waarborgen cultuurhistorisch waardevolle gebieden en specifieke natuurwaarden, stimuleren van recreatief medegebruik en ontwikkelen duurzaam landbouwkundig gebruik; 17

•

Nieuwe functies zijn mogelijk, mits ze een landschappelijke meerwaarde opleveren.

Het planvoornemen voorziet onder andere in de herontwikkeling van een voormalig varkensbedrijf in een niet-agrarische bedrijfslocatie. De herontwikkeling vindt voor het grootste gedeelte plaats binnen de bebouwingscontouren van het voormalige varkensbedrijf. Het zonnepark is gebouwd aan de randen van deze bestaande bebouwingscontouren. Door hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie wordt goed en zorgvuldig omgegaan met de beperkte opnamecapaciteit van het gebied. Daarnaast wordt middels een landschappelijk inpassingsplan voorzien in een landschappelijke meerwaarde voor de directe omgeving en worden waar mogelijk bestaande landschapsstructuren en – elementen versterkt. Op deze wijze wordt een landschappelijke meerwaarde geleverd en is de nieuwe functie mogelijk binnen het plangebied. Als gevolg van het planvoornemen verdwijnen geen solitaire bomen of struiken. De landschappelijke inpassing voorziet op termijn mogelijk zelfs in een ecologische verrijking van de al bestaande natuurlijke structuren in de omgeving. In gebied ‘5A: Agrarisch gebied rondom Meerlo’ is en blijft de intensieve veehouderij een dominante functie, met uitzondering van een zone van ca. 500 m rondom de kern, waar alle intensieve veehouderijbedrijven op langere termijn verplaatst (moeten) worden. Oude stallen moeten worden opgeruimd.

Er dient ruimtelijke kwaliteitswinst te worden behaald en de milieudruk voor omliggende bedrijven moet afnemen. Het planvoornemen voorziet in de sanering van een varkenshouderij en de herontwikkeling van een niet-agrarisch bedrijf binnen de contouren van het voormalige agrarisch bedrijf. Het plangebied ligt op circa 300 meter van de kern Meerlo. De sanering van het varkensbedrijf is daarmee in lijn me de in de Structuurvisie Horst aan de Maas opgenomen doelstellingen voor dit gebied. Met deelname aan de SRV-regeling is op verschillende vlakken forse milieuwinst behaald: • Als gevolg van de sanering van het bedrijf werd een afname van 22% van de geurbelasting in de gemeente behaald. Door sanering zijn overbelaste situaties in de kernen Meerlo en Tienray opgelost. • Een afname van ca. 6.600 kg stikstof; • Een afname van de fijnstofemissie; • Een afname van het aantal varkens: o 1.353 zeugen; o 6.540 gespeende biggen; o 3.640 vleesvarkens en beren. Ook de ruimtelijke kwaliteitswinst is aanzienlijk. De nieuwe plannen voorzien in de ontwikkeling van een niet-agrarisch bedrijf. In het proces van herontwikkeling is er aandacht voor duurzaamheid door het gebruik van hoogwaardige isolatiematerialen en niet-uitlogende materialen. Daarnaast voorziet de naastgelegen zonneweide het gehele bedrijf van elektriciteit.

Naast deze duurzaamheidsmaatregelen is ook gekeken naar de uitstraling van de bebouwing. De varkensstallen hebben plaats gemaakt voor nieuwe loodsen die voldoen aan de welstandscriteria en een hoogwaardige uitstraling hebben. In combinatie met de aanplant en instandhouding van de landschappelijke inpassing is op deze wijze invulling gegeven aan een grote ruimtelijke kwaliteitswinst. Het planvoornemen voldoet aan de voor het gebied opgenomen doelstellingen. Het planvoornemen is passend binnen de doelstellingen en het beleid zoals omschreven in de Structuurvisie. Flankerend beleid SRV-regeling Aan deelname aan de SRV-regeling zijn voor de deelnemers hoge kosten verbonden. Een deel van deze kosten werd slechts vergoed door de SRV-regeling zelf. Een ander deel van de kosten moest op andere manieren worden bekostigd. Het Rijk heeft provincies en gemeenten dan ook gevraagd deelnamers aan de SRV-regeling te ondersteunen door het vaststellen van flankerend beleid. Door mogelijkheden te bieden om op saneringslocaties andere functies toe te staan dan normaal gesproken het geval zou zijn kon tegenmoet worden gekomen in de hoge kosten en toekomstperspectief worden geboden aan de stoppende varkenshouders. Op 5 maart 2020 is het “Flankerend beleid” voor deelnemers aan de SRV-regeling vastgesteld. In dit flankerend beleid zijn herontwikkelingsmogelijkheden voor SRV-locaties opgenomen.

In totaal zijn in dit 18

flankerend beleid 14 punten opgenomen die herontwikkeling of tegenmoetkoming van de kosten anderszins mogelijk maken. Wijziging in de bestemming ‘Bedrijf’ in de categorie 1 of 2 en realisatie van een zonneweide tot een maximum 1,5 hectare behoren tot de herontwikkelingsmogelijkheden in het flankerend beleid. Het planvoornemen voorziet in de herontwikkeling naar de enkelbestemming “Bedrijf” en de verhuur van bedrijfsruimtes voor bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 en daarmee qua milieuimpact vergelijkbare bedrijven. Daarnaast blijft een klein deel van de agrarisch (grondgebonden) activiteiten op het bedrijf behouden. De initiatiefnemers beschikken nog over ca. 20 hectare landbouwgrond. Deze gronden worden in de toekomst nog door de initiatiefnemers bewerkt. Daarnaast worden op het bedrijf nog 50 schapen gehouden voor begrazing van de zonneweide en worden hobbymatig nog 5 paarden gehouden. De gerealiseerde zonneweide heeft een oppervlakte van 1,5 hectare. De zonneweide is in overleg en met toestemming van de provincie Limburg buiten het vigerend bouwvlak opgericht. Het planvoornemen past binnen de hergebruiksmogelijkheden van het flankerend beleid.

2.5 Conclusie Uit bovenstaande toetsing blijkt dat het planvoornemen past binnen het daarvoor geldende beleid van de verschillende overheden. Beleidsmatig zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het planvoornemen.

19

3. 3.1.

Projectprofiel Gebiedsbeschrijving

Het plangebied bestaat uit de percelen die kadastraal bekend zijn als gemeente Meerlo, sectie H, nummers 501, 503, 686, 688, 765, 854, 855, 856 en 857 en is in totaal 8,6 hectare groot. Het plangebied ligt op 300 meter ten zuidoosten van de kern Meerlo en 500 meter ten noorden van de kern Tienray in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Het plangebied bestaat uit de gronden die behoren tot het voormalige varkensbedrijf en aangrenzende agrarische gronden. De omgeving kenmerkt zich hoofdzakelijk door agrarische grondgebruik al grenst het plangebied ten noordoosten wel aan bos van beperkte omvang. De bebouwingsdichtheid aan de noord- en oostzijde is door de aanwezigheid van enkele solitaire (voormalige) agrarische bedrijven laag. Ten noordwesten, zuiden en westen van het plangebied is de bebouwingsdichtheid hoger. Dit heeft voornamelijk te maken met de ligging van de kernen Tienray en Meerlo en de verbindingsweg tussen deze twee kernen. In noordoostelijke, oostelijke en zuidoostelijke richting neemt de bebouwingsdichtheid af. Het plangebied bestaat uit de gronden die behoren tot het voormalige varkensbedrijf en aangrenzende agrarische gronden. Binnen het plangebied is nog een gedeelte van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig. Deze bebouwing krijgt een nieuwe functie en wordt hergebruikt.

Daarnaast zijn diverse nieuwe loodsen gebouwd voor de nieuwe bedrijfsactiviteiten. Deze loodsen worden binnen de contouren van het voormalig agrarisch bedrijf en binnen het bestaande bouwvlak gebouwd. Op het zuidoostelijk deel van het plangebied is in 2020 een zonneweide aangelegd. Deze zonneweide bestaat uit de zonnepanelen die op de daken van de voormalige stallen lagen. Op onderstaande afbeelding is het plangebied weergegeven.

Figuur 4: Impressie plangebied (Pdok)

Ruimtelijke structuur Het plangebied ligt in het buitengebied van de kern Meerlo. De directe omgeving kenmerkt zich hoofdzakelijk door agrarische percelen die worden onderbroken door de aanwezigheid van agrarische bedrijven, enkele burgerwoningen en kleinschalige natuur- en landschapselementen. De verkavelingsstructuur is over het algemeen rechtlijnig. De bebouwing is geconcentreerd langs de aanwezige wegenstructuur. De wegenstructuur is organisch en is gevormd door oude landschappelijke structuren. De bebouwing binnen het plangebied bestaat uit drie bedrijfswoningen, waarvan de bedrijfswoning op Hogenbos 8 de oudste is. De overige twee bedrijfswoningen zijn later gebouwd. 20

Op het noordoostelijk deel van het plangebied staan nog voormalige varkensstallen die worden hergebruikt voor de toekomstige nieuwe functie. Deze bebouwing kenmerkt zich door relatief lage gooten bouwhoogtes. Ook de oppervlakte van deze bebouwing is beperkt. Ten westen en zuidoosten van de bedrijfswoning op Hogenbos 14 worden nieuwe bedrijfsgebouwen gebouwd. Voor alle nieuwe bedrijfsgebouwen zijn de noodzakelijke omgevingsvergunningen verleend. Het eerst deel van de bedrijfsgebouwen is inmiddels gebouwd en in gebruik. Andere bedrijfsgebouwen

Figuur 6: Aanzicht voorzijde nieuwe bebouwing, Bestaand groen behouden en toepassing van hoogwaardige materialen

Figuur 5: Te behouden voormalige varkensstallen

worden op korte termijn gerealiseerd. Deze bedrijfsbebouwing kenmerkt zich door hogere bouw- en goothoogtes en grotere oppervlaktes. In deze bedrijfsgebouwen worden hoogwaardige, moderne en duurzame materialen toegepast. 21

In de uiterste zuidoosthoek van het plangebied is in 2020 een nieuwe zonneweide gerealiseerd. Deze zonneweide bestaat uit zonnepanelen die op de daken van de gesaneerde bedrijfsbebouwing lagen. Buiten het plangebied kenmerkt de bebouwing zich hoofdzakelijk door grondgebonden en vrijstaande woningen en de aanwezigheid van agrarische bedrijfsgebouwen. Functionele structuur De gronden binnen het plangebied werden tot 2020 benut ten behoeve van de varkenshouderij. Op dit moment worden op de gronden nieuwe bedrijfsgebouwen gebouwd. Op de gronden op het noordelijk deel van het bouwvlak staan voormalige varkensstallen. Deze varkensstallen worden hergebruikt ten behoeve van de nieuwe bedrijfsvoering. De gronden onder zonneweide werden tot 2021 gebruikt als agrarische productiegronden. De zonneweide is sinds 2021 in gebruik. De bedrijfswoningen binnen het plangebied blijven behouden als bedrijfswoning. Het bedrijf en de bedrijfswoningen behoren tot de weinige bebouwing aan Hogenbos. Er is geen sprake van een bebouwingsconcentratie of bebouwingslint. Het plangebied is uitgerekt langs Hogenbos. De nieuwe bedrijfsbebouwing wordt op dezelfde wijze gesitueerd langs de weg.

22

Projectbeschrijving

3.2 Projectbeschrijving Het bestemmingsplan voorziet in een nieuw planologisch-juridisch kader voor Hogenbos 8, 10 en 14. In dit bestemmingsplan zijn de in het kader van de SRV-regeling gemaakte afspraken en nieuwe toekomstige (bedrijfs)ontwikkelingen vastgelegd. Daarnaast worden de verleende omgevingsvergunningen voor de nieuwe bedrijfsgebouwen en het gebruik en het zonnepark vastgelegd in het bestemmingsplan. SRV-regeling Tot 2021 is op de locaties Hogenbos 10 en 14 een varkensbedrijf geëxploiteerd. Op het bedrijf werden zeugen, gespeende biggen en vleesvarkens gehouden. Ruimtelijk gezien is er altijd sprake geweest van één bedrijf. Milieukundig bestond het bedrijf echter (vanuit het verleden) uit twee aparte inrichtingen. Ook beschikte het bedrijf over twee separate vergunningen in het kader van de Wet natuurbescherming. De initiatiefnemers hebben met het varkensbedrijf op Hogenbos 14 deelgenomen aan de SRV-regeling. De locatie Hogenbos 10 voldeed niet aan de voorwaarden voor deelname aan de SRV-regeling en kon om die reden niet in worden geschreven. De SRV-regeling had als doel varkenshouderijen te saneren die geuroverlast veroorzaken in de veedichte gebied. Het bedrijf van initiatiefnemers behoorde tot een van de bedrijven die een relatief grote geuroverlast veroorzaakten op gevoelige objecten in de omgeving.

Inschrijving voor en deelname aan de SRV-regeling vond op geheel vrijwillige basis plaats. De SRV-regeling voorzag in een bijdrage in de kosten van sanering van de varkenshouderij. Een deel van de saneringskosten werd niet gedekt door de subsidies uit de SRV-regeling. Het Rijk heeft provincies en gemeenten daarom gevraagd de SRV-regeling te ondersteunen met flankerend beleid om op deze wijze tegenmoet te komen aan de kosten die niet gedekt kunnen worden door de SRV-regeling zelf. Voor locaties die deelnamen aan de SRV-regeling zijn, indien de gemeente en provincie dit wenselijk achten, dan ook ruimere hergebruiksmogelijkheden toegestaan. Door gemeente Horst aan de Maas is in het kader van de SRV-regeling daadwerkelijk flankerend beleid opgesteld dat ruimere toekomstige bouw- en gebruiksmogelijkheden op saneringslocaties mogelijk maakt. Voor een verdere toelichting op het flankerend beleid wordt verwezen naar paragraaf 2.4 van deze toelichting. Gezien de leeftijd van de initiatiefnemers was het daarnaast noodzakelijk nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk te maken waaruit voldoende inkomen kan worden gegenereerd voor de toekomst. Na inschrijving voor de SRV-regeling zijn overleggen met de gemeente opgestart om de herontwikkelingsmogelijkheden te verkennen. Na diverse intensieve overleggen met de gemeente is gekomen tot een nieuwe toekomstige invulling van het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14433563/1